Posted on

Le Mesurier – Vader van de Witte Helmen viel dood van zijn balkon

Deze ochtend rond vier uur lokale tijd is James Le Mesurier, de stichter van de Syrische Witte Helmen, in Istanbul dood op straat teruggevonden. Hij ‘viel’ blijkbaar van zijn balkon. Deze Britse topofficier was in 2013 de stichter van de Witte Helmen. Officieel werd de organisatie geleid door de Syriër Raed Saleh, in wezen was dat echter een cover die de ware baas moest afschermen van de buitenwereld. Maar dat lukte niet echt, hoe hard de klassieke media in het Westen ook maar probeerden.

Sandhurst

Volgens het Britse dagblad The Guardian van vandaag was Le Mesurier het slachtoffer van een heuse lastercampagne door Rusland. Deze bestempelde hem volgens de krant immers als een man van MI6. Maar wie zijn curriculum leest, kan er moeilijk naast kijken dat hij een hooggeplaatst officier van het Britse leger en de NAVO geweest is. Zo studeerde hij af aan de militaire academie van Sandhurst en was hij in zijn groep bij het afstuderen de eerste. Verder was hij onmiddellijk na het afstuderen in het vroegere Joegoslavië reeds betrokken bij het verzamelen van inlichtingen tijdens de oorlog in de Balkan. De vuurdoop dus.

Nadien werkte hij voor allerlei bedrijven die naast informatievergaring ook huurlingen leverden. Vanaf 2011 en de start van de Arabische Lente was Le Mesurier continu in het Midden-Oosten actief. Partners waren hier onder andere de Nederlandse prinses Mabel, gewezen echtgenote van wijlen prins Friso en ex-liefje van gangsterkoning Klaas Bruinsma. Dame die ook goede contacten had met de AIVD, de Nederlandse geheime dienst. Ook was hij betrokken bij de Britse Olive Group van onder andere Christopher Steele, de voormalige Britse geheim agent van MI6 die mede verantwoordelijk was voor de rekrutering van Sergeï Skripal, de overgelopen Russische geheim agent. Steele is ook de auteur van het befaamde verhaal over de plassex van Donald Trump in Moskou waar de vroegere presidentskandidate Hillary Clinton toen mee zwaaide. Le Mesurier werkte na 2003 en de Amerikaanse invasie bovendien in Irak voor onder meer de Amerikaanse groep Bechtel.

[De Witte Helmen met hulpgoederen van de Britse ngo One Nation, een aan al Qaeda gelieerde in het Verenigd Koninkrijk legaal werkende Britse hulporganisatie. Ze kreeg over haar werking al wel enkele opmerkingen van de officiële Charity Commission. Joan Cox, het vermoorde parlementslid van Labour en vroegere medewerkster van Oxfam UK, was een fan van deze groep.]

De Witte Helmen kregen van een serie lidstaten van de NAVO, waaronder Nederland, Denemarken, de Verenigde Staten, Qatar en het Verenigd Koninkrijk, dat zowat de initiatiefnemer was, dan ook veel geld. Recent nog gaf de VS hen enkele miljoenen cadeau. Wel haakte Nederland onlangs af. Officieel omdat men onvoldoende controle had over de besteding van die gelden door de Witte Helmen.

Chemische wapens

Wie immers wat nader naar de Witte Helmen keek, officieel de Syrian Civil Defense, zag onmiddellijk dat het gewoon een afdeling was van die salafistische terreurgroepen. Telkens als men in Syrië de woorden ‘chemische wapens’ hoorde roepen waren de Witte Helmen in de buurt om het verhaal wereldkundig te maken. De Witte Helmen waren dan ook in deze oorlog het Britse propaganda-instrument bij uitstek.

Merkwaardig daarbij is dat Mayday Rescue, de in Nederland geregistreerde stichting die de Witte Helmen had opgericht, zelfs steun gaf aan de zogenaamde burgerjournalisten van Bellingcat, een onderdeel van de Atlantic Council, de met de NAVO en de VS verbonden studie- en propagandadienst. Bellingcat is ook de organisatie die zeer snel de ‘daders’ kon vinden van het neerhalen boven Oekraïne van MH17, de vlucht van Malaysia Airlines. Russen natuurlijk.

En telkens als de Witte Helmen schreeuwden over het gebruik van chemische wapens kwam Bellingcat dat snel nadien ‘bewijzen’. Waarna de Britten, de VS en Frankrijk in twee gevallen hun bommenwerpers lieten uitrukken. Goed voor wat spierballengerol en louter symbolische vernielingen. Een typisch voorbeeld is dat wat er vorig jaar in de stad Douma gebeurde bij de val van dit bolwerk van salafistische terreur.

De Witte Helmen met hulpgoederen van de Britse ngo One Nation, een aan al Qaeda gelieerde in het Verenigd Koninkrijk legaal werkende Britse hulporganisatie. Ze kreeg over haar werking al wel enkele opmerkingen van de officiële Charity Commission. Joan Cox, het vermoorde parlementslid van Labour en vroegere medewerkster van Oxfam UK, was een fan van deze groep.

Er is op het internet massa’s foto’s en video’s te vinden die hun linken met al Qaeda en zelfs ISIS bewijzen en hun betrokkenheid bij de Syrische gruwel. Maar dat was geen probleem voor de stad Ieper om hen in 2017 de jaarlijks Vredesprijs te geven. Een propagandafilm over de groep kreeg in 2017 in Hollywood zelfs een Oscar maar de poging om hen bovenop ook nog de Nobelprijs voor de Vrede te bezorgen mislukte. Het zou vermoedelijk te gênant geweest zijn voor het Noorse parlement. Ooit gaf Noorwegen zelfs deze prijs aan een Jemenitisch lid van de Moslimbroeders.

Voor altijd een mysterie

Wat er vandaag in Istanbul gebeurde zal heel waarschijnlijk altijd een mysterie blijven. Dit soort vermoedelijke moorden hebben altijd veel kandidaat-daders en geen enkele regering of geheime dienst kan men hier vertrouwen dat ze de waarheid zeggen. Men zal in de media vermoedelijk – zoals met de Russische familie Skripal –  allerlei verhalen opdissen over duistere Russen die dan klakkeloos door bladen als The Guardian worden overgenomen, zelfs al raken ze bij nader toezien kant noch wal. In wezen kan dit door zowat alle betrokken veiligheidsdiensten gedaan zijn, ook MI6, zoals het ook een afrekening onder die (sic) vrijheidsstrijders kan zijn of, waarom ook niet, een gewoon ongeluk. Keuze zat.

[Een magazijn van de Witte Helmen in Yarmoek, het toen nog door ISIS bezette deel van Damascus.]

In hoeverre ook is dit gewoon het opkuisen door het Westen van een met gigantische hoeveelheden bloed overgoten vuile oorlog en wist de man veel te veel. En wie weet was het gewoon zelfmoord zoals men al hier en daar suggereert of een ruzie over geld en vrouwen. Altijd goed voor een leuk motief en een zeer sappig verhaal.

Syrië zal hem, behoudens dan bij al Qaeda & co, niet missen. Daar mag je niet aan twijfelen. Benieuwd ook hoelang het zal duren voor Bellingcat de ongetwijfeld Russische daders van deze misdaad zal vinden. Vraag is zeker ook wat er nu met Mayday Rescue en de Witte Helmen gaat gebeuren.

Willy Van Damme

1) Het verhaal over Le Mesurier en de Witte Helmen kan je lezen op https://willyvandamme.wordpress.com/2019/06/07/syri-witte-helmen-als-britse-oorlogspropaganda/

Posted on

Cultuur onder vuur

Jenny Douwes. Foto: Oscar Brak

Zaterdag 19 oktober was De Blauwe Tijger aanwezig bij het congres van Cultuur onder vuur.

Cultuur onder vuur is onderdeel van de katholieke organisatie Civitas Christiana. Het eerste congres werd gehouden in de Philharmonie in Haarlem. Het congres bood een breed programma waarin niet alleen het katholieke geluid te horen was, maar waar ook ruimte was voor ‘seculiere’ cultuurkritiek.

Namens de internationale katholieke beweging Tradition, Family, and Property hield de Duitse hertog Paul van Oldenburg een lezing waarin hij het moderne secularisme werd benoemd als de wortel van allerlei hedendaags ongenoegen. Uit katholieke hoek leverden onder andere Henk Rijkers en pater Elias een bijdrage. Henk Rijkers doet voor Cultuur onder Vuur onderzoek naar linkse indoctrinatie in Nederlandse schoolboeken. In zijn bijdrage vroeg hij aandacht voor de manier waarop de islam wordt gepresenteerd in lesmethoden voor het godsdienstonderwijs op middelbare scholen.

Hugo Bos en Henk Rijkers. Foto: Henk-Jan Prosman

 

Cultuur onder vuur zoekt duidelijk aansluiting bij een bredere conservatieve beweging. Zo leverde prof. Andres Kinneging een bijdrage in de vorm van een lezing over de betekenis van een maatschappelijke elite. Hij betoogde dat de elite vroeger samenviel met een (adelijke) sociale klasse; in een democratische samenleving, waarin veel meer mensen toegang hebben tot hoger onderwijs, moet iedereen voor leiderschap worden opgeleid. Het is de vraag of dat op dit moment voldoende gebeurt.

Journalist Arnold Karskens vertelde over zijn onderzoek naar de objectiviteit van het NOS journaal. Volgens Karskens verspreidt de NOS nepnieuws. Hij demonstreerde dit aan de hand van een aantal voorbeelden waarin moslims en gekleurde mensen relatief positief werden neergezet in vergelijking met christenen en blanken. Deze bijdrage van Karskens past in de werkwijze van Civitas Christiana om via petities, demonstraties en onderzoek kritiek te uiten op de dominante progressieve cultuurpolitiek in Nederland. In dat kader werd ook een vrijheidsprijs uitgereikt aan Jenny Douwes: de Friese ondernemer die landelijke bekendheid kreeg door met haar verzet tegen het anti-zwarte Piet activisme.

Cultuur onder Vuur heeft voor het eerst een congres georganiseerd. Maar liefst 650 mensen hebben daarvoor een ticket gekocht en dat mag beslist als een succes gezien worden. Zeker omdat de synergie tussen christelijk Nederland en de rechtse ‘counter culture’ de laatste jaren vooral een protestantse aangelegendheid was. Het congres van Civitas Christiana laat zien dat ook katholieken te mobiliseren zijn voor een levensbeschouwelijk geïnspireerde tegenbeweging.

 

Posted on

Fotoverslag Boerenprotest

Vandaag was De Blauwe Tijger weer present bij de boerenprotesten.
Wat vooral opviel was de massieve aanwezigheid van politie en leger. De helicopters in de lucht maken het beeld compleet.
Hier is een overheid aan het werk die de voeling met boeren en burgers helemaal kwijt is en uit nervositeit overgaat tot intimidatie.

