Posted on

Hervormingen op Cuba: beetje privé-eigendom, beetje marktwerking

Een grondwetsherziening, een beetje meer privé-eigendom en het homohuwelijk. De socialistische republiek Cuba zet de eerste stappen naar verandering.

Maandag 13 augustus viert de eilandstaat de verjaardag van de overleden revolutieleider Fidel Castro en ter gelegenheid daarvan is het de bedoeling dat de burgers actief en bewust participeren in het uitwerken van een nieuwe grondwet, zo verklaarde president Miguel Díaz-Canel na een zitting van het parlement vorige week. Kort daarvoor had in de hoofdstad Havana het Cubaanse parlement de weg vrijgemaakt voor een grondwetshervorming. De huidige grondwet stamt uit 1976 en ontwikkelde het land onder Castro’s leiding tot een communistische staat.

Aan het einde van het hervormingsproces zijn de burgers aan zet. Ze moeten, nadat ze tot medio november over het door het parlement voorgestelde ontwerp hebben kunnen discussiëren, zich in een referendum over het ontwerp uitspreken. Het begrip communisme komt in het ontwerp niet meer voor, in plaats daarvan is sprake van een “modern socialisme”. De Communistische Partij van Cuba (PCC) blijft in het grondwetsontwerp echter de enige toegestane partij van het land.

Momenteel is Miguel Díaz-Canel als voorzitter van de staatsraad staatshoofd van Cuba en als voorzitter van de ministerraad tevens regeringsleider. Deze machtsconcentratie moet in de toekomst teruggeschroefd worden. Daarvoor moet het in 1976 afgeschafte ambt van premier opnieuw ingevoerd worden en wordt het nieuwe ambt van ‘president van de republiek’ gescheiden van het voorzitterschap van de staatsraad. De staatsraad, een 31 leden tellend orgaan van het parlement, dat tussen de spaarzame zittingen van het parlement de wetgevende macht uitoefent, moet in de toekomst door de parlementsvoorzitter geleid worden. Het staatshoofd verliest niet alleen bevoegdheden, hij moet in de toekomst bij zijn aantreden ook jonger dan 60 jaar oud zijn en mag maximaal tien jaar in het ambt blijven.

Niet alleen voor de politiek zijn veranderingen voorzien, maar ook voor de economie, zij het met mate. Zo duikt in het nieuwe grondwetsontwerp voor het eerst het begrip privé-eigendom op. Daarnaast wil men het land openen voor buitenlandse investeringen, die als belangrijke factor voor economische groei gezien worden. De secretaris van de staatsraad, Homero Acosta, zei volgens Cubaanse media, dat het “socialistische model” – met de leidende rol van de communistische partij en een door de staat geleide economie – weliswaar in beginsel behouden blijft, maar dat veranderingen nodig zijn. De samenleving en economie zijn veranderd, aldus Acosta, en dit moet nu ook in de grondwet zichtbaar worden.

De wijzigingsvoorstellen werden uitgewerkt door een commissie rond oud-president Raúl Castro, die tien jaar geleden zijn broer Fidel opvolgde en het land op een voorzichtige openingskoers zette. Hoewel hij sinds dit jaar geen staats- en regeringsleider meer is, blijft Castro als eerste secretaris van de enige politieke partij nog altijd een centrale figuur in het politieke gebeuren.

In Cuba zal er geen kapitalisme komen “en ook geen toegevingen aan hen die al op duizend verschillende manieren geprobeerd hebben ons van onze historische waarden van de revolutie af te brengen”, zo verklaarde zijn opvolger echter waarschuwend. Binnenlandse media ondersteunen Díaz-Canel en haastten zich te benadrukken dat de nieuwe grondwet er niet toe zal leiden “dat het teken van McDonalds op de pleinen van Havana zal verschijnen”.

De veranderingen in de economische sector worden vooral veroorzaakt door de toenemende vraag die samenhangt met het groeiende toerisme. Ondanks de aantrekkelijke situering en het klimaat van het eiland, gelden binnenlandse hotels op het eiland als onderbezet, omdat ze zich niet kunnen meten aan internationale standaarden

Circa 591.000 van de goed elf miljoen inwoners van Cuba werken in de private sector, die 13 procent van de economische prestaties uitmaakt. Acosta benadrukte dan ook dat men de rol van de markt niet langer kan negeren en privé-eigendom een plaats heeft in het economische systeem van Cuba. “Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen erkend worden, maar de staat moet in staat blijven de leiding en controle over de economie te houden”, zo voegde hij eraan toe.

