Posted on

Paul van Buitenen: De maagdelijkheid van Erik Akerboom

Sinds de beide klokkenluiders Jan Paalman en Charl de Roy van Zuydewijn hun eerste interne meldingen van misstanden binnen het Tolteamonderzoek deden bij de korpsleiding, zijn er bijna twintig jaar verlopen. Al die tijd hebben zij beiden (tot 2011) en daarna Paalman alleen (tot heden), getracht om de waarheid van de ramp boven water te krijgen en naar rehabilitatie te streven voor de wijze waarop zij bij de politie zijn buitengewerkt. Niet alleen de korpsleiding, maar met name het Openbaar Ministerie hebben geen enkel middel geschuwd om de beide melders in diskrediet te brengen. Enkele voorbeelden:
  1. Korpschef Piet Deelman vroeg aan advocaat-generaal (AG) Albert Welschen om de meldingen van misstanden te onderzoeken. Dit ‘onderzoek’ door de AG was eenzijdig, subjectief en alleen gericht op het in diskrediet brengen van de beide melders, zodat zij niet door het gerechtshof als getuigen zouden worden opgeroepen. Dit mislukte. Het Hof riep hen op en hun getuigenverklaring bleek doorslaggevend voor de vrijspraak van de door het OM zo vurig gewenste brandstichter.
  2. Nadat de getuigenverklaringen van beide klokkenluiders hadden geleid tot vrijspraak van de onterecht tot 15 jaar cel veroordeelde verdachte André de Vries, is op aanraden van het Openbaar Ministerie een tuchtonderzoek gestart tegen beide melders. Ook dit mislukte, want uit het onderzoek kwamen ernstige misstanden bovendrijven, niet van beide melders, maar gepleegd door politie en OM.
  3. Vanwege deze onverwacht kritische bevindingen uit het tuchtonderzoek werd dit onderzoek gestopt en werd de rijksrecherche opgedragen een strafrechtelijke basis te vinden voor vervolging van beide melders. Dit mislukte alweer. Daar waar het OM dacht met het rijksrechercherapport een basis te hebben voor vervolging van een van beide melders wegens meineed, werd het OM teruggefloten door de rechtbank Den Haag. Wél heeft de rijksrecherche met de bekende ‘niet-gebleken-formule’ alle BIZ-bevindingen (alleen optisch) ontkracht.
  4. Ondanks interne steunbetuigingen van collega’s hebben beide melders ‘eervol ontslag’ moeten nemen onder dreiging van strafontslag. Van de bedreiging van beide melders door de korpsleiding is uitgebreide documentatie beschikbaar.
  5. In opdracht van het politiekorps Twente en betaald door BZK, hebben beide melders in een boek over het tolteamonderzoek een trap na gekregen, al vóór hun ontslag!

De review van het Vuurwerkramp dossier startte in 2014. Op 1 maart 2016 treedt drs. E.S.M. (Erik) Akerboom (geb. 24.4.1961) aan als nieuwe Korpschef Nationale Politie. In onze naïviteit dachten zowel Jan Paalman als ikzelf dat Akerboom bestaande misstanden wilde aanpakken en hij zeker een luisterend oor zou hebben voor de wens tot rehabilitatie van de beide klokkenluiders. Wij zagen Akerboom als ‘onbevlekt’ t.a.v. de Vuurwerkramp. Hij was bovendien aangekondigd als de man die het krakend politiekorps moest redden, na te zijn vastgelopen onder voorganger Gerard Bouman. Hoe naïef konden we zijn?

Carrouselleur Erik Akerboom

Akerboom is een typische carrouselrijder’ binnen de staatsveiligheidsketen. Hij volgde achtereenvolgens collega carrouselrijders Tjibbe Joustra, Ton Annink, Gerard Bouman en Dick Schoof op als topbestuurder bij respectievelijk de NCTb, Defensie, Nationale Politie en de AIVD. In dat ‘Circus der Staatsveiligheid’ kun je niet meedraaien als je ‘onbevlekt’ bent. Dat werd ons achteraf ook duidelijk.

1. Secretaris-generaal Defensie

Nadat Akerboom in 2009 Tjibbe Joustra had afgelost als Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, werd op 16 november 2012 door de ministerraad besloten dat Akerboom secretaris-generaal van het ministerie van Defensie zou worden, als opvolger van Ton Annink. Tijdens zijn ambtstermijn van december 2012 t/m februari 2016, dus slechts ruim drie jaar, heeft Akerboom leiding gegeven aan de ambtelijke ondersteuning bij de keuze voor de JSF straaljager [1], de voorlichting van minister Hennis over de fraudeproblemen bij de ICT van Defensie [2], het snoeien van 20% van het defensiepersoneel [3] en kreeg hij bij zijn overstap naar de politie een voorschot op een compensatie inkomensverlies van Euro 75.000,- [4]. Wat opvalt bij bijvoorbeeld de JSF-perikelen of de ICT-fraude, dat de naam van Akerboom niet wordt genoemd, terwijl hij als hoogste ambtenaar (SG) toch de eerstverantwoordelijke van de input naar de minister is.

2. Korpschef Nationale Politie

Per 1 maart 2016 volgt Akerboom ex-AIVD-chef Gerard Bouman op als Korpschef van de Nationale Politie. Wat hij aantreft is niet bepaald fris. Bij de omvorming van 26 regionale korpsen naar één Nationaal Politiekorps blijkt voorganger Bouman de kritische politiebonden grotendeels buitenspel te hebben gezet. Bouman gebruikte de voor de Nationale Politie gecreëerde Centrale Ondernemingsraad (COR) als uitverkoren overlegpartner bij de doorvoering van de reorganisatie. Bij tegenstand werd de voorzitter van de COR, Frank Giltay, apart genomen door Bouman om de bezwaren weg te masseren.

De roep die Akerboom vooruitsnelde was veelbelovend. Hij zou het vastgelopen politiekorps bij de hand nemen. Integriteit staat bij hem hoog in het vaandel. Terugkijkend op 2017 zegt Akerboom nog dat de Politie vijf jaar heeft stilgestaan door de reorganisatie. Hij wil de politie weer vlottrekken. Maar hij maakt verwachtingen niet waar. Als beroeps ABD-topambtenaar is óók hij zelf onderdeel van het probleem. Een trieste illustratie daarvan is de wijze waarop Akerboom omgaat met de talrijke politiemensen die tijdens de uitvoering van hun dienst PTSS hebben opgelopen. De door zijn voorganger Bouman in het leven geroepen coulanceregeling stopt en zielloos juridiseert Akerboom de behandeling van ziektekosten en claims wegens restschade bij de door PTSS getroffen agenten. De situatie is zelfs zó ernstig dat minister Grapperhaus besluit om persoonlijk in te grijpen. Hij weet dan al dat er een brief van de Nationale Ombudsman in de pijplijn zit met schijnende voorbeelden van het uitroken door de politieorganisatie van agenten met PTSS. Agenten met erkende beroepsgerelateerde PTSS zijn gedwongen om met ingebrekestellingen, beslissingen van de bestuursrechter en inschakeling van de pers, de Nationale Politie te dwingen tot het nakomen van hun verplichtingen inzake vergoeding van de ziektekosten en restschade. Re-integratieafspraken worden met voeten getreden.

Akerboom ontwijkt Vuurwerkramp

Op 30 aug 2016 om 15u ’s middags mailt klokkenluider Paalman aan Akerboom dat hij met zijn vrouw graag een gesprek zouden hebben met Akerboom. Ingesloten zijn vijf korte bijlagen waaruit kan blijken dat Paalman onterecht het politiekorps is uitgewerkt. Reeds de volgende ochtend vroeg (07u14) ontvangt Paalman per email een korte, ongemotiveerde en niet onderschreven afwijzing, kennelijk geschreven namens Akerboom vanuit de mailbox van Akerboom [5].

Op 23 mei 2017 doe ik (PvB), na eerdere meldingen op 10 maart 2017 (mondeling) en 13 maart 2017 (schriftelijk) bij de politie Oost-Nederland, een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om contact met Akerboom. Daaruit is een bijeenkomst op 11 juli 2017 in Apeldoorn voortgekomen, met een delegatie van de Nationale politie onder leiding van hoofdcommissaris Pim Miltenburg, de chef van de politie Oost Nederland. Na een presentatie met 129 sheets, foto’s en filmopnames met bewijsmateriaal, zegt Miltenburg de aantijgingen zó ernstig te vinden dat hij niet alleen korpschef Akerboom, maar ook het Openbaar Ministerie op de hoogte zal stellen. Ondanks rappelleren is het sindsdien doodstil.

10 december 2019. De voorzitter van een van de politievakbonden heeft Akerboom, tijdens een ontmoeting eind november 2019, het verzoek overgebracht van Paalman om hem te mogen spreken. Akerboom laat hem op 10 december 2019 weten dat Paalman al een lange geschiedenis heeft met de vuurwerkramp. Akerboom is van mening dat een gesprek geen nieuwe inzichten zal geven en is daarom niet beschikbaar voor een ontmoeting.

Een gladde aal of is er meer aan de hand?

Het is opvallend dat Erik Akerboom in al zijn functies uitstekend de kunst verstaat om uit het schootsveld te blijven wanneer er problemen opdoemen. Vaak schuift hij pionnen naar voren die voor hem de klappen opvangen of die voor hem sonderen hoe de stand is. Bij de Vuurwerkramp speelt echter nog iets anders. Onze aanname dat Akerboom een blanco blad is t.a.v. de Vuurwerkramp, blijkt een foute veronderstelling.

Om het eigenlijke referentiekader van Erik Akerboom in relatie tot de Vuurwerkramp te kennen, moeten we teruggaan naar het jaar van de ramp, 2000. Akerboom was, blijkens zijn cv, toen ‘Directeur Democratische Rechtsorde’ bij wat toen nog die goeie ouwe BVD was, de tijd van het echte handwerk bij de geheime dienst. Akerboom was daar in dienst van oktober 1998 t/m december 2003, het jaar van de afronding van het hoger beroep in de strafzaken van de ramp. Het directoraat waaraan hij leiding gaf deed ‘onderzoek naar dreigingen voor de democratische rechtsorde en de veiligheid van de staat’. Onderdeel van zijn portefeuille was tevens de strategische relatie van de BVD met politie. Dát was het perspectief waarbinnen Akerboom met de ramp te maken kreeg. Zoals al eerder beschreven, vormde de Vuurwerkramp een bedreiging voor de Veiligheid van de Staat. Waarom? Omdat, naar wat nu blijkt, de systematische en ernstige nalatigheid van de Nederlandse Staat de oorzaak was van de ramp. Het College van Procureurs-generaal verbood echter het plaatselijke OM om de overheid te vervolgen. In de plaats daarvan werd er eerst een brandstichter gecreëerd. Toen dat mislukte, door toedoen van beide politieklokkenluiders, is het vuurwerkbedrijf als zondebok veroordeeld voor de ramp.

Terug naar de AIVD

Erik Akerboom wordt over een paar dagen (1 mei 2020) benoemd tot directeur-generaal van de AIVD. Hij breekt zijn tijd bij de politie voortijdig af en volgt Dick Schoof op, die op zijn beurt al na amper een jaar de AIVD weer verlaat. Schoof is gevraagd leiding te geven aan het ministerie van Veiligheid en Justitie dat de afgelopen jaren kampte met zeer veel affaires. Dit alles in ’s lands belang volgens de traditie van de carrouselrijders van de Algemene Bestuursdienst. Dit ongeacht de bovenvermelde ‘collateral damage’. Het staat misschien in een Schwarzenegger-film, maar hier is het misplaatst. In de parallelle wereld van de ABD-carrousel is ’s lands belang vooral de Tunnelvisie van een beperkte club die het begrip ‘Veiligheid van de Staat’ niet alleen eenzijdig uitleggen, maar waarbij ook onschuldige omstanders geofferd kunnen worden.

Voetnoten

[1] Het Politie-cv van Akerboom vermeldt dat hij als SG verantwoordelijk was voor de ‘Keuze van een nieuw jachtvliegtuig’.

[2] Minister Hennis heeft ‘onafhankelijk’ onderzoek laten instellen door ABDTopConsult. Dat zijn de maatjes van Akerboom binnen de Algemene Bestuursdienst, waar hij zelf ook onderdeel van is. ABDTopConsult kwam tot de conclusie dat er toch geen fraude is gepleegd bij de aanbesteding van ICT contracten door Defensie. Wie het artikel van Follow the Money over ABDTopConsult heeft gelezen, kent de waarde van dergelijke onderzoeken. Het antwoord van minister Ollongren doet daar niets aan af.

[3] Akerboom vermeldt trots op zijn cv de personeelsreductie bij Defensie met 20% als een van de resultaten van zijn tijd als SG bij Defensie.

[4] De Kamervragen die werden gesteld over deze compensatie ontvangen door Akerboom werden beantwoord door het Bureau Algemene Bestuursdienst, de maatjes van Akerboom. Uit dat antwoord blijkt dat de 75.000,- euro slechts een voorschot is. Ook blijkt dat een dergelijke compensatie alleen verleend kan worden indien er sprake is van ontslag uit de rijksdienst. Alhoewel Akerboom gewoon wordt overgeplaatst van SG Defensie naar Korpschef Nationale Politie, legt de ABD aan de Kamer uit dat de politie in dit geval niet als rijksdienst moet worden beschouwd, waardoor Akerboom recht heeft op de compensatie. Uiteraard slikt de Kamer dit.

[5] Wat is er gebeurd bij de afwijzing van het verzoek van Paalman? Het tijdstip van de afwijzing, om kwart over zeven ’s morgens, is vreemd. Heeft er wel overleg plaatsgevonden? Was er zo vroeg al een medewerker die wist dat hij het verzoek af kon wijzen? Of heeft Akerboom het zelf geschreven, waarbij hij net deed alsof een medewerker de afwijzing schreef?

