Het tijdschrift Onze Taal heeft zowat 33.000 abonnees, van wie een behoorlijk deel in België/Vlaanderen. Dat is erg veel voor een taalkundig tijdschrift dat zich o.m. ten doel stelt het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. De scholingsgraad van de Vlaamse bevolking ligt hoog en ook kranten besteden regelmatig aandacht aan het Nederlands, aan het nut van de Taalunie, aan de ondertiteling van Vlaamse films, aan de bastaardisering van onze taal, aan het feit dat we tot een middelgroot taalgebied behoren. In sommige kranten beschikte men tot een paar jaar geleden zelfs nog over een soort taaltuinier, maar dat werd postmoderngewijs algauw als oubollig gekwalificeerd. Het jaarlijks terugkerende taaldictee, zowel regionaal als binationaal, zowel kleinschalig als grootschalig, heeft een immens succes: degenen die anders alleen maar naar voze spelprogramma’s kijken, halen balpen en papier te voorschijn en beginnen frenetiek te noteren, alsof een correcte spelling het hoogste is wat men in een mensenleven kan bereiken. En dan is er de immer geestige weblog van de Taalprof, een anonymus die van taalkundige wanten weet en die door al zijn artikelen een soortement plezier jaagt dat aanstekelijk werkt. Er zijn verschillende taaltelefoons, en die worden gretig geconsulteerd. Er zijn de vele taalwebsites. Woestijnvisacteur Bruno Vanden Broecke stelt zich in een interview de vraag wat écht belangrijk is. Naast gezin en vrienden, noemt hij taal, en terecht – maar ondertussen spreekt hij wel over ‘ingangsexamen’ en ‘theatermiddens’. Die alomtegenwoordige belangstelling voor taal heeft er intussen meestal niet toe geleid dat de zogenaamde aandacht die de Vlaming heeft voor taal, van een dusdanige oprechtheid en kwaliteit is dat hij die ook zou verzorgen. Taaltuiniers: dat is immers iets van vroeger, dat was modern, uit de stal van de volksverheffing. Nu zijn we postmodern bezig en dan mag alles, ook in taal. Er was een tijd dat de onverwoestbare politiek columnist van de NRC, Jerôme Heldring, elke week opmerkte hoeveel taalfouten er in de krant hadden gestaan. Die tijd is voorbij: nu maalt men niet meer om een taalfoutje meer of minder. De correctoren had men al gedefenestreerd, de taaltuiniers werden als frikkerige schoolmeesters gelabeld.

Men kan dus niet beweren dat taal onverschillig laat, al denkt de modale Vlaming nogal snel dat hij correct spreekt “als hij maar een juiste uitspraak hanteert”. Onze Vlaamse minister-president is daarvan een heus exemplaartje, met een uitspraak die soms wat Hollands aandoet, maar die de ene taalfout na de andere opstapelt. Het paradoxale is echter dat vooral journalisten en academici vandaag een veel beter Nederlands schrijven (niet spreken!) dan vroeger maar dat ze toch veel traditionele taalfouten blijven maken. Hun taal is er qua stilistiek, vergeleken met veertig of vijftig jaar geleden, enorm op vooruitgegaan, maar hun Nederlands blijft doortrokken van incorrect taalgebruik. Een taalboek als dat van Penninckx en Buyse is aan hen niet besteed. Ze blijven dus ‘wetten stemmen’ en ‘ze doen veel inkt vloeien’, ze blijven ‘gevoelig aan’ en gebouwen blijven ‘ingehuldigd’, hun ‘objectief’ blijft het aanleggen van ‘een rond punt’. Enfin, wie elke dag kranten leest of naar de radio luistert, heeft er een hele dagtaak aan. Ik wil in dit essay niet aan ‘naming en shaming’ doen, maar het zou wel al te makkelijk en gratuit zijn taalmolest aan te klagen en nooit eens te verwijzen naar een cultuurbobo. Wie in dit stukje figureert, moet niet boos worden: hij of zij staat immers heel even model voor de doorsneejournalist, de doorgestudeerde academicus, de wauwelende politicus of de postmoderne cultuurpaus. De luttele voorbeeldjes die ik citeer zijn de vrucht van wat hapsnap, oppervlakkig mediascannen, want indien men dat ‘scrutineus’ zou willen doen en over een langere periode, zou één nummer van Gierik/NVT bijvoorbeeld niet toereikend zijn. Wie zijn linguïstenhart wil tarten, jennen of stangen, moet ’s morgens op de VRT beslist naar De Ochtend luisteren, ofschoon je de hele dag je hartje kunt ophalen. Ik heb dus bewust niet op alle mediataalslakken zout gelegd. Dat niemand zich dus geviseerd voele. Voor elke cultuurmens die ik noem, staan er onmiddellijk tien klaar om het estafettestokje gretig aan te nemen.

De merkwaardige situatie doet zich echter voor dat tweehonderd jaar taalemancipatie (laten we voor het gemak even bij de 18de-eeuwse advocaat Jan Baptist Verlooy beginnen) en latente bekommernis om het Nederlands, er uiteindelijk toe hebben geleid dat niet alleen de modale Vlaming nieuw-koeterwaals spreekt in de vorm van het al vaak gesignaleerde Verkavelingsvlaams, maar dat ook doorgestudeerden, journalisten, nieuwslezers, professoren, cultuurvertegenwoordigers, kunstenaars, bedrijfsleiders, communicatiespecialisten, schrijvers, politici, onderwijsmensen, kortom het culturele puikje, of wat in een andere era het establishment werd genoemd, een taaltje spreken dat niet alleen idiosyncratisch is en postmodern (ieder zijn eigen taal!), maar dat vooral euforisch, gemakzuchtig, leuk, zelfvoldaan, modieus, kakkineus en nonchalant is, waardoor d’onacht waarover de Brabander Verlooy sprak, een nieuwe dimensie krijgt. Het is alsof diens eerlijke woorden in een tijd die vol is van narcistische zelfemancipatie geen enkele draagkracht meer bezitten. In de 19de eeuw kon men nog trots zijn op het Nederlands. De dichter Frans de Cort kon stellig beweren ‘O, mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch, dat houd ik steeds in eere’. De man meende het en het maakt van hem vandaag bijna een prehistorisch wezen, iemand die in het grote verhaal van bevrijding geloofde. De een was, zoals bekend, meer op Nederland geaxeerd, op het ‘gemyn goed’ van beide taalgemeenschappen, het Vlaamse en het ‘Hollandse’, de ander meer op het Vlaams, maar al deze lieden geloofden dat een verzorgde en correcte taal een pure conditio sine qua non was. Kom daar vandaag eens om!