Op sociaal gebied sprak het Cubaanse parlement zich er voor uit het huwelijk niet meer als een “vrijwillige verbintenis tussen een man en een vrouw” te definiëren, maar als “vrijwillige verbintenis tussen twee personen”. Als drijvende kracht achter het mogelijk maken van het homohuwelijk geldt Mariela Castro, die zich als parlementslid al langer hiervoor inzet. De dochter van Raúl Castro is hierom binnen het machtscentrum van de communistische partij zeer omstreden. Ten tijde van het bewind van haar oom werden openlijke homoseksuelen nog naar heropvoedingskampen gestuurd en geweerd uit de staatsdienst, zodat ze praktisch geen werk konden krijgen. Of dit onderdeel van de grondwetswijziging het uiteindelijk haalt is nog maar de vraag, gezien de op dit vlak eerder conservatieve stemming op Cuba.

Aan het einde van het nu begonnen hervormingsproces is het immers de bedoeling dat de burgers zich uitspreken. De staatsgetrouwe media op Cuba hebben er geen twijfel over dat het volk uiteindelijk “in overgrote meerderheid zijn goede leiders zal volgen”.

Posted on

Is er licht aan het einde van de vluchtelingencrisis?

De reactie van een aantal Amerikaanse commentatoren op de Europese topbijeenkomst van 28 juni jongstleden over de Afrikaanse vluchtelingencrisis, is even pragmatisch als onuitvoerbaar en even onmenselijk als verwerpelijk. Er wordt gesproken van een Trumpiaanse oplossing. “Laat Europa gewoon een hoge muur bouwen langs de Noord-Afrikaanse kustlijn en doe dat op kosten van Afrika zelf” In feite de Mexicaanse aanpak, die echter zelfs in Amerika als onnodig hard en meedogenloos wordt ervaren, maar die tot op heden niet wordt gestopt. Zoveel is zeker. De Amerikaanse politiek evenals de Europese, lopen beide op hun achterste benen en zijn in feite disfunctioneel geworden ten opzichte van oude idealen als vrijheid en verlichting, menselijkheid en beschaving, tolerantie en democratie.

Bijzonder is het niet, maar nog steeds is het wel opmerkelijk dat de betaalplicht voor zo’n nieuw te bouwen muur bij Afrika zelf wordt gelegd, ook nu naar voorbeeld van Amerika. Op zich niet zo’n gekke gedachte. Laten we beginnen bij het zwaar tot zeer zwaar fiscaal belasten van de rijke tot allerrijkste bovenlaag van veel Afrikaanse landen, inclusief het geld dat deze elites in het buitenland hebben gestald. Nee, dat geld moet Europa niet in eigen zak steken, maar juist terug laten vloeien naar Afrika zelf  in de vorm van onderwijs en innovatie.

Sommige commentatoren zoeken de oplossing voor de vluchtelingencrisis meer in het opzetten van gevangeniseilanden, vanwege de afschrikwekkende werking die er van deze eilanden uitgaat. Hoe berucht is niet het eiland Alcatraz in de baai van San Fransisco dat al in 1963 werd gesloten, maar zelfs nu nog tot de verbeelding spreekt? Of het Noorse gevangeniseiland Bastoy dat als schoolvoorbeeld moet dienen voor een humaan beleid voor criminelen. In Nederland kennen we ook een soort gevangeniseiland maar dan op het land, namelijk in Veenhuizen. Ooit is deze concentratie van gevangenissen begonnen als heropvoedingsplek voor schooiers en vandalen, naar het verlichte ideaal van Jonkheer van den Bosch.

Hongarije kent inmiddels al een muur en weet zich daarin gesteund door de Visegrad-landen, een groep van EU-lidstaten (Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije) die samenwerkt op diverse terreinen, waaronder op het gebied van identiteit en veiligheid. Langzaam maar zeker vormen deze lidstaten op die thema’s een beetje een eiland van eensgezindheid in de zee van politieke onbekwaamheid van Europa. Helaas wordt er steeds meer gesproken van een Europa dat in zijn huidige vorm stervende is. Ik had het graag anders gezien.