Posted on

Paul van Buitenen: Hoofdofficier Mr. Wilbert Tomesen

Carrière

De heer mr. Wilbert Tomesen is een gevraagd man. Nadat hij Officier van Justitie (OvJ) te Aruba is geweest wordt hij Hoofdofficier van Justitie (HOvJ) achtereenvolgens in de arrondissementsparketten te Den Haag, Zwolle en Almelo (2011). Daarna is hij eerst lid en daarna vicevoorzitter van het College Autoriteit Persoonsgegevens, totdat hij geroepen wordt tot het voorlopig hoogtepunt in zijn carrière: Voorzitter van het bestuur van het Huis voor Klokkenluiders. Hij vervulde en vervult daarnaast tal van prestigieuze nevenfuncties bij de Erasmus Universiteit, Eurojust, het gerechtshof Den Haag, Europol en de CTIVD, het parlementaire toezichtcomité op de Nederlandse inlichtingendiensten. Sommigen daarvan waren/zijn bezoldigde functies. [1]

Tomesen – Vuurwerkramp – Klokkenluiders

Als HOvJ Zwolle/Almelo speelde mr. Tomesen in 2011 een belangrijke rol bij het terug in de doofpot duwen van het onderzoek naar zowel de toedracht als de onrechtmatigheden bij de Vuurwerkramp. De beslissingen van Tomesen hadden ernstige consequenties voor alle betrokkenen en onterecht veroordeelden. Gelet op de huidige positie van de heer Tomesen als voorzitter van het Huis voor Klokkenluiders (2018-2020), alsmede de achterliggende problematiek van topbenoemingen door de overheid in Nederland, zal ik de onderstaande beschrijving toespitsen op de relatie van zijn gedragingen met de beide ex-Tolteam rechercheurs die melding maakten van ernstige misstanden (klokkenluiders). Het is belangrijk te tonen waartoe het benoemingenbeleid in Nederland kan leiden. Eerst een korte uitleg.

Zes strafrechtelijke trajecten

De strafrechtelijke afwikkeling van de Vuurwerkramp kende in de periode 2000 – 2003 zes verschillende strafrechtelijke trajecten:

  1. Tegen de van brandstichting verdachte De Vries (veroordeling tot 15 jaar cel in eerste aanleg).
  2. Tegen de eigenaren van SE Fireworks Bakker en Pater (veroordeling tot 6 mnd cel in eerste aanleg).
  3.  Tegen de vorige eigenaar van SE Fireworks Harm S. (géén vervolging ingesteld).
  4. Tegen een aantal werknemers van SE Fireworks (bedrijfsongeval, onderzoek niet afgerond, geen vervolging ingesteld).
  5. Tegen de gemeente Enschede (wél onderzoek, OM verbood vervolging).
  6. Tegen de rijksoverheid (geen onderzoek en geen vervolging ingesteld).

Twee klokkenluiders

De meldingen van misstanden, gedaan door twee ex-rechercheurs van het Recherche Bijstand Team politie Twente (Tolteam), dat de opsporing deed in opdracht van het OM Almelo, hadden betrekking op de trajecten 1 t/m 4. De beide melders waren de brigadiers van politie J. Paalman en C. de Roy van Zuydewijn. Zij kwalificeren zich, getuige de bevindingen uit de door mij uitgevoerde review, volledig en onvoorwaardelijk als klokkenluider. Zij waren ook het vaste verhoorkoppel van een van beide SE Fireworks-eigenaren (traject 2).

Succes in traject-1, daarna ontslag

Door de getuigenverklaringen afgelegd in 2003 door beide klokkenluiders voor het gerechtshof Arnhem, is de eerdere veroordeling, tot 15 jaar cel, van de van brandstichting verdachte De Vries, ongedaan gemaakt door het Hof (traject 1). Deze getuigenverklaringen zijn afgelegd in weerwil van de korpsleiding en het OM. Korpsleiding en OM hebben veel in het werk gesteld om het afleggen van deze verklaringen door de klokkenluiders bij het Hof te voorkomen, inclusief, maar niet uitsluitend, door het plegen van karaktermoord op beide melders. Daarmee hebben beide klokkenluiders met hun meldingen succes geoogst in traject 1, het traject tegen De Vries. Bij de trajecten 2, 3 en 4 hadden zij geen succes, omdat hun verklaringen voor het Hof vooral betrekking hadden op traject 1. In traject 2 slaagde het OM er zelfs in het Hof te overtuigen van een zwaardere straf (één jaar cel). De meldingen van beide klokkenluiders hadden tot gevolg dat zij onder dwang de dienst zijn uitgewerkt, hetgeen onomstotelijk blijkt uit de review. De beëindiging van hun dienstverband kreeg uiteindelijk zijn beslag in 2005, na jaren van dwang en inzet van zware tuchtrechtelijke middelen en dreiging met strafrechtelijke middelen door OM en korpsleiding.

Nieuwe onderzoeken 2010 – 2012

In 2010 komen nieuwe aanwijzingen naar boven betreffende de mogelijkheid van het nooit voldoende gerechercheerde bedrijfsongeval (traject 4). Deze aanwijzingen dwingen het Openbaar Ministerie om, voor het eerst na het onverwacht stoppen van het strafrechtelijk onderzoek in 2003, toch weer een nieuw (slechts oriënterend) feitenonderzoek te openen naar de toedracht van de ramp. Bij deze nieuwe aanwijzingen zijn opnieuw dezelfde klokkenluiders betrokken:

  1. Zij helpen bij het boven water halen van deze nieuwe aanwijzingen. Paalman neemt zelf de verklaring op van de nieuwe sleutelgetuige die leidt tot de heropening van het onderzoek door het OM.
  2. Deze aanwijzingen liggen in het verlengde liggen van de eerder door beide klokkenluiders gedane meldingen betreffende de toedracht van de ramp en het gebrek aan opsporingshandelingen naar het bedrijfsongevals-scenario (traject 4).
  3. De melders dienen hun oorspronkelijke klachten betreffende het onderzoek opnieuw in bij het onderzoeksteam, in de hoop dat er nu wél naar gekeken gaat worden.

Het nieuw geopende onderzoek wordt in opdracht van het College Pg’s door het OM uiteindelijk uitgevoerd in 3 fasen. Het eerste onderzoek is Esaltato (2010). Het tweede onderzoek is VerEsal (2011) en het derde en afrondende onderzoek is Daslook (2012). Tijdens het eerste onderzoek (Esaltato – 2010) komen veel nieuwe aanwijzingen naar boven die tot een vervolgonderzoek leiden. Tijdens dat vervolg, de tweede fase (VerEsal – 2011), worden al deze aanwijzingen kaltgestellt en blijft er nog maar een klein setje vragen over voor het laatste onderzoek (Daslook – 2012). Deze laatste vragen worden vervolgens ‘opgelost’ door de rijksrecherche.

De rol van de heer Tomesen

De heer Wilbert T.M. Tomesen is als Hoofdofficier van Justitie van het OM Zwolle en OM Almelo verantwoordelijk leidinggevende voor het tweede-fase vervolgonderzoek VerEsal, dat in 2011 plaatsvindt. Het OM wordt tegen het einde van het onderzoek geconsulteerd door de politieleiding over een mogelijk vervolg aan de bevindingen. Het OM (Tomesen) stelt dat er geen aanleiding is voor het heropenen van het strafrechtelijk onderzoek. Dit is opmerkelijk daar politieonderzoekers, tijdens het afnemen van verklaringen van betrokkenen in het kader van het VerEsal onderzoek, meermaals hadden aangegeven aan die ondervraagden dat huns inziens de feiten een heropening van het strafrechtelijk onderzoek zouden wettigen.

Hiermee is de heer Tomesen, als leidinggevend verantwoordelijke binnen het OM voor het VerEsal onderzoek, er verantwoordelijk voor dat er (wederom) geen opvolging wordt gegeven aan de opnieuw ingediende meldingen van de beide klokkenluiders van politie betreffende de onderzoeksgang naar de Vuurwerkramp. Wanneer Paalman achteraf informeert bij de leidinggevend politieambtenaar naar het waarom van het niet heropenen van het strafrechtelijk onderzoek, wordt hij verwezen naar de besluitvorming van het Openbaar Ministerie dienaangaande. Hij wijst Paalman er op dat de politie slechts mag uitvoeren wat het OM (Tomesen) toestaat.

Tomesen funest voor Huis Klokkenluiders

De beslissingen van de heer Tomesen als HOvJ te Almelo, al dan niet genomen in opdracht van het College Pg’s, hadden een funeste uitwerking op het onderzoek naar de meldingen van misstanden door de beide klokkenluiders van de politie Twente.

Door het steeds weer benoemen van figuren uit roulatiecarrousels zoals de ABD, aan het hoofd van instellingen zoals het Huis van de Klokkenluiders, kan het gebeuren dat daar achtereenvolgens meerdere figuren, waaronder mr. Tomesen, zijn voorgedragen voor een toppositie, terwijl zij in een eerder leven hebben geholpen klokkenluiders verder kapot te maken. De resultaten van het Huis voor Klokkenluiders zijn er naar. Nul-komma-nul.

Voetnoten

[1] Bronnen: Huis van Klokkenluiders, lijst met nevenfuncties: https://www.huisvoorklokkenluiders.nl/organisatie/bestuur/nevenactiviteiten-bestuursleden-huis-voor-klokkenluiders en het journalisten onderzoek platform ‘Follow the Money’: https://www.ftm.nl/tag/wilbert-tomesen

Posted on

Paul van Buitenen: Landsadvocaat: Kantoor Pels – Rijcken

Mr. drs. Cécile Bitter

Mevrouw Bitter is een van de belangrijkste advocaten van het Haagse advocatenkantoor Pels-Rijcken & Droogleever-Fortuijn. Sinds 1988 is zij daar partner van het kantoor, dit betekent dat zij lid is en mede-eigenaar van de maatschap (het advocatenkantoor). Sinds 2012 is mevrouw Bitter bovendien voorzitter van de partnervergadering van het advocatenkantoor. Sinds 2015 is zij officieel benoemd als de plaatsvervangend landsadvocaat [1]. Zij is dus een van de belangrijkste leidinggevenden binnen het advocatenkantoor Pels-Rijcken, dat dé partner is van de Rijksoverheid in publiekrechtelijke rechtszaken. Mevrouw Bitter was tevens een van de advocaten die bij de landsadvocaat het dossier Vuurwerkramp behandelden.

Van oudsher: 1888

Van oudsher [2] is de functie van ‘Landsadvocaat’ verbonden aan het advocatenkantoor Pels-Rijcken. Alle ruim 160 advocaten en notarissen van kantoor Pels-Rijcken werken ook in de landspraktijk en houden daarbij de politieke-, bestuurlijke- en maatschappelijke context, waarin de Rijksoverheid opereert, voor ogen [3].

Rol bij de Vuurwerkramp

Het kantoor van de Landsadvocaat speelt een belangrijke rol in alle civiele en bestuurlijke rechtszaken betreffende de Vuurwerkramp. Of het nu gaat om het afhouden van de civiele schadeclaims die door slachtoffers en nabestaanden zijn ingediend, of het verhinderen van inzage in documenten die betrekking hebben op de Vuurwerkramp, de Landsadvocaat staat klaar voor de Staat. Dat de Landsadvocaat het daarbij niet al te nauw neemt met de waarheid blijkt uit de manier waarop de Landsadvocaat op zeer selectieve wijze gebruik maakt van de door het OM verzamelde bewijzen.

Wat het Openbaar Ministerie bewijst

Als aanklager in de strafzaak heeft de Staat middels het OM er belang bij dat de situatie bij het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks zo slecht mogelijk wordt voorgesteld. Daarmee maakt de strafklacht tegen het vuurwerkbedrijf de meeste kans van slagen. Het Openbaar Ministerie gaat daarbij heel ver in de strafzaak. Daar waar volgens de beschikbare administratie [4] er 120 ton goedgekeurd vuurwerk lag, ruim binnen de vergunning, organiseerde het OM een omslachtige voorraadreconstructie en een her-classificatie van het vuurwerk, waardoor er ‘Te-veel-en-te-zwaar’ vuurwerk lag bij S.E. Fireworks. Dit was dan ook wat er als resultaat kwam uit de onderzoeken van het NFI en TNO.

Is onbewezen volgens de Landsadvocaat

Als verdediger in de civiele zaak heeft de Staat middels de Landsadvocaat er echter belang bij dat de situatie bij S.E. Fireworks juist zo goed mogelijk wordt voorgesteld. Daarmee heeft de verdediging tegen de slachtoffers en nabestaanden van de ramp de meeste kans van slagen. Het handelen van de overheid bij de vergunningverlening, controle en handhaving moet daarbij in een zo gunstig mogelijk daglicht komen. Daarmee ontvalt de basis in de civiele claimprocedure aan de slachtoffers en nabestaanden om de overheid te kunnen beschuldigen van laakbaar handelen of nalaten. De Landsadvocaat schroomt daarbij niet om, dwars tegen de conclusies van het Tolteam en OM in, te betogen dat er op het terrein van S.E. Fireworks juist géén sprake was van ‘Te-veel-en-te-zwaar’ vuurwerk [5]. Dán komen de tegenargumenten van de verdediging, die duiden op een lagere voorraad, of op ondeugdelijkheid van de TNO-proeven, de Landsadvocaat ineens wél van pas, waar eerder het OM deze argumenten succesvol van tafel veegde. Daarbij stelt de Landsadvocaat de resultaten van NFI en TNO ineens ter discussie, op veel punten [6]. Ook meent de Landsadvocaat dat er bij het vuurwerkbedrijf geen sprake was van stelselmatige overtredingen van de milieuvergunning, terwijl het OM die overtredingen bewezen acht en daaraan grote bewijskracht toekent als oorzaak van het kunnen uitbreiden van een onschuldige brand tot ramp [7]. Hoogleraar De Roos van de Universiteit Leiden ziet in het spreken met dubbele tong door de Staat het bewijs dat de overheid nog steeds niets van de ramp heeft geleerd [8]. De Landsadvocaat maakt er zelf overigens geen geheim van dat de waarheid maar een relatief begrip is [9].