Tot de jaren zestig van de 20ste eeuw sleepte het grote moderne taalverhaal zich voort, met een schrijver als Jeroen Brouwers, die zowat de helft van alle Vlaamse romans herschreef, met iconen als de pijnlijk articulerende Fons Fraeters, de wat nuffige Annie van Avermaet en de stijfdeftige Marc Galle, in de jaren zeventig tachtig afgelost door de blauwe brieven van taalbeul Eugène Berode. Die sleepte zijn taaltrots nog mee naar het eind van de eeuw, mompelde nog wat over tussentaal, maar dan was het gedaan. Vanaf dan gingen de taalremmen, die vanaf de jaren zestig al waren afgesleten, volledig los: anything goes werd het devies van een pomogeneratie, de kinderen en kleinkinderen van de taal- en andere bevrijders van de jaren zestig. De generatie ’68 wilde immrs niet alleen het kapitalisme verslaan, ze introduceerde ook een al bij voorbaat obsolete, neomarxistische woordenschat die, naar later zou blijken, Orwell in de schaduw stelde en Gramsci navolgde. Spraken Fraeters en Van Avermaet als ‘volksverheffenaars’ nog traag en plechtstatig omdat ze verstaan en begrepen wilden worden, dan slikt men nu letters in, spreekt iedereen zowat zijn eigen ADHD-taal, is joligheid een pluspunt en gaat het staccato. Wie ’s morgens naar de klassieke zender Radio 4 luistert en Maartje van Weegen hoort kakelen, weet niet wat hij meemaakt: Maartje spreekt nauwelijks één woord helemaal uit, slikt woorden in, is de achteloosheid en de slordigheid zelve, en is soms nauwelijks verstaanbaar. Dus ook Nederland wordt geïnfecteerd door het postmoderne virus: het komt er immers allemaal niet zo op aan! Vroeger wilde de Vlaming ook via zijn taal aan volksverheffing doen, terwijl hij/zij vandaag zo individualistisch is geworden dat hij ervan uitgaat dat iedereen zowat zijn eigen taal mag spreken. Het vreemde daarbij is, dat niemand zich nog bewust is van enige taalfout: de Vlaming is de taalfout ver voorbij. Hij is op een rare manier geëmancipeerd, gede-emancipeerd als het ware. In een ‘Brief van de Dag’ in de Standaard van 31 maart 2011 merkt filosoof en ethicus Etienne Vermeersch nagenoeg hetzelfde op: “Ik ben eveneens diep beschaamd dat het Algemeen Nederlands, waarvoor wij sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in ABN-kernen gestreden hebben, het in allerlei contexten, zelfs in het theater, moet afleggen tegen een (veelal onzuiver) dialect aan de ene kant en een ‘wete-gij’-Vlaams aan de andere kant’; voorts spreidt hij een soort heimwee tentoon naar de tijd dat Vlaamse ambtenaren behoorlijk Nederlands praatten, toen het taalgebruik in de Vlaamse media nog onder druk stond van de modernistische idee van een ‘Algemeen Nederlands’. Vanaf de jaren tachtig echter begon de ADHD-verslonzing, de verkleutering en de ‘opleuking’ van het taalgebruik, een evolutie die parallel liep aan de intrede van het postmodernisme in de samenleving. Dat had een broertje dood aan hiërarchieën, was gecharmeerd van het gezagsloze, de wanorde en het relativisme, een ontwikkeling die al lang in gang gezet was door de soixante-huitards, en die nu haar apogeum bereikte bij hun kinderen en kleinkinderen.

Vlaanderen, zo dachten velen, was geëmancipeerd, bezat culturele autonomie en véél meer; vanaf dan echter begon ook het grote taalbashen, de wilde individualisering van de taal, de afbraak van de idee dat er regels zijn, het diaboliseren van het normatieve, spijts alle zogenaamde interesse voor het Nederlands. Het was en is een deel van het postmodernisme, het weren van elk groot verhaal, dat als onderdrukkend wordt gepercipieerd. In het vervolg had ieder zijn of haar eigen verhaal, modieus- deconstructivistisch ‘narratief’ genoemd, zijn of haar eigen opinietje. Ook het normatieve in het Nederlands werd gedegradeerd, zoals alles naar de filistijnen werd geholpen, want ook op andere gebieden sloeg de grote Kladdaradatsch toe: het gerecht functioneert niet, de wegen liggen er slecht bij, de treinen rijden niet op tijd, het onderwijs werd in goede sovjettraditie een pensée unique/pravda opgedrongen, waardoor onder elke school een veenbrand sluimert, de immigratie is bandeloos, nieuwe vormen van criminaliteit krijgen alle kans, de wetgevende macht is permanent onderhorig aan de uitvoerende macht, het juridisme houdt het fatsoen in een houdgreep terwijl het zelf aanvoert de rechtsstaat te beschermen, de bonussencultuur tart elke ethica, enzovoort, enzoverder. Het postmoderne levensgevoel leidt op die manier tot een bananenrepubliek. Ook de taal dus werd postmodern, anomisch, antinormatief, slordig, idiolectisch. Was en is dat erg? Taalkundig beschouwd kan men stellen dat taal leeft, en dus voortdurend verandert, dat regels vaak archaïsch en willekeurig zijn, dat een taalgemeenschap voortdurend evolueert, dat bepaalde taalfenomenen die vroeger als fout werden aangemerkt vandaag als correct worden beschouwd, dat klachten over taalverval en taalverloedering van alle tijden zijn, dat taalpausen hun status natuurlijk zelf dik in de verf zetten en con gusto als hogepriesters voor het taalaltaar fungeren. Maar is er toch niet meer aan de hand?

Dat een bedrijfsleider (namen zat) het Nederlands door de hakselaar draait: het is bekend, het verwondert ons al lang niet meer en men kan het nagenoeg elke dag op de treurbuis meemaken. Dat politici een eigen sloom idioom hebben ontwikkeld, geen volzin kunnen brouwen, Vlaams of Brabants spreken: geen hond kijkt er van op. Een modale Vlaming hoort het niet eens en zal in het beste geval eens glimlachen wanneer het koeterwaals of het ‘decroïsme’ hem/haar bekend voorkomt. De meeste ministers of parlementsleden slagen er immers niet in een zin met twee voegwoorden correct te laten eindigen, doorspekken hun lingo met rare eigen vondsten en larderen ze met wat treurige gallicismen, maken zelden een zin af of spreken het eigen dialect in veredelde vorm – en dat na tweehonderd jaar taalstrijd (cf. ut supra J.B.Verlooy). Sommige tv-presentatoren van wie de joligheid van het scherm spat, hebben zelfs een eigen kakelend en schaamteloos idiolectje gecreëerd dat tenenkrommend vals is: het Ben Crabbés, of het Bart de Pauws, of het Peter van Asbroecks, bijvoorbeeld. Iemand als de fotografe Lieven Blancqaert spreekt gewoon wat gekuist Gents, het Blancqaerts. Niemand die zich nog realiseert dat in ‘idiolect’ het Griekse woord ‘idiootès’ zit…. Dat een bekende kunstschilder een eigensoortig, dialectisch gekleurd, agressief brabbeltaaltje hanteert, kan men hem misschien nog vergeven: tenslotte is de Vlaming een plastisch kunstenaar, een verteller met beelden, niet met woorden, en dialect is, zoals de dichter Koos Geerds ooit zei ‘een taal zonder grootspraak’. Laten we dus mild zijn voor deze species. Als in een parlementaire onderzoekscommissie zowat de hele fauna en flora van het menselijk ras aan bod komt, wordt men bevestigd in zijn treurigheid: niemand, maar dan ook niemand slaagt erin fatsoenlijk Nederlands te brouwen. Wat taal betreft komen al deze citoyens au-dessus de tout soupçon uit het buitengewoon onderwijs. Maar laten we clement zijn: deze anti-Demosthenessen leven niet van taal alleen, al blijft het verwondering wekken waarom Nederlanders wél kunnen wat de modale Vlaam niet kan: fatsoenlijk praten, i.e. zonder al te veel fouten. Oké, ze zeggen dan misschien wel ‘fessoenlijk’ en ze jammen door hun taal behoorlijk wat Engelse modetermen, maar ze kunnen in volzinnen spreken. De eerste de beste ‘Hollandse’ coureur – en hij hoeft niet eens Maarten Ducrot te heten – steekt elke Vlaamse politicus in zijn zak, de achterzak van zijn maillot (een woord overigens dat de timide Vlaming doet huiveren, want Franse inslag).