De werkelijkheid is dat beide boerenprotesten in Den Haag volstrekt vreedzaam zijn verlopen.
De boeren beseffen heel goed dat media en politiek paraat staan om bij de minste of geringste aanleiding de boeren als onbetrouwbare populsiten weg te zetten (voorzover ze dat al niet doen).
Alles wijst erop dat overheden geen idee hebben van wat er leeft onder de boeren. Opvallend is het hoeveel jeugd er aanwezig is.
Deze mensen staan er niet om rel te schoppen, maar om te laten zien dat er een vitale toekomstbestendige landbouw in Nederland is, die alle steun verdient.

Er waren ook vissers onder de demonstranten. De vissers uit Den Oever en Texel die ik heb gesproken zien vooral de windmolenparken op zee hun toekomst bedreigen.
Daarmee verliezen zij een aanzienlijk deel van hun visgronden.
Als de Brexit straks een feit is, wordt het toekomstperspectief voor de Nederlandse vissers wel heel somber.

Een van de boeren die ik sprak vertelde me dat voor veel boeren het vertrouwen in de overheid weg is. En daarmee het vertrouwen in de toekomst.
Ook al zou voor de ‘stikstofcrisis’ een oplossing gevonden worden: wat is het volgende dat hen boven het hoofd hangt?

Een kippenboer uit Coevorden ondervindt zelf geen hinder van de stikstofrichtlijnen. Hij is met de auto naar Den Haag gekomen om zijn solidariteit met zijn collega’s te tonen.

Die solidariteit is in alles merkbaar. Want anders dan bij de imaginaire ‘extinction’ van de klimaatrebellen staat hier werkelijk iets op het spel.
Je ziet gezinnen, collega’s, betrokken burgers, die heel goed zien dat er niet zoveel meer nodig is, voordat duizenden familiebedrijven de nek wordt omgedraaid.

Posted on

George van Houts. Kom plot deel II

Op 1 september schreef het Algemeen Dagblad dat “Khalid Sheikh Mohammed, het brein achter de aanslagen van 11 september 2001” eindelijk voor de rechter komt. Bijna 20 jaar na de aanslagen, op 11 januari 2021, zal dan eindelijk het proces tegen de daders beginnen. Het is dus wat voorbarig om Khalid Sheikh Mohammed nu al “het brein achter de aanslagen” te noemen. Het lijkt me dat de rechtszaak bedoeld is om dat te bewijzen. Ondertussen, zo meldt ook het AD, is Mohammed al 183 keer gewaterboard, dus is het maar zeer de vraag of het proces tot ‘wettig en overtuigend bewijs’ zal leiden.

Met deze update begint George van Houts zijn tweede theatercollege over de aanslagen op de Twin Towers. Of eigenlijk moeten we zeggen op de Twin Towers en Building 7. Aan het derde gebouw dat die dag is verwoest is het grootste deel van Van Houts college gewijd. Volgens Van Houts is Building 7 de ‘smoking gun’ in het 9/11 onderzoek. Ironisch in dit verband is dat in recent interview bij Café Weltschmerz, de toenmalige commandant der strijdkrachten, Dick Berlijn, te kennen gaf nog nooit van Building 7 gehoord te hebben.

Veel van wat hij ter sprake brengt was ook al in de eerste collegetour aan de orde geweest. Maar er zijn zeker nieuwe inzichten te melden. Zo noemt Van Houts een onderzoek van de University of Fairbanks (Alaska) dat is uitgevoerd in opdracht van de organisatie Architects for 9/11 Truth. Zij concluderen dat de bevindingen van het officiële NIST onderzoek niet houdbaar zijn. Building 7 kan niet als gevolg van een brand, die veroorzaakt zou zijn door brokstukken van de Twin Towers, zijn ingestort.

Van Houts is als geen ander in staat om ongerijmdheden en omissies in het officiële 9/11 verslag bloot te leggen. Maar nog belangrijker zijn de geopolitieke gevolgen van deze aanslag. In dit verband wijst Van Houts op de opening van het nieuwe NAVO hoofdkwartier. Daar zijn in 2017 twee monumenten onthuld: een is gewijd aan de val van de Berlijnse muur en een tweede aan de aanslagen van 11 september. Dit monument toont een stuk schroot van de rampplek en suggereert dat de aanslagen in New York blijkbaar dezelfde geopolitieke betekenis hadden als de val van het communisme en een rechtvaardiging bieden voor militair optreden in NAVO-verband.

Hoeveel vraagtekens je ook kunt zetten bij de gang van zaken op 11 september 2001, voor de Verenigde Staten en andere westerse naties was het aanleiding tot heuse ‘war on terror’ en een reeks van interventies in de Arabische wereld. Die interventies hebben tot op de huidige dag enorme geopolitieke gevolgen. Alleen daarom al is het van belang die gebeurtenissen met de grootst mogelijke skepsis te onderzoeken.

Kom plot deel II is tot december 2019 te zien in verschillende theaters. 

 

 

Posted on Leave a comment

Klimaatbeleid en boerenprotest

In de week dat duizenden boeren protesteerden in Den Haag bracht De Waarheidsvriend, het periodiek van de Gereformeerde Bond in de PKN, een themanummer uit over het klimaat. Waar is de tijd gebleven dat gereformeerde dominees zich bijzonder verbonden voelden met de boerenstand? In plaats van de aandacht te geven aan de invloed die het klimaatbeleid heeft op het leven van burgers, boeren en ondernemers, wordt de lezer een ronduit extreem klimaatscenario voorgeschoteld op grond waarvan alle maatregelen gerechtvaardigd lijken.

Als expert wordt prof. Blok opgevoerd, hoogleraar natuurkunde aan de TU Delft. Blok meent dat de toename van de CO2 in de atmosfeer verantwoordelijk is voor de stijging van de temperatuur en dat de modellen die klimaatwetenschappers gebruiken dat heel precies kunnen vaststellen. Wat Blok niet vermeldt is dat de snelheid waarmee deze opwarming gaat in de modellen van het IPCC stelselmatig te hoog wordt ingeschat. Marcel Crok schreef hier over: “Klimaatmodellen warmen gemiddeld meer dan drie graden op als de CO2-concentratie verdubbelt. De gemeten opwarming sinds 1850 gekoppeld aan onze kennis over het broeikaseffect van CO2 suggereert echter een klimaatgevoeligheid van tussen de 1,5 en 2 graden.”

In de week dat de media in de ban waren van het ‘klimaatmeisje’ Greta Thunberg, boden 500 wetenschappers een rapport aan waarin op bezonnen toon werd gewaarschuwd voor klimaatalarmisme. Blok lijkt geen boodschap te hebben aan de kritiek van klimaatsceptische wetenschappers. Hij suggereert dat die worden gefinancierd door de fossiele industrie en dat hun beweringen daarom onbetrouwbaar zijn. Het lijkt mij beter om een bewering inhoudelijk te corrigeren, dan te suggereren dat de onderzoekers onbetrouwbaar zijn. Bovendien kunnen we ook van veel wetenschappers en activisten die beweren dat de aarde opwarmt door menselijke CO2-uitstoot ook wel vaststellen dat ze daar ruime financiering voor ontvangen (of zou Al Gore het allemaal voor niks doen?). Ook de enorme groei van de handel in bijvoorbeeld ‘green bonds’, waarin al meer dan 500 biljoen dollar omgaat, doet vermoeden dat er nogal wat financiële belangen gemoeid zijn met een negatief klimaatscenario.

Ook suggereert Blok dat politieke partijen zoals de PVV en de FvD die bezwaar hebben tegen het klimaatbeleid van onze regering dat uit politiek opportunisme doen. Opnieuw beschuldigt Blok mensen die zijn visie niet delen van kwade intenties. Overigens is de uitspraak van Baudet, dat alle voorgenomen klimaatregelen slechts 0,0003 graden minder opwarming zullen opleveren vaak geridiculiseerd, maar nooit weerlegd.

Als het verband tussen CO2 en klimaatverandering eenmaal is geaccepteerd, lijkt het Blok ook zeker dat daardoor natuurverschijnselen zoals orkanen extremer worden en dat de zeespiegel stijgt. Hij noemt als mogelijk gevolg ook de afnemende landbouwproductie, terwijl algemeen wel bekend is dat een toename van CO2 in de atmosfeer de plantengroei juist stimuleert en dus een vergroenend effect heeft. Je zou dan ook kunnen aantekenen dat de toename van CO2 ook zijn voordelen heeft.

Blok vindt dat de kosten van klimaatbeleid eigenlijk wel meevallen: zo’n 1 à 2 procent van het wereldwijde BNP. De Volkskrant becijferde de kosten voor Nederland in de komende jaren overigens op 2 à 3 procent van het BNP, tussen de 500 en 700 miljard euro. Het gaat om honderden miljarden. En Blok lijkt ervan uit te gaan dat deze maatregelen ook allemaal zinvol zijn. Ik ben daar niet van overtuigd. Als CO2 inderdaad de grote boosdoener zou zijn, zou kernenergie natuurlijk een verbetering zijn. Maar in de huidige regelgeving is dat geen optie, en geldt het opstoken van Canadees hout als ‘groen’, terwijl het juist een hogere CO2 uitstoot oplevert en ook nog eens enorme schade toebrengt aan de natuur. De voorgenomen klimaatwetgeving staat bol van de dogma’s – met name de inzet op zon en wind ten koste van aardgas en kernenergie – die een effectieve en betaalbare reductie van CO2 uitstoot alleen maar belemmeren.

Belangrijker nog vind ik het levensbeschouwelijk en economisch kader waarin deze discussie wordt geplaatst. Blok vindt dat christenen ‘voorop moeten gaan’ in de strijd voor het redden van het klimaat. Ik denk dat we er goed aan doen die zorg om het klimaat met de nodige scepsis te benaderen. Met het economisch kader bedoel ik dat vanaf de Earth Summit in Rio de Janeiro in 1992, klimaatbeleid vergezeld ging van de wens om privaat kapitaal aan te trekken om de doelen te verwezenlijken. Ook professor Henk Jochemsen heeft erop gewezen dat klimaat- en milieubeleid begrepen kan worden in een neoliberaal paradigma, waarin de natuurlijke leefomgeving wordt ingezet om kapitaal te genereren. Ik zou daar als christen niet graag in voorop gaan.

