Posted on

‘Hongarije helpt’ bestrijdt vluchtoorzaken ter plaatse

Hongarije helpt

Terwijl veel landen slechts met de mond de bestrijding van migratieoorzaken belijden, maakt Hongarije het concreet. Het is het hoofddoel van het Hongaarse migratiebeleid: Hongarije helpt.

Programma’s voor de bestrijding van migratieoorzaken, die andere landen slechts als een excuus voor een mislukt passief immigratiebeleid lijken te zien, zijn in Hongarije reeds lang het centrale middel van een actief beleid. De regering in Boedapest ontwikkelde projecten, die de bevolking ondersteunen in hun eigen land te blijven, zodat ze niet naar Europa hoeven te vluchten. De regering noemde het programma ‘Hongarije helpt’. Het levert hulp direct aan plaatsen die kampen met conflicten, wat de hoofdoorzaak voor de meeste politieke emigratie is.

‘Hongarije helpt’ schakelt lokale kerken in

De hulp verloopt niet via corrupte regeringen, maar doorgaans via kerken en charitatieve organisaties. Zo is de kans veel groter dat de hulp ook goed terechtkomt. Daarbij is deze manier van hulp veel goedkoper en zowel politiek als sociaal gunstiger dan het opnemen van islamitische immigranten. Die worden immers gelokt door de westerse uitkeringsstelsels, maar hebben geen interesse in integratie in de landen die hen opnemen. Ze vormen zo een gevaar voor de sociale cohesie in die landen.

Vervolgde christenen

Bovendien profiteren de leden van de wereldwijd meest vervolgde religieuze groep, de christenen, het meest van de Hongaarse hulp. Ook moet de Hongaarse hulp vooral ten goede komen van die mensen die zich de dure tocht naar Europa, met behulp van mensensmokkelaars, niet kunnen veroorloven. Naar Europa komen immers vooral die mensen, die mensensmokkelaars tienduizenden euro’s kunnen betalen.

Een nieuw bestaan opbouwen

Volgens de Hongaarse regering hielp ‘Hongarije helpt’ in slechts twee jaar 35.000 mensen om in hun land te blijven en daar een nieuw bestaan op te bouwen. Daaronder zijn vooral vervolgde christenen, die door westerse regeringen en media dikwijls genegeerd worden.

‘Hongarije helpt’ verbetert onderwijs en gezondheidszorg Nigeria

In Nigeria, waar duizenden christenen vermoord werden, stelde Hongarije het katholieke diocees Maiduguri een miljoen euro ter beschikking. Het geld wordt ingezet voor de verbetering van de onderwijs- en gezondheidszorginfrastructuur in het diocees, dat te lijden had onder herhaaldelijke aanvallen van de islamistische terroristische groepering Boko Haram. Verder ondersteunt Hongarije ook landbouwprojecten, die zich erop richten de zelfvoorzienendheid van huishoudens te verbeteren, voedselschaarste terug te dringen en ziektes te behandelen.

‘Hongarije helpt’ en kerken Ethiopië helpen Eritrese vluchtelingen

Ethiopië is een ander Afrikaans land dat Hongaarse hulp ontvangt, via diverse katholieke en protestantse kerken. Het Mai-Aini-vluchtelingenkamp kreeg 1,5 miljoen euro om onderkomens en basisvoorzieningen als schoon drinkwater, onderwijs en dergelijke voor zo’n 15.000 Eritrese vluchtelingen te bieden en hen zo te weerhouden van een verdere gevaarlijke vlucht door Libië. Ook de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk in Addis Abeba heeft een half miljoen euro ontvangen.

Hulp aan families van slachtoffers terrorisme

Overal waar christenen in het grensgebied tussen christendom en islam in Afrika, zij het in Burkina Faso, Centraal-Afrika, Nigeria of Kameroen getroffen worden door islamistische terreur, bieden de Hongaren ook praktische hulp aan families van slachtoffers.

‘Problemen niet hierheen halen, maar hulp daar naartoe brengen’

In de persoon van Tristan Azbej heeft Hongarije een speciale bewindspersoon die voor de organisatie en verdeling van de hulp van ‘Hongarije helpt’ verantwoordelijk is. Zijn officiële titel is staatssecretaris voor de hulp aan vervolgde christenen. “Tijdens het hoogtepunt van de migratiecrisis in 2015 bekritiseerden internationale actoren de regering Orbán erom, dat ze zich streng opstelde tegenover ongedocumenteerde buitenlanders”, aldus Azbej. “Sommigen stelden dat Hongarije harteloos handelde. Onze benadering is eenvoudig: Om een alternatief voor de uitbuiting door mensensmokkelaars en de manipulaties van migratiebevorderende ngo’s te bieden, zetten we alles op alles, zodat de behoeftigen in hun thuislanden kunnen blijven. Om met premier Orbán te spreken: ‘We moeten geen problemen hierheen halen, maar hulp daarheen brengen waar ze nodig is.’ En precies daarvoor zetten wij ons in.”

Niet harteloos, wel rationeel

Westerse media en liberale politici zetten de Hongaarse premier weg als een extreemrechtse ideoloog. Zijn programma ter bestrijding van migratieoorzaken lijkt echter te functioneren en bij de mensen aan te komen die zich de migratie naar Europa niet kunnen veroorloven. De meeste Hongaren houden dit voor een rationelere benadering om met de migratiegolf die Europa sinds de opening van de Duitse grenzen in 2015 teistert om te gaan, dan wat West-Europese regeringsleiders voorstellen.


Ook in Syrië en  Irak helpt Hongarije christenen om weer een bestaan op te bouwen, bijvoorbeeld op de vlakte van Nineveh. In Epoque magazine nr. 2 verscheen een mooie reportage van Jens De Rycke hierover.

Epoque Magazine nr. 2

Posted on 1 Comment

Spanje helpt immigranten met illegale doorreis

Hoewel de Balkanroute nog altijd in gebruik is, zwelt de immigratiestroom via Spanje steeds verder aan. Slechts weinigen blijven echter in Spanje. De meeste asielzoekers trekken verder. De Spaanse autoriteiten helpen hen daarbij. Anders dan voor de Franse autoriteiten is dit voor hoofdbestemming Duitsland echter geen aanleiding tot sterkere grenscontroles.

Meer dan 2100 immigranten zijn in de twee eerste weken van 2019 reeds vanuit het zuiden naar Spanje gekomen, via de Middellandse Zee en de Spaanse exclaves Ceuta en Melilla. Dat zijn  er meer dan in de hele maand december, die toch al alle records verbrak. Voor 2018 rapporteerde de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Spanje zo’n 60.000 immigranten, drie keer zo veel als in het jaar daarvoor. In 2019 zouden het er nog eens drie maal zoveel, oftewel 180.000 kunnen worden.

Spaanse autoriteiten faciliteren doorreis

Uit onderzoek van Duitse media en ervaringen van Franse douaniers blijkt echter dat slechts weinigen in Spanje blijven. De meesten van hen reizen gelijk door. En de Spaanse autoriteiten helpen hen zelfs daarbij, door busritten van Andalusië naar het noorden van Spanje te organiseren en betalen. In het noorden staan andere bussen gereed die bij nacht en nevel naar Frankrijk rijden. De bestemming van de meesten is Duitsland. Linda Teuteberg, migratie-woordvoerder van de liberale FDP-fractie in de Duitse Bondsdag, spreekt van een “duidelijke schending van Europees recht”. Teuteberg roept dan ook op tot strengere controles aan de Duitse grens.

Bilateraal verdrag

Bondskanselier Angela Merkel ondertekende vorig jaar in Andalusië weliswaar een bilateraal verdrag over het terugnemen van immigranten met de Spaanse regeringsleider Pedro Sanchez, maar dit akkoord blijkt het papier waarop het geschreven staat niet waard. Dit verdrag is echter alleen van toepassing wanneer een asielzoeker zich eerst in Spanje laat registreren en dan met een omweg via Italië en Oostenrijk over de Beierse grens Duitsland binnenkomt en zich dan laat pakken. Dit onwaarschijnlijk scenario is in 2018 dan ook niet één keer voorgekomen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken onder Horst Seehofer (CSU), dat het bilaterale verdrag destijds als grote vooruitgang voorstelde, reageerde terughoudend op de verwijten van de FDP. Federale politie-agenten op Frontex-missie zouden ter plaatse in Spanje de feiten onderzoeken, zo heette het.