Dat schrijvers, journalisten en academici, mensen die van en met hun pen leven, hun eigen taal zo schabouwelijk uitbraken: dat is pas merkwaardig. Hun taal immers is hun gereedschap, ze hebben er vaak voor doorgestudeerd, maar slagen er toch niet in een zin foutloos uit te spreken of neer te schrijven. Is wat ik hier beweer niet wat overdreven? Gebruiken zij hun prima materia dan niet feilloos, zoals men zou verwachten? Ik heb het gedurende een jaar elke dag geturfd: radio, tv, kranten, en hun bedienaars, het maakt niet uit, ze zijn allemaal in hetzelfde bedje ziek. Geen journalist die eraan ontsnapt. En het kan alleen maar erger worden. Was de oudere generatie nog min of meer geporteerd om zo correct mogelijk te praten en te schrijven, vanaf de jaren zestig werd in het onderwijs de grote communicatiemantra van kracht en was het voldoende dat we elkaar begrepen, of dat we ‘het’ konden lezen. Het normatieve werd bij de vuilnisbelt gezet, net zoals dat in de maatschappij gebeurde. Anomie werd de regel. Nieuwe generaties werden met die neurotische dwanggedachte opgevoed door leerkrachten en docenten die zelf geen taalkundige sense of urgency meer bezaten, waardoor jongere leerkrachten met een raar soort virtuositeit een roedel fouten aanbrengen in een simpele tekst en het bestaan een zin met drie voegwoorden onleesbaar te vinden. In de jaren negentig werd de onderwijsmalaise nog vergroot door de introductie van een nieuw toverwoord: competentieonderwijs, een gedachteloze zet waarvan men in Nederland nu toegeeft dat het niets heeft opgeleverd, tenzij misère. Ooit vroeg een collega-docent aan de Lerarenopleiding me om een goed boek. Ik gaf hem Hans Achterhuis’ ‘Het rijk van de schaarste’. Na een half jaar gaf hij het me bedremmeld terug: het was te moeilijk… Met zulke docenten bouw je de achterlijkheid in je onderwijs in, maar in het kader van een verkeerd begrepen democratisering en van een dom gelijkekansenbeleid moest ook een hond met een hoge hoed een diploma kunnen verwerven. Politici en onderwijsadministratie verrichten met dit beleid eigenlijk een sovjetexperiment op de bevolking. Dit soort processen komt inderdaad neer op een maakbaarheidsproeve die men loslaat op kinderen: vanuit de onderwijsgremia, aangestuurd door de politiek en door modieuze strijdkreten, legt men wereldvreemde oekazes op die ingaan tegen elk gezond verstand. “To rub their noses in diversity”, zoals een van de spindoctors van Blair het formuleerde. Tijdens dit experiment wordt heel veel van de leerkrachten gevraagd (ze moeten bijvoorbeeld mini-antropoloog zijn), maar leren en hard studeren is daar niet bij. Alleen competenties immers tellen. De brave leerkrachten – ik noem ze de nieuwe heiligen – ondergaan gelaten deze gevaarlijke onzin waarvan niemand beter wordt en trachten er het beste van te maken, maar ook zij zijn het slachtoffer van een voortdurende en gevaarlijke experimenteerdrift en van een niet als dusdanig erkende criminele attitude. Ook het Nederlands wordt daar slachtoffer van. De Tocqueville, aan wie iedere politicus vandaag refereert, terwijl niemand hem heeft gelezen, had ons al gewaarschuwd voor de kinetiek van het egalitarisme, maar het onderwijs heeft niet geluisterd. Het wentelt zich in de roes van egalitaristische en multiculturalistische idealen, maar heeft een broertje dood aan het realiteitsprincipe.

Elke taalkundefaculteit die naam waardig, klaagt erover dat de nieuwe studenten geen zin op papier krijgen, zodat heel wat professoren en docenten hun tijd moeten invullen met het bijspijkeren van hun studenten met elementaire linguïstische vaardigheden, met grammatica, met spelling. Navrant is ook dat geïnteresseerde leken, zakenmensen of leerkrachten altijd maar weer hun verbolgenheid richten op spelfouten, terwijl dit taalonderdeel au fond het minst interessante facet van de taal is; ondertussen herkennen ze zelfs de grofste taalfouten niet eens en spreken en schrijven ze zelf tussentaal, vertaald Frans, idiolect of koeternederlands. Over spelling trouwens had Mark Twain zijn banbliksems al gestort in een scabreus-brutaal werkje, en welke spellingdiscussie ook die later volgde, in welk land ook, is slechts een variante op wat Twain al zo gevat had uiteengezet in verband met wat hij ‘foolish English’ had genoemd. Als men al ‘aan taal doet’ richt men zijn pijlen op bijvoorbeeld de toenemende vloed van Engelse termen, alsof woorden en begrippen uit die nieuwe lingua franca, ondanks hun snobappeal en een gebrek aan taalcreativiteit, het Nederlands niet zouden kunnen verrijken/upgraden!

Op het moment dat ik dit schrijf, krijg ik van een bekende uitgeverij een uitnodiging voor het zoveelste nieuwe handboek Nederlands “met een volledig nieuwe methode”, waarbij opgemerkt moet worden dat er op den duur meer methoden zijn dan leerkrachten om ze toe te passen. De eerste zin luidt: “Vorig jaar gingen de nieuwe leerplannen eerste graad in voege”. In die eerste zin staat – in een nieuw handboek voor het Nederlands! – al een gallicisme. Moet men daar zwaar aan tillen, aan deze nieuwe vorm van ‘anything goes’? De toevoeging “met een volledig nieuwe methode” zou al een omineus teken geweest moeten zijn, want om het jaar worden in onderwijs nieuwe methodes ‘uitgevonden’, maar nooit is het Nederlands, ondanks een hoge scholingsgraad, zo erbarmelijk geweest. Door uitgeverij Plantyn word ik uitgenodigd voor ‘onze Taaldagen Nederlands 2011’, en hop: in de derde zin van de brief staat al het soort taalfout waarvan elke eerstejaarsneerlandicus wéét: dit zit niet goed! ‘In voege’ is een klassieker: zelfs De Standaardjournalist Guy Tegenbos, die toch een zindelijke manier van schrijven en denken heeft, spreekt over ‘in voege komen’, kun je nagaan! Maar misschien doet men aan de universiteit al lang niet meer aan taalzuivering. Dat is ook zo’n ouderwets begrip. Ten overvloede: moet men daar zwaar aan tillen, aan dit soort taalfouten? Ik til er bijzonder zwaar aan, en wel om een heel andere reden.

Ik schreef al dat vanaf de jaren zestig het normatieve werd losgelaten. Die volgens ons negatieve ontwikkeling betekent echter niet dat we tegenstander zouden zijn van het feit dat in de standaardtaal evenwaardige varianten bestaan, woorden en uitdrukkingen die tot stand zijn gekomen binnen een bepaalde cultuur; heel wat ‘Vlaamse’ woorden en uitdrukkingen kunnen als standaardtalig worden aangemerkt. Daarover gaat het dus heus niet. Als een Vlaamse leerkracht spreekt van ‘brugklassen’, dan is dat niet minder correct dan het Nederlandse ‘schakelklassen’. Hoe ver men daarin te ver kan gaan, is à la limite geen taalkundig besluit. De ene taalpurist zal gruwen van het woord ‘pennenzak’, de andere taaltuinier zal het typische onderwijsbegrip ‘deliberatie’ een niet te versmaden en dus verrijkend franciserend woordje vinden. Fluovestjes of veiligheidshesjes: het zal me een zorg wezen, al begrijp ik dat sommige taalfrikken van oordeel zijn dat hier de poort wagenwijd wordt opengezet voor ‘d’onacht der moederlijke tael’. Wie ook dàt soort typisch Vlaamse woorden wil weren, moet zich niet beroepen op het normatieve: woordenschat verschilt overal en zolang het grootste deel ervan gemeenschappelijk is, is er niks aan het handje. De woordenschat van de vroegere DDR en die van de Bondsrepubliek was vaak ook niet dezelfde, die van Canada of Australië verschilt soms van die van de VS, en vaak kan men dat als een verrijking beschouwen.

