Category Archives: Essays
Marcel Bas Marcel Bas

Decemberessay ~ Zwarte Piet is niet racistisch

Een blik in onze geschiedenis en folklore Elk jaar maakt een klein aantal mensen op steeds tendentieuzere wijze bezwaar tegen het gebruik van Zwarte Piet bij de sinterklaasviering. Daarbij bedienen zij zich van moderne, op rassen en slavernij gebrande argumenten. Sinds oktober 2013 ontaardt deze vorm van bezwaar maken jaarlijks in ordinair etnisch moddergooien over en weer. Vooral mensen van veelal West-Indische komaf stellen dat het Zwarte Piet-gebruik mensen kwetst, dat het een herinnering aan het kolonialisme zou zijn, en dat Zwarte Piet moet verdwijnen of moet worden aangepast. Drie kwart van de bevolking is echter tegen aanpassing en roept dat het hier om een kinderfeest gaat dat men met rust moet laten. Helaas raken in deze discussie de veel diepere, oudere lagen van Zwarte Piet onderbelicht. Die leren ons dat Zwarte Piet niet uit het kolonialisme of de slavernij voortkomt. Een blik in onze folklore schetst een heel ander beeld van Piet. "Racistisch" Kinderen zijn gek op Zwarte Piet. Hij geeft hun cadeautjes, haalt streken uit, is de gangmaker, hij draagt zeventiende-eeuwse kleren met een eveneens niet-eigentijdse molensteenkraag en heeft een struisvogelveer in zijn hoed. Maar er is een probleem: zijn gezicht is pikzwart, hij heeft rode lippenstift op, zwarte krulharen, gouden oorringen in, en – dat maakt het misschien nog erger – zijn baas is een rijzige, blanke, wijze heilige met een rood bisschopsgewaad aan. De heilige is tevens getooid met een mijter en hij draagt een prachtige, golvende witte baard en heeft witte haren die tot op zijn schouders hangen. "Dat is racistisch!", roepen de critici, wier bet-betovergrootouders vaak slaven waren. Volgens hen wordt Zwarte Piet ten opzichte van Sinterklaas uitgebeeld als een "stereotypische, domme neger". Zijn rode lippen, oorringen en vaak amusant gedrag zouden racistische vooroordelen ten aanzien van negers bevestigen. De critici zien nu eenmaal enkel een neger in Piet, stellen voorts dat Zwarte Piet rechtstreeks uit de slavernijperiode vandaan zou komen en dat nu de tijd zou zijn aangebroken waarop wij deze akelige, levende herinnering aan die tijd afschaffen. Miljoenen argeloze Nederlanders en Belgen, die al generaties lang met Zwarte Piet zijn opgegroeid en van wie duizenden mannen én vrouwen Zwarte Piet vertolken, krijgen nu te horen van mensen van veelal uitheemse herkomst dat zij met terugwerkende kracht racisten zijn omdat zij al die tijd racisme in de hand hebben gewerkt. Dat is nogal wat, en weinig mensen weten dan ook hoe ze daar nu op moeten reageren. "Zwarte Piet is alleen maar zwart omdat hij door de schoorsteen moest glijden om de cadeautjes te komen brengen", werpt men dan tegen. “Oh ja? En waarom zijn zijn kleren dan niet zwart?”, roepen de critici terug. Of men gaat een eind mee in het slavernijverhaal en werpt tegen dat Zwarte Piet een door Sinterklaas vrijgekochte Moor was. Sint Nicolaas als abolitionist: wie had dat ooit gedacht? En inhoudelijker wordt de discussie over Zwarte Piet niet. Die draait verder om gekwetsten en zij die kwetsen. John Helsloot en Andrée van Es De grondslagen van deze ‘discussie’ zijn in 2011 en 2012 gelegd door wat ik noem ‘negentiende-eeuwers’: mensen die zich in de zoektocht naar de wortelen van Zwarte Piet vooral op geschreven bronnen uit de negentiende eeuw richten. Een bij critici graag geziene volkskundige van het Meertens Instituut, John Helsloot, kon zich al in 2011 goed in deze kritiek en oproepen tot afschaffing vinden. De volkskundige verklaarde toen dat Zwarte Piet een recent en "in essentie racistisch fenomeen" is. Helsloot heeft immers negentiende-eeuwse Amsterdamse bronnen gevonden voor een "Neger" aan de zijde van Sinterklaas in 1868 (de bron hiervoor is een optekening van Jef de Jager), van een zwarte knecht uit 1850 (de bron hiervoor is de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman) en van een 'kroesharige neger' uit 1828 (hiervoor zijn de bronnen de jeugdherinneringen van Alberdingk Thijm). Voor sommige welvarende negentiende-eeuwse Amsterdamse kooplieden was het hebben van een zwarte bediende een statussymbool. "Het heeft dus niets te maken met een schoorsteen", aldus Helsloots verklaring voor het zwarte gelaat van Piet, zoals uitgesproken tijdens een bijeenkomst van de actiegroep 'Zwart van Roet' in 2011. De schoorsteenverklaring noemt hij dan ook een "onnadenkend verhaal" (zie de webstek van Zwart van Roet). Helsloots bronnen, en dan met name het kinderboek van Schenkman uit 1850, worden dan ook overal aangehaald en aangevoerd als bewijs voor dit "recente, racistische fenomeen", zoals Helsloot Zwarte Piet noemt. In de Zwarte Piet-kritische internetartikelen die op deze uitspraak volgden was het dan ook Schenkman voor en Schenkman na. De schoorsteenmythe is immers ontkracht, en met Schenkman is bewezen dat Piet een negentiende-eeuwse, ondergeschikte neger was. Helsloot stelde bij Zwart van Roet in 2011 dan ook voor om het gelaat van Piet voortaan te besmeren met 'slechts een paar roetvegen op de witte huid'. Daarop beweerde (of herhaalde) de Amsterdamse GroenLinks-wethouder Andrée van Es een jaar later, in 2012, dat Piet iets recents en racistisch is, en zal moeten verdwijnen. Ook zij stelt "een paar roetvegen" op het gelaat voor. Ook elders in het actiewezen zijn roetvegen als schappelijk alternatief voor de zwarte Zwarte Piet aangevoerd. En daar hebben we de roetveeg- of schoorsteenpiet van anno 2016. Laat ons kort de kritiek samenvatten: Zwarte Piet is slechts negentiende-eeuws; sterker nog, hij is een negentiende-eeuwse zwarte slaaf; Sinterklaas is zijn baas, en door deze hiërarchie, gecombineerd met zijn gedrag, beantwoordt Zwarte Piet aan negatieve stereotypen ten aanzien van zwarten. Ergo, de zwarte Zwarte Piet moet verdwijnen. Wat zeggen de volkskundige bronnen? Ik lees graag boeken over volkskunde en mij was het altijd duidelijk dat Zwarte Piet niet racistisch of recent is. Voor mijn boek Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend? heb ik literatuuronderzoek verricht en eenvoudig te vinden bronnen geraadpleegd die Sinterklaas noemen (o.a. Schrijnen [1915], Schwabe [1969], De Benoist [1996], Van der Ven [jaar onbekend – ik schat 1939], Van de Graft [1978], Grolman [1931] en Farwerck [1970]). Deze boeken beschrijven, naast Nederland en België, ook allerlei andere plekken in West- en Centraal-Europa waar donkere en zwart geschminkte figuren aan de zijde van verscheidene sinterklaastypes te vinden zijn. Zij zijn sinterklaasbegeleiders die soms op een duivel lijken, dan zijn het in Duitsland weer geheimzinnige, duistere mannen met donkere baarden en bruine puntmutspakken die uitgebeeld worden. Weer andere zwart geschminkte sinterklaasbegeleiders dragen dierenhuiden, hoorns en kettingen. Soms is de sinterklaas versmolten met deze wilde boemannen, of ontbreekt hij gewoon. In het huidige Nederland en België zijn de verschijningsvormen van Sinterklaas en Zwarte Piet nogal eenvormig geworden: de bisschop met zwarte begeleiders is thans de officiële, genationaliseerde vorm. Niettemin wordt dit volksgebruik bij de zogeheten nicolaasmaskerades ingedeeld. Vroeger waren er allerhande soorten nicolaasmaskerades te vinden in Nederland en België. Er waren Zwarte Sinterklazen op de Veluwe, er was Sinterklaoskerl in wieve-goed (een onherkenbaar zwart geschminkte travestiefiguur die op speelse wijze vrouwen lastigviel), in het oosten van Nederland en op de Waddeneilanden vinden we nog steeds vreemd uitgedoste Klozems en Sundrums, die soms nog zwarte gezichten hebben. In Friesland waren er nog onlangs Sintroms gehuld in witte lakens met zwarte Pieters aan hun zijden. Volgens de door mij geraadpleegde bronnen (waaronder Van de Graft, 1978) waren er ook zwart geschminkte Sunderklazen die in de zestiende, zeventiende en negentiende eeuw de Amsterdamse buurten terroriseerden, op zoek naar stoute kinderen. Verder melden de bovengenoemde bronnen dat die donker bebaarde sinterklaasbegeleider in Duitsland Knecht Ruprecht heet. In de Franse Elzas heet hij Hans Trapp; in Luxemburg word hij Houseker genoemd; in Zwitserland is hij weer pikzwart en wordt hij Schmutzli genoemd. Hij praat gebrekkig, net als onze Zwarte Piet eertijds. Schmutzli draagt een plunjezak en een roe, net als Zwarte Piet en Knecht Ruprecht dat doen of deden. In Oostenrijk zijn Krampus en Percht niet altijd zwart en dragen ze vaak een mand in plaats van een zak, waar stoute kindertjes in gegooid worden, en jagen ze met hun duivelse uiterlijk jonge mensen op. Elders duiken bij Sint-Maarten (11 November) ook zwarte mannen op. Farwerck (1970) zegt daarover: "In Götzens in Tirol wordt op sint-maartensavond met koe- en geitenbellen geraas gemaakt en in Wörgl en in het Beneden-Inndal lopen schrikwekkend gekostumeerden met