Mr. drs. Cécile Bitter

Binnen het kantoor van de Landsadvocaat traden diverse advocaten op namens de Nederlandse Staat bij de Vuurwerkramp. Ook mevrouw Bitter zelf trad namens de Landsadvocaat op in zaken die met de vuurwerkramp te maken hadden. Zij was de advocaat die, namens het Openbaar Ministerie, onterecht klokkenluider Jan Paalman voor meineed probeerde vast te nagelen in 2004 [10]. Ook overtuigde zij met succes de rechter om geen stukken van TNO vrij te geven in relatie tot de vuurwerkramp [11]. Dat de Landsadvocaat TNO in deze kwestie verdedigt is dan ook tekenend voor de werkelijke verhoudingen binnen ‘onafhankelijk’ onderzoeksland.

Trio ‘List & Bedrog’

De Nederlandse Staat kan een enorme juridische overtuigingskracht ontwikkelen om de waarheid naar haar hand te zetten:

Met dit trio ‘List en Bedrog’ is het praktisch onmogelijk om de waarheid in een dossier nog boven water te krijgen.

Voetnoten

[1] Bron: https://www.pelsrijcken.nl/mensen/cecile-bitter

[2] De zogeheten ‘Landsadvocaat’ is een groot advocatenkantoor (160 advocaten en (kandidaat-)notarissen) dat de belangen van de Nederlandse Staat verdedigt in juridische procedures. De titel van ‘Landsadvocaat’ wordt sinds 1888 (!) gevoerd door het Haagse advocatenkantoor Pels-Rijcken & Droogleever-Fortuijn en haar rechtsvoorgangers. Hierop hebben de ongetwijfeld voorgeschreven aanbestedingsprocedures, die in de tussentijd hebben plaatsgevonden, kennelijk geen invloed gehad. Bron-1: Toespraak van de Haagse burgemeester Van Aartsen op 24 juni 2010 bij gelegenheid van het betrekken van het nieuwe advocatenkantoor in het Babylon gebouwencomplex, gedownload van de website van de gemeente Den Haag op 23 december 2014. Bron-2: www.pelsrijcken.nl/mensen/

[3] Bron: https://www.pelsrijcken.nl/sectoren/centrale-overheid

[4] Volgens het OM was de administratie van het bedrijf S.E. Fireworks bij de ramp verloren gegaan, een aanname die iedereen gelooft. In werkelijkheid lag de administratie gewoon bij de externe accountant. Ook de mutaties in de administratie van de laatste werkdag waren door de eigenaren nog veilig gesteld en aan de accountant overgemaakt.

[5] Bron: In 2004 verschenen Boek ‘Op zoek naar de onderste steen’, geschreven door politiemedewerker en historicus Maarten Bollen. Hij deed dit in opdracht van de politie Twente en kreeg daarvoor subsidie van Binnenlandse Zaken. Citaat uit het boek genomen van blz. 341.

[6] Bron: Artikel in de Tubantia van 27 februari 2002, met daarin de standpunten van advocaat Plasman, voorzitter Vasse van de belangenvereniging rampslachtoffers en landsadvocaat Van Wijk.

[7] Bron: Artikel in de Tubantia van 16 maart 2002, geschreven door twee justitieredacteuren. Zij spreken vol verontwaardiging over het spreken met twee monden (OM en Landsadvocaat) door de Staat der Nederlanden.

[8] Bron: Hetzelfde artikel in de Tubantia van 16 maart 2002.

[9] Op de website van de Landsadvocaat staat: ‘Wij zijn Pels Rijcken. Onze 290 kantoorgenoten delen samen één ambitie: elke dag op topniveau presteren. Wij stimuleren elkaar het beste uit onszelf te halen en wij stellen het belang van de cliënt altijd centraal. Onze bestuurlijke, politieke antenne onderscheidt ons binnen de wereld van de advocatuur en notariaat. We begrijpen hoe het is om te werken met complexe (soms tegengestelde) belangen. Dat de waarheid nooit ééndimensionaal is. Dat je soms moet omgaan met uiteenlopende wensen van meerdere stakeholders. Wij weten dat context telt.’ Bron: https://www.pelsrijcken.nl/over-ons

[10] Bron: Uitspraak voorzieningenrechter Den Haag van 13 augustus 2004, zaaknummer: LJN: AQ6783, Rechtbank ‘s-Gravenhage , KG 04/871

[11] Bron: Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2003, zaaknummer: ECLI:NL:RBAMS:2003:AM2598

Posted on

Paul van Buitenen: CAPRA-advocaten en de korpschef

Het advocatenkantoor CAPRA advocaten [1] is een o.a. in het ambtenarenrecht gespecialiseerd advocatenkantoor. CAPRA heeft de reputatie van een pitbull [2] die de overheid juridisch ondersteunt om weerspannige ambtenaren te ontslaan. Het Vuurwerkramp dossier vormt daarop geen uitzondering. Een senior advocaat en partner van CAPRA advocaten [3] heeft korpschef Deelman van de politie Twente veelvuldig bijgestaan in het onder druk zetten en afserveren van de beide klokkenluiders uit zijn korps; Tolteam-rechercheurs Jan Paalman en Charl de Roy van Zuydewijn. Het Vuurwerkrampdossier bevat vele documenten van dit advocatenkantoor.

Ter illustratie van de werkwijze van CAPRA-advocaten, daarbij handelend in opdracht van de overheid, volgen hieronder een aantal standpunten uit één van deze documenten; een pleitnota van de behandelend CAPRA-advocaat. Deze punten zijn door mij becommentarieerd weergegeven. Deze pleitnota maakte CAPRA voor korpschef politie Twente, mr. Piet Deelman. De CAPRA-nota diende als antwoord van de korpschef op het bezwaar van beide klokkenluiders tegen zijn besluit om hen buiten functie te stellen en te schorsen en betrof de zitting van de bezwarencommissie politie Twente op 25 aug. 2004.

Feitenverdraaiing

CAPRA start in de pleitnota met een weergave van wat zij duiden als ‘de feiten’. In werkelijkheid geeft CAPRA een subjectieve weergave van de gebeurtenissen, die daarbij is geoptimaliseerd voor de doelstelling van de opdrachtgever, korpschef Deelman: het ontslag van de beide lastige melders van misstanden.

Ontslagkwalificatie

De CAPRA-advocaat verwerkt in zijn overzicht van ‘de feiten’ alle noodzakelijke overtredingen die een klokkenluider moet hebben gemaakt, opdat er voldoende ingrediënten zijn voor de kwalificatie van sancties. Ook wordt het pad geplaveid voor de beëindiging van de dienstbetrekking.

Schending vertrouwen

Als ervaringsdeskundige, die honderden klokkenluiders in binnen- en buitenland heeft geadviseerd, herken ik (PvB) bij achteraf lezing van alle stukken, waaronder de dagboekaantekeningen van beide klokkenluiders, twee uiterst integer opererende melders van misstanden die, loyaal, naïef, beleefd en voorzichtig, alle interne instanties [4] aflopen in de hoop te worden gehoord. Daarbij is hun vertrouwen door de korpschef op grove wijze geschonden. Korpschef Deelman liet niet alleen geen onderzoek doen, maar hij leverde hen tevens over aan die personen die de misstanden begingen.

Ongefundeerde beschuldigingen

De CAPRA-advocaat verdraait deze integere handelwijze naar het tegenovergestelde. Hij presenteert als ‘feit’ dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan het uiten van ongefundeerde beschuldigingen buiten de organisatie, zonder dat de leiding eerst intern de kans heeft gekregen onderzoek te doen. Alleen al het blote feit dat het gerechtshof, n.a.v. de geuite bezwaren van de beide melders tegen de bewijsvoering door het OM, de voor brandstichting veroordeelde André de Vries heeft vrijgesproken, spreekt boekdelen. Immers, niet de verdediging van De Vries, maar de beide melders leverden het materiaal aan waarmee de OM-bewijsvoering onderuitgehaald werd.

Intern politieonderzoek

De CAPRA-advocaat presenteert het intern politieonderzoek, naar de werkwijze van het Tolteam, op een wijze als zou de instelling van dat onderzoek een tegemoetkoming zijn door de korpschef aan de klachten van beide melders. Wat CAPRA echter niet vermeldt is dat korpschef Deelman feitelijk gevraagd heeft om vooral naar de gedragingen van de beide melders te kijken. Ook verzuimt CAPRA te vermelden dat, ondanks deze insteek van het onderzoek, er een plotselinge omslag in dat onderzoek optrad als gevolg van eerder achtergehouden informatie die alsnog het onderzoeksteam bereikte. Daardoor was de onverwachte tussentijdse conclusie dat het verdere onderzoek gericht zou moeten zijn op de onderzoekshypothese van ‘bewuste misleiding van de rechterlijke macht door Tolteam en OM’.

Rijksrechercheonderzoek

De CAPRA-advocaat stelt dat beide melders onterecht beschuldigingen naar buiten hebben gebracht toen zij meenden ten onrechte niet door de rijksrecherche te zullen worden gehoord. In werkelijkheid was deze vrees van beide melders volkomen terecht en hebben zij alleen door het publieke optreden van hun advocaat nog hun grieven onder de aandacht kunnen brengen bij de rijksrecherche, die overigens de verborgen agenda had om materiaal te vinden waarmee zij door het Openbaar Ministerie van meineed konden worden beschuldigd.

Perscontacten

De CAPRA-advocaat stelt dat de korpschef hen niet heeft ontmoedigd om met de pers te praten. Dit is feitelijk onjuist. Ook stelt hij dat melders niet met ongefundeerde beschuldigingen naar buiten mochten treden. Dit was echter niet aan de orde. De verwijten van beide melders waren terecht. Vele jaren later, bij de totstandkoming van de review van de Vuurwerkramp dossiers, blijken de politieklokkenluiders zelfs alleen nog maar het topje van de ijsberg te hebben geraakt.

Herhaalde waarschuwingen

CAPRA creëert in het pleidooi een fictieve werkelijkheid, waarbij de korpschef beide melders een groot aantal malen heeft gewaarschuwd hun kritiek eerst intern te uiten, maar dat melders een aanleiding zochten om toch met hun kritiek naar het Tv-programma ‘Netwerk’ te gaan. Daarbij maakt CAPRA dankbaar gebruik van de officier van justitie die het rijksrechercheonderzoek leidde en daarbij beweerde dat melders wisten dat zij wél door de rijksrecherche zouden worden uitgenodigd voor verhoor. Dit was onjuist.

Geduld van de korpschef

CAPRA creëert eveneens het beeld als zou de korpschef tegen beter weten in extra veel geduld hebben gehad met beide melders en herhaalde handreikingen tot bemiddeling aan hen hebben gedaan. Hiermee wordt het voor schorsing en ontslag noodzakelijke beeld geschapen van zorgvuldigheid van de werkgever jegens beide melders.

Reputatieschade Tolteam/OM

De CAPRA-advocaat stelt dat beide melders onnodig het Tolteam en het OM in een kwaad daglicht hebben gesteld, waardoor er geen vertrouwensbasis meer is voor een vruchtbare samenwerking. In werkelijkheid hebben melders teneinde raad hun advocaat op Tv laten optreden, na jarenlange tegenwerking en zware druk van de korpsleiding en de hiërarchie, die op hen werd uitgeoefend om zich te voegen naar de uitkomsten van het onderzoek.

Voornemen reeds vast

De CAPRA-advocaat sluit af met een uitsmijter. Hij concludeert dat na ontvangst van het advies van de bezwarencommissie van de politie er door de korpschef definitieve besluiten genomen zullen worden. Hiermee zegt CAPRA in feite dat het advies van de commissie er helemaal niet toe doet, omdat het besluit van de korpschef al vast staat.

Verschil in golflengte

Op 17 januari 2005 is er een bijeenkomst tussen beide melders, korpschef Deelman, een jurist van de vakbond [5] en de CAPRA-advocaat. Opvallend is dat beide melders het over de inhoud van de melding willen hebben, terwijl de korpschef, daarin geadviseerd door de CAPRA-advocaat, hamert op de schending van de geheimhouding door het publieke optreden van de advocaat van beide melders. Gesteund door CAPRA dreigt Deelman steeds met strafontslag, tenzij melders akkoord gaan met een regeling. Voortzetting van het dienstverband is voor de korpschef niet bespreekbaar. Uiteindelijk zullen beide melders met ‘het pistool op het hoofd’ halsoverkop akkoord moeten gaan met ‘eervol ontslag’.

Voetnoten

[1] Bron: https://capra.nl/sectoren-expertise/overheid/ waar het volgende valt te lezen: “CAPRA Advocaten is specialist arbeidsverhoudingen in het publieke domein. Voor de sector Overheid geldt dat wij al sinds 1928, het jaar van onze oprichting, de traditionele overheid bijstaan. Oorspronkelijk waren dat Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, politie, en de rechtspraak. En na hun oprichting geldt dat ook voor tal van veiligheidsregio’s.”

[2] Bron: https://www.ftm.nl/artikelen/capra-pitbull-overheid

[3] De advocaat in kwestie is in november 2019 overleden. Daarom wordt in dit artikel de term ‘CAPRA-advocaat’ of CAPRA gebruikt. Een overleden advocaat kan niet worden aangepakt. Het gaat om het optreden van CAPRA namens de overheid richting melders van misstanden. Dit optreden past in het beeld van namens de overheid optredende juristen bij de bezwering van naderend onheil. Hierover volgt in latere artikelen véél meer.

[4] De melders hebben zich tot hun eigen en tot andere hiërarchie binnen de politie gewend, tot Bureau Interne Zaken van de politie Twente, een intern sociaal werker geconsulteerd, een vakbond voor politiepersoneel geraadpleegd en meerdere juristen geconsulteerd. Het enige waar de Tolteamleiding mee kwam was een zonder zijn medeweten gemaakte afspraak bij de psychiater voor Tolteam-rechercheur Paalman.

[5] Deze juriste deed erg haar best voor de beide klokkenluiders. Pas toen zij door de vakbond werd vervangen door een hoger in rang staande juriste binnen de bond, die pragmatisch en meer op afstand de zaak van de beide melders zo snel mogelijk afwikkelde, kon er overeenstemming worden bereikt over de wijze van ontslag, waarbij de korpsleiding grotendeels haar zin kreeg.

