Posted on

China kampt met toenemend Oeigoers terrorisme

De Volksrepubliek China is een seculiere staat en de meeste ingezetenen rekenen zich niet tot een bepaalde religie. Tot de uitzonderingen hierop horen onder andere de naar schatting 23 miljoen islamieten in China, die deels voor grote problemen zorgen.

De islam wordt vooral aangehangen door de Oeigoeren en andere Turkse volken in de noordwestelijke grensprovincie Xinjiang. De Oeigoeren maken ongeveer de helft van alle islamieten in China uit. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld de circa elf miljoen Hui, die verwant zijn aan de Han-Chinezen. Het religieuze centrum van de Hui ligt in Linxia, dat ook wel als ‘Klein-Mekka’ aangeduid wordt. De gezagsgetrouwe Hui bezorgen de leiding in Peking echter geen noemenswaardige problemen.

Dat is wel anders met de Oeigoeren in het Oeigoerse autonome gebied Xinjiang, dat onder andere aan de islamitische landen Pakistan en Afghanistan grenst. De Oeigoeren streven vanouds naar onafhankelijkheid van China en raakten vanaf 1990 in het vaarwater van het islamitische extremisme. Daarvan getuigt niet in de laatste plaats het ontstaan van terroristische organisaties als de East Turkestan Islamic Movement (ETIM) en de later daaruit voort gekomen Turkestan Islamic Party (TIP). Deze organisaties werken samen met Al Qaida en verwante organisaties. Daartoe behoorde ook de Islamic Movement of Uzbekistan, tot deze het Al Qaida-netwerk verruilde voor dat van IS, wat op forse kritiek van TIP kwam te staan.

Al Qaida en IS

Er vechten ook Oeigoeren in Syrië. Een deel van hen is echter ontevreden over hoe de Syrische Al Qaida-tak, voorheen Jabhat al-Nusra, nu Jabhat Fateh al-Sham, zich minder ‘al Qaida-achtig’ en meer Syrisch probeert voor te doen, zodat een klein deel van de Oeigoerse strijders inmiddels is overgegaan naar ‘Islamitische Staat’.

De ‘kalief’ van IS, Abu Bakr al-Baghdadi noemde China in zijn inaugurele rede in juli 2014 als een land dat moslims onderdrukt. Daarop volgde in het voorjaar van 2015 een indirecte oorlogsverklaring van IS via internet. In november van het zelfde jaar vermoordden beulen uit naam van Allah de eerste Chinese gijzelaars.

Kort daarop verbreidde het al-Hayat Media Center van de terreurorganisatie in Syrië strijdliederen met de oproep aan de moslims in het “rijk van het midden” om “te ontwaken” en “naar de wapenen te grijpen”. Nog duidelijker viel de volgende boodschap van IS aan het adres van Peking uit, daarin heette het onder andere dat de “soldaten van het kalifaat” zouden komen om “stromen van bloed te laten vloeien en de onderdrukten te wreken!” Deze dreigementen werden in het Chinees uitgesproken door Oeigoerse IS-strijders. Volgens gegevens van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, die aangehaald worden door het dagblad Yediot Aharonot, zouden er momenteel enkele honderden tot mogelijk enkele duizenden Oeigoerse strijders in Syrië zijn. Daarvan vechten de meeste voor aan Al Qaida gelieerde groepen en een kleiner aantal voor IS.

Dat betekent dat mettertijd vele Oeigoeren met gevechtservaring vanuit Syrië en Irak naar huis terugkeren, wat het gevaar van islamitische opstanden doet toenemen. Peking voelde zich derhalve genoodzaakt tot omvattende repressiemaatregelen in Xinjiang.

Per slot van rekening heeft de noordwestelijke provincie van China een niet te onderschatten economische betekenis voor het rijk van het midden. Er bevindt zich namelijk een derde van de olie en gasvoorraden van het land. Daarbij komen bodemschatten als goud, koper en uranium. Ook bevindt zich in de provincie het vroegere kernwapenproefterrein aan de Lop Nor, dat binnenkort als eindstation voor het hoogradioactieve afval van de Chinese kernindustrie moet dienen.