lange halzen en horens op het hoofd, met bellen behangen en met zwartgemaakte gezichten rond. Ieder, die zij te pakken krijgen, wordt met roet ingesmeerd. Wij hebben hier weder aanduidingen, die wijzen op een dodencultus. De zwartgemaakte gezichten leggen verband met de donkere onderwereld en de bellen met Wodans Wilde Heir, waarover ook gezegd wordt dat het met gebrul en belgerinkel door de lucht trekt." Op andere plekken in winters Europa jagen gemaskerde jonge mannen met roeden andere jongeren (vooral meisjes) op, om hun al petsend vruchtbaarheid te brengen. Bij weer andere wintergebruiken, zonder een sinterklaas, klappen gemaskerde jonge mannen met zwepen terwijl zij over akkers lopen; zo brengen zij vruchtbaarheid, aldus het volksgeloof. In oude culturen staat de dood in verbinding met nieuw leven. Zonder dood is er geen leven. Volgens de bronnen duiden deze gebruiken op een heidens bezinksel. De wortels van Zwarte Piet en van veel andere soortgelijke gebruiken gaan terug op een Germaans oergebruik. Het volksgeloof stelt dat Sinterklaas op zijn schimmel over de daken kan vliegen; Sinterklaas is een rijzige figuur; heeft een lange, witte baard; Sinterklaas en Piet komen 's nachts door de schoorsteen bij de mensen op bezoek; bij de open haard leggen de mensen wat voer neer voor de schimmel, gedurende zijn nachtelijke bezoek. En Piet maakt geraas, lawaai, klopt op de deuren, en vooral vroeger mepte hij stoute kinderen met de roe en maakte hij velen bang met zijn kwajongensstreken. Sinterklaas en Zwarte Piet zijn overblijfselen van de oude, voorchristelijke Germaanse Wodancultus van onze voorouders. Lang geleden waren noten en de roe vruchtbaarheidssymbolen. En groepjes mannen – in de literatuur vaak mannenbonden genoemd – bootsten Wodan en zijn Wilde Heir (Wilde Leger, Wilde Jacht) na om nader tot hen te komen. Zij stonden in hoog aanzien en bekleedden militair-religieuze rollen. Maar omdat zij in contact stonden met het Dodenrijk – dat in staat was nieuw leven op te wekken – konden zij ook nieuw leven doorgeven door jongeren met de roe te slaan (zo bezien is de roe dus een kindvriendelijk symbool, omdat hij tot geboorten leidt!). Aan het hoofd van voornoemde Wilde Heir, waar de mannenbonden spiritueel mee in contact konden komen, stond de aanvoerder Wodan. Het Wilde Heir bestond uit gesneuvelde strijders die zwarte gezichten hadden omdat zij afkomstig waren uit de Onderwereld. Het was dankzij die zegeningen van Wodan dat de mannen vruchtbaarheid en voorspoed over hun gemeenschap konden afroepen. Sinterklaas is Wodan en de zwarte pieten zijn oorspronkelijk gesneuvelde krijgers uit de Onderwereld, of nabootsingen daarvan. De Kerk probeerde in de Middeleeuwen de heilige Nicolaas (en elders Sint-Maarten) op de plek van Wodan als aanvoerder van het hemelse Wilde Heir te plaatsen. Het bleek een hardnekkig geloof: de schimmel en de zwarte mannen konden ze niet op een christelijke manier wegwerken. Dus kregen de zwarte mannen de identiteit van de duivel, die ook als Piet of Pieter bekend stond. Net als Sinterklaas vloog Wodan op zijn schimmel over de daken; ook Wodan was statig; ook hij had een lange, witte baard; de schoorsteen was voor het huis de verbinding met de andere wereld en Wodan en diens gesneuvelden konden zo 's nachts bij de mensen voedsel en offers komen halen. De nabootsers van het Wilde Heir werden ook door giften onderhouden, en evenals het Wilde Heir maakten zij geraas, stalen zij dingen (dat recht hadden zij), ontvoerden zij jongeren die zij bij zich inwijdden (hieruit zou volgens sommigen de dreiging, dat stoute kinderen in de zak worden meegevoerd, herinneren), en straften zij stamleden of brachten hun vruchtbaarheid (dit paste naadloos in het oude christelijke gebruik waarbij trouwlustigen en mensen met een kinderwens Sint Nicolaas om voorspraak vragen). De gezichten der nabootsers waren meestal ook zwart gemaakt, met roet, zoals dat een onderwereldfiguur betaamde. Indien de huidige vormen van deze Europese volksgebruiken een gemeenschappelijke oorsprong hebben – en dat is volgens de genoemde volkskundigen dan ook evident – is het zeer waarschijnlijk dat de oorspronkelijke Sinterklaasbegeleiders er niet zo negroïde uitzagen als de Nederlandse Afro-Piet. Daarnaast hebben ze wel weer veel met elkaar gemeen. Zij dragen vaak een roe; zij zijn vaak zwart of donker geschminkt; net als Sinterklaas rijden ze vaak op een schimmel; ze dragen een zak; ze gooien vruchten en noten (in Nederland snoep en pepernoten); ze brengen geschenken en maken jonge mensen bang. Het is zeer aannemelijk dat onze Zwarte Piet en deze begeleiders gemeenschappelijke, roe- en zakdragende voorouders hebben, en dat Zwarte Piet derhalve als zwarte, roe- en zakdragende sinterklaasbegeleider zeer, zeer oud is. Voorafgaand en tijdens het ontstaan van Zwarte Piet waren er in Amsterdam (de thuisbasis van onze Afro-Piet) mannen met zwartgemaakte gezichten – zwarte klazen – die met de roe in de hand op Sinterklaasavond hun opwachting maakten en op zoek waren naar stoute kinderen. Het is buitengewoon aannemelijk dat Zwarte Piet hieruit voortkomt om later door een beschaafdere Sint Nicolaas vergezeld te worden. Piets enigszins negroïde uiterlijk is dus slechts een moderne buitenlaag. Veel ouder dan de slaventijd en geen Moor Zijn de zwarte pieten dus negentiende-eeuws? Onder andere. Zij zijn ook veertiende-eeuws, tiende-eeuws, vijfde-eeuws ... En de kritiek dan, die zegt dat Zwarte Piet een negentiende-eeuwse slaaf uit Afrika is? Die is onzinnig. Die zegt meer over de critici dan over de geschiedenis. Want we hebben gezien dat de hiërarchische verhouding van de Klaas ten opzichte van de zwarte begeleider allerminst is ingegeven door racisme of blank baasschap. Dat tonen de vele vergelijkbare volksgebruiken elders in Europa, en de geschiedenis van de Wilde Jacht, waarin de sinterklaasbegeleiders allen op geheel eigen wijze zwart gekleurd zijn. Die geschiedenis van de Wilde Jacht is daarenboven geheel en al prekoloniaal, en elke verwijzing naar de slavernij is dus op z'n minst een anachronistische exercitie. We moeten niet vergeten dat deze kritiek erg modern is. Maar de Afrikaanse verschijning van Zwarte Piet is eveneens modern. De naam van Piet, de door de Kerk gedemoniseerde onderwereldfiguur, is de Middeleeuwse naam voor de duivel. Bleef men elders in Europa Piet met de duivel vergelijken, in Nederland kreeg hij halverwege de negentiende eeuw dit tropische uiterlijk. Dat was te wijten aan het onvermogen van de negentiende-eeuwse mensen om deze zwarte schim, afkomstig van het heidense verleden, te plaatsen. Dus vergeleken ze Piet met een Moor, een voor die tijd prototypische neger, dus geen stereotypische neger zoals nu wordt beweerd. Moorse prototypen zouden, al dan niet in zeventiende-eeuwse pagekleren gestoken, op veel plaatsen afgebeeld worden in boeken en op winkels (denk bijvoorbeeld aan de tulband- of wrongdragende gapers op de gevels van oudere drogisterijen – ook vaak afgebeeld met oorringen). Het Morenverhaal waarbij Sint Nicolaas optreedt als de heilige die tot slaaf gemaakte Moren zou hebben opgekocht en bevrijd is, net als de schoorsteenmythe, een hineininterpretierte versie van de hagiografie van de Goedheiligman. Luidens zijn heiligenleven heeft de Sint ongehuwde meisjes gered van een prostitutieleven. Geen Moren. Het Morenverhaal doet het goed doet in onze door vrees om te discrimineren bevangen tijd, maar is niet relevant voor de oorsprong en het wezen van Zwarte Piet. Exit de bevrijde Moor. Een van de duivelse restanten die Zwarte Piet tot in de twintigste eeuw behouden had, was zijn ketting. Die vind je bij oudere, prekoloniale sinterklaasfiguren zoals in Amsterdam, je vond die op het Nederlandse platteland en tegenwoordig nog bij veel sinterklaasbegeleiders elders in Europa. Er wordt dan druk met de kettingen gerammeld, want de wilde boemannen moeten lawaai maken. Hans Trapp in de Elzas draagt een ketting, Père Fouettard in Noord-Frankrijk draagt er een. En de eerder genoemde, duistere Knecht Ruprecht in Duitsland draagt naast de roe en de zak vaak een ketting. Maar het zal u niet verbazen dat die ketting door de Zwarte Piet-tegenstanders van het hedendaagse Nederland wordt toegeschreven aan ... jawel, de slavernij. Deze zich op rassendiscriminatie concentrerende critici hebben soms ook – oppervlakkig – kennis genomen van deze duivelse laag van Zwarte Piet. Deze roepen dat deze vergelijking met de duivel aantoont hoe men over negers denkt. Anathema; de getergde negerfiguur zou nu ook nog de naam van de duivel opgeplakt hebben gekregen! De bovenstaande geschiedenis tone echter aan dat zulke critici de chronologie van de lagen niet op orde hebben: de naam Piet voor de duivel en voor de voorloper van de huidige Zwarte Piet bestond al. Het zwartgeblakerde gezicht bestond ook al, en daaraan werd het Moorse uiterlijk