Levensbeschouwelijk wordt de zaak zeker tekort gedaan als er alleen maar wordt verwezen naar ‘rentmeesterschap’. De enorme kapitaalvernietiging door zinloze beleidsmaatregelen kan ik nu eenmaal moeilijk als een vorm van rentmeesterschap zien. Bovendien komt het klimaatbeleid voort uit een nogal radicale politieke hoek. Linkse denkers en economen, zoals Naomi Klein, waarschuwden nog niet zo lang geleden (met name met het oog op de ‘war on terror’) voor de retoriek van crisis en ondergang, omdat die in feite was bedoeld om staatsingrijpen te legitimeren en de vrijheden van burgers te beperken. Ik vind het bijzonder opmerkelijk dat links zich nu zo gedwee achter het liberale vaandel van Ed Nijpels schaart om de ‘green new deal’ mogelijk te maken. Waar zijn de ‘linkse intellectuelen’ als je ze nodig hebt? Op dit moment wordt de burger door de politiek en de media, en helaas ook door de kerken, bijna onophoudelijk gebombardeerd met de retoriek van crisis en ondergang. Dit zal bedrijven en overheden in staat stellen om hun controle over de economie, het vrije ondernemerschap, de bestedingen van gezinnen et cetera aanmerkelijk te vergroten. Klimaatalarmisme zie ik als een ‘shock-doctrine’ (Klein) die de democratische cultuur nu al behoorlijk onder druk zet.

Burgers en boeren zullen het een tijdlang verdragen als wetenschappers, politici, predikanten en journalisten hen proberen te overtuigen van de onontkoombaarheid van een ingrijpend en discutabel beleid. Maar als ze merken dat ze vast komen te zitten in een web van regels en belastingen. Als ze merken dat de enorme kosten uiteindelijk toch door de belastingbetaler zullen moeten worden opgebracht, dan zal er een moment komen dat ze het niet meer pikken. En misschien waren die boeren met hun trekkers op het Malieveld daar wel een eerste teken van.

Posted on

De moord op Derk Wiersum en de opmars van mantra’s in de politiek

sjamaan

Wanneer dingen hun betekenis verliezen, wordt het steeds moeilijker de gepaste emoties op te roepen, zelfs als het een gruwelijke moord betreft. En wanneer de boodschappers van dat onheil, zoals van een moord, te maken hebben met een publiek dat hen steeds minder vertrouwt, moeten deze lieden hun toevlucht zoeken tot andere middelen dan de feitelijkheid. Dan moeten de emoties worden opgeroepen met magische formules. En wanneer de magie ontbreekt, bijvoorbeeld door gebrek aan charisma, dan vervallen deze formules tot mantra’s: het herhalen van nietszeggende woorden, keer op keer, jaar na jaar, net zo lang tot het publiek in deze eeuwigdurende bezweringen wordt opgenomen. Dan is een moord opeens een ‘aanval op onze rechtstaat’.

Grootse termen

Het zal menigeen opgevallen zijn dat het politieke taalveld in de afgelopen week werd overspoeld met grootse termen. Prinsjesdag was opeens een ‘feest der democratie’ – zoals verkiezingen de laatste jaren ook steevast worden genoemd. Normale aanduidingen schieten blijkbaar tekort. Evenals het denkvermogen van onze zogenaamde elite. ‘Misdaden tegen de menselijkheid’, ‘vertrouwen’, ‘zelfontplooiing’, ‘gelijkheid’ – we worden in de media overspoeld met dergelijke mantra’s. Wie anders denkt, ‘staat aan de verkeerde kant van de geschiedenis’. Of ‘gaat niet met de tijd mee’. Of is zelfs ‘niet van deze tijd’.

‘Aanval op de rechtstaat’

En zo was de moord op de advocaat Derk Wiersum niet meer een moord, maar allereerst ‘een aanval op de rechtstaat’. Dieptepunt was de journalist van Radio 1 die tijdens een interview inbracht dat ook aanvallen en bedreigingen op en van journalisten een dergelijke aanval op onze rechtsstaat zijn – iets wat overigens ook minister Grapperhaus beweerde.

Boven de burgers

Dit is het resultaat van een oprukkende denkwijze, namelijk dat niet zozeer de burgers de representanten zijn van zoiets als een ‘rechtstaat’, maar ambtelijke en semi-ambtelijke personen. Waar een advocaat, maar ook een journalist, en zelfs een politieagent, oorspronkelijk niets anders waren dan de verbijzondering van eigenschappen die toebehoorden aan elke burger, lijken ze nu opgenomen te zijn in een lichaam dat boven de burgers staat.

Onzin

Terugkomend op de aanslag in Amsterdam: als de dader van de aanslag een advocaat had vermoord vanwege het luttele feit dat deze een advocaat zou zijn geweest, was er weliswaar ook geen aanval op de rechtsstaat geweest, maar van een vijandige houding ten opzichte van de rechtstaat. Maar dat was niet het geval. De moord had namelijk een concrete aanleiding: de uitschakeling van een persoonlijke dreiging (die van de opdrachtgever) doordat deze advocaat zich in de ogen van de criminelen opstelde als handlanger van een verader. Criminaliteit is geen ideologie die de rechtstaat minacht of zelfs verwerpt, maar is misdadig in moreel opzicht. Van criminelen verlangen dat ze de rechtstaat respecteren is hetzelfde als menen dat er misdaad bestaat die recht doet aan diezelfde ‘rechtstaat’. Iedereen weet dat dit onzin is.

Niet uit te leggen

Niemand kan uitleggen waarom de moord op een ‘gewone’ burger geen aanval op de rechtstaat zou zijn, maar die op een advocaat (of journalist) wel. En men kan dat zeker niet uitleggen als niet duidelijk is wat met ‘rechtstaat’ wordt bedoeld. Bedoelt men met ‘rechtstaat’ een ‘staat van recht’ als ‘toestand van rechtvaardigheid, of bedoelt men een ‘systeem van rechtshandhaving’? De eerste betekenis wordt nooit toegepast of zelfs bedoeld. Afgaande op die betekenis zou namelijk elke wetsovertreding, hoe klein ook, een schending van de ‘toestand van recht’ zijn. Sterker nog: de eerste betekenis maakt voor de moderne wetsdenkers te weinig, of zelfs geen, onderscheid tussen recht en moraal. De term ‘moraal’ verwijst juist naar iets waar men van af wil, namelijk naar regels en wetten die voorafgaan aan elk menselijk inzicht. En dat wil men niet. Recht is namelijk gereduceerd tot iets wat is afgesproken en vastgelegd in wetten en waar – om de een of andere reden – iedereen zich aan dient te houden.

Systeem losgemaakt van de gewone burger

De tweede betekenis, die van het systeem van rechtshandhaving, elimineert wel de moraal uit het recht. Niet de vraag naar goed en kwaad, maar de louter instrumentele vraag naar de toepassing van het systeem staat hier centraal. Hier gaat het niet om al te menselijke categorieën als wraak of vergelding.  En ook  niet om iets ‘hogers’ dan de moraal – dit soort zaken spelen hoogstens in tweede instantie een rol of in het geheel niet. Hier gaat het om het systeem, en wel het systeem losgemaakt van de gewone burger. Immers, bij een moord, een geweldsdaad of bedreiging richting een burger wordt er nooit gesproken van een aanval op de rechtstaat. Waarom niet? Wel, de burger mag niet wijs worden gemaakt dat hij of zij de werkelijke drager en hoeder van wat voor rechtstaat dan ook is. Want zou de magie dan niet meteen verdampen? Want burgers willen geen holle termen, maar concrete woorden en daden.

sjamaan

Sjamanen vast in het zadel

De burger mag niet in de gaten krijgen dat niet hij of zij van belang is, maar slechts het systeem dat is opgetuigd. Om de eigen gang te gaan en zich niets aan te hoeven trekken van de burgers, heeft de politieke elite een taal ontwikkeld waarmee de burgers wordt bedot. Vol met termen die nergens anders naar verwijzen dan naar zichzelf. Er wordt als het ware een cirkel getrokken, de mandala, om daarna de mantra’s in gezangen te herhalen, keer op keer. En de betovering werkt. De sjamanen, i.c. de politici en journalisten, zitten vast in het zadel. Hun zangen worden door media en opiniemakers, op scholen en in theaters, als de hoogste wijsheid gerecitieerd.

Dwepen en bagatelliseren

Maar was er voor het kroongetuige-systeem dan geen rechtstaat? Natuurlijk wel. Net zoals moord te allen tijde een schending van het recht is geweest, net als elke andere misdaad. Maar het dwepen met termen – mantra’s – als rechtsstaat doet afbreuk aan misdaden tegen wie dan ook. Òf men moet bij elke misdaad, hoe klein dan ook, spreken van een aanval op de rechtsstaat (wat ondoenlijk is en uiteindelijk nietszeggend), òf men stopt met dit soort termen als er een advocaat wordt vermoord. Niet om deze moord te bagatelliseren, maar juist om het bagatelliseren ervan te voorkomen. Want dat is het: bagatelliseren. Men laat de concrete moord op een mens ondersneeuwen door tranen over een systeemkwestie. En dat laatste is letterlijk onmenselijk.

(titelafbeelding: sjamaan, foto: Blizzard17x cc by-sa 4.0)

Posted on 1 Comment

Hoe een pater gelijk kreeg . . . (En Timmermans wist ervan)

Je hebt weten en weten, dat blijkt maar weer. Zogenaamd ‘bleek’ gisteren dat Nederland hulp aan jihadisten in Syrië verleende. Jarenlang. Maar dat bleek pas nadat de regering de hulp aan deze rebellen stopte omdat ze nederlaag op nederlaag leden. Zoals zo vaak gebeurd is tijdens het conflict in Syrië, is het beëindigen van zulke steun een poging om het eigen gezicht te redden wanneer ook de laatste opslagplaatsen en trainingskampen van deze jihadisten worden ingenomen door de legers van Syrië en Rusland.

Wat daar vervolgens wordt aangetroffen laat zich raden: Duitse, Israëlisch en Amerikaanse wapens. Samen met onze uitrustingen en trucks. Maar er zijn ook al diverse keren ‘adviseurs’ van westerse regeringen opgepakt in jihadistenkampen. Waarom stopt de Nederlandse regering nu ineens haar hulp? Waren ze bijvoorbeeld doorgegaan met de hulp wanneer de jihadisten geen nederlagen te verduren kregen? Was het doel ‘Assad must go’ heiliger dan welk instrument dat zich daartoe leende?

Op deze vragen zouden de volksvertegenwoordigers moeten blijven hameren. Te meer omdat dit hele verhaal al jaren bekend was. Bij media en politiek. Zo heeft de oorlogsooggetuige Daniel Maes al met volksvertegenwoordigers en met de voormalige minister Timmermans gesproken in Den Haag. Er is de minister verteld dat hij oorlogsmisdadigers steunt. Maes hield al vanaf 2010 een weekjournaal bij, dat het thuisfront in België en Nederland las – dus van voordat de oorlog in Syrië begon. Daaronder bevonden zich vele journalisten. Hij is diverse malen uitgenodigd om met journalisten en politici te praten, maar nooit legde de media het vuur aan de schenen van de regering en nooit veranderde het beleid. Integendeel. Doorgaans verdedigde de media het regeringsbeleid tegenover hem. Tot nu.