Duizenden doden

In Xinjiang kwam het in de afgelopen decennia tijdens de vastenmaand Ramadan steeds weer tot heftige rellen. Die eisten alleen in juli 2009 al zo’n 200 slachtoffers en verliepen steeds volgens hetzelfde patroon: Eerst trokken Oeigoeren-bendes door de straten en lynchten Han-Chinezen, dan sloegen de ordebewakers van het centrale gezag met harde hand terug.

Bovendien pleegden islamitische terroristen regelmatig aanslagen in andere delen van het land. Daardoor kwamen sinds 1990 reeds duizenden mensen om het leven. De laatste tijd worden de aanslagen vrijwel altijd opgeëist door ETIM of TIP. Dat was bijvoorbeeld het geval met de mesaanval van Kunming in Zuid-West-China, waarbij op 1 maart 2014 30 reizigers en politieagenten om het leven kwamen, en vergelijkbare moorden in Guangzhou en de hoofdstad van Xinjiang, Ürümqi, in de lente van 2014.

Daarbij komen bomaanslagen als die van mei en september 2014 op de treinstations van Ürümqi en Luntai met tientallen doden. Net zulke bloedige gevolgen lieten in 2008 aanvallen op lijnbussen zien in de steden Shanghai, Kunming en elders in de provincie Yunnan.

De meest symbolisch geladen actie van ETIM had plaats op 28 oktober 2013. Toen raasde een met jerrycans met benzine volgestouwde SUV direct onder het grote portret van Mao op het Plein van de Hemelse Vrede in het centrum van Peking tussen de flanerende toeristen door en brandde vervolgens uit. Daarbij vielen vijf doden en 40 gewonden. Voor het staats- en partijhoofd Xi Jinping was het aanleiding om zijn politieke koers tegenover de Oeigoeren in de onrustige provincie Xinjiang duidelijk te verscherpen.

Historische speelbal

Dat Peking het separatistische streven van de Oeigoeren als serieuze bedreiging ziet en zodoende met alle middelen bestrijdt, heeft ook historische redenen. Er ontstonden in Xinjiang namelijk al tweemaal afvallige gebieden. Zo riepen de Oeigoeren in november 1933 de Islamitische Republiek Oost-Turkestan uit.

Die zou echter slechts enkele maanden bestaan en door de Mantsjoerijse krijgsheer Sheng Shicai  met wapensteun van de Sovjets beëindigd worden. Aansluitend veranderde hij de nominaal weer Chinese provincie in een protectoraat van de Sovjet-Unie. Die stationeerde troepen in Xinjiang en begon met het delven van bodemschatten. Daarbij ging het niet in de laatste plaats om uraniumerts, dat Moskou nodig had voor zijn kernprogramma.

De verkrijging van de strategisch belangrijke delfstof was vanaf 1943 een belangrijke taak van Josef Stalins chef van de geheime dienst Lavrenti Beria. En die moest al snel vaststellen dat Sheng, die op enig moment zelfs lid was geworden van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, nu met de nationalistische Chinese regering van Tsjang Kai-shek samenwerkte. Derhalve initieerde Beria een “volksopstand” van de Oeigoeren en andere islamitische volken in Xinjiang.

In de loop van die opstand riepen de rebellen onder Elihan Tore Saghuniy en Ehmetjan Qasimi op 12 november 1944 opnieuw een Republiek Oost-Turkestan uit. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat deze meteen zou toetreden tot de Sovjet-Unie, maar Stalin had er al snel geen belangstelling meer voor. Enerzijds omdat hij vreesde dat het radicaal-islamitische elan naar het aangrenzende Russisch-Turkestan over zou kunnen slaan. Anderzijds omdat hij sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog toegang had gekregen tot het uranium in Tsjechië en wat de DDR zou worden.

Derhalve liet Stalin de in de Chinese burgeroorlog triomferende communistenleider Mao weten dat hij de Oeigoeren-staat op kon heffen en de provincie Xinjiang weer onder controle van Peking kon brengen. En dat deed de grote roerganger eind 1949 dan ook. Door het voortbestaan van het onafhankelijkheidsstreven van de Oeigoeren, blijft Xinjiang echter een zwakke plek van China, die zich leent voor door buitenlandse machten gestimuleerde agitatie.

Posted on

Iran herkiest gematigde president

De zittende president van Iran, Hassan Rouhani, is vrijdag herkozen. Rouhani bleef zijn belangrijkste tegenkandidaat, Ebrahim Raisi duidelijk voor. De uitslag is een tegenslag voor Amerikaanse haviken die het atoomakkoord met Iran willen herzien.