pas in de negentiende eeuw toegevoegd, en uiteindelijk in 1850 door Schenkman opgetekend. Dergelijke critici maken stuk voor stuk gebruik van typisch moderne argumenten. Modern, maar onjuist en getuigend van gebrekkige informatie. De ontbrekende informatie is echter eenvoudig te vinden in de Nederlandse en Europese folklore en geschiedenis. Zwarte Piet is geen Blackface Nóg moderner is de stelling van de critici dat Zwarte Piet hen aan Blackface doet denken. Blackface? Blackface was een Amerikaanse, door blanken opgevoerde karikatuur van een zwarte katoenplukker of andersoortig zwarte volksfiguur. Een blanke zanger schminkte zijn gelaat dan zwart – behalve de huid rond zijn mond, om te bewijzen dat hij eigenlijk blank was – en zong dan negerliedjes en speelde zijn rol. Dit leidde tot komisch vermaak op de voor blanken gereserveerde podia in het Zuiden van de Verenigde Staten. Negers mochten niet in die theaters komen; zwart geschminkte blanken wel. Hebben wij hier, zoals in de VS, opgelegde rassensegregatie gekend? Neen. Blackface is een onlosmakelijk deel van het Amerikaanse collectieve geweten. Hier, in de Lage Landen, is Blackface ons echter wezensvreemd. Zulke Amerikaanse folklore komt meestal via Amerikaanse films tot ons, maar zal niet aanslaan. Daar is het misschien te specifiek Amerikaans voor. Zwarte Piet en Blackface zijn hoogstwaarschijnlijk gevallen van convergente maar onderling niet-verwante ontwikkelingen, uitgebeeld met geheel divergerende intenties en in het bezit van sterk divergerende geschiedenissen. En zo veel lijken ze niet op elkaar: Blackface heeft kroeshaar, maar Zwarte Piet heeft krullen; Blackface heeft niets om de lippen, maar Zwarte Piet is daar gewoon geschminkt; Blackface heeft geen oorringen in, maar Zwarte Piet wel; Blackface draagt een vrij modern pak, Zwarte Piet een zeventiende-eeuws pagepak. De enige overeenkomst is dat ze door blanken uitgebeeld worden, en dat is natuurlijk 'fout'. De meeste Nederlanders hebben echter nog nooit van Blackface gehoord. Gelukkig maar, want de vergelijking met een figuur uit de Amerikaanse segregatie- en slavernijgeschiedenis zou Zwarte Piet onnodig stigmatiseren (en stigmatisering is precies wat de tegenstanders beogen – het gaat tegenwoordig immers vooral om beeldvorming in plaats van feiten). Het erbij halen van Blackface in de Zwarte Pietendiscussie is dus een staaltje van het opvoeren van een verzonnen herinnering. Kortom, letterlijk een vergezocht argument. Roetvegen? Niet doen In plaats van dat deskundigen deze moderne, on-Europese kritiek pareren aan de hand van feiten, en in plaats van dat zij vervolgens consequent verkondigen dat Zwarte Piet geen stereotypische, slaafse neger is, gaan zij een heel eind mee in de kritiek door met die 'roetvegen op de witte huid' op de proppen te komen. Want stelt het volksgeloof immers niet dat Zwarte Piet zwart is geworden door zijn gang door de schoorsteen? Hé, dat is vreemd: hadden John Helsloot c.s. niet eerst 'bewezen' dat Zwarte Piet juist niet vanwege de schoorsteen zwart is geworden? Daarmee hadden zij het toch aannemelijk gemaakt dat het hier om een rassenkwestie zou gaan? Toch hebben zij dan, met de roet-vegen, gekozen voor het in stand houden van het 'onnadenkend verhaal' van de schoorsteenmythe. Dat noem ik nu eens creatief omgaan met het volk. Maar ook het volgende is een beetje raar: 'roetvegen op de witte huid'. Zijn alle pietvertolkers dan 'wit' (blank)? Het zou pas racistisch zijn als we er maar van zouden uitgaan dat pietvertolkers niet bruin zouden kunnen zijn. Mensen worden dan immers 'uitgesloten', zoals dat tegenwoordig heet. Nee, lang niet alle pietvertolkers zijn 'wit'. Kijk eens op Aruba, waar zwart geschminkte, negroïde mensen al sinds jaar en dag, elk jaar, Zwarte Piet vertolken. Ik ken een Indische Zwarte Pietvertolker die geen 'witte huid' heeft, en hij vindt die roetvegenoplossing maar niks. Hij vindt de hele discussie ook maar niks, maar dat terzijde. Wat zeker is, is dat de roetvegen tot gevolg zullen hebben dat de eeuwenoude nicolaasmaskerade opgedoekt zou worden, omdat de pietvertolkers, die enkel wat van die vegen op mogen hebben, op straat, op school, bij pappa op kantoor herkend zouden worden. En de juf van groep 8 zou ook ontmaskerd zijn. Eeuwig jammer zou dat zijn! En zinloos. Een helemaal zwartgemaakt gelaat is dus gewoon goed. Houden zo. Aan die politiek-correcte 'roetvegen' kleven dus praktische bezwaren, maar vooral geschiedkundige, traditionele bezwaren. We hebben namelijk gezien dat de vooronderstelling dat Zwarte Piet 'zwart van de schoorsteen is' historisch onhoudbaar is, vanwege zijn identiteit die haar wortels heeft in de Germaanse midwintergebruiken waar deelnemers al vele, vele eeuwen lang geheel zwarte gelaten hebben. Roetvegen? Niet doen. Rassenreductionistische kritiek De kritiek op Piet is weliswaar modern, maar de argumenten tegen hem zijn bekrompen, oppervlakkig, rassenreductionistisch en getuigen van postkoloniale frustraties en moderne overgevoeligheid. Ze wijst op een zeer beperkte kennis van de geschiedenis, en wat mij betreft op een fanatieke denkwijze die een vergroot rasbewustzijn verraadt. Het is waar dat Zwarte Piet niet zwart is van de schoorsteen. Maar, zoals we gezien hebben, is het evenmin zo dat zijn ondergeschiktheid aan Sinterklaas is ingegeven door racisme. Verder: slechts zwarte roetvegen op het gezicht van Zwarte Piet zijn een slechte oplossing voor dit beweerde racisme; de Zwarte Pietvertolkers zouden herkenbaar zijn en de hele, eeuwenoude Nicolaasmaskerade zou opgedoekt zijn. Bovendien zou voor het eerst in de geschiedenis het zwarte roetgezicht worden afgeschaft. Dat zou erg jammer zijn. Ik vraag me werkelijk af waarom zo veel mensen, inclusief geschiedkundigen, neerlandici, volkskundigen en andere negentiende-eeuwers, zúlke radicale, rassenreductionistische suggesties doen. Veel critici willen niet dat Piet zomaar verdwijnt: zonder Piet aan zijn zij zou Sinterklaas tegenwoordig een serieuze, ietwat naïeve grijsaard verloren zijn. En kinderen zouden hun lievelingsfiguur verliezen. Sedert de zestiger jaren slaat hij hen niet meer met de roe en is hij steeds mondiger geworden. Hij lijkt in niets meer op de onderdanige neger – laat staan de slaaf! – die tegenstanders in hem wensen te zien. Conclusie Zwarte Piet, zoals hij thans door de overgrote meerderheid der Sinterklaasverenigingen, intochtcommissies en particulieren vertolkt wordt, hoeft dus niet veranderd te worden. Echter, het zijn de reclamebureaus die van Zwarte Piet vaak een overdreven negerachtige clown maken. Zij zouden hem met minder (overdreven) negroïde uiterlijkheden moeten afbeelden: niet meer die enorme, dikke lippen, niet dat kroezend maar het krullend kapsel; en Zwarte Pietvertolkers zouden ervoor kunnen kiezen Piet geen Surinaams accent te geven (voor zover ze dit al niet doen). En Zwarte Piet moet wel zwart blijven. Pikzwart. Onnatuurlijk roetzwart! En natuurlijk niet zonder roetvegen of zelfs bruin. Bruin is bij van nature donkere en ‘zwarte’ mensen gebruikelijk, en zou de rasbehepten onder de critici alleen maar meer in de kaart spelen. Met een zwarte Zwarte Piet kunnen wij voortgaan met een traditie van vele, vele eeuwen. Laat ons dit oude feest toch vrijwaren van postkoloniaal moeilijk gedoe en het, zoals onze voorouders dat deden, als goede Nederlanders en Vlamingen aan onze kinderen overdragen. Marcel Bas Geraadpleegde boeken: Bas, Marcel (2013). Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend? Een pleidooi voor de zwarte Zwarte Piet. Soesterberg: Aspekt Benoist, Alain de (1996). Les Traditions d'Europe, Nouvelle édition révisée et augmentée. Arpajon: Éditions du Labyrinthe Farwerck, F.E. (1970). Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden. Deventer: Ankh-Hermes Graft, C. Catharina van de & Haan, Tj. W. R. de (1978). Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen. Utrecht: Prisma-boeken Grolman, H.C.A. (1931). Nederlandsche Volksgebruiken. Kalenderfeesten, naar oorsprong en beteekenis. Zutphen: W.J. Thieme & cie Schrijnen, Jos. (1915). Nederlandsche Volkskunde, eerste deel. Zutphen: W.J. Thieme & cie Schwabe, Erich (1969). Schweizer Volksbräuche. Zürich: Silva Verlag Ven, D.J. van der (jaartal onbekend). Ons eigen Volk in het Feestelijk Jaar. Kampen: J.H. Kok n.v. Geraadpleegde webstekken Helsloot, J. (2006) De oudst bekende naam van Zwarte Piet: Pieter-mê-knecht (1850). Webstek geraadpleegd op 1 december 2011. http://www.meertens.knaw.nl/cms/nl/nieuwsbriefteksten/nieuwsbriefuitgelicht/143677-de-oudst-bekende-naam-van-zwarte-piet-pieter-me-knecht-1850 Is Sinterklaas de opvolger van Wodan? Webstek van Nederlands Heidendom, geraadpleegd op 1 december 2011. Kleeschen: http://lb.wikipedia.org/wiki/Kleeschen Zwart van Roet: Debat leidt tot roep om alternatieven voor Zwarte Piet. Webstek geraadpleegd op 1 december 2011.