Een muur helpt niet. Een eiland helpt ook niet. Opvangkampen helpen niet, net zo min als detentiecentra. Is er iets wat nog wel zou kunnen werken? Ja, eigenlijk wel. Europa zou bijvoorbeeld in samenspraak met de  UNHCR een enorme reeks van universiteiten en hogescholen langs de gehele kustlijn van Noord-Afrika kunnen vestigen naar voorbeeld van het bestaande campusmodel van Amerikaanse universiteiten. Alle mogelijke vormen van onderwijs, ontwikkeling en innovatie kunnen in deze ‘politieke vrijplaatsen’ worden gegeven en hele nieuwe steden van economische slagkracht kunnen ontstaan, waarna afgestudeerde studenten zelf kunnen kiezen in welk land zij zich uiteindelijk willen vestigen. Zo’n aanpak kost inderdaad veel geld. Maar dat kost de huidige crisis ook.

Posted on

Drie beloftes waarop Trumps presidentschap beoordeeld zal worden

Op veel terreinen – zoals het benoemen van Scalia-achtige rechters en het steunen van Reagan-achtige belastingverlagingen – is president Trump een conventionele Republikein. Wat uitzonderlijk aan hem was in 2016, waarmee hij zich duidelijk onderscheidde van zijn GOP-rivalen, waarmee hij beslissende staten als Pennsylvania won, was zijn uniek Trumpiaanse agenda om Amerika en de Amerikanen op de eerste plaats te zetten – iets waar Bush-Republikeinen voor terugdeinsden.

Alleen Trump beloofde een einde te maken aan het generaal pardon en de grens te beveiligen met een 9 meter hoge muur om de invasie van Amerika tot staan te brengen. Alleen Trump beloofde een einde te maken aan de de-industrialisering van Amerika en onze verloren fabrieken en verloren banen terug te halen. Alleen Trump beloofde een einde te maken aan de democratie-kruistochten en ons terug te trekken uit de eindeloze oorlogen in het Midden-Oosten, waarin George Bush, Barack Obama en de oorlogspartij onze natie hadden gestort.

En van in hoeverre hij deze drie unieke Trumpiaanse beloften waarmaakt hangt zijn politieke lot af, alsmede het oordeel van de geschiedenis of hij een goede, geweldige of mislukte president was. Waar Washington staat is geen vraag. Het is er op belust Trumps presidentschap te zien mislukken, zijn agenda naar de prullenbak verwezen en Trump zelf afgezet. De hoofdstad kijkt naar Robert Mueller als de Mozes die hem kan bevrijden van de door een onbegrijpend electoraat opgelegde tiran. Hoewel Trumps steun onder zijn klootjesvolk stabiel blijft – hij krabbelt zelfs weer een beetje op in de peilingen – valt de uitkomst van de slag om hem ten val te brengen nog te bezien.

Build that wall!

Ga maar na. Trumps grensmuur werd behandeld als een desgewenst opgeefbaar prul in het GOP begrotingsakkoord groot 1,6 biljoen dollar van het Congres. Steden en hele staten roepen zich zelf uit tot toevluchtsoorden voor mensen die hier illegaal verblijven en slaan verzoeken van federale autoriteiten om te helpen bij de uitzetting van beschuldigde criminelen in de wind. Een ‘karavaan’ van duizend Centraal-Amerikanen trekt door Mexico, daarbij geholpen door de autoriteiten, en begeeft zich naar de Amerikaanse grens. Reken maar, dat wanneer ze daar aankomen, de anti-Trump media klaar zullen staan om zich te beklagen over iedere overschrijding door de grenswachters.

De hysterische reactie op het nieuws dat de volkstelling van 2020 de vraag ‘Bent u een Amerikaans staatsburger?’ bevat, maakt wel duidelijk waar dit allemaal om gaat. Amerika’s elite staat er op dat ons land moet oplossen in een nieuw Derde Wereldland dat in zijn raciale, religieuze en etnische samenstelling op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties lijkt. Zij verachten het oude Amerika waarvan de bevolking hield.