Posted on

Wat weet Ben J. Sanders?

Ben Sanders is al 20 jaar lang een alomtegenwoordige verschijning in het lokale krachtenveld rond de Vuurwerkramp. Hij is als een vis in het water op het gemeentehuis, bij de brandweer, ambulancedienst en de politie. Hoewel er op zijn gedrag weinig valt aan te merken, mag hij in de weergave van voor de ramp relevante personages niet ontbreken. Een opsomming:

1. Nestor Sanders

Sanders is op dit moment (januari 2020) de nestor van de gemeenteraad Enschede. Tevens vervangt hij burgemeester Onno van Veldhuizen als voorzitter van zowel de gemeenteraad als van het raadspresidium. Dit is van belang daar zowel de raad als vooral het presidium een belangrijke rol spelen in het afhouden van de verzoeken van Van Buitenen om onderzoek naar de Vuurwerkramp.

2. Ambulancebroeder Sanders

Sanders was tijdens de ramp ambulancebroeder en op dat moment ook in functie ter plaatse. Hij was de eerste ambulancebroeder die aanwezig was bij de ingang van S.E. Fireworks, tijdens de voorfase van de ramp.

3. Huisvriend Sanders

Sanders is een huisvriend van de familie Pater. Hij was volgens een familielid ook aanwezig op de verjaardag van Fireworks directeur Willy Pater op de avond recht voor de ramp. Dit is van belang omdat deze verjaardag een belangrijke rol speelt bij de ontrafeling van de inleidende brand. Eerst werd deze verjaardag verzwegen en daarna werd ontkend dat er over het bedrijf was gesproken. Later werd bekend dat er op dit feestje is gesproken over de werkzaamheden van de komende dag (de rampdag!) op het terrein van het vuurwerkbedrijf.

4. Verjaardag zoon van Sanders

Over de aanwezigheid van Sanders op het verjaarsfeest van Willy Pater is onduidelijkheid. Sanders stelt dat hij die avond, 12 mei, op de verjaardag van zijn zoon was. Maar de zoon die ook een verklaring heeft afgelegd bij het Tolteam, is eind juni jarig. Aanvulling: Er is waarschijnlijk een andere zoon die wél op 12 mei jarig is. Blijft de vraag over Sanders’ aanwezigheid op het verjaarsfeest van Pater.

5. Rustpunt Sanders

Sanders fungeerde als praatpaal voor de partner van S.E. Fireworks directeur Willy Pater, Marion Schippers, die erg overstuur was tijdens de voorfase van de brand, toen er nog geen sprake was van de onverwachte en heftige explosies. Zie fotoreeks.

6. Vertrouweling Sanders

Sanders kwam samen met zijn vrouw kort na de ramp laat op de avond vanuit Enschede op bezoek bij de familie Pater op het verblijfsadres bij familie in Zuid-Limburg. Zij hebben daar ’s nachts alleen met Willy Pater en Marion Schippers gepraat terwijl de familie waar zij logeerden reeds naar bed was. Sanders is daarmee goed op de hoogte van de details van de voorfase van de ramp.

7. Consigliere Sanders

Sanders heeft zonder Willy Pater vooraf te informeren, op eigen initiatief contact gezocht met advocaat Gerard Spong om te vragen of hij de verdediging van Willy Pater op zich wilde nemen. Dat heeft overigens niet tot overeenstemming geleid.

8. Stadsdeelvoorzitter Sanders

Sanders is reeds vanaf 2003 gemeenteraadslid voor de lokale partij Burgerbelangen Enschede (BBE). Hij is ook vier jaar stadsdeelvoorzitter geweest.

9. Enquêteur Sanders

Sanders was gedurende 10 maanden (2011/2012) voor de gemeente Enschede vicevoorzitter van de gemeenteraad enquêtecommissie naar het grondbeleid in de gemeente Enschede vanaf 1991. Dit is van groot belang gelet op de onregelmatigheden die zich voordeden binnen het gemeentelijk handelen m.b.t. de onder handelingen rond de grond van S.E. Fireworks en het weigeren van buiten de stad gelegen vestigingsgrond aan het bedrijf. De enquête leidde tot de publicatie van het rapport “Grip op Grond”.

10. Brandweerinstructeur Sanders

Sanders was tussen 1974-1991 hoofdbrandwacht en instructeur bij de vrijwillige- en de beroepsbrandweer Twente.

11. Opleider politie en brandweer Sanders

Sanders was tussen 1996-2001 directeur-eigenaar van het opleidingsinstituut ‘Euro AHV’ voor Ongeval- en Calamiteitenmanagement voor politie- en brandweerorganisaties. Sanders is dus goed bekend met de beide takken: brandweer en politie, binnen de veiligheidsregio Twente, alsmede met de individuele brandweer- en politiemensen die dienst hadden tijdens de ramp en waaraan hij les heeft gegeven.

12. Portefeuillehouder Sanders

Hij was tussen 2010-2015 portefeuillehouder Rode Kruis binnen de Veiligheidsregio Twente. De veiligheidsregio Twente wordt ook aangesproken door ex-Fireworks directeur Bakker d.m.v. schadeclaims.

13. Uitgever Sanders

Sanders was verantwoordelijk voor de publicatie van het jubileumboek “50 jaar PV Brandweer Enschede”. Ook hieruit blijkt goede bekendheid met de brandweer Enschede.

14. De wetenschap van Sanders

Sanders heeft zich tegenover andere gemeenteraadsleden uitgelaten in de zin dat ‘Die Van Buitenen helemaal niet weet wat er werkelijk gebeurd is bij de Vuurwerkramp. Er is veel waar van Buitenen niets van weet. Hij (Bennie Sanders) is daar wél van op de hoogte.’

Wellicht wordt het tijd dat Ben J. Sanders dan eens openheid van zaken geeft om die goedwillende en al vijf jaar ploeterende stakker voor verdere blunders te behoeden?

Posted on

Paul van Buitenen: Betrokkenen Rijksrechersche-onderzoek

Centrale rol rijksrecherche

Binnen de bijna 20-jaar lange stroom van onderzoeken, beroepsprocedures, WOB-verzoeken en gerechtelijke beslissingen i.v.m. de Vuurwerkramp, neemt de rijksrecherche een sleutelpositie in. Alle verzoeken om informatie of nieuwe indicaties van onregelmatigheden lopen stuk op de uitkomsten van twee rijksrechercheonderzoeken. De rijksrecherche is tot tweemaal toe doorslaggevend opgetreden in het kalt stellen van aanwijzingen over onrechtmatigheden in het strafrechtelijk onderzoek van de Vuurwerkramp. De eerste maal was in 2004 en de tweede maal in 2012. Beide rijksrecherche-interventies waren zowel doorslaggevend, als aantoonbaar nalatig en slecht uitgevoerd, waarbij serieuze aanwijzingen zijn gemist en onderzoekshandelingen werden voorgewend die niet zijn uitgevoerd. De nalatigheden en fouten van de rijksrecherche zijn zó ernstig dat dit niet alleen met incompetentie kan worden verklaard. Er dient ernstig rekening te worden gehouden met aansturing van buitenaf en het door rijksrechercheurs begaan van strafbare feiten.

Tuchtrechtelijk onderzoek politie in 2003

De door het OM van brandstichting verdachte André de Vries was in eerste aanleg tot 15 jaar cel veroordeeld door de rechtbank Almelo. Dit was gebaseerd op valse bewijzen die door het OM waren opgevoerd, dit tegen beter weten in van datzelfde OM. Twee Tolteamrechercheurs hadden zich eerder intern binnen het onderzoek al verzet tegen de bewijsmethodes van het OM en de gedragingen van een aantal van hun collega Tolteamleden. Na overleg, met hun door de politiebond ACP toegewezen advocaat, besloten zij hun protest buiten de politie te laten horen, maar nog steeds binnen het onderzoek. Tegen de wil van de korpsleiding en het OM in legden zij beiden bij de hoger beroep procedure van de veroordeelde De Vries een verklaring af voor het gerechtshof Arnhem over de wijze van bewijsvergaring door het OM. Dit leidde tot het ondeugdelijk verklaren van het OM-bewijs door het Hof en De Vries werd vrijgesproken. Op aangeven van het OM startte de korpsleiding vervolgens een interne tuchtprocedure tegen de beide klokkenluiders. Deze procedure werd vermomd als een objectief onderzoek naar het hele Tolteam, uit te voeren door het Bureau Interne Zaken (BIZ) van een andere politieregio. Wat de korpsleiding echter niet verwachtte, maar wat wél gebeurde, was dat het BIZ onverwacht informatie kreeg vanuit de politie Twente die eerder voor het BIZ was achtergehouden toen zij informatie opvroegen binnen het onderzoek. De tussenuitkomst van het interne BIZ-onderzoek kantelde ineens een onverwachte kant op, ten nadele van de korpsleiding en het OM. Deze tussenconclusie van het BIZ luidde:

“Verantwoordelijken en uitvoerenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra de verdachte André de Vries hebben binnen dit strafrechtelijk onderzoek opzettelijk de rechterlijke macht misleid.”

Inschakeling rijksrecherche in 2004

De korpsleiding (burgemeester Mans) schakelde daarop justitieminister Donner in. Minister Donner schakelde toen zélf de rijksrecherche in. Op papier werd de theoretisch meer correcte opdrachtlijn via het College van Pg’s en de Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) gefingeerd. De formele opdracht van de rijksrecherche luidde:

“Vaststellen in hoeverre het Tolteam en OM bij het strafrechtelijk onderzoek contra De Vries opzettelijk de rechterlijke macht hebben misleid.”

De rijksrecherche wist dat zij het BIZ-onderzoek moesten overdoen al vóórdat de CCR überhaupt (voor de schijn) was ingeschakeld. Er was géén sprake van een opdracht die onafhankelijk kon worden uitgevoerd. In de plaats daarvan bleek de rijksrecherche een van te voren bepaalde uitkomst mee te krijgen:

“De rijksrecherche had de kennelijke opdracht om de kritische bevindingen van Bureau Interne zaken Gelderland-Midden ten koste van alles te ontkrachten. Waarheidsvinding werd daaraan opgeofferd.”

Rijksrecherche begaat strafbare feiten

De rijksrecherche beging onrechtmatigheden en strafbare feiten tijdens het onderzoek:

  • Millennium verklaring. Twee van de door de rechtbank in het vonnis tot 15 jaar cel van André de Vries geaccepteerde bewijsmiddelen, aangevoerd door het Openbaar Ministerie, waren verklaringen. Betreffende getuige beweerde dat De Vries in de millenniumnacht had verklaard over een bom bij S.E. Fireworks. Het OM wist echter dat deze verklaring meinedig was, want reeds maanden vóór het vonnis dagvaardde het OM de bewuste getuige wegens meineed voor precies deze verklaringen die als bewijs waren opgevoerd door datzelfde OM. De rijksrecherche vond hoegenaamd niets. Ook niet wat er van de zes ontlastende verklaringen was geworden die de rechtbank blijkbaar niet had opgemerkt, maar waarvan het OM beweerde dat ze gewoon in het dossier waren opgenomen.
  • Compositietekening. Een rechter legt een verklaring af bij de rijksrecherche over een compositietekening, die voor hem de aanleiding vormde om het Openbaar Ministerie te tippen op een kennis van André de Vries. Op de datum dat deze rechter blijkens het Tolteamjournaal heeft getipt, bestond deze compositietekening echter nog niet. Ook was de gelijkenis van de compositietekening met de uiteindelijk de door de rechter bedoelde persoon nihil. Uit de stukken van de rijksrecherche is op te maken dat zij deze anomalie moeten hebben opgemerkt. Echter, zij signaleren hem niet.
  • Rood sportbroekje. Een rood sportbroekje speelde de hoofdrol voor het Openbaar Ministerie bij de aandachtsvestiging, verdachtmaking, arrestatie, gevangenhouding en veroordeling van André de Vries als brandstichter. De rijksrecherche vond het echter niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Zij concludeerden dat dit niet meer was na te gaan. Echter, de rijksrecherche heeft belangrijke getuigen, die bij de behandeling van het broekje waren betrokken, hierover niet gehoord. De rijksrecherche moet gemerkt hebben aan het verschil in stank, verontreinigingen, gaatjes, zijde van het achterzakje, soort broekband, verschillende verpakkings- en sluitingswijze, verschillende bewaarplaats en het al dan niet vergezeld gaan met de overige kleding, dat er sprake moet zijn geweest van verschillende broekjes. De rijksrecherche merkt hier echter niets over op.
  • Parallel traject. Er liep binnen het Tolteam een parallel onderzoekstraject door drie rechercheurs naar de kandidatuur van De Vries als brandstichter. De bevindingen van dit traject werden niet binnen het reguliere Tolteam-journaal genoteerd, maar op een losse floppy disk, waardoor de bevindingen in dit traject werden onttrokken aan de normale groepsdynamiek en -kritiek binnen het Tolteam. Ook werden hier geen processen-verbaal van opgemaakt. Pas aan het eind van het parallelle traject informeerde men de rest van het Tolteam en werden de 69 separaat, systematisch en volgens een bepaald format vastgelegde mutaties geïntegreerd in de rest van het journaal. Het Tolteam werd verplicht over te schakelen van het scenario ‘Bedrijfsongeval’ naar het scenario ‘Brandstichter De Vries’. Door een strikt formalistische interpretatie van de onderzoeksvereisten kon de rijksrecherche dit traject als reglementair aanmerken en zag de rijksrecherche hierin geen misleiding.
  • Verhoorde getuigen. De rijksrecherche liet alle kritische getuigen terzijde, of hoorde hen slechts gedeeltelijk. Zij negeerden cruciale getuigen betreffende mogelijke misleiding van de rechter. De rijksrecherche hoorde de beide klokkenluiders alléén met het oogmerk om hen op meineed te kunnen pakken. Hun aantijgingen betreffende het onderzoek werden met grote tegenzin als bijlage aan het verhoorverslag gehecht, zonder enige opvolging, want de rijksrecherche sloot het onderzoek reeds twee dagen na hun verhoor. Een rechercheur die tevoren door het BIZ als mogelijke verdachte werd aangemerkt, is door de rijksrecherche als basis gebruikt voor de geconstrueerde waarheidsvinding.
  • Verhoor voorbeeld. Het ‘verhoor’ van de persoon waarop de rechter had getipt en die zich later, toen het Tolteam niet aansloeg, alsnog ‘spontaan’ meldde bij het Tolteam en hen op het spoor van De Vries zette, is typerend voor de ‘grondigheid’ waarmee de rijksrecherche werkte. De rijksrecherche trof betreffende getuige in beschonken toestand aan, reden waarom de rijksrecherche besloot van verder verhoor af te zien. Ontnuchtering en verhoor van juist deze getuige was uitermate belangrijk, maar blijkbaar geen optie.
  • Onderzoeksopzet. Formeel zou de rijksrecherche de eerdere bevindingen van het BIZ als uitgangspunt nemen. In werkelijkheid schoof de rijksrecherche alles van het BIZ terzijde en begon met de constructie van de gewenste werkelijkheid. Uitgangspunt daarbij was de tendentieuze ‘weerlegging’ van de klokkenluiders door de Advocaat-generaal van het Hof te Arnhem. Daarna zocht de rijksrecherche antwoorden om de door het BIZ gesignaleerde tegenstrijdigheden in data van het geautomatiseerde vastleggingssysteem te kunnen verklaren. De hele opzet van het onderzoek verraadt de werkelijke opdracht van het college Pg’s aan de rijksrecherche: ontkracht de kritische bevindingen van het Bureau Interne Zaken.
  • Probeer meineed. De rijksrecherche had de kennelijke opdracht om een basis te vinden waarop beide klokkenluiders van het Tolteam vervolgd konden worden voor meineed. Dit blijkt zowel uit de vraagstelling die naar voren komt uit de getuigenverslagen, als uit de rapportage zelf van de rijksrecherche, waar een onevenredig groot en gedetailleerd gedeelte wordt gewijd aan wat Paalman en De Roy van Zuydewijn nu wel en niet zouden hebben gezegd tijdens de verschillende bijeenkomsten.