Schengenzone

Omdat er binnen de Schengenzone in de regel geen grenscontroles zijn, zijn er tot nog toe nauwelijks precieze cijfers over de migratie van migranten als ze eenmaal in die zone zijn aangekomen. “Secundaire bewegingen blijven een van de migratiegebieden die het moeilijkst te analyseren zijn”, zo heet het in de meest actuele risico-analyse van Frontex. Ook de Duitse immigratiedienst heeft geen precieze cijfers. Ze vraagt in het formulier voor asielzoekers weliswaar naar de route die ze afgelegd hebben, maar slechts weinigen verstrekken precieze gegevens.

Secundaire migratie

Duitsland lijkt echter in het bijzonder de bestemming van secundaire migratie. Waar er slechts weinig asielzoekers direct per vliegtuig naar Duitsland komen, dienen er maandelijks zo’n 10.000 à 15.000 een asielaanvraag in de Bondsrepubliek in. Bij het toenemende aantal immigranten dat via Spanje komt, komen velen die nog altijd via de Balkanroute komen.

Vanwege het doorloodsen van immigranten door de Spaanse autoriteiten, heeft Frankrijk reeds controles ingevoerd aan de Spaanse grens en daardoor veel bewijzen verkregen van de betrokkenheid van de Spaanse overheidsdiensten. Ook Duitse diensten maken de Spaanse ernstige verwijten. Zo stelt men dat het Spaanse registratieproces niet tegemoet komt aan de vereisten. Zo zouden bijvoorbeeld opgaven over de nationaliteit van asielzoekers ondanks gerede twijfel niet verder onderzocht zijn, omdat de meerderheid toch niet in Spanje wil blijven.

Geen aanleiding voor grenscontroles

Duidelijk is dat de mare van de Duitse welkomscultuur iedere uithoek van Afrika bereikt heeft. De aantrekkelijkheid van de Bondsrepubliek ligt in de bovengemiddelde verzorgingsstaat, de ruimhartige toekenning van verblijfsvergunningen en het lakse uitzettingsbeleid. Ondanks dit alles zien de Duitse veiligheidsdiensten “geen aanleiding” voor sterkere controle aan de Duitse westgrens. Dagelijks pendelen er honderdduizenden forenzen in beide richtingen tussen Duitsland en Frankrijk en Luxemburg. Voor hen zouden grenscontroles tegen illegale secundaire migratie uit Spanje zoals aan de Beierse grens met Oostenrijk hinderlijk zijn.

Posted on

Turkse campagne tegen Moeder Teresa in Macedonië

Met een reeks bekladdingen op de Moeder Teresa-gedenktekens en acties met strooibiljetten probeert de Turkse ambassade in Macedonië onder de etnische Albanezen de geliefde christelijke symboolfiguren Moeder Teresa en Gjergj Kastrioti ‘Skanderbeg’ van hun sokkel te stoten.

Moeder Teresa, de heilige van de armen van Calcutta, drager van de Nobelprijs voor de Vrede van 1979, geniet wereldwijd groot aanzien bij mensen van allerlei godsdiensten en kerken. Bijzonder vereerd wordt ze echter door de Macedonische Albanezen, want de uit een katholieke familie uit Noord-Albanië stammende Anjeze Gonxha Bojaxhu werd in 1910 in de huidige hoofdstad van Macedonië geboren.

Toen Moeder Teresa voor haar weergaloze inzet in Calcutta de Nobelprijs voor de Vrede ontving, verkeerden de door Albanezen bewoonde gebieden in Macedonië, Kosovo en Abanië nog onder communistische heerschappij. Niemand was destijds geïnteresseerd in haar Albanese afkomst. Dat veranderde vanaf de jaren ’90 echter, toen de landen en bevolkingsgroepen in kwestie nieuwe symboolfiguren nodig hadden.

Haar dood 21 jaar geleden, op 5 september 1997, haar zaligverklaring op 19 oktober 2003 en haar heiligverklaring op 4 september 2016, grepen alle Albanezen aan, ongeacht waar ze woonden. De datum van haar zaligverklaring werd in Albanië tot nationale feestdag verklaard, de luchthaven van Tirana werd naar haar vernoemd. In de hoofdstad van Kosovo, Pristina werd in 2010 een Moeder Teresa-kathedraal geopend en in haar geboorteland Macedonië herinneren in Skopje een Moeder Teresa-gedenkteken en een gedenkhuis aan haar en zijn er in zo ongeveer alle door Albanezen bewoonde plaatsen wel gedenktekens voor haar.

Juist in haar geboorteland Macedonië zijn er echter toenemende aanwijzingen van een campagne tegen de ‘Moeder van alle Albanezen’. Sinds het voorjaar wordt haar gedenkteken in Skopje keer op keer bekladt met radicaal-islamitische leuzen. Als de bekladdingen verwijderd worden, wordt het gedenkteken steeds weer opnieuw besmeurd. Strooibiljetten die in Skopje verspreid werden, eisten dat het Moeder Teresa-huis in de Macedonische hoofdstad gesloopt wordt en dat de verering van deze “ongelovige” gestaakt wordt. “Alleen een islamitische Albanees is een ware Albanees”, zo heette het op aanplakbiljetten.

Turkse propaganda

De uit Kosovo stammende onderzoeksjournaliste Arbana Xharra heeft deze campagne na lang onderzoek weten te herleiden tot de Turkse ambassade en Turkse scholen in Macedonië. Deze verspreiden sinds enkele jaren onderhands propagandamateriaal tegen de Albanese christenen, die ongeveer een kwart van de bevolkingsgroep uitmaken. Turkse diplomaten en leraren propageren daarin de gedachte dat de Abanezen altijd islamitisch zouden zijn geweest. Hoewel historisch duidelijk is dat de Albanezen pas vanaf de Ottomaanse veroveringen in de 14e en 15 eeuw met de islam in aanraking kwamen. Voor het atheïstische bewind van Enver Hoxha goldt voor Albanië de vuistregel dat een derde van de bevolking katholiek, een derde orthodox en een derde islamitisch was.

De Turkse propagandisten lijken de Albanezen echter te willen gebruiken als een instrument voor het vergroten van de islamitische en Turkse invloed op de Balkan. De hetze tegen Moeder Teresa is zo bezien slechts het topje van de ijsberg.

Hoe sterk de Turks-islamitische invloed in Skopje reeds geworden is, merkte de onderzoeksjournaliste toen ze de uitkomsten van haar onderzoek in Macedonische media wilden publiceren. Geen enkele krant of radiozender wilde zich aan het onderwerp wagen. Zodoende werd het materiaal uiteindelijk door het Griekse dagblad Kathimerini gepubliceerd.

Skanderbeg

Naast Moeder Teresa richt de Turkse campagne zich ook tegen een andere nationale held van de Albanezen, Gjergj Kastrioti ‘Skanderbeg’. De van 1405 tot 1468 levende vorst uit het adellijke geslacht van de Kastrioti leidde in de 15e eeuw als eerste een opstand van de toen nog christelijke Albanezen tegen de Ottomaanse overheersers en gold zelfs in de communistische tijd nog als een Albanese nationale held. Radicaal-islamitische Albanezen in Macedonië willen echter niets van hem weten, omdat hij slecht aansluit bij hun ideaal van totale islamisering van de Albanezen.

Wat de Albanezen in Macedonië in 2001 met een korte burgeroorlog niet konden bereiken, namelijk meer rechten voor hun minderheid die een kwart tot dertig procent van de bevolking uitmaakt, lukt nu langs democratische weg alsnog. Ze waren namelijk nodig om de sociaaldemocraten aan een regeringsmeerderheid te helpen. Zo is het Albanees sinds mei 2018 de tweede officiële taal in geheel Macedonië.