Ik herinner me dat de redactie van De Gids een jaar of twintig geleden het woord ‘godendeemstering’ in mijn essay schrapte, niet omdat het te ‘germanistisch’ zou zijn of ouderwets, maar wel te Vlaams, terwijl het precies aangaf wat ik wilde zeggen. Het is niet alleen een mooi woord, een beetje Duits angehaucht, maar het is zeer zeker ook een verrijking vanuit de archaïsche nevelen van de taaltijd. Het gebruik van dit soort woorden splijt de ‘eenheidstaal’ niet in twee talen. Ze vullen elkaar op die manier juist aan en maken het Nederlands krachtig. Vandaag echter ondergaat die eenheidstaal een verspintering in tientallen luie subtalen, idiolecten en taalongerechtigheden. Dit hele proces van postmoderne en nonchalante taalanarchie komt voort uit een taalonverschillige houding die ontstaat vanuit een zelfgenoegzame luiheid; nog erger is het als die indolentie toeslaat bij mensen die met taal werken: journalisten, cultuurmensen, politici, communicatiespecialisten. Bij hen moet het normatieve zo veel mogelijk usance zijn, bij hen moet het Nederlands feilloos zijn, maar juist zij verkwanselen hun taal, drijven op modieuze wauwelgolven, de taalkundige idiotieën waarmee hun spreken doordrenkt is, zijn legio en soms gebruiken ze zelfs onbewust de taal uit satirische programma’s om een gewone mededeling te doen. Als la Tanghe, de ankervrouw van de VRT die door de Taalunie middels prijzen wordt opgevrijd, uitdrukking wil geven aan haar gevoel van monkelende verontwaardiging, zegt ze met een zekere ironie: ‘Kijk es an’, een clausje dat direct refereert aan en overgenomen wordt uit het onovertroffen programma In de Gloria, waarin een opdringerige en op sensatiebeluste ‘veldreporter’ wordt gepersifleerd. Men bekijkt dus een of ander zwakzinnig infotainmentachtig televisieprogramma. Dat wordt terecht belachelijk gemaakt door de rasacteurs van In de Gloria, en dat wordt dan weer krachteloos en een beetje bête overgenomen in een ernstig gesprek tijdens het journaal. Als diezelfde ankervrouw even haar tekst niet opleest, maar gedurende twee seconden moet improviseren, gaat ze onmiddellijk in de fout. Bij het zien van ons Palestijnse Kuifje te velde, Rudi Vranck op het Tahrirplein, zegt onze VRT-passionaria en moeder van alle nieuwsankers bezorgd: “Dag Rudi, ik ben blij van je te zien”. Negen spontane woorden en het loopt al mis, en ook spreekt deze vriendelijke tante, wier gelaat haar af- of goedkeuring van het ter sprake gebrachte onmiddellijk verraadt, van ‘aan verminderd RSZ-tarief’. Ouwe VRT-rot Dirk Tieleman gaat voor VT4 werken en wordt door De Standaard geïnterviewd. Zoals elke rechtgeaarde Vlaming spreekt hij van ‘zo’n interessante mensen’ – geen hond die het opmerkt, en al zeker niet de journalist die het interview moet uittikken. Maar ook Tom Naegels weet niet dat het meervoud van zo’n ‘zulke’ is. Reken maar dat de modale journalist van De Morgen of De Standaard zulke fouten niet eens ziet, of het nu de buitenlandcommentator is of de literatuurrecensent, want zelfs die laatste ‘galliciseert’ zich rot (Mark Cloostermans in De Standaard: toegangsexamen). Jeroen Brouwers moest jaren geleden de manuscripten van vele bekende Vlaamse auteurs op taalfouten nakijken. Hij schrijft daarover op een openhartige, vileine, brisante en pittige manier in zijn Brievenboeken , maar je voelde het al aan: dit komt nooit goed, en inderdaad, wat Brouwers toen aanklaagde, duikt vandaag nog steeds op. Is het dan nu niet een ietsepietsie beter? Vast wel, zeker journalisten schrijven beter, al blijven zij en vele Vlaamse romanschrijvers toch vaak dezelfde taalfouten maken. Ze blijven in hetzelfde taalbedje ziek. Dat is wat vreemd, want stel dat zo’n Vlaams auteur of journalist een brief in het Frans moet schrijven, dan zal hij met de tong uit de bek zijn uiterste best doen om dat foutloos te doen, ook al moest hij/zij door de hele Robert of Grevisse fietsen. Voor de eigen taal geldt dat blijkbaar niet. De intuïtie is: het is mijn moedertaal, dus dat zit wel goed. Maar het blijft aanmodderen met dat Nederlands: iedereen legt klacht neer, spreekt van ‘de’ moment (Lisbeth Imbo op VRT-radio, journalist en fascismebestrijder Tom Cochez in de krant, politicoloog Rik Coolsaet op VRT-televisie), zowat heel het journalistengilde heeft het over de Obama-administratie , over de frontpagina en ‘van zodra’ (Reynebeau), nagenoeg iedereen denkt dat het voltooid deelwoord van aanzien ‘aanzien’ is (aangezien dus), zelfs Lieven van den Haute, die ook ‘op het eerste zicht’ zegt en voorts wat dialectgekleurd en populistisch stamelt over ‘ne still op een foto’; voor velen zijn de media enkelvoud (opnieuw Lisbeth Imbo), Bart Sturtewagen spreekt van ‘ons nieuwe thuishaven’, Peter Vandermeersch en minister Crivit spreken van ‘aan ons vrienden ter beschikking te stellen’ en ‘in ons maatschappij’, het is voorts altijd ‘de bedoeling van iets te doen’ en ‘ bereid zijn van iets te doen’, en elke minister spreekt van betoelaging i.p.v. subsidie; vaak hoort men taalwerkers die beter zouden moeten weten ‘hij wilt’ zeggen, bijvoorbeeld Rik van Cauwelaert (wie inzicht wilt verwerven, en: wie wilt meeregeren moet zwaar inboeten op zijn of haar partijprogamma), maar zelfs in de ondertiteling van Mat Bijt Hond is het van dattem: het groteske daarbij is, dat men ondertitelt omdat de opgevoerde persoon een dialectgekleurd taaltje spreekt en dus niet goed verstaanbaar is! ‘Van zodra’ i.p.v zodra is dus ook een voltreffer, zeker bij onze correspondent uit Peking, Tom van de Weghe; schrijver Joost Vandecasteele hanteert zijn taal als een soort pidgin en vraagt ‘hoe noemt dat?’ , Wouter Vandenhaute spreekt zoals de mensen die hij laat opvoeren in Man Bijt Hond over ‘sterker dan ons’, voor velen is het ‘had geweest’ i.p.v. ‘was geweest’, Bart Brinckman weet niet dat je niet ‘aan een snelheid’ maar ‘met of tegen een snelheid’ rijdt, hij denkt als niet-agrariër dat een vork ‘aan de steel zit’ en schrijft steevast ‘van zodra’, Lieven Verstraeten meet zoals elke geretardeerde Vlaming ‘met twee maten en twee gewichten’ en radiojournaliste Veerle de Vos kakelt unverfroren ‘net als ons’. Boontje mocht in zijn meesterlijke proza over ‘wolfijzers en schietgeweren’ schrijven, en de fijnzinnige Richard Minne mocht het als titel van een mooie dichtbundel gebruiken, maar laten we overeenkomen dat voetangels en klemmen voor de gewone journalist of academicus volstaan. Men spreekt ongegeneerd zinnen uit met ‘voor’ i.p.v. ‘om’ (Wéér Lisbeth Imbo, het spijt me enorm, maar ze orakelt het soort zin ‘ik ga naar huis voor te eten’), Rondas heeft het unverfroren over ‘een wet stemmen’ (maar ook onze Lisbeth Imbo stemt allerlei wetten) en ‘onder de vorm van’, elke journalist heeft het over ‘hoe dat wij omgaan met’ of ‘hoe dat wij begrippen manipuleren’ of ‘hoe dat we kunnen komen tot’, of ‘aangezien dat wij moederziel alleen staan’, of nog, over ‘de kost van levensonderhoud’, of over vervoegen als het gaat over zich voegen bij. Talloos veel tientallen die elke dag met taal werken ‘vervoegen de troepen’, bijvoorbeeld. Hoe zou je dat zoal doen, de troepen vervoegen? Ik troep, jij troept, hij troept? Zelfs een literatuurcriticus als Mark Cloostermans schrijft ‘waar hij de wachters vervoegt’. ‘Wachters vervoegen’, het is kras, maar bij deze literatuurcriticus ‘stellen zich ook problemen’! Geert Sels van De Standaard denkt dat cliënteel een ‘het-woord’ is, dat ‘betoelaging’ en ‘zo’n fraaie uitdossingen’ correct Nederlands zijn; hij schrijft vertaald Frans als hij ‘in voege zijn’ gebruikt, maar dat doet zijn baas, Guy Tegenbos, zoals reeds gezegd, ook. Nog volgens Sels is een ‘product te bekomen’. Tom Heremans ‘spant rechtszaken in’, Maarten Goethals ‘voorziet opvang’ en ‘doet beroep op’, en Wouter Hillaert heeft het over ‘begoede’ personen. Bart de Wevers lieftallige assistente, Liesbeth Homans, heeft het over een faling (faillissement) en over ‘positiever als’. Wie het nog erger wil: ‘positiever als mij’, je hoort en ziet het vaak. Journalist Tom Ysebaert heeft het vlotjes over een ‘toegangsexamen’, sportcommentator Michel Wuyts spreekt van ‘doorwinterd’ i.p.v. ‘doorgewinterd’ en van ‘de gewoonte van commando’s te geven’, zijn co-commentator Karl Vannieuwkerke ‘verwacht zich aan’ en rijdt ‘aan een razende vaart’, Wim de Vilder denkt dat een ziekenfonds ‘ziekenkas’ heet en schrijver Dimitri Verhulst schrijft ‘telkens’ als hij ‘telkens als’ bedoelt en heeft het over een rond punt. Marc Platel heeft het nog altijd over de frontpagina, en hij staat daarin niet alleen. Het is trouwens tekenend dat politici die trots zijn op hun Vlaamsgezindheid zo onbekommerd vertaald Frans spreken: ‘gordeler’ Eric van Rompuy zegt met aisance dat ‘hij hoopt van’, maar au fond zijn ze allen in hetzelfde taalbedje ziek.