Het zit erin dat Trump de laatste president is die zal proberen dat land te bewaren. Als hij het presidentschap achter zich laat terwijl de grens nog altijd niet veilig is, valt moeilijk in te zien wat de Derde Wereldinvasie nog kan stoppen, net zoals die zonder ophouden over de Middellandse Zee naar Europa komt. Jean Raspails De Ontscheping is geen dystopische roman meer.

De Ontscheping ~ Jean Raspail

Economisch nationalisme

En Trumps agenda van economisch nationalisme – het herstellen van de industriële dynamiek en de zelfvoorzienendheid die Amerika kende uit de tijd van Lincoln tot Reagan – ziet zich geconfronteerd met niet aflatende vijandigheid van geïnstitutionaliseerde macht.

Tegenover Trump staan bedrijfselites wier winsten en aandelenopties afhankelijk zijn van productie buiten Amerika, en de managerskaste van een Nieuwe Wereldorde die de EU, de VN, het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie runt. Maar als mondiale elites het grootste deel van de rijkdom van de naties en een aanzienlijk stuk van hun politieke macht oppotten, kun je wel aanvoelen dat ze een ongeliefd slag zijn, en ze zitten op een vulkaan.

Donald Trump spreekt werknemers van de auto-industrie toe in Michigan, maart 2017 (foto: Witte Huis).

Geen militaire avonturen meer

Het derde onderscheidende punt van Trump was zijn toezegging ons terug te trekken uit de oorlogen in het Midden-Oosten, waarin Bush en Obama ons hadden verwikkeld, en om ons buiten nieuwe oorlogen te houden. Trump beloofde ook de hand te reiken aan Vladimir Poetin en Rusland om een herleving van de Koude Oorlog te vermijden. Zij die op hem stemden, kozen voor dat buitenlandbeleid.

En als Trump zich nieuwe oorlogen met Iran of Noord-Korea in laat trekken, of 2020 bereikt terwijl Amerikaanse troepen nog altijd in Afghanistan, Irak, Syrië, Jemen en Libië vechten, zal hij waargenomen worden als op dit vlak gefaald hebbend.

http://www.novini.nl/stelt-trump-een-oorlogskabinet-samen/

Maar de weerstand van Washington om zijn visie van Amerikaanse mondiale hegemonie op te geven is breed en diep, want die visie is welhaast een bepalend kenmerk van onze buitenlandbeleidselites. Om dit op te geven zou voor hen zo ongeveer het einde zijn. De versteende reactie op Trumps suggestie vorige week dat Amerika Syrië zal verlaten nadat het kalifaat van ISIS is vernietigd, maakt wel duidelijk hoezeer hun identiteit aan deze visie hangt. Dat Trump een einde aan de burgeroorlog in Syrië zou aanvaarden, terwijl Assad nog aan de macht is, is voor hen onverdraaglijk. Maar hoe we die realiteit ongedaan zouden kunnen maken zonder duizenden Amerikaanse gevechtseenheden in te zetten in Syrië blijft onverklaard.

Conclusie

Als puntje bij paaltje komt, zal Trumps presidentschap op deze drie zaken beoordeeld worden: Heeft hij de grenzen van Amerika veiliggesteld? Heeft hij de industriële macht van Amerika hersteld? Heeft hij ons uit de bestaande neocon-oorlogen teruggetrokken en heeft hij ons buiten nieuwe gehouden?

Posted on

Vredesproces in Colombia in gevaar

Het vredesakkoord van de Colombiaanse regering met de grootste guerrillabeweging van het land, de FARC, in 2016, dat onder bemiddeling van het Vaticaan en Cuba tot stand kwam, is een van de weinige positieve ontwikkelingen in de wereldpolitiek in de afgelopen jaren.

Het historische akkoord en het daarmee samenhangende verzoeningswerk stonden ook centraal in het bezoek van de paus in september, het ging gepaard met een ware politieke euforie. Na de vrede met de FARC registreerde het Zuid-Amerikaanse land de laagste aantallen slachtoffers sinds decennia.