Posted on

Drastische bevolkingsdaling Baltische staten

De directeur van het Litouwse Centrum voor Sociaal Onderzoek, Sarmine Mikulioniene uit bezorgdheid over de bevolkingsdaling in de Baltische staten in het algemeen en Litouwen in het bijzonder.

In de eerste plaats trekken mensen tussen de 18 en 30 jaar oud sinds de jaren ’90 naar het westen en is dit verschijnsel sterk toegenomen sinds de toetreding tot de Europese Unie in 2004. Hoofdreden is de mogelijkheid om beter te verdienen. Hoewel de economie in de Baltische staten zich positief ontwikkelt, is vooral bij de lonen nog een duidelijke kloof met West-Europa zichtbaar.

Waar in bijvoorbeeld Duitsland het doorsnee uurloon bij 15,70 euro ligt, is dat in Letland slechts 3,35 euro. De toetreding van Letland tot de EU leidde tot een massale uittocht van arbeidskrachten, vooral naar Ierland en Groot-Brittannië, maar ook andere West-Europese landen gelden bij de Balten als aantrekkelijker dan hun eigen arbeidsmarkt.

Diverse andere landen hebben met een vergelijkbare uittocht te maken. Vooral Letland, Litouwen, Bulgarije en Moldavië hebben te kampen met een drastische krimp van de bevolking. Mikulioniene waarschuwt: “De situatie is zeer zorgwekkend. In Litouwen zijn 2.000 dorpen volledig verdwenen, we sluiten universiteitsafdelingen en kunnen geen mensen vinden voor het werk.”

De bevolkingsdaling bedraagt in Litouwen 23 procent sinds 1991. Wanneer steeds meer jonge mensen hun land verlaten, heeft dat voor het land in kwestie als gevolg dat de bevolking snel vergrijst. Zowel de economie als het pensioenstelsel zuchten hieronder.

Letland kampt met 27 procent nog sterker met bevolkingsdaling. Wanneer mensen in de vruchtbare leeftijd wegtrekken, betekent dat ook dat in hun thuisland minder kinderen geboren worden. De bevolkingsdichtheid is in Litouwen gedaald naar 44 inwoners per vierkante kilometer, in Letland zelfs naar 29. Ter vergelijking: Nederland heeft 411 inwoners per vierkante kilometer en Duitsland 231.

Naast de Balten die naar het Westen trekken, zijn veel etnische Russen vanuit de Baltische staten naar Rusland vertrokken. In Rusland geldt al langer een vereenvoudigde naturalisatieprocedure. Het is een van de manieren waarop Moskou de eigen negatieve demografische ontwikkeling af probeert te remmen. Sinds 2014 hebben zo’n 600.000 etnische Russen uit diverse voormalige Sovjetrepublieken daar gebruik van gemaakt. Velen kwamen uit de Oekraïne of Kazachstan, maar ook uit de Baltische staten, waar hun rechten sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aanzienlijk beperkt zijn. Zo zijn veel van de etnische Russen die vaak al generaties in de Baltische staten wonen stateloos. In Litouwen vormen etnische Russen zo’n vijf procent van de bevolking, maar in Estland en Letland is ongeveer een kwart van de bevolking van Russische afkomst.

In Estland stijgt het geboortecijfer sinds enkele jaren weer licht, doordat de regering een aantal prikkels in het leven geroepen heeft. Zo krijgt de ouder die thuisblijft een vergoeding ter hoogte van het laatste loon voor het zwangerschapsverlof en moeten werkgevers naar de andere ouder flexibel zijn.

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

Britse en Duitse militaire missies in Constantinopel en de Eerste Wereldoorlog

De bemoeienissen van de Duitse generaal Otto Liman von Sanders met het Turkse leger in de aanloop tot én tijdens de Grote Oorlog heeft in de geschiedschrijving een bijzondere plaats gekregen. De militaire missie onder zijn leiding is door de Anglo-Amerikaanse geschiedschrijvers gebruikt om de aan Duitsland toegeschreven c.q. nagestreefde Weltmacht te illustreren. Ze werd gepresenteerd onderdeel te zijn van een bewust gevoerde agressieve koers met de oorlog van ’14-’18 als logisch resultaat.

Wát was er zo bijzonder aan deze missie en wat was de reden dat vooral de eerder genoemde historici zo gebeten waren op Liman von Sanders? Duitsland was namelijk niet het eerste of enige land dat activiteiten ontplooide binnen de Ottomaanse krijgsmacht. Engeland was bijvoorbeeld al sinds al sinds 1868 nauw betrokken bij de opbouw en ontwikkeling van de Ottomaanse vloot. De Engelse admiraal Hobart Hamden vervulde vanaf dat jaar een belangrijke rol binnen de Ottomaanse marine en zou in 1885 zelfs opklimmen tot persoonlijk adviseur van de Sultan. Ook Frankrijk was nauw betrokken bij het rijk der Ottomanen, met name door middel van haar grote betrokkenheid met de douane en het bankwezen.

Achtergrond

Mede door haar grote militair-economische strategische positie werden de grenzen van het Ottomaanse Rijk constant bedreigd door de gebiedshonger van haar Engelse, Russische en Franse tegenstrevers. Nadat in 1871 Duitsland als overwinnaar uit de Frans-Pruisische oorlog tevoorschijn was gekomen en daaruit het Tweede Duitse Rijk tevoorschijn kwam, richtten de Ottomanen zich tot dit nieuwe rijk voor o.a. militaire ondersteuning. Om minder van de Engelse en Franse wapenleveranties afhankelijk te zijn, werd op verzoek van de Turken het leger gereorganiseerd met Duitse ondersteuning. Onder toezicht van de Duitse generaal Colmar Freiherr von der Goltz werden in de periode van 1883 tot 1895 grote hoeveelheden Krupp-geschut en aanzienlijke hoeveelheden diverse vuurwapens geleverd. Het Duitse Rijk werd een nieuwe speler in het militair-strategische gebied van de Bosporus.

Russische militairen steken de Donau over in juni 1877 (schilderij van Nikolai Dmitriev-Orenburgsky)

Na enkele bloedige conflicten – zoals de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, een oorlog met Griekenland in 1897 en de Eerste- en de Tweede Balkanoorlog van 1912 en 1913 – zette het Ottomaanse Rijk zich schrap voor een volgend conflict. Een oorlog die naar alle verwachting gevoerd zou worden met haar rivaal en buurland Griekenland met alle mogelijke consequenties die voortvloeiden uit de sleutelpositie die ze in de regio vervulde. De andere grootmachten uit die tijdsperiode – Engeland, Rusland en Frankrijk – aasden als roofgieren op elke mogelijkheid de scepter over te kunnen nemen van de Zieke Oude Man. Elk van hen was gebrand op een zo groot mogelijke invloed binnen het Ottomaanse Rijk dat zijn beste tijd al achter zich had.

Engels – Ottomaanse bemoeienis

Door een van buitenaf bewust gevoede verdeel-en-heers politiek heerste er grote instabiliteit binnen het rijk. Angst bij het staatshoofd om door kringen binnen het eigen militaire apparaat van de troon gestoten te worden, leidde er onder andere toe dat de Ottomaanse krijgsmacht in een deplorabele toestand verkeerde. Ondanks dat werden binnen legerkringen constant pogingen ondernomen de krijgsmacht naar een hoger plan te tillen. In 1904 werden twee Amerikaanse officieren – admiraal Bucknam en Captain Ledbetter – aangetrokken om de marine onder handen te nemen, zonder zichtbaar resultaat. Daarop verzocht de Ottomaanse regering in 1908 Engeland haar te assisteren de marine te moderniseren en 2 februari 1909 maakte admiraal Douglas Gamble zijn opwachting in Constantinopel. Hij zou zich – overigens zónder merkbaar resultaat – tot maart 1910 bezig houden met de sterk verouderde marine. In april 1910 werd hij opgevolgd door admiraal Hugh Williams die tot april 1912 – net als zijn voorganger Douglas Gamble – weinig vorderingen maakte met de modernisering van de vloot. De Ottomanen waren over de Engelse inspanningen dan ook niet tevreden.