Ook in literaire en semi-literaire bladen vindt men hetzelfde on-Nederlands: de voorbeelden zijn legio. Het onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt meer en meer ‘die’ als betrekkelijk voornaamwoord (het huis die, het contract die): men kan het elke dag op radio en televisie horen. Zo heeft Inge Vrancken het in het VRT-journaal over Duitsland die… De verwarring tussen ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ (in DS door Luckas Vander Taelen, maar zowat elke journalist treedt dat onderscheid met voeten) is hallucinant, elk probleem ‘stelt zich’ en het verschil tussen ‘te danken aan’ en ‘te wijten’ aan, kent blijkbaar niemand meer. Er wordt ook nogal wat met de voeten getreden en voor velen is het vaste prik te spreken van iets dat ‘had geweest’. Het ligt in de mond van elke Vlaming bestorven. In de reclamewereld blijft ‘aan een aantrekkelijke prijs’ een evergreen en het meervoud van zo’n blijft, zoals gezegd, raar genoeg zo’n i.p.v. zulke: ‘zo’n’ fouten, jongens toch! Men kan uit dit soort slordigheden makkelijk afleiden dat de desbetreffende schrijvers, journalisten e.t.q. meestal dialect praten. Twijfel er niet aan: bij de dokter doen ze zeker hun best. Ze spreken dan een veredeld dialect, een soort doktersnederlands. Enfin, het lijkt er soms op of al die taalwerkers nooit Nederlands geleerd hebben of – hoe dan ook – geen moeite doen om het fatsoenlijk te hanteren, uit onkunde of slordigheid, of een mix van beide. Allebei zijn ze even erg, niet alleen omdat taal de prima materia is van die scribifaxen, maar misschien nog meer omdat men zo gestreden heeft voor dat Nederlands en het nu zo molesteert. Als leerkracht Nederlands zou ik er nu al mijn conclusie uit trekken: het maakt allemaal niet uit. In Antwerpen passen ze dat adagium al toe want daar afficheert men op grote borden dat ’t Scheld van elke Antwerpenaar is’, en over het taalgebruik van de modale Antwerpse politicus zwijg ik zedig.

Een ander, merkwaardig facet van het actuele taalgebruik, is het aanwenden van superlatieven, leuke kreetjes en – als het ware – gezongen taal. Het superlativisme uit zich bijvoorbeeld in het jolig toespreken van de kijker. Die wordt nu ‘heel welkom’ geheten, of hem wordt een ‘héél goede morgen’ gewenst, geen gewone goede morgen, maar een speciaal voor hem gebrouwen ‘héél goede morgen’. De vriendelijke toeschietelijkheid wordt dermate in de verf gezet dat ze uiteindelijk niets meer inhoudt. Het postmoderne taalgebruik creëert nu eenmaal zijn eigen entertainment- maniërismen. De leuke kreetjes komen uit zo verschillende monden als die van Martine Tanghe en Kurt van Eeghem, twee toffe peren die er alles aan zouden doen het de kijker of luisteraar zo fijn naar zijn zin te maken, zodanig dat hij/zij, langzaam onderuitgezakt in zijn/haar fauteuil of bankstel, zelfs het treurigste nieuws als een fait divers verwelkomt. De nieuwe song lines, niet die van de Australische aboriginals maar het bijna gezongen Nederlands, vernemen we van Lisbeth Imbo: die neemt nagenoeg elke dag ’s morgens afscheid van weerman De Boosere op een manier die op een zekere montere verliefdheid wijst.

