Wie reactionair is, is sowieso fout bezig. Of toch niet? Een paar maanden geleden las Wouter voor het eerst het werk van de reactionair Nicolás Gómez Dávila. En elke zin die hij las prikkelde hem of confronteerde hem met een ongemakkelijke waarheid – wat ons betreft hét teken van een belangrijke filosoof. Is de tijd dat we reactionairen simpelweg kunnen negeren dan voorgoed voorbij?

N.B. Dit essay stond eerder in het magazine Qualia van de faculteit wijsbegeerte te Groningen. Het is na ‘De authentieke reactionair’ de tweede publicatie over Davila in het Nederlands.



Colombia: het land is reeds modern geworden. Als we ons denkbeeldig naar Bogotá verplaatsen, dan worden wij geconfronteerd door opzichtige, nieuwe winkels, ontelbaar veel kantoorgebouwen, het gebrom van auto’s, en even verderop het kabaal van de inwoners zelf, waarvan velen zich in de meest extravagante kledij hebben gedost – het is immers carnaval, dus alles is toegestaan, hoe losbandiger hoe beter, op deze dag is het vulgaire heilig, vooral (mooie) danseressen. Kijk ze eens dansen! (Houdt het dan verdomme nooit op?)

Het is een vreemd gegeven dat het feestelijke, levendige Colombia het land van herkomst is van Nicolás Gómez Dávila, een man die noch bekend stond om zijn feestelijkheid, noch om zijn levendigheid. Integendeel, zijn kleine bekendheid in kleine kringen heeft hij te danken aan zijn weergaloze afkeer van de moderne wereld, en de manier waarop hij, met bijzondere helderheid, deze afkeer op papier heeft gezet: niet in dikke boeken, maar in duizenden aforismen. Alvast een voorproefje: “Man today oscillates between the sterile rigidity of the law and the vulgar disorder of instinct. He is ignorant of discipline, courtesy, good taste” en “If men were born equal, they would invent inequality to kill boredom.”

Zijn biografie is, jammer genoeg, even spannend als die van Thomas van Aquino. Gómez Dávila werd geboren in 1913, te Bogotá. De familie behoorde tot de hoogste kringen der maatschappij, omdat zijn vader de eigenaar was van een tapijtfabriek. Zo kon de hele familie prachtig wonen en comfortabel leven. Op zijn zesde verliet de familie Bogotá voor Parijs, waar Gómez Dávila studeerde en tot zijn 23ste verbleef. Toen keerde hij naar Bogotá terug en trad hij in het huwelijk met Emilia Nieto Ramos. Weldaar nam hij voor een korte periode de fabriek over, maar echt werken heeft hij nooit gedaan; het schijnt dat Gómez Dávila slechts één keer per week naar de fabriek ging om de manager mede te delen dat hij “de inkomsten moet verhogen” om vervolgens weer naar huis te gaan. Kluizenaar als hij was, wou hij niets anders dan zich verbergen in zijn immense bibliotheek, die uit meer dan 30,000 boeken bestond. Daar las en schreef hij tot diep in de nacht. Bijwijlen kwamen een paar vrienden op bezoek om te filosoferen. Hij stierf in 1994, in zijn bibliotheek. Franco Volpi, een Italiaanse bewonderaar van zijn werk, vatte op geestige wijze zijn leven samen in drie woorden: “Nació, escribió, murió” (Geboren, geschreven, gestorven).

Zijn uiterlijke leven mag dan wel ‘saai’ heten, zijn innerlijke leven was allesbehalve dat. Immers, zijn geschriften – die hij slechts in hele kleine oplagen voor vrienden en familie liet publiceren – getuigen van een zeer kritische geest, humor, en een bijzonder hartstochtelijk katholiek geloof. Men zou zijn stijl kunnen vergelijken met Friedrich Nietzsche, Léon Bloy en Emil Cioran. De rode draad in zijn werk is wat het betekent om in ons tijdvak een reactionair te zijn, ofschoon eigenlijk elk onderwerp wel aan de orde komt: democratie, kunst, industrialisme, vooruitgang, de staat, liefde, God, noem het maar op. Toch is er orde in zijn denken, en kunnen wij drie hoofdthema’s onderscheiden: religie, reactie en scepticisme.