De gematigde Rouhani verbeterde met bijna 59 procent van de stemmen zijn resultaat uit 2013, toen hij met bijna 51 procent van de stemmen voor het eerst gekozen werd. De zittende president bleef daarmee de belangrijkste tegenkandidaat, Ebrahim Raisi, die bijna 40 procent van de stemmen kreeg, duidelijk voor.

Haviken in de Verenigde Staten hadden liever gezien dat Rouhani verslagen was. Lange tijd werd er gespeculeerd over een mogelijke comeback van Mahmud Ahmadinejad. Dat had kunnen leiden tot een meer confrontatiegerichte koers van de Iraanse regering, waarvan krachten binnen het Amerikaanse beleidsestablishment gebruik had kunnen maken om terug te komen op het met veel moeite en internationale inspanning bereikte atoomakkoord.

Ahmedinejad stelde zich uiteindelijk echter niet kandidaat en het is sowieso nog maar de vraag of hij anders dan Raisi wel Rouhani had kunnen verslaan.

Onder Rouhani heeft Iran een gematigde koers gevaren, kon Iran in onderhandeling met de vijf permanente leden van de VN Veiligheidsraad plus Duitsland een atoomakkoord sluiten en is als gevolg daarvan een groot deel van de internationale sancties tegen Iran opgeheven. Door het opheffen van de sancties leefden de olie-export en de economie als geheel weer op.

Posted on

Hoe Amerikaanse drones en Jemenitische bruiloft beperkingen Duitse soevereiniteit onthullen

Een van de lopende zaken uit 2016 die mee gaat naar 2017 is een rechtszaak die aan het wezen van de Duitse staat raakt. Het gaat om de aanklacht van de Jemeniet Faisial bin Ali Jaber en twee nauwe verwanten tegen de Bondsrepubliek Duitsland. De zaak draait om de dood van twee van zijn familieleden, die tijdens een bruiloft door Amerikaanse drones getroffen werden.

Voor deze Jemenitische familie was dat een catastrofe, voor de Amerikaanse luchtmacht is het alledaags. Duizenden onschuldige mensen zijn reeds door hun drones om het leven gebracht. Maar waarom vindt een rechtszaak hierover in Duitsland plaats en waarom is de Duitse regering de beschuldigde?

De verklaring is eenvoudig. Zonder de Amerikaanse luchtmachtbasis in het Duitse Ramstein zou de Amerikaanse luchtmacht geen drone-aanvallen uit kunnen voeren in het Midden-Oosten en Noordoost-Afrika. De doelgebieden in Irak, Somalië, Jemen en Pakistan zijn zo ver van de Verenigde Staten verwijderd dat vanwege de kromming van de aarde een relaisstation nodig is, en als zodanig dient Ramstein. Dat is de geografische kant van de zaak, maar er is ook een juridische kant.

Deze eliminaties door drones, zonder proces, zonder bewijsvoering, zonder rechter, op basis van een willekeurig besluit, zouden ook als moord te kwalificeren zijn, als er bij die aanvallen daadwerkelijk slechts terroristen getroffen zouden worden. Ook terroristen hebben immers recht op de bescherming die het strafprocesrecht van een rechtsstaat – waarvoor de VS zich toch uitgeven – biedt.

Maar waarom wordt nu Duitsland aangeklaagd? Heel eenvoudig, Ramstein ligt op de Duitse grond en zodoende laadt de Duitse regering, die het gebeuren op de Amerikaanse basis toelaat, de verdenking van medeplichtigheid op zich. Van deze verdenking kan Berlijn zich slechts ontdoen als ze verklaart dat ze geen toegang heeft tot Ramstein, geen juridisch eigendom en geen mogelijkheid om daar gepleegde misdrijven te vervolgen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat bondskanselier Angela Merkel of een van haar ministers zich op een dergelijke argumentatie zou verlaten.

Al jaren gaat de Duitse regering iedere vraag naar Ramstein en wat daar allemaal gebeurt uit de weg. Totdat een paar weken geleden het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan een lid van de Bondsdag bevestigde, dat in Ramstein steun verleend wordt aan “de planning, toezicht en evaluatie van toegewezen luchtoperaties”. Deze toegeving was nogal algemeen verwoord. Dat zonder Duitse betrokkenheid de dronemoorden van de VS niet plaats zouden kunnen vinden, wilde men in ieder geval niet zeggen.