De vlootopbouw: gecontroleerde modernisering

De Ottomaanse vloot bestond in die periode uit een samenraapsel van 52 oude en nieuwe schepen, sterk verschillend in grootte en sterkte, waarvan er 24 in zo’n slechte technische staat verkeerden dat ze niet inzetbaar waren. De aankoop van twee – 20-jaar oude – Duitse oorlogsschepen uit de Brandenburgklasse in augustus 1910 moest de Turkse vloot in staat stellen enig tegenwicht te bieden aan het op een Italiaanse werf op stapel staande Griekse oorlogsschip Averoff. Tussen deze beide rivalen was een heuse wapenwedloop gaande. De Ottomaanse wens om moderne(re) Engelse oorlogsschepen aan te schaffen, werd echter stelselmatig getorpedeerd, zoals op 10 juli 1910 toen Engeland weigerde de Swifture en Triumph te verkopen. Daarvoor in de plaats bood ze twee kleinere schepen aan met beduidend minder vuurkracht. Van Duitsland werden toen wél passende oorlogsbodems betrokken. In mei 1911 stemde Engeland uiteindelijk in met de bouw van twee Dreadnoughts (gepantserde slagschepen) wat in Griekenland tot grote irritatie leidde. Op 6 december 1911 werd de kiel van één van de bestelde schepen – de Reshadiye – gelegd. Frankrijk raakte op haar beurt ook geïrriteerd, omdat zij van mening was dat Engeland bovenmatig profiteerde van de economisch aantrekkelijke wapenwedloop tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

De SMS Kurfürst Friedrich Wilhelm die later in Ottomaanse dienst zou komen.

Dat de beide Engelse admiraals niet bijzonder succesvol waren, was niet in de laatste plaats te wijten aan de opdracht om vooral de Engelse belangen in het oog te houden. Een moderne, slagkrachtige marine was iets waarvoor Good Old Albion het minste belangstelling had. Een strijdmacht die ze mogelijk in de toekomst als tegenstander op haar pad zou kunnen vinden. Een militair krachtige natie vormde – in dat voor haar zo belangrijke deel van de wereld – een forse bedreiging en een sterke marine was evenmin in het belang van haar Entente-genoot Rusland. Zich afzijdig houden van de vlootmodernisering zou betekenen dat ook haar invloed minimaal zou zijn, iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen.

„If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”, zoals het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken aan Rusland liet weten.

Toen het mandaat van admiraal Hugh Williams op zijn eind liep, werd op 11 maart 1912 admiraal Arthur Limpus tot zijn opvolger benoemd. Deze admiraal met één jaar ervaring werd door Winston Churchill aangeprezen als een „fine fellow’ who would make a good personal impression”. Begin mei 1912 arriveerde Limpus met zijn staf in Constantinopel. Ook Limpus was gehandicapt door het mandaat dat hij meegekregen had. Tóch slaagde hij er in een opdracht voor een drijvend reparatiedok binnen te halen, dat door de Vickers Armstrong Company gebouwd zou worden. Limpus liet weten dat met deze opdracht de invloed binnen de Ottomaanse marine een onaantastbare voorsprong voor Engeland betekende. Zoals hij het omschreef was het een practical monopoly of naval construction and repairs for thirty years.’ Het Ottomaanse Rijk bleef intussen onverkort vasthouden aan haar koers om haar vloot uit te bouwen en te moderniseren met grote oorlogsbodems, maar ondervond een zeer terughoudend Engeland op haar pad.

Duitse inmenging

Het succes van Limpus met het reparatiedok werd overschaduwd door de komst van de Duitse generaal Liman von Sanders die niet zoals de Engelse missies door een mandaat gehinderd werd. Het lokte nogal heftige Engelse en Russische reacties uit. Met name Rusland stond nogal wat drastische maatregelen voor: “the three powers must be prepared to take active steps such as the occupation of Turkish Ports”, aldus minister Sazonov. Maar de Engelse en Russische protesten haalden niets uit. De Groot-Vizier reageerde daarop door mee te delen de Duitse missie gelijkwaardig aan die van Engeland te beschouwen, “Limpus had a similar if not more extensive command. Admiral Limpus had command of the whole Turkish fleet, whereas the German general was to have command of one army corps only … the two commands could hardly be compared in importance”.

Eind 1912 polste het Ottomaanse Rijk het Duitse Keizerrijk hoe het dacht over het zenden van een militaire missie om haar leger te reorganiseren. Terwijl verkennende besprekingen daarover gaande waren, bracht de Russische tsaar in mei 1913 een bezoek aan Berlijn waar de Duitse keizer hem op de hoogte bracht van het Turkse verzoek, een verzoek waartegen hij geen bezwaar aantekende. Op 22 mei 1913 volgde daarop het officieel Turkse verzoek en benoemde Duitsland op 30 juni 1913 generaal Liman von Sanders tot leider van de Duitse militaire missie naar Constantinopel. In de formele overeenkomst liet de Turkse regering in augustus 1913 vastleggen dat Liman von Sanders in de functie van Ottomaans generaal het in Constantinopel gelegerde 1legerkorps zou omvormen tot een elite-eenheid. Toen in december 1913 de Duitse missie in Constantinopel arriveerde en haar specifieke taak naar buiten gebracht werd, stuitte dat op hevige Russische protesten. Ook in Engeland was men ‘not amused’ en de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau was eveneens niet bepaald enthousiast. De critici meenden het zenden van de missie als een stap te moeten presenteren van Duitsland om de macht in die belangrijke regio naar zich toe te trekken en de Turkse geest te vergiftigen (poisoning the Turkish mind).

De grootmachten vergaten daarbij voor het gemak de eigen belangenverstrengeling binnen zowel het Ottomaanse leger áls de marine. Om aan de bezwaren enigszins tegemoet te komen werd besloten een cosmetische aanpassing aan te brengen in rang en titel van Liman von Sanders. In januari 1914 werd hij tot Ottomaans maarschalk benoemd en kreeg hij de opdracht mee om zich in de minder belangrijke functie van Inspecteur Generaal te belasten met de meer algemene reorganisatie van het Ottomaanse leger.

Vlootpolitiek en Britse belangen

Terwijl Liman von Sanders zich met de modernisering van het leger bezig hield, hield het Ottomaanse Rijk nauw contact met de Engelse marinemissie om haar marine te versterken.

Door geldgebrek was in 1912 de bouw van het tweede – in 1911 bestelde – slagschip, de Mahmud Resad V geannuleerd. In januari 1913 liet Sir Gerard Lowther – de Engelse ambassadeur in Constantinopel – aan zijn regering weten dat het Ottomaanse Rijk grote belangstelling had voor de Rio de Janeiro, een Dreadnought welke in opdracht van Brazilië op een Engelse werf gebouwd werd. Behalve van Ottomaanse zijde was er ook van Russische en Italiaanse kant interesse in dit schip dat Brazilië door financieringsproblemen van de hand wilde doen, maar nog niet officieel op de markt gebracht was. Het schip zou niet eerder dan in de zomer van 1914 van stapel lopen wat Turkije wel als een handicap beschouwde. Duitsland bood daarop twee 19-jaar oude schepen aan, die wel direct ter beschikking waren. In reactie op het Duitse aanbod liet Limpus in een bericht van 12 maart 1913 aan Winston Churchill weten dat zo’n aankoop de Ottomanen steviger in Duitse armen zou drijven en hij drong er op aan dat Engeland een tegenbod moest doen door bijvoorbeeld 2 oudere types Dreadnought aan te bieden. In antwoord hierop liet Winston Churchill op 3 april 1913 aan Limpus weten niets anders dan twee oude en afgedankte Royal Sovereigns in de aanbieding te hebben, een aanbod dat van Turkse zijde werd afgeslagen.