 

De totale afhankelijkheid van God

Het is onmogelijk om de filosofie van Gómez Dávila te begrijpen zonder zijn godsdienstige opvattingen te begrijpen. Want zijn filosofie valt uiteindelijk terug op zijn strenge rooms-katholieke geloof, waar de mysterieuze, almachtige werking van God en de beperkte menselijke natuur centraal staan. Gómez Dávila meende, in tegenstelling tot de Verlichtingsdenkers en de moderne mens (die men wel het kind van de Verlichting kan noemen), dat we niet volledig autonoom zijn, maar dat we juist volledig afhankelijk zijn van Gods genade: “To depend solely on God’s will is our true autonomy”. Geloof is geen beperking van de vrijheid. Integendeel, het is juist een verrijking daarvan, want zonder het geloof is de wereld en daarmee het leven betekenisloos. Zonder het geloof is de mens geforceerd om te knielen voor valse goden, in de vorm van ideologieën, om het bestaan draaglijk te maken, of, beter gezegd, om niet krankzinnig te worden. Die ideologieën zijn kwaadaardig: “Where Christianity disappears, greed, envy, and lust invent a thousand ideologies to justify themselves”. Daarom zag Gómez Dávila de neiging van de moderne mens om de gehele, complexe werkelijkheid tot zichzelf te reduceren als een van haar grootste kwalen. In al haar ongeloof heeft de mens zichzelf tot heerser van de wereld gekroond, met in zijn rechterhand het bijgeloof van vooruitgang, en in zijn linkerhand de lat van de rede, waarmede hij gerechtvaardigd denkt te zijn om de wereld naar zijn hand te zetten. “Modern man has imprisoned himself in his autonomy, deaf to the mysterious sound of the surge that beats against our solitude” – en ondertussen verziekt de mens alles wat mooi is aan deze wereld, van culturen tot de schone natuur zelf. Zij bouwt voort naar haar einde, onwetend dat de afgrond nabij is.

Gómez Dávila is streng katholiek, dat is wel duidelijk. Maar hij is allesbehalve een slaaf van de katholieke kerk. Immers, Gómez Dávila had genoeg kritiek op de kerk. Zo erkende hij bijvoorbeeld dat de geschiedenis van de katholieke kerk veel zwarte pagina’s bevat en betreurt hij de manier waarop de kerk, in de nasleep van Vaticanum II, allerlei hervormingen invoerde, niet omwille van het geloof, maar omwille zo veel mogelijk zieltjes te winnen. Daarnaast kan men zijn geloof ook niet dogmatisch noemen. Het heeft eerder een fideïstisch karakter. Dat wil zeggen, Gómez Dávila benadrukt in veel van zijn aforismen juist de twijfel en de bewondering die noodzakelijk verbonden zijn met het geloof. Geloven is immers iets anders dan weten: “No principle is convincing and every conviction is uncertain. Faith is not a conviction, nor a principle, but naked existence… Faith is not knowledge of the object. But communication with it.”

 

De betekenis van het reactionair zijn

De rode draad van het gehele werk van Gómez Dávila is, zoals gezegd, wat het betekent om vandaag de dag reactionair te zijn. Het gaat er hier niet alleen om wat zijn opvattingen behoren te zijn, maar tevens hoe hij tracht te leven. Om erachter te komen wat het reactionair zijn wel is, is het nuttig om eerst na te gaan wat het niet is. Wanneer de meeste mensen aan een reactionair denken, denken zij waarschijnlijk aan iemand die “de klok wil terugzetten”, en die zowel vurig religieus als vurig intolerant is ten opzichte van andersdenkenden. Zoals we nu wel begrijpen is Gómez Dávila zeker vurig religieus. Maar mensen die vanuit een soort nostalgisch verlangen de tijd terug willen zetten vond hij minstens zo belachelijk als de vooruitgangsapostelen, die denken dat de mens in staat is om de geschiedenis in de richting van een utopie te sturen (mits we daarbij maar genoeg herrie maken en zo veel mogelijk eigendom vernielen, want dat is waar het allemaal op neerkomt, zo is het toch?).

Telkens weer zien we Gómez Dávila de moderne mens op de vingers tikken, door te wijzen op haar  volledige onmacht om de koers van de geschiedenis, die het bloed en de dood eigen is, te bepalen: “It is indecent, and even obscene, to speak to man of “progress,” when every path winds its way up between funerary cypresses.” De mens kan niet waarheidsgetrouw de geschiedenis ordenen; het zal altijd voor ons een willekeurig karakter hebben.‘Grote verhalen’ zijn slechts menselijke, simplificaties. Alleen God bezit kennis van het Mysterie. Wat echter wel zeker is, althans voor de katholiek Gómez Dávila, is dat alle ellende pas ophoudt in het Einde der Tijden, wanneer de Zoon des Hemels terugkeert op aarde, en Hij het Koninkrijk Gods vestigt… Maar voor die tijd zakken wij allen weg in het slijk der geschiedenis.