ID/ photo agencyOok de uitspraak is soms een kleine taalramp. Het is niet erg dat men lichtjes hoort uit welke streek iemand afkomstig is. Iedereen mag het algemeen Nederlands op zijn manier effleureren. Maar sommigen bakken het wel heel bruin. Lisbeth Imbo spreekt van ‘parlemantairen’, op zijn Frans dus; Kurt van Eeghem, de man met de geaffecteerde uitspraak en de vele taalfouten, spreekt met een rare emfase, hij roept en tiert, legt rare klemtonen, is daarbij soms licht hysterisch en heeft het in een bui van jovialiteit over ‘nen aap’ en ‘ne zotten aap’; Martine Tanghe doet het weer anders: zij spreekt van ‘foor fanafond in Flaanderen, maar een paar woorden later is het vette vis, met vette ‘v’. Minister-president Peeters, maar ook Johan Vande Lanotte, betracht een mooie uitspraak, lichtjes nijgend naar het Hollands, maar ze maken ondertussen de ‘meest Vlaamse’ (de ‘Vlaamste’) taalfouten. Renaat Landuyt, naast Herman de Croo superkampioen in carnavalesk taalgebruik, spreekt soms ongegeneerd Brugs (met makanders). De baas (bazin) van het Vlaamse onderwijs, Mieke van Hecke, spreekt dan weer een vreemd soort Nederlands, doorspekt met alle denkbare taalfouten, en dat is toch merkwaardig als men bedenkt dat elke dag brave leerkrachten zo aandoenlijk hun best doen om fatsoenlijk Nederlands aan te leren. Maar klopt dit laatste nog wel? Mijn 30-jarige ervaring in het onderwijs heeft me geleerd dat zelfs vele leerkrachten Nederlands een raar amalgaamtaaltje spreken. Hoe kan het ook anders? Een tycoon (sit venia verbo) als Tony Mary zegt ergens in een interview dat we vandaag keurig Nederlands spreken, maakt ondertussen taalfout na taalfout en beweert en passant ‘een Vlaams sprekende Brusselaar te zijn’. Vlaams? Of Nederlands misschien? Net kreeg ik een scriptie, ingediend bij de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, onder ogen: alleen al in de titel prijkte een domme taalfout. Ook onder professoren merkte men dat dus niet op. Mijn collega-docenten in de Lerarenopleiding spraken een veredeld soort Antwerps en realiseerden zich nooit dat ze geen Nederlands kenden. Ze waren dan ook hevig verontwaardigd toen ik hun dat vertelde en hun een lijst meegaf met veelvoorkomende taalfouten die ze elke dag weer maakten. Ze konden het niet geloven, zo’n lange lijst!, en stotterden beteuterd dat ze dan wel nooit Nederlands hadden gesproken, q.e.d.

Als deze Vlaamse voormannen, deze circulaire elite van Vlaamse koppen, bestaande uit journalisten, bobo’s allerhande, cultuurfreaks, politici, hoogleraren en communicatieboys het al niet kunnen, wie dan wel? Ik vraag het opnieuw: is dat erg? Sub specie aeternitatis natuurlijk niet, maar in het licht van de inspanningen die vele leerkrachten zich ondanks alles elke dag getroosten om toch op zijn minst wat fatsoenlijk Nederlands te praten (ook al slagen ze daar steeds minder en minder in: één op de zes leerlingen blijkt wat de eindtermen betreft de eisen inzake Nederlands niet te halen) en zeker in het licht van het postmoderne relativisme, is een en ander zeer noodlottig. Waarom immers zou men in de school nog aan kennisoverdracht moeten doen en regeltjes, grammatica en spelling van het Nederlands aanleren, als het er later toch allemaal niet toe doet? Als zelfs docenten, de nieuwe managerial class in onderwijs, professoren, journalisten and the like het Nederlands schandelijk mishandelen, wat zou het er dan verder toe doen! Als die taalmensen ons willen doen geloven dat het toch niet zo erg is dat men de eigen taal niet kent, als ze niet eens weten dat men ze radbraakt, hoe zou men dan willen dat men er trots op zou zijn, dat men ze foutloos kan spreken! Er zijn bij ons nauwelijks voorbeelden die dienst kunnen doen als model. Bij de eerste spontaneïteit gaat het al fout – niet als men zijn dialect mag spreken, maar als men verondersteld wordt Nederlands te praten. De moedertaal van de modale taalmens is dan ook nog steeds zijn dialect, uitzonderingen niet te na gesproken: Johan de Boose of Johan van Cauwenberghe, of Frans Boenders bijvoorbeeld, de vroegere woordproducer van Radio 3, een zender van de BRT (nog geen VRT!) die nog vrij was van het kinderlijke, postmoderne gebazel en geneuzel van de Bart Stoutens van vandaag en die daarbij ook nog ‘formatvrij’ was – want ook vandaag moet op Klara alles leuk en fijn zijn, opgeleukt en opgepimpt met wat adolescentengegiechel en kekke prijsvraagjes.

In de postmoderniteit degradeert alles, things fall apart, the centre cannot hold: eerst moest het waarheidsbegrip eraan geloven, later degradeerde zowat alles wat los en vast hing. Justitie werkt niet, de stiptheid van de treinen is een hel voor de forens, de wegen liggen er als in een failed state belabberd bij, het multiculturele onderwijs, dat vertrekt vanuit een nieuwe en gevaarlijke staatsideologie, is failliet maar de minister weet het nog niet, de migratiepolitiek leidt alleen maar tot miserie voor alle betrokken partijen, de criminaliteit wordt driester, de social engineering van de maatschappij leidt tot een nieuwe vorm van gelijkheidstirannie en de zorgsector kreunt onder de wachtlijsten. Het zou dus verwondering wekken mocht de taal er niet ook onder lijden. Niet alleen is ze Orwelliaans geworden en politiek correct, vol van maatschappelijke waanzin, gemunt door wat men in het Duits zo mooi ‘Tugendwächter’ noemt. Flaubert wist het al: met de toenemende eis tot democratisering wordt ook de idiotie gedemocratiseerd, en aristocraat Alexis de Tocqueville had in de negentiende eeuw al een voorgevoel van wat, gaande de democratische weg, ‘Gesinnungstyrannei’ zou kunnen worden, en dit met behulp van taalmanipulatie. De idee achter de taalpolitieke correctheid bestaat in de veronderstelling dat een taal die veranderd en gemanipuleerd wordt ten voordele van minderheden ook de status van die groepen zal veranderen. Dat gaat ver: de neger in Mark Twain’s Huckleberry Finn wordt in een nieuwe vertaling/hertaling slaaf genoemd. De negers werden eerst gemuteerd tot ‘colored people’, dan werden ze terug black people genoemd, dan weer Afro-Americans. Zo heeft de dwaze politieke correctheid een griezelige lingua franca geschapen, net zoals dat gebeurde onder het Derde Rijk met de LII, de Lingua Tertii Imperii, uitmuntend en exhaustief beschreven door de Duitse romanist Victor Klemperer. Samen met de verslonzing van de taal, met op de achtergrond het anything goes en het eclecticisme van het postmodernisme, is de taalpolitieke correctheid een omineus teken van een tijd in verval, waarin ‘mere anarchy is loosed upon the world, en waarin ‘the best lack all conviction, while the worst are full of passionate intensity’, zoals Wiliam Butler Yeats het profetisch uitdrukte. Of is het niet significatief dat Agatha Christie’s ‘Tien kleine negertjes’ in sommige vertalingen zo niet meer mogen heten? Met de titel ‘En dan bleef er geen meer over’ werd m.i. het summum aan ijverige dolheid en hallucinant surrealisme bereikt. Dit in wezen malicieuze denken van de gutmensch zet de toon: vanuit de taal tracht men de maatschappij te veranderen en op die perverse manier wordt een dakloze ‘residentieel flexibel’. De hele perversiteit doet soms eerder aan Anthony Burgess’ roman 1985 denken dan aan Orwell, een strakke aanklacht tegen elke staatsideologie en tegen de maatschappelijke anarchie en weerloosheid die een ver-psychologiseerde samenleving opwekt. Een eeuw van psychologie heeft het Westen in het nauw gedreven, zo schreef Cioran. Daaraan heeft de taal een grote steen bijgedragen door niet meer durven te benoemen wat benoemd moest worden. En zo kwam taal vanaf de jaren zeventig terecht in een geparfumeerde wolk van feministische, daarna van multiculturalistische verdwazing. Eco schreef erover in zijn Guerre calde e populismo mediatico uit 2006. Taal werd modieus gedeconstrueerd tot ze in het Procrustesbed van een lichtzinnige postmoderniteit paste. De moderniteit zelf werd, zoals de Poolse socioloog Zygmunt Bauman het beschreef, vloeiend, ongrijpbaar, visceus zou Sartre hebben gezegd. Samen met het gebrek aan kennis van het Nederlands en de groeiende nonchalance ten opzichte van de eigen taal, levert het een nivellerend taaltje op dat om de haverklap en om zijn leeghoofdigheid te maskeren ‘ik bedoel’, ‘en zo’, ‘hoe noemt dat’, ‘allez’ en ‘leuk’ uitbraakt. Er is het opgepimpte taaltje van de Marcel van Tilts van deze wereld die het uitschreeuwen van de opgepompte pret, dat alles doorschoten met dialecttaal die ouwejongenskrentenbrood moet suggereren, of Koen Crucke die heel familiair tot ons spreekt: ‘Ge kent den blik’. Als het maar leuk is!