Pater Daniel Maes, die jarenlang in het Syrische oorlogsgebied woonde, is in en door de pers al te vaak weggezet als een “ongeloofwaardige pro-Assad figuur”, of als een aluhoedje, een samenzweringstheoreticus. Zijn oorlogsdagboeken kregen in de NRC één ster. En de oorlogsstemmen die de jihadisten steunden, kregen er vier of vijf. Een raport van Amnesty International over een ‘martelgevangenis’ haalde alle westerse media, ook al bleek dat gebaseerd te zijn op een extrapolatie van een handvol ooggetuigen en bevatte het o.a. logistieke onmogelijkheden.

Maar wie je als ‘pro-Assad’ kunt labelen is immers tegen het doel (‘Assad must go’), dus per definitie ongeloofwaardig. Ondanks dat Maes genuanceerd en realistisch is ten aanzien van de Assad-regering. Welnu, deze pater krijgt al jarenlang keer op keer gelijk. Meer dan dat zelfs. Hij zet onze volksvertegenwoordiging in haar hemd. Ze wisten het al die tijd, maar ze weten het pas sinds gisteren.

De oorlog in Syrië is een proxy-oorlog. En al die jihadisten vechten voor ‘onze’ belangen. Maar wat is ‘ons belang’ nu precies? Misschien kan die vraag alsnog aan de regering gesteld worden. En dan zullen ze zeggen: democratie en veiligheid. Maar wie de dagboeken van Daniel Maes gelezen heeft weet beter. Die kent het antwoord en heeft het al die tijd al geweten. En wie een beetje rondstruint op internet kan wagonladingen aan bewijzen vinden voor Maes’ observaties.

Aan de boekhandels doen wij een oproep: ruim plaats in voor de oorlogsdagboeken van Daniel Maes, een van de zeer weinige vredesstemmen in de afgelopen acht jaar. Naast al die pleidooien voor ingrijpen en oorlog in Syrië, die met stapels in alle winkels lagen, is het nu tijd voor de pater die gelijk kreeg!

 

Indrukwekkend werk.

— Pieter Omtzigt

 

Oorlogsdagboek in twee delen: paperbacks met flappen | 134 x 210 mm | ±400 pagina’s|prijs: 35,00 |

isbn deel i 9789492161420
isbn deel ii 9789492161536


Posted on

Noud Ingen-Housz ~ de presidentsverkiezingen

In het kader van de verschijning van zijn boek Zo bezig met zichzelf: een politieke biografie van Frankrijk, laat Noud Ingen-Housz zijn licht schijnen op de aanstaande presidentsverkiezingen in dat land. Voor meer relevante achtergronden verwijzen we graag naar zijn zeer heldere en informatieve boek.


FRANKRIJK

“Waarom zijn de Franse verkiezingen belangrijk voor Nederland en de EU?”. Het onderstaande gaat schematisch op deze vraag in.


1 – DE NATIONALE CONTEXT

§1 – Sinds de verkiezing van François Hollande tot president, in 2012, heeft Frankrijk ondermaats gereageerd op de moeilijkheden van het tweede stadium van de dubbele financiële crisis van 2008 (subprime) en 2010–2011 (euro). De jaren 2009–2016 werden gekenmerkt door steeds toenemende werkloosheid. Met name de symbolisch belangrijke industriële sector en de handelsbalans toonden in stijgende mate tekorten. Pas sinds eind 2016 is de werkloosheid iets onder de 10 procent gekomen als gevolg van licht oplevende bedrijvigheid, en is de concurrentiekracht van het – veelal middelmatige – Franse product in grote trekken genormaliseerd.

In de afgelopen vijf jaar is de geloofwaardigheid van het democratische bestel in de ogen van talrijke Fransen steeds negatiever uitgevallen. Onmacht om de financiële crisis te boven te komen wordt in deze kringen beschouwd als het falen van een republiek die niet in staat is om, in het belang van iedereen, “de economie te beteugelen”. Onder de huidige, conjunctureel weinig veranderende, omstandigheden heeft dit verschijnsel een extra impuls gegeven aan, in Frankrijk al lang gebruikelijk, wantrouwen tegenover een “systeem” dat door velen wordt gezien als gemanipuleerd door financiële belangen. In de Franse geschiedenis is de uitdrukking “het systeem” in verschillende perioden gebruikt in geval van democratisch onbehagen.

§2 – De twee elkaar opvolgende ambtstermijnen van president Mitterrand (1981–1995) eindigden met tweejaarlijkse perioden van cohabitation waarin de gaullisten het, dankzij een parlementaire meerderheid, voor het zeggen hadden. Tijdens het presidentschap Chirac (1995–2007) deed zo’n situatie zich in omgekeerde zin voor. Twee jaar na het begin van zijn eerste ambtstermijn verloor hij zijn parlementaire meerderheid en werd hij tot een vijf jaar lange cohabitation met de socialistische regering Jospin gedwongen. Chiracs tweede termijn duurde – anders dan voorheen – vijf, in plaats van de voordien gebruikelijke zeven, jaar.

§3 – De hierop volgende tienjaarsperiode van de presidenten Sarkozy (“rechts”) en Hollande (“links”) heeft grotendeels in het teken van de dubbele financiële crisis gestaan. In de ogen van bijna de helft van de bevolking is “het bewijs” geleverd dat het “systeem” van periodieke afwisseling (alternance) tussen “rechts” en “links” niet in staat is tegemoet te komen aan wat, voor het welzijn van de bevolking, van “de politiek” mag en moet worden verwacht.

De verkiezingen van 2017 – eerst voor het presidentschap en een maand later (in juni) voor de Assemblée Nationale (de Nederlandse Tweede Kamer) – staan onder grote druk van de krachten die genoeg hebben van het bestaande binaire schema en uitzien naar andere – radicalere – “oplossingen”. Dat betekent dat voor de eerste ronde van de presidentsverkiezing op 23 april vier aanvankelijk bijna even sterke kandidaten de strijd aangaan om de eerste en de tweede plaats te verwerven die hen zal kwalificeren voor de tweede ronde op 7 mei. De personen om wie het hier gaat, zijn (met tussen haakjes hun kansen volgens opiniepeilingen per 18 april 2017):

– Emmanuel Macron (24 %)

– Marine Le Pen (23 %)

– François Fillon (18,5 %)

– Jean-Luc Mélenchon (18%)


2 – VAN EEN BINAIR KRACHTENVELD NAAR EEN VIERDELING

§1 – De campagne voor de verkiezing van een nieuwe president heeft diepgaande breuklijnen aan de dag gelegd over de hierbij gangbare politieke beginselen.

Sinds de instelling in 1962 van de verkiezing van een president bij algemeen kiesrecht, is “het systeem” ingericht op een quasi-exclusieve keuze tussen een “rechtse” of een “linkse” kandidaat op basis van een meerderheid der uitgebrachte stemmen. In lijn met deze door De Gaulle bij referendum opgelegde politieke logica, heeft regelmatige afwisseling van de macht tussen de twee politieke blokken plaatsgevonden. Sedert de stichting van de Vijfde Republiek in 1958 was het presidentschap 40 jaar lang in handen van “rechts”; 19 jaar in handen van “links”. De perioden van cohabitation besloegen 9 jaar (tweemaal 2 jaar onder Mitterrand en 5 jaar onder Chirac).

Dit binaire machtsmonopolie staat sinds de afgelopen 17 maanden onder de invloed van de doorbraak van de antimoslim-ideologie en het anti-Europese nationalisme van het Front National (“FN”, geleid door de familie Le Pen). In december 2015 scoorde het FN bij regionale verkiezingen met 28 procent als de grootste partij. Deze ontwikkeling heeft de traditionele, twee grote regeringspartijen verzwakt en hun geloofwaardigheid en invloed op de publieke opinie aangetast. Dit bleek al bij Sarkozy’s nederlaag tegen Hollande in 2012 en daarna in groeiende mate tijdens het bewind van Hollande zelf.

Beide leiders raakten verguisd: als er vorig jaar in Frankrijk eenstemmigheid heerste dan was het wel dat 85 procent van de bevolking wenste dat van de belangrijkste partijleiders noch Sarkozy noch Hollande kandidaat zou zijn bij de presidentsverkiezing van 2017. Geen van hen beiden heeft in die onmiskenbare boodschap willen geloven en eind 2016 hebben zij vrijwel tegelijkertijd schipbreuk geleden.

§2 – Ten aanzien van de eigenlijke verkiezingscampagne vallen de hierna volgende ontwikkelingen van de eerste vier maanden van 2017 op:

