Posted on

Gesprek met een innovatieve ondernemer in het hart van de samenleving

Recent werd ik aangesproken door een ondernemer naar aanleiding van de presentatie van mijn boek. Er volgde een interessante gedachtewisseling. Een gesprek over de staat van het land en dagelijkse ervaringen waarin velen zich zullen herkennen. Om mensen te doen inzien dat zij niet alleen staan, heb ik gevraagd of ik het mocht publiceren.

Maurik:
Het linkse fascisme begint me steeds meer te storen. Nu krijg ik zelfs al negatief commentaar wanneer ik een post van jou like. Zeer ernstig deze cultuur waarin er enkel plaats is voor de waarheid van de linkse kerk. Intolerant en nihilistisch, met een moreel-superieur toontje.

Sid:
Wie zijn deze mensen die jou hierop aanspreken? Wat is hun achtergrond, wat is hun motivatie om dat te doen, hoeveel invloed hebben zij op anderen?

Maurik:
De achtergrond is zeer divers, variërend van zakenlui, tot docenten aan de universiteit, tot schrijvers, tot kunstenaars. Ze hebben wel gemeen dat ze een linkse opvoeding ondergingen met een moeder die de broek aan heeft en feministische trekjes heeft.

Sid:
Hoe groot is het probleem?

Maurik:
Vanaf het moment dat ik openlijk mijn steun heb uitgesproken voor FvD merk ik dat dit mijn zakelijke kansen heeft geschaad. Ik heb letterlijk opdrachten en posities misgelopen. Privé sta ik mijn mannetje. Mensen in mijn omgeving die mij aanspreken op mijn mening en overtuiging, die zijn verbaal niet tegen mij opgewassen. Mijn dochter die mix is (haar moeder komt uit Afrika) is zeer slim. Gelukkig kan ik daardoor de context schetsen, haar uitleggen hoe het komt dat mensen reageren zoals ze doen. Mijn dochter snapt ook waarom blanke conservatieve mensen klaar zijn met de aanval op Zwarte Piet. Zij verdedigt als donker meisje de mensen in Dokkum die de snelweg hebben geblokkeerd. Ouders op school kijken mij raar aan en zeggen dat ik mijn dochter vast heb gehersenspoeld.

Sid:
Heb je overwogen om de namen van deze mensen te noteren en hen terug te blokkeren?

Maurik:
Jazeker. Hoewel ik ook heb geleerd dat je je vijanden beter dichtbij kan houden… Dan weet je waar zij mee bezig zijn. Dan confronteer ik hen met de vraag of ze het normaal vinden dat ik een eigen mening heb die afwijkt van hun opvatting. Dat levert altijd een lange stilte op.

Sid:
Er is veel voor te zeggen om ze af te stoten. Dan zorg je dat ze geen informatie over jouw activiteiten krijgen, waarmee zij schade kunnen aanrichten. Als zij jou uitsluiten vanwege je mening, zorg dan ook dat zij op geen enkele wijze van je kunnen profiteren. Wanneer je jouw contact met hen in stand houdt, zullen ze van invloed blijven zijn in jouw leven. Dan komt er een moment dat je dingen niet meer gaat zeggen. Omdat je geen conflict wil met de ouders van de vriendjes van je kinderen, collega’s etc.

Maurik:
Dat laatste zal zeker niet gebeuren. Misschien heb je een punt om hen af te stoten. Het zou mooi zijn als ik in mijn zakelijk bestaan meer mensen zou tegenkomen die geen onderdeel uitmaken van het establishment en hun intolerante houding. Ik merk dat ik al meerdere zakelijke kansen heb gemist omdat ‘men’ weet dat ik een overtuiging heb die haaks staat op die van het establishment. Kwaliteit is van ondergeschikt belang geworden, wat me doet denken aan de strijd die mijn voorouders doormaakten tijdens de Reformatie. Zij waren en bleven bij hun geloof, wat ze hun maatschappelijke positie heeft gekost en uiteindelijk hun vermogen.

Sid:
Die parallel blijkt inderdaad precies op te gaan met vandaag. Hieruit blijkt dat we ons moeten verenigen en zakelijke contacten onderling dienen te gunnen.

Maurik:
Helemaal mee eens. Nu nog zorgen dat we weten waar we ons verenigen zodat we elkaar kunnen vinden.

Sid:
Voorzie je nu dat mensen openlijker hun middelvinger zullen opsteken naar ‘de elite’, dat ze vrijer en ongeremder zullen worden in hun communicatie. Of denk je dat ze juist in hun schulp zullen kruipen, conformistischer worden en de echo’s in de echoput gaan napraten?

Maurik:
Ik zie juist dat mensen die wat te verliezen hebben nu meer op hun hoede zijn. Op politiek vlak zien ze de tegenwerking door FvD en in de media zien zij onthullingen door mensen zoals jijzelf. Kortom geef mensen een hypotheek en een TV en je hebt geen last meer van ze. Financieel speel ik met vuur, maar mijn trots is te groot. Als ik een kameleon zou zijn had ik de afgelopen jaren veel meer geld verdiend. Door ons meerpartijenstelsel en de fragmentatie van partijen zie ik politieke verandering somber in; ik weet wel dat er een verandering gaat komen. Maar die zal zijn over de ‘harde as’.

Sid:
Hoe verklaar je dan de opkomst van partijen als neem nu PVV en FvD? Hebben de mensen die zo negatief naar jou reageren ook specifieke politieke voorkeuren?

Maurik:
De mensen die negatief naar mij reageren stemmen op de middenpartijen. PVV trekt stemmen van de groepen die keihard ploeteren voor hun geld, zoals onderklasse en ondernemers. Deze mensen reageren puur op het gegeven dat de politiek kiest voor uitgaven aan groepen en landen die er niks voor hebben gedaan. FvD profiteert van het feit dat deze groep die aanvankelijk op PVV stemde zich toenemend onmachtig voelt. Zij springen op een andere rijdende trein: FvD snoept een beetje af van VVD en CDA – maar dit is alleen omdat het statusverhogend is om te stemmen op een voorman en partij die goed ontwikkeld ogen.

Sid:
Je noemde herhaaldelijk de samenhang tussen enerzijds negatieve reacties op mijn artikelen, en anderzijds de populariteit van FvD in de huidige tijd. Maar hoe verklaar je dit dan, want ten slotte ben ik VVD-gemeenteraadslid en als je kijkt naar de crowdfunding, komt een deel daarvan ook vanuit VVD-grassroots-achterban. Op mijn boeklancering waren er tot verrassing ook CDA’ers en zelfs SP’ers aanwezig…

Maurik:
Ik begrijp waarom er CDA’ers en SP’ers op jouw boeklancering waren. CDA en SP zijn partijen die consolideren, terwijl ze zeggen dat ze significante veranderingen willen doorvoeren. Dit geldt overigens ook voor de VVD. In mijn netwerk zitten veel mensen die een goed leven hebben. Zij zijn gebaat bij geen verandering en reageren daarom negatief nu deze zaken aan het licht worden gebracht.

Sid:
Zijn er niet juist drastische veranderingen nodig om dat goede leven te behouden? Migratie en enclavevorming zullen dit land dwingend veranderen. Veel mensen worden opgeleid voor banen die spoedig niet meer bestaan; er vindt vergrijzing plaats en voor Europa is er een veranderende geopolitieke realiteit. Ondertussen belanden we via de Europese Centrale Bank in een transferunie. En het trucje van de elite om steeds maar geld bij te drukken, dat raakt uitgewerkt nu crypto-currencies in opkomst zijn, denk aan Bitcoin, Cardano, enz.

Maurik:
Dat klopt helemaal, en is precies wat je zou denken. Maar het gedrag van mensen die het goed hebben is ontkennen. Ze ontkennen dat er grote gevaren op komst zijn. Pas als de rellen uitbreken in de straten van Rotterdam tussen Turken en Feyenoord-aanhang dan wordt deze groep wakker. En wellicht zelfs dan nog niet, omdat ze hun leven zó hebben ingericht dat ze betrekkelijk veilig en geïsoleerd binnen hun eigen kosmopolitische bubbel kunnen functioneren. Zij hebben die optie doordat ze er het geld en de connecties voor hebben.