Robert Lemm Robert Lemm

T.E. LAWRENCE, heraut van het kalifaat

❦ Het unieke van Lawrence is dat hij een man was van zowel de pen, als het zwaard. De oude Spanjaarden kenden het ideaal van 'armas y letras'. Het was mooi als je goed kon schrijven, maar nog mooier als je ook de wapens hanteerde. Zo kennen we onder andere: Bernal Díaz del Castillo, auteur van het als meesterwerk beschouwde Ware relaas van de verovering van Nieuw Spanje, die als soldaat had meegevochten in het leger dat Mexico veroverde; of Alonso de Ercilla, dichter van het eerste Amerikaanse epos La Araucana, die had meegedaan met de onderwerping van de Chileense indianen. Maar dat was vier eeuwen geleden. Lawrence had met The Seven Pillars of Wisdom in de twintigste eeuw op het punt van armas y letras zijn gelijke niet. Wat Lawrence voor de eenentwintigste eeuw actueel maakt, is dat hij aan de wieg stond van de huidige chaos in het Midden-Oosten. Honderd jaar geleden besloten de koloniale machten Engeland en Frankrijk dat zij na de overwinning op het Osmaanse Rijk Arabië zouden verdelen, hetgeen resulteerde in een aantal mandaatgebieden die later kunstmatige staten werden. Maar de Arabieren kennen geen 'staat'. Wat ze kennen, is een geloofsgemeenschap, ofwel een kalifaat. En een kalifaat was wat de Britten de Arabieren beloofden als ze mee zouden doen met de oorlog tegen Constantinopel en haar Duitse en Oostenrijkse bondgenoten. Dat in deze hoofdstad sinds 1908 de Jong Turken de macht van de sultan (de kalief) hadden beknot, rechtvaardigde in de ogen van hun Arabische geloofsbroeders het meedoen met de oorlog aan de zijde van de ongelovige grootmachten. ❦ Lawrence fungeerde als verbindingsofficier tussen het Britse hoofdkwartier in Caïro en de emir of sheriff van Mekka, Hoessein. Tegelijk of al eerder was er vanuit de Britse kroonkolonie India contact gemaakt met de Saudi’s in het centrum van het Arabisch schiereiland, terwijl de Saudi’s de concurrenten waren van de Hasjemieten van Mekka en de oostelijke strook van het schiereiland. En zo was er niet alleen de geheime Engels-Franse overeenkomst, het zogeheten Sykes-Picotverdrag, maar ook het dubbelspel van Londen richting de Arabieren. In die wirwar moest Lawrence laveren tussen tegenstrijdige belangen. Als kenner van het gebied, de taal en de gewoonten was hij de ideale persoon om de Arabische nomaden naar Engelse zijde over te halen, maar hij was ook een romanticus die het beloofde kalifaat serieus nam. Daartoe sloot hij vriendschap met Feisal, een van de zonen van de door Londen als koning erkende Hoessein. Feisal werd officieel de leider van de Arabische Opstand. Lawrence moest vanuit Caïro zorgen voor goud, wapens en voedsel om de onderling verdeelde stammen van het schiereiland tot een leger te maken. De twee jaren dat hij tussen 1916 en eind 1918 in de woestijn, gekleed als kameelrijdende Arabier, met het leger van bedoeïenen mee optrok naar Damascus vormen de epische inhoud van zijn geschreven meesterwerk dat in 1962 werd verfilmd door David Lean met Peter O’Toole in de rol van T.E. De inname van Damascus, hoofdstad van het beloofde kalifaat, moest in de ogen van Lawrence en Feisal het Sykes-Picotverdrag doorbreken, maar die hoop bleek ijdel. Tijdens de Vredesconferentie in Parijs die een einde maakte aan de Grote of Eerste Wereldoorlog, ontdekten ze dat ze niet meer dan nuttige pionnen waren geweest op het schaakbord van de grote mogendheden met hun geopolitieke ambities. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon, en Engeland vrijwel de hele rest van wat ooit tot het Osmaanse Rijk had behoord. Gedesillusioneerd en beschaamd keerde T.E. Lawrence zijn Arabische avontuur de rug toe. Nog één keer liet hij zich door Londen inhuren om Feisal tot koning van het mandaatgebied Irak te maken. De bedoeling was dat Feisal namens zijn Britse meesters de bloedige tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in het gebied zou bezweren. Doch tevergeefs. Zijn onderdanen vonden hem te gehoorzaam aan zijn ongelovige meesters, en ook hij kwam gedesillusioneerd aan zijn einde in Zwitserland, doodziek of mogelijk vergiftigd. ❦ T.E. nam afstand van zijn heldenstatus en zijn rang als kolonel. Onderscheidingen weigerde hij, en tegenover koning George V noemde hij diens ministers 'a bunch of crooks'. Hij wilde bovendien geen Lawrence meer heten. Onder de naam Ross meldde hij zich als rekruut bij de Royal Air Force, maar toen men zijn ware identiteit ontdekte werd hij de laan uitgestuurd en dook hij onder bij een afdeling van het leger onder de naam Shaw. Over zijn ontgroening schreef hij een verslag getiteld The Mint, dat pas na zijn dood mocht verschijnen. Zijn Seven Pillars of Wisdom verscheen al tijdens zijn leven, maar het oorspronkelijke manuscript was bij het overstappen op een treinstation verloren gegaan, of mogelijk gestolen door de Britse Geheime Dienst – want er stonden voor de regering compromitterende passages in. In de jaren die volgden op zijn Arabische avontuur, ontwikkelde hij zich als schrijver. Hij las al sinds zijn vroegste jeugd de grote klassieken, en later vertaalde hij boeken uit het Frans. Zijn grootste prestatie was echter een nieuwe Engelse vertaling van de Odyssee van Homerus. Literaire perfectie behoorde tot zijn doelstellingen, en daartoe riep hij de hulp in van George Bernard Shaw met wie hij bevriend was geraakt en met wiens vrouw Charlotte hij geregeld correspondeerde. De Nederlandse vertaling van zijn meesterwerk kwam pas in 2009. Heet van de naald verscheen in 1927 de vertaling van The Arab Revolt (de populaire versie van het meesterwerk), die beperkt blijft tot enkel de gebeurtenissen. De Seven Pillars valt ook op door uitvoerige en aangrijpende reflectie op de gebeurtenissen. Na te zijn uitgediend bij de R.A.F. – waar hij een tweede periode doorbracht bij een ander onderdeel – trok Lawrence zich terug in zijn zelfgebouwd huisje 'Clouds Hill', in het Zuid-West-Engelse Dorset, waar de journalisten hem bleven achtervolgen. In 1935 kwam er een einde aan zijn leven. Hij was gewoon om op zijn motor, Boanerges genaamd, door Zuid-Engeland te crossen, maar op een keer moest hij uitwijken voor een paar fietsende kinderen. In de berm geslingerd overleed hij ter plaatse – vijfenveertig jaar oud. Zijn begrafenis werd een nationaal evenement met vooraanstaande sprekers onder wie Winston Churchill, die T.E. in zijn Great Contemporaries beschreef als een onbetwiste held en zijn boek een eeuwig bestaan in de herinnering toedichtte. ❦ In de jaren vijftig en zestig verschenen er binnen de mode van debunking de eerste negatieve publicaties over de held. T.E. zou niets meer zijn geweest dan een Britse agent, een knecht van twee meesters, een homoseksueel en masochist, iemand die zijn eigen rol in de Arabische Opstand schromelijk had overdreven, en wiens klassieke werk veeleer als fictie moest worden opgevat. Anderzijds kwamen er steeds meer gegevens uit zijn leven naar de oppervlakte, waaronder als meest relevante zijn studiereis als jonge student naar de kastelen van de kruisvaarders in Syrië en Palestina, en zijn archeologisch werk bij de opgravingen van overblijfselen van de Assyrische beschaving aan de bovenloop van de Eufraat bij de Turkse grens. Lawrence was, zoveel staat wel vast, een gecompliceerde persoonlijkheid. Zijn roem keurde hij zowel af, als goed. Het leven in de woestijn ervoer hij als zuiver in vergelijking met de beschaving, hoewel hij zich stoorde aan de wrede kanten daarvan. Het is de vraag wat hij zou hebben gevonden van het kalifaat van ISIS, tegen de achtergrond van de geschonden Britse belofte en zijn schaamte- en schuldgevoelens daarover. Dat hij het optreden van de Amerikanen en hun Europese bondgenoten in het Midden-Oosten zou hebben veroordeeld, lijkt vrijwel zeker. ❦
Tom Zwitser Tom Zwitser

10 jaar Wikileaks en de media: ‘De Wikileaks-documenten’

  ❦ Gisteren vierde Wikileaks haar 10-jarig bestaan. Bij het feestje van Wikileaks dat life werd gestreamd, keken alle media ter wereld toe tot het eind ervan. De NOS vroeg zich uitgebreid af wat Wikileaks hen in die tien jaar 'gebracht had'. Maar de omroep was vooral enorm teleurgesteld toen bleek dat de feestdag zonder grote onthullingen werd afgesloten. Sommige media waren zelfs boos. Eigenlijk is dit veelzeggend. Een dag eerder werd namelijk in Perscentrum Nieuwspoort in Den Haag de Nederlandse vertaling van The Wikileaks Files gepresenteerd, het enige boek dat Wikileaks zelf publiceerde en dat een belangrijke samenvatting is van Cablegate en nog een aantal grote leaks. Ze hebben er jaren aan gewerkt. Niettemin was er op de perspresentatie van de Nederlandse versie geen enkele 'echte' journalist. Niet van de NOS, geen schrijvende pers en ook geen radio en tv. Wel waren er Kamerleden en medewerkers van de PVV en SP. De zaal zat vol met belangstellenden. Aanleiding is waarschijnlijk dat die perspresentatie in het teken stond van de band tussen media en politiek, dat er voor de locatie Nieuwspoort is gekozen, en dat het evenement met een knipoog 'Occupy Nieuwspoort' is genoemd. Daarnaast werd op hetzelfde evenement de onthullende bestseller van Udo Ulfkotte, Gekochte Journalisten, gepresenteerd. Dit essay is een omwerking van mijn inleiding tijdens het evenement Occupy Nieuwspoort, waar her en der uitweidingen aan zijn toegevoegd. ❦ De Wikileaks documenten is eigenlijk een onmogelijke prestatie geweest. Achttien onderzoekers hebben jaren besteed aan het doorploegen van de Amerikaanse diplomatieke kabels die in dit boek thematisch, per land en/of per regio zijn gerangschikt. Het boek gaat vooral over de relaties van de Amerikaanse regering met die van andere landen, maar Wikileaks stipt ook regelmatig de band tussen politiek en media aan. In principe handelt De Wikileaks documenten over de laatste twee decennia, waarin de mate van beïnvloeding van de media groter is dan ooit. Maar voor we het over Wikileaks zelf gaan hebben, is het wel zo goed om een aantal lijnen te schetsen over media-beïnvloeding in het Westen waaruit blijkt dat de huidige situatie niet uit de lucht komt vallen. Mediabeïnvloeding wordt al heel lang gepraktiseerd. Udo Ulfkotte laat in zijn Gekochte Journalisten duidelijk zien dat het al gebeurt zolang hij als journalist werkzaam is, en dat dit met name plaatsvindt via de ‘Atlantische’ kanalen: de Atlantik Brücke, de German Marshall Fund enzovoort. Deze kanalen stammen uit de vroege jaren 50 en waren niet opgezet als theekransjes, maar als safe spaces waar politici en journalisten van deze kant van de oceaan gefêteerd werden door Amerikaanse bedrijven en de Amerikaanse overheid, met als doel de VS positief neer te zetten in de media, en in de politiek de Amerikaanse belangen te behartigen. Eigenlijk gebeurt daar in het groot wat in Nieuwspoort in het klein gebeurt. Stan van Houcke heeft op zijn weblog veel aandacht besteed aan een interview dat Max van Weezel bij zijn pensionering in 2014 gaf en waaruit blijkt hoezeer de politieke verslaggeving gebaseerd is op het aanschurken tegen, en socializen met de macht, en hoezeer Max van Weezel hiervan hield. De symbiose tussen media en politiek is mijns inziens niet iets van de laatste twee decennia, in tegenstelling tot Karel van Wolferen. Tijdens de perspresentatie ‘Occupy Nieuwspoort’ meende hij dat het wel iets van de laatste twee decennia is. Naar mijn idee ligt de oorzaak van zijn zienswijze in de bekentenis die hij daarna deed: in de Koude Oorlog was Van Wolferen op en top atlanticus, was de NAVO volgens hem noodzakelijk, en was de dreiging vanuit de Sovjet-Unie de alles rechtvaardigende reden voor het atlanticisme in het Westen. Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 viel deze noodzaak weg, en veranderde volgens hem het tevoren noodzakelijke en goede atlanticisme in een soort absoluut kwaad dat zich over de hele wereld verspreidde en de journalistiek hier ook om zeep hielp. Ik ben het hier niet mee eens. In mijn nog te verschijnen boek Permafrost laat ik zien dat tijdens de Koude Oorlog het Westen minstens zo dreigend was richting Rusland – minstens vanaf 1917 – als omgekeerd en dat Rusland al zeker vanaf 1917 de gedroomde vijand was, waartegen een enorme propaganda kon plaatsvinden en dat de militarisering in het Westen rechtvaardigde. De oorlog tegen Duitsland was niets dan een tijdelijke afleidingsmanoeuvre. Bronnen laten zien dat in 1941 – nog voor de VS aan de Tweede Wereldoorlog deelnam maar wel ruim nadat de Tweede Wereldoorlog was begonnen – Rusland als ergste vijand werd beschouwd. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen duidelijk was dat Duitsland het niet zou gaan redden, was de VS reeds geheel en al bezig het oude vijandbeeld van het Rode Gevaar op te poetsen voor de publieke opinie. Het is dit vijandbeeld en niet de realiteit die een enorme propagandamachine in het Westen rechtvaardigde. De realiteit is veel complexer. Rechtse intellectuelen als George F. Kennan hadden een veel beter beeld van Rusland. Hij hield van dit land en verdedigde het tegen zowel anti-Russische sentimenten van de haviken, als tegen romantiseringen van linkse westerse intellectuelen. Hij verdedigde zelfs Brezjnev als conservatieve en milde leider tegen allerlei ophitsende taal in westerse media. Dit werd hem door niemand in dank afgenomen, maar terugkijkend had hij gewoon gelijk. De Sovjet-Unie beantwoordde de westerse propaganda met tegenpropaganda vanuit de Communistische Internationale. Het voert te ver om de strijd tussen de westerse en communistische propagandamachines hier uit de doeken te doen – ik verwijs daarvoor naar mijn boek – maar een paar voorbeelden van de westerse kant zijn belangrijk om te begrijpen dat we nu niet in een volstrekt ander idioom leven als in de jaren 80 en daarvoor. Wanneer Van Wolferen de vrijheid roemt die hij als journalist had in de Koude Oorlog, komt dat, zoals hijzelf verklaart, omdat hij onderdeel was van dat atlanticisme. Wie de juiste mening is toegedaan heeft alle vrijheid in dit land. En dat is alleen maar sterker geworden. Wie destijds om welke reden dan ook tegen het atlanticisme was, moest in het hele Westen zijn heil zoeken in de communistische zuil. En dat was voor iemand als Kennan natuurlijk geen optie. Ook toen stond de realiteit dus onder druk, al was het bestaan van die zuilen nog reden dat er een grotere dynamiek mogelijk was dan nu. We kunnen terugkijkend zeggen dat de diversere opinievorming van toen meer rust gaf dan de uniforme 'officiële' opinie van nu die zoveel echte opinie uitsluit. Dus inderdaad, aan de ene kant is de mate van mediabeïnvloeding en gelijkschakeling nu veel groter dan destijds, maar dat had niet met het Vrije Westen te maken. Er lagen immers nog enorme resten van de negentiende-eeuwse liberale erfenis in de maatschappij: de verzuiling. In de twee- tot drie decennia na WO II kon de verzuiling nog door reutelen, totdat die in de jaren 80 en 90 volledig was opgeruimd. Het valt gewoonweg samen met de opheffing van de Sovjet-Unie, en de aangebroken droom van het Einde van de Geschiedenis (wat bij nader inzien toch niet aanbrak). ❦ Dat de CIA grootscheepse manipulaties opzette in andere landen is reeds bekend. We noemen de regime changes in Iran, Guatemala en vele andere landen die vanaf de jaren 50 plaatsvonden. Een deel van die activiteiten veranderde eind jaren 80 geheel van opzet en werd zelfs afgestoten naar andere Amerikaanse organisaties. En dat betreft met name de 'softe' beïnvloeding. De Wikileaks documenten stelt: “Allen Weinstein, een van de oprichters en eerste waarnemend president van de NED, merkte in 1991 op dat, dankzij het bestaan van de NED, activiteiten uitgevoerd konden worden die 25 jaar eerder nog heimelijk door de CIA werden uitgevoerd.” Ik kom later nog uitgebreid op dit citaat terug, maar wat opvalt is de overgang van CIA-activiteiten, naar openlijke activiteiten. Wat waren dat voor activiteiten? Vooral ondermijning van de minder pro-Amerikaanse regimes overal ter wereld. Maar ook de beïnvloeding van de bevolking, zowel de eigen Amerikaanse en westerse bevolking, als die van landen waar de VS een regime change wilde plegen. Eerst de 'geheime' kant van deze beïnvloeding, de CIA-tijd: Een voorbeeld van mediabeïnvloeding in het Westen. We weten uit andere studies al dat de CIA direct na de Tweede Wereldoorlog op grote schaal de media heeft beïnvloed in de VS, in Europa en in een aantal andere landen. Het vijandbeeld van het Rode Gevaar is toen zorgvuldig opgebouwd. En dankzij dit vijandbeeld kon het Westen zichzelf als het ‘vrije Westen’ gaan beschouwen. Er zijn zeer goede boeken geschreven over wat bijvoorbeeld het Congress for Cultural Freedom deed vanaf 1950. Dit congres was een uiterst geheime CIA-dekmantel die de zelf geconstrueerde beelden van het Rode Gevaar en het Vrije Westen propageerde. Hierin speelden de media natuurlijk de belangrijkste, maar wel instrumentele rol. Dat het totaal niet correspondeerde met de werkelijkheid blijkt alleen al uit de zogenaamde ‘Stalin note’ uit 1952. Stalin stelde daarin een Duitse eenwording voor onder voorwaarde dat Duitsland volledig gedemilitariseerd zou moeten worden, en verlaten door alle bezettende mogendheden. Het land mocht van hem volledig naar democratisch en kapitalistisch (markt)model ingericht worden. In feite was dit genereus, en een voorstel van Stalin tot een status quo: 'dit is ons gebied en dat is jullie gebied. En daartussen ligt Duitsland.' Dit is door Washington afgewezen. Amerika had veel meer baat bij een antagonistische houding richting de Sovjet-Unie en bij een IJzeren Gordijn, een soort frontvorming waarmee het beeld van het Vrije Westen sterker uit te verf kwam dan wanneer Duitsland als bufferland tussen oost en west in zou liggen. We zien de laatste twee decennia dan ook vooral een doorontwikkeling van dit front richting het Oosten. Oost-Duitsland en de Oost-Europese landen zijn, tegen alle afspraken in, bij de EU en NAVO getrokken, en nog is het niet genoeg. Oekraïne is in een oorlogsgebied veranderd, juist omdat het Westen dit complexe, verdeelde en veelkleurige land geheel in de westerse invloedssfeer wilde trekken, terwijl het juist als bufferland tussen oost en west fungeerde. Ook nu is het Westen bezig met het opruimen van bufferzones en het creëren van fronten. Het is het Westen dat zich niet wil neerleggen bij status quo's. ❦ Het Congres was een belangrijke kracht achter de westerse angstmachine waarmee de Koude Oorlog gevoerd kon worden. Slechts een paar leden van dit congres wisten voor welke agenda ze gebruikt werden en wie hen betaalde. Maar veel leden wisten het niet, en sommigen deden louter mee uit idealisme. Christopher Lasch was in de jaren 60 een van de eersten die de streken van het congres op grote schaal bekendmaakte, en de financiering ervan, maar ook onlangs is daarover goed gepubliceerd, bijvoorbeeld met The Cultural Cold War van Frances Stonor Saunders. In dat opzicht sluiten zowel Gekochte Journalisten als De Wikileaks documenten naadloos aan op een lange traditie in de Amerikaanse en deels ook Engelse onderzoeksjournalistiek waarin de verregaande en zeer geheime mediabeïnvloeding door overheden en daaraan verwante organisaties aan de kaak wordt gesteld. In Amerika is er een hele stevige traditie van wantrouwen jegens staat en media. Wat Amerikanen aan hun media waarderen, is dan ook hun showelement, hun hang naar wat voor ons grotesk aandoet. Maar niet voor wat ze vertellen. Het is de show die trekt, maar wat er gezegd wordt, neemt men met een korreltje zout. Een flink deel van de journalisten is voortdurend bezig om de band tussen staat en media en andere doofpotten te ontmaskeren en maakt op deze manier ook kans op de Amerikaanse bewondering voor de lonely cowboy. Veel Amerikaanse non-fictie bestsellers zijn onthullende boeken. Het publiek waardeert dat enorm. ❦ Wat dat betreft, beste mensen, lopen wij in de protestantse, Noord-Europese landen enorm achter. Tot voor kort volgden we braaf onze media, lazen kranten, keken debatprogramma’s, en volgden braaf de berichten van onze regering die het beste met ons voorhad. Ons verlangen om in de minister-president de eerzaamste mens en tevens de vader des vaderlands te zien, was tot voor kort onaangetast. Dat is ook de reden waarom Gekochte Journalisten in Duitsland insloeg als een bom. Het markeert een omslagpunt: het vertrouwen in de media, dat voordien ook al tanende was, werd door dit boek volledig weggeslagen. Er werd een sluier afgerukt die bijna als vanzelfsprekendheid door alle betrokkenen op zijn plaats werd gehouden. Uit het interview met Max van Weezel blijkt dat men er hier ook nog trots op is. En ook bij ons zakken de oplagecijfers van kranten dramatisch, net als de kijkcijfers van debatprogramma’s. Vertrouwen in de politiek is al geruime tijd flink dalende. Hetzelfde gebeurt in Duitsland en Engeland. Diezelfde media leggen deze ontwikkelingen keurig uit aan de hand van begrippen als ‘ontlezing’ en ‘de opkomst van de sociale media’ en ‘mondige burger’, want het ligt allemaal niet aan hen. Politici spreken van het vertrouwen terugwinnen en bouwen aan het imago. Alsof de realiteit niets meer is dan een stukje verkeerde perceptie bij de burgers inwisselen voor een stukje juiste perceptie. Dit fenomeen keert terug bij alle politieke beleid dat onder burgers niet populair is: politici zijn dan alleen nog maar bezig om hun impopulaire beleid te implementeren. Bewustwording, perceptie, beeldvorming en andere pr-termen vliegen ons als burgers dan om de oren, terwijl politici natuurlijk stug volhouden aan hun ingezette beleid. Het zal de burger linksom of rechtsom toch door de strot gedouwd worden. Duidelijker kan het onbegrip voor de burger niet uitgedrukt