  • Ideologische tweedracht binnen de PS (“Parti Socialiste”) waardoor de zittende president, François Hollande, vanwege zijn spectaculair lage populariteit, geen kandidaat voor zijn eigen opvolging heeft kunnen zijn. Als gevolg hiervan wezen de socialisten in januari 2017 bij primaries (in het Frans “primaires”) als kandidaat een dissident van de partijlijn aan (dat wil zeggen Benoît Hamon en duidelijk niet Hollandes voormalige premier en politieke medestander Manuel Valls). Na deze splijting die de PS afdreef van zijn sociaaldemocratische middenlijn, kreeg Hamon bovendien de wind van voren van de extreemlinkse kandidaat Jean-Luc Mélenchon (ex-lid van de PS die niet aan de primaries had willen meedoen en een bewonderaar was en is van de politieke filosofie van Fidel Castro en Hugo Chávez). Deze intellectueel ingestelde volkstribuun en leider van ‘La France insoumise’, slaagde er tussen februari en april 2017 in zijn populariteit van 10 tot 20 procent verdubbelen, terwijl Hamon tezelfdertijd van 15 procent naar minder dan 9 procent afgleed. Mélenchon kan mogelijkerwijs de eerste of de tweede plaats bij de eerste ronde van 23 april halen.
  • Doctrinaire tweedracht binnen de partij LR (“Les Républicains”, voorheen “UMP”). Bij in november 2016 gehouden primaries besloot de LR tot aanwijzing van een kandidaat voor het presidentschap die veel rechtser bleek te liggen dan de traditionele pseudo-gaullistische opstelling. Deze selectie leidde, in de eerste ronde, tot eliminering van Nicolas Sarkozy. In de tweede ronde legde de aanvankelijke favoriet, Chiracs premier (1995–1997) Alain Juppé – een centrumgaullist – het af tegen Sarkozy’s voormalige premier, François Fillon. Deze werd de officiële LRkandidaat met een liberaal-conservatief program dat hard wil afrekenen met de huidige, door tekorten geplaagde, overheidsfinanciën en bijbehorende welvaartsstaat. Fillons keuze tastte de doctrinaire eenheid van de partij aan, waardoor deze hem maar matig steunde, zeker toen hij, kort na te zijn aangewezen, op sociaal gebied een grote vergissing maakte. Afgelopen januari kwam Fillon in werkelijke moeilijkheden toen gerechtelijke beschuldigingen over hem en zijn vrouw op gang kwamen over verrassende praktijken van onder meer voor parlementaire activiteiten bestemd geld uit de openbare kas (Penelopegate). Terwijl Fillon afgelopen november met 28 procent populariteit de favoriet was voor de presidentsverkiezing, zelfs voordat de betreffende beschuldigingen vorm kregen, zakte hij naar de derde plaats (na Le Pen en Macron), en laatstelijk naar een ex aequo-positie als nummer 3 naast Jean-Luc Mélenchon, die aanvankelijk als de waarschijnlijke nummer 5 achter Hamon werd beschouwd. Een bijkomende reden van Fillons stagnerende populariteit is de opkomst van een zelfstandige gaullistische – uiterst eurosceptische – kandidaat, Nicolas Dupont-Aignan, die is opgeklommen tot een populariteit van rond 4 procent. Hiermee brengt hij Fillons kansen op een eerste of tweede plaats op 23 april in nog groter gevaar dan al vanwege de tegen hem hangende beschuldigingen het geval was.
  • Als presidentskandidaat scoort de nooit gekozen Emmanuel Macron momenteel iets hoger dan Marine Le Pen. Zijn partij (En Marche!) bestaat pas twaalf maanden. Het feit dat hij in november 2016 kandidaat voor het presidentschap is geworden voordat hij kon vermoeden dat de LR geen sterke kandidaat zou leveren, wijst op een uitzonderlijk karakter. Zijn sociaalliberale opstelling die expliciet “noch van links noch van rechts” is, zou in geval van slagen voor het Elysée een diametrale doorbraak in het Franse politieke landschap betekenen, zeker in geval hij bovendien de parlementaire verkiezingen tot een succes zou weten te maken. De 2.0-moderniteit van zijn program staat buiten kijf maar staat onder spervuur én van “rechts” (Fillon) én van “links” (vooral Mélenchon) én van Marine Le Pen. Macrons handicaps zijn reëel (met name zijn leeftijd – 39 jaar – en de afwezigheid van enige gekozen functie; zijn jeugd-stimulerende program dat evenwel voor menigeen hybride of te vaag blijft; en de impliciete steun die hij van zijn vroegere baas Hollande krijgt). Daartegenover staat de belangrijke factor van vernieuwing in een land dat zich kennelijk los wil maken van het traditionele links-rechtsschema dat tot de huidige collectieve impasse heeft geleid.
  • Sinds de regionale verkiezing van december 2015 is Marine Le Pen gedoodverfd als nummer 1 bij de eerste ronde van 23 april. Alle andere partijkandidaten hebben zich zo opgesteld dat zij konden hopen daarbij nummer 2 te worden. In de afgelopen weken is onzekerheid ontstaan over de vraag of zij op 23 april inderdaad als nummer 1 uit de bus zal komen. Om tactische redenen schijnt zij voor de tweede ronde liever Macron dan Fillon of Mélenchon tegenover zich te krijgen.

3 – DE ONZEKERHEDEN

§1 – De opinieonderzoeken van 18 april blijven zeer voorzichtig over de mogelijke uitslag van de eerste ronde op 23 april: alle vier bovengenoemde belangrijke kandidaten kunnen hopen de tweede ronde te halen (Hamon kan als uitgeschakeld worden beschouwd).

De stemming op 23 april is van het grootst mogelijke belang want als waar mocht zijn dat Madame Le Pen nummer 1 zou worden, is de persoon van nummer 2 van doorslaggevende invloed op de uitslag van de tweede ronde.

Het moeilijkste dilemma voor de kiezers zou zijn een keuze te moeten maken tussen Le Pen en Mélenchon bij de tweede ronde. Ook in zo’n geval van strijd tussen twee extremen (iets wat voor de traditionele Franse kiezers een aardbeving zou inhouden) schijnt Madame Le Pen de strijd te zullen verliezen. Mochten Fillon of Macron bij de eerste ronde die tweede (of eerste) plaats weten te bemachtigen dan zouden zij beiden, volgens de opinieonderzoeken, de stemming zonder probleem tegen haar winnen. Maar noch Macron noch Fillon zou meer dan 62 procent van de uitgebrachte stemmen krijgen (Fillon vrij wat minder dan Macron).

§2 – De voornaamste factoren van ongerustheid over de uitslag van de presidentsverkiezing – dat wil zeggen een beslissing van de kiezers om uit de EU te willen treden – liggen op de volgende gebieden:

  • Stemonthouding in de tweede ronde, waardoor de stemmen voor Le Pen een evenredig groter gewicht ten opzichte van het geheel zouden kunnen krijgen. Deze factor krijgt minder gewicht naarmate de belangstelling voor deelneming aan de verkiezing toeneemt. Normaal gesproken bedraagt deze 80 procent. Thans is de hoogte van deelneming nog zeer onzeker: er is sprake van 67 procent, maar waarschijnlijker is dat de grens van 70 procent ruim zal worden overschreden.
  • Een ander punt is de opkomst van de extreemlinkse Mélenchon die in die mate (hij is zojuist van 20 naar 18 procent teruggezakt) niet was voorzien. Een duel Le Pen-Mélenchon in de tweede ronde zou Mélenchon wel tot president maken, maar zou eveneens een breuk met de EU betekenen (afgezien van het feit dat Mélenchon van de nieuw te kiezen Nationale Vergadering een “constituante” wil maken die binnen zes maanden de stichting van een Zesde Republiek zou moeten voorbereiden, waarna de nieuwgekozene zou terugtreden). In die zes maanden zou Frankrijk formeel niet zomaar uit de EU kunnen treden.
  • In het geval dat Fillon of Macron in de tweede ronde tegenover Marine Le Pen zou staan, is er weinig onzekerheid over handhaving van Frankrijk in de EU. Beide kandidaten houden het erop dat zij zich “in het begin” niet zouden kunnen houden aan een begrotingstekort van maximaal 3 procent. Het land zou zich derhalve aansluiten bij de Zuidelijke eurolanden om zo lankmoedig mogelijk door de Eurogroep te worden behandeld.
  • Een mogelijke overwinning van Macron opent de deur naar een volgende onzekerheid (afgezien van zijn gebrek aan politieke ervaring van meer dan twee jaar als minister): zal hij in staat zijn een samenhangende en werkzame parlementaire meerderheid te verkrijgen? Zijn kandidaten voor de 577 zetels in de Nationale Vergadering zullen vaak onbekenden zijn die hard zullen moeten vechten tegen plaatselijke grootheden die bekend zijn geworden in recente tijden waarin de PS en de LR nog veel invloed hadden. Deze onzekerheid wordt echter getemperd door het feit dat de kiezers over het algemeen proberen een nieuwe president een hem steunende parlementaire meerderheid te geven. Mocht Macron op dit punt een te zwakke parlementaire basis krijgen dan zou hij met parlementariërs van “links” en/of van “rechts” een regeerakkoord kunnen sluiten, waardoor hij op voldoende steun van de Nationale Vergadering zou kunnen rekenen.
  • De onzekerheid over de mate van parlementaire steun voor Macron weegt veel minder in het geval dat Fillon het pleit zou winnen. Dankzij het partijapparaat van de LR is er een gerede kans dat Fillon veel meer parlementaire armslag zou krijgen dan Macron. Of dat argument de kiezers ertoe zal bewegen hun aarzelingen tegenover Fillon in verband met Penelopegate opzij te zetten, is nog maar de vraag.

§3 – De risico’s voor Nederland en de EU

De meest in het oog vallende risico’s zijn de volgende:

  • een aanslag in afwachting van de einduitslag op 7 mei. Zo’n gebeurtenis zou onberekenbare gevolgen hebben; op 18 april zijn in Marseille twee hoogst gevaarlijke terroristen gearresteerd die klaar stonden voor een spectaculaire aanslag bij een politieke bijeenkomst (wellicht die van Marine Le Pen in Montpellier op de 19e).
  • de verkiezing van Le Pen of Mélenchon zou een zo frontale botsing met de EU opleveren dat de unie hier wellicht niet tegen opgewassen zal zijn;
  • zo’n botsing zou in het geval van een presidentschap van Mélenchon minder dramatisch kunnen zijn omdat constitutionele hervorming voor hem prioriteit lijkt te hebben en hij de economie daarvoor niet onmiddellijk zou willen verstoren;
  • Marine Le Pen zegt niet uit de euro te willen treden voordat daarover, na zes maanden onderhandeling met “Brussel”, een referendum zou zijn gehouden. Dit schijnargument kan niet verhinderen dat een Frankrijk onder Le Pen niets anders op het oog zou hebben dan uit de EU te treden.

Over de uitreding van Frankrijk uit de euro in een van voornoemde gevallen valt nog wel op te merken dat hier een van de schizofrene aspecten van het Franse volk aan de dag treedt. Daar waar, naar verwachting, een kleine meerderheid van alle stemmen die in de eerste ronde op de elf kandidaten zullen worden uitgebracht tegen de EU en de euro zal zijn gericht, is een constant gegeven bij de opiniepeilingen dat niet meer dan 28 procent van de bevolking die stap werkelijk wil nemen.

Hoe dan ook, geen van de twee andere presidentskandidaten (Fillon en Macron) stelt in het vooruitzicht dat Frankrijk binnen de komende vier à vijf jaar in staat zal zijn te voldoen aan het Maastrichtse criterium dat een begrotingstekort minder dan 3 procent van het bruto binnenlandse product behoort te zijn. Ook dat aspect is van belang voor Nederland en de EU.

Posted on

Verkiezingsblog 2017

In onderstaande columns betoog ik dat Nederland een twee-klassen-samenleving is.

De eerste klasse (de regenten) bepaalt de agenda van het land en neemt binnen die agenda alle beslissingen. Met recht kan men zeggen dat zij stemrecht heeft. De heersende klasse telt volksvertegenwoordigers, leden van adviesraden, rechters, burgemeesters, ombudsmannen en hoge ambtenaren. Zij heeft zich georganiseerd in politieke partijen.

De tweederangs-burgers (de rest) hebben geen stemrecht, maar slechts kiesrecht: déze burgers mogen alleen om de paar jaar uit het aangeboden assortiment politieke partijen er één kiezen.

Een twee-klassen-maatschappij is evident niet-democratisch:

Het is niet democratisch als de ene groep burgers de andere uitsluit van besluitvorming over onderwerpen die allen aangaan. En het is, vanuit democratisch oogpunt, nog erger als de heersende klasse een kleine minderheid is en de overheerste klasse de meerderheid, de zeer grote meerderheid. En het is extra ondemocratisch als de regenten bij hun besluitvorming wèl de belangen van lobby’s (en hun eigen carrièreperspectieven) in het oog houden.

Onvermijdelijk leidt een twee-klassen-systeem tot besluiten (en dus tot een samenleving) die niet overeenstemt met de wensen van de gewone burgers.