Ondertussen ging het getouwtrek om de Rio de Janeiro stug door. Italië leek de koop rond te hebben, wat Frankrijk weer in allerhoogste alarmfase bracht. Een oorlogsbodem met zulke formidabele vuurkracht als onderdeel van de marine van de Italiaanse buurstaat, was iets dat niet in Frans belang kon zijn. Frankrijk deed daarop Griekenland het voorstel het schip te financieren en leek daarin succesvol te zijn. Op 22 november 1913 informeerde het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken Churchill dat Griekenland de financiering rond had waarna deze zijn goedkeuring gaf en de werf de waarschuwing kreeg het schip niet aan een andere partij dan Griekenland te verkopen. Uiteindelijk ging het schip tóch aan de Griekse neus voorbij. Op 15 december 1913 werd bekend dat het Ottomaanse Rijk alsnog de nieuwe eigenaar geworden was van de Rio de Janeiro. Ze was aangekocht met behulp van een Franse lening…..[!] en hernoemd in Sultan Osman I. Het financiële belang had gewonnen. Als bonus bij de verkoop was namelijk bedongen dat ook de renovatie van de Ottomaanse scheepswerven door Armstrong Whitworth bij de deal waren inbegrepen, eveneens door Frankrijk gefinancierd.

Engelse confisquatie en publieke opinie

Op 3 september 1913 werd de eveneens in 1911 bestelde Reshadiye te water gelaten en begon de verdere afbouw van het schip. De Turken waren er op gebrand om de Reshadiye en de Sultan Osman I zo snel als mogelijk in eigen wateren te hebben, niet in de laatste plaats vanwege de ontwikkelingen op maritiem gebied in de Griekse buurstaat. Een Turkse bemanning was al in Engeland om de Reshadiye naar eigen wateren te varen en admiraal Limpus werd op 27 juli 1914 naar Engeland gezonden om de levering te begeleiden van de Sultan Osman I. Bij het ontbreken van een voldoende opgeleide Turkse bemanning kreeg hij de opdracht mee dit schip te laten bemannen met Engelse marineofficieren ‘in ruste’. Het zou vergeefse moeite zijn. De Armstrong Whitworth werf kreeg op 31 juli 1914 van Winston Churchill de opdracht het schip vast te houden en niet te overhandigen, in de middag gevolgd door een bestorming van het schip door Engelse mariniers die het in bezit namen. De actie kwam voor Enver Pasha niet onverwacht. Ook de Reshadiye werd door Engelse mariniers bestormd, haar Ottomaanse bemanning gevangen genomen en het schip geconfisqueerd.

De Reshadiye in Britse dienst als HMS Erin

Zowel de Sultan Osman I als Reshadiye werden na een verklaring van Winston Churchill op 3 augustus 1914 in de Engelse vloot opgenomen en omgedoopt tot respectievelijk HMS Agincourt en HMS Erin. Op 22 augustus werd HMS Erin officieel in gebruik genomen. Beide schepen zouden in de zeeslag bij Jutland in 1916 slag leveren met de Duitse vloot. Een ander – nog in 1914 bij de Engelse Vickers-werf besteld – schip dat de naam Fatih had moeten dragen, werd bij het uitbreken van de oorlog niet meer in productie genomen. In totaliteit zou het Ottomaanse Rijk in elf jaar (tot 1914) 40 schepen van Engelse werven aanschaffen. Door de annexatie van de schepen beroofde Engeland het rijk tegelijk van een investering van £ 4.000.000; een bedrag dat voor een groot deel door haar burgers in een nationale schooi- en bedelcampagne bij elkaar gebracht was. De Engelse actie zorgde ervoor dat de Turkse publieke opinie omsloeg in haar nadeel.

Duitse compensatie en Griekse bewapeningswedloop

De Engelse actie zou er mede voor zorgen dat het Ottomaanse Rijk zich aan de kant van de Centrale Mogendheden stelde. Ze ontving ter compensatie van de door Engeland in beslag genomen schepen, reeds op 12 augustus 1914 de volledig bemande Duitse oorlogsbodem SMS Goeben (omgenoemd tot Javuz Sultan Selim) en de SMS Breslau (omgedoopt in Midill). Admiraal Limpus werd op 15 augustus 1914 van zijn functie ontheven waarna hij naar Malta vertrok om in september zijn nieuwe post te betrekken: Superintendent of the dockyard’. De Duitse admiraal Souchon werd daarop door de Sultan tot opperbevelhebber van de Ottomaanse vloot benoemd.

Ook de Griekse marine kende onder soortgelijke condities als het Ottomaanse Rijk ondersteuning door Engelse militaire missies, zoals onder admiraal Lionel Tufnell die Griekenland moest adviseren. De Grieken bevonden zich in een wapenwedloop met het haar Turkse buurnatie en was druk doende haar vloot op oorlogssterkte te brengen. Begin 1910 wist ze een – oorspronkelijk voor de Italiaanse marine geplande – kruiser aan te kopen. Op de Orlando-werf in het Italiaanse Livorno was begin 1910 de kiel gelegd van deze £ 950.750,- kostende kruiser die om budgettaire redenen al spoedig stilgelegd werd. Op 27 februari 1910 zag Griekenland kans de kruiser voor 30% van de originele kostprijs aan te kopen en volgde er op 12 maart 1910 de officiële bekrachtiging. Het aankoopbedrag werd voor een deel betaald uit de nalatenschap van de Griekse zakenman Giorgios Averoff; het overige deel werd via buitenlandse credieten gefinancierd. De nieuwe kruiser zou de naam van de ‘gulle gever’ gaan dragen Giorgios Averoff.

Tewaterlating van de Averof in het Italiaanse Livorno in 1910

En bij de Vulcan-werf in het Duitse Hamburg plaatste Griekenland de bouw van een kruiser die oorspronkelijk de naam Vasilfs Georgios zou meekrijgen. Onder de uiteindelijke naam Salamis zou deze slagkruiser voorzien worden van geschut van Amerikaanse makelij, maar ze werd nooit opgeleverd. Het uitbreken van de oorlog in 1914 zorgde ervoor dat de bouw werd opgeschort.

Admiraal Mark Edward Frederick Kerr

Begin 1913 diende Griekenland een verzoek in de militaire missie te vernieuwen; en dan niet geleid door naval pensioners zoals Tufnell, maar onder commando van een officier in actieve dienst. Op 2 juni 1913 liet Winston Churchill per brief aan de Griekse minister van marine weten dat door de snelle groei van de Engelse marine moeilijk aan die wens tegemoet kon worden gekomen, maar dat hij er tóch in geslaagd was een geschikte kandidaat te vinden. Admiraal Mark Edward Frederick Kerr – een protégé van Louis Alexander von Battenberg (ná 1917 Lord Mountbatten genoemd) – werd uitgezonden en op 17 september 1913 nam hij het commando over de Griekse marine op zich. Kerr zag zijn benoeming niet zozeer als een promotie, eerder als een belemmering van zijn marinecarrière en dat zou hij op een nogal bijzondere manier laten gelden.

Kerr kreeg van Churchill de opdracht mee niet té meegaand te zijn en vooral toch het Engelse belang boven het Griekse belang te stellen. Een slagkrachtige Griekse marine was – net als een moderne Ottomaanse vloot – niet in het belang van het British Empire. Ook hier gold dat afzijdigheid bij de vlootmodernisering gelijk zou staan aan minimaal invloed. Iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen. Om de regie te kunnen voeren in de modernisering nam ze een ‘actieve’ rol op zich, want ook hier gold “If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”..

Engels Mandaat en Kerrs verzoek

Kerr kreeg van Winston Churchill een gelijksoortig mandaat mee als zijn tegenhangers in Ottomaanse dienst:

“It is not intended that the instruction and assistance we are giving to the Greek Navy should place them on the same level of naval science as the British. The refinements of our gunnery, torpedo, and submarine courses should not be disclosed but only that general information such as would be appropriate to foreign officers allowed for instructional purposes to attend certain courses”.