Daarom ziet de reactionair dat het onmogelijk is om de tijd terug te zetten. Naïef is hij dus niet. Intolerant is hij evenmin, want anderen terroriseren met jouw ideeën heeft geen zin en heeft veeleer rampzalige gevolgen. Wat de reactionair wel is, is de beschermer van cultuur: een van de weinige dingen, naast de liefde en religie, wat waardevol is te midden van onze door geld en status gedreven wereld. Cultuur – hier in de brede zin: kunst, tradities, zeden, waarden – is namelijk het enige wat zich nog, tot een bepaalde hoogte, kan onttrekken aan het kapitalisme en het rationele denken. Beide zijn systemen die ofwel alles tot een geldsom maken, ofwel alle dingen zodanig ordenen dat het mooie, mysterieuze karakter ervan verdwijnt. Desalniettemin erkent Gómez Dávila dat deze ‘conservatiemissie’ zeer waarschijnlijk tevergeefs is, gezien de weg van de geschiedenis. Ook de reactionair is uiteindelijk maar een mens, met al haar beperkingen, die eenzaam in de woestijn schreeuwt. “The reactionary today is merely a traveler who suffers shipwreck with dignity… that fool, who possesses the vanity to judge history, and the immorality to come to terms with it.” Toch is zijn verzet niet nutteloos, meent hij, zolang hij op de kracht van God vertrouwt. Enkel een wonder kan ons redden van de afgrond.

Moderne mensen overtuigen van het reactionaire denken via argumenten is zinloos. De reactionair kan enkel hopen dat anderen zich bekeren, of op zijn minst achterdochtig worden, zodat zij, met hem, in kalmte en duisternis, het juk der moderniteit van zich afscheuren, en bidden tot Hem die waarheid zijt. Misschien heeft hispanoloog Robert Lemm de betekenis van het reactionair zijn nog het best weten te verwoorden: “Hij kijkt niet vooruit, en niet achteruit, maar naar boven, naar de sterren en de hemel; naar de sporen die de Eeuwigheid heeft achtergelaten in de Tijd.”

 

Zekerheid in scepticisme

Gómez Dávila is een zeer ‘stellige’ schrijver. Daarmee bedoel ik dat hij dingen niet uitlegt, of heel expliciet argumenten uiteenzet. We zouden hem daarom kunnen betichten van dogmatisme. Wellicht ook van hoogmoed. Deze kritiek is begrijpelijk, dus er moet een antwoord op geformuleerd worden. Het antwoord schuilt, mijn inziens, enerzijds in de functie van het aforisme voor Gómez Dávila, en anderzijds in zijn filosofisch scepticisme.

Gómez Dávila was ervan overtuigd dat men geen dikke boeken behoeft te schrijven om de waarheid te verkondigen; ook een paar scherpe zinnen kunnen diezelfde functie vervullen, op een manier die vaak directer en grootser aanvoelt. De kracht van het aforisme is dan ook dat er zo veel meer mee gezegd wordt dan in eerste instantie het geval lijkt te zijn. Want het aforisme refereert, zij het impliciet, aan andere waarheden. Samen vullen ze elkaar aan en worden ze in de juiste context geplaatst. Het aforisme is daarom te vergelijken met het licht van de opkomende zon, die ons ertoe aanzet om het verborgen landschap te verbeelden. Niettemin blijven het fragmenten, die slechts een deel van de waarheid uitdrukken. Velen zien dit als een probleem. Gómez Dávila meent echter dat dit helemaal niet het geval is. Grote filosofische problemen – zoals het bestaan van God of een objectieve morele orde – hoeven niet altijd opgelost te worden: “Metaphysical problems do not haunt man so that he will solve them, but so that he will live them”. De zoektocht naar ‘ware oplossingen’ is belangrijk, maar minstens even belangrijk is dat de mens in een continue dialoog staat met de wereld en de ideeën die hij heeft over de wereld, zonder tot hoogmoed te vervallen. Deze houding van Gómez Dávila expliciteert zijn scepticisme, aangezien hij van mening is dat onze vermogens met betrekking tot kennisverwerving uiteindelijk weinig voorstellen.

Gómez Dávila’s aforismen moeten wij dus niet opvatten als een dogmatisch systeem. Het zijn eerder losse fragmenten die met elkaar losjes verbonden zijn. Daarom kunnen we zijn vele, vaak meedogenloze stellingen niet als dogmatische geboden beschouwen. Die zijn slechts het eindpunt van Gómez Dávila’s persoonlijke zoektocht naar de waarheid. Daarbij was originaliteit nooit een doel op zich: het ging er enkel om, datgene proberen te schrijven wat al in de hemel geschreven staat, maar wat mensen in onze tijd zijn vergeten. Aan het einde van zijn leven grapte hij: “My convictions are the same as those of an old woman praying in the corner of a church”. Het mag gezegd worden: deze vergeten filosoof kent zijn plek.


Literatuur

Lemm, R. (2014). De Authentieke Reactionair. Groningen: Uitgeverij De Blauwe Tijger.

http://don-colacho.blogspot.nl/ (– Voor de engelse vertalingen van alle aforismen van Nicolás Gómez Dávila; daar vindt u overigens ook andere informatie over de man waaronder een biografie en essays.)