worden. Wie zich begeeft onder dit type politici en journalisten valt direct op hoezeer deze mensen in een bubbel zijn komen te leven die los staat van de rest van Nederland. En het lijkt erop alsof deze ziekte ook overslaat naar bepaalde delen van de ambtenarij, zoals het Ministerie van Defensie. De laatste weken verschijnen er verontrustende stukken in alternatieve media, schieten klokkenluiderswebsites van militairen en ander Defensiepersoneel als paddenstoelen uit de grond, en ook wij mochten een boek uitgeven – De Doofpotgeneraal – met een ongelofelijk relaas over Defensiepersoneel dat deels undercover en in burger de meest bizarre spionagecaperiolen uithaalt op de bedrijfsvloer van een Delftse internetprovider. Wikileaks wemelt van dit soort voorbeelden: grote dossiers als genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), werden door Amerikaanse ambtenaren ongelofelijk groot en breed ingezet in vooral Europa. Er ging een enorme lobby achter schuil met mediacampagne’s in alle grote media, wetenschappers die men voor het karretje spande en politici die enorme cadeaus werden beloofd als ze zich maar voor de ggo-agenda laten spannen. De VS koopt niet alleen journalisten, creëert niet alleen nieuws, maar koopt ook politici in het Westen en daarbuiten, zodat deze politici in eigen land hún agenda realiseren. ❦ Voorbeelden van moderne beïnvloeding: Met andere woorden: de tijd van hypergeheime beïnvloeding is voorbij. Het had ook zijn beperkingen. Als alles geheim moet blijven, kan er minder resultaat geboekt worden en ligt er voortdurend het gevaar van ontmaskering op de loer. Alles gaat nu veel openlijker. En dat is mede te wijten aan het feit dat er minder kritisch wordt omgegaan met deze vooral Amerikaanse werkwijze van bedrijven en overheden, die ook door Europese bedrijven en overheden wordt gekopieerd. Het aantal pr-medewerkers per westerse journalist is alarmerend hoog. Ook bij ons. Het Congress for Cultural Freedom was in de Koude Oorlog nog echt een dekmantel die men aan alle kanten goed probeerde af te schermen. Uiteindelijk lukte dat niet. Tegelijk was het kinderspel in vergelijking met nu. Probeerde de CIA eerst nog het beeld van het ‘vrije Westen’ op te houden, met Amerika als haar enige en noodzakelijke waakhond, onder Reagan werd duidelijk, zo schrijft Wikileaks, dat er meer nodig was. Vanaf toen ontstond het idee om via ngo’s allerlei ‘westerse waarden’ te promoten. De belangrijkste van deze platforms is de NED, de National Endowment for Democracy, opgericht door het Congres in Washington. Men doet niet meer de moeite om te verhullen dat het geheel een overheidsinstelling is die over de hele wereld actief democratie ‘promoot’. Feitelijk is het dus geen non-gouvernementele organisatie. Maar media hebben het nog steeds over de NED als een soort ngo die overal in de wereld met de beste intenties allerlei westerse waarden promoot en de levens van mensen ter plaatse wil verbeteren. Wat betekent dat ‘democratie promoten'? Volgens Wikileaks wil dat zeggen: in landen waar nog geen pro-Amerikaanse regimes zitten, studenten kopen, activisten kopen die tot geweld bereid zijn, campagnes in elkaar draaien en strategieën bedenken om een deel van de bevolking om te turnen, en op goed voorbereide momenten een revolutie laten uitvoeren, gesteund door delen van het leger, oppositie, politie en dergelijke. Als die slaagt, komt er vervolgens een pro-Amerikaanse regime, worden er vrijhandelsverdragen afgedwongen die geen vrijhandel inhouden, maar onbeperkte toegang voor Amerikaanse bedrijven tot de interne markt waarborgen, en tot de interne natuurlijke hulpbronnen. Het gaat nooit om democratie en vrijheid, maar altijd om de Amerikaanse economische en politieke belangen. Nogmaals het Wikileaks-citaat over de NED: “Allen Weinstein, een van de oprichters en eerste waarnemend president van de NED, merkte in 1991 op dat, dankzij het bestaan van de NED activiteiten uitgevoerd konden worden die 25 jaar eerder nog heimelijk door de CIA werden uitgevoerd.” Het is dus een vervanger van de CIA op bepaalde terreinen. Daarmee is ook een andere, nog meer geïntegreerde benadering van de media ontstaan. In plaats van het kopen van nieuws, zoals Ulfkotte dat noemt – die laat zien hoe dat in zijn werk gaat aan de kant van journalisten zelf – laat Wikileaks de manipulatie van nieuws door de overheid zien. Dat gebeurt onder andere door middel van enorme aantallen pr-managers die zorgvuldig bepaald nieuws selecteren dat zij aan journalisten geven. Een alarmerende indicatie zou moeten zijn dat wij deze mensen ‘persvoorlichters’ noemen. Dit zijn mensen die journalisten voorlichten. Moeten journalisten voorgelicht worden? Voorlichten is immers het voorbewerken, voorframen, voorinkleuren, voorsorteren, voorverwarmen en zelfs creëren van feiten. Hoezeer het fenomeen voorlichten geheel en al een aanvaard gegeven is in de vaderlandse journalistiek, bleek wel vorige week, toen tijdens de JIT-presentatie van het MH17-rapport geen enkele journalist van een groot medium een kritische vraag kon of wilde stellen terwijl er zo verschrikkelijk veel kanttekeningen zijn te plaatsen bij dit hele onderzoek. Blijkbaar is iedereen bang om voor een kremlintrol te worden uitgemaakt. En dat maakt het allemaal een beetje dubbel. Want aan de ene kant zien we grootscheepse nieuwsmanipulaties van de overheid, maar aan de andere kant zien we ook een journalistiek die zich steeds kritieklozer naar die overheid opstelt, persberichten overpent, op grote dossiers geen eigen onderzoek verricht – al dan niet door budgettaire tekorten – en zich in sommige gevallen ook nog eens als waakhond van die overheid opstelt richting systeemverstoorders zoals burgers die er eigen ideeën op na blijken te houden. Dit soort voorbeelden zijn er vele: waarom steunen alle grote media-outlets in de VS Clinton, terwijl ze gelijk staat met Trump in de pols? Waarom verketteren alle grote Duitse media al jarenlang een begenadigd intellectueel als Thilo Sarrazin, terwijl 70 procent van de Duitsers zijn ideeën steunt? ❦ Een mogelijk antwoord is dat we de macht en mogelijkheden van de media gewoon overschat hebben en dat de ‘vrije wereld’ een wereld is waarin overheden kunnen doen wat ze willen en waar media ofwel graag tegen aanschurken, ofwel bezit zijn van een mediatycoon die er graag tegenaan schurkt. Ofwel dat onderzoeksjournalisten murw gebeukt zijn vanwege de muur waar ze beroepsmatig tegenaan dienen te lopen. In plaats daarvan merken jonge en aanstormende journalisten dat niet het stuklopen op de muur loont, maar het meebewegen met de muur: er onderdeel van zijn. Embedded journalism in optima forma. De resten van de verzuiling konden de machteloosheid van de media ten aanzien van de staat nog lange tijd verhullen en creëerden nog een zekere dynamiek. Maar sinds wij in een volledig gelijkgeschakelde liberale democratie zijn terechtgekomen waarin ideologische verschillen zijn weggevallen, en er alleen nog een klein antagonisme is tussen de islam en de liberalen, is die dynamiek en kritische houding van journalisten volledig verdwenen en lijkt de journalistiek als waakhond er vooral een te zijn waarvan de politiek de riem in handen heeft en niet de burger. Embedded journalism is een belangrijke trend. Het is al decennialang beleid van overheden voor oorlogsverslaggevers dat die door het leger worden beschermd, bij de dagelijkse persconferentie van de persvoorlichters zijn, maar ook heel veel dingen niet mogen doen. Wie als oorlogsverslaggever zijn eigen gang wil gaan, verliest bescherming. Embedded journalisten daarentegen worden bij de hand genomen. Leuke plaatjes, leuke nieuwtjes, maar wel voorgesorteerd. Niet-leuke plaatjes en niet-leuke nieuwtjes worden op voorhand weggefilterd tenzij men er de Russen de schuld van kan of wil geven. De echte gruwelen en oorlogsmisdaden van westerse legers in bijvoorbeeld Irak – die ook massaal zijn begaan door Irakese milities die onder direct Amerikaanse bevel staan – werden zo in de doofpot gehouden. We lezen ze wel veelvuldig in De Wikileaks documenten. Wikileaks wijst er onder andere op dat de media de beslissingen van Obama rond Guantanamo Bay in 2011 hebben gedownplayd. In feite hebben ze de beslissing om de gevangenis in gebruik te houden, verdedigt tegen scherpe kritiek uit de Europese media. Ik wil hier Wikileaks even langer citeren: “De documenten laten zien dat de gevangenbewaarders wisten dat de meerderheid van de gevangenen geen banden had met Al Qaida. Ze noemden ten minste honderdvijftig mannen waarvan bekend was dat zij per ongeluk gevangen burgers waren, die vervolgens jarenlang zonder enig vorm van proces werden vastgehouden. Deze documenten zijn hoofdzakelijk door de Guantanamo-commandant ondertekend.” Al snel werd duidelijk dat honderden mensen werden vastgehouden zonder goede redenen en zo’n zeshonderd gevangenen uiteindelijk zijn vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. De nieuwe documenten tonen volgens Worthington aan: …waarom generaal-majoor Dunlavey, de commandant van Guantanamo, zich in 2002 beklaagde over (…) het aantal ‘Mickey Mouse’-gevangenen, zoals hij ze beschreef, die hij vanuit Afghanistan kreeg opgestuurd. Hier zijn ze. Hier zijn de boeren en de koks en de taxichauffeurs en al deze mensen die nooit bijeengedreven hadden mogen worden, maar in Guantanamo belandden omdat er geen screeningsprocedure was. Afgezien van degenen die kennelijk burger waren en op willekeurige wijze door Amerikaanse strijdkrachten waren weggeplukt, worden anderen vastgehouden op basis van beschuldigingen dat ze van ‘veel waarde’ zijn. Het gaat hierbij om mensen die werden gemarteld voor informatie, om gevangenen die geestelijk instabiel waren, om anderen die goede reden hadden om beschuldigingen te verzinnen in ruil voor een voorkeursbehandeling, en om pathologische leugenaars. In feite lijkt de vs een wereldomvattend apparaat te hebben gecreëerd dat niet zo zeer ‘terroristen’ vangt om te berechten, maar honderden mensen oppakt en manieren probeert te vinden om ze als ‘terrorist’ te bestempelen. Met deze machine probeert de Amerikaanse regering op indrukwekkende wijze haar bewering te staven dat haar tegenstanders in Afghanistan en Irak in feite allemaal ‘terroristen’ waren.” ❦ Wat is het dat de Amerikaanse media en masse Obama verdedigd hebben om Guantanamo open te houden? Op heel veel andere dossiers kunnen we dezelfde reflex bij de media zien: media zijn systeemverdedigend bezig. Het is deze reflex die verwondert en verbaast, maar die ook heel gevaarlijk is. En dat brengt een kant naar voren die we in onze westerse media veel te weinig zien. Systeemkritiek bestaat niet meer, ook niet in de media met een meer ideologisch verleden zoals Elsevier, Vrij Nederland, en de christelijke dagbladen. Nieuws wordt gebracht zonder samenhang en duiding, en de