Gehinderd door dit mandaat kreeg Kerr het herhaaldelijk aan de stok met minister-president Eleutherios Venizelos die – evenals de Ottomaanse Sultan – zijn zinnen had gezet op zwaar oorlogsmaterieel. Zijn verstandhouding met de Griekse koning Constantijn was daarentegen zeer bijzonder en intens. Dit vertaalde zich in grote sympathie en loyaliteit, iets dat hem in een moeilijke positie bracht. Door het mandaat gehinderd kon Kerr niet anders dat elk verzoek tot levering van grote en zware slagschepen saboteren. Door te lobbyen via zijn beschermheer Lord Mountbatten probeerde hij ter compensatie ondersteuning los krijgen – indien er daadwerkelijk tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk oorlog uitbrak – in de vorm van Engelse onderzeeërs destroyers en kruisers. Hij verbond daaraan verregaande persoonlijke consequenties:

“If war breaks out in the spring or summer when we are so weak, I feel I should change my nationality and fight for these people. I know it means ruin for me afterwards, but I have a strong feeling that I should do so. I would not feel so, except for the fact that they will be so weak, having no one who knows how to work a flotilla and I may make the difference of victory or defeat”.

…. in zijn verzoek dat geen Engels belang diende en bij voorbaat kansloos was.

Uitbreiding van de Griekse vloot

Griekenland bleef naarstig op zoek naar aanvulling op haar vloot. Ze bood Japan een fors bedrag voor haar kruiser Kongo, maar de deal ging niet door. China bood een kleine kruiser aan, die op het punt stond de Amerikaanse scheepswerf te verlaten; het woog allemaal niet op tegen de komst van de twee Ottomaanse Dreadnoughts de Reshadiye en de Sultan Osman I. In haar wanhoop bood ze begin 1914 met gulle hand op twee afgedankte Amerikaanse oorlogsschepen, de Idaho en de Mississippi, die de New York Times omschreef als: “In the ordinary course, the ships would be consigned to the scrap heap, or be used as targets”.

Op 28 mei 1914 gaf de Amerikaanse Senaat hieraan haar goedkeuring, maar even leek het nog dat het de Ottomanen gelukt was roet in het eten gooien. Zij boden een hoger bedrag voor de dodelijke schroot. Tijdens een Senaatszitting van 23 juni 1914 werden de afdankertjes alsnog aan Griekenland gegund. De afgeschreven schepen brachten meer op dan de originele bouwkosten! Admiraal Kerr was woedend over de aankoop die Venizelos achter zijn rug om gedaan had: “The deal ruined the progress of the Greek navy for the rest of the time I was there, and afterwards”.

De Idaho – die (héél comfortabel) op oefening was in de Middellandse Zee – kon snel worden overgedragen zodat Griekenland haar mogelijk nog kon inzetten voordat de Sultan Osman I van de Engelse werf zou glijden. Het Griekse schip kreeg daarbij de naam Limnos.

Een afhoudende koers: Kerrs rol uitgespeeld

Toen de Groote Oorlog op het punt van uitbreken stond, ontving admiraal Kerr van de kant van de First Lord of the Admiralty – Winston Churchill – het verzoek de Griekse marine aan geallieerde zijde te plaatsen. Kerr stelde daaraan dusdanige eisen dat van een samengaan geen sprake kon zijn. De gevraagde Griekse maritieme ondersteuning van een Engelse campagne in de Dardanellen kwam niet tot stand. Kerr wilde zijn Griekenland zo lang als mogelijk buiten de gevechten en zo mogelijk neutraal houden. Zo nam hij radiostilte in acht rondom de beide Duitse oorlogsschepen de Breslau en de Goeben die onder commando van admiraal Wilhelm Anton Souchon richting Griekenland opstoomden. De exacte locatie van beide schepen was hem bekend, maar hield hij deze informatie 3 dagen voor zich vóórdat hij ze via prins Sdemidoff – de Russische ambassadeur in Athene – doorspeelde. Sdemidoff telegrafeerde deze strategisch belangrijke informatie naar de admiraliteit in St. Petersburg, die op haar beurt de Engelse admiraliteit op de hoogte bracht. De goede verstandhouding die Kerr had met de Duitse keizer, zal zeker meegewogen hebben in de door hem gemaakte keuze. Kerr kende de keizer persoonlijk. Hij had hem meerdere keren ontmoet, zoals in 1889 toen prinses Sophie – zuster van de keizer – met de Griekse prins Constantijn trouwde en in april 1908 op het eiland Corfu waar hij een lange ontmoeting met hem gehad had.

Admiraal Souchon (rechts) met Otto Liman von Sanders en zijn dochter aan boord van de Goeben

Al met al was de houding van Kerr voor de de First Lord of the Admiralty reden op hem in 1914 van zijn Griekse post te ontheffen. De carrière van Kerr binnen de Engelse marine was definitief voorbij en hij moest zijn heil elders zoeken. Kerr nam vlieglessen en kreeg via zijn machtige connecties uiteindelijk een aardig betaalde positie binnen de Engelse luchtmacht. In 1919 wist Kerr voor een moment terug te komen in de wereldaandacht. Samen met Air Commodore H.G. Brackley wist hij de eerste lucht-post vlucht te maken van New Foundland naar New York.

Duits commando tijdens de oorlog

De talloze verzoeken van zowel Griekenland als het Ottomaanse rijk tot een met Engeland af te sluiten alliantie of bondgenootschap, waren al die jaren stelselmatig afgewezen. Terwijl Griekenland zich neutraal probeerde op te stellen, sloot het Ottomaanse Rijk op 1 augustus 1914 een overeenkomst met het Duitse Keizerrijk. Ze zette admiraal Souchon aan het hoofd van haar marine en benoemde generaal Liman von Sanders in augustus 1914 tot bevelhebber van het vijfde Turkse leger in de Bosporus.

Diens invloed was in eerste instantie beperkt en tegen zijn uitdrukkelijk advies in ging Enver Pasha op 22 december 1914 over tot een stoutmoedig plan om met het 3e Turkse leger de aanval te openen op het Russische Kaukasus-leger. Hij had daarmee de bedoeling om daar alle in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 verloren gebieden terug te veroveren. Het zou een militaire blunder van de eerste orde zijn met catastrofale gevolgen. Het Turkse leger werd in de Slag van Sarikamish vernietigend verslagen en op 17 januari 1915 waren van de 95.000 manschappen slechts 20.000 over! Na deze mislukte operatie droeg Enver het commando over aan generaal Hafiz Hakki en gaf collaboratie door Armeniërs als reden voor het mislukken van de veldtocht.

Na een volgende mislukte operatie eind januari 1915 in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen, onder aanvoering van de al even ondeskundige Djemal Pasha, kwam het commando in handen van Liman von Sanders. Het was onder zijn leiding dat de geallieerde aanvallen op de Dardanellen in maart 1915 stukliepen tegen het door hem gecommandeerde 5e Turkse leger. Anders dan zijn Engelse tegenhangers in buitenlandse dienst, die jarenlang de militaire opbouw frustreerden, was Liman von Sanders niet gehinderd door beperkende mandaten. Kampend met dezelfde problemen binnen het militaire apparaat wist hij wél – en dat binnen ettelijke maanden – het Ottomaanse leger te hervormen tot een slagvaardig leger. Dit alles was er de oorzaak van dat Liman von Sanders zich bij de geallieerden weinig geliefd maakte.

Naspel

Nadat de Grote Oorlog in het voordeel van de geallieerden was beslecht, werd Liman von Sanders door zijn rancuneuze tegenstanders op 3 februari 1919 als oorlogsmisdadiger op Malta vastgezet. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de Armeense genocide door Turkije, een beschuldiging die niet hard gemaakt kon worden. Het was juist mede door de persoonlijke tussenkomst van hém geweest dat de Armeniërs van Constantinopel en Smyrna enigszins gespaard bleven! Nadat ook Sir Ian Hamilton – zijn Engelse opponent in de slag om de Dardanellen – zich voor hem ingezet had, werd hij op 26 juli 1915 uit zijn eenzame opsluiting vrijgelaten waarna hij in augustus 1919 arriveerde in Berlijn.


