Posted on

Paul van Buitenen: Betrokkenen Rijksrechersche-onderzoek

Centrale rol rijksrecherche

Binnen de bijna 20-jaar lange stroom van onderzoeken, beroepsprocedures, WOB-verzoeken en gerechtelijke beslissingen i.v.m. de Vuurwerkramp, neemt de rijksrecherche een sleutelpositie in. Alle verzoeken om informatie of nieuwe indicaties van onregelmatigheden lopen stuk op de uitkomsten van twee rijksrechercheonderzoeken. De rijksrecherche is tot tweemaal toe doorslaggevend opgetreden in het kalt stellen van aanwijzingen over onrechtmatigheden in het strafrechtelijk onderzoek van de Vuurwerkramp. De eerste maal was in 2004 en de tweede maal in 2012. Beide rijksrecherche-interventies waren zowel doorslaggevend, als aantoonbaar nalatig en slecht uitgevoerd, waarbij serieuze aanwijzingen zijn gemist en onderzoekshandelingen werden voorgewend die niet zijn uitgevoerd. De nalatigheden en fouten van de rijksrecherche zijn zó ernstig dat dit niet alleen met incompetentie kan worden verklaard. Er dient ernstig rekening te worden gehouden met aansturing van buitenaf en het door rijksrechercheurs begaan van strafbare feiten.

Tuchtrechtelijk onderzoek politie in 2003

De door het OM van brandstichting verdachte André de Vries was in eerste aanleg tot 15 jaar cel veroordeeld door de rechtbank Almelo. Dit was gebaseerd op valse bewijzen die door het OM waren opgevoerd, dit tegen beter weten in van datzelfde OM. Twee Tolteamrechercheurs hadden zich eerder intern binnen het onderzoek al verzet tegen de bewijsmethodes van het OM en de gedragingen van een aantal van hun collega Tolteamleden. Na overleg, met hun door de politiebond ACP toegewezen advocaat, besloten zij hun protest buiten de politie te laten horen, maar nog steeds binnen het onderzoek. Tegen de wil van de korpsleiding en het OM in legden zij beiden bij de hoger beroep procedure van de veroordeelde De Vries een verklaring af voor het gerechtshof Arnhem over de wijze van bewijsvergaring door het OM. Dit leidde tot het ondeugdelijk verklaren van het OM-bewijs door het Hof en De Vries werd vrijgesproken. Op aangeven van het OM startte de korpsleiding vervolgens een interne tuchtprocedure tegen de beide klokkenluiders. Deze procedure werd vermomd als een objectief onderzoek naar het hele Tolteam, uit te voeren door het Bureau Interne Zaken (BIZ) van een andere politieregio. Wat de korpsleiding echter niet verwachtte, maar wat wél gebeurde, was dat het BIZ onverwacht informatie kreeg vanuit de politie Twente die eerder voor het BIZ was achtergehouden toen zij informatie opvroegen binnen het onderzoek. De tussenuitkomst van het interne BIZ-onderzoek kantelde ineens een onverwachte kant op, ten nadele van de korpsleiding en het OM. Deze tussenconclusie van het BIZ luidde:

“Verantwoordelijken en uitvoerenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra de verdachte André de Vries hebben binnen dit strafrechtelijk onderzoek opzettelijk de rechterlijke macht misleid.”

Inschakeling rijksrecherche in 2004

De korpsleiding (burgemeester Mans) schakelde daarop justitieminister Donner in. Minister Donner schakelde toen zélf de rijksrecherche in. Op papier werd de theoretisch meer correcte opdrachtlijn via het College van Pg’s en de Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) gefingeerd. De formele opdracht van de rijksrecherche luidde:

“Vaststellen in hoeverre het Tolteam en OM bij het strafrechtelijk onderzoek contra De Vries opzettelijk de rechterlijke macht hebben misleid.”

De rijksrecherche wist dat zij het BIZ-onderzoek moesten overdoen al vóórdat de CCR überhaupt (voor de schijn) was ingeschakeld. Er was géén sprake van een opdracht die onafhankelijk kon worden uitgevoerd. In de plaats daarvan bleek de rijksrecherche een van te voren bepaalde uitkomst mee te krijgen:

“De rijksrecherche had de kennelijke opdracht om de kritische bevindingen van Bureau Interne zaken Gelderland-Midden ten koste van alles te ontkrachten. Waarheidsvinding werd daaraan opgeofferd.”

Rijksrecherche begaat strafbare feiten

De rijksrecherche beging onrechtmatigheden en strafbare feiten tijdens het onderzoek:

  • Millennium verklaring. Twee van de door de rechtbank in het vonnis tot 15 jaar cel van André de Vries geaccepteerde bewijsmiddelen, aangevoerd door het Openbaar Ministerie, waren verklaringen. Betreffende getuige beweerde dat De Vries in de millenniumnacht had verklaard over een bom bij S.E. Fireworks. Het OM wist echter dat deze verklaring meinedig was, want reeds maanden vóór het vonnis dagvaardde het OM de bewuste getuige wegens meineed voor precies deze verklaringen die als bewijs waren opgevoerd door datzelfde OM. De rijksrecherche vond hoegenaamd niets. Ook niet wat er van de zes ontlastende verklaringen was geworden die de rechtbank blijkbaar niet had opgemerkt, maar waarvan het OM beweerde dat ze gewoon in het dossier waren opgenomen.
  • Compositietekening. Een rechter legt een verklaring af bij de rijksrecherche over een compositietekening, die voor hem de aanleiding vormde om het Openbaar Ministerie te tippen op een kennis van André de Vries. Op de datum dat deze rechter blijkens het Tolteamjournaal heeft getipt, bestond deze compositietekening echter nog niet. Ook was de gelijkenis van de compositietekening met de uiteindelijk de door de rechter bedoelde persoon nihil. Uit de stukken van de rijksrecherche is op te maken dat zij deze anomalie moeten hebben opgemerkt. Echter, zij signaleren hem niet.
  • Rood sportbroekje. Een rood sportbroekje speelde de hoofdrol voor het Openbaar Ministerie bij de aandachtsvestiging, verdachtmaking, arrestatie, gevangenhouding en veroordeling van André de Vries als brandstichter. De rijksrecherche vond het echter niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Zij concludeerden dat dit niet meer was na te gaan. Echter, de rijksrecherche heeft belangrijke getuigen, die bij de behandeling van het broekje waren betrokken, hierover niet gehoord. De rijksrecherche moet gemerkt hebben aan het verschil in stank, verontreinigingen, gaatjes, zijde van het achterzakje, soort broekband, verschillende verpakkings- en sluitingswijze, verschillende bewaarplaats en het al dan niet vergezeld gaan met de overige kleding, dat er sprake moet zijn geweest van verschillende broekjes. De rijksrecherche merkt hier echter niets over op.
  • Parallel traject. Er liep binnen het Tolteam een parallel onderzoekstraject door drie rechercheurs naar de kandidatuur van De Vries als brandstichter. De bevindingen van dit traject werden niet binnen het reguliere Tolteam-journaal genoteerd, maar op een losse floppy disk, waardoor de bevindingen in dit traject werden onttrokken aan de normale groepsdynamiek en -kritiek binnen het Tolteam. Ook werden hier geen processen-verbaal van opgemaakt. Pas aan het eind van het parallelle traject informeerde men de rest van het Tolteam en werden de 69 separaat, systematisch en volgens een bepaald format vastgelegde mutaties geïntegreerd in de rest van het journaal. Het Tolteam werd verplicht over te schakelen van het scenario ‘Bedrijfsongeval’ naar het scenario ‘Brandstichter De Vries’. Door een strikt formalistische interpretatie van de onderzoeksvereisten kon de rijksrecherche dit traject als reglementair aanmerken en zag de rijksrecherche hierin geen misleiding.
  • Verhoorde getuigen. De rijksrecherche liet alle kritische getuigen terzijde, of hoorde hen slechts gedeeltelijk. Zij negeerden cruciale getuigen betreffende mogelijke misleiding van de rechter. De rijksrecherche hoorde de beide klokkenluiders alléén met het oogmerk om hen op meineed te kunnen pakken. Hun aantijgingen betreffende het onderzoek werden met grote tegenzin als bijlage aan het verhoorverslag gehecht, zonder enige opvolging, want de rijksrecherche sloot het onderzoek reeds twee dagen na hun verhoor. Een rechercheur die tevoren door het BIZ als mogelijke verdachte werd aangemerkt, is door de rijksrecherche als basis gebruikt voor de geconstrueerde waarheidsvinding.
  • Verhoor voorbeeld. Het ‘verhoor’ van de persoon waarop de rechter had getipt en die zich later, toen het Tolteam niet aansloeg, alsnog ‘spontaan’ meldde bij het Tolteam en hen op het spoor van De Vries zette, is typerend voor de ‘grondigheid’ waarmee de rijksrecherche werkte. De rijksrecherche trof betreffende getuige in beschonken toestand aan, reden waarom de rijksrecherche besloot van verder verhoor af te zien. Ontnuchtering en verhoor van juist deze getuige was uitermate belangrijk, maar blijkbaar geen optie.
  • Onderzoeksopzet. Formeel zou de rijksrecherche de eerdere bevindingen van het BIZ als uitgangspunt nemen. In werkelijkheid schoof de rijksrecherche alles van het BIZ terzijde en begon met de constructie van de gewenste werkelijkheid. Uitgangspunt daarbij was de tendentieuze ‘weerlegging’ van de klokkenluiders door de Advocaat-generaal van het Hof te Arnhem. Daarna zocht de rijksrecherche antwoorden om de door het BIZ gesignaleerde tegenstrijdigheden in data van het geautomatiseerde vastleggingssysteem te kunnen verklaren. De hele opzet van het onderzoek verraadt de werkelijke opdracht van het college Pg’s aan de rijksrecherche: ontkracht de kritische bevindingen van het Bureau Interne Zaken.
  • Probeer meineed. De rijksrecherche had de kennelijke opdracht om een basis te vinden waarop beide klokkenluiders van het Tolteam vervolgd konden worden voor meineed. Dit blijkt zowel uit de vraagstelling die naar voren komt uit de getuigenverslagen, als uit de rapportage zelf van de rijksrecherche, waar een onevenredig groot en gedetailleerd gedeelte wordt gewijd aan wat Paalman en De Roy van Zuydewijn nu wel en niet zouden hebben gezegd tijdens de verschillende bijeenkomsten.

