Posted on

De rechter als onderdeel van een tijdsgewricht

Het is een fenomeen dat al langer opvalt, maar bij de moord op Anne Faber weer duidelijk naar voren is gekomen. De rechter kijkt een dader in de ogen en dient over hem/haar te oordelen. De rechter kijkt een slachtoffer niet in de ogen, maar dient hem/haar wel te beschermen. De rechter is ook maar een mens en dit leidt er toe dat de rechter in dit tijdsegment meer aandacht heeft voor daders dan voor slachtoffers.

De rechter door de tijd heen

Een rechter heet onafhankelijk te zijn, maar dat is niet zo. De rechter is een product van zijn tijd en/of sociale omgeving. De rechters in de 17e eeuw waren niet slecht, maar deden niets tegen slavernij, terwijl dit nu niet meer denkbaar is. De rechters in de Verenigde Staten zijn niet slecht, maar ze zijn voorstander van de doodstraf, terwijl dit in West-Europa geen optie meer is.

Zo zijn ook onze rechters niet slecht, maar ze kijken de dader in de ogen en niet het slachtoffer. Dit leidt er toe dat in de rechtspraak van deze tijd veel aandacht is voor de dader, diens overwegingen en diens toekomstige leven. Tegenover al deze aandacht staat een volstrekt gebrek aan aandacht voor het (potentiële) slachtoffer, de familie van het slachtoffer of de effecten van het gedrag van de dader op burgers in het algemeen.

Kan een mens neutraal zijn?

De beeltenis van Vrouwe Justitia suggereert dat er sprake is van een soort onafhankelijke wijsheid en dat de rechter zich bij zijn uitspraken hierop beroept. Het is echter niet de kwaliteit van een rechter, die maakt dat hij in het verleden of in andere landen tot keuzes komt waar wij in Nederland anno 2017 zeker niet op uit zouden komen. De rechters zijn hun naam en beroep waard, maar het zijn mensen.

Er is niet zoiets als een ideaal rechtsbeeld. De wet wordt gemaakt door de politici, die gekozen zijn; de rechter past zijn uitspraken aan binnen dit kader. Tegelijkertijd is de rechter ook één van de kiezers. Mocht een rechter vol overtuiging tegen het homohuwelijk zijn en de wetgever dwingt haar ambtenaren om deze huwelijken te sluiten (om maar een simpel voorbeeld te nemen) dan zal het voor de rechter net zo moeilijk zijn om de weigerambtenaar te veroordelen als het voor de weigerambtenaar moeilijk zal zijn om het homohuwelijk te sluiten.

Waar de mens haar rol verliest

De plek waar een mens zich het moeilijkste kan verstoppen is in de confrontatie met andere mensen. Dat doet zich momenteel in alle hevigheid voor in de rechtszaal. Voor de rechter zit een dader, maar ook een mens. Ik heb er alle begrip voor dat een rechter de mens in de dader zoekt en weegt. Waar ik moeite mee heb is dat er geen ruimte is voor die andere mens: het slachtoffer.

Tegenwoordig is er enige ruimte voor het slachtoffer, maar het is afgedwongen en beperkt. Het is een eerste stap in een proces dat veel meer ruimte verdient; een proces dat leidend zou moeten zijn. De rechter is er immers om (toekomstige) slachtoffers in bescherming te nemen. Feitelijk is iedere dader (ik schrijf bewust niet ‘verdachte’) een burger die eigen rechter speelt en een ander confronteert met een zelfbedachte straf op een niet-relevante overtreding. Anne was op een plek waar ze niet had mogen zijn (van de dader) en de dader veroordeelde haar tot de doodstraf én voerde het uit. De trias politica in één persoon.

Dat is waar de rechter zich op moet focussen. Is de verdachte ook daadwerkelijk de dader? En hoe beleeft de samenleving deze daad en hoe kan ze beschermd worden tegen een dergelijke daad? Van deze dader of een ander. In plaats van onderzoeken naar de dader is het belangrijk voor de rechter om onderzoek te doen naar de gevolgen van de daad voor de samenleving, die hier niet om gevraagd heeft.

Van toen naar straks

Vroeger hadden we goede rechters en kwamen ze niet op tegen slavernij en vonden lijfstraffen of doodstraffen acceptabel. Tegenwoordig hebben we goede rechters en laten ze het slachtoffer links liggen. Laten we als samenleving doorgaan om te zorgen dat onze goede rechters het (potentiële) slachtoffer centraal stellen en daar hun vonnis op baseren. De rechter is ook maar een product van zijn tijd en deze tijd vraagt om een andere benadering van de verhouding dader-slachtoffer.

Posted on

Wie moet de hegemoon zijn in Europa?

De belangrijkste politieke vraag is de vraag naar de hegemonie. Wie is de hegemoon? Wie zet in een federatie, een verbond van staten, zijn ideeën door? Wie is er overheersend, heerst met andere woorden zonder te regeren ook daar, waar de nominale heerschappij aan anderen toekomt?