Bronnen

Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges, G. von Jagow, Reimar Hobbing Verlag, Berlin, 1919
Manuscript ‘Schaakspel om de Wereldmacht’- Fré Morel
net.lib.byu.edu/estu/wwi/comment/morgenthau/Morgen08.htm
www.kcl.ac.uk/lhcma/locreg/LIMPUS.shtml
en.wikipedia.org/wiki/Otto_Liman_von_Sanders
www.gallipoli-association.org/contentpage.asp?pageid=35
www.firstworldwar.com/bio/liman.htm
en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Sarikamis
en.wikipedia.org/wiki/First_Suez_Offensive
 de.wikipedia.org/wiki/Colmar_Freiherr_von_der_Goltz
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 de.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Milit%C3%A4rmission_im_Osmanischen_Reich
 www.stahlgewitter.com/14_10_30.htm
 www.historyhouse.com/in_history/turkey_boat
 www.superiorforce.co.uk
en.wikipedia.org/wiki/Mark_Kerr_(admiral)
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 www.superiorforce.co.uk(externe link)
 en.wikipedia.org/wiki/HMS_Agincourt_(1913)
 de.wikipedia.org/wiki/HMS_Erin
 hnsa.org/ships/averoff.htm
 www.bsaverof.com/uk/history.htm
 www.geocities.com/roynagl/handleypage.htm
 www.knerger.de/Die_Personen/militar_14/militar_15/militar_16/hauptteil_militar_16.html

Posted on

Spanje: Kosovo alleen bij EU als deel van Servië

Eind februari wordt een informele top van de Europese Raad gehouden, waar onder andere een nieuwe EU-uitbreidingsstrategie voor de westelijke Balkan op de agenda staat. Spanje benadrukt naar aanleiding hiervan opnieuw dat het toetreding van Kosovo tot de EU zal blokkeren, behalve als Servische regio.

Madrid stelt zich op het standpunt dat Kosovo alleen lid kan worden van de Europese Unie, als een aparte regering binnen Servië, zo meldt het Servische dagblad Vecernje Novosti. Op deze wijze hoeft Spanje Kosovo niet als staat te erkennen. De meeste EU-lidstaten hebben de onafhankelijkheid van Kosovo erkend. Het eveneens Oosters-Orthodoxe Griekenland echter niet, daarnaast hebben Spanje, Roemenië en Slowakije Kosovo niet erkend, mede om de reden dat het een precedent zou scheppen voor eventuele secessie van regio’s in hun eigen land.

Spanje heeft naar aanleiding van de nieuwe EU-uitbreidingsstrategie voor de westelijke Balkan (i.e. voormalig Joegoslavië en Albanië), bezwaar gemaakt tegen de suggestie dat Kosovo als staat toe zou kunnen treden tot de EU en hierover diverse documenten naar EU-functionarissen gestuurd. Het Spaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigde dit tegenover het Servische dagblad en stelde dat het voet bij stuk zal houden: “Het standpunt van Spanje over het niet erkennen van de eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid van Kosovo is gebaseerd op de verdediging van de beginselen van de territoriale integriteit van staten, respect voor internationaal recht en de rule of law.”

De situatie in Catalonië lijkt de opstelling van Spanje ten aanzien van Kosovo alleen nog geconsolideerd te hebben. Vecernje Novosti roept in dit verband in herinnering dat de Europese Commissie na het illegale onafhankelijkheidsreferendum in Catalonië stelde dat de situatie in Catalonië niet te vergelijken is met die in Kosovo, omdat Spanje lid is van de EU en Servië niet. Belgrado had destijds op het punt gestaan om te protesteren tegen deze dubbelhartige opvatting van het internationaal recht, maar president Aleksandar Vucic zag hier destijds op aandringen van Madrid vanaf, omdat het de situatie voor Spanje verder zou kunnen compliceren. Vucic stelde destijds ook dat hij weet hoeveel druk er op premier Mariano Rajoy wordt uitgeoefend om Kosovo te erkennen.

Posted on

FPÖ wil afscheiding Republika Srpska van Bosnië toestaan

Terwijl de nieuwe Oostenrijkse regering net bezig is de eerste accenten te leggen in haar buitenlandbeleid, zorgt een interview van FPÖ-leider Heinz-Christian Strache, inmiddels vice-premier, uit september 2017 voor opschudding in de media. Strache sprak zich destijds uit voor de onafhankelijkheid van de Bosnisch-Servische Republika Srpska van Bosnië-Herzegovina.

Bij een bezoek aan Banja Luka zei hij destijds onder andere: “Ik zou graag weten waarom de internationale gemeenschap op een multi-etnisch Bosnië en Herzegovina staat. Deze kunstmatig gecreëerde staat kan niet functioneren, omdat de mensen die daar leven hem niet willen.”

De Servische republiek (in groen) binnen Bosnië Herzegovina

Strache benadrukte verder “de noodzakelijkheid , dat de Serven en Kroaten in Bosnië en Herzegovina het recht krijgen zelf over hun lot te beslissen”. De Republika Srpska is volgens Strache de enige structuur in Bosnië-Herzegovina die functioneert, “en daarom zie ik geen positieve toekomst voor Bosnië en Herzegovina. Om deze reden zouden we over de mogelijkheid na moeten denken de Republika Srpska toe te staan om zich af te scheiden.”

Destijds kregen de uitspraken van Strache weinig aandacht in de Oostenrijkse media, maar nu hij vicepremier is, is er veel opwinding over. Afscheiding van de Servische Republiek zou tegen de Bosnische constitutie en het door de Verenigde Staten doorgezette Verdrag van Dayton (1995) ingaan. Strache ontkende zijn uitspraken van destijds desgevraagd echter niet en nam zijn woorden ook niet terug: “Ik sta voor de integriteit van Bosnië-Herzegovina, maar evengoed voor het zelfbeschikkingsrecht van de volken voor een blijvend noodzakelijk vredesproces.”

De FPÖ neemt in de kwestie van de Republika Srpska een standpunt in dat van het traditionele Oostenrijkse Bosnië-beleid afwijkt. Recent leidde een bezoek van de FPÖ-fractieleider Johann Gudenus aan de feestelijkheden voor de nationele feestdag in de Bosnisch-Servische hoofdstad Banja Luka tot kritiek. Daar nam Gudenus voor zichzelf en voor Strache een onderscheiding in ontvangst van de president van de Republika Sprska, Milorad Dodik.

Posted on 1 Comment

60 goed geconserveerde scheepswrakken voor Bulgaarse kust

Nabij de Bulgaarse Zwarte Zeekust heeft een team internationale onderzoekers afgelopen najaar meer dan 60 zeer goed bewaard gebleven historische scheepswrakken ontdekt. Het gaat om schepen van Romeinse, Byzantijnse, Ottomaanse en Venetiaanse oorsprong, die op een diepte van 90 tot 2000 meter op de zeebodem liggen.

Sinds de herfst van 2016 stuurden de wetenschappers op afstand bestuurbare onderzeeboten met moderne camera’s en laserscanners naar de wrakken. Onder de schijnwerpers werden duizenden foto’s gemaakt en vervolgens op de computer samengevoegd tot hoge-resolutie 3D-modellen.

Met op afstand bestuurbare onderzeeërs werden de scheepswrakken in beeld gebracht (foto: Black Sea MAP).

Het resultaat is spectaculair: Duidelijk te herkennen zijn details zoals touwen op het dek, het roer, vaten, kanonnen en kunstig houtsnijwerk. Er konden scheepstypen geïdentificeerd worden die tot nu toe alleen uit geschriften of van schilderingen bekend waren.

Drie jaar heeft het team rond professor Jon Adams van het Centrum voor Maritieme Archeologie van de Universiteit van Southampton langs de Bulgaarse Zwarte Zeekust onderzoek naar de zeebodem gedaan. De expeditie met de titel ‘Black Sea Maritime Archeology Project’ had ten doel de vroegere kustlandschappen in de Zwarte Zee in kaart te brengen. Men wil de paleo-ecologische voorgeschiedenis van het waterlichaam reconstrueren. De centrale van het team was het met de modernste onderwater-meetapparatuur uitgeruste schip Stril Explorer.