bewoordingen en frames van de pr-voorlichters worden zonder kritiek overgenomen. Daarin zit vaak al een enorme lading en betekenis. Feiten staan immers nooit op zichzelf. Feiten hebben altijd een blikrichting, en met name díe wordt gemanipuleerd, samen met het weglaten van andere feiten die de gewenste blikrichting op andere feiten in de weg staat. Het is bijvoorbeeld lang geleden dat we in de media een exposé hebben gelezen waarin het begrip democratie uitgelegd werd. ‘De’ democratie bestaat immers niet. Er bestaan slechts democratische instrumenten. Noem eens een westers land waar het volk regeert? Dat bestaat niet. Sterker nog, als de media zo voor de democratie zijn, waarom klagen ze dan niet iedere dag in al haar edities dat Nederland nog steeds EU-lid is? Daar wilde de demos in 2005 immers vanaf. Waarom wordt Rutte niet iedere vrijdag gevraagd waarom hij nog geen uittredingsprocedure gestart heeft? Nog steeds niet gebeurd. En ik lees er ook niks over in de NRC. In die krant heb ik de afgelopen tijd daarentegen wel meerdere keren allerlei diskwalificerende omschrijvingen van de demos gehoord. Alles waar het volk met de NRC van mening mee verschilt, valt zo’n beetje buiten de democratie. Of mag het volk alleen haar mening geven wanneer die overeenstemt met die van de NRC? Zodat de krant zichzelf op de schouder kan kloppen hoe goed ze haar taak heeft verricht? De denigrerende bewoordingen richting het volk in meerdere grote media tijdens het afgelopen Oekraïne-referendum, maken duidelijk dat veel media blij zijn dat het volk niet nog meer invloed heeft als nu het geval is: Húp met die kiesdrempels zodat er geen nieuwe partij meer in het parlement kan komen, vóóruit met dat partijkartel, weg met die referenda! Dat lees je wel veel in de media. Zijn de media dan toch tegen de democratie? En waar zijn ze dan voor? Voor meer invloed van het koningshuis, van multinationals, van grote lobby’s, van Brussel? Van? Ja, wat willen ze? Als je ze dit vraagt komt er steeds een ding: ze willen vooral een politiek van gezond verstand. Maar wie bepaalt wat gezond is? Zij, of het volk? Het Burgercomité-EU schreef vorig jaar in haar Manifest al dat de permanente overdracht van Nederlandse staatsbevoegdheden naar Brussel vooral plaatsvond onder het argument van bestuurbaarheid. De EU moest vooral bestuurbaar zijn en daarom eiste ze voortdurend meer soevereiniteit op van de lidstaten en breidde ze haar bevoegdheden steeds verder uit. Dit is zo’n typisch voorbeeld van wat de meeste journalisten met ‘gezond verstand’ aanduiden. Meer macht naar de EU en het afbouwen van de Nederlandse natiestaat waar de burger nog invloed heeft, dat is allemaal 'heel verstandig'. Overdracht naar de EU waar burgers niets te vertellen hebben, is 'heel verstandig'. Kennelijk zijn de journalisten erachter gekomen dat een groot deel van het volk toch grossiert in meningen en belangen die de hunne niet zijn. ❦ Wie De Wikileaks documenten leest gaat patronen herkennen. Immers, we hebben het hier over het buitenlandbeleid van de VS, maar vooral landen als Nederland en Engeland fungeren al een tijdje als haar schoothondjes. We hebben te maken met kopiegedrag hier. Wat Amerika in het groot doet, gebeurt hier in het klein. Misschien minder brutaal en knulliger, maar toch. Ook uit De Wikileaks documenten blijkt dat overal waar Amerika een vinger achter de deur krijgt, het de regering aanbiedt om te helpen met de voorlichting aan de media om “misvattingen bij te sturen” en hen te helpen begrijpen waarom de VS het beste met hen voorheeft. Wikileaks beschrijft uitgebreid hoe dit gebeurde in bijvoorbeeld Ecuador, maar in feite gebeurt het overal waar een VS-kritische pers is en waar onbegrip heerst voor de Amerikaanse handelswijze. De strategie is: via voorlichtingscampagnes de perceptie proberen om te keren, maar zeker nooit je beleid bijstellen. Voor de eigentijdse westerse staatsvoering vormt de pers dus onderdeel van een integrale benadering richting de burger. Dit is een cruciaal punt. Media mediëren wat de persvoorlichters beogen. Eenrichtingsverkeer. Wikileaks laat overduidelijk zien dat, wat de Amerikanen hun “democratie-promotiecampagne-strategieën” noemen, neerkomt op waar mogelijk gewelddadige regime changes, en daarna het creëren van voor de VS gunstige politieke en economische omstandigheden in dat land. Dat gebeurt keer op keer. Men dwingt zelfs andere landen om lid te worden van het Internationaal Strafhof in Den Haag, terwijl het zijn eigen politici, militairen, agenten en diplomaten immuniteit geeft. Landen die deze immuniteit niet erkennen, krijgen sancties van de VS. In andere woorden: in al haar doen en laten beschouwt de VS zich als exceptionele wereldmacht. Het laat andere landen aan wetten en gerechtshoven onderwerpen waarvoor het immuniteit heeft. ❦  
Juliaan Van Acker Juliaan Van Acker

De integratie-utopie

❦ In zijn aangrijpende autobiografie La traversée des fleuves beschrijft de Franse schrijver Georges-Arthur Goldschmidt zijn kinderjaren in het Duitsland van de jaren dertig. Zijn ouders, tot het protestantisme bekeerde Joden, behoorden tot de hogere burgerij van Hamburg. Zijn vader was raadsheer bij het Hof van Beroep. Toen de nazi’s aan de macht kwamen, werd op sluipende wijze de Endlösung voorbereid. Goldschmidt maakt duidelijk hoe de gewone mensen beefden onder de terreur van de nazi’s en uit angst de Joden meden. De goede Duitsers die de Joden bleven steunen, wachtten een vreselijk lot. Kortom, het hele land leefde in angst, en het verzet werd verpletterd. In Duitsland had de Europese beschaving op allerlei gebieden een hoogtepunt bereikt en toch lukte het de nationaalsocialisten om aan de macht te komen. We hoeven ons geen illusies te maken over de invloed van de beschaving. De Joden hadden een fantastische bijdrage geleverd aan cultuur en wetenschap. Zij leefden al eeuwenlang in Duitsland. Zelfs diegenen die de integratie zo ver hadden gedreven dat ze zich tot het christendom hadden bekeerd, ontsnapten niet aan de vervolging. Een cumulatie van problemen Extreemrechts is aan de winnende hand in meerdere Europese landen. Op zich hoeft dit geen groot probleem te zijn, want als ze aan de macht komen, moeten ze ook compromissen sluiten. Dan ervaart de bevolking dat ook zij geen wonderdokters zijn – op naar de volgende verkiezingen. Het gevaar schuilt echter in de cumulatie van problemen: we worden geconfronteerd met een economische recessie, met de vergrijzing, met een klimaatcrisis, met een toenemende kloof tussen arm en rijk, met een bevolkingsexplosie in het Midden-Oosten en Afrika, met miljoenen arme en slecht opgeleide Afrikaanse zwarten die hun kans afwachten om naar Europa te vluchten, en met een dreiging door terroristische groeperingen waarvoor de veiligheidsmaatregelen astronomische bedragen kosten. Deze gelijktijdige opeenstapeling van ernstige problemen kan makkelijk een algemene gekte veroorzaken. Daar helpt geen beschaving tegen. Een zondebok is makkelijk gevonden. Dat zal de groep zijn die het meest wordt gehaat. Zeemzoete oproepen Deze tijd vraagt om harde maatregelen en een consequent beleid. Helaas is de Europese Unie hiertoe niet in staat. Het noodzakelijke beleid wordt belemmerd door het politiek correcte denken en een gebrek aan visie. Alleen economische belangen lijken te tellen. Er kan zelfs niet eens een grondwet worden geformuleerd rondom gemeenschappelijke normen en waarden. Zeemzoete oproepen tot respect voor de medemens en de folklore in multiculturele wijken zetten geen zoden aan de dijk. Als puntje bij paaltje komt is een klein lontje voldoende om een grote maatschappelijke brand te ontsteken. Volgens meerdere Europese veiligheidsdiensten staan vreselijke aanslagen ons te wachten. Er is al zo veel haat. Ik houd mijn hart vast. Hoe het tij keren? Wat ik voorstel is paradoxaal. Neem de integratie van de moslims. Ook dat zal bij een escalatie van spanningen niet helpen – jammer voor de velen onder hen die zich zo hebben ingespannen om volwaardig lid te worden van onze samenleving. Mijn voorstel is dat de Europese moslims bewijzen dat ze een van de grootste problemen van onze tijd zelf kunnen oplossen. Het gaat om de ellende in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Stel dat er in die landen vrede heerst, dat alle kinderen de kans krijgen op degelijk onderwijs, dat er een voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg is van hoge kwaliteit, dat er voldoende werkgelegenheid is, dat er sociale voorzieningen zijn, een betrouwbaar politieapparaat dat waakt over de veiligheid van de burgers en politici die sober leven en zich verantwoordelijk gedragen. Als dit allemaal lukt, dan zullen de spanningen tussen de moslims en het Westen drastisch afnemen. Dan wordt ook de belangrijkste oorzaak van terrorisme weggenomen. We moeten durven een ideaal na te streven. Als de islamitische landen rondom de Middellandse Zee vrede en voorspoed zullen kennen, kan met Europa een alliantie worden aangegaan. Deze alliantie kan het lot van het hele Afrikaanse continent verbeteren. Als de moslims samen met de Europeanen hun verantwoordelijkheid opnemen, zal dit een voorbeeld zijn voor de gehele wereld. Hierdoor wordt de 21e eeuw de eeuw van de spiritualiteit, gebaseerd op enerzijds de islam en anderzijds het christendom en het humanisme. Een vredeskorps van moslims Hoe die vrede en voorspoed realiseren? De Europese moslims zouden een groot leger moeten vormen, dat als een vredeskorps vrede en veiligheid brengt. Daarna helpen ze mee aan de opbouw van de landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. In plaats van geradicaliseerde jongeren die nu wreedheden gaan plegen in die landen, komen er idealistische en goed opgeleide jongeren die zullen meewerken aan een mooie toekomst voor de landen van herkomst. Op die manier zou een spontane beweging van terugkeer naar de landen van herkomst op gang komen. De ellende in die landen zal nooit ophouden zonder ingreep van buitenaf. De middenklasse die op de vlucht is geslagen, is noodzakelijk om de mensen tot rede te brengen. De belangrijkste voorwaarden voor een menswaardige samenleving zijn een gemeenschappelijke ethiek en een gedeelde geschiedenis. De mensen moeten zich thuis voelen in de samenleving. Integratie betekent letterlijk: ’maken tot een geheel’ en psychologisch: ’het overnemen van bestaande groepsnormen zodat men in de groep wordt geaccepteerd’. Integratie vereist daarom dat moslims zich de joods-christelijke en humanistische ethiek eigen maken. Die eis is gewoonweg vernederend voor een religie die zich als superieur en triomfalistisch aandient. Vandaar dat integratie een gevaarlijke utopie is. Wie krampachtig vasthoudt aan de integratie, wakkert de spanningen tussen de bevolkingsgroepen steeds verder aan. Daarom eindig ik met een boude stelling: wie meewerkt aan de integratie van moslims in Europa speelt extreemrechts in de kaart. ❦ Juliaan van Acker is emeritus hoogleraar aan de Radbouduniversiteit Nijmegen en publiceerde onlangs Het landverraad van de EU: Waarom ethiek Europa kan redden bij De Blauwe Tijger