De hegemoon staat typisch gesproken aan het hoofd van een federatie. Koning Philippus II, de vader van Alexander de Grote, heerste in Macedonië, in de overige staten van de Korintische Bond was hij overheersend, als hegemoon resp. opperbevelhebber kon hij ze in de oorlog tegen de vijandelijke Perzen leiden.

Aan dit patroon is tot op de dag van vandaag niet veel veranderd. Waar zich ook maar staten aan elkaar verbinden, drukt een van deze staten zijn stempel op de federatie, doortrekt haar met zijn politieke idee zoals de Macedonische koningen de Korinthische Bond met hun militaristische koningscultus. Waar de hegemoon ontbreekt, waar de federatie geen externe vijand erkent, daar storten zich de individuele staten al snel militair op elkaar.

De Vrede van Westfalen maakt in 1648 een einde aan de Dertigjarige Oorlog. Ze beëindigde ook de hegemonie van de Rooms-Duitse keizer over Europa en luidde het tijdperk van het interstatelijke volkenrecht (Ius Publicum Europaeum) in. In die tijd ontstonden soevereine Europese staten, wier soevereiniteit vooral in het ‘ius ad bellum’ bestond, in het recht om elkaar de oorlog te verklaren. En daarvan maakten ze ook rijkelijk gebruik. De volgende anderhalve eeuw zouden als de tijd van de Kabinettskriege de geschiedenisboeken in gaan. Europa was destijds verenigd in de vijandschap van de staten die er deel van uitmaakten.

Na de Franse Revolutie deden twee staatsmannen een poging Europa weer hegemoniaal te verenigen. Napoleon kroonde zich tot keizer van de Fransen en voerde voor het idee van het burgerlijk recht, de Code Civil of Code Napoléon, een Europese oorlog, waarin het Heilige Rooms Rijk definitief verslagen werd. Bismarck verenigde Zuid- en Noord-Duitsland in het teken van de Pruisische discipline en schiep een Europees systeem van evenwicht rondom het Duitse Rijk. Maar zowel Frankrijk als Duitsland faalden in hun streven naar hegemonie. Hun politieke ideeën bleken zwakker dan de rivaliteit van de Europese naties.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog schetste de volkenrechtsgeleerde Carl Schmitt een nieuwe hegemoniale ordening voor Europa in zijn brochure Völkerrechtliche Großraumordnung mit Interventionsverbot für raumfremde Mächte. Schmitt stelde zich een ordening van de Europese wereldregio (Großraum) voor naar het voorbeeld van de Monroedoctrine, waarin de Verenigde Staten van Amerika als hegemoon van het Amerikaanse continent werden vastgelegd. De hegemoon in de wereldregio noemde hij ‘rijk’: “Rijken in deze zin zijn de leidende en dragende machten, wier politieke idee in een bepaalde wereldregio uitstralen en die voor deze wereldregio de interventies van regiovreemde machten in beginsel uitsluiten.”

Met het ‘rijk’ bedoelde Schmitt het Duitse Rijk, met de ‘regiovreemde machten’ in de eerste plaats de Verenigde Staten, die hun wereldregio in de Eerste Wereldoorlog verlaten hadden en met hun politieke idee, de volken over de hele wereld naar Amerikaans voorbeeld in een smeltkroes samen te smelten, ver naar Europa uitstraalden. Tegenover de unipolaire voorstelling van de wereld, zoals die in het manifest destiny, de ‘geopenbaarde bestemming’ van de VS, tot uitdrukking kwam, bracht Schmitt een multipolaire orde naar voren, zoals die voor het Duitse Rijk met zijn agressieve rassenideologie natuurlijk niet in overweging kwam. De theorie van de volkenrechtsgeleerde uit het Sauerland heeft hun tijd echter ver overleefd.

In Schmitts Großraumordnung bestaat de wereld uit meerdere wereldregio’s, die wederom uit vele volkeren bestaan. Maar alleen het rijk, dat de wereldregio met zijn politieke idee doortrekt, heeft statelijke functie, is soeverein, beslist over oorlog en vrede.

Na de Tweede Wereldoorlog vormden de gefaalde hegemoniale machten Duitsland en Frankrijk het zich verenigende Europa slechts retorisch. Katholieken als Jean Monnet of Konrad Adenauer verkochten het nieuwe Europa als hernieuwing van het Heilige Roomse Rijk, als wedergeboorte van het Frankische Rijk en dergelijks meer. Maar hegemoon waren de Verenigde Staten, die met de NAVO het politiek bepalende bondgenootschap geschapen hadden. De Amerikaanse president, opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten, kon de Europese staten even zeer verbinden tot vijandschap ten opzichte van Rusland als Philippus II van Macedonië de Korinthiërs en Thraciërs tegen de Perzen. De opperbevelhebber van het strategische NAVO-commando Europa was steeds een Amerikaanse generaal of admiraal.