Ook andere zaken met betrekking tot Ramstein houdt men liever voor zich. In de loop van de afgelopen herfst leverden de VS daar – met toestemming van bondskanselier Merkel – 20 atoombommen van de nieuwere soort aan, wat op zich al onverkwikkelijk genoeg is. Daarbij komt echter dat voor de inzet van deze bommen Duitse ‘Tornado’-gevechtsvliegtuigen zijn aangepast en Duitse piloten zijn opgeleid. Dit raakt aan het Non-proliferatieverdag en aan de Duitse grondwet. In artikel II van het verdrag verplicht Duitsland zich ertoe “van niemand direct of indirect kernwapens of andere kernspringladingen aan te nemen” en die “te fabriceren nog op een andere manier te verkrijgen”. De aanwezigheid van kernwapens in Ramstein, die bedacht is voor Duitse vliegtuigen en piloten, gaat duidelijk tegen dit verdrag in.

Met de grondwet zit het wat anders in elkaar. Daarin staat namelijk in artikel 26 iets dergelijks, maar in de paragaaf daarvoor is de NAVO uitgezonderd. Zodoende gelden voor Amerikaanse kernwapens op Duitse bodem niet de de Duitse maar de Amerikaanse regels. In de NAVO wordt in dit verband gesproken van ‘nuclear sharing’. Daarmee worden van nucleaire have-nots handlangers onder Amerikaans bevel gemaakt en wordt een goed deel verantwoordelijkheid op de vazallen afgeschoven. Zo is men er weliswaar in geslaagd met een juridische truc de Duitse grondwet te omzeilen, de schending van het Non-proliferatieverdrag blijft echter staan.

Ook blijft de vraag bestaan, waarom de Duitse regering zich ten aanzien van Ramstein zo terughoudend opstelt. De beide genoemde problemen, drones en kernwapens, zijn immers niet de enige. Andere, zoals de effectieve onmogelijkheid van strafvervolging, komen daar nog bij.

Het kan zijn dat Merkel persoonlijk zo zeer aan de bestaande verhouding van Duitsland en de VS hecht, dat ze dit alles op de koop toe neemt. Joost mag het weten. Het kan echter ook zijn dat ze het gebeuren in Ramstein – en andere Amerikaanse bases in Duitsland – tolereert, omdat ze geen andere mogelijkheid heeft. De keuzemogelijkheden van een Duitse bondskanselier zijn immers beperkt. Het lidmaatschap van een zo nauw bondgenootschap als de NAVO brengt grote beperkingen van de nationale soevereiniteit met zich mee. Dit weegt des te zwaarder met het oog op de casus fœderis die sinds 11 september 2001 geldt in de strijd tegen het terrorisme.

In het geval van Duitsland wordt deze afhankelijkheid versterkt door het feit dat de bezettingsmachten (Amerika, Engeland en Frankrijk) in de geheime onderhandelingen over de hereniging enkele privileges uit het bezettingsstatuut tot op de dag van vandaag veilig gesteld hebben, zoals de toelating om in Duitsland bedrijven en personen te bespioneren. Hier ligt ook de rede voor de ingehouden reactie van de regering op het NSA-afluisterschandaal. Wat de Verenigde Staten in deze gevallen in Duitsland doen, is weliswaar immoreel, maar wel in overeenstemming met de regelingen. Dat geeft weinig basis voor protest van regeringszijde.

Hiermee hangt ook de zogenaamde Kanzlerakte samen, die de SPD-politicus Egon Bahr door zijn getuigenis in Die Zeit op 14 mei 2009 in de openbaarheid bracht. Bahr beschrijft hoe de pas gekozen bondskanselier Willy Brandt drie documenten ter ondertekening voorgelegd kreeg. Woordelijk: “Aan de respectievelijke ambassadeurs van de drie machten – de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië – in hun capaciteit van Hoge Commissarissen gericht. Daarmee moest hij toestemmend bevestigen wat de militaire gouverneurs in hun akte van goedkeuring van de grondwet van 12 mei 1949 aan bindende voorbehouden gemaakt hadden.” Brandt weigerde in eerste instantie een dergelijk “onderwerpingscontract” te ondertekenen, moest het uiteindelijk echter toch doen. Sedert het Twee-plus-Vier-verdrag van 1991 gelden weliswaar de geallieerde voorbehouden als niet meer geldig, maar de Kanzlerakte bestaat tot op de dag van vandaag.