Na het op 9 januari jongstleden aflopen van de in oktober overeengekomen wapenstilstand met de op een na grootste guerrillagroepering ELN, was het eigenlijk de bedoeling dat in de Ecuadoraanse hoofdstad Quito de vijfde ronde van de in februari 2017 begonnen gesprekken zou beginnen. Nadat ELN-rebellen echter militairen en een belangrijke oliepijpleiding aanvielen, schortte de regering de onderhandelingen op.

In maart zijn er in Colombia parlements- en in mei presidentsverkiezingen. De partijen zijn verdeeld in duidelijk tegenstanders en voorstanders van het vredesakkoord met de FARC. Het slagen of falen van het vredesproces zal in hoge mate afhangen van de samenstelling van de volgende regering. De huidige regering heeft bij het bereiken en uitvoeren van het akkoord waardevolle tijd verloren en zal in de weinige maanden die resteren niet veel meer kunnen bereiken.

Voor de bevolking in de grote steden van Colombia heeft de kwestie van het slagen of falen van het vredesproces weinig prioriteit. Voor de plattelandsbevolking, die inmiddels in de minderheid is, zou het mislukken van het vredesproces echter funest zijn. De circa 7.000 gedemobiliseerde guerrillastrijders zijn immers vooral gekwalificeerd in de omgang met wapens en de uitoefening van geweld. Als de staat geen woord houdt bij de uitvoering van de projecten voor hun re-integratie in de burgersamenleving, dan is het risico zeer groot dat velen van hen nieuwe misdaadbendes zullen vormen of in zullen gaan op een lucratief aanbod van de drugsmaffia of paramilitairen, om vervolgens weer daar te ageren waar ze de omgeving goed kennen. De opschorting van de vredesbesprekingen van de regering met het ELN dempt dan ook de hoop op een spoedige vreedzame toekomst.

Het ELN rekruteert intussen nog altijd jonge mensen, ook minderjarigen, onder de afro- en inheemse bevolking en rukt systematisch in die gebieden op die de FARC ontruimd heeft. En in plaats van dat het Colombiaanse leger onder rechtsstatelijke normen de controle uitoefent over deze gebieden, laat het de bestrijding van de ELN over aan paramilitaire groeperingen, waarvan het bestaan door de regering nog altijd ontkend wordt.

De guerrillabeweging ELN, die ooit door links-katholieken rond de studentenpastor Camillo Torres opgericht is, heeft weliswaar nog slechts 2.000 à 2.500 strijders onder de wapenen, maar een eventueel definitief afbreken van de vredesbesprekingen bergt grote gevaren voor het land, dat na decennia van drugs- en guerrillaoorlog eindelijk tot rust en weer op krachten wil komen. Na de opschorting van de vredesbesprekingen met het ELN, is secretaris-generaal António Guterres dan ook reeds persoonlijk naar Colombia gereisd.

Posted on

Noriega: van CIA-stroman tot Amerikaans gevangene

Manuel Noriega is niet meer. De ex-dictator van Panama overleed op 29 mei op 83-jarige leeftijd. Vorig jaar ontdekten artsen een hersentumor. In maart werd Noriega geopereerd en in een kunstmatige coma gebracht, waaruit hij niet meer is ontwaakt.

“Voor Saddam Hoessein was er Manuel Noriega”, schrijft The Guardian. De politieke carrière van de Panamese dictator vertoont grote overeenkomsten met die van de Irakese heerser. Alleen hun einde is anders: de een opgehangen, de ander overleden in een bed. Maar beiden genoten lang de steun van de Verenigde Staten. Totdat ze zich tegen hun beschermer keerden, die vervolgens met militaire overmacht een einde aan hun bewind maakte.

Tijdens zijn militaire studie in Peru in de jaren vijftig werkte Noriega al voor de CIA. In 1967 kreeg hij een spionage- en contra-spionage training op de beruchte School of the Americas in Fort Gulick, Panama, en een cursus psychologische oorlogsvoering in Fort Bragg in North-Carolina, de grootste militaire basis van de wereld (en in de jaren tachtig het centrum van waaruit de militaire interventies in Midden-Amerika plaatsvonden). In 1968 pleegde kolonel Omar Torrijos in Panama een militaire coup. Onder zijn bewind maakte Noriega snel carrière. Torrijos kwam in 1981 om het leven bij een mysterieus vliegtuigongeluk. Volgens John Perkins, voormalig NSA-agent en auteur van Confessions of an economic hitman, een actie van de CIA. De geheime dienst zag met lede ogen aan dat Torrijos contact zocht met Japan voor een nieuw te graven kanaal door Panama.