Onderzoeksopdracht: “De doelstelling van het rijksrecherche feitenonderzoek is vast te stellen of en zo ja in hoeverre verantwoordelijken en uitvoerenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra verdachte De Vries, opzettelijk de rechterlijke macht hebben misleid.” De uitkomsten van het onderzoek worden geformuleerd in typisch rijksrecherchiaans taalgebruik: “Er werd geen ondersteuning gevonden voor …, er is niet gebleken dat …”. Tsja, waar de rijksrecherche niet zoekt zal de rijksrecherche ook niets vinden. Waar de rijksrecherche wél naar zocht, was het bewijs dat een of beide klokkenluiders meineed hadden gepleegd. Het OM dacht dat de rijksrecherche daarin was geslaagd en zette dat in hun persverklaring van 5 juli 2004. De rechtbank Den Haag floot het Openbaar Ministerie echter terug bij vonnis van 13 augustus 2004 en dwong het OM tot een rectificatie.

Bij dit rijksrechercheonderzoek waren rechtstreeks betrokken:

  1. Officier van Justitie:                        Mr. Henk van der Meijden
  2. Regiomanager rijksrecherche:         J. Schagen
  3. Hoofdinspecteur der rijksrecherche: H.J. Rauwerdink
  4. Hoofdinspecteur der rijksrecherche: Gert A. Lijnes (nu directeur bedrijfsvoering OM Caraïbisch gebied).
  5. Inspecteur der rijksrecherche:         Mr. Henk J. Mous (nu officier van justitie landelijk parket Amsterdam).
  6. Inspecteur der rijksrecherche        R.A.M. Rosendaal
  7. Inspecteur der rijksrecherche        Geert Faber (nu gepensioneerd).
  8. Brigadier van politie Drenthe        F. Greve
  9. Brigadier van politie Flevoland    J.C. van Wilgenburg

Inschakeling rijksrecherche in 2012

Nadat in april en mei 2010 nieuwe aanwijzingen waren bovengekomen dat het onderzoek naar de Vuurwerkramp niet volledig is geweest, startte het Openbaar Ministerie een reeks aanvullende feitenonderzoeken: ‘Esaltato’ (2010), ‘VerEsal’ (2011) en ‘Daslook’ (2012). Daarbij werden alle aanwijzingen één voor één de nek omgedraaid. Het laatste feitenonderzoek ‘Daslook’, dat er voor moest zorgen dat de deksel voorgoed gesloten werd, is uitgevoerd door een in dergelijke operaties gespecialiseerde organisatie, de rijksrecherche. Op speciaal verzoek van de voorzitter van het college van procureurs-generaal, Herman Bolhaar, gericht aan hoofdofficier van justitie Fred Westerbeke, werden hiervoor eerder bij het onderzoek betrokken rijksrechercheurs uitgezocht. Zo konden de rijksrechercheurs zelf controleren of zij hun eerdere werk in 2004 wel goed hadden gedaan.

Het heeft meer dan een jaar geduurd na de ‘Beste Fred’ brief van Herman, voordat de rijksrecherche tot resultaten kwam. Er werden drie vragen onderzocht:

De eerste onderzoeksvraag: Hoe was het onderzoeksteam van de Twentse politie destijds aan de naam gekomen van de tipgever die de naam van voormalig verdachte André de Vries had genoemd.

“In het onderzoek van de rijksrecherche is het volgende komen vast te staan: De tipgever die de naam van DE VRIES had genoemd, heeft zichzelf gemeld bij de politie.”

PvB: Het gaat hier om de vraag of bewuste getuige K. zichzelf bij het Tolteam had gemeld. Deze vraag was in 2004 al eens door dezelfde mensen van de rijksrecherche uitgezocht. Het antwoord was toen dat hij zichzelf had gemeld. De onderzoekstijd van dit punt kan niet meer dan enkele seconden zijn geweest, namelijk de tijd die nodig is om dezelfde uitkomst nog een keer op te schrijven. Dezelfde vraag, dezelfde rijksrechercheurs en hetzelfde antwoord. De werkelijke onderzoeksvragen betreffende getuige K. zijn zorgvuldig onbesproken gelaten.

·       De tweede onderzoeksvraag was over een vermeende nieuwe verklaring van een NFI-deskundige die, in tegenstelling zijn eerdere verklaring, ontlastend zou kunnen zijn voor de voormalig verdachte André de Vries.

“Van een ander rapport, een andere mondelinge of schriftelijke verklaring van het NFI is geen sprake geweest. De rijksrecherche heeft vastgesteld dat geen sprake is van gewijzigd inzicht bij het NFI.”

PvB: Het gaat hier om de vraag of ir. B. van het NFI tijdens een presentatie op 29 juni 2011 verklaard zou hebben dat de sporen in de rode broek van André de Vries toch niet zo uniek waren als eerder aangenomen. Hoofdinspecteur van politie G. was niet zeker of de verklaring van ir. B. wel zo anders was. Specifiek daarnaar gevraagd door de rijksrecherche verklaart de hoofdinspecteur dat er geen sprake was van een nieuwe verklaring van ir. B. De rijksrecherche heeft niet meer onderzoek hoeven doen dan nog eens vragen wat er nu precies werd bedoeld. Een kwestie van enkele minuten. Ook hier blijft de rijksrecherche zorgvuldig weg bij de werkelijke openstaande vragen. Belangrijke getuigen worden niet gehoord, zelfs niet wanneer zij zichzelf aanbieden voor verhoor!

·       De derde onderzoeksvraag ging over de kwestie van de onderzochte vuurwerklocatie op Kreta.

De Rijksrecherche heeft vastgesteld dat er in Griekenland slechts op één plek onderzoek is gedaan omdat alleen op die plek evenementenvuurwerk zou zijn afgestoken in de periode waarin De Vries daar was.

PvB: Deze vraag was al tijdens het eerdere onderzoek beantwoord en daarvoor hoefde men zeker niet nog eens naar Kreta af te reizen. De echte vragen betreffende de vuurwerksporen op de rode broek waren van geheel andere aard, maar die zijn niet onderzocht, want dan zou de rijksrecherche zichzelf in opspraak brengen.

Conclusie onderzoek 2012

De rijksrecherche heeft een jaar lang (!) een zogeheten onderzoek uitgevoerd naar vragen die achteraf niet bleken te bestaan. Had men er in 2004 nog een heel rapport voor nodig, in 2012 volstonden een paar minuten werk, een reisje naar Kreta, alles gepresenteerd met één A4-tje op 6 december 2012. En iedereen slikte het.

De rijksrecherche is niet voor niets het persoonlijke speeltje van het College van procureurs-generaal, dat wordt ingezet als politie die de gewone politie controleert. Een rijksrechercheonderzoek is het ergste wat je kan overkomen als overheidsdienaar. De rijksrecherche is de onafhankelijke superpolitie met hooggekwalificeerde rechercheurs.

Niets is minder waar. De incompetentie is zó stuitend dat de rijksrecherche kennelijk, bij de basis van de vastlegging van onderzoeksgegevens, politieke en bestuurlijke beïnvloeding toeliet van het door hen uit te voeren onderzoek. Rijksrechercheurs worden ook officieel geselecteerd op politieke sensibiliteit. Viezer wordt het niet.

Twee van de eerdergenoemde rijksrechercheurs uit het onderzoek van 2004 hebben niet alleen in 2004, maar ook in 2012 het rijksrechercheonderzoek Daslook uitgevoerd. Hiermee konden zij, in opdracht van de toenmalige voorzitter van het college Pg’s Herman Bolhaar, zichzelf controleren.

Posted on

Paul van Buitenen: Brief aan HOvJ Marthyme Kunst

Op 17 januari 2020 schreef ik aan de wnd. hoofdofficier van Justitie, mr. Marthyne Kunst, een brief over de wijze waarop het OM onze strafaangifte tegen de overheid behandelt.

Mevrouw Kunst berichtte mij de dag ervoor namelijk hoe zorgvuldig de afgelopen maanden de strafaangifte Vuurwerkramp van politie naar officier, van officier naar hoofdofficier en van hoofdofficier naar het college van procureurs-generaal is gegaan. Daar zal men dan nog voor de beoordeling van de aangifte een ander parket uitzoeken. Dit alles ter voorkoming van belangenverstrengeling.

Belangenverstrengeling

Ik bedank mevrouw Kunst voor deze zorgvuldigheid, want zij was eerst 12 jaar advocaat bij Nysingh advocaten. Dit advocatenkantoor verdedigt nu de gemeente Enschede tegen een schadeclaim wegens de Vuurwerkramp. Verder was mevrouw Kunst als persofficier in Almelo de officieel aangewezen vertolkster van precies dat OM-beleid tijdens de strafvervolging van de Vuurwerkramp dat nu voorwerp is van onze aangifte van strafbare feiten. Haar bemoeienis met de aangifte zou zeer problematisch zijn geweest.

Traineren beoordeling aangifte

Mevrouw Kunst schreef mij verder dat het bestuderen van de feiten in elk geval tot maart 2020 zal duren. Hieruit leid ik af dat de behandeling van de aangifte onvoldoende prioriteit heeft gehad. Wanneer het OM sinds de aankondiging van de aangifte half oktober, tot op heden nog steeds geen parket heeft aangewezen dat de aangifte kan beoordelen, dan wekt dat de indruk van het bewust traineren van de behandeling. Daarom heb ik aan mevrouw Kunst een aantal overwegingen voorgelegd:

  • Arrondissementen en tijdsduur. In een bijlage van de aangifte (het reviewrapport) staat beschreven hoe lang de verschillende onderzoeksfasen na de Vuurwerkramp hebben geduurd en tevens dat er vijf verschillende OM arrondissementen bij de eerdere onderzoeken betrokken zijn geweest. Daarbij is één van de door mij aangegeven klachten dat er tijdens lange onderzoeksperiodes in werkelijkheid nagenoeg geen onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden. Met als belangrijkste voorbeeld het Daslook onderzoek uit 2012, uitgevoerd door de rijksrecherche.
  • Rol College van Pg’s. Ook beschrijft de review hoe de achtereenvolgende voorzitters van het College van Pg’s: Joan de Wijkerslooth, Harm Brouwer en Herman Bolhaar, zacht gezegd mogelijk geen onberispelijke staat van dienst hebben betreffende de gelopen onderzoeken naar de Vuurwerkramp. Dit tijdens hun respectievelijke voorzitterschap van het College van Pg’s.
  • Rol Parket-Generaal. Het Parket-Generaal heeft vorig jaar door een senior jurist maandenlang een concept van het reviewrapport ‘minutieus’ (naar eigen zeggen) laten bestuderen. Als resultaat van die bestudering kwam op 4 juni 2019 een nietszeggende brief van de wnd. voorzitter van het College van Pg’s (de heer Hofstee), waarin niet op de inhoud van het rapport werd ingegaan, maar alleen aan beeldvorming werd gedaan en werd gesteld dat de bestaande procedures correct doorlopen zijn. Hierover heb ik reeds op 27 juni 2019 een klacht ingediend bij de minister van justitie. Hierop is tot op heden geen antwoord gekomen.
  • De grote vraag is of het College van Pg’s nu voor het eerst de intentie heeft om werkelijk en met prioriteit door deskundige en onbevooroordeelde specialisten (binnen en buiten het OM) naar de aangifte en de daarbij behorende bijlagen te laten kijken, of dat het College van Pg’s wederom aan het tijdrekken is om zo steeds dichter bij de 20e gedenkdag van de Vuurwerkramp te komen (13 mei 2020) zonder noemenswaardige verstoringen van de status quo in de polder.

Verzoek

Daarom verzocht ik aan mevrouw Kunst een niet zwartgemaakt afschrift van het verzoek van haar aan het College van Pg’s, waarin zij aan hen vraagt om een ander parket aan te wijzen. Dat helpt te beoordelen hoe OM en college van Pg’s werkelijk in deze zaak zitten.

Publicaties

Ter ondersteuning van het OM zal ik hierover publiceren en zal ik de snelheid van de publicatie van namen van betrokken opvoeren. Ik hoop vanavond een stuk te publiceren over de rol van de rijksrecherche, met daarin vijf namen van betrokken rijksrechercheurs.