Op de vraag, of de Europese Unie een Großraum is in de zin van Carl Schmitt, antwoordde de publicist en Schmitt-leerling Günter Maschke vijf jaar geleden in een interview: “Nee. Waarom? Er is geen homogeniteit van de federatie, er is geen eensgezindheid over de vijand, er is geen werkelijk politiek project. ‘Europa’ is een systeem geworden, – en dat is het bepalende punt -, dat gehoorzaamheid verlangt, zonder bescherming te bieden. Dat moet mislukken.” De EU wordt door een hegemoon gedomineerd, die buiten de wereldregio ligt, door een ‘regiovreemde macht’. Duitsland overheerst niet, het oefent met haar grote economische kracht alleen economische aanzuiging uit, die het niet kan kanaliseren, omdat het politiek onmachtig is.

Duitsland is (economisch) sterk genoeg om voor de kredieten aan diep in de schulden stekende staten in het zuiden borg te staan. Het is echter niet sterk genoeg om hervormingen in deze staten af te dwingen, laat staan om aan de nietbijstandsclausule voor schuldenstaten vast te houden, die in het Verdrag van de Europese Unie is opgenomen. Duitsland is sterk genoeg om met sociale voorzieningen illegale immigranten aan te lokken. Het is echter te zwak om zijn grenzen te verdedigen of om deze immigranten over andere EU-lidstaten te verdelen, laat staan om aan Dublin II vast te houden, volgens welke verordening dat land voor een asielzoeker verantwoordelijk is, waar hij voor het eerst geregistreerd is.

Europa doet zich als Großraum voor, maar is het niet, omdat het geen eigen hegemoon heeft. Tegen het ontkleden van macht van de natiestaten maakt zich recent op het gehele continent weerstand breed. Nationale partijen verlangen een ‘Europa der vaderlanden’, dat een statenbond moet zijn in plaats van een bondsstaat. Zo zag Charles de Gaulle zijn alternatieve visie van een verenigd Europa, die hij ook het ‘Europa der staten’ noemde, een Europa bevrijd van de hegemonie van de Verenigde Staten van Amerika.

Maar opgepast, in de statenbond komt de vraag naar de hegemonie nog dringender op tafel als in de bondsstaat. In de statenbond verlangen de individuele staten soevereiniteit, dat omvat mede het recht op oorlog en vrede. Het tijdperk van de natiestaten was geen tijd van vrede, en de soevereiniteit is een havik en geen duif.

Maar een staat moet de soevereiniteit wel gewassen zijn, hij moet economisch sterk zijn, schuldenloos, en zijn elites moeten in een geest van politieke verantwoording gevormd zijn. Zwakke staten kunnen nooit soeverein zijn, omdat de voorwaarden daartoe ontbreken. Zouden ze niettemin het recht of oorlog en vrede moeten hebben? Moeten kleine staten het recht hebben op hun territorium de troepen van regiovreemde machten te laten stationeren. Moet pak ‘m beet Albanië in een Europa der vaderlanden in staat zijn zich met de VS te alliëren? En zo nee, wie moet het dan verhinderen, wanneer het toch soeverein over zijn lot beschikt?

De Pax Americana was voor Europa een pijnlijke episode. Ze heeft de Europese volken van hun eigen aard berooft en het continent tot een aanhangsel van de westerse hegemoon verlaagd. Ze heeft de jammerlijkste klasse politici voortgebracht die het continent ooit gezien heeft. Maar de Pax Americana heeft ook zeventig jaar lang verhinderd dat de Europese kernstaten tegen elkaar oorlog voerden. Ze heeft in het bijzonder de rivaliteit tussen Duitsland en Frankrijk geneutraliseerd, door vijandschap jegens het oosten te mobiliseren.

Vandaag de dag zijn de kernstaten gedepolitiseerd, hun regeringen niet in staat om de grenzen naar buiten tegen illegale immigratie te beschermen, noch om de burgers voor geweld binnen die grenzen te beschermen. Ze eisen gehoorzaamheid zonder bescherming. Oost-Europese staten zoals Hongarije, Tsjechië en Slowakije zouden er misschien toe bereid zijn, maar zijn niet sterk genoeg, om zich als hegemoon over heel Europa op te werpen. De vraag blijft zodoende boven de markt hangen, wiens politieke idee op Europa af moet stralen, wanneer het Brusselse juk eenmaal afgeschud is.

Misschien beantwoordt de vraag, wie het Europa der vaderlanden verenigt, zich in de toekomst wel vanzelf. De grondtrekken van een multipolaire wereldorde, bestaande uit cultureel afgebakende wereldregio’s, heeft Alexander Doegin in zijn boek Konflikte der Zukunft. Die Rückkehr der Geopolitik indrukwekkend neergezet. Wanneer de landen van Europa de vrije hand hebben hun orde weer tot stand te brengen, kan hij er plotseling zijn, de politieke idee die op het continent afstraalt en haar nieuwe vorm verleent.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Duitse editie van Katehon.com

Lees ook de recensie van Kisoudis’ meest recente boek Goldgrund Eurasien op Novini.