Onderzoeksopdracht: “De doelstelling van het rijksrecherche feitenonderzoek is vast te stellen of en zo ja in hoeverre verantwoordelijken en uitvoerenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra verdachte De Vries, opzettelijk de rechterlijke macht hebben misleid.” De uitkomsten van het onderzoek worden geformuleerd in typisch rijksrecherchiaans taalgebruik: “Er werd geen ondersteuning gevonden voor …, er is niet gebleken dat …”. Tsja, waar de rijksrecherche niet zoekt zal de rijksrecherche ook niets vinden. Waar de rijksrecherche wél naar zocht, was het bewijs dat een of beide klokkenluiders meineed hadden gepleegd. Het OM dacht dat de rijksrecherche daarin was geslaagd en zette dat in hun persverklaring van 5 juli 2004. De rechtbank Den Haag floot het Openbaar Ministerie echter terug bij vonnis van 13 augustus 2004 en dwong het OM tot een rectificatie.

Bij dit rijksrechercheonderzoek waren rechtstreeks betrokken:

  1. Officier van Justitie:                        Mr. Henk van der Meijden
  2. Regiomanager rijksrecherche:         J. Schagen
  3. Hoofdinspecteur der rijksrecherche: H.J. Rauwerdink
  4. Hoofdinspecteur der rijksrecherche: Gert A. Lijnes (nu directeur bedrijfsvoering OM Caraïbisch gebied).
  5. Inspecteur der rijksrecherche:         Mr. Henk J. Mous (nu officier van justitie landelijk parket Amsterdam).
  6. Inspecteur der rijksrecherche        R.A.M. Rosendaal
  7. Inspecteur der rijksrecherche        Geert Faber (nu gepensioneerd).
  8. Brigadier van politie Drenthe        F. Greve
  9. Brigadier van politie Flevoland    J.C. van Wilgenburg

Inschakeling rijksrecherche in 2012

Nadat in april en mei 2010 nieuwe aanwijzingen waren bovengekomen dat het onderzoek naar de Vuurwerkramp niet volledig is geweest, startte het Openbaar Ministerie een reeks aanvullende feitenonderzoeken: ‘Esaltato’ (2010), ‘VerEsal’ (2011) en ‘Daslook’ (2012). Daarbij werden alle aanwijzingen één voor één de nek omgedraaid. Het laatste feitenonderzoek ‘Daslook’, dat er voor moest zorgen dat de deksel voorgoed gesloten werd, is uitgevoerd door een in dergelijke operaties gespecialiseerde organisatie, de rijksrecherche. Op speciaal verzoek van de voorzitter van het college van procureurs-generaal, Herman Bolhaar, gericht aan hoofdofficier van justitie Fred Westerbeke, werden hiervoor eerder bij het onderzoek betrokken rijksrechercheurs uitgezocht. Zo konden de rijksrechercheurs zelf controleren of zij hun eerdere werk in 2004 wel goed hadden gedaan.

Het heeft meer dan een jaar geduurd na de ‘Beste Fred’ brief van Herman, voordat de rijksrecherche tot resultaten kwam. Er werden drie vragen onderzocht:

De eerste onderzoeksvraag: Hoe was het onderzoeksteam van de Twentse politie destijds aan de naam gekomen van de tipgever die de naam van voormalig verdachte André de Vries had genoemd.

“In het onderzoek van de rijksrecherche is het volgende komen vast te staan: De tipgever die de naam van DE VRIES had genoemd, heeft zichzelf gemeld bij de politie.”

PvB: Het gaat hier om de vraag of bewuste getuige K. zichzelf bij het Tolteam had gemeld. Deze vraag was in 2004 al eens door dezelfde mensen van de rijksrecherche uitgezocht. Het antwoord was toen dat hij zichzelf had gemeld. De onderzoekstijd van dit punt kan niet meer dan enkele seconden zijn geweest, namelijk de tijd die nodig is om dezelfde uitkomst nog een keer op te schrijven. Dezelfde vraag, dezelfde rijksrechercheurs en hetzelfde antwoord. De werkelijke onderzoeksvragen betreffende getuige K. zijn zorgvuldig onbesproken gelaten.

·       De tweede onderzoeksvraag was over een vermeende nieuwe verklaring van een NFI-deskundige die, in tegenstelling zijn eerdere verklaring, ontlastend zou kunnen zijn voor de voormalig verdachte André de Vries.

“Van een ander rapport, een andere mondelinge of schriftelijke verklaring van het NFI is geen sprake geweest. De rijksrecherche heeft vastgesteld dat geen sprake is van gewijzigd inzicht bij het NFI.”

PvB: Het gaat hier om de vraag of ir. B. van het NFI tijdens een presentatie op 29 juni 2011 verklaard zou hebben dat de sporen in de rode broek van André de Vries toch niet zo uniek waren als eerder aangenomen. Hoofdinspecteur van politie G. was niet zeker of de verklaring van ir. B. wel zo anders was. Specifiek daarnaar gevraagd door de rijksrecherche verklaart de hoofdinspecteur dat er geen sprake was van een nieuwe verklaring van ir. B. De rijksrecherche heeft niet meer onderzoek hoeven doen dan nog eens vragen wat er nu precies werd bedoeld. Een kwestie van enkele minuten. Ook hier blijft de rijksrecherche zorgvuldig weg bij de werkelijke openstaande vragen. Belangrijke getuigen worden niet gehoord, zelfs niet wanneer zij zichzelf aanbieden voor verhoor!

·       De derde onderzoeksvraag ging over de kwestie van de onderzochte vuurwerklocatie op Kreta.

De Rijksrecherche heeft vastgesteld dat er in Griekenland slechts op één plek onderzoek is gedaan omdat alleen op die plek evenementenvuurwerk zou zijn afgestoken in de periode waarin De Vries daar was.

PvB: Deze vraag was al tijdens het eerdere onderzoek beantwoord en daarvoor hoefde men zeker niet nog eens naar Kreta af te reizen. De echte vragen betreffende de vuurwerksporen op de rode broek waren van geheel andere aard, maar die zijn niet onderzocht, want dan zou de rijksrecherche zichzelf in opspraak brengen.

Conclusie onderzoek 2012

De rijksrecherche heeft een jaar lang (!) een zogeheten onderzoek uitgevoerd naar vragen die achteraf niet bleken te bestaan. Had men er in 2004 nog een heel rapport voor nodig, in 2012 volstonden een paar minuten werk, een reisje naar Kreta, alles gepresenteerd met één A4-tje op 6 december 2012. En iedereen slikte het.

De rijksrecherche is niet voor niets het persoonlijke speeltje van het College van procureurs-generaal, dat wordt ingezet als politie die de gewone politie controleert. Een rijksrechercheonderzoek is het ergste wat je kan overkomen als overheidsdienaar. De rijksrecherche is de onafhankelijke superpolitie met hooggekwalificeerde rechercheurs.