Op de Website: www.vuurwerkramprapport.nl zijn alle publicaties te vinden.

Posted on

Paul van Buitenen: De Enschedese milieudienst en het OM

  • ·      AGGELEN van F.W. (Frits) directeur Bouw- en Milieudienst,
  • ·      STREBUS J.J.W. (Jan Willem) afdelingshoofd Milieu,
  • ·      MEIJERINK Gerard plv. afdelingshoofd Milieu,
  • ·      BOSCH Nico ten, uitvoerend ambtenaar Milieu.

Zij traden alle vier op namens de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst richting vuurwerkbedrijf en overige instanties. Gisteren publiceerde ik reeds dat zij door mij, individueel dan wel in gezamenlijkheid, verantwoordelijk worden gehouden voor:

  1. Onjuiste afwijzing van bezwaar tegen de milieuvergunning S.E. Fireworks.
  2. Verstrekking van onwettige milieuvergunningen (1997, 1999) S.E. Fireworks.
  3. Vervalsing van de gemeentelijke milieuvergunning 1999 S.E. Fireworks.
  4. Misleiding burgemeester MANS over klasse 1.1 weg uit milieuvergunning.
  5. Misleiding Tolteam/OM over de inbeslagname gemeentelijke dossiers.

Jan-Willem Strebus

Hij was sinds 1 februari 1997 hoofd van de afdeling Milieu van de Bouw- en Milieudienst van de gemeente Enschede. Hij wordt door de rechtbank Almelo op 5 oktober 2001 ondervraagd. Hij bevestigt in zijn verklaring onder meer dat S.E. Fireworks onder vorige eigenaar Harm S. meer dan vier jaar zonder geldige vergunning heeft gedraaid met zwaar vuurwerk in een woonwijk. Defensiebureau Milan constateerde in 1993 een omschakeling van consumentenvuurwerk naar het zwaardere evenementenvuurwerk bij het bedrijf, waarvoor er geen vergunning was. Pas in 1997 kwam er een milieuvergunning voor het evenementenvuurwerk. Strebus wees op achterstanden bij de gemeente en een gebrek aan prioriteit voor het vuurwerkbedrijf.

Strebus tekende als hoofd Milieu namens het college van B&W regelmatig brieven die gericht waren aan S.E. Fireworks. Zo ook een brief n.a.v. een door de gemeente uitgevoerd controlebezoek bij S.E. Fireworks op 29 december 1999, de laatste jaarwisseling voor de ramp. De controle is verricht door de heren Ten Bosch en Oosterheeft en mevrouw Olthuis, allen van de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst. Strebus schrijft aan S.E. Fireworks dat de controle aan de hand van de milieuvergunningen 1997 en 1999 bevredigend is verlopen en dat het bedrijf de voorschriften naleeft.

Nico ten Bosch

Ten Bosch legde belastende verklaringen af. Het OM deed er niets mee.

Kapitein Forsman (Defensie-MILAN) constateerde in 1998 dat er bij S.E. Fireworks containers stonden in strijd met de vergunning. Forsman zei toen dat dit alsnog vergund kon worden. Ik (Ten Bosch) heb de eis van 120 min brandwerendheid ten aanzien van de zeecontainers in de vergunning van 1997 laten vallen. Daarvoor is kwam het voorschrift dat de containers één meter uit elkaar moesten staan. In de vergunning van 1999 heb ik zowel de eis van 120 minuten brandwerendheid als de 1 meter grens weggelaten. Ik dacht dat dat kon op grond van het advies van defensie. Ik merk ook op dat Forsman tijdens het bezoek aan S.E. Fireworks op 10 mei 2000 (3 dagen voor de ramp) zei: “wat er in Culemborg is gebeurd, kan hier niet gebeuren”

“Na de ramp bleek dat er geen vuurwerkdeskundigen zijn. De ministeries werken langs elkaar heen. De classificatie van consumentenvuurwerk is onjuist. Ik ken geen deugdelijke informatie over brandwerendheid van zeecontainers. Van de adviezen van bureau MILAN kan niet worden afgeweken omdat zij ook adviseur van de Raad van State zijn. In een procedure wegens afwijking van het MILAN-advies, kom je datzelfde advies weer tegen als advies aan de Raad van State. Ik had te weinig opleiding en ervaring met vuurwerk en stond voor een onmogelijke taak. Ik ben voor die functie bij de gemeente geselecteerd op basis van irrelevante criteria. Er werd gevraagd wie er voortaan met Gerard Meijerink mee wilde gaan op vuurwerkcontrole. Omdat mijn echtgenote altijd werkte tussen Oud en Nieuw, vond ik het prima om op eindejaar vuurwerkcontrole te gaan, dus kreeg ik die functie. Ik kende de onderzoeksresultaten van de ramp te Culemborg niet, omdat ik dit rapport nooit heb gezien.”

“Kapitein Forsman (MILAN) merkte op dat het goed was dat de containers bij S.E. Fireworks niet in een L-opstelling stonden.” (Kapitein Forsman verklaarde ook zelf dat er toestemming was gegeven voor een foutieve vergunning.)

“Ik heb in de S.E. Fireworks vergunning 1997 nooit voorschriften voor sprinklerinstallatie opgenomen omdat MILAN er niet over repte. Wel adviseerde MILAN om m.b.t. de brandpreventie te overleggen met de brandweer voor de vergunning 1997. Ik denk niet dat ik dat heb gedaan. Bij de vergunning 1999 adviseerde MILAN wel om handbediende sprinklers aan te brengen in de ompakruimte, maar ik ben vergeten dat in de vergunning 1999 op te nemen. Deze omissie is controle niet gesignaleerd.”

Door het Tolteam aangesproken op de vergunningscondities in 1999 verklaart Ten Bosch het volgende:

“De situatie bij S.E. Fireworks is historisch. … Niemand maakte in het verleden ooit opmerkingen over brandwerendheid en zelfsluitendheid van deuren bij S.E. Fireworks. In 1993/1994, toen we over het terrein bij S.E. Fireworks liepen, sprak ik hierover met Gerard Meijerink, mijn chef, en hij zei dat we hier niets aan deden. Ook Bouma, Forsman en Ceelen (= bureau MILAN Defensie) constateerden dit en maakten geen opmerkingen. Zij bezochten het bedrijf ook en moeten dit hebben geconstateerd. Zij bespraken dit niet met mij. Ik kan dan geen eisen stellen aan S.E. Fireworks. Op redelijk korte termijn zou het bedrijf daar verdwijnen. Ook bij de procedures voor de vergunningen 1997 en 1999 voor S.E. Fireworks dacht ik er niet aan te eisen dat de milieuvergunning werd nageleefd. Dit eiste ik van nieuwe bedrijven wél”.

Ten Bosch wist dus dat er bedenkingen waren bij de veiligheid van vuurwerkopslag in containers en heeft aanvragen tot toestemming van containeropslag van vuurwerk bij andere bedrijven geweigerd. Dit blijkt uit in beslag genomen stukken.

Ondanks het enorme belang van de verklaringen van Ten Bosch, zijn verzoeken van de verdediging van S.E. Fireworks, om Ten Bosch voor verhoor in de rechtbank op te roepen, door de rechter afgewezen.

Gerard Meijerink

Hij wordt bevraagd tijdens een rechtbankverhoor over vermiste stukken in het gemeentedossier m.b.t. S.E. Fireworks uit de periode 1979 – 1989. Eerst een citaat van het Tolteam:

‘In het gemeentedossier betreffende S.E. Fireworks zijn door ons geen stukken aangetroffen uit de periode 14-12-1979 tot 30-11-1989. Door ons verbalisanten is in het dossier een formulier aangetroffen met daarop een routingstempel, gedateerd 30-11-1989, voorzien van een paraaf gelijkend op de paraaf van Meijerink, met daarbij geschreven: ”opbergen in H W dossier Smallenbroek onder “ontheffingen”’

Ondanks aanwezigheid van zijn paraaf, ontkent dhr. Meijerink voor de rechtbank het bestaan van het door hem geparafeerde formulier, gedateerd 30-11-1989, dat is opgeborgen in het dossier ‘H.W. Smallenbroek’. Ook in het Journaal van het Milieuteam blijkt het gat in het dossier. Verder blijkt uit een verklaring van een lid van het Tolteam dat Meijerink weigert persoonlijke aantekeningen te overhandigen bij de inbeslagname. Dit leidt zelfs tot een gespannen situatie. Het Tolteam drukt echter niet door en Tolteamleider Rik de B. heeft daar achteraf spijt van.

In tegenstelling tot zijn ondergeschikte Nico ten Bosch, die op 4 en 5 april 2001 wél tegen het Tolteam diverse verklaringen heeft afgelegd vanuit zijn positie als verdachte van strafbare feiten, heeft de toen eveneens als verdachte aangemerkte Gerard Meijerink geweigerd tijdens het verhoor van 10 april 2001 te verklaren. Hij beroept zich op zijn zwijgrecht als verdachte. Ten Bosch verklaarde eerder dat zijn beslissingen om overtredingen van S.E. Fireworks te gedogen waren genomen in overleg met zijn chef Gerard Meijerink.

Bij de inbeslagname van gemeentelijke S.E. Fireworks dossiers op 14 en 15 mei bij de gemeente Enschede, ondervond het Tolteam de eerste dag geen problemen bij afdelingshoofd de heer Strebus, maar plv. afdelingshoofd de heer Meijerink weigerde de dag erna bepaalde documenten mee te geven aan het Tolteam.

Ontbrekende stukken uit het procesdossier

De dossiers ‘Grondbedrijf‘, ‘Brandweer‘ en ‘Opslag/verkoop vuurwerk’ zijn door politie/OM op 30 mei 2000 bij de gemeente Enschede in beslag genomen, maar komen echter niet, dan wel gedeeltelijk, in het strafdossier voor. Dit ligt niet aan de gemeente, maar aan het OM. Een verzoek van de verdediging van Fireworks om deze documenten alsnog aan het procesdossier toe te voegen is door de rechtbank afgewezen doordat de rechtbank vertrouwde op de stelling van het OM dat deze stukken niet voorhanden waren. Het blind vertrouwen van de rechtbank in de OM-fictie van ‘waarheidsvinding’ wreekt zich in de rechtsgang. Dit is een kwetsbaar punt in het Nederlandse rechtssysteem. De rechter zou gebruik moeten maken van de eigen bevoegdheid tot toetsing en verificatieonderzoek.

Over het ontbreken van gemeentestukken verklaart het OM het volgende (samenvatting):

Het gemeentedossier is niet compleet. Controleverslagen en notities zijn waarschijnlijk vernietigd. Het HW-dossier S. ontbreekt en de stukken uit de periode 14 december 1979 tot 20 november 1989 ontbreken. Het OM betreurt dit maar kan niet meer zorgen voor completering van het gemeentedossier. Het OM vermoedt een te stringent vernietigingsbeleid van het gemeentearchief c.q. het archief van MILAN. Dit vermoeden is bevestigd door de getuigen Ten Bosch, Meijerink, Van Aggelen en Strebus t.a.v. het gemeentedossier en door dhr. Forsman m.b.t. het MILAN-dossier. Het OM ziet echter geen aanleiding tot strafrechtelijke vervolging wegens achterhouden van bewijsstukken.”

Het OM misleidde hier de rechter en de rechter neemt alles voetstoots aan van het OM. Het OM doet immers aan ‘waarheidsvinding’. Het ‘Feitenoverzicht vergunningverlening’, van het COT van de universiteit Leiden, dat dossieronderzoek deed in het gemeentearchief, toont dat de documenten 1979 – 1989 wél bestaan in het gemeentearchief. Ook zijn er stukken, waarvan het OM beweerde dat ze niet bestonden, later wél opgedoken via een WOB-procedure. Dit alles zou betekenen dat wel degelijk aanleiding was om de gemeente strafrechtelijk te vervolgen voor het achterhouden van stukken voor het OM. En het OM op zijn beurt misleidde de rechter.

Voorlopige conclusie dossiers en milieudienst

Door toedoen van de gemeente Enschede én door politie en OM, waren de procesdossiers incompleet en opgeschoond. Persoonlijke aantekeningen, complete jaargangen en dossiers zijn buiten het procesdossier gehouden. Dit had belangrijke gevolgen:

  • De rechten van de verdediging van de eigenaren van het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks zijn ernstig geschonden. Zij konden hierdoor geen eerlijke verdediging voeren. Dit is een inbreuk op de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin vastligt dat aangeklaagden recht hebben op een eerlijke rechtsgang.
  • De verwijtbare gedragingen van de gemeente Enschede zijn buiten het zicht van de strafrechter gebleven, waardoor te gemakkelijk een beroep kon worden gedaan op de immuniteit voor strafvervolging uit hoofde van de Pikmeer-arresten.
  • Het Openbaar Ministerie misleidde de rechter. Dit was niet voor het eerst en ook niet voor het laatst binnen het dossier van de Vuurwerkramp.
  • Gemeente Enschede was laakbaar bij vergunningverlening en controle op het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks. Noch de commissie Oosting, noch het rechtbankdossier meldden dit. Beide dossiers werden afgesloten voordat milieuambtenaar Ten Bosch zijn bezwarende verklaringen aflegde in april 2001 bij het Tolteam.

Programma

Tot zover. Donderdag (16/1) of vrijdag (17/1/20) komt de rijksrecherche aan de beurt. Echter de situatie met het Openbaar Ministerie, betreffende de behandeling van de aangifte van strafbare feiten, lijkt zich ondertussen niet gunstig te ontwikkelen. Hierover kan een bericht noodzakelijk zijn en om voorrang vragen op www.vuurwerkramprapport.nl

Posted on

Paul van Buitenen: elke dag een naam. #Frits van Aggelen

F.W. (Frits) van Aggelen directeur van de Gemeentelijke Bouw- en Milieudienst en drie van zijn ondergeschikten, die komende dagen nader zullen worden geduid onder aangeven van hun gedragingen, zijn individueel dan wel in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor o.a.:

Onjuiste afwijzing bezwaar tegen milieuvergunning
Het bezwaar dat was ingediend door een bewoner tegen de vestiging van een vuurwerkbedrijf in een woonwijk, met een grote opslag van evenementenvuurwerk, kon volgens de letter van de wet worden afgewezen. Deze afwijzing was niet in de geest van de wet, was dus onjuist en laakbaar.