Posted on 1 Comment

India en Pakistan treden toe tot Shanghai Samenwerkingsorganisatie, Iran volgt

Op de top van de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SSO) in de Oezbeekse hoofdstad Tasjkent vandaag zijn zowel India als Pakistan lid geworden van de Euraziatische politieke, economische en militaire samenwerking, zoals op de top van vorig jaar reeds was besloten. Ook Iran beoogt op termijn lid te worden van de SSO.

De gelijktijdige toetreding van aartsvijanden India en Pakistan tot deze op veiligheid en stabiliteit gerichte organisatie moet gezien worden in het licht van de recente bereidheid van beide staten op het Indische subcontinent om de onderlinge spanningen af te bouwen.

Vertegenwoordigers van Iran zijn eveneens aanwezig op de top in Oezbekistan, de islamitische republiek wil op termijn ook graag toetreden. De Russische president Vladimir Poetin heeft de Iraanse vraag om gesprekken over toetreding te openen van harte aanbevolen bij de andere lidstaten van de SSO, China, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Oezbekistan. Ook China liet op voorhand positieve geluiden horen over eventuele toetreding van Iran.

In Iran wordt toetreding tot de SSO mede gezien als een nieuwe stap in het doorbreken van de geïsoleerde positie van het land. Hoewel Iran goede contacten onderhoudt met de huidige regering van Irak en die van Syrië, moet het van de zijde van de Golfstaten, Saoedi-Arabië, Turkije en organisaties als de Arabische Liga en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking met toenemende vijandigheid rekenen.

Volgens een Iraanse regeringswoordvoerder biedt toetreding tot de SSO kansen op het gebied van economische en militaire samenwerking en de bestrijding van terrorisme en internationale misdaadnetwerken.

Posted on

Toenadering tussen kernmachten India en Pakistan terwijl alles op scherp staat

India en Pakistan verkeren sinds hun oprichting in augustus 1947 in vijandschap met elkaar. Beide staten beschikken over talrijke tactische en strategische kernwapens. Deze combinatie bergt het gevaar van een nucleair conflict in zich, maar zou ook islamitische terroristen in de hand kunnen spelen.

Terwijl de wereldpers in de afgelopen jaren vooral aandacht had voor militaire investeringen van landen als Rusland en China, heeft India in alle stilte een indrukwekkend arsenaal van de meest uiteenlopende wapens opgebouwd. Zo beschikt New-Delhi nu onder andere over 10.500 pantservoertuigen, 2600 vliegtuigen en helikopters, 2400 stukken geschut en raketwerpers en een kleine 200 oorlogsschepen – waaronder de meest moderne schepen van eigen makelij.

Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de 'Cold Start'-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo'n USD 50 miljard.
Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de ‘Cold Start’-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo’n USD 50 miljard.

Deze krijgsmacht kan ingezet worden in het kader van de ‘Cold Start’-doctrine, die een reactie op herhaalde terreuracties van Pakistaanse extremisten inhoudt. Deze doctrine gaat uit van een situatie waarin India niet alleen aangevallen wordt door reguliere Pakistaanse troepen, maar ook met grootschalige aanvallen van islamitische rebellen te maken krijgt, waarachter dan de Pakistaanse geheime dienst zou zitten. Een dergelijk offensief zou binnen 48 uur door tegenaanvallen van meerdere tegelijk oprukkende contingenten beantwoordt moeten worden.

Door het uitlekken van deze doctrine voelde Pakistan zich op zijn beurt bedreigd, waarop de Pakistaanse legerleiding dan ook tegenwierp dat wanneer India daadwerkelijk het islamitische buurland binnen zou vallen, men haar gevechtseenheden met inzet van tactische kernwapens zou vernietigen.