Niets is minder waar. De incompetentie is zó stuitend dat de rijksrecherche kennelijk, bij de basis van de vastlegging van onderzoeksgegevens, politieke en bestuurlijke beïnvloeding toeliet van het door hen uit te voeren onderzoek. Rijksrechercheurs worden ook officieel geselecteerd op politieke sensibiliteit. Viezer wordt het niet.

Twee van de eerdergenoemde rijksrechercheurs uit het onderzoek van 2004 hebben niet alleen in 2004, maar ook in 2012 het rijksrechercheonderzoek Daslook uitgevoerd. Hiermee konden zij, in opdracht van de toenmalige voorzitter van het college Pg’s Herman Bolhaar, zichzelf controleren.

Posted on

Paul van Buitenen: Brief aan HOvJ Marthyme Kunst

Op 17 januari 2020 schreef ik aan de wnd. hoofdofficier van Justitie, mr. Marthyne Kunst, een brief over de wijze waarop het OM onze strafaangifte tegen de overheid behandelt.

Mevrouw Kunst berichtte mij de dag ervoor namelijk hoe zorgvuldig de afgelopen maanden de strafaangifte Vuurwerkramp van politie naar officier, van officier naar hoofdofficier en van hoofdofficier naar het college van procureurs-generaal is gegaan. Daar zal men dan nog voor de beoordeling van de aangifte een ander parket uitzoeken. Dit alles ter voorkoming van belangenverstrengeling.

Belangenverstrengeling

Ik bedank mevrouw Kunst voor deze zorgvuldigheid, want zij was eerst 12 jaar advocaat bij Nysingh advocaten. Dit advocatenkantoor verdedigt nu de gemeente Enschede tegen een schadeclaim wegens de Vuurwerkramp. Verder was mevrouw Kunst als persofficier in Almelo de officieel aangewezen vertolkster van precies dat OM-beleid tijdens de strafvervolging van de Vuurwerkramp dat nu voorwerp is van onze aangifte van strafbare feiten. Haar bemoeienis met de aangifte zou zeer problematisch zijn geweest.

Traineren beoordeling aangifte

Mevrouw Kunst schreef mij verder dat het bestuderen van de feiten in elk geval tot maart 2020 zal duren. Hieruit leid ik af dat de behandeling van de aangifte onvoldoende prioriteit heeft gehad. Wanneer het OM sinds de aankondiging van de aangifte half oktober, tot op heden nog steeds geen parket heeft aangewezen dat de aangifte kan beoordelen, dan wekt dat de indruk van het bewust traineren van de behandeling. Daarom heb ik aan mevrouw Kunst een aantal overwegingen voorgelegd:

  • Arrondissementen en tijdsduur. In een bijlage van de aangifte (het reviewrapport) staat beschreven hoe lang de verschillende onderzoeksfasen na de Vuurwerkramp hebben geduurd en tevens dat er vijf verschillende OM arrondissementen bij de eerdere onderzoeken betrokken zijn geweest. Daarbij is één van de door mij aangegeven klachten dat er tijdens lange onderzoeksperiodes in werkelijkheid nagenoeg geen onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden. Met als belangrijkste voorbeeld het Daslook onderzoek uit 2012, uitgevoerd door de rijksrecherche.
  • Rol College van Pg’s. Ook beschrijft de review hoe de achtereenvolgende voorzitters van het College van Pg’s: Joan de Wijkerslooth, Harm Brouwer en Herman Bolhaar, zacht gezegd mogelijk geen onberispelijke staat van dienst hebben betreffende de gelopen onderzoeken naar de Vuurwerkramp. Dit tijdens hun respectievelijke voorzitterschap van het College van Pg’s.
  • Rol Parket-Generaal. Het Parket-Generaal heeft vorig jaar door een senior jurist maandenlang een concept van het reviewrapport ‘minutieus’ (naar eigen zeggen) laten bestuderen. Als resultaat van die bestudering kwam op 4 juni 2019 een nietszeggende brief van de wnd. voorzitter van het College van Pg’s (de heer Hofstee), waarin niet op de inhoud van het rapport werd ingegaan, maar alleen aan beeldvorming werd gedaan en werd gesteld dat de bestaande procedures correct doorlopen zijn. Hierover heb ik reeds op 27 juni 2019 een klacht ingediend bij de minister van justitie. Hierop is tot op heden geen antwoord gekomen.
  • De grote vraag is of het College van Pg’s nu voor het eerst de intentie heeft om werkelijk en met prioriteit door deskundige en onbevooroordeelde specialisten (binnen en buiten het OM) naar de aangifte en de daarbij behorende bijlagen te laten kijken, of dat het College van Pg’s wederom aan het tijdrekken is om zo steeds dichter bij de 20e gedenkdag van de Vuurwerkramp te komen (13 mei 2020) zonder noemenswaardige verstoringen van de status quo in de polder.

Verzoek

Daarom verzocht ik aan mevrouw Kunst een niet zwartgemaakt afschrift van het verzoek van haar aan het College van Pg’s, waarin zij aan hen vraagt om een ander parket aan te wijzen. Dat helpt te beoordelen hoe OM en college van Pg’s werkelijk in deze zaak zitten.

Publicaties

Ter ondersteuning van het OM zal ik hierover publiceren en zal ik de snelheid van de publicatie van namen van betrokken opvoeren. Ik hoop vanavond een stuk te publiceren over de rol van de rijksrecherche, met daarin vijf namen van betrokken rijksrechercheurs.

Op de Website: www.vuurwerkramprapport.nl zijn alle publicaties te vinden.

Posted on

Paul van Buitenen: De Enschedese milieudienst en het OM

  • ·      AGGELEN van F.W. (Frits) directeur Bouw- en Milieudienst,
  • ·      STREBUS J.J.W. (Jan Willem) afdelingshoofd Milieu,
  • ·      MEIJERINK Gerard plv. afdelingshoofd Milieu,
  • ·      BOSCH Nico ten, uitvoerend ambtenaar Milieu.

Zij traden alle vier op namens de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst richting vuurwerkbedrijf en overige instanties. Gisteren publiceerde ik reeds dat zij door mij, individueel dan wel in gezamenlijkheid, verantwoordelijk worden gehouden voor:

  1. Onjuiste afwijzing van bezwaar tegen de milieuvergunning S.E. Fireworks.
  2. Verstrekking van onwettige milieuvergunningen (1997, 1999) S.E. Fireworks.
  3. Vervalsing van de gemeentelijke milieuvergunning 1999 S.E. Fireworks.
  4. Misleiding burgemeester MANS over klasse 1.1 weg uit milieuvergunning.
  5. Misleiding Tolteam/OM over de inbeslagname gemeentelijke dossiers.

Jan-Willem Strebus

Hij was sinds 1 februari 1997 hoofd van de afdeling Milieu van de Bouw- en Milieudienst van de gemeente Enschede. Hij wordt door de rechtbank Almelo op 5 oktober 2001 ondervraagd. Hij bevestigt in zijn verklaring onder meer dat S.E. Fireworks onder vorige eigenaar Harm S. meer dan vier jaar zonder geldige vergunning heeft gedraaid met zwaar vuurwerk in een woonwijk. Defensiebureau Milan constateerde in 1993 een omschakeling van consumentenvuurwerk naar het zwaardere evenementenvuurwerk bij het bedrijf, waarvoor er geen vergunning was. Pas in 1997 kwam er een milieuvergunning voor het evenementenvuurwerk. Strebus wees op achterstanden bij de gemeente en een gebrek aan prioriteit voor het vuurwerkbedrijf.

Strebus tekende als hoofd Milieu namens het college van B&W regelmatig brieven die gericht waren aan S.E. Fireworks. Zo ook een brief n.a.v. een door de gemeente uitgevoerd controlebezoek bij S.E. Fireworks op 29 december 1999, de laatste jaarwisseling voor de ramp. De controle is verricht door de heren Ten Bosch en Oosterheeft en mevrouw Olthuis, allen van de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst. Strebus schrijft aan S.E. Fireworks dat de controle aan de hand van de milieuvergunningen 1997 en 1999 bevredigend is verlopen en dat het bedrijf de voorschriften naleeft.

Nico ten Bosch

Ten Bosch legde belastende verklaringen af. Het OM deed er niets mee.