Uitgeverij Uitgeverij

Over Blauwe Tijgers

❦ De blauwe tijger is een literaire maar ook mythische figuur waar de geur van de lente omheen hangt. De lente is een feest van de getuigen van zaad dat rust in de bodem en snakt naar ontkieming. Er zijn meerdere oorsprongen van de blauwe tijger. Ten eerste is dat de grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899 – 1985) In diens verhaal ‘De Tijgers van Annam’ van Borges figureert de blauwe tijger als een mythische figuur die staat voor de lente. Volgens de Annamieten worden de banen in de ruimte door tijgers of door tijgers gepersonifieerde geesten beheerst. De Rode Tijger beheerst het Zuiden (dat bovenaan ligt op de landkaarten); de zomer en het vuur horen bij hem. De Zwarte Tijger beheerst het Noorden; daarbij horen de winter en het water. De Blauwe Tijger beheerst het Oosten; daarbij horen de lente en de planten. De Witte Tijger beheerst het Westen; daarbij horen de herfst en de metalen. Boven deze Vier Tijgers staat weer een andere Tijger, de Gele Tijger die over anderen heerst en zich in het midden bevindt. Uit: Het boek van de denkbeeldige wezens (1967) Het is niet de enige verwijzing naar de blauwe tijger bij Borges, want daarna komt hij erop terug in zijn verhaal 'Blauwe Tijgers' (1983), als beeld van de ‘verschrikkelijke elegantie’ die G.K. Chesterton aan de tijger toeschrijft. In dit verhaal gaat het om denkbeeldige dieren die een heilige heuvel in India bewaken. Een Schotse professor filosofie – personificatie van de rationele verlichte mens – die vanaf zijn jeugd gefascineerd is door tijgers, ontdekt dat er ergens in India, heel ver van de Ganges, blauwe tijgers zijn en hij reist er naartoe. Hij herkent het blauw van de tijgers aan de kleur  blauw die zich in de rotsspleet bevindt van een heuvel. Hij ziet daar een heleboel ronde, zeer gladde stenen met een doorsnede van een paar centimeter. Hun gelijke vorm heeft iets kunstmatigs, alsof het fiches zijn. In de palm van zijn hand veranderen die blauwe schijven van aantal, van vorm en ook van andere eigenschappen. Een lokale goeroe noemt ze ‘teelstenen’ en houdt zich er verre van: Ze hebben de vorm van de maan wanneer zij vol is, en ze hebben zo'n blauwe kleur die je alleen in je dromen mag zien. Ondanks een jarenlang onderzoek naar de werking van de stenen ontdekt de professor geen verband, geen logica, geen regelmaat of ordening in de mutaties – “Zinloos was het zoeken naar enige orde, naar een verborgen patroon in hun draaiende bewegingen. Het grootste aantal stenen dat ik bij elkaar kreeg was 419; het kleinste 3.” – In zijn pogingen het geheim van de stenen te ontsluieren dreigt hij waanzinnig te worden. Uiteindelijk komt de verlossing in de persoon van een bedelaar die hem van zijn onbegrijpelijke schat ontdoet. Eerst geeft hij hem één steen, maar dan zegt de bedelaar: “Wie niet alles geeft, geeft niets.” En daarop geeft de professor hem alle stenen. Vervolgens haalt hij opgelucht adem, want eigenlijk heeft de bedelaar hém een aalmoes gegeven door hem te verlossen van zijn stenen. De professor zegt: “Ik wil dat u begrijpt dat mijn aalmoes verschrikkelijk kan zijn”, waarop de bedelaar antwoordt: “Misschien is die aalmoes de enige die ik mag aannemen. Ik heb gezondigd.” En de gever laat alle stenen vallen in de holte van diens hand. Ze vallen als in de diepte van de zee, zonder het geringste geluid. Tot slot zegt de bedelaar: “Ik weet nog niet wat uw aalmoes is, maar de mijne is verschrikkelijk. U blijft achter met de dagen en de nachten, met uw gezond verstand, met de sleur, met de wereld.” ❦ Dat is het einde, maar in het begin van het verhaal betreedt de Schot het armoedige dorp met haar arme bewoners bij de heuvel van de tijgers. Hij prijst hen met de woorden dat de faam van de streek was doorgedrongen tot Lahore en dat hij daarom is gekomen. De bewoners reageren echter niet trots, maar juist bang. Ze willen geen faam: “Ik voelde dat zij de hoeders waren van een geheim dat zij niet met een vreemde zouden delen. Misschien verheerlijkten zij de Blauwe Tijger en hielden zij zich aan een eredienst die ik met mijn roekeloze woorden had ontwijd.” In zijn speurtocht naar de blauwe tijger leiden ze hem op allerlei dwaalsporen in de hoop dat hij moedeloos naar huis terug zou keren. De heuvel zelf is verboden terrein. De dorpsoudste vertelt hem dat iedereen die naar boven klimt de kans loopt om God te zien en gek of blind te worden. Op een late middag besluit hij toch stiekem (zelf) de heuvel op te gaan, maar tijgers of sporen van tijgers zijn nergens te bekennen. Wat hij vindt, zijn de mysterieuze stenen. De blauwe tijger blijkt spoorloos, en de vraag is of hij überhaupt (wel) bestaat. Maar wat dan nog? Van belang is dat de stenen met hun verschrikkelijke karakter wèl bestaan. Wie het kunnen weten, weten van hun ouders en voorouders dat ze de stenen moeten mijden om niet gek te worden. En zo moeten ze ook anderen ervan weerhouden ernaar op zoek te gaan. Wie er niet van weten, of het als onzinnig bijgeloof beschouwen, moeten leven met de verschrikkelijke aalmoes van de bedelaar. De ‘verschrikkelijke elegantie’ kleeft wellicht ook aan het menselijk pogen tot herscheppen, het najagen van het schone dat we in de kunst willen bereiken, maar nooit ten volle kunnen realiseren. Ze is ook vervat in het dogma – een van de minst begrepen woorden van onze tijd – dat in zeker zin, als negatieve theologie nooit God zelf kan verwoorden, maar veeleer als een piketpaaltje fungeert om de grens tussen het ware wezen en de verschijningsvorm te markeren. Wie verder graaft, vervalt in ketterij, in blindheid, in waanzin. Ook de seculiere religies van de moderne tijd berusten op dogmatische systemen.[1] Wat het dogma formuleert is de begrenzing, niet de Waarheid zelf. Ook hier lijkt Borges Chesterton goed te hebben gelezen. Chesterton stelt in zijn Orthodoxie(1908) immers dat de gek niet iemand is die zijn verstand verloren heeft, maar iemand die alles is verloren behalve zijn verstand. Gekte en blindheid grenzen aan elkaar.[2] En ten slotte komt de verschrikkelijke elegantie terug in de menselijke natuur zelf, dat als beeld en gelijkenis van God tevens correspondeert met het goede en het ware. ❦ Uitgeverij de Blauwe Tijger richt zich op het Goede, het Ware en het Schone, de klassieke eigenschappen van het goddelijke. Wie zonder of voorbij de uitersten van onze Europese cultuur wil, wacht blindheid of gekte. Alleen wie op zoek gaat naar de Blauwe Tijger zal de uitersten te zien krijgen, en zich houden aan de orde die zij begrenzen, levend met het onderscheid van goed en kwaad, en aldus beschermd tegen onzin. D Ö B L I N Illustratief is hoe de Duitse schrijver Alfred Döblin (Stettin, 10 augustus 1878 — Emmendingen, 26 juni 1957), vooral bekend om zijn roman Berlin Alexanderplatz, de blauwe tijger benadert. In zijn Amazone-trilogie vernoemt hij niet zomaar het tweede deel naar dit dier. In dit deel komt onder meer de legendarische Jezuïetenrepubliek Paracuaria ter sprake die de volgelingen van Ignatius van Loyola in de zeventiende eeuw stichtten in het gebied van en rond het huidige Paraguay. Te midden van vrijbuiters, hebzuchtige kolonisten en de jungle organiseerden de Jezuïeten een utopische indianenstaat waarin bezit veelal gemeenschappelijk was. In de zeventiende en achttiende eeuw overvielen legers van slavenhandelaren de staat, maar onder leiding van de priesters wisten de indianen de aanvallen af te slaan. Het verhaal is te zien in de wereldberoemde film The Mission uit 1986. De Nederlandse schrijver Robert Lemm situeert deze staatkundige idylle voor de indianen van toen tegen de achtergrond van de eeuwige zoektocht van de mens naar fabelachtige rijken en aardse paradijzen. In die traditie verliepen de expedities naar El Dorado, de vermeende, diep in het oerwoud gelegen gouden stad. Vele goudzoekers moesten het avontuur met hun leven bekopen; anderen verloren tijdens de tocht hun verstand. Maar het ware rijk was het geestelijke goud, zoals Robert Lemm laat zien in zijn boek Eldorado (Amsterdam,1996). De Jezuïeten benaderden dat met hun Paracuaria van solidariteit, vrijheid, weerbaarheid, maatschappelijke en culturele orde en religieuze harmonie. El Dorado is een zone die beheerd wordt door de blauwe tijger. Het staat symbool voor de rijke Europese cultuur waardoor diep in de Zuid-Amerikaanse jungle een rechtvaardige samenleving floreerde gebaseerd op de christelijke beginselen. ❦ Het onverwoestbare van de Europese cultuur dreef sommige geesten voort in het spoor van de blauwe tijger: Borges, Chesterton en ook Döblin. Het verhaal rond deze voor de nazi’s naar de VS gevluchte joodse schrijver is in feite het verhaal van de blauwe tijger.[3] Samen met andere Duitse joden had hij in de jaren dertig zijn land verlaten. Zijn leven nam een nieuwe wending toen hij bij het zien van een kruis besloot christen te worden. Meteen volgde sociale uitsluiting door zijn voormalige marxistische lotgenoten. Een uitsluiting die zijn hele leven zou duren. Direct na de oorlog keerde Döblin echter terug naar Duitsland om daar tussen de puinhopen van een kapot land iets van de glans van het onverwoestbare terug te vinden, iets van de diepste lagen van de Europese beschaving. Waar Duitsers hun hoop en bestaansgrond waren kwijtgeraakt, moest een bekeerde en gevluchte jood hun laten zien dat niet alles was verloren en dat de brul van de blauwe tijger nog niet was verstomd. Blijkbaar kunnen alleen kreupele, blinde, gevluchte en uitgestoten zoekers de blauwe tijger zien zonder gek te worden. Getekend als ze zijn door het leven, aangeraakt door de dood. Hun neergeschreven bevindingen vormen de leidraad voor ons project. U bent beland bij Uitgeverij de Blauwe Tijger, maar ook in een klein dorp verscholen in de jungle. Tegenover het cynisme van de filosofie van de deconstructie, de moderne cultuur, en ‘de woestijnfilosofie’ (zoals Chesterton de islam in The Flying Inn typeerde) staat de blauwe tijger voor het geloof in de lente. Een lente die het begin inluidt van een reis die filosofische, literaire en culturele inzichten oplevert[4] waarmee het Europese rijk van goud kan worden bewaard. ❉   ❉   ❉ N O T E N [1] Zie: Alexander Rüstow, Das Versagen des Wirtschaftsliberalismus, 1945. Alexander Rüstow, Die Religion der Marktwirtschaft (1948) [2] Wie de afbeeldingen van de auteurs op deze pagina ziet, weet dat met blindheid en gekte hetzelfde wordt bedoeld. Zowel Borges als Döblin waren visueel gehandicapt. [3] Zie: Walther Muschg, De ontwrichting van de Duitse literatuur, Amsterdam (1974). [4] Miguel de Unamuno, Nicolás Gómez Dávila, Davila, Wilhelm Röpke, enz.