Sid:
Vind je het goed als ik de nuttige inzichten van dit gesprek anonimiseer en gebruik als artikel?

Maurik:
Ja dat mag.

Posted on

Is Sid Lukkassen de ‘#metoo’ van het linkse fopintellectualisme?

Al sinds het begin van de mensheid wordt macht misbruikt voor seksueel gewin – zelfs in vrije samenlevingen wordt dit misbruik zelden aangekaart. Totdat er een vliegwiel in beweging werd gezet. Net zoals de Arabische Lente sterke emoties losmaakte nadat één arme sloeber zich in brand stak, zo spraken hele massa’s zich uit tegen machtsmisbruik onder de noemer #metoo. De veenbrand werd een uitslaande brand.

Cultuurmarxisme

In ons intellectuele landschap voeren linkse intellectuelen de boventoon en zijn normbepalend. Steeds meer wordt dit normbepalende gedrag een steen des aanstoots voor een groeiende groep mensen. Sinds enige jaren heeft deze steen des aanstoots een naam: cultuurmarxisme. De term geeft aan dat culturele verschillen steeds meer gelijkgetrokken worden. Heldere culturele ijkpunten worden van hun sokkel gesleurd en onbekende culturele elementen worden juichend als alternatief gepresenteerd.

Sid Lukkassen is sinds enige jaren een onvermoeibare voorvechter in de strijd tegen dit cultuurmarxisme. In zijn nieuwste boek Levenslust en Doodsdrift presenteert hij de lezer een bloemlezing uit zijn rijke repertoire van essays. Daarin wordt het cultuurmarxisme vanuit grote belezenheid gekapitteld, ondersteund door een diversiteit aan bronnen.

Serieuze uitdaging voor intellectueel links

In de inleiding geeft hij aan “dat hiërarchieën van cultuurwaarden noodzakelijk zijn om prestaties te waarderen”; hij sluit het boek af met kritiek op de Groene Amsterdammer, die had moeten leren van de misser van Hillary Clinton om de Trump- supporters weg te zetten als een “basket of deplorables” – en dat niet deed. Tussen deze inleiding en de afsluitende column passeert een rijke keur aan onderwerpen de revue met een helder kenmerk: intellectueel links heeft een evenknie op rechts. Hoewel de auteur uit intellectuele eerlijkheid de rechterflank zeker niet spaart. Lukkassen voert een hartverwarmend pleidooi voor de brede middensamenleving – waarmee hij zeker niet bedoelt: het politiek correcte midden.

Uitgaande van de stelling ‘cultuur is een hiërarchie van waarden’ krijgt de afbraak van de westerse cultuur gedecideerd repliek te verduren. In ‘Nieuwe censuur in Duitsland’ verduidelijkt hij hoe met nieuwe regelgeving over het tegengaan van nepnieuws de vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt. Wie bepaalt namelijk wat nepnieuws is of anderszins uit de nieuwsweergave gefilterd moet worden? In de column erna stelt hij: “in een deliberatieve democratie is het van belang dat burgers met elkaar in debat kunnen gaan”, terwijl de door algoritmes geregelde media bepalen wie er toegang heeft tot gebruik van mediakapitaal.

Cultuurverraad krijgt weerspraak

Deze filtering vindt plaats terwijl journalisten zelf bepalen wat journalistiek relevant is: zij gebruiken ons podium om hun wereldbeeld op te leggen. “Ingegraven elites bepalen welke ideeën wel of niet bespreekbaar zijn” stelt Lukkassen – deze elite gooit het liefst verschillende culturen door elkaar. Niet alleen wordt de immigratie vanuit andere culturen gestimuleerd, maar ook worden wij aangespoord om de culturele kracht van ons onbekende culturen te omarmen en tegelijkertijd onze eigen culturele kracht te verloochenen. Juist door alle ijkpunten te verwijderen is “de politiek géén voortzetting mee van de burgerlijke cultuur”. De waarheid is zo geliefd, dat zij die iets anders liefhebben wensen dat dit de waarheid is. De media-elite echter “haat de waarheid in het belang van hetgeen ze liefhebben in plaats van de waarheid”.

Hij legt ook zijn vinger op een zere plek, die bij de PVV veel opgang doet. Hierbij schetst hij het feitelijke verschil tussen de politici van de Europese Commissie, die hun auto parkeren in de beveiligde garage in het Berlaymont en van daaruit hun steun voor een multiculturele samenleving (burgers moeten “hun hart wat meer openstellen voor de medemens”) uitstorten over hun kiezers, die dagelijks worden geconfronteerd met beschadigde auto’s buiten deze beveiligde garage.

Liberalisme en de islam

Binnen de kritiek op de politieke cultuur om te omarmen wat politici ver van zich houden, past ook de kritiek op de omarming van de islam. Alleen al het feit dat ‘islam’ feitelijk ‘onderworpen’ betekent (aan Allah), is voor iedere liberaal – wat de auteur is – een gruwel. In verschillende columns wijst hij op het risico dat de integratie van moslims in de liberale, westerse samenleving nooit kan slagen zolang moslims als een soort elastiek telkens terugkeren naar hun religieuze roots. Zo loop je het risico van Mohammed Anfal (lid van Leefbaar Rotterdam en ondanks zeer westerse overtuigingen toch overstappend naar een islamitische partij); niet alleen een stap dus voor kansarme analfabeten, maar ook voor goed-opgeleide, geïntegreerde moslims.

De kritiek op de huidige samenleving komt ook kleurrijk tot uiting bij het bespreken van de hof-hermafrodiet. Dit fascinerende archetype komt voor in vele gezichten en “verschijnt overal waar baantjes te vergeven zijn en is als een kussen dat altijd de afdruk draagt van de laatste persoon die erop zat”. Deze “sociale glibberigheid” is een rode draad, die in diverse essays in veel varianten terugkomt. Deze “follower van de followers” is ook een rol, die Lukkassen zelf absoluut niet past. Sterker nog: hij propageert actie om de “strijd om het voortbestaan van Europa” te kunnen voeren. En eerlijk is eerlijk: hij gaat voorop in deze strijd.

Irrationeel gedrag versus kritische houding

Zelf las ik ooit met veel plezier het boek Onderstroom – de onweerstaanbare drang tot irrationeel gedrag. Daarin wordt een keur aan sociologische testen en wetenschappelijke missers ten tonele gevoerd met als hoofdlijn dat mensen niet handelen op rationele gronden. Het boek bevat geen geheimen: dit is algemeen bekend en doet wellicht de hoop op het welslagen van Lukkassens acties krimpen. Laat hij echter niet stoppen met zijn belangrijke publicaties. Niet dat ik het altijd inhoudelijk met hem eens ben, maar je moet altijd kritisch blijven. Rust roest en juist een kritische houding brengt de mens op langere termijn verder.

De belezenheid van Lukkassen maakt dat hij dat hij dat op vele fronten laat zien. Naast de reeds vermelde onderwerpen gaat hij ook in op de zorgen over de macht van kartels. De “kartelocratie” van Thierry Baudet en Arnout Maat komt niet alleen voor in de politiek, maar ook in het bedrijfsleven. “In een notendop betekent dit dat het economische systeem machtiger is geworden dan het politieke bestel” volgt op de constatering, dat de politiek niet langer het vliegwiel is de economische ontwikkeling. Dit ziet Lukkassen als een zorgelijk punt voor de sociaaldemocratie, die sinds ‘Nieuw Links’ de steun aan de arbeider heeft ingeruild voor een culturele agenda.