Dat is een gevaarlijke, zelfs suïcidale strategie, die twee dodelijke risico’s inhoudt. Ten eerste zou de inzet van dergelijke kleine springkoppen – in 1999 ingevoerd door generaal Pervez Musharaf, die later president zou worden –  wier explosieve kracht hoogstens een tiende van de Hiroshima-bom bedraagt, tot nucleaire besmetting van grote delen van Pakistan leiden. Naar inschatting van de Indiase deskundige Jaganath Sankaran, werkzaam voor het Amerikaanse Center for International and Security Studies, zou Pakistan om de Indiase strijdkrachten werkelijk tegen te houden ook grotere kernwapens in moeten zetten, waarbij dan onvermijdelijk ook honderdduizenden Pakistaanse burgers om zouden komen.

Ten tweede zijn er de veiligheidsproblemen, die nu al, in vredestijd, voor algemene onrust zorgen. Een groot aantal, decentraal opgeslagen kleinere kernwapens is immers moeilijker te bewaken als een paar grote – zeker aangezien er geen veiligheidscodes nodig zijn om de wapens op scherp te zetten, zoals het geval is bij de Amerikaanse en Russische kernwapens.

Het zou voor islamitische terroristen dus al interessant zijn om één nucleair wapendepot te bestormen. Dat zou verder vergemakkelijkt kunnen worden door het feit dat een deel van de Pakistaanse militairen sympathiseert met de Taliban en andere jihadistische groeperingen.

Hoe dan ook hebben de beide landen zich met hun respectievelijke plannen in een bedreigende situatie gemanoeuvreerd. En dat verklaart dan weer de toenaderingspogingen in de afgelopen maanden tussen de twee aartsvijanden. Zo vond op 25 december een buitengewoon harmonieuze ontmoeting plaats tussen de Indiase regeringsleider Narendra Modi en zijn Pakistaanse ambtsgenoot Nawaz Sharif. Die ontmoeting werd dan ook al snel gevolgd door een aanslag van de islamitische terreurmilitie Jaish-e Mohammed op de Indiase luchtmachtbasis Pathankot. De islamisten hebben immers belang bij het voortbestaan van de spanningen op het Indisch subcontinent.

De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.
De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.

Tussen 1947 en 1999  voerden India en Pakistan vier oorlogen met elkaar. Driemaal ging het daarbij om het bezit van de betwiste regio Kasjmir in de Himalaya, en eenmaal om de onafhankelijkheid van het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh. In India zetten daarnaast aanslagen van Pakistaanse terroristen kwaad bloed. Zo pleegde Jaish-e Mohammed op 13 december 2001 een aanslag op het Indiase parlement waarbij 14 mensen omkwamen en pleegde Lashkar-e Taiba in november 2008 een aanslag in Mumbai (Bombay) waarbij 174 doden en 239 gewonden vielen. Op basis van de militaire precisie waarmee vooral die laatste aanslag werd uitgevoerd en uitspraken van gevangengenomen terroristen, acht men in India de betrokkenheid van de Pakistaanse geheime dienst ISI waarschijnlijk. De ISI ontkent iedere betrokkenheid en wijst daarentegen op steun van de Indiase geheime dienst R&AW aan separatisten in de Pakistaanse zuid-westelijke provincie Beloetsjistan en betrokkenheid bij aanslagen op Pakistaans grondgebied.

Midden jaren ’60 wees de Indiase premier Lal Bahradur Shastri kernwapens nog als immoreel van de hand. Maar onder premier Indira Gandhi, dochter van Nehru, voltrok zich een koerswissel. Zo vond op 18 mei 1974 de eerste Indiase kernproef plaats. Dit bracht de Pakistaanse regeringsleider Zulfikar Ali Bhutto er toe ook naar kernwapenbezit te streven, wat in de loop van de jaren ’90 werkelijkheid werd.

Beide landen breidden in de afgelopen jaren hun kernwapenarsenaal steeds uit, zodat India nu over 110 springkoppen beschikt en Pakistan naar schatting over 150. Pakistan heeft bovendien nog dermate grote voorraden hoog verrijkt uranium en plutonium, dat het voor de hand ligt dat het land zijn arsenaal nog uit wil breiden. Ook nu beschikken de beide landen echter al over een groter kernwapenarsenaal dan het naburige China. Beide landen ontwikkelden ook diverse raketten om de kernkoppen af te leveren. Zo beschikt India over raketten die vanuit India op iedere plaats in Pakistan afgevuurd kunnen worden en vanaf onderzeeërs. Pakistan onderscheidt zich vooral door de tactische kernwapens, waartegen grondtroepen praktisch weerloos zijn.