Helaas zal dit systeem niet uit zichzelf veranderen: het is goed dichtgetimmerd. De gewone burgers hebben geen hoger beroep tegen de beslissingen van de regenten – en geen zeggenschap over wie er tot de regentenklasse mag toetreden. Het systeem is door generaties van regenten naar eigen smaak vormgegeven. De burgers van Nederland hebben er nooit hun mening over mogen geven.

Het treurigste van dit alles is nog dat ondemocratische bestuurssystemen ook ondoelmatig zijn. In Zwitsers onderzoek zijn systemen met burgerinvloed vergeleken met bestuur via volksvertegenwoordigers; en toen bleek dat vertegenwoordigende ‘democratie’ leidt tot ondoelmatigheid, hogere overheidsschulden en een slechtere belastingmoraal. Ondemocratische systemen verstikken namelijk de creativiteit, inzet en energie van de uitgesloten burgers; ze maken de burgers calculerend.

Dit soort systemen is in vele zich democratisch noemende landen al eeuwenlang staande praktijk. Montesquieu noemde zo’n stelsel geen democratie maar een aristocratie.

Het is hoog tijd dat we een eind maken aan de tweedeling tussen kiezers en gekozenen en een echte democratie gaan opbouwen.

Een vanzelfsprekende eerste stap is om alsnog het correctief referendum (op 18/19 mei 1999 in de Eerste Kamer nipt verworpen) in te voeren. Daarmee krijgen de burgers het recht om de beslissingen van de volksvertegenwoordigers achteraf te mogen corrigeren.

Maar echt democratisch wordt het pas met het volksinitiatief: het systeem waarin burgers (met zekere procedurele waarborgen) voorstellen bij de gehele kiesgerechtigde burgerij in stemming kunnen brengen en voorstellen die worden aangenomen ook echt worden ingevoerd.

Als we het volksinitiatief invoeren is de tweedeling tussen kiezers en gekozenen voorbij. Dan nemen we in dit land de beslissingen samen en stemmen die beslissingen dus overeen met de opinie van de burgers.

12. De kiezers weten niets beters te doen dan telkens wegstemmen wie geregeerd heeft.

James Madison (1751-1836), een van de aartsvaders van de Amerikaanse Grondwet, hield in federalist paper 63 rekening met de mogelijkheid dat vertegenwoordigers de belangen van het volk niet goed zouden behartigen. En hij vreesde (papers 10 en 51) dat de volksvertegenwoordiging overheerst zou worden door facties en heethoofden die slechts oog zouden hebben voor de korte termijn en voor lokale belangen. Om te komen tot een bezonnen wetgeving pleitte hij (op het spoor van Montesquieu) voor een volksvertegenwoordiging bestaande uit twee Kamers die via verschillende mechanismen zouden worden gekozen en de regel dat een voorstel pas wet zou worden als beide Kamers het hebben goedgekeurd. De twee Kamers zouden elkaars rivaal moeten zijn en elkaar op het rechte pad houden.

Madison hoopte dat het volk de besten en meest deugdzamen tot zijn vertegenwoordigers zou kiezen, dat die zich zouden opstellen als hoeders van de rechten en vrijheden van de burgers en hen zouden beschermen tegen de overheid, zouden stemmen op grond van hun geweten en zich zouden verantwoorden tegenover hun kiezers. De kiezer zou hen wakker en integer houden door hen al of niet te herkiezen. Volksvertegenwoordigers zouden in hun wijsheid begrijpelijke wetten opstellen; dan zou de burger zich ermee identificeren en zich eraan houden.

Hoe anders is het gelopen! Er verschenen politieke partijen ten tonele en die deden precies waar Madison voor gewaarschuwd had. Volksvertegenwoordigers danken hun zetel aan hun aanzien in de partij, zij ontlenen hun legitimatie aan die partij en identificeren zich veel meer met de partij dan met de kiezer. Een politicus zal doorgaans zijn leven lang bij dezelfde partij blijven en door dik en dun partijgenoten steunen tegenover politici van andere partijen. Vertegenwoordigers van een politieke partij in de ene Kamer van de volksvertegenwoordiging stemmen af met hun partijgenoten in de andere Kamer. De ‘strijd’ tussen de twee Kamers verbleekte vergeleken met die tussen de partijen.

Politici maakten bestuur en wetgeving ingewikkeld. De kiezer kon de verrichtingen van de politici daarom moeilijk meer beoordelen. De partijen werden zo onkwetsbaar dat ze zich weinig van de kiezers hoefden aan te trekken. Ze doen alsof ze elkaar bestrijden maar fundamenteler is hoezeer hun belangen parallel lopen. Verkiezingen verwerden tot reclamecampagnes en wedstrijden in ontwijken en denatureren van de onderwerpen waar het over zou moeten gaan. De focus kwam meer te liggen op het goede sier maken met het uitdelen van cadeautjes dan op Madisons bewaken van de burgerlijke vrijheden. De kiezers zijn ontevreden maar weten geen tegenspel te bieden, ze weten niets beters te doen dan telkens weg te stemmen wie geregeerd heeft. Hoe is dan verstandig beleid te verwachten?

11. Competitie tussen politieke partijen is een toneelstuk

Dat politieke partijen zich van elkaar willen onderscheiden, is te begrijpen; maar ik denk dat ze daarin doorslaan: ze maken de tegenstelling regering/oppositie onnodig scherp.

En ze maken de kiezers gek met overtrokken beloften en met het demoniseren van elkaar, zeker in de aanloop tot verkiezingen.

Na de verkiezingen blijkt niemand de meerderheid te hebben behaald en moet er een coalitie komen. De opgehitste kiezers moeten worden teleurgesteld, want de verkiezingsbeloften kunnen niet integraal worden nagekomen. De partijen beschuldigen elkaar van kiezersbedrog en het spel begint weer van voor af aan. Hoe kun je zo ooit tot een harmonieus beleid komen?

In een districtenstelsel heb je meestel twee grote partijen die ombeurten sterk uit de bus komen. Die partijen bestrijden elkaar. Wie de meerderheid haalt kan zonder coalitiepartner de regering vormen. Dáár is een duidelijke tegenstelling regering/oppositie logisch, dáár is zo’n tegenstelling begrijpelijk. In Nederland hebben we echter (gelukkig) een evenredig kiesstelsel. Elke partij die hier de kiesdeler haalt krijgt een zetel. Dit levert in de Tweede Kamer een waaier van partijen op waaruit relatief makkelijk een coalitie te vormen is. Een scherpe tegenstelling regering/oppositie is hier helemaal niet nodig.

Er is een prima alternatief voor dat eeuwige gekibbel tussen politieke partijen: werken met coalities waarin alle ‘constructieve’ partijen meedoen.

Laat de partijen stoppen met hun toneelstuk dat ze elkaar zo haten. Laten ze stoppen districtenstelseltje te spelen. Het is een kronkel waarmee ze zich alleen maar vastdraaien.

10. Verband tussen democratie en economisch/maatschappelijk succes?

De meeste grondwetten dicteren een bestuurssysteem waarin een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) mag meepraten en meebeslissen, en de rest – de grote meerderheid – niet. Iedereen begrijpt dat dit niet democratisch is, maar het is in praktisch de hele wereld staande praktijk.

Je zou misschien kunnen zeggen: niet democratisch oké, dat is misschien wel zo, maar het functioneert in de westerse democratieën toch heel aardig?

Laten we eens proberen een onderzoeksopzet te bedenken om dat na te gaan. Laten we landen met veel burgerzeggenschap vergelijken met landen met weinig burgerzeggenschap. Dat wordt moeilijk, want hoe corrigeer je voor de specifieke omstandigheden van de verschillende landen? Globaal ziet het er wel naar uit dat landen met ontwikkelde democratieën, met veel vrijheid, het beter doen dan dictatoriaal geregeerde landen. Maar binnen de groep democratische landen is het moeilijk harde uitspraken te doen: de verschillen in democratie zijn te klein en die in andere kenmerken te groot om een verband te kunnen leggen tussen democratie enerzijds en economisch dan wel maatschappelijk succes anderzijds.

Ik wijs u op het boek Die direkte Demokratie, Modern, erfolgreich, entwicklungs- und exportfähig (1999) van Kirchgässner, Feld en Savioz. Het bevat econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over Zwitserse gemeentelijke en kantonnale financiën. In mijn boek, Welke democratie?, heb ik de hoofdzaken eruit geciteerd. Het boek van Kirchgässner et al. is in Nederland niet te koop en zelfs in Universiteitsbibliotheken niet te lenen.

Het gaat over econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over gemeentelijke en kantonnale financiën. Omdat in Zwitserland in het openbaar bestuur allerlei lokale varianten van democratie naast elkaar bestaan – die verschillen konden ontstaan omdat de beslissingsbevoegdheid voor het inrichten van het bestuur bij de plaatselijke burgers ligt – kunnen nu stelsels met een verschillende mate van burgerinvloed met elkaar vergeleken worden. Het blijkt dat burgerinvloed leidt tot lagere kosten, lagere schulden, een betere belastingmoraal en doelmatigheidswinst. Kirchgässner et al. rapporteren geen ideologische programmapunten of wensdromen, maar boekhoudkundige feiten. Directe democratie is blijkbaar doelmatiger dan democratie via volksvertegenwoordigers.

9. Grondwetten berusten op wantrouwen

Praktisch alle grondwetten op aarde zijn geschreven vanuit wantrouwen van de eigen burgers. Deze grondwetten construeren het bestuurssysteem van het betreffende land zó dat de burgers buiten spel blijven en dus geen kwaad kunnen, maar geven hen tegelijk de illusie dat alles keurig in orde is. Het zal u niet eens meevallen om zelf zo’n systeem te ontwerpen, maar de heersende klassen van de meeste westerse ‘democratieën’ is het gelukt. De enige uitzondering is Zwitserland; daar is het bestuurssysteem gebaseerd op vertrouwen van de burgers. Gelukkig dat deze ene afwijkende casus bestaat, want daardoor weten we dat een systeem gebouwd op vertrouwen kan bestaan. En elke objectieve waarnemer zal erkennen dat het in de praktijk nog best aardig werkt ook.

Dat wantrouwen was in vroeger eeuwen misschien gewettigd, maar tegenwoordig zeker niet meer, nu de meeste burgers kunnen lezen en schrijven en de communicatiemiddelen enorm zijn verbeterd.

Een systeem gebaseerd op wantrouwen kampt met minstens twee zwakke plekken. Eén: hoe kun je beargumenteren dat een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) wel mag meepraten en meebeslissen en de rest, de grote meerderheid, niet. Twee: hoe kom je tot een nette methode om dat bevoorrechte groepje te selecteren.

Het merkwaardige is echter dat de burgers in de westerse democratieën nu en dan best ontevreden zijn over hoe ze bestuurd worden en regelmatig de partijen en de politici wegstemmen die net geregeerd hebben, maar die twee fundamentele zwakheden niet inzien.