Hof-hermafrodieten en startups

In de bundel is ook zijn pleidooi te vinden voor het oprichten van een “Nieuwe Zuil”, die de bekende (en inmiddels sterk geërodeerde) zuilen uit het midden van de vorige eeuw moet vervangen en de basis moet zijn voor een fris elan in onze samenleving. De “hof-hemafrodiet” heeft, in combinatie met het door elkaar gooien van culturen, veroorzaakt dat “objectiviteit ondergeschikt gemaakt is” aan “het managen van sociale indrukken om de heersende kosmopolitische ideologie aan de macht te houden”.

De kosmopolitische machten houden de burger onwetend, bijvoorbeeld door startups te stimuleren; door Lukkassen vertaald in “bullshit-jobs”. Daar waar ouderen de opbrengsten van onze gasvoorraden hebben uitgegeven aan “ja, aan wat?” en ook nu nog via vakbonden hun eigen rechten veiligstellen, moet de stille generatie “gedwee en kneedbaar” zijn om dit alles mogelijk te laten zijn. Hij analyseert een economie waarin “trouw, loyaliteit en rechtvaardigheid geen plaats meer hebben”. In plaats daarvan worden mensen gevormd op een wijze die representativiteit belangrijker maakt dan inhoudelijke kennis. Door steeds te wisselen van functie wordt alles leeg en inhoudsloos. De specifieke talenten van het individu worden in het eindproduct onzichtbaar: vakmanschap en arbeidstrots verliezen hun betekenis.

Netwerkeconomie

In de economie van nu is de belangrijkste vaardigheid het bouwen van netwerken waarbinnen mensen elkaar functies toekennen. Niet de kwaliteit ten behoeve van de samenleving is daarbij doorslaggevend, maar de loyaliteit aan het netwerk waarvan je deel uitmaakt. Het betoog van de rector van de Universiteit Leiden, dat iemand met een opleiding klassieke talen nu directeur is van een multinational, leidt in een netwerkeconomie tot Lukkassens vraag “of dat niet eerder ondanks klassieke talen dan dankzij” is bereikt.

Het palet aan onderwerpen is nog veel breder dan in een reguliere recensie kan worden behandeld. Zo bekritiseert Lukkassen Frans Timmermans, die te pas en te onpas historische feiten koppelt aan het door hemzelf gewenste toekomstbeeld. Begeesterend is de column waarin hij de polemiek tussen Houellebecq en Lévy behandelt: daarin bekent Houellebecq dat hij liever het onrecht van een dictatuur steunt dan de wanorde te verwelkomen die het omverwerpen van de dictatuur brengt. Ronduit vermakelijk zijn ook de polemieken van Lukkassen met zijn criticasters en vertederend zijn zijn analyses waar het gaat om de vrouwelijke aard.

Tot besluit

Tenslotte: ben ik het op alle punten met Lukkassen eens? Zeker niet, maar juist daarom is het boek zo aanbevelingswaardig. De opgeruimde schrijfstijl dwingt de objectieve en kritische geest steeds weer om onderwerpen in een nieuw licht te zien. Ook staat hij door zijn ruime belezenheid en scherpte ver van uitgekauwde kritiek met betrekking tot complottheorieën en andere drogredenen. Steeds weer wordt die (zeer on-intellectueel) door linkse intellectuelen aangehaald om zelfs de meest doorwrochte kritiek op hun standpunten terzijde te schuiven. De inhoud is waar zij kwetsbaar zijn, dus vluchten zij in framing en morele verontwaardiging.

Dit fopgedrag is intussen zó voorspelbaar dat het saai is geworden. Inmiddels hebben mensen behoefte aan het lezen van nieuwe boeken met verfrissende inzichten zoals deze.

Waar de Arabische lente werd ingeleid door een enkeling en waar #metoo een lawine tot gevolg had, kan ook Sid Lukkassen door het cordon van de Gutmenschen heenbreken. Zij zijn namelijk op veel punten het historische anker al langere tijd kwijt: ze zijn kwetsbaar en Lukkassen heeft de bagage om hen op volwassen wijze een voldragen weerwoord te bieden.

N.a.v. Sid Lukkassen, Levenslust en doodsdrift. Essays over cultuur en politiek (Uitgeverij De Blauwe Tijger: Groningen, 2017), paperback met flappen, 304 pagina’s.

Posted on

Europa: regressie of renaissance?

De afgelopen tijd heb ik De Europese Spagaat met mij mee gedragen en gelezen. De Europese Spagaat is een recent uitgebracht boek over een van de heetste politieke vraagstukken van onze tijd. De Europese Spagaat is een bundel, samengesteld uit de pennen van zeventien verschillende schrijvers uit Nederland en België. Dit maakt het een literair werk wat rijk is in perspectieven. Immers, iedere schrijver voorziet andere problemen en biedt andere oplossingen. De keerzijde is dat het boek een haastige indruk kan geven; zeventien schrijvers moeten 300 pagina’s delen, waardoor de informatiedichtheid heel hoog is en de schrijvers soms over hun eigen verhaal lijken te struikelen.

In deze recensie zal ik mijn aandacht richten op het stuk van Sid Lukkassen. Het stuk van Lukkassen is het langste en meest monumentale stuk van het boek. Het is even fris als ernstig en biedt een vernieuwend politiek kompas voor de tijd die is en komen zal.

In aanloop naar dit stuk wil ik laten zien hoe een ogenschijnlijk rommelige bundel een zekere opbouw kent. De stukken van sommige schrijvers complementeren elkaar dan ook goed. Ik begin met het eerste stuk, van Ad Verbrugge. Verbrugge biedt de heldere, filosofische duikplank waarmee men het onderwerp en de problemen in het boek leert kennen. Vervolgens behandel ik een tweetal schrijvers: Patrick van Schie en Wim Couwenberg. Zij schrijven beiden over het begrip ‘soevereiniteit’ en geven daarmee een harde basis voor de kritieken op de EU. Hierna kom ik terecht bij het eerder genoemde stuk van Sid Lukkassen. De recensie eindigt met een algemene reflectie op De Europese Spagaat; waarbij ik ook de tijd neem voor de overige nodige kritieken en prijzenswaardigheden.

Twee zielen van Europa

Het stuk van Ad Verbrugge – conservatief filosoof en universitair hoofddocent aan de VU – is een bewerking van zijn lezing op de Dag van de Filosofie(2012). Hij leidt zijn stuk in met een vraagstelling over de oorsprong en rol van de ziel. Dit ziet Verbrugge als belangrijk, aangezien het een te weinig belichte vraag is in onze tijd. Verbrugge wijst het verband aan tussen ‘habitus’ en ‘habitat’ – gewoontes en woonplaats – en verklaart hoe dat de basis is voor een culturele ‘ziel’. Deze culturele ziel baseert zijn ethiek onvermijdelijk op een vergelijking tussen datgene wat hij kent en wat hij niet kent. Wat ‘goed’ wordt geacht is iets wat binnen het bekende wereldbeeld valt.

Dit alles is natuurlijk een belangrijk opstapje naar zijn verhaal over de EU. Verbrugge maakt een punt waarmee je Europa kan beschouwen als een continent waar twee collectieve zielen te onderscheiden zijn. Hij verteld over zijn zorgen om het Europese project; het is onmogelijk haalbaar als je geen rekenschap houdt met de culturele diversiteit van Europa. Volgens Verbrugge is de culturele diversiteit op het continent zo buitengewoon hoog dat de vorming van politieke eenheid bij voorbaat onmogelijk is. Dat de EU zich op economie focust maakt ook meer inbreuk op onze ziel dan wij denken. Economie gaat over de huishouding van de staat. Verbrugge waarschuwt dat dit huishouden te diep verbonden is met onze ziel als politiek dier – hoe je je huis inricht en zaken regelt is altijd heel eigen – en het daarom gevaarlijk is om het in de verkoop te zetten.

Verwarring

Reliekschrijn uit de domschat van Aken. buste van Karel de Grote die de kroon van het Heilige Roomse Rijk draagt en motieven van zowel de Duitse rijksadelaar als de Franse fleur-de-lis.