Luitenant-generaal Tom Kelly, plv. chef-staf van het Amerikaanse leger, legt tijdens een persconferentie op 21 december 1989 uit wanneer men het Panamakanaal weer open denkt te kunnen hebben.

Na de dood van Torijos werd Manuel Noriega de facto leider van Panama. In 1983 promoveerde hij zichzelf tot generaal. De machthebbers in Washington en Langley konden de nieuwe leider goed gebruiken. In 1979 verdreven de linkse Sandinista’s de Amerikaanse stroman Somoza, wiens familie vanaf 1927 Nicaragua had geregeerd. De Amerikanen bekeken het nieuwe bewind in Managua met argusogen. Dankzij de decennia oude CIA-contacten van Noriega kon de CIA Panama gebruiken als uitvalsbasis om het linkse regime in Nicaragua te ondermijnen. Lang voor de publicatie van de Panama Papers werd het land al gebruikt als doorvoerhaven voor geld, drugs en militaire goederen voor de Contra’s, die door de Verenigde Staten werden gesteund om het bewind in Managua ten val te brengen.

Noriega valt in ongenade bij Amerikaanse broodheren

Eind jaren tachtig viel Noriega in ongenade bij zijn Amerikaanse broodheren. In de jaren zeventig was de Panamese dictator begonnen met het leggen van contacten met het Colombiaanse Medellín drugskartel. Deze gebruikte Panama om hun drugsgeld wit te wassen. Een federale rechtbank in Florida klaagde de Panamese dictator aan op grond van drugshandel en afpersing. De CIA haalde Noriega van de loonlijst.

Amerikaanse militairen rijden in pantservoertuigen door Panama-stad op 23 december 1989, de vierde dag van de Amerikaanse inval. Bij de aanval kwamen honderden burgers om het leven en werden 15.000 mensen dakloos.

Een serie van incidenten, die uiteindelijk leidde tot de dood van een Amerikaanse soldaat, was de aanleiding voor de regering van George H. Bush om militair in Panama in te grijpen. Op 20 december 1989 vielen Amerikaanse troepen – vooral militairen uit Fort Bragg – het land binnen. Op 3 januari 1990 gaf Noriega, die zich had verscholen in de diplomatieke missie van het Vaticaan, over. Hij werd als krijgsgevangene naar de Verenigde Staten overgebracht. In september 1992 werd hij in Miami veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar (later omgezet tot 30 jaar). De claim van verdediging dat Noriega jarenlang op de loonlijst van de CIA had gestaan, werd als irrelevant afgewezen. Gevangene nummer 38699-079 werd in 2010 uitgeleverd aan Frankrijk, waar hij werd veroordeeld voor witwassen van drugsgeld. In 2011 werd hij op verzoek van de Panamese regering overgebracht naar de El Renacer-gevangenis in Panama.

Oude bekende van Bush

Manuel Noriega op bezoek bij George H.W. Bush

De relatie tussen Noriega en de CIA, en dan specifiek die met directeur George H. Bush, is intrigerend. Noriega had als student al contacten met de Amerikaanse veiligheidsdienst. Tussen 1971 en 1986 leverde hij de CIA informatie over Fidel Castro. In 1976 bezocht hij George Bush in Washington.

De opvolger van Bush als hoofd van de CIA haalde Noriega van de loonlijst, maar toen George H. in 1980 vice-president werd, ontving de Panamese dictator al snel weer een riant salaris van de CIA. De contacten tussen Bush en Noriega stammen al uit een eerdere periode. George Herbert Walker Bush richtte in 1953 Zapata Petroleum in Texas op. Een onderdeel van het bedrijf werd als CIA-front gebruikt. Van hier uit werden contacten gelegd met een zekere Manuel Noriega, drugssmokkelaar en CIA-medewerker.