Kapitein Forsman (Defensie-MILAN) constateerde in 1998 dat er bij S.E. Fireworks containers stonden in strijd met de vergunning. Forsman zei toen dat dit alsnog vergund kon worden. Ik (Ten Bosch) heb de eis van 120 min brandwerendheid ten aanzien van de zeecontainers in de vergunning van 1997 laten vallen. Daarvoor is kwam het voorschrift dat de containers één meter uit elkaar moesten staan. In de vergunning van 1999 heb ik zowel de eis van 120 minuten brandwerendheid als de 1 meter grens weggelaten. Ik dacht dat dat kon op grond van het advies van defensie. Ik merk ook op dat Forsman tijdens het bezoek aan S.E. Fireworks op 10 mei 2000 (3 dagen voor de ramp) zei: “wat er in Culemborg is gebeurd, kan hier niet gebeuren”

“Na de ramp bleek dat er geen vuurwerkdeskundigen zijn. De ministeries werken langs elkaar heen. De classificatie van consumentenvuurwerk is onjuist. Ik ken geen deugdelijke informatie over brandwerendheid van zeecontainers. Van de adviezen van bureau MILAN kan niet worden afgeweken omdat zij ook adviseur van de Raad van State zijn. In een procedure wegens afwijking van het MILAN-advies, kom je datzelfde advies weer tegen als advies aan de Raad van State. Ik had te weinig opleiding en ervaring met vuurwerk en stond voor een onmogelijke taak. Ik ben voor die functie bij de gemeente geselecteerd op basis van irrelevante criteria. Er werd gevraagd wie er voortaan met Gerard Meijerink mee wilde gaan op vuurwerkcontrole. Omdat mijn echtgenote altijd werkte tussen Oud en Nieuw, vond ik het prima om op eindejaar vuurwerkcontrole te gaan, dus kreeg ik die functie. Ik kende de onderzoeksresultaten van de ramp te Culemborg niet, omdat ik dit rapport nooit heb gezien.”

“Kapitein Forsman (MILAN) merkte op dat het goed was dat de containers bij S.E. Fireworks niet in een L-opstelling stonden.” (Kapitein Forsman verklaarde ook zelf dat er toestemming was gegeven voor een foutieve vergunning.)

“Ik heb in de S.E. Fireworks vergunning 1997 nooit voorschriften voor sprinklerinstallatie opgenomen omdat MILAN er niet over repte. Wel adviseerde MILAN om m.b.t. de brandpreventie te overleggen met de brandweer voor de vergunning 1997. Ik denk niet dat ik dat heb gedaan. Bij de vergunning 1999 adviseerde MILAN wel om handbediende sprinklers aan te brengen in de ompakruimte, maar ik ben vergeten dat in de vergunning 1999 op te nemen. Deze omissie is controle niet gesignaleerd.”

Door het Tolteam aangesproken op de vergunningscondities in 1999 verklaart Ten Bosch het volgende:

“De situatie bij S.E. Fireworks is historisch. … Niemand maakte in het verleden ooit opmerkingen over brandwerendheid en zelfsluitendheid van deuren bij S.E. Fireworks. In 1993/1994, toen we over het terrein bij S.E. Fireworks liepen, sprak ik hierover met Gerard Meijerink, mijn chef, en hij zei dat we hier niets aan deden. Ook Bouma, Forsman en Ceelen (= bureau MILAN Defensie) constateerden dit en maakten geen opmerkingen. Zij bezochten het bedrijf ook en moeten dit hebben geconstateerd. Zij bespraken dit niet met mij. Ik kan dan geen eisen stellen aan S.E. Fireworks. Op redelijk korte termijn zou het bedrijf daar verdwijnen. Ook bij de procedures voor de vergunningen 1997 en 1999 voor S.E. Fireworks dacht ik er niet aan te eisen dat de milieuvergunning werd nageleefd. Dit eiste ik van nieuwe bedrijven wél”.

Ten Bosch wist dus dat er bedenkingen waren bij de veiligheid van vuurwerkopslag in containers en heeft aanvragen tot toestemming van containeropslag van vuurwerk bij andere bedrijven geweigerd. Dit blijkt uit in beslag genomen stukken.

Ondanks het enorme belang van de verklaringen van Ten Bosch, zijn verzoeken van de verdediging van S.E. Fireworks, om Ten Bosch voor verhoor in de rechtbank op te roepen, door de rechter afgewezen.

Gerard Meijerink

Hij wordt bevraagd tijdens een rechtbankverhoor over vermiste stukken in het gemeentedossier m.b.t. S.E. Fireworks uit de periode 1979 – 1989. Eerst een citaat van het Tolteam:

‘In het gemeentedossier betreffende S.E. Fireworks zijn door ons geen stukken aangetroffen uit de periode 14-12-1979 tot 30-11-1989. Door ons verbalisanten is in het dossier een formulier aangetroffen met daarop een routingstempel, gedateerd 30-11-1989, voorzien van een paraaf gelijkend op de paraaf van Meijerink, met daarbij geschreven: ”opbergen in H W dossier Smallenbroek onder “ontheffingen”’

Ondanks aanwezigheid van zijn paraaf, ontkent dhr. Meijerink voor de rechtbank het bestaan van het door hem geparafeerde formulier, gedateerd 30-11-1989, dat is opgeborgen in het dossier ‘H.W. Smallenbroek’. Ook in het Journaal van het Milieuteam blijkt het gat in het dossier. Verder blijkt uit een verklaring van een lid van het Tolteam dat Meijerink weigert persoonlijke aantekeningen te overhandigen bij de inbeslagname. Dit leidt zelfs tot een gespannen situatie. Het Tolteam drukt echter niet door en Tolteamleider Rik de B. heeft daar achteraf spijt van.

In tegenstelling tot zijn ondergeschikte Nico ten Bosch, die op 4 en 5 april 2001 wél tegen het Tolteam diverse verklaringen heeft afgelegd vanuit zijn positie als verdachte van strafbare feiten, heeft de toen eveneens als verdachte aangemerkte Gerard Meijerink geweigerd tijdens het verhoor van 10 april 2001 te verklaren. Hij beroept zich op zijn zwijgrecht als verdachte. Ten Bosch verklaarde eerder dat zijn beslissingen om overtredingen van S.E. Fireworks te gedogen waren genomen in overleg met zijn chef Gerard Meijerink.

Bij de inbeslagname van gemeentelijke S.E. Fireworks dossiers op 14 en 15 mei bij de gemeente Enschede, ondervond het Tolteam de eerste dag geen problemen bij afdelingshoofd de heer Strebus, maar plv. afdelingshoofd de heer Meijerink weigerde de dag erna bepaalde documenten mee te geven aan het Tolteam.

Ontbrekende stukken uit het procesdossier

De dossiers ‘Grondbedrijf‘, ‘Brandweer‘ en ‘Opslag/verkoop vuurwerk’ zijn door politie/OM op 30 mei 2000 bij de gemeente Enschede in beslag genomen, maar komen echter niet, dan wel gedeeltelijk, in het strafdossier voor. Dit ligt niet aan de gemeente, maar aan het OM. Een verzoek van de verdediging van Fireworks om deze documenten alsnog aan het procesdossier toe te voegen is door de rechtbank afgewezen doordat de rechtbank vertrouwde op de stelling van het OM dat deze stukken niet voorhanden waren. Het blind vertrouwen van de rechtbank in de OM-fictie van ‘waarheidsvinding’ wreekt zich in de rechtsgang. Dit is een kwetsbaar punt in het Nederlandse rechtssysteem. De rechter zou gebruik moeten maken van de eigen bevoegdheid tot toetsing en verificatieonderzoek.

Over het ontbreken van gemeentestukken verklaart het OM het volgende (samenvatting):

Het gemeentedossier is niet compleet. Controleverslagen en notities zijn waarschijnlijk vernietigd. Het HW-dossier S. ontbreekt en de stukken uit de periode 14 december 1979 tot 20 november 1989 ontbreken. Het OM betreurt dit maar kan niet meer zorgen voor completering van het gemeentedossier. Het OM vermoedt een te stringent vernietigingsbeleid van het gemeentearchief c.q. het archief van MILAN. Dit vermoeden is bevestigd door de getuigen Ten Bosch, Meijerink, Van Aggelen en Strebus t.a.v. het gemeentedossier en door dhr. Forsman m.b.t. het MILAN-dossier. Het OM ziet echter geen aanleiding tot strafrechtelijke vervolging wegens achterhouden van bewijsstukken.”

Het OM misleidde hier de rechter en de rechter neemt alles voetstoots aan van het OM. Het OM doet immers aan ‘waarheidsvinding’. Het ‘Feitenoverzicht vergunningverlening’, van het COT van de universiteit Leiden, dat dossieronderzoek deed in het gemeentearchief, toont dat de documenten 1979 – 1989 wél bestaan in het gemeentearchief. Ook zijn er stukken, waarvan het OM beweerde dat ze niet bestonden, later wél opgedoken via een WOB-procedure. Dit alles zou betekenen dat wel degelijk aanleiding was om de gemeente strafrechtelijk te vervolgen voor het achterhouden van stukken voor het OM. En het OM op zijn beurt misleidde de rechter.