Verstrekken onwettige milieuvergunningen
De gemeentelijke milieuvergunningen 1997 en 1999 zijn tot stand gekomen zonder het wettelijk voorgeschreven advies van de brandweer. Tevens werd gebruik gemaakt van de adviezen van Defensiebureau Milan die niet correct waren. Tenslotte was er onduidelijkheid en gebrek aan kennis over de brandwerende eigenschappen van een aantal opslagplaatsen. Ondanks het weigeren van het gebruik van zeecontainers voor vuurwerkopslag bij andere vuurwerkbedrijven in Enschede, werd dit bij S.E. Fireworks wél toegestaan, met als rechtvaardiging de te voorziene tijdelijkheid van de vergunning (risicobenadering). Die tijdelijkheid was niet vanwege het eerder ingediende (en afgehouden) verhuisverzoek van S.E. Fireworks, maar vond basis in de geheime onderhandelingen over de aankoop van de grond door de gemeente van oud-eigenaar Harm S. Hierover verschijnen nog separate artikelen waarin Harm S. en gemeentemedewerker R. aan bod komen, en een niet onderzocht motief voor brandstichting benoemd en onderbouwd wordt.

Vervalsing milieuvergunning 1999
Uitgaande van de eerder verleende milieuvergunning 1997, waarin naast vuurwerk van de subklassen 1.4 en 1.3 ook een beperkte hoeveelheid vuurwerk van de subklasse 1.1 was vergund, heeft S.E. Fireworks voor 1999 een nieuwe vergunning aangevraagd, zónder te vragen om het vervallen van de klasse 1.1. Deze aanvraag is op verzoek van de milieudienst door het bedrijf gedeeltelijk ingevuld, alvast ondertekend en vervolgens nog gedeeltelijk blanco opgestuurd naar de gemeentelijke milieudienst. Daarna heeft de milieudienst de vergunning verder ingevuld en daarbij expliciet de subklasse 1.1 uit de vergunning verwijderd zonder medeweten van het vuurwerkbedrijf. Het vuurwerkbedrijf kon dit ook niet vragen, want de subklasse 1.1 diende te worden vergund wegens het gebruik van onverpakt vuurwerk in de ompakruimte. Ook achteraf heeft het bedrijf dit niet kunnen constateren daar er door de gemeente slechts een uittreksel van de vergunning is verstrekt aan het vuurwerkbedrijf, waarin geen melding was gemaakt van het vervallen van de subklasse 1.1.

Misleiding van de burgemeester
Op het punt van de milieuvergunning 1999 heeft burgemeester Jan Mans aan de gemeenteraad verkeerde informatie verstrekt over het verdwijnen van de subklasse 1.1 uit de milieuvergunning. Mans informeerde de raad (19 maart 2001) dat dit op verzoek van het vuurwerkbedrijf zelf was gebeurd. Het bedrijf wist echter van niets (zie voorgaand punt). Mans verwijst hier naar een verklaring van milieuambtenaar (naam volgt) die zou zijn afgelegd bij de commissie Oosting. De commissie Oosting vermeldt echter iets anders, namelijk dat door het niet vergunnen van de klasse 1.1 en de klasse 1.3 in de ompakruimte, daarmee het openen van verpakkingen in feite onmogelijk werd gemaakt. Het is niet duidelijk of Mans op dit punt door zijn ambtenaren is misleid, of dat Jan Mans ten overstaan van de gemeenteraad een verhaal uit zijn duim zuigt om zichzelf en de gemeente te verdedigen. (Ik hoop voor hem het eerste, maar ik vrees het tweede).

Misleiding van Tolteam en OM
Over een periode van 10 jaar uit de historie van S.E. Fireworks, die zich afspeelde onder de vorige eigenaar Harm S., zijn door de gemeente geen documenten verstrekt aan de opsporingsinstanties, dit ondanks een bevel daartoe. Dit blijkt uit het proces-verbaal ‘Gemeente Enschede: vergunning, handhaving en controle’ van het Tolteam, d.d. 28 februari 2001. Dat deze documenten wél bestonden in het gemeentearchief blijkt uit het Leidse COT ‘Feitenoverzicht vergunningverlening’, dat verscheen op 21 september 2000. Het COT citeerde overigens slechts selectief uit dit materiaal. De reden is mogelijk gelegen in de veelvuldig voorkomende illegale situaties onder de vorige eigenaar Harm S. waarvan de gemeente op de hoogte was. Tenslotte geeft de gemeente Enschede niet thuis op vele WOB-verzoeken tot vrijgave van dit materiaal. Dit houdt de gemeente tot op de dag van vandaag vol tot aan de rechtbank. Er komen nog separate artikelen waarbij hier verder op in wordt gegaan.

Brief Frits van Aggelen
Directeur BMD van Aggelen schreef op 29 mei 2000, t.b.v. de inbeslagname van de gemeentelijke dossiers betreffende de Vuurwerkramp door het OM, dat hij naar beste weten alle dossiers heeft laten overhandigen betreffende: S.E. Fireworks, het beleid t.a.v. vuurwerkopslag, de externe veiligheid, het eerste uur van de brandmelding en acties i.v.m. de Vuurwerkramp en het rampenplan. Van Aggelen maakt in zijn brief geen melding van opgeschoonde dossiers. Tevens ontbreken in het dossier van de milieudienst over de bovengemelde periode van tien jaar alle stukken m.b.t. het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks. Door de suggestie te wekken dat hij alle relevante dossiers heeft overhandigd, terwijl dat onjuist was, misleidde Van Aggelen het Tolteam en het OM. Daarbij gaf het Tolteam tijdens een vergadering op 30 mei 2000 aan het OM ook gemotiveerd aan dat zij de indruk hadden dat de, van de gemeente in beslag genomen, dossiers waren geschoond. In het eerdere artikel over Officier van Justitie Herman Stam is al aangegeven dat het OM hier niet op is aangeslagen.

Verdere programma
Tot zover voor vandaag, maandag 13 januari 2020. Dinsdag en woensdag volgen nog drie personen van de gemeentelijke Bouw- en Milieudienst, onder aangeven van hun specifieke bijdragen. Donderdag komt de rijksrecherche voor het eerst aan de beurt en begint het echte vuurwerk. Tenzij ik eerst over het OM iets te melden heb, want ik wacht op een antwoord betreffende de behandeling van mijn strafaangifte. Zonder antwoord zal ik hier moeten publiceren wat het OM nu probeert te doen.

Posted on

Vuurwerkramp Enschede. De eerste naam openbaar: Officier van Justitie: mr. Herman Stam

In bovenstaand interview wordt ik door Pim van Galen ondervraagd over mr. Herman Stam en waarom ik besloot tot het openbaar maken van namen.

Carrière

Mr. Herman Stam, in het dagelijks leven nu senior rechter bij de rechtbank Almelo, was vanaf de ramp de eerstverantwoordelijk officier van justitie (zaaksofficier) voor het strafrechtelijk onderzoek naar de Vuurwerkramp. Hij heeft de opsluiting veroordeling voor elkaar gekregen van drie onschuldigen: de beide ex-Fireworksdirecteuren Rudi Bakker en Willy Pater en de voor brandstichting opgepakte André de Vries. Daarna werd mr. Stam als officier van justitie voor 4 jaar in de tropen gestationeerd, op Curaçao. Hij kwam terug naar Nederland in 2006 en maakte toen carrière als achtereenvolgens advocaat-generaal, rechter en senior rechter, nu nog steeds bij de rechtbank te Almelo.

Vreemde benoeming

Mr. Stam had voor een zaaksofficier op een recherche onderzoek, dat het grootste was in zijn soort van de naoorlogse geschiedenis een opmerkelijk profiel. Hij was afkomstig uit de belastingdienst en FIOD en had geen ervaring met grootschalige rechercheonderzoeken. dacht dat dit werd gecompenseerd door een ervaren recherche-leider, kwam bedrogen uit. Ook de politiecommissaris die het Tolteam van de politie Twente leidde, Rik de B., miste zulke ervaring. Hij kwam namelijk van de Mobiele Eenheid (ME) en had nog nauwelijks recherche-ervaring. Indien de politieke- en bestuurlijke top een strafrechtelijk onderzoeksteam had willen formeren dat, wegens gebrek aan ervaring, constant op zoek was naar aansturing, dan had men geen betere constructie kunnen bedenken. De gevolgen bleven niet uit. Enkele voorbeelden:

Internationaal opsporingsbevel

Op 18 mei 2000 wordt door OvJ Stam een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd tegen Fireworks directeur Bakker, terwijl Bakker al die tijd net over de grens in het ziekenhuis lag te Gronau (D). Hij kreeg daar bezoek van collega’s, familie en advocaat. De pers moest door het ziekenhuispesoneel worden buitengehouden. Tolteam rechercheurs Jan Paalman en Charl de Roy van Zuydewijn wilden bij Bakker langsgaan om te kijken hoe de stand was, maar dat mocht niet van de Tolteam hiërarchie. De inzet door Herman Stam van een internationaal opsporingsbevel staat gelijk aan ‘Misbruik van recht’. Dit droeg bij aan de sfeer van publieke heksenjacht die het OM kennelijk wilde creëren. Uiteraard meldden beide directeuren zichzelf bij de politie. Op 23 mei 2000 stond OvJ Stam schuimbekkend te schreeuwen voor Bakker. Hij (Stam) zou hem (Bakker) wel klein krijgen.

Binnenloodsen verdachte ondanks tegenbewijs

Het tegen de aanwijzingen in [1] binnenloodsen als verdachte van brandstichting, vervolgens ondanks onvoldoende bewijslast (blijkt uit interne stukken) langer vasthouden en tenslotte op valse bewijzen [2] veroordeeld krijgen van André de Vries. Let wél: Niet het Tolteam, maar het Openbaar Ministerie nam het initiatief tot het binnenhalen van André de Vries() als verdachte van brandstichting. Zie volgende punten.

Het officiële verhaal: ‘spontane getuige’

Volgens de officiële versie van de feiten komt na een eerdere vruchteloze tip via het OM alsnog ‘spontaan’ getuige Bennie van K. het politiebureau binnengewandeld. Bennie van K. meldt dat een vage kennis van hem wel eens iets met de ramp te maken kan hebben. Op basis van de gegevens van Van K. vindt men André de Vries in de politiesystemen voor een eerdere poging tot brandstichting en is hij een perfecte kandidaat-brandstichter van de Vuurwerkramp. In alle transparantie wordt onderzoek gepleegd en op 26 jan 2001 wordt De Vries aangehouden.

Werkelijkheid: binnensluizen door OM

De vermoedelijke gang van zaken is echter even anders. N.a.v. een getuigenverklaring over een wegrennende man in een rode broek herinnert rechter O. zich een dossier van een brandstichter (A. de Vries) waarin een man met een rode broek voorkomt (verklaring van O. bij de rijksrecherche). Het probleem is dat het signalement van de wegrennende man totaal niet overeenkomt met dat van De Vries. Daarop zal het Tolteam niet aanslaan. De compositietekening van de wegrennende man wordt pas op 9 oktober 2000 gemaakt. Dat is drie dagen later dan dat rechter O. zegt te hebben getipt n.a.v. die compositietekening die hem werd getoond door officier van justitie van der V. Om het probleem van het niet-gelijkend signalement op te lossen, wordt er niet getipt op De Vries, maar op Van K., een kleine crimineel en goede kennis van De Vries, met antecedenten die liggen op het werkterrein van O. (jeugdrechter) en Van der V. (jeugdofficier). Wanneer Van K. dan op De Vries tipt, waarbij hij voorgeeft De Vries nauwelijks te kennen, wordt dat een eigenstandige aanwijzing waarbij het probleem van het niet-passende signalement wegvalt.

Verschillende sets kleding

Van K. wordt dan gevraagd om te getuigen en wordt meermaals bezocht door rechercheur M., zonder dat daarvan verslag wordt opgemaakt en zonder getuigen. Het is niet uitgesloten dat niet Van K. het Tolteam voorziet van informatie, maar dat rechercheur M. juist de getuige Van K. voorziet van de gegevens nodig om bij De Vries uit te komen. Collega rechercheur S. levert daarna aan rechercheur M. een set kleren aan, die beantwoordt aan het signalement van de wegrennende man, terwijl de van De Vries in beslaggenomen kleren er anders uitzien en in werkelijkheid nog bij een andere collega in opslag liggen, die op dat moment nog van niets weet. Verklaringen die dit bevestigen zijn genegeerd, zowel door de rijksrecherche als door de nakomende feitenonderzoeken. [3]

Parallel onderzoek

Er start onder aansturing van rechercheur Piet B.() een verborgen parallel onderzoek op De Vries, waarbij rechercheur M. de belangrijkste rol vervult en de meeste overige Tolteamrechercheurs geen inzage hebben. De bevindingen uit dit parallelle en niet door collega’s gecontroleerde traject vormen de basis van de aanhouding van De Vries. [4]

Tegelijk worden alle onderzoeken naar een bedrijfsongeval onafgemaakt afgebroken. Later zal nog blijken dat er meerdere rode broekjes met verschillende kenmerken binnen het onderzoek hebben gefigureerd als bewijs.[5] Deze feiten vertegenwoordigen o.a. ambtsmisdrijf, vals opmaken van Pv’s en samenspanning ter misleiding van de rechter, zoals blijkt uit de details in het reviewrapport.

Lessen uit Culemborg veranderd

Het OM heeft de oorspronkelijke lessen uit de vuurwerkexplosie in Culemborg (1991) [6], die óók in Enschede zouden hebben geleid tot niet-vervolging van het vuurwerkbedrijf, verdraaid tot lessen die juist de basis legden voor de vervolging van het vuurwerkbedrijf. De oorspronkelijke lessen hadden aangetoond dat niet het vuurwerkbedrijf maar juist de overheid de ramp viel te verwijten. Door een les te verzinnen over het veranderen van klasse 1.3 vuurwerk in massa-explosief vuurwerk [7] en door daar vervolgens de voorraadreconstructie op aan te laten aansluiten, verkreeg het OM een goede basis voor veroordeling van het bedrijf op basis van ‘Te-veel-en-te-zwaar’ vuurwerk in opslag op de rampdag.