Degenen die zouden menen dat boven genoemde taalperipetieën iets taalfrikkerigs hebben, moet ik resoluut tegenspreken. Waarom immers zou men niet trachten zo correct mogelijk te spreken en te schrijven? Waarom zou een schrijnwerker (de oude timmerman, Joris Notes versie ervan in de roman ‘Timmerwerk’) niet proberen zo’n stevig en mooi mogelijk meubel te maken, een artefact waarop hij trots kan zijn? Misschien heeft het postmodernisme de geesten zo geïnfecteerd met het anything goes dat het à peu près al goed genoeg is. In de tijd van het modernisme en de daarbij horende volksverheffingsgedachte ging men ervan uit dat aandacht en nauwgezetheid van belang waren; misschien sprak men toen archaïscherwijs wel van een ‘edel goed’ of van ambacht. In het Duits betekent ‘die Andacht’ het gebed, een houding die aandacht en ‘attentio’ vergt. Daar moeten we nu helaas een beetje om lachen, maar de schoolmeesters uit die tijd wilden ook in de taal een soort fatsoen en craftsmanship hooghouden, net zoals ze daarmee, zoals de arts and crafts-beweging, de hele samenleving wilden doordringen. Maar fatsoen is een verouderd begrip geworden in een anomische wereld, zowel in de echte als in de taalwereld. Fatsoen is een deugd, een soort oude aristotelische houding die vandaag op menig obstakel botst. En de leerkracht Nederlands of de journalist is allang geen ambachtsman meer. De leraar is een coach, zoals men dat nu noemt – alsof de school een bedrijf is, en de journalist holt amechtig achter de feiten aan, zijn taak is ingebed in infotainment en commercialisering, en zijn historisch bewustzijn spoort met het onachtzaam hanteren van de taal, zijn eerste werktuig. In een interessant werk spreekt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett over de craftsman. Hij ziet zijn werk als ‘an enduring, basic human impulse, the desire to do a job well for its own sake’. Originaliteit en ‘zijn eigen ding doen’ hebben de hang naar perfectie vervangen in een maatschappij die ook taalkundig ‘deskilled’ is. Dat resoneert ook in het impliciete motto ‘ieder zijn eigen taal’, als wat ik zeg (stotter, stamel, uitroep) maar verstaan en begrepen wordt. De kakofonie die daaruit voortspruit, weerspiegelt de domme luidruchtigheid van de postmoderne tijd met zijn bagger aan ignorante opinietjes. Ambacht is sociaal kapitaal, maar zo ziet de postmoderne taalgebruiker het niet. Hij kakelt erop los, zijn enige kapitaal berust op het pecuniaire en vertaalt zich in een vermoeiende hyperkinetiek.

Als journalisten en schrijvers, taalgebruikers par excellence, zich niet langer de moeite getroosten correct te schrijven, hoe zou men het dan van de modale taalgebruiker kunnen verwachten? Ondertussen is er een generatie taalanalfabeten les beginnen te geven. Ze zijn gepokt en gemazeld in het schrille toontje van permanente zelfemancipatie, maar tijdens die amechtige zelfontplooiing is men even de taal vergeten. Het is de MMN- en MTV-generatie. Zij hebben van roepen, dialect, reclametaal, leuk en gemeenzaam taalgebruik hun handelsmerk gemaakt. Hoe noemde gij trouwens? Van die dingen, ja, zouden Koot en Bie gezegd hebben. Maar zelfs taalmaniak Elsschot, geïnspireerd door het ‘Hollands’, schreef toentertijd ‘hoe de vork aan de steel zit’, en dat staat opgetekend in een geredigeerde versie van 1995. Bart Brinckman moet dus niet ongerust zijn.

Ik heb in dit essay een aantal namen genoemd van taalboosdoeners. Ze zijn exemplarisch maar even zo goed willekeurig. Wie radio of televisie aanzet, wie kranten en tijdschriften leest, wie Vlaamse auteurs of acteurs bezig hoort, kan het bij ieder van deze cultuurmensen vaststellen. De beklijvende vraag luidt dan ook: zullen de Vlamen, een term ooit gemunt door Jeroen Brouwers, het dan nooit leren? Want de slotsom van dit alles is, dat welke Vlaming ook, geschoold of ongeschoold, doorgestudeerd of niet, academicus of journalist, een soort eigengemaakt en eigengereid Vlaams blijft praten, ook al verkeert hij in de waan keurig Nederlands te spreken. Ze zullen het dus nooit leren, vrees ik. Elke cultuurmens heeft de bedoeling ‘van’ iets te doen in plaats van ‘om iets te doen’ en Paul Goossens blijft emmeren over een ‘resolutie stemmen’. Het is er met een scherp mes ingeslepen, het gaat er nooit meer uit en zelf zullen ze het als tevreden lieden nooit merken. Hun slijpsteen van de geest is een bot, niet ambachtelijk gemaakt mes. Het excuus dat onze elite ooit naar Amsterdam toog om daar de Gouden Eeuw mee gestalte te geven en het dus hier in Vlaanderen een plattelandsboeltje bleef, het eeuwige mekkeren over de voortdurende overheersing door andere mogendheden die ons de kans ontnam een eigen taal deftig te formeren, die drogredeneringen zijn ondertussen erg lachwekkend en een gotspe. Men kan niet blijven ‘kapitaliseren’ op zijn ongeluk. Als voorts de aimabelste onder de aimabelen, Guy van Hengel, samen met Eric van Rompuy, eigenlijk een wandelend gallicisme is, als Sarah Vankersschaever in De Standaard het blijft hebben over ‘aan 100 km/uur in de bochten’, als Bart Brinckman ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ door elkaar husselt en daardoor het tegenovergestelde zegt van wat hij eigenlijk bedoelt, als Geert Joris, de patron van boek.be het in een Franse bui over ‘de hoge kost’ heeft, als de altijd olijke semi-macho Tom Heremans ‘doorheen’ als voorzetsel gebruikt, als Mark Platel dezelfde taalfout maakt en het onbekommerd over ‘frontpaginanieuws’ heeft, en als de Cerberussen van Radio 1, het olijke duo Peeters en Pichal, unverfroren spreken van ‘zijn eigen’, van ‘lavabo’ en ‘sacochen’, dan, tsja, dan wat? Maakt niet uit: als we het maar verstaan, dan kunnen we het ook begrijpen.