Het team opereerde vanuit de Stril Explorer (foto: Black Sea MAP).

De ontdekking van het scheepskerkhof kwam volstrekt onverwacht. Al in de Oudheid was de Zwarte Zee een veel bevaren waterweg, die Venetië, de Balkan, Griekenland en Klein-Azië met de Krim, de Euraziatische steppen, de Kaukasus en Mesopotamië verbond.

Oorspronkelijk was de Zwarte Zee een zoetwatermeer. Door stijgende waterspiegels zou op enig moment in de prehistorie echter het water doorgebroken zijn door wat nu de Bosporus en de Dardanellen zijn, waardoor een verbinding met de Egeïsche Zee ontstond. Door het verschillende gewicht van het Zwarte Zeewater en het veel zoutere Middellandse Zeewater, vloeit er zowel water de ene als de andere kant op op verschillende dieptes. Hierdoor ontstaat een zuurstofvrije laag op diepten vanaf 150 meter, waardoor de gezonken schepen met lading en al sensationeel goed bewaard zijn gebleven.

Griekse kolonies aan de Zwarte Zee (kaart: George Tsiagalakis / CC-BY-SA-4)

Aan de hand van de vondsten hoopt men bewijzen te vinden voor de import van zijde, specerijen, parfum, juwelen en zelfs boekrollen. Of er ook scheepswrakken geborgen zullen worden is nog niet besloten. De Bulgaarse minister van Cultuur heeft aangekondigd dat er op het schiereiland Sint-Quiricus bij Sozopol – in de Oudheid Apollonia genoemd – een Museum voor Onderwaterarcheologie moet ontstaan om de vondsten van de schepen tentoon te stellen.

Posted on

Een ‘rode pil’ voor iedereen die er maar eentje hebben wil

Laatst had ik het zeldzame voorrecht om een goed boek te lezen. Het boek heet ‘Oorlog is misleiding en bedrog’ van iemand die zich identificeert als “Fre Morel”.

Een heel continent in een apocalyptische oorlog storten
Waar gaat het boek over? Het boek gaat over wat de schrijver de “eenendertigjarige oorlog” noemt. De oorlog die in 1914 tegen Oostenrijk-Hongarije en Duitsland begon met de moord op Frans-Ferdinand van Oostenrijk tot en met het neerzetten van de Sovjetvlag bovenop de Duitse Rijksdag van 1945. De oorlog die het ‘Oude Europa’, na de roerige negentiende eeuw, definitief vernietigde. Frans Jozef I, keizer van Oostenrijk en apostolisch koning van Hongarije, zei tegen de toenmalige Amerikaanse president “in mij ziet u de laatste monarch van het Oude Europa.” En inderdaad. De geschiedenis heeft hem gelijk gegeven.

Het boek documenteert als geen ander boek de tijd tot op de fatale schoten op zijn beoogde opvolger Frans Ferdinand. Opgemerkt wordt dat Frans Ferdinand, die voorstander was van een staat voor de Zuid-Slaven, vermoord werd door een voorstander van een staat voor de Zuid-Slaven genaamd “Jug-o-Slavija”. De moordenaar, Gavrilo Princip, werd dus voorgelogen door zijn opdrachtgevers en dat eindigde in de moord op de persoon bij uitstek die zijn droom zou verwezenlijken. Wie waren dan zijn opdrachtgevers, hoor ik u denken.

Nu komen we op de kracht van het boek. Het boek stelt niet teleur in het noemen van namen en rugnummers. De opdrachtgever was de organisatie ‘Zwarte Hand’, maar de Zwarte Hand was een frontorganisatie voor de Britse geheime dienst.

Ik hoor u opnieuw denken. Waarom zouden de Britten dit doen? Nou, de Britten hadden en hebben als doel Europa verdeeld te houden. Duitsland werd economisch te machtig en Rusland kreeg in die tijd heel veel invloed. Er waren zelfs al Russische plannen om Constantinopel binnen te vallen en te bezetten! De Britten voelden de druk dat indien er geen oorlog zou komen de continentale machten Duitsland, Rusland en de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie Groot-Brittannië glansrijk voorbij zouden streven. Dit moest gestopt worden. En is er een beter middel om dat te doen dan om alle drie in een oorlog te storten waarbij ze elkaar vernietigen?

Dit is een totaal andere uitleg van de feiten dan in een gemiddeld middelbare schoolboek staat en het boek stopt hier niet. Het boek ontmantelt systematisch de jaren die op de tragische gebeurtenissen van 1914 volgen op een onnavolgbare en, belangrijker nog, uiterst gedocumenteerde manier. Geen enkele (geen enkele!!) gebeurtenis in de Eerste en Tweede Wereldoorlog blijft onbenoemd; Fre Morel bekijkt ze met zijn eigen, unieke en diepe inzicht in het beschikbare feitenmateriaal.

Taalkundige overpeinzingen
Het boek is geen saaie geschiedenisles. De schrijver neemt de intellectuele ruimte wat overpeinzingen met de lezer te delen. Wat te denken van het woord “nadenken” bijvoorbeeld, lijkt dat meer op “na-apen” of “zelfstandig denken”? Mijn antwoord is dat “nadenken” in de tegenwoordige zin van het woord, vooral “na-apen” betekend. Links-liberalen associëren hun ideeën vooral met intelligentie. Wie niet kan “nadenken” is niet “intelligent”. Maar ik wil die mensen helemaal niet “na-apen in hun denken”. Als ik dan niet “intelligent” ben dan zij het maar zo. Sterker nog, hier in Vlaanderen is verbroederen zingen en drinken in een cantus. Dat is nuttiger tijdverdrijf dan links-liberalen “na-apen in denken”. Zo is zingen beter dan nadenken.

Trivia
Grappig is het boek met trivia en ‘leuke feitjes tussendoor’. Wist u bijvoorbeeld dat de Romeinse groet, tegenwoordig bekend als de ‘Hitlergroet’, een vrij normaal iets was tot en met 1941 aan toe en ook in Amerika gebruikt werd als militaire groet? Nee? Dan weet u het nu. Wist u dat dr. Jozef Goebbels zijn ideeën voor het Rijksministerie voor Volksverlichting en Propaganda baseerde op ideeën van het neefje van Sigmund Freud?

Committee on Public Information in 1916, tweede van rechts Edward Bernays

En dat het neefje van Sigmund Freud, Edward Bernays, een soort Amerikaans “Rijksministerie voor Volksverlichting en Propaganda”, het Committee on Public Information (CPI), heeft opgericht? Het CPI had onder meer als doel om via Hollywood-films de wensen van de Amerikaanse regering te propaganderen bij het volk, op een schaal waarop genoemde dr. Jozef Goebbels alleen maar kon dromen. Het is allemaal echt waar.

Dit soort opsommingen van feiten zijn alleen nuttig en geloofwaardig als er ook een register is met waar de schrijver het allemaal vandaan heeft gehaald. En het boek stelt ook daarin niet teleur. Iedereen kan het als een uitdaging zien om de feiten die de schrijver aandraagt te diskwalificeren. Waarmee we op het volgende punt aankomen.

Lezen of niet?
Het is vooral een kwestie van *willen* weten. Als de lezer zichzelf de vraag stelt: “over de Irakoorlog in 2003 is gelogen, over de Irakoorlog daarvoor is gelogen, over de oorlog in Vietnam is gelogen, over de oorlog in Korea is gelogen, zal het dan niet zo zijn dat er ook leugens zijn verteld over de Eerste en Tweede Wereldoorlog?” Als uw antwoord “ja” is (en mijn antwoord is zeker “ja!”), maar u heeft niet het feitenmateriaal voorhanden om te zeggen wat die leugens precies zijn, dan is hier uw kans uw kennis van de geschiedenis wat op te poetsen. Uw kijk op de ‘Eerste en Tweede Wereldoorlog’ zal nooit meer hetzelfde zijn.

Fré Morel ~ Oorlog is misleiding en bedrog (2e druk)