8. Het wezen van de partijdemocratie

Kent u Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie (1911, 1925) van Robert Michels (1876-1936)? Hij beschrijft, met het accent op Duitsland, de organisatorische mechanismen die in een politieke partij optreden, in een wereld waarin de overheid steeds meer taken en verantwoordelijkheden krijgt.

Ik vat Michels’ betoog samen: politieke partijen bouwen een apparaat op, de sleutelposities komen in handen van beroepskrachten, deze beroepskrachten bepalen de partijlijn, zij trekken steeds meer taken naar de Staat toe en maken de wetgeving ingewikkelder. Daarmee wordt ook het politieke ambacht ingewikkelder. De leiders selecteren hun opvolgers, daarbij is trouw aan de partijlijn een belangrijk criterium. Met dat alles neemt de afstand tussen politici en kiezers toe.

Michels ziet dit als wetmatigheden die in elke politieke partij zullen optreden (mogelijk vooral bij een groeiend takenpakket voor de Staat). Hij schreef dit al in 1911, toen de politieke partijen nog in de kinderschoenen stonden. In feite beschrijft Michels de politieke partij al met al als inherent contra-democratisch.

Als we met Michels aannemen dat dit noodzakelijke patronen zijn in het politieke bedrijf, dan is het geen boosaardigheid van politici dat het zo gaat, maar komt dit patroon voort uit de innerlijke logica van het systeem ‘politieke partij’. Politici zijn dan eigenlijk net zo goed slachtoffer als wij allemaal. En dan er is misschien zelfs hoop. Op enkele plaatsen lijkt Michels zijn pessimistische analyse namelijk te koppelen aan het fenomeen vertegenwoordiging. Als we voor dat fenomeen nu eens alternatieven zouden kunnen ontwikkelen. Meer burgerzeggenschap dus: zelfredzame gemeenten, referenda en volksinitiatieven.

Burger, emancipeer!

7. Weet u hoe de Nederlandse Grondwet het voor elkaar krijgt de kiezer buiten elke besluitvorming te houden?

Door artikel 144 van de Grondwet van 1814. Dat artikel bepaalde namelijk dat de Grondwet alleen gewijzigd zou kunnen worden door de Staten-Generaal; en wel alleen als twee derde van het aantal leden vóór die wijziging was. Door dit artikel is het ten eerste volstrekt oninteressant wat de kiezers van de Grondwet mochten vinden: alleen de mening van de parlementariërs telt. En ten tweede bestendigde de Grondwet van 1814 door dit artikel zichzelf tot op de huidige dag: want als er geen twee derde meerderheid van de parlementariërs te vinden is voor een wijziging blijft de oude tekst staan. Nederland werd in 1814 een eenheidsstaat en een monarchie; de Staten-Generaal kreeg het monopolie op staatsrechtelijke beslissingen en mocht zijn gang gaan zonder ruggespraak met de kiezers. Er zijn in tweehonderd jaar best wijzigingen in de achtereenvolgende grondwetten doorgevoerd, maar de hoofdzaken uit 1814 zijn er allemaal nog steeds. Er komt immers natuurlijk nooit een twee derde meerderheid in de Staten-Generaal die dat anders wil. Onze parlementariërs vinden dat prima zo.

En denkt u dat de kiezers deze opzet dan tenminste in 1814 duidelijk hebben mogen goedkeuren? Helemaal niet. Ten eerste is de Grondwet van 1814 in enkele weken in elkaar gezet; ten tweede is dat gedaan door een commissie van veertien aristocraten die door koning Willem I persoonlijk waren uitgezocht; ten derde was de tekst van de Grondwet slechts in kleine kring bekend en heeft er dus in het land praktisch geen discussie over plaatsgevonden en ten vierde was het kiesrecht in die eerste Grondwet beperkt tot zo’n 1,5 procent van de bevolking. Maar zelfs die 1,5 % van de bevolking heeft zich er niet over uit mogen spreken: de Koning selecteerde 600 notabelen – één derde moest van adel zijn – en nodigde hen uit om op 29 maart 1814 bijeen te komen in de grote kerk in Amsterdam. Die 600 – 474 waren komen opdagen – hebben over de Grondwet hun stem mogen uitbrengen, zonder discussie.

Dit zijn allemaal feiten die je met enige moeite kunt nazoeken, maar die onze heersende klasse liefst stilhoudt.

Beste kiezer, op 15 maart mogen meer mensen kiezen dan in 1814, wees daar maar dankbaar voor, dat heeft de heersende klasse u toch maar gegund. Maar de hoofdzaken van de opzet van ons land kunt u daarmee niet beïnvloeden.

6. De Tweede Kamer schrijft onze wetten en onze grondwet

Die wetten en de Grondwet staan vol fraaie rechten; maar om die te mogen genieten, is de burger op alle kruispunten steeds weer aangewezen op politici, rechters, ombudsmannen, ambtenaren, en toezichthouders. Het meest simpele, logische en meest om­vattende recht – zelfbeschikking – dát krijgen de burgers niet.

Waarom moeten de Nederlandse burgers onder voogdij staan van beroeps-volksvertegenwoordigers? Kijk om je heen als je deze zin leest in het winkelcentrum, het schoolplein of elders: overal zie je weldenkende zelfredzame burgers. De meesten van ons kunnen tegenwoordig lezen en schrijven en we heb­ben nu heel wat meer communicatiemiddelen dan paard en postduif. Waarom moet de Staat dan nog als een aristocratie georganiseerd zijn?

Het belangrijkste recept voor verbetering van ons bestuurssysteem lijkt mij dat meer beslissingsbevoegdheid (en dus ook verantwoordelijkheid) komt te liggen bij de meest betrokke­nen, bij de burgers.

Burgerzeggenschap is qua systeem eleganter dan de nu bestaande heerschappij via de omweg van volksvertegen­woordigers. (Bovendien, waarom zouden er twee klassen van staatsburgers moeten zijn?). Beslissen, betalen en profiteren komen met burgerzeggenschap dichter bij elkaar te liggen. Burgerzeggenschap is minder kwetsbaar voor lobby’s en het leidt dus tot betere beslissingen dan democratie via volksvertegen­woordigers (zie mijn boek Welke democratie?). Machiavelli schreef al in 1532 dat het volk gewoonlijk een verstandiger en stabieler oordeel heeft dan de vorst, maar nog steeds is het niet ingevoerd.

Burgerzeggenschap komt ons misschien utopisch voor, maar dat is omdat we er geen ervaring mee hebben. Het is ons door de heersende klasse altijd ontzegd.

5. Krassen op het kartel

Op 15 maart mogen we naar de kiesbus om de 150 zetels van de Tweede Kamer te verdelen. De Tweede Kamerleden nemen samen alle grote beslissingen over het landsbestuur. De politieke partijen maken daar de dienst uit (geheel onbedreigd kunnen zij zelfs beslissen hun bevoegdheden aan Brussel af te staan).

Heeft de burger invloed gehad op de samenstelling van het assortiment politieke partijen? Op hun programma’s? Op hun kandidatenlijsten? Driemaal nee.

Hoe durft de heersende klasse dit systeem democratie te noemen? Het volk mag om de paar jaar alleen kiezen binnen het voorgetoverde assortiment kandidaten van het voorgetoverde assortiment partijen, die slechts van elkaar verschillen in door henzelf bij elkaar gefantaseerde programma’s.

De politieke partijen doen of ze elkaar bestrijden; zeker als verkiezingen naderen neemt het geluidsvolume toe. Maar op wezenlijke punten werken ze innig samen. Ten eerste: we houden de burgers eronder. Ten tweede: we scheppen leuke vervolgfuncties voor ‘oudere’ politici. Ten derde: we verdelen die baantjes zo dat we allemaal eerlijk aan bod komen. Het verdienmodel is ijzersterk: er zijn altijd 150 zetels te verdelen, de beloning voor een Kamerlid is ruim bovenmodaal en na enige jaren Kamerlidmaatschap is er een vervolgfunctie in de luwte, waar je zo mogelijk nog meer invloed hebt dan toen je Kamerlid was. Omdat de partijen het hier zo over eens zijn, hoor je er nooit iets over.

Hoe iemand tot de heersende klasse toetreedt, is volmaakt schimmig, maar eenmaal binnen zijn er geen klokkenluiders of spelbrekers. Het systeem is door de Grondwet gegarandeerd en wordt door de media dagelijks opgehemeld en gezegend.

Knappe kiezer die met zijn stem het kartel een krasje kan toebrengen.

4. Waarom heeft Nederland geen referendum?

Jawel, sinds 1 juli 2015 hebben we het raadgevend referendum in het wetboek staan. Maar dat is een lege dop. Ten eerste kan de heersende klasse (de politiek) de uitslag van een raadgevend referendum rustig negeren, zoals we met het Oekraïne-referendum hebben gezien. Ten tweede heeft de heersende klasse in de wet het arsenaal onderwerpen enorm ingeperkt waarover een raadgevend referendum mag gaan. Het mag alleen gaan over een onderwerp waarover het parlement een besluit heeft genomen. Vervolgens wijst de wet nog allerlei categorieën onderwerpen aan waarover géén raadgevend referendum gehouden mag worden, ook al heeft het parlement er een besluit over genomen. Maar ook daarmee vond de heersende klasse nog dat ze niet genoeg barrières had opgeworpen: zelfs om deze lege dop in praktijk te brengen moeten de burgers enorm doorzetten (10.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen vier weken, vervolgens 300.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen zes weken, en dan bij het referendum zelf een opkomst van minstens 30 procent). Waarschijnlijk was het de bedoeling het zo moeilijk te maken dat er nooit een referendum zou komen. Het is in 2015/16 tot ieders verbazing éénmaal toch gelukt.

Nee, wat ik bedoel is: waarom heeft Nederland geen normaal (correctief) referendum? De Tweede Kamer had een wetsontwerp daartoe op 11 februari 1999 warempel goedgekeurd, maar de Eerste Kamer heeft het in de nacht van 18 op 19 mei 1999 nipt verworpen. Dat ontwerp stond ook vol drempels en barrières, maar het was tenminste correctief. Maar de Eerste Kamer wilde de kiezers dit democratische recht niet ‘geven’. Geven? Nota bene, wat een arrogantie.

Volksvertegenwoordigers ontlenen hun legitimatie aan hun verkiezing door de kiezers. Alles wat zij zijn, zijn zij door de aanstelling door het volk. De kiezers zijn dus de opdrachtgever van de volksvertegen­woordigers. Het woord vertegenwoordigers zegt het al: de kiezers zijn de baas. Hoe haalt een vertegenwoordiger het in zijn hoofd zijn opdrachtgever het recht te ontzeggen hem instructies te geven?

3. Soevereiniteitsoverdracht

Datum: 18 februari 2017

Het gaat om de Tweede Kamer, toch wel de belangrijkste volksvertegenwoordiging in Nederland. De Tweede Kamer vertegenwoordigt het Nederlandse volk en controleert de regering.