De Vlaming is taalkundig gesproken een raar wezen: hij blijft ervan uitgaan dat taal in de eerste plaats spelling is, terwijl dit onderdeel eigenlijk het minst met echte taalkunde te maken heeft; daarom ook scoort hij/zij zo goed bij taalspelletjes waarin spelling de hoofdmoot vormt en denkt de Nederlander dat de Vlaming daardoor zijn leuke taal zo goed beheerst. Zijn fixatie op dt-fouten is aandoenlijk. Niet dat dit deel van de spelling niet belangrijk zou zijn, maar haast elke geschoolde Vlaming gaat er impliciet vanuit dat wie zonder dt-fouten kan schrijven, zijn taal kent, quod non, want ondertussen worden de afgrijselijkste taalmisbaksels onbekommerd neergepend. Ik heb het bedrijfsleiders vaak horen zeggen: wéér een sollicitatiebrief vol dt-fouten ontvangen. Toen ik die epistels onder ogen kreeg, stelde ik altijd weer vast dat men andere, veel ergere ‘enormiteiten’ niet eens had opgemerkt! Een ander merkwaardig gegeven is de gedrevenheid waarmee de modale taalzuiverende mens Vlaamse woorden of archaïsmen uit de taal wil bannen. Ik heb het dan niet over woorden als het reeds bovengenoemde ‘sacoche’: die worden uit een dom soort luiheid geboren. Ik heb het dan eerder over woorden als ‘begeestering’ (een oud germanisme), ‘euveldaad’, ‘koninginnenhapje’ (typisch Vlaams), ‘goesting’, ‘als de wiedeweerga’ of ‘houtekster’ (gewestelijk woord voor ‘Vlaamse gaai’). Met die woorden is niets mis: ze wikkelen de taal in de aura van het oude of het typische. Een ander heikel punt zijn Engelse of Franse woorden die in het Nederlands worden opgenomen. De Vlaming vindt nu eenmaal dat zulke woorden al te vaak uit snobisme ontstaan, om te epateren, of om te tonen dat men geen intellectueel van de koude grond is. Het is het typische minderwaardigheidsgevoel dat hier spreekt en dat zijn absolute tegenhanger vindt in Nederland waar allerlei exotische leenwoorden door de radical chic van de Grachtengordel met veel aisance, con gusto en met sprezzatura in de mond genomen worden. In die zin is de woordenschat van de Nederlander automatisch rijker dan die van de timide Vlaming die al bloost als hij een moeilijk woord boven tafel brengt (en dus niet onder de pet houdt…). Ook al is de Nederlander (de Hollander) vaak een psittacist, zijn taal is die van een calvinist, van een ouderling uit de romans van Jan Siebelink. Heel wat uitdrukkingen, gezegden en archaïsmen uit de bijbel zijn immers het Hollands binnengeslopen en worden zowel door rekkelijken als preciezen zonder air d’importance gebruikt. Katholieken kennen hun bijbel niet, helaas, en dat heeft zijn uitwerking op de taal niet gemist. In die zin alleen al zijn Nederlanders en Vlamingen niet ‘cor unum et anima una’ en zal er nog veel water in de zee moeten vloeien, willen de twee talen één worden; niet één via een koude uniformiteit, maar één in de betekenis van ‘eenheid in verscheidenheid’. Maar die mag dan weer niet uit oblomovisme ontstaan, uit gemakzucht, maar uit een verstandige ‘weldoordachtheid’. De Vlaming moet creatiever met zijn taal om durven te springen. Wat de Nederlander allicht aan taalarrogantie te veel heeft, heeft de Vlaam helaas te weinig. Wie een doorsnee Nederlander of Vlaming op radio of televisie hoort spreken, zal weten wat ik bedoel. De Vlaming stapelt taalfout na taalfout op, stottert, is onverstaanbaar, maakt geen enkele zin af, is een clichémannetje van haver tot gort, beëindigt elke half-afgemaakte zin met ‘en zo’, ‘allez’ of de dooddoener par excellence ‘meer moet dat niet zijn’, terwijl de Nederlander zijn volzinnen met radde tong produceert (ook de Gooise vrouwen met hun Gooise ‘r’) en die hier en daar lardeert met een bon mot of een andere taaltrouvaille. Wie de gasten bij Pauw en Witteman ‘beluistert’, hoort zelden taalfouten en merkt mooie en vaak kekke woorden en uitdrukkingen op die nooit in het hoofd van de Vlaming zouden opkomen. Die vindt dan ook dat ze daar bij die twee snelle jongens te vlug en vaak raar spreken, en met dat laatste bedoelen ze dan dat ze niet begrijpen wat ‘ten detrimente van’ betekent. Neen, het wordt nooit wat met die Taalunie.

Nogmaals en uitentreuren: ik heb er begrip voor dat sommigen menen dat de bovengenoemde taalfouten onbelangrijk zijn en dat het schoolmeesterachtig is ze telkens weer op te merken, ook al zijn het de 19de– en 20ste-eeuwse schoolmeesters geweest die onze taal mooi geboetseerd hebben en aan de basis liggen van het voortbestaan van het Nederlands in Vlaanderen. Maar laten we dat vooral gaan vertellen aan de leerkrachten Nederlands, dan hoeven die zich niet meer uit te sloven om bijvoorbeeld het gebruik van ‘moest’ aan te leren/af te leren. Het blijft een merkwaardig gegeven dat mensen het materiaal waarmee ze ambachtelijk werken, niet beheersen. De Vlaming is een mens van à peu près, als het er maar wat op lijkt: daarin, zegt men, ligt zijn charme. Het is dezelfde charme die ingezet wordt door belgicisten om op een bijna triomfalistische manier het surrealisme van de Belgische levenswijze en politiek te duiden, alsof dat een pre zou zijn! Een zwaktebod, als je het mij vraagt, een geval van zelfingenomen narcisme. Laten we dat niet op onze taal overdragen.

Soms beweert iemand als Ludo Permentier in een misplaatste bui weleens dat de laatste decennia een Belgisch-Nederlandse standaardtaal gegroeid is die haar plaats inneemt onder en tussen andere ‘subtalen’. De algemene democratisering van de maatschappij zou daartoe geleid hebben. In die visie passen we onze taal aan de situatie aan, een fenomeen dat in de socio-linguïstiek heftig bestudeerd wordt. Was het maar waar! Was het maar waar dat de Vlaming volautomatisch zou kunnen overschakelen van taalregister naar taalregister. Ik vrees echter dat de zaak anders in elkaar steekt: de Vlaming spreekt ofwel dialect ofwel een zelfgebrouwen tussentaal omdat hij de standaardtaal niet beheerst. Als zelfs in een krant als De Standaard, de krant van de goede Vlaam, zoveel taalfouten staan…. Als zelfs op de VRT zoveel ‘taalkrakkemikkigheden’ opgelepeld worden…. Als zelfs de teksten van de meeste Vlaamse schrijvers doorspekt zijn met taalslordigheden… Tja, dan ik toch niet anders dan vast te stellen dat er dan misschien wel beter geschreven wordt maar wel met oneindig veel taalfouten. In Nederland hoort men dat graag, percipieert men het als mooie folklore. Stellig als de Hollanders zijn, maken ze er onmiddellijk een pluspunt van en spreken ze over dat mooie Vlaamse taalgebruik. Het is nog straffer: vaak nemen de Nederlanders de taalfouten over van de doorgestudeerde Vlaming. Ze merken het niet eens meer! Een nieuwe paradox, een nieuw surrealisme, zeker een nieuw geluid, maar zeker geen nieuwe lente.

❉   ❉   ❉