In 1976 zorgde Bush, als CIA-directeur, ervoor dat de Cubaan Felix Rodriguez buiten schot blijft in het onderzoek naar de moord in Washington op een Chileense, pro-Allende diplomaat. Rodriguez, die claimde Che Guevara te hebben vermoord, was daarvoor ook actief binnen Operatie Phoenix, waarin onder auspiciën van de CIA tonnen heroïne Zuid-Oost Azië binnen werden gesmokkeld om het Noord-Vietnamese bevrijdingsleger te destabiliseren.

Hetzelfde scenario werd in de jaren tachtig uitgevoerd in de oorlog tegen de Sandinisten in Nicaragua: importeren van drugs in ruil tegen wapens om die door te verkopen aan rebellen. Wederom met Rodriguez als spil en vice-president Bush op de achtergrond (twee jaar voordat Oliver North in 1984 de operatie overnam). Generaal Noriega was maar graag bereid zijn oude vrienden te helpen en stelde vliegvelden open voor het transport van drugs en wapens. Saillant detail: Noriega werd gevraagd dit te doen door agenten van de Mossad, de Israëlische veiligheidsdienst, die hem toegang tot het Witte Huis – lees George H.W. Bush – beloofden. Wellicht grootspraak van een dictator in het nauw, maar Noriega claimde dat hij “Bush bij zijn ballen had”. Reden genoeg om in 1989 eens en voor altijd af te rekenen met de onbetrouwbare Panamese leider, die de clandestiene drugsoperaties steeds vaker voor eigen gewin ging gebruiken. Het was Noriega’s oude vriend Bush die hem afzette en gevangen liet nemen.

In het wereldbeeld van de CIA zijn dictators nuttige idioten die braaf hun vuile werk moeten doen. Worden ze ongehoorzaam of gaan ze op eigen houtje zaken regelen, dan is Washington er snel bij om zich van hen te ontdoen. Dat overkwam al vele dictators, zoals Ngo Dinh Diem, Saddam Hoessein of Bashar al-Assad. En dus ook ‘Our man in Panama’, Manuel Noriega.

Posted on Leave a comment

Afrikanistiek en koloniale geschiedenis

Afrikanistiek, de studie betreffende het Afrikaanse continent, is jong. De vroegste studies die op schrift gesteld zijn en die vandaag als studiemateriaal gebruikt kunnen worden, dateren van 1880. De archeologische vondsten en overleveringen laten veel ruimte over voor vrije interpretatie. De grote leemten in studiestof maken dat deze discipline gemakkelijk door ideologische stromingen wordt opgeslokt. Aangezien in Zwart Afrika veelal schriftloze volkeren leefden, en er weinig of geen archeologische vondsten van gebruiksvoorwerpen of woningen te vinden zijn, maken de leemten daarom in verreweg de meeste studies plaats voor onwetenschappelijke beweringen. Deze beweringen, waar aan historische feiten voorbij wordt gegaan ten gunste van subjectieve interpretaties waarin de ‘goede’ en ‘slechte’ rollen in het verhaal van tevoren al worden vastgesteld, vindt men terug in het debat rondom de kolonisatie. « Kolonisatie » staat daarom gelijk aan uitbuiting, onrecht en slavernij.

Zo zou de oorsprong van de mensheid in Afrika liggen, de technische (en daarmee de economische) achterstand te wijten zijn aan de “Eerste Wereldlanden” die de bodemschatten leeggeroofd zouden hebben. De oorzaak van de bloederige stammenoorlogen zou bij de kolonisten liggen, die het land hebben afgepakt, de slavenhandel ontwikkeld en na de onafhankelijkheid grenzen hebben achtergelaten die niet overeenkomen met de etnische kaart van Afrika.

Oorspronkelijke bewoners van Afrika
Falilou Diallo schreef in 1987 wat de laatste decennia op de meeste scholen in ons land wordt aangenomen en onderwezen: “Alle wetenschappelijke studies bewijzen dat de eerste bewoners van Zuid-Afrika zwart waren. Sinds vele duizenden jaren bevolken Zuid-Afrikaanse negers, Australopithecus, zuidelijk Afrika.” (Le Soleil, 4 februari 1987)

De wetenschap die uitgaat van de evolutietheorie geeft echter aan dat de Australopithecus leefde in een tijd dat de rassenvorming nog niet was begonnen (deze zou pas tegen 100.000 v. Chr. Begonnen zijn). Hoewel er veel verwantschappen aan te wijzen zijn tussen de Australopithecus en de Homo Erectus, die ook buiten Afrika is gevonden, heeft niemand tot nu toe kunnen bewijzen dat de Homo Erectus van de Australopithecus afstamt. De bewering van Falilou Diallo stuit op een ander probleem, namelijk door de oorspronkelijke afrikaan als zwarte voor te stellen.