Ons land is echter in 1957 toegetreden tot de Europese Gemeenschap (latere naam: Europese Unie). Een belangrijk punt daarvan is dat bevoegdheden van de lidstaten op Brussel overgaan. Stap voor stap werd steeds meer wetgeving in Brussel gemaakt en hoefden de ambtenaren in Den Haag die alleen maar netjes over te nemen. De nationale parlementen zoals de Tweede Kamer hadden eigenlijk steeds minder te doen. Tegenwoordig komt zelfs verreweg de meeste wetgeving uit Brussel. De media hebben dat niet goed door; ze hebben veel meer aandacht voor het nationale parlement dan voor het Europese. Ook zijn de ministers veel en vaak in Brussel om belangrijke zaken te doen, zonder dat de nationale media het merken.

Vindt u het vreemd dat de Tweede Kamer en de regering zo vlotjes bevoegdheden afstaan? Ik wel. Sinds mensenheugenis streven alle machthebbers ernaar hun macht te vergroten. Waarom in EU-verband opeens niet meer? Misschien heeft een van de lezers van deze column een idee. Ik hoor het graag.

Vindt u het vreemd dat de beloning van onze parlementariërs met sprongen omhoogging toen ze de verzorgingsstaat gingen opbouwen en hun werk dus belangrijker en verantwoordelijker werd? Nee, daar is wel iets voor te zeggen. Maar vreemd is wel dat de beloning niet weer daalde toen ze bevoegdheden aan Brussel gingen overdragen.


2. De kartelpolitiek

Datum: 11 februari 2017 

Hoe komt iemand op de kieslijst voor de Tweede Kamer, en nog wel op een verkiesbare plaats? Moet hij/zij er leuk uitzien? Kunnen presenteren? Ruime maatschappelijke ervaring hebben? Verstand hebben van het landsbestuur? Kennis van de Grondwet? Goed contact hebben met een belangrijke kiezersgroep? Is er een examen?

Het is het raadsel van de parlementaire democratie. De politicologie heeft allerlei hypotheses bedacht en onderzocht. Het gaat toch om de zetels waar de agenda van het land gemaakt wordt en waar vele belangrijke beslissingen worden genomen.

Een belangrijke eigenschap waarmee je je kwalificeert om op de kieslijst te komen, is dat je er de vorige keer ook op stond. Goede prestaties als fractie-assistent of als gemeenteraadslid in Amsterdam helpen ook. Je moet een beetje kneedbaar zijn – netjes volgens de partijlijn lopen. Je hoort dan tot de vriendengroep en bent geen bedreiging voor de anderen die een plaatsje op de kieslijst willen. In het verleden behaalde voorkeursstemmen vormen geen grote factor.

Als je in de Kamer bent gekomen, is het verstandig meteen aan een exit-strategie te werken. En als je opnieuw verkozen bent helemaal. Want de collega’s vinden mensen met echt veel parlementaire ervaring ongewenst. Het is gezelliger allemaal even enthousiast en goedgelovig te zijn. Kijk dus actief rond naar een achterban waar een leuke vervolgbaan uit zou kunnen voortkomen. Cultiveer je contacten.

Kiezer, sorry voor deze realistische uiteenzetting, u kunt hier natuurlijk weinig mee. U krijgt op 15 maart een lijst met namen voorgeschoteld zonder enige achtergrondinformatie over de mensen waaruit u mag kiezen. Er staan alleen voorletters en een woonplaats. Die achtergrondinformatie had u eerder zelf maar moeten opzoeken. Waar? Hoe? Ik weet het niet.


1. Op 15 maart mogen we naar de kiekebus

Datum: 8 februari 2017

De keus is beperkt: We mogen één partij kiezen, uit het assortiment politieke partijen dat de Kiesraad heeft toegelaten. En vervolgens mogen we bij die partij één kandidaat kiezen uit de lijst die deze partij ons voortovert.

Waarom loopt het landsbestuur via politieke partijen? Dat heeft de heersende klasse in de negentiende eeuw zo in elkaar gestoken. En de heersende klasse van nu timmert het systeem via de Kieswet jaar in jaar uit verder dicht. Probeer maar eens een nieuwe partij op te richten en er aandacht voor te krijgen in de media.

En binnen de afzonderlijke politieke partijen: hoe gaat het daar? Heeft u wel eens geprobeerd binnen ‘uw’ partij een eigen kandidaat op de kieslijst geplaatst te krijgen: een ervaren integer persoon misschien zelfs? Vermoedelijk heeft u gemerkt dat uw partij een stevig bastion was. Vermoedelijk was er een leidend groepje van mensen dat al lang wist wat goed is voor u. Zo’n groepje houdt niet zo van eigen initiatief van de leden.

De Staat heeft in ons land alles minutieus geregeld, maar regels hoe een partij hoort te functioneren zijn er nooit gekomen. De leidende groepjes van de diverse partijen zijn het namelijk over één ding steeds eens geweest: zij willen de vrije hand in hun jachtgebied, dus geen regels voor het partijwezen. Terwijl de politieke partij toch geldt als de draaischijf van de democratie.

Onder invloed van die leidende groepjes zegt ook onze Grondwet niets over politieke partijen. Juridisch gesproken zijn de politieke partijen dus indringers in onze democratie. Maar in de praktijk zijn ze wel oppermachtig.

Ik wens u wijsheid op 15 maart, want u heeft haast niets te kiezen.

Posted on

De harde tucht van de strafwet en het cultuurgoed dat we moeten verdedigen

Kanttekeningen door Paul Cliteur, als getuige-deskundige gemaakt tijdens het proces tegen G. Wilders op 3 november 2016, ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank Schiphol te Badhoevedorp.

Dames en heren, geachte leden van de Arrondissementsrechtbank en geachte leden van het Arrondissementsparket Den Haag!

De juridische vraag die in het Wildersproces-II voorligt, is of in het Nederlandse recht een wet te vinden is die het strafbaar maakt dat iemand publiekelijk uitspreekt dat hij minder, minder, minder mensen van een bepaalde nationaliteit in Nederland of in Den Haag wenst.

Dus stel dat iemand zegt: “Ik vraag aan jullie: willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Amerikanen?” Of meer of minder Syriërs? Of meer of minder Fransen? Of meer of minder Ghanezen?

Naar mijn overtuiging is in het Nederlandse recht geen wettelijke bepaling te vinden die dit verbiedt en sanctioneert.

Artikelen die in dit verband vaak worden genoemd, naar mijn smaak ten onrechte, zijn de artikelen over groepsbelediging (art. 137c Sr.) en over aanzetten tot haat (art. 137d Sr.). Maar ik kan niet inzien dat dit een valide grond oplevert iemand te bestraffen die mensen van een bepaalde nationaliteit uit Nederland of Den Haag zou willen weren.

De reden voor het standpunt dat ik hier inneem, is dat de genoemde artikelen een uitdrukkelijke beperking opvoeren voor hun toepasbaarheid. Ze zijn namelijk alleen toepasbaar wanneer de uitspraken iets te maken hebben met een van de volgende vijf punten:

  1. Ras
  2. Godsdienst
  3. Seksuele voorkeur
  4. Handicap
  5. Geslacht (alleen voor art. 137d Sr.)

Nationaliteit wordt hierbij niet genoemd. En daaruit moeten we afleiden dat de Nederlandse wetgever ervoor gekozen heeft opmerkingen over nationaliteit niet strafbaar te maken (in tegenstelling tot de Franse wetgever bijvoorbeeld, die opmerkingen over nationaliteit wél strafbaar heeft verklaard).

Extensieve interpretatie
De enige reden die kan worden aangevoerd om de opmerkingen van dhr. Wilders die verwijzen naar een nationaliteit, wél onder de genoemde strafwettelijke bepalingen te laten vallen, is een van de vijf genoemde punten zodanig extensief (“breder”) te interpreteren dat daar ook nationaliteit onder wordt gebracht. En dan zal weer duidelijk zijn dat de meest gerede categorie “ras” is. Men zal dus moeten betogen dat Marokkanen een “ras” vormen.

Er zijn vele argumenten die zich tegen een dergelijke extensieve interpretatie verzetten. Het meest voor de hand liggende argument is dat de aard van de werkelijkheid zich daartegen verzet: een nationaliteit is geen ras. Maar afgezien daarvan, er zijn ook meer morele en politieke argumenten tegen aan te voeren. Laat ik er vier noemen.

Verstandige racismebestrijding
Het eerste argument is dat het geheel tegengesteld is aan het ideaal van een verstandige bestrijding van racisme. Verstandige racismebestrijding houdt in dat alleen “echt racisme” moet worden bestreden onder die noemer. Wie zegt dat hij minder Amerikanen in Nederland wil, is wellicht anti-Amerikaans, maar geen racist. En wat voor Amerikanen geldt, geldt ook voor Marokkanen, Fransen, Polen en Syriërs.

Wie de welvaart van Europa niet wil delen met Syrische vluchtelingen, is misschien hardvochtig of niet solidair, maar is geen racist.

Rechtsstaat
Een tweede reden om de strafwet niet naar analogie te gaan toepassen op iets dat daar strikt genomen niet onder valt, is dat de strafwet dient te functioneren onder het legaliteitsbeginsel. Burgers mogen verwachten dat zij niet worden gestraft door de overheid, tenzij die overheid duidelijk kan maken dat er een bepaling is die dat rechtvaardigt. Dit mag je ook het “beginsel van de rechtsstaat” noemen. Of het “beginsel van de rechtszekerheid”.

Democratie
Een derde problematisch punt is dat het hier de vervolging van een politicus betreft. En dat is een hele bijzondere situatie, want in een democratie moeten politici een grote vrijheid hebben om beleidsalternatieven af te wegen. Zij moeten nadrukkelijk ook kwesties aan de orde kunnen stellen die te maken hebben met selectiecriteria voor een beperking van de migratie.

Vrijheid van expressie
Als vierde en laatste punt zou ik willen wijzen op de grote betekenis van de vrijheid van expressie. Die vrijheid omvat volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg niet alleen de vrijheid om opvattingen te huldigen waar iedereen het mee eens is, maar ook – en ik zou willen toevoegen: vooral – meningen die “offend, shock or disturb”, zoals het Hof aangaf in de Handyside-zaak uit 1976.

In het bijzonder in een tijd, waarin die vrijheid van expressie tot voorwerp is geworden van wat ik noem “theoterroristische aanslagen” – ik verwijs naar de moord op Theo van Gogh in 2004, naar de moord op de redactie van Charlie Hebdo uit 2015, naar de dreiging jegens dhr. Wilders zelf – is die vrijheid van expressie een cultuurgoed dat we moeten koesteren.

Paul Cliteur is de schrijver van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, dat op 14 november 2016 verscheen. Hierin vergelijkt hij de processen tegen Brigitte Bardot, Oriana Fallaci, Michel Houellebecq en Geert Wilders op basis van vreemdelingenvrees.