Vervolgens probeert Verbrugge een punt te maken waarbij het een en ander mij voorbij gaat. Verbrugge wijst aan dat er in de Europese geschiedenis altijd sprake was van convergentie en divergentie van de organisatie van gemeenschappen: zoals centralisatie van kerkelijke macht tegenover verzet vanuit het Heilige Roomse Rijk; of Habsburgse eenheid tegenover Nederlandse onafhankelijkheidsstrijders. Afzetten en verenigen zit heel diep in de geschiedenis van ons continent. Verbrugge concludeert dat de ziel van het convergeren en de ziel van het divergeren ‘De Twee Zielen van Europa’ zijn. Volgens Verbrugge lopen deze krachten dwars door en tussen alle volkeren en landen van Europa.

Hier sloeg bij mij een stop door, want in het begin van zijn stuk begreep ik dat de ‘ziel’ een afspiegeling is van de eigen ethiek en thuis en daarmee een specifieke cultuur kan zijn – van clubniveau tot volksniveau, bijvoorbeeld. De manier waarop het begrip ‘ziel’ wordt gebruikt komt wat arbitrair over in mijn optiek. Aangezien zijn idee van ‘ziel’, in de tweedeling convergentie en divergentie, eerder slaat op een strikt politieke wens van een volk om wel/niet ergens bij te horen. Dit is in mijn ogen eerder een kénmerk van de ziel dan de ziel an sich. Wellicht is mij een cruciaal punt ontgaan, maar voor nu levert dit statement voor mij meer verwarring op dan dat het zijn punt duidelijk maakt.

Negatieve identiteit

Hoe dan ook, Verbrugge gaat verder met het verklaren van de gemeenschappelijke ziel/identiteit van de EU. Hij zegt dat de identiteit die de EU biedt niet een positieve identiteit is, maar een negatieve. De EU zou verbinden door collectief het idee van nationale eenheid uit te dunnen. Hiermee  maakt hij de vergelijking met het communisme, een universele ideologie die door heel Europa herkenbaar was in wat zij afwees: kapitalisme, burgerij en nationalisme. Uit deze vijandbeelden dachten de communisten verbinding te vinden. Echter, volgens Verbrugge hadden de communisten per land zeer uiteenlopende ideeën over de invulling  van de ideologie – zo waren de Duitsers georganiseerder en de Fransen veel anarchistischer. De communisten hadden misschien het idee dat zij verbonden waren in een vorm van ideologische eenheid. Maar onder alle ideologische symboliek scholen meer verschillen dan zij zelf zouden willen geloven.

Met deze vergelijking maakt Verbrugge het complexe probleem over identiteit verrassend duidelijk. Volgens hem ontkomen negatieve identiteiten niet aan datgeen wat zij proberen te onderdrukken. Alleen al in de uiting van deze negatieve identiteit steekt de nationale ziel en ethos de kop op. Huis, haard en de gewoontes die we hieruit opdoen zijn diep ingesleten, collectieve karaktereigenschappen. Of je het nou doorhebt of niet.

Conclusie

In het laatste deel van zijn stuk gaat Verbrugge door op ‘de ontwortelende kracht van geld’ en de rol hiervan in het Europese project. Dit is een kracht waar wij al veel langer tegen vechten. In de tijd van de industrialisatie was dit al merkbaar. Volgens Verbrugge is ook de EU, als economische unie, gebaseerd op het idee dat zolang de burger er beter van wordt, deze vorm van grensoverschrijding gewenst is. Hiermee vergeet de EU, zoals Verbrugge al eerder zei, dat bij een gezonde economie ook een gezonde cultuur hoort; anders is de economische constructie het product van een kunstmatige wil.

Verbrugge biedt een ernstig, maar hoopvol beeld over het Europese ideaal. Hij ziet een EU als een haalbaar idee, mits de politieke wens onder de culturen daarnaar staan. Met de huidige poging tot het vormen van een EU is het vanaf het begin gedoemd geweest. Er is te veel culturele divergentie. Zolang de politieke elite deze culturele divergentie niet gaat erkennen, zullen zij ook nooit begrijpen waarom er zoveel weerstand is. De EU is een interessant en wellicht noodzakelijk project, maar in het huidige culturele klimaat is er geen plaats voor.

Soevereiniteit

Mijn volgende opstapje richting het stuk van Lukkassen brengt mij langs het begrip ‘soevereiniteit’. Twee stukjes achter elkaar, van Patrick van Schie – historicus die zich op allerlei manieren inzet voor het liberalisme – en Wim Couwenberg – rechtsgeleerde met een veelzijdige CV en een lange lijst publicaties op zijn naam – behandelen het begrip ‘soevereiniteit’. Waar Ad Verbrugge een cultuurfilosofische kritiek tegen de (huidige) EU maakt, bieden deze twee stukjes een kritiek op basis van een zoektocht naar soevereiniteit in het Europese spinnenweb van macht.

Patrick van Schie

Voor wie slecht bekend is met de rechtsfilosofie is het werk van Patrick van Schie een verademing om te lezen. Hij begint met de simpele vraag wat soevereiniteit is en wat het nog waard is in onze tijd. Aan de hand van de EU zoekt Van Schie uit waar soevereiniteit gevonden kan worden. Volgens Van Schie is de waarde van het begrip zijn relevantie kwijt geraakt. Men maakt zich minder zorgen over de vraag wie het laatste woord mag hebben: de natiestaat, of de EU? Het parlement, of de commissies? De vergaande gevolgen hiervan zijn voor de meeste mensen onzichtbaar en worden dus irrelevant. Dit is gevaarlijk, aangezien hierdoor de Europese elite ongemerkt bevoegdheden overhevelen van natiestaat naar de EU, zonder dat zij voldoende democratische verantwoording hoeven af te leggen.

Wim Couwenberg

Couwenberg gaat dieper op de problematiek in. Volgens Couwenberg zijn er weinig begrippen waar zoveel verwarring en controverse omheen zit als ‘soevereiniteit’. Vervolgens grijpt hij een aantal filosofen aan die proberen duidelijkheid te geven hierover. Dit bouwt hij uit tot een analyse over alle mogelijke staatkundige structuren waarin wij de EU zouden kunnen passen. De conclusie luidt dat de EU geen van alles en alles van niets is, waardoor je de EU onvermijdelijk met scepsis zou moeten benaderen.

Het is snel duidelijk dat Wim Couwenberg zeer belezen is en diepgaande kennis heeft van de theorieën en structuren die hij behandelt. Dit kan het voor de lezer soms moeilijk te volgen maken. Voor mij was dit in ieder geval wel zo. Ondanks dat dit stuk helder maakt hoe malafide de EU in elkaar steekt, kan ik niet zeggen dat ik het verhaal ten volste heb begrepen. Ik geloof dat iemand met gevorderde kennis over de rechtsfilosofie dit stuk heel waardevol zal vinden. Tegelijkertijd is het ook een zeer geschikt stuk om argumenten tégen de EU te sprokkelen.

Europa: regressie of renaissance?

Het stuk van Sid Lukkassen – historicus, filosoof en gemeenteraadslid in Duiven – is, zoals ik eerder in deze recensie zei, het meest monumentale onderdeel van De Europese Spagaat. Lukkassen wijdt de eerste pagina’s aan het uiteenzetten van alle problemen die, volgens hem, cruciaal zijn om over te denken. Hij begint met een van zijn favoriete geschiedfilosofen, Oswald Spengler, en diens theorie over een cyclische beschavingsgeschiedenis. Vanuit deze theorie zien wij een geschiedenis van culturen die opkomen, bloeien en afsterven. Culturen die zichzelf niet opnieuw weten te ijken sterven uit in een tijd van crisis.