Voorlopige conclusie dossiers en milieudienst

Door toedoen van de gemeente Enschede én door politie en OM, waren de procesdossiers incompleet en opgeschoond. Persoonlijke aantekeningen, complete jaargangen en dossiers zijn buiten het procesdossier gehouden. Dit had belangrijke gevolgen:

  • De rechten van de verdediging van de eigenaren van het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks zijn ernstig geschonden. Zij konden hierdoor geen eerlijke verdediging voeren. Dit is een inbreuk op de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin vastligt dat aangeklaagden recht hebben op een eerlijke rechtsgang.
  • De verwijtbare gedragingen van de gemeente Enschede zijn buiten het zicht van de strafrechter gebleven, waardoor te gemakkelijk een beroep kon worden gedaan op de immuniteit voor strafvervolging uit hoofde van de Pikmeer-arresten.
  • Het Openbaar Ministerie misleidde de rechter. Dit was niet voor het eerst en ook niet voor het laatst binnen het dossier van de Vuurwerkramp.
  • Gemeente Enschede was laakbaar bij vergunningverlening en controle op het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks. Noch de commissie Oosting, noch het rechtbankdossier meldden dit. Beide dossiers werden afgesloten voordat milieuambtenaar Ten Bosch zijn bezwarende verklaringen aflegde in april 2001 bij het Tolteam.

Programma

Tot zover. Donderdag (16/1) of vrijdag (17/1/20) komt de rijksrecherche aan de beurt. Echter de situatie met het Openbaar Ministerie, betreffende de behandeling van de aangifte van strafbare feiten, lijkt zich ondertussen niet gunstig te ontwikkelen. Hierover kan een bericht noodzakelijk zijn en om voorrang vragen op www.vuurwerkramprapport.nl

Posted on

Paul van Buitenen: elke dag een naam. #Frits van Aggelen

F.W. (Frits) van Aggelen directeur van de Gemeentelijke Bouw- en Milieudienst en drie van zijn ondergeschikten, die komende dagen nader zullen worden geduid onder aangeven van hun gedragingen, zijn individueel dan wel in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor o.a.:

Onjuiste afwijzing bezwaar tegen milieuvergunning
Het bezwaar dat was ingediend door een bewoner tegen de vestiging van een vuurwerkbedrijf in een woonwijk, met een grote opslag van evenementenvuurwerk, kon volgens de letter van de wet worden afgewezen. Deze afwijzing was niet in de geest van de wet, was dus onjuist en laakbaar.

Verstrekken onwettige milieuvergunningen
De gemeentelijke milieuvergunningen 1997 en 1999 zijn tot stand gekomen zonder het wettelijk voorgeschreven advies van de brandweer. Tevens werd gebruik gemaakt van de adviezen van Defensiebureau Milan die niet correct waren. Tenslotte was er onduidelijkheid en gebrek aan kennis over de brandwerende eigenschappen van een aantal opslagplaatsen. Ondanks het weigeren van het gebruik van zeecontainers voor vuurwerkopslag bij andere vuurwerkbedrijven in Enschede, werd dit bij S.E. Fireworks wél toegestaan, met als rechtvaardiging de te voorziene tijdelijkheid van de vergunning (risicobenadering). Die tijdelijkheid was niet vanwege het eerder ingediende (en afgehouden) verhuisverzoek van S.E. Fireworks, maar vond basis in de geheime onderhandelingen over de aankoop van de grond door de gemeente van oud-eigenaar Harm S. Hierover verschijnen nog separate artikelen waarin Harm S. en gemeentemedewerker R. aan bod komen, en een niet onderzocht motief voor brandstichting benoemd en onderbouwd wordt.

Vervalsing milieuvergunning 1999
Uitgaande van de eerder verleende milieuvergunning 1997, waarin naast vuurwerk van de subklassen 1.4 en 1.3 ook een beperkte hoeveelheid vuurwerk van de subklasse 1.1 was vergund, heeft S.E. Fireworks voor 1999 een nieuwe vergunning aangevraagd, zónder te vragen om het vervallen van de klasse 1.1. Deze aanvraag is op verzoek van de milieudienst door het bedrijf gedeeltelijk ingevuld, alvast ondertekend en vervolgens nog gedeeltelijk blanco opgestuurd naar de gemeentelijke milieudienst. Daarna heeft de milieudienst de vergunning verder ingevuld en daarbij expliciet de subklasse 1.1 uit de vergunning verwijderd zonder medeweten van het vuurwerkbedrijf. Het vuurwerkbedrijf kon dit ook niet vragen, want de subklasse 1.1 diende te worden vergund wegens het gebruik van onverpakt vuurwerk in de ompakruimte. Ook achteraf heeft het bedrijf dit niet kunnen constateren daar er door de gemeente slechts een uittreksel van de vergunning is verstrekt aan het vuurwerkbedrijf, waarin geen melding was gemaakt van het vervallen van de subklasse 1.1.

Misleiding van de burgemeester
Op het punt van de milieuvergunning 1999 heeft burgemeester Jan Mans aan de gemeenteraad verkeerde informatie verstrekt over het verdwijnen van de subklasse 1.1 uit de milieuvergunning. Mans informeerde de raad (19 maart 2001) dat dit op verzoek van het vuurwerkbedrijf zelf was gebeurd. Het bedrijf wist echter van niets (zie voorgaand punt). Mans verwijst hier naar een verklaring van milieuambtenaar (naam volgt) die zou zijn afgelegd bij de commissie Oosting. De commissie Oosting vermeldt echter iets anders, namelijk dat door het niet vergunnen van de klasse 1.1 en de klasse 1.3 in de ompakruimte, daarmee het openen van verpakkingen in feite onmogelijk werd gemaakt. Het is niet duidelijk of Mans op dit punt door zijn ambtenaren is misleid, of dat Jan Mans ten overstaan van de gemeenteraad een verhaal uit zijn duim zuigt om zichzelf en de gemeente te verdedigen. (Ik hoop voor hem het eerste, maar ik vrees het tweede).

Misleiding van Tolteam en OM
Over een periode van 10 jaar uit de historie van S.E. Fireworks, die zich afspeelde onder de vorige eigenaar Harm S., zijn door de gemeente geen documenten verstrekt aan de opsporingsinstanties, dit ondanks een bevel daartoe. Dit blijkt uit het proces-verbaal ‘Gemeente Enschede: vergunning, handhaving en controle’ van het Tolteam, d.d. 28 februari 2001. Dat deze documenten wél bestonden in het gemeentearchief blijkt uit het Leidse COT ‘Feitenoverzicht vergunningverlening’, dat verscheen op 21 september 2000. Het COT citeerde overigens slechts selectief uit dit materiaal. De reden is mogelijk gelegen in de veelvuldig voorkomende illegale situaties onder de vorige eigenaar Harm S. waarvan de gemeente op de hoogte was. Tenslotte geeft de gemeente Enschede niet thuis op vele WOB-verzoeken tot vrijgave van dit materiaal. Dit houdt de gemeente tot op de dag van vandaag vol tot aan de rechtbank. Er komen nog separate artikelen waarbij hier verder op in wordt gegaan.

Brief Frits van Aggelen
Directeur BMD van Aggelen schreef op 29 mei 2000, t.b.v. de inbeslagname van de gemeentelijke dossiers betreffende de Vuurwerkramp door het OM, dat hij naar beste weten alle dossiers heeft laten overhandigen betreffende: S.E. Fireworks, het beleid t.a.v. vuurwerkopslag, de externe veiligheid, het eerste uur van de brandmelding en acties i.v.m. de Vuurwerkramp en het rampenplan. Van Aggelen maakt in zijn brief geen melding van opgeschoonde dossiers. Tevens ontbreken in het dossier van de milieudienst over de bovengemelde periode van tien jaar alle stukken m.b.t. het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks. Door de suggestie te wekken dat hij alle relevante dossiers heeft overhandigd, terwijl dat onjuist was, misleidde Van Aggelen het Tolteam en het OM. Daarbij gaf het Tolteam tijdens een vergadering op 30 mei 2000 aan het OM ook gemotiveerd aan dat zij de indruk hadden dat de, van de gemeente in beslag genomen, dossiers waren geschoond. In het eerdere artikel over Officier van Justitie Herman Stam is al aangegeven dat het OM hier niet op is aangeslagen.

Verdere programma
Tot zover voor vandaag, maandag 13 januari 2020. Dinsdag en woensdag volgen nog drie personen van de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst, onder aangeven van hun specifieke bijdragen. Donderdag komt de rijksrecherche voor het eerst aan de beurt en begint het echte vuurwerk. Tenzij ik eerst over het OM iets te melden heb, want ik wacht op een antwoord betreffende de behandeling van mijn strafaangifte. Zonder antwoord zal ik hier moeten publiceren wat het OM nu probeert te doen.

Posted on

Vuurwerkramp Enschede. De eerste naam openbaar: Officier van Justitie: mr. Herman Stam

In bovenstaand interview wordt ik door Pim van Galen ondervraagd over mr. Herman Stam en waarom ik besloot tot het openbaar maken van namen.

Carrière

Mr. Herman Stam, in het dagelijks leven nu senior rechter bij de rechtbank Almelo, was vanaf de ramp de eerstverantwoordelijk officier van justitie (zaaksofficier) voor het strafrechtelijk onderzoek naar de Vuurwerkramp. Hij heeft de opsluiting veroordeling voor elkaar gekregen van drie onschuldigen: de beide ex-Fireworksdirecteuren Rudi Bakker en Willy Pater en de voor brandstichting opgepakte André de Vries. Daarna werd mr. Stam als officier van justitie voor 4 jaar in de tropen gestationeerd, op Curaçao. Hij kwam terug naar Nederland in 2006 en maakte toen carrière als achtereenvolgens advocaat-generaal, rechter en senior rechter, nu nog steeds bij de rechtbank te Almelo.

Vreemde benoeming

Mr. Stam had voor een zaaksofficier op een recherche onderzoek, dat het grootste was in zijn soort van de naoorlogse geschiedenis een opmerkelijk profiel. Hij was afkomstig uit de belastingdienst en FIOD en had geen ervaring met grootschalige rechercheonderzoeken. dacht dat dit werd gecompenseerd door een ervaren recherche-leider, kwam bedrogen uit. Ook de politiecommissaris die het Tolteam van de politie Twente leidde, Rik de B., miste zulke ervaring. Hij kwam namelijk van de Mobiele Eenheid (ME) en had nog nauwelijks recherche-ervaring. Indien de politieke- en bestuurlijke top een strafrechtelijk onderzoeksteam had willen formeren dat, wegens gebrek aan ervaring, constant op zoek was naar aansturing, dan had men geen betere constructie kunnen bedenken. De gevolgen bleven niet uit. Enkele voorbeelden:

Internationaal opsporingsbevel

Op 18 mei 2000 wordt door OvJ Stam een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd tegen Fireworks directeur Bakker, terwijl Bakker al die tijd net over de grens in het ziekenhuis lag te Gronau (D). Hij kreeg daar bezoek van collega’s, familie en advocaat. De pers moest door het ziekenhuispesoneel worden buitengehouden. Tolteam rechercheurs Jan Paalman en Charl de Roy van Zuydewijn wilden bij Bakker langsgaan om te kijken hoe de stand was, maar dat mocht niet van de Tolteam hiërarchie. De inzet door Herman Stam van een internationaal opsporingsbevel staat gelijk aan ‘Misbruik van recht’. Dit droeg bij aan de sfeer van publieke heksenjacht die het OM kennelijk wilde creëren. Uiteraard meldden beide directeuren zichzelf bij de politie. Op 23 mei 2000 stond OvJ Stam schuimbekkend te schreeuwen voor Bakker. Hij (Stam) zou hem (Bakker) wel klein krijgen.

Binnenloodsen verdachte ondanks tegenbewijs

Het tegen de aanwijzingen in [1] binnenloodsen als verdachte van brandstichting, vervolgens ondanks onvoldoende bewijslast (blijkt uit interne stukken) langer vasthouden en tenslotte op valse bewijzen [2] veroordeeld krijgen van André de Vries. Let wél: Niet het Tolteam, maar het Openbaar Ministerie nam het initiatief tot het binnenhalen van André de Vries() als verdachte van brandstichting. Zie volgende punten.

Het officiële verhaal: ‘spontane getuige’

Volgens de officiële versie van de feiten komt na een eerdere vruchteloze tip via het OM alsnog ‘spontaan’ getuige Bennie van K. het politiebureau binnengewandeld. Bennie van K. meldt dat een vage kennis van hem wel eens iets met de ramp te maken kan hebben. Op basis van de gegevens van Van K. vindt men André de Vries in de politiesystemen voor een eerdere poging tot brandstichting en is hij een perfecte kandidaat-brandstichter van de Vuurwerkramp. In alle transparantie wordt onderzoek gepleegd en op 26 jan 2001 wordt De Vries aangehouden.

Werkelijkheid: binnensluizen door OM

De vermoedelijke gang van zaken is echter even anders. N.a.v. een getuigenverklaring over een wegrennende man in een rode broek herinnert rechter O. zich een dossier van een brandstichter (A. de Vries) waarin een man met een rode broek voorkomt (verklaring van O. bij de rijksrecherche). Het probleem is dat het signalement van de wegrennende man totaal niet overeenkomt met dat van De Vries. Daarop zal het Tolteam niet aanslaan. De compositietekening van de wegrennende man wordt pas op 9 oktober 2000 gemaakt. Dat is drie dagen later dan dat rechter O. zegt te hebben getipt n.a.v. die compositietekening die hem werd getoond door officier van justitie van der V. Om het probleem van het niet-gelijkend signalement op te lossen, wordt er niet getipt op De Vries, maar op Van K., een kleine crimineel en goede kennis van De Vries, met antecedenten die liggen op het werkterrein van O. (jeugdrechter) en Van der V. (jeugdofficier). Wanneer Van K. dan op De Vries tipt, waarbij hij voorgeeft De Vries nauwelijks te kennen, wordt dat een eigenstandige aanwijzing waarbij het probleem van het niet-passende signalement wegvalt.

Verschillende sets kleding

Van K. wordt dan gevraagd om te getuigen en wordt meermaals bezocht door rechercheur M., zonder dat daarvan verslag wordt opgemaakt en zonder getuigen. Het is niet uitgesloten dat niet Van K. het Tolteam voorziet van informatie, maar dat rechercheur M. juist de getuige Van K. voorziet van de gegevens nodig om bij De Vries uit te komen. Collega rechercheur S. levert daarna aan rechercheur M. een set kleren aan, die beantwoordt aan het signalement van de wegrennende man, terwijl de van De Vries in beslaggenomen kleren er anders uitzien en in werkelijkheid nog bij een andere collega in opslag liggen, die op dat moment nog van niets weet. Verklaringen die dit bevestigen zijn genegeerd, zowel door de rijksrecherche als door de nakomende feitenonderzoeken. [3]

Parallel onderzoek

Er start onder aansturing van rechercheur Piet B.() een verborgen parallel onderzoek op De Vries, waarbij rechercheur M. de belangrijkste rol vervult en de meeste overige Tolteamrechercheurs geen inzage hebben. De bevindingen uit dit parallelle en niet door collega’s gecontroleerde traject vormen de basis van de aanhouding van De Vries. [4]

Tegelijk worden alle onderzoeken naar een bedrijfsongeval onafgemaakt afgebroken. Later zal nog blijken dat er meerdere rode broekjes met verschillende kenmerken binnen het onderzoek hebben gefigureerd als bewijs.[5] Deze feiten vertegenwoordigen o.a. ambtsmisdrijf, vals opmaken van Pv’s en samenspanning ter misleiding van de rechter, zoals blijkt uit de details in het reviewrapport.

Lessen uit Culemborg veranderd

Het OM heeft de oorspronkelijke lessen uit de vuurwerkexplosie in Culemborg (1991) [6], die óók in Enschede zouden hebben geleid tot niet-vervolging van het vuurwerkbedrijf, verdraaid tot lessen die juist de basis legden voor de vervolging van het vuurwerkbedrijf. De oorspronkelijke lessen hadden aangetoond dat niet het vuurwerkbedrijf maar juist de overheid de ramp viel te verwijten. Door een les te verzinnen over het veranderen van klasse 1.3 vuurwerk in massa-explosief vuurwerk [7] en door daar vervolgens de voorraadreconstructie op aan te laten aansluiten, verkreeg het OM een goede basis voor veroordeling van het bedrijf op basis van ‘Te-veel-en-te-zwaar’ vuurwerk in opslag op de rampdag.

Vrijwaring Brandweer

Het OM heeft de brandweer bewust buiten het strafproces gehouden. Natuurlijk had de brandweer een enorme tol betaald met vier overleden brandweerlieden. Maar het eigenlijke motief om de brandweer buiten vervolging te houden was tweeledig.

  1. Burgemeester Jan Mans had openlijk zijn lot verbonden aan de beoordeling van het brandweeroptreden. Bij een negatief oordeel zou Mans opstappen. Uri Rosenthal verklaarde later dat dit aftreden van Mans ook repercussies zou hebben gehad voor de verantwoordelijke bewindslieden in Den Haag.
  2. Het optreden van de brandweer was verkeerd aangestuurd. Door het negeren van veiligheidsaanduidingen [8], niet in acht nemen van veiligheidsafstanden [9] en internationale regelgeving [10], had de brandweer een totaal verkeerde wijze van inzet gekozen (offensief blussen i.p.v. defensief uitbreiding voorkomen). Dit heeft het aantal slachtoffers verhoogd en ook de schade aanzienlijk verhoogd [11].

OM houdt feiten achter

Het OM heeft op verschillende terreinen gegevens weggehouden uit het strafdossier. Soms vielen zij daarbij door de mand, zoals bij een Regiezitting van het gerechtshof, maar meestal slaagde het OM in zijn opzet. Zo zijn door het OM dossiers buiten de rechtbank gehouden betreffende Culemborg, de brandweer, het conflict tussen S.E. Fireworks met oud-eigenaar Harm S. en betreffende het grondbedrijf, o.a. met betrekking tot het gevestigde voorkeursrecht.

Sturing onderzoek

Het Openbaar Ministerie krijgt van het Tolteam 29 mei 2000 te horen dat het door de gemeente aan politie/OM overhandigde dossiers m.b.t. S.E. Fireworks niet compleet zijn, maar waarschijnlijk ‘geschoonde’ dossiers zijn. Het gaat o.a. om de dossiers m.b.t. de (door de gemeente tegengehouden) verplaatsing van S.E. Fireworks, de vergunningverlening en de geheime grondonderhandelingen tussen de gemeente Enschede en oud-eigenaar S. Op dezelfde dag vindt er een coördinatiebijeenkomst plaats tussen OM, Tolteam en NFI, waarin wordt afgesproken dat de oorzaak van de brand en de escalatie tot ramp, gekoppeld moeten zijn aan de bepalingen in de milieuvergunning. Ook dient de mogelijkheid van een ‘Stofexplosie’ te worden ontkracht. Dit alles ter voorkoming van vrijspraak. Dit is een ambtsmisdrijf en aanzetten tot valsheid in geschrifte

Stam legt getuige zwijgen op

Hennie K. (), klusjesman S.E. Fireworks, is de enige Fireworks-werknemer waarvan uit onderzoek is gebleken dat hij tenminste één keer op het bedrijfsterrein van S.E. Fireworks is geweest op de rampdag, voorafgaande aan het uitbreken van de eerste brand. K. heeft over zijn aanwezigheid bij S.E. Fireworks meermaals gelogen bij het Tolteam en de rechter. De zaaksofficier mr. Stam heeft daarop K. langdurig laten vervolgen voor meineed. Dit was niet alleen zonder resultaat, maar Stam deed dit tegen het advies in van diverse leden van het Tolteam die K. wilden horen over zijn aanwezigheid bij het bedrijf op de rampdag. Wat zaaksofficier Stam hiermee wél bereikte, was dat K. als verdachte van meineed zwijgrecht verkreeg, precies over de periode van zijn bezigheden op het terrein en zijn overige activiteiten op de rampdag tussen 08u00m en 15u00m. Hiermee heeft mr. Stam de waarheidsvinding naar de oorzaak van de brand (‘eerste vlammetje’) ernstig belemmerd. Mr. Stam moet dit bewust hebben gedaan. Nadat K. pas in 2002 was vrijgesproken van meineed, kon hij zich vervolgens met succes beroepen op geheugenverlies.

Jaarverslag Openbaar Ministerie

In het OM-jaarverslag 2000, arrondissement Almelo, doet zaaksofficier Stam uitspraken over de ergerlijk leugenachtige houding van Fireworksdirecteur Bakker. Het vaste verhoorkoppel dat hem 85x heeft ondervraagd was hierover zo verbaasd dat zij per proces-verbaal lieten vastleggen dat zij Bakker nooit op een leugen konden betrappen.

Conclusie

Bovenstaande is slechts een beperkte selectie uit de gevonden bewijzen van verwijtbaar gedrag door het OM en de zaaksofficier Stam. Hiermee draagt officier van justitie Stam een zware verantwoordelijkheid voor het mislukken van de strafvervolging in de Vuurwerkramp en het veroordeeld krijgen van drie onschuldigen voor de ramp. Stam is zeker niet een drijvende kracht, maar was wél belangrijk als uitvoerder van de misleiding van de rechterlijke macht, die al eerder aannemelijk was gemaakt na een intern politieonderzoek door het Bureau Interne Zaken van de politie Gelderland-Midden. [12]

Namen worden bekend

Alle met initialen aangeduide namen in dit artikel worden in de loop van de tijd bekend gemaakt en de initialen worden dan ook vervangen door namen.

Voetnoten

[1] Hiermee wordt bedoeld dat er naar aanleiding van een nieuwe oproep in de media een nieuwe getuigenverklaring binnenkwam over een van (latere) de rampplek wegrennende man op een moment dat er nog weinig aan de hand was. Naar aanleiding van deze getuigenverklaring is het OM André de Vries als geschikte verdachte gaan zien. Het signalement klopte echter voor geen meter, dus kon het OM niet tippen op De Vries. Het Tolteam zou daar nooit in zijn meegegaan. Dus is er getipt door het OM op een crimineel vriendje van André de Vries die een verklaring kwam afleggen over mogelijke betrokkenheid van De Vries bij de ramp. Deze verklaring was aantoonbaar leugenachtig, maar het bracht De Vries binnen het onderzoek.

[2] Niet alleen is er gerotzooid met de kleding van De Vries (verkeerde set kleding, meerdere rode broekjes), ook is er ontlastend bewijsmateriaal achtergehouden, zoals een telecom-Pv, én zeer belangrijk: het OM voerde als bewijs twee verklaringen op van een getuige die meinedig bleken te zijn. Het OM wist dit, want het was al een vervolging wegens meineed gestart tegen deze getuige precies om dezelfde verklaringen die maanden later door de rechtbank als bewijs zouden worden geaccepteerd bij de veroordeling van De Vries tot 15 jaar cel. Ook zijn er door het OM en de rechter-commissaris (die de bijnaam officier-commissaris had) getuigen dusdanig bedreigd dat de verklaringen niet meer bruikbaar waren en naderhand als onbruikbaar zijn bestempeld door het gerechtshof.

[3] Volgens de verklaringen van toenmalig technisch rechercheur B. die de kleding van De Vries in bewaring had genomen bij een poging tot brandstichting van De Vries in zijn eigen auto op 19 juni 2000. B. ruimt zijn kantoor leeg i.v.m. een verandering van werkkring. Hij komt dan de kleding van De Vries tegen op een moment dat S. andere kleding aan M. heeft gegeven als zijnde afkomstig van De Vries. B. is hierover echter nooit meer gehoord, niet door de rijksrecherche en niet bij de latere feitenonderzoeken. Dit ondanks het feit dat rechercheur B. zichzelf aanbod voor verhoor.

[4] De bevindingen uit het onderzoekstraject op De Vries werden door drie rechercheurs vastgelegd op een separate diskette waartoe alleen deze drie rechercheurs toegang hadden. Normaal hadden deze mutaties moeten worden vastgelegd in het voor alle rechercheurs toegankelijke Tolteamjournaal. De rijksrecherche heeft dit ontkend met de bij de rijksrecherche gebruikelijke semantische woordtrucs. (Wordt gedetailleerd uitgelegd in het reviewrapport).

[5] Het éne broekje van De Vries heeft in de beëdigde verklaringen van politiemedewerkers vele hoedanigheden aangenomen, zoals een wisselende plaats van het achterzakje, een wisselende broekband, wisselende verpakking en sluitingswijze, wisselende geur en vlekken, al dan niet met gaatjes. De enig mogelijke verklaring hiervoor is dat er meerdere rode broekjes (die aan De Vries werden toegeschreven) hebben gefigureerd in het onderzoek.

[6] De echte (oorspronkelijke) lessen uit Culemborg waren dat de classificatie van vuurwerk onbetrouwbaar is, dat vuurwerk zich onder opsluiting heftiger kan gedragen, óók de laagste subklasse 1.4, dat vuurwerkinrichtingen niet meer bij een woonwijk thuishoren en dat er betere voorzieningen voor drukontlasting moeten worden overwogen. Geen van deze lessen is in de praktijk gebracht. Dit gaf nóg meer reden on S.E. Fireworks vrij te stellen van strafvervolging dan de redenen die in 1991 al golden bij het overwegen van de strafvervolging bij de vuurwerkexplosie in Culemborg.