Vrijwaring Brandweer

Het OM heeft de brandweer bewust buiten het strafproces gehouden. Natuurlijk had de brandweer een enorme tol betaald met vier overleden brandweerlieden. Maar het eigenlijke motief om de brandweer buiten vervolging te houden was tweeledig.

  1. Burgemeester Jan Mans had openlijk zijn lot verbonden aan de beoordeling van het brandweeroptreden. Bij een negatief oordeel zou Mans opstappen. Uri Rosenthal verklaarde later dat dit aftreden van Mans ook repercussies zou hebben gehad voor de verantwoordelijke bewindslieden in Den Haag.
  2. Het optreden van de brandweer was verkeerd aangestuurd. Door het negeren van veiligheidsaanduidingen [8], niet in acht nemen van veiligheidsafstanden [9] en internationale regelgeving [10], had de brandweer een totaal verkeerde wijze van inzet gekozen (offensief blussen i.p.v. defensief uitbreiding voorkomen). Dit heeft het aantal slachtoffers verhoogd en ook de schade aanzienlijk verhoogd [11].

OM houdt feiten achter

Het OM heeft op verschillende terreinen gegevens weggehouden uit het strafdossier. Soms vielen zij daarbij door de mand, zoals bij een Regiezitting van het gerechtshof, maar meestal slaagde het OM in zijn opzet. Zo zijn door het OM dossiers buiten de rechtbank gehouden betreffende Culemborg, de brandweer, het conflict tussen S.E. Fireworks met oud-eigenaar Harm S. en betreffende het grondbedrijf, o.a. met betrekking tot het gevestigde voorkeursrecht.

Sturing onderzoek

Het Openbaar Ministerie krijgt van het Tolteam 29 mei 2000 te horen dat het door de gemeente aan politie/OM overhandigde dossiers m.b.t. S.E. Fireworks niet compleet zijn, maar waarschijnlijk ‘geschoonde’ dossiers zijn. Het gaat o.a. om de dossiers m.b.t. de (door de gemeente tegengehouden) verplaatsing van S.E. Fireworks, de vergunningverlening en de geheime grondonderhandelingen tussen de gemeente Enschede en oud-eigenaar S. Op dezelfde dag vindt er een coördinatiebijeenkomst plaats tussen OM, Tolteam en NFI, waarin wordt afgesproken dat de oorzaak van de brand en de escalatie tot ramp, gekoppeld moeten zijn aan de bepalingen in de milieuvergunning. Ook dient de mogelijkheid van een ‘Stofexplosie’ te worden ontkracht. Dit alles ter voorkoming van vrijspraak. Dit is een ambtsmisdrijf en aanzetten tot valsheid in geschrifte

Stam legt getuige zwijgen op

Hennie K. (), klusjesman S.E. Fireworks, is de enige Fireworks-werknemer waarvan uit onderzoek is gebleken dat hij tenminste één keer op het bedrijfsterrein van S.E. Fireworks is geweest op de rampdag, voorafgaande aan het uitbreken van de eerste brand. K. heeft over zijn aanwezigheid bij S.E. Fireworks meermaals gelogen bij het Tolteam en de rechter. De zaaksofficier mr. Stam heeft daarop K. langdurig laten vervolgen voor meineed. Dit was niet alleen zonder resultaat, maar Stam deed dit tegen het advies in van diverse leden van het Tolteam die K. wilden horen over zijn aanwezigheid bij het bedrijf op de rampdag. Wat zaaksofficier Stam hiermee wél bereikte, was dat K. als verdachte van meineed zwijgrecht verkreeg, precies over de periode van zijn bezigheden op het terrein en zijn overige activiteiten op de rampdag tussen 08u00m en 15u00m. Hiermee heeft mr. Stam de waarheidsvinding naar de oorzaak van de brand (‘eerste vlammetje’) ernstig belemmerd. Mr. Stam moet dit bewust hebben gedaan. Nadat K. pas in 2002 was vrijgesproken van meineed, kon hij zich vervolgens met succes beroepen op geheugenverlies.

Jaarverslag Openbaar Ministerie

In het OM-jaarverslag 2000, arrondissement Almelo, doet zaaksofficier Stam uitspraken over de ergerlijk leugenachtige houding van Fireworksdirecteur Bakker. Het vaste verhoorkoppel dat hem 85x heeft ondervraagd was hierover zo verbaasd dat zij per proces-verbaal lieten vastleggen dat zij Bakker nooit op een leugen konden betrappen.

Conclusie

Bovenstaande is slechts een beperkte selectie uit de gevonden bewijzen van verwijtbaar gedrag door het OM en de zaaksofficier Stam. Hiermee draagt officier van justitie Stam een zware verantwoordelijkheid voor het mislukken van de strafvervolging in de Vuurwerkramp en het veroordeeld krijgen van drie onschuldigen voor de ramp. Stam is zeker niet een drijvende kracht, maar was wél belangrijk als uitvoerder van de misleiding van de rechterlijke macht, die al eerder aannemelijk was gemaakt na een intern politieonderzoek door het Bureau Interne Zaken van de politie Gelderland-Midden. [12]

Namen worden bekend

Alle met initialen aangeduide namen in dit artikel worden in de loop van de tijd bekend gemaakt en de initialen worden dan ook vervangen door namen.

Voetnoten

[1] Hiermee wordt bedoeld dat er naar aanleiding van een nieuwe oproep in de media een nieuwe getuigenverklaring binnenkwam over een van (latere) de rampplek wegrennende man op een moment dat er nog weinig aan de hand was. Naar aanleiding van deze getuigenverklaring is het OM André de Vries als geschikte verdachte gaan zien. Het signalement klopte echter voor geen meter, dus kon het OM niet tippen op De Vries. Het Tolteam zou daar nooit in zijn meegegaan. Dus is er getipt door het OM op een crimineel vriendje van André de Vries die een verklaring kwam afleggen over mogelijke betrokkenheid van De Vries bij de ramp. Deze verklaring was aantoonbaar leugenachtig, maar het bracht De Vries binnen het onderzoek.

[2] Niet alleen is er gerotzooid met de kleding van De Vries (verkeerde set kleding, meerdere rode broekjes), ook is er ontlastend bewijsmateriaal achtergehouden, zoals een telecom-Pv, én zeer belangrijk: het OM voerde als bewijs twee verklaringen op van een getuige die meinedig bleken te zijn. Het OM wist dit, want het was al een vervolging wegens meineed gestart tegen deze getuige precies om dezelfde verklaringen die maanden later door de rechtbank als bewijs zouden worden geaccepteerd bij de veroordeling van De Vries tot 15 jaar cel. Ook zijn er door het OM en de rechter-commissaris (die de bijnaam officier-commissaris had) getuigen dusdanig bedreigd dat de verklaringen niet meer bruikbaar waren en naderhand als onbruikbaar zijn bestempeld door het gerechtshof.

[3] Volgens de verklaringen van toenmalig technisch rechercheur B. die de kleding van De Vries in bewaring had genomen bij een poging tot brandstichting van De Vries in zijn eigen auto op 19 juni 2000. B. ruimt zijn kantoor leeg i.v.m. een verandering van werkkring. Hij komt dan de kleding van De Vries tegen op een moment dat S. andere kleding aan M. heeft gegeven als zijnde afkomstig van De Vries. B. is hierover echter nooit meer gehoord, niet door de rijksrecherche en niet bij de latere feitenonderzoeken. Dit ondanks het feit dat rechercheur B. zichzelf aanbod voor verhoor.

[4] De bevindingen uit het onderzoekstraject op De Vries werden door drie rechercheurs vastgelegd op een separate diskette waartoe alleen deze drie rechercheurs toegang hadden. Normaal hadden deze mutaties moeten worden vastgelegd in het voor alle rechercheurs toegankelijke Tolteamjournaal. De rijksrecherche heeft dit ontkend met de bij de rijksrecherche gebruikelijke semantische woordtrucs. (Wordt gedetailleerd uitgelegd in het reviewrapport).

[5] Het éne broekje van De Vries heeft in de beëdigde verklaringen van politiemedewerkers vele hoedanigheden aangenomen, zoals een wisselende plaats van het achterzakje, een wisselende broekband, wisselende verpakking en sluitingswijze, wisselende geur en vlekken, al dan niet met gaatjes. De enig mogelijke verklaring hiervoor is dat er meerdere rode broekjes (die aan De Vries werden toegeschreven) hebben gefigureerd in het onderzoek.

[6] De echte (oorspronkelijke) lessen uit Culemborg waren dat de classificatie van vuurwerk onbetrouwbaar is, dat vuurwerk zich onder opsluiting heftiger kan gedragen, óók de laagste subklasse 1.4, dat vuurwerkinrichtingen niet meer bij een woonwijk thuishoren en dat er betere voorzieningen voor drukontlasting moeten worden overwogen. Geen van deze lessen is in de praktijk gebracht. Dit gaf nóg meer reden on S.E. Fireworks vrij te stellen van strafvervolging dan de redenen die in 1991 al golden bij het overwegen van de strafvervolging bij de vuurwerkexplosie in Culemborg.

[7] Op zich klopt het wel dat subklasse 1.3 vuurwerk onder inwerking van exploderend subklasse 1.1 vuurwerk zich massa-explosief kan gedragen, maar dat geldt voor alle subklassen vuurwerk, mits het onder voor een massa-explosie gunstige condities ligt opgeslagen (o.a. opsluiting, turbulentie) en in brand raakt.

[8] Dit is een afzonderlijk en ernstig punt. Niet alleen heeft de brandweer de aanduidingen genegeerd. Tijdens het onderzoek zijn de verklaringen van brandweerlieden dusdanig gemanipuleerd dat er een uitleg gegeven kon worden dat er andere gevarenaanduidingen hingen dan er in werkelijkheid waren aangebracht. Dit is een kennelijke poging om het brandweeroptreden goed te praten. Dit alles is in detail weergegeven in het reviewrapport, waar aan de hand van de afgelegde verklaringen een reconstructie is gemaakt van de herkomst van de verkeerde gevarenaanduidingen in de officiële rapportages van inspectie en Commissie Oosting. Van de werkelijke en correct aangebrachte gevarenaanduidingen, volgens welke de brandweer niet had mogen blussen, zijn afbeeldingen voorhanden.

[9] De Nederlandse regelgeving was (en is nog steeds!) fout. I.p.v. afstand houden en evacueren wordt voorgeschreven dat men vanaf 25 meter mag gaan blussen met water. Dit terwijl eenmaal brandend vuurwerk onblusbaar is met water. Maar zelfs naar de maatstaf van deze verkeerde regelgeving heeft de brandweer verkeerd opgetreden. Zij klommen namelijk boven op de vuurwerkopslagplaatsen en negeerden de waarschuwingen van het SEF-personeel om dat niet te doen. Dus zelfs de (verkeerd voorgeschreven) 25m afstand is niet in acht genomen.

[10] Internationaal gelden grotere veiligheidsafstanden, strengere vuurwerkclassificatie en vaak een verbod om überhaupt brandend vuurwerk te blussen. Dat staat zelfs op het net over de grens in Duitsland verkrijgbare vuurwerk, terwijl de brandweer in Nederland gewoon gaat blussen.

[11] Door de verkeerde wijze van inzet, gecombineerd met uitzonderlijke meteorologische omstandigheden (warm en windstil in het voorjaar) konden de omgevingsbranden uitgroeien tot een oppervlaktebrand met kenmerken van een vuurstorm. Zo’n vuurstorm creëert een eigen weerkundig systeem met stijgingswinden en aanzuigende werking van zuurstof. Het vuur lijkt zich daardoor op bovennatuurlijke wijze te verplaatsen over langere afstanden zonder tussenliggende brandhaard.

[12] Het tuchtrechtelijk onderzoek naar het Tolteam is gestart naar aanleiding van de klachten van de beide klokkenluiders en ex-Tolteamrechercheurs Paalman en De Roy van Zuydewijn. De opdracht tot intern onderzoek werd gegeven nádat André de Vries was vrijgesproken, omdat het door het OM aangevoerde bewijs ondeugdelijk was verklaard door het gerechtshof. De (in weerwil van de korpsleiding en het OM) afgelegde getuigenverklaringen van beide klokkenluiders voor het Hof waren hier mede debet aan. Formeel kreeg het Bureau Interne Zaken (BIZ) Gelderland-Midden de opdracht om naar het functioneren van het hele Tolteam te kijken. In de praktijk waren zij vooral gericht op de handel en wandel van de beide klokkenluiders. Dit blijkt uit interne stukken die in de review staan. Eind oktober 2003 sloeg het onderzoek ineens om. Dit naar aanleiding van eerder achtergehouden materiaal dat aan het BIZ werd toegespeeld vanuit de politie Twente. Daardoor bereikte het BIZ een voorlopige conclusie dat ‘Uitvoerenden en leidinggevenden binnen het strafrechtelijk onderzoek contra André de Vries bewust de rechterlijke macht hebben misleid.’ Burgemeester Mans nam contact op met justitieminister Donner en die gaf via het college Pg’s opdracht aan de rijksrecherche om de conclusie van het BIZ te onderzoeken. Praktisch bleek weer (uit interne stukken) dat de rijksrecherche maar op één ding uit was, namelijk het ontkrachten van de tussenconclusie van het BIZ. Dit heeft de rijksrecherche ook gedaan. Sindsdien worden de bevindingen van rijksrecherche door instanties en rechtbanken gebruikt om aan te tonen dat er géén misstanden waren binnen het Tolteamonderzoek. Al deze stukken: rapporten, processen-verbaal en getuigenverklaringen bij de rijksrecherche, alsmede de stukken van het BIZ, zijn beschikbaar en geanalyseerd in het reviewrapport weergegeven.