Vijf- tot tienduizend jaar geleden werd Subsaharisch Afrika bevolkt door 4 dominerende rassen: de zwarte voorouders van de Bantoevolken in de omgeving van Nigeria en de Nijl-Sahariërs, tevens zwart van huidskleur, woonachtig in de streek rond Nubië. De twee andere volkeren zijn niet-negroïde en noemen wij Pygmeeën, die het gehele gebied van de Kongo bevolkten en de Khoisan, die heel Oost- en zuidelijk Afrika bevolkten. Door archeologische vondsten kennen wij de aanwezigheid van zwarte West-Afrikanen vanaf 15.000 v. Chr. Pas tegen 10.000 v. Chr. vinden wij ook sporen van deze bevolking in Nigeria.

De zwarte West-Afrikaanse en Nubische negerbevolking koloniseerde gaandeweg Oost- en zuidelijk Afrika waardoor de oorspronkelijke bewoners werden gedecimeerd of van hun oorspronkelijke leefomgeving werden beroofd en zich moesten terugtrekken in onherbergzame plaatsen zoals de Pygmeeën in de tropische wouden. Naast de Pygmeeën en Khoisan hebben enkele stammen zich in leven weten te houden in oost- en zuidelijk Afrika. De autochtone bewoners van Bambouk (Senegal/Mali) zijn in de negentiende eeuw door de Fulbe afgeslacht. De oudste bevolking van West-Afrika zijn de Bassari, die hun cultuur hebben weten te behouden, maar vanwege de gemengde huwelijken niet meer als autonoom ras worden onderscheiden van de Zwarten uit hun regio.De Toucouleur (Senegal/Mauritanië/Mali) danken hun overleving tevens aan de vermenging met de Peulen en bestaan als volk slechts sinds de tiende, elfde eeuw. Het is pas vanaf de vijftiende, zestiende eeuw dat een gevestigde, georganiseerde cultuur van zwarte volkeren in West-Afrika en elders ontstaat.

In Zuid-Afrika bestaat tot vandaag de dag een etnische groep, die door de blanke kolonisten “Hottentotten” werden genoemd en vandaag bekend staan als de San (Bosjesmannen) en de Khoi. Oorspronkelijk houden deze volken geen verband met de zwarte bevolking die rond de zestiende eeuw in Zuid-Afrika aankwam. Deze oorspronkelijke bewoners kozen soms de kant van de blanke boeren, soms die van de zwarte overheersers, met als resultaat dat velen in de gevechten tussen blanke en zwarte kolonisten sneuvelden. Vandaag leven er nog slechts enkele duizenden San.

Oorzaken van de Afrikaanse achterstand
De droogte in noordelijk Afrika begon ongeveer twaalf eeuwen geleden en bracht de Sahara tot stand. Hiermee ontstond een klimaatbreuk en een culturele grens in Afrika: ten noorden van de Sahara ontwikkelde zich een rijke beschaving die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de rijke cultuur van het Middellandse Zeegebied. Ten zuiden van de Sahara raakte Afrika geïsoleerd, vergeten en zelfs onbekend voor de rest van de wereld, tot de mosliminvasie enerzijds en de kolonisatie anderzijds. Ten zuiden van het Marokkaanse Mogador heeft de archeologie nog nooit iets gevonden waaruit een invloed van het Middellandse zeegebied blijkt. Slechts de Nijlstreek, de Rode Zee en de Oost-Afrikaanse kuststreek waren reeds in de vijftiende eeuw v. Chr. bekend. Het is juist via deze streek dat de zwarten, rond het begin van onze jaartelling naar zuidelijk Afrika trokken. De oude Grieken en de Romeinen kenden het bestaan van zwarten. Deze waren echter afkomstig van de Nijlstreek