[7] Op zich klopt het wel dat subklasse 1.3 vuurwerk onder inwerking van exploderend subklasse 1.1 vuurwerk zich massa-explosief kan gedragen, maar dat geldt voor alle subklassen vuurwerk, mits het onder voor een massa-explosie gunstige condities ligt opgeslagen (o.a. opsluiting, turbulentie) en in brand raakt.

[8] Dit is een afzonderlijk en ernstig punt. Niet alleen heeft de brandweer de aanduidingen genegeerd. Tijdens het onderzoek zijn de verklaringen van brandweerlieden dusdanig gemanipuleerd dat er een uitleg gegeven kon worden dat er andere gevarenaanduidingen hingen dan er in werkelijkheid waren aangebracht. Dit is een kennelijke poging om het brandweeroptreden goed te praten. Dit alles is in detail weergegeven in het reviewrapport, waar aan de hand van de afgelegde verklaringen een reconstructie is gemaakt van de herkomst van de verkeerde gevarenaanduidingen in de officiële rapportages van inspectie en Commissie Oosting. Van de werkelijke en correct aangebrachte gevarenaanduidingen, volgens welke de brandweer niet had mogen blussen, zijn afbeeldingen voorhanden.

[9] De Nederlandse regelgeving was (en is nog steeds!) fout. I.p.v. afstand houden en evacueren wordt voorgeschreven dat men vanaf 25 meter mag gaan blussen met water. Dit terwijl eenmaal brandend vuurwerk onblusbaar is met water. Maar zelfs naar de maatstaf van deze verkeerde regelgeving heeft de brandweer verkeerd opgetreden. Zij klommen namelijk boven op de vuurwerkopslagplaatsen en negeerden de waarschuwingen van het SEF-personeel om dat niet te doen. Dus zelfs de (verkeerd voorgeschreven) 25m afstand is niet in acht genomen.

[10] Internationaal gelden grotere veiligheidsafstanden, strengere vuurwerkclassificatie en vaak een verbod om überhaupt brandend vuurwerk te blussen. Dat staat zelfs op het net over de grens in Duitsland verkrijgbare vuurwerk, terwijl de brandweer in Nederland gewoon gaat blussen.

[11] Door de verkeerde wijze van inzet, gecombineerd met uitzonderlijke meteorologische omstandigheden (warm en windstil in het voorjaar) konden de omgevingsbranden uitgroeien tot een oppervlaktebrand met kenmerken van een vuurstorm. Zo’n vuurstorm creëert een eigen weerkundig systeem met stijgingswinden en aanzuigende werking van zuurstof. Het vuur lijkt zich daardoor op bovennatuurlijke wijze te verplaatsen over langere afstanden zonder tussenliggende brandhaard.

[12] Het tuchtrechtelijk onderzoek naar het Tolteam is gestart naar aanleiding van de klachten van de beide klokkenluiders en ex-Tolteamrechercheurs Paalman en De Roy van Zuydewijn. De opdracht tot intern onderzoek werd gegeven nádat André de Vries was vrijgesproken, omdat het door het OM aangevoerde bewijs ondeugdelijk was verklaard door het gerechtshof. De (in weerwil van de korpsleiding en het OM) afgelegde getuigenverklaringen van beide klokkenluiders voor het Hof waren hier mede debet aan. Formeel kreeg het Bureau Interne Zaken (BIZ) Gelderland-Midden de opdracht om naar het functioneren van het hele Tolteam te kijken. In de praktijk waren zij vooral gericht op de handel en wandel van de beide klokkenluiders. Dit blijkt uit interne stukken die in de review staan. Eind oktober 2003 sloeg het onderzoek ineens om. Dit naar aanleiding van eerder achtergehouden materiaal dat aan het BIZ werd toegespeeld vanuit de politie Twente. Daardoor bereikte het BIZ een voorlopige conclusie dat ‘Uitvoerenden en leidinggevenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra André de Vries bewust de rechterlijke macht hebben misleid.’ Burgemeester Mans nam contact op met justitieminister Donner en die gaf via het college Pg’s opdracht aan de rijksrecherche om de conclusie van het BIZ te onderzoeken. Praktisch bleek weer (uit interne stukken) dat de rijksrecherche maar op één ding uit was, namelijk het ontkrachten van de tussenconclusie van het BIZ. Dit heeft de rijksrecherche ook gedaan. Sindsdien worden de bevindingen van rijksrecherche door instanties en rechtbanken gebruikt om aan te tonen dat er géén misstanden waren binnen het Tolteamonderzoek. Al deze stukken: rapporten, processen-verbaal en getuigenverklaringen bij de rijksrecherche, alsmede de stukken van het BIZ, zijn beschikbaar en geanalyseerd in het reviewrapport weergegeven.


Posted on

Vuurwerkramp Enschede: iedere dag een naam!

1. BETROKKENHEID

Vanaf 6 januari as. presenteer ik de betrokkenen bij de Vuurwerkramp. Iedere werkdag een naam. Dit betreft het vóórtraject van de ramp, tijdens de ramp en het nátraject van de ramp. Daarbij het strafrechtelijk onderzoek, de strafrechtelijke aanklachten, de civiele procedures en de gerechtelijke uitspraken. Deze betrokkenheid kan op verschillende wijze zijn:

Positief. Bijvoorbeeld een belangrijke getuige die onterecht niet is verhoord door politie, OM of de rechter, ofwel een getuige die wél is gehoord, maar waarvan de verklaring niet is gebruikt bij het onderzoek.
Negatief. Bijvoorbeeld een onderzoeker die ondeugdelijk werk heeft verricht, of (al dan niet bewust) aanwijzingen voor daderschap over het hoofd heeft gezien. Ook een bestuurder of leidinggevende die het onderzoek op oneigenlijke wijze heeft (willen) beïnvloed(en).
Neutraal. Bijvoorbeeld wanneer iemand een belangrijke rol heeft gespeeld in de marge van het onderzoek. Kennis van deze rol is belangrijk om het Vuurwerkrampdossier te kunnen begrijpen.

2. BEGINSEL VAN ONSCHULD

Géén van de vanaf 6 januari door mij genoemde of beschuldigde personen en instanties, is nog schuldig bevonden aan de door mij gepresenteerde (verwijtbare) gedragingen. Ik moet deze beschuldigingen echter uiten om openheid te forceren over de achtergronden van de ramp en de strafvervolging. Het beginsel van onschuld geldt ook voor deze lieden.

3. NOEMEN VAN NAMEN

Bijna twintig jaar na dato heeft alléén zó’n openbaring van namen kans om alsnog te leiden tot een onderzoek naar de waarheid en het trekken van échte lessen. Negentien jaar lang zijn aanwijzingen genegeerd en getuigen geneutraliseerd over de toedracht van de ramp. Vijf jaar lang probeer ik op alle mogelijke manieren de aandacht te trekken van officiële instanties om tenminste de door mij gepresenteerde bevindingen te willen verifiëren. Tevergeefs. Daarom laat ik mijn terughoudendheid nu varen, in de hoop dat betrokkenen zich eindelijk aangesproken zullen voelen. Het noemen van namen rukt verantwoordelijken los uit de bescherming van een anoniem systeem. Na bijna 20 jaar verborgenheid maakt het noemen van namen de beschuldigingen tastbaar en ontstaat een noodzaak tot verificatie.

4. MAATSCHAPPELIJKE NOODZAAK

De overheid hanteert foute regels voor de opslag van vuurwerk en het blussen van in brand staande vuurwerkopslagplaatsen. Er vallen doden en gewonden door vuurwerk. De overheid wil ons doen geloven dat dit alleen komt door criminelen en illegaal vuurwerk. Dit is misleiding. Hét grote veiligheidsprobleem van vuurwerk is niet het zogeheten illegale vuurwerk, maar de regelgeving van de Nederlandse overheid m.b.t. legaal vuurwerk. Alles wordt uit de kast gehaald om de verantwoordelijkheid voor ramp in Enschede te ontlopen: ook de veroordeling van onschuldigen en het in stand houden van een onnodige gevaarzetting voor de brandweer. Het algemeen belang vereist dat deze strafbare gedragingen van de overheid aan de kaak worden gesteld.

Vanaf 6 januari presenteer ik in woord en beeld de namen van diegenen wiens rol nader bekeken moet worden. Als het moet iedere werkdag tot aan mei 2020.