De problemen van onze tijd
Met de dood van God, geloof en het nihilisme van de wetenschap moeten wij op zoek naar een duurzaam  idee om een groepsidentiteit uit te vormen. Dit brengt Lukkassen bij de vraag welke rol nationalisme hierin speelt. Nationalisme wordt als iets vies of engs gezien door de heersende kosmopolitische elite. De tweedeling in politiek valt terug te zien in de levenshouding van de aanhangers van de twee politieke ideeën. Lukkassen beschrijft het als volgt:

“Dit keert terug in het dagelijks leven: D66 oriënteert zich op de post-adolescentiecultuur, met waarden als risico en avontuur. De PVV kiezer komt moe uit het werk en wil rust aan het hoofd: huiselijkheid, betrouwbaarheid en zekerheid. De PVV’er brengt zijn kinderen naar de buren als hij boodschappen gaat doen – hij heeft sterke sociale banden nodig; hij moet zijn buren goed kunnen verstaan. Een D66’er kan zich een Thaise nanny veroorloven en vindt het multiculturalisme een fraai, pittoresk gegeven. Hun politieke voorkeur is een voortzetting van hun karakter, dus als je hun politieke standpunten bekritiseert ervaren ze dat alsof je hun persoonlijkheid bekritiseert.”

Deze tweedeling tussen kosmopolitisme en nationalisme, die veelvoudig terugkomt in het stuk van Lukkassen, is volgens hem de grootste ideologische splijtzwam van onze tijd. Hij citeert een uitspraak van Theresa May waarin zij het wereldburgerschap bekritiseert en schetst een beeld waarbij de kosmopolitische elite een veilig leven in een internationaal netwerk lijdt, terwijl zij alle binding met hun landgenoten kwijt zijn. Zij zetten volledig in op het verbeteren van de materiële situatie van hun land, maar missen het belang van cultuur en spiritualiteit voor de mensen. Dit is een ongezonde ontwikkeling. De ervaring van gemeenschap wordt eendimensionaal.

Staatsburgerschap en haar vijanden
Lukkassen pleit dan ook voor een herbronning van de morele inhoud van het staatsburgerschap. Wat betekend het om burger te zijn van een land? In ruil voor bescherming en rechten binnen de groep vervult het individu zijn plichten. Het alternatief is chaos. Wereldburgerschap bestaat niet zolang er geen wereldstaat is. Het is een leeg begrip. De waarde van het burgerschap is geen triviaal gebeuren en Lukkassen ziet goed dat dit te lang onderbelicht is gebleven.

Lukkassen neemt in zijn stuk de tijd om de ideologieën die de morele inhoud van het staatsburgerschap uithollen te doorgronden. Hij duikt de betekenis van ‘regressief links’ in, verkent het wereldbeeld van kosmopolitisch links en zoekt naar analogieën met het verleden. Hier mag één uitspraak van Lukkassen zeker niet vergeten worden: waar Lukkassen het spottend heeft over afwegingen van welke minderheid het zieliger zou hebben, noemt hij de ‘bedreigde diersoort wet’. Lukkassen weet dit soort gevatte uitspraken kunstig in zijn stuk te verwerken, zonder te veel serieusheid te verliezen. In een zwaar stuk zoals deze is luchtigheid een verademing.

De nieuwe zuil
Wat Lukkassen er uit laat springen, in deze bundel, is zijn slotbericht. Het hele stuk is een soort draaikolk van informatie, vragen en antwoorden, die uitkomen op een blauwdruk voor de toekomst. Op de laatste pagina’s zegt Lukkassen dat de vorming van een viertal zuilen voor Nederland en Vlaanderen onvermijdelijk zal zijn:

  • Kosmopolitisch/postmodern/progressief
  • Islam
  • Biblebelt/SGP/Christenunie
  • Soevereine patriotten/humanistisch realisme/post-progressieven

Als wij het staatsburgerschap weer (morele) inhoud willen geven moeten wij hierin meegaan. Het grote probleem is dat de vierde zuil nog niet voldoende vorm gekregen heeft. Willen de mensen die onder de vierde zuil vallen een kans hebben om hun mannetje te staan en hun belangen te verdedigen, dan moet er meer samenhang in komen. Vervolgens stelt hij een soort stappenplan voor waarmee de nieuwe zuil relevant wordt en macht kan uitoefenen.

Sid Lukkassen schrijft in feite een manifest voor het bloeiende rechts van onze tijd. Zijn stuk is ernstig. Soms té ernstig. Maarja, wat weet ik; misschien is het wel zo ernstig, of is er op zijn minst noodzaak voor gezonde ernst. Het is, hoe dan ook, een monumentaal stuk met zowel vernieuwende perspectieven als pogingen om met praktische oplossingen te komen. De actiebereidheid siert het stuk en dient als politieke motivatie in een tijd waar men naarstig op zoek is naar duurzame handvatten op rechts.

Overige hulde en kritiek
Uiteraard staat er nog veel meer in De Europese Spagaat dan wat ik hierboven belichtte. Ik heb enkel geprobeerd om een soort hink-stap-sprong te maken tussen de belangrijkste informatie en ideologische inspiratie uit de bundel. Dat neemt niet weg dat er nog veel meer noemenswaardige dingen in staan. Zowel in positieve als negatieve zin.

Over het algemeen biedt het boek zowel veel basiskennis als verdieping over alle onderwerpen die aan bod komen. We hebben het dan over het recht, militaire functionaliteit, filosofie, theologie, sociologie, politieke theorie enz. Dat gegeven alleen al maakt dit een noodzakelijk boek voor iedere Euroscepticus van deze tijd, ongeacht hoe slim je jezelf acht. Ik geloof dat iedereen wat aan dit boek heeft.

Wat het boek ook siert is de veelzijdigheid van opvattingen over de EU. Verassend veel van de auteurs lijken nog hoop te hebben in het Europese ideaal en zijn in hun verhaal naarstig opzoek naar manieren om het tóch een werkbaar concept te maken. Het verhaal van Luc Pauwels staat zelfs geheel in het teken hiervan. Ook de aandacht voor geloof en het behoud van moraal is in mijn ogen belangrijk. De frisse toon die het af en toe door het boek laat waaien maakt het hopelijk ook prettig leesbaar voor de mensen die niet per se eurosceptisch zijn, maar wel nieuwsgierig. Het laat zien dat de stem achter de kritiek op de EU er een is van rede en idealisme; niet van kortzichtigheid en verbitterdheid.

Kritiek
Helaas is De Europese Spagaat niet perfect. Ik wil in de eerste plaats op wat praktische zaken wijzen, zoals de vele schrijffouten die hier en daar opdoken. Met name in de stukken geschreven door Anton Kruft kan je er niet omheen. Het oogt veel te slordig voor een boek van inhoudelijk niveau.

Over het stuk ‘Bezonken gedachten over Europa en Islam’ van Wim van Rooy, wil ik ook nog kort mijn ongenoegen delen. Dit is het enige stuk waarbij ik halverwege besloot om het over te slaan en aan het volgende stuk te beginnen. De schrijfstijl van Van Rooy is gewoon niet vol te houden. Hij schrijft met zoveel dedain en rancune over zijn ‘vijanden’, dat het haast niet serieus meer te nemen is. Van Rooy zal vast zijn ernst met zoveel mogelijk mensen willen delen, maar op deze manier ga je niemand buiten de rechtse echokamer bereiken.

Ik wil geen pleidooi houden voor politieke correctheid. Verre van zelfs. Maar je moet ook voorkomen dat je een stuk schrijft waar mensen weerzin van krijgen en zich gaan inbeelden hoe driftig die auteur wel niet achter zijn typemachine moet hebben gezeten. Daarmee zorg je er ook voor dat de lezer niet eens meer met je inhoud bezig is. Erg jammer.

Conclusie over De Europese Spagaat
De Europese Spagaat is natuurlijk geen perfect werk. Er zitten schrijvers tussen die wat minder zijn en het is hier en daar wat sloridg. Tip voor de uitgever dus. Uiteindelijk wegen de pluspunten goed op tegen de minpunten. De meningen en (sub)onderwerpen in De Europese Spagaat zijn goed afgewogen en bij het lezen ga je vanzelf merken dat ze elkaar complementeren.

De Europese Spagaat is hét politieke kompas voor eurosceptisch rechts in Nederland. Of je nou aan het snuffelen bent naar andere vormen van EU-kritiek; op zoek bent naar ideologische sturing; of jezelf als voorstander van de (huidige) EU wilt uitdagen: deze bundel is de beste plek om te beginnen. Filosofen als Ad Verbrugge zoeken de culturele problemen die op de loer liggen en geven een inzicht in de ongekende verdeeldheid van het continent. Mensen met kennis over het recht, zoals Patrick van Schie en Wim Couwenberg, duiken in de complexiteit van de machtsstructuren rondom de EU. Zij dikken het arsenaal argumenten voor eurosceptici mooi aan. En voorspellende stukken als die van Sid Lukkassen bieden het nodige scenariodenken dat ons scherp moet houden.

N.a.v. Sid Lukkassen e.v.a., De Europese Spagaat. Het Europa der Vaderlanden òf een Hernieuwde Europese Unie (Aspekt, 2017) 300 pagina’s.

Posted on

Hoe bestaat het dat Merkel nog zo populair is?

Angela Merkels besluit van afgelopen zondag, kandidaat te zijn om nog vier jaar het ambt van bondskanselier te bekleden, heeft de Duitsers opnieuw in twee kampen verdeeld. Het valt op hoe beide kampen, zij die Merkel steunen en zijn die haar bekritiseren, langs elkaar heen praten.

De reden daarvoor ligt in het optreden van de bondskanselier zelf. Haar bewonderaars beschrijven Merkel als nuchter, zakelijk, feitengericht, iemand die onverbloemd zegt waar het op aankomt. Wie haar hoort spreken, zoals recent op televisie in de talkshow van Anne Will, hoort echter weinig anders dan verbloeming. Zelfs de zo toeschietelijke talkshowpresentatrice slaagde er niet in ook maar een duidelijke uitspraak aan de CDU-leider te ontlokken. De gast week, alles behalve nuchter, steevast naar het persoonlijk-emotionele uit of naar algemene frasen over moeders, kinderen, armlastige bejaarden of mensen die niet aan de bak komen, die allemaal op de een of andere manier geholpen moeten worden.

Voor Merkels aanhangers voelt dit taalgebruik als een warme deken. Vol dankbaarheid erkennen ze het gevoel van geborgenheid in de armen van de bondskanselier, dat Merkel hen over alle gebroken beloften heen weet te geven. Wie aandringt en feiten wil horen, wil weten waar Merkel volgens haar aanhangers eigenlijk staat, krijgt steevast voor de voeten geworpen verdeeldheid te zaaien, een querulant of zelfs een ophitser te zijn.

En toch is er wel iets van aan, van dat beeld van de koud calculerende Merkel – alleen dan op een volstrekt andere manier dan haar burgerlijke bewonderaars denken. Achter de wolken van haar gevoeligheid en haar frasen verbergt de CDU-leider haar eigenlijke politieke standpunten, die ze onverstoord en met volle kracht doorzet.

Ten aanzien van het energie– en immigratiebeleid is Merkels knalgroene agenda al veelvuldig aan de dag getreden. Ook in haar houding tegenover Duitsland ligt de bondskanselier volstrekt op de lijn van Claudia Roth of Katrin Göring-Eckardt. Legendarisch is inmiddels een scène van de verkiezingsavond in 2013. Met een van afschuw vertrokken gezicht moffelde verkiezingswinnaar Merkel een klein Duits vlaggetje weg van het podium waar de partijtop van de CDU de verkiezingszege vierde.

Bij Anne Will verried ze zich door haar taalgebruik. Merkel sprak niet van Duitsers en immigranten, maar van hen “die we erbij krijgen” en hen “die hier al langer wonen”. In plaats van de Duitsers als een soeverein volk met een geërfd recht op hun vaderland spreekt ze van een amorfe groep mensen die hier als bij toeval al wat langer verblijven, wat wil zeggen dat ze geen bijzondere rechten op hun land kunnen laten gelden.

Duitsland zou bij haar in goede handen zijn, zo willen de kiezers die haar steunen desalniettemin geloven. Het lijdt geen twijfel: Als bondskanselier en nog meer als CDU-leider is Angela Merkel de meest succesvolle politieke afleidingsmanoeuvre in de geschiedenis van  de Bondsrepubliek.

Posted on

Het einde van de geschiedenis als verraderlijke comfortzone

Hoeveel doden er ook vallen, in Nice, Brussel, München of Parijs. Hoeveel oorlogen en conflicten er ook ontstaan of dreigen – nog steeds lijkt de westerse samenleving overtuigd van de absolute superioriteit van haar eigen cultuur, en handelt alsof haar cultuur onkwetsbaar en onoverwinnelijk is. Onze verlichtingscultuur is de cultuur van de comfortzone. Van comfortabele burgers die weliswaar opgeschrikt worden, maar daardoor niet gaan nadenken over zichzelf. En daar moet verandering in komen.

In het artikel ‘De islam is het probleem niet’ van 28 juli, leverde ik kritiek op het anti-islam discours dat naar ik meen in de weg staat van een kritische zelfreflectie van onze samenleving. Dit punt maakte ik niet om in het rijtje van politiek correcte commentatoren te behoren die de rode draad weigert te zien in de reeks aanslagen, maar ik maakte het punt om aan te duiden dat de oorzaak niet zozeer een vijandige gevaarlijke ideologie of religie is, maar dat de aanslagen symbool staan voor het falen van onze eigen politiek. De drie in het vorige artikel besproken zwaktepunten waardoor het religieus geweld de kop op steekt waren 1) vrije migratie en slechte integratie; 2) het falen van justitie, en 3) de geopolitieke agenda.[1] In dit ‘vervolg’ wil ik ingaan op iets wat me evenzeer bezighoudt als waar het anti-islam discours faalt: het vermogen tot maatschappelijke en culturele zelfkritiek.

Als we nadenken waarom velen zo bang zijn voor de radicale islam, komen we vaak op twee redenen uit. Enerzijds dat de jihadisten ergens het lef vandaan halen om hun eigen leven op te offeren voor hun strijd. Tegen zo’n vijand is het natuurlijk moeilijk te vechten. In de jihadist wordt de moderne Europeaan geconfronteerd met een voor ons vreemde samenleving die ‘verder kijkt dan het hier en nu’ van de moderne samenleving door een hiernamaals na dit leven voor te stellen. En een hiernamaals is vandaag de dag voor vele westerlingen ondenkbaar, en wordt in de islam in veler ogen zelfs lachwekkend voorgesteld.

Daarnaast zijn we bang voor een collectief dat achter één doel staat. Als we de anti-islam profeten mogen geloven is dat doel de onderwerping van het Westen. Een verzameling van individuen is minder wervend en minder dreigend. Onze samenleving is in oorlog, maar de onverschilligheid keert bij ons terug in alsmaar snellere cycli. Dit is anders bij de jihadisten die als groep gezamenlijk achter een transcendent doel staan, in tegenstelling tot ons, waar enkel individuen lijken te leven die enkel bezig zijn met het hier en nu. Het is niet moeilijk dat we dit als benauwend ervaren.

Onze politici slaan volop op de oorlogstrom. Van links tot rechts zijn we het ogenschijnlijk over één zaak eens. Wij moeten ‘onze’ waarden verdedigen, en ‘onze’ manier van leven niet in het gedrang laten komen. Als je verder doorkijkt op wat die waarden dan zijn, komen we al snel tot de waarden van de Verlichting. Onze democratie, onze mensenrechten, onze vrijheid, ons verlicht burgerschap – het zijn allemaal populaire termen voor politici om die ‘waarden’ te benoemen.[2]

Door de focus op deze Verlichting – met haar waarden – lijkt deze ‘verlichting’ wel het enige dat de moslims en de Europeanen weet te onderscheiden. En bijgevolg moeten we eventjes wachten tot ze de verlichting en de mensenrechten overnemen. Hoe mooi dit in theorie ook klinkt, in de praktijk zien we deze strategie falen. Ten eerste omdat de verlichting in het Westen er is gekomen op een zeer specifiek moment in tijd en ruimte. De geschiedenis ontwikkelt zich overal anders. Daarnaast moeten we ons van het idee ontdoen dat de verlichte waarden overal geldend kunnen zijn. Een politiek die eender welk waardenpatroon verabsoluteert, heeft als resultaat een dogmatische benadering van de realiteit die enkel en alleen met een ‘dictatuur’ van waarden kan worden gerealiseerd. De islam dus van buitenaf gaan verlichten, is iets wat blijkbaar een averechts effect blijkt te hebben, omdat geen enkele samenleving maakbaar is.

Het is dan ook naïef te denken dat men hele groepen kan laten immigreren, en dat deze groepen na vestiging zomaar die waarden gaan overnemen. Moraliteit is een individuele zaak, en een heersende ideologie opleggen lukt eenvoudigweg ook niet. Dat men in België – maar ook in andere landen – symboolpolitiek voert zoals men doet met de ‘nieuwkomersverklaring’ [3] zal hier dan ook weinig aan veranderen. Ondanks de mogelijkheden van meer materiële welstand, de democratie en de vrijheid nemen talloze immigranten onze waarden vandaag de dag helemaal niet over. We stellen vast dat er telkens meer jongeren hier opgroeien, meestal dan met een andere culturele achtergrond, die achteraf deze westerse moraal gaan haten. [4]

Bovendien: als we spreken over onze cultuur te verdedigen, verengen we dit hoe langer hoe vaker tot die verlichting. Sinds wanneer behoren onze christelijke zowel als pre-christelijke (‘heidense’) gebruiken en tradities niet meer tot ons erfgoed? Ons cultureel patrimonium is er een van duizenden jaren aan beschaving, en we komen enkel en alleen af met de heersende ideologie. Hoe moeilijk dit ook denkbaar is, deze is vergankelijk. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat we verwezenlijkingen en goede elementen meteen moeten prijsgeven. Maar elke ideologie of politiek systeem heeft zijn zwaktepunten en wordt opgevolgd door een nieuwe synthese. Zoals in vorig artikel beschreven zijn een aantal zwaktepunten van het Westers liberalisme ook oorzaken van de huidige problematiek van het terrorisme. Zou het dan niet ondenkbaar zijn dat een kosmopolitisch mensbeeld dat aan de basis ligt van vrije migratie, een oorzaak zal zijn van het definitieve verval van het liberalisme? Of dat ons geloof dat we elders een democratie kunnen maken, als een boemerang in ons gezicht terugkeert? Of dat we bij een gebrek aan collectief bewustzijn niet in staat zijn om onze samenleving een andere wending te geven?

We moeten dan ook uit onze comfortzone komen. Want een vijandsbeeld opwerpen is te gemakkelijk, dat zien we in de opgroeifase van elk kind. De fout bij een ander leggen is veel makkelijker dan eigen fouten toe te geven. Het heeft ook een functie om de eenheid te verzekeren in eigen rangen. Deze morele zelfreflectie mag niet worden uitgespeeld tegen het leed dat de aanslagen veroorzaken. Want van links tot rechts is iedereen er het over eens dat het ontoelaatbaar is dat mensen aanslagen plegen, onder welke noemer dan ook, tegen onschuldige burgers. Maar ook deze common sense ontslaat ons niet van de plicht ongemakkelijke paden te betreden die ons uit onze moderne maatschappelijke comfortzone leiden.

Het is natuurlijk buitengewoon makkelijk en voor de hand liggend om vanuit een moral high ground te spreken en een andere cultuur als minderwaardig te beschouwen. Wij met onze mensenrechten, democratie en vrijheid staan volgens het gros van de leiders en opinieleiders immer ver vooruit op andere samenlevingen. Althans, zo is de teneur bij mensen als Holslag.[5] En natuurlijk: we kunnen terecht tevreden zijn met een aantal verwezenlijkingen die we hebben gekend de afgelopen honderden jaren, dat zal ik zeker niet ontkennen.

Maar erkennen van verworvenheden hoeft niet te leiden tot het jezelf niet te willen ontdoen van de moral high ground. Ons systeem is verre van volmaakt, dat kunnen we vandaag alleen maar vaststellen. Elke ideologie en elk politiek systeem heeft het in zich om onder veranderlijke omstandigheden achterhaald te worden. Bovendien is ook een politiek systeem daarom niet toepasbaar in elke situatie. Als we verschillende historische periodes uit onze eigen geschiedenis erbij nemen kunnen we alleen maar vaststellen dat die mensenrechten en vrijheden er niet altijd waren, ondanks opkomst of bloei van de samenleving. Een lineaire historische analyse met onszelf als verlichte democraten aan het uiteinde is dan ook een grote denkfout.

Juist vandaag, in het licht van terreurdreiging en internationale verwarring en conflicten, zou het niet moeilijk moeten zijn de zwaktes van ons huidig politiek systeem vast te stellen? En in plaats van in het defensief te gaan en deze fouten niet te erkennen is een aanpassing van ons metapolitiek denkkader nodig. Metapolitiek gezien verdient elke nieuwe antithese immers een nieuwe synthese.

In plaats van de fouten te leggen bij de islam of de radicale islam, afhankelijk van de interpretatie, ligt de enige oplossing voor de huidige problematiek van het terrorisme bij het analyseren van het eigen politiek denkkader. Om een zoveelste nutteloze discussie aan te gaan alsof wij allemaal weten wat de intentie is van ‘de islam’, liggen de oorzaken van dat dit jihadisme een kans krijgt bij ons eigen politiek systeem. Een polarisatie tussen ‘de islam’ en het ‘liberale westen’ belet dat we die oorzaken zouden aanpassen. Hiervoor moeten we wel bereid zijn uit een moral high ground of een levensbeschouwelijke superioriteit ten opzichte van andere politieke structuren te stappen.

Elk politiek systeem kent een begin onder bepaalde omstandigheden, maar draagt het altijd in zich om te verdwijnen als die bepaalde omstandigheden veranderen. Hier kan er gedacht worden aan de snelle opkomst en val van derde politieke wegen zoals fascisme en nationaalsocialisme die in haar ontstaan al de kiemen van de eigen ondergang in zich bleken te dragen. Maar ook aan het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het einde van het communisme. Juist ideologieën die zichzelf als het einde van de geschiedenis zagen, zoals genoemde voorbeelden, waren en zijn extra bevattelijk voor ondergang. Dit zou ons wantrouwig moeten maken tegen elke claim dat we met de verlichte maatschappij in het westen nu werkelijk het eindpunt van de geschiedenis hebben bereikt, zoals Fukuyama jaren geleden in een liberaal pleidooi poneerde.

De vraag is of deze veranderlijke omstandigheden: het terrorisme, de veranderingen op geopolitiek vlak en de schokken op economisch vlak zwaar genoeg zullen zijn om ons dit te doen beseffen. En de bijkomende vraag is hoeveel slachtoffers er nog moeten vallen eer we dit zullen beseffen.

De geschiedenis kent geen comfortzone, maar slechts periodes van rust. Diezelfde geschiedenis leert ons dat juist deze periodes gebruikt dienen te worden om het besef te sterken dat rust en comfort slechts bijproducten zijn van moeite en strijd. Ook op het gebied van ideologie en politieke en maatschappelijke zelfkritiek. De terreur in naam van islam of iets anders ontslaat ons niet van deze plicht.


[1] http://www.novini.nl/islam-is-probleem-niet/
[2] http://www.demorgen.be/opinie/wie-niet-wil-vechten-zal-op-zijn-knieen-verder-mogen-leven-bd3625ff/
[3] http://nieuws.vtm.be/binnenland/184946-deze-verklaring-moeten-nieuwkomers-tekenen
[4] http://www.hln.be/hln/nl/33982/Islamitische-Staat/article/detail/2819432/2016/08/01/IS-somt-zes-redenen-op-waarom-we-jullie-haten.dhtml
[5] http://www.demorgen.be/opinie/beste-bart-bespaar-ons-uw-volksverlakkerij-b2d32cb7/1UrwuU/

Posted on

De zwakste schakel

Waarom verkeren we in deze situatie? Hoe kan het dat we het gevoel van naderend onheil en machteloosheid niet van ons af kunnen schudden? Hoe is het mogelijk dat een kleine groep bewapende mannen ons zo veel schade berokkent? Het antwoord is simpel: opoffering. In de lijn der erfgenamen van de Europese tradities is de moderne Nederlander de zwakste schakel. Hij is laf, angstig en verslaafd aan genot en comfort. Het antwoord is ook complex, maar laten wij voor vooralsnog de analyse zo veel als mogelijk simplificeren zodat wij een helder startpunt hebben van waaruit we kunnen vertrekken.

Ergens in het nabije verleden zijn onder invloed van het radicaal-progressieve en liberale wereldbeeld de barrières van onze Europese tradities grotendeels naar beneden gehaald. De hoop was dat goed voorbeeld goed doet volgen. Het Einde van de Geschiedenis was immers weer een stapje dichterbij. De Europeanen moesten de weg voorbereiden naar een wereld waarin geen ruimte meer zou zijn voor intolerantie, gebondenheid en onwetendheid. Het autonome individu zou zegevieren en zijn recht op zelfbeschikking opeisen. Wat er werkelijk heeft plaatsgevonden is dat de leegte die is ontstaan na de aanval op onze tradities eerst is gekoloniseerd door het commerciële (en het banale) en vervolgens door de barbaren van buiten.

De moderne Nederlander is inmiddels door en door bourgeois. Hij is een streng gesocialiseerd en afgericht dier dat niets liever wil dan dat de wereld ‘gezellig’ blijft. Er is geen enkele geestelijke bandbreedte meer over voor mentale hardheid. De Nederlander lijdt aan ‘RTL4-liberalisme’: de door televisiebeelden verlichte woonkamer is het podium waarop hij graag vertoeft. Hier voelt hij zich veilig en krijgt hij voorgeschoteld wat hij moet geloven. Buiten is echter de wereld op drift. Het leven zoekt nieuwe wegen, maar hier wil hij niets van weten. Strijd en vijand? Wij hebben markt en concurrentie. De staat? Wij hebben de maatschappij. Wilskracht? Je zal calculatie bedoelen. Een volk? Wij kennen louter het publiek, de arbeidskrachten en consumenten. Zijn geest en vocabulaire zijn gepacificeerd en zo ontworpen dat zij hem gehoorzaam houden. De sluwheid van dit ontwerp zit hem erin dat hij zijn laatste hoopje natuurlijke agressie alleen kan richten op zijn eigen soort: er is bij hem immers wel een visie op goed en kwaad (‘fout’) geprogrammeerd. Dit houdt de opkomst van antiliberale krachten tegen en de bourgeois stevig in het zadel. In deze denkwijze is de Nederlander (en westerling) echter idiosyncratisch. In zijn vermeende onbaatzuchtigheid ook, wat niets anders is dan een masker. Wanneer dit wordt afgeslagen blijft niets anders over dan een allesvernietigende zelf- en genotszucht. Geen enkel ander volk lijdt zo sterk aan liberalisme.

De terugtrekking in de warme woonkamer en de erosie van verantwoordelijkheidsgevoel voor het historische en het gemeenschappelijke laten de buitenruimte onbewaakt en gevoelig voor kolonisering door externe machten. Dit is een natuurlijk proces dat zich constant overal en altijd voltrekt. Ook in Nederland. Het (fysiek) sterkere domineert altijd het zwakkere. De nabije toekomst behoort daarom logischerwijs toe aan naar macht-strevende volkeren en groeperingen met een antiliberale ethiek en een sterk gemeenschapsgevoel. De moderne West-Europeaan is een ziektesymptoom. Die diagnose is reeds ook door de andere volkeren gesteld. Zij zijn het medicijn dat het zieke, verzwakte lichaam komt vullen met nieuwe energie.

In het westen doet men zo nu en dan een poging om gemeenschapszin en strijdlust te imiteren. Moderne mensen met een uitgesproken links(liberaal) wereldbeeld willen een kunstmatige gemeenschapszin gebaseerd op universele waarden forceren. Moderne mensen met een uitgesproken rechts(liberaal) wereldbeeld willen een strijd van allen tegen allen faciliteren binnen de kaders van een historische gemeenschap. De rest kiest voor een variant op of vermenging van bovenstaande houdingen. Gemeenschap vereist echter de wil tot opoffering. Niemand wil sterven voor abstracte waarden en niemand wil zich opofferen voor iemand die hij tevens op dagelijkse basis beconcurreert in de markt. Dit is het centrale probleem van de moderne samenleving: het gebrek aan echte binding met elkaar en het verlies van de wil tot opoffering voor elkaar.

Stel dat we de grenzen sluiten, dan is het links-liberale wereldbeeld daarmee nog niet uit Nederland verdwenen. Er is geen positieve affirmatie van onze tradities, geen historisch besef, geen culturele vitaliteit of breed gedragen geestelijke bezinning. Het enige wapen dat we nu effectief kunnen inzetten tegen vijanden is de kleinburgerlijke angst voor het verlies van ‘brood en spelen’. Deze angst kan echter leiden tot onwenselijke vormen van nationalisme. Het probleem met ‘marcheren door de straten’ is dat dit onherroepelijk zal leiden tot onnodig bloedvergieten. Robespierre heeft immers ook zijn eigen hoofd verloren. Daarnaast is nationalisme een slecht wapen om beschaafdheid en traditie te stimuleren. Zeker in de huidige tijd. Het kost geen enkele moeite om xenofobisch te zijn, dat zit in onze aard (mensen zijn groepsdieren). Anti-modern zijn daarentegen kost veel meer inspanning (studie, contemplatie, debat). Iets waarvoor niemand meer geduld lijkt te hebben.

Er lijken zich drie scenario’s voor te doen. De eerste is de meest voor de hand liggende: de bourgeois verklaart geen andere vijanden te hebben dan zijn eigen intolerantie. Hij helpt zijn vijanden door inactief te blijven en zich in zijn woonkamer op te sluiten. Hij kan zich bekeren en vredig verder leven in gevangenschap. Hij is de zwakste schakel en breekt de ketting van onze tradities voorgoed. De tweede is mogelijk, maar zeer onwenselijk: hij kiest een sterke leider om schoon schip te maken. Dit is de keuze voor de totale oorlog van allen tegen allen. Het volk zal langzaam militariseren. Meestal gaat hieraan een groeiende politiestaat vooraf. Het groepsdier zal wakker worden en allen zullen ‘vuile handen’ hebben. Ik vraag mij sterk af of dit tot de herwaardering van onze tradities zal leiden. De derde optie is het meest wenselijk, maar onwaarschijnlijk: een significante groep mannen staat op en verdedigt de rest van het volk. In dit scenario hoeft niet iedereen zijn handen vuil te maken. Deze mannen offeren zich op en zullen ook een nieuwe staat gaan vormen. Dit noem ik het aristocratische model. In dit scenario wordt de bourgeois teruggestuurd naar het domein waar hij hoort: de economie. De economie wordt teruggestuurd naar haar rechtmatige plaats, onder de beteugeling van de politiek. De bourgeois zal niet meer over de bourgeois regeren. Dat recht heeft hij immers verspeeld. Alleen in dit scenario kunnen we hopen op een uitkomst waarin traditie weer over commercie regeert en wij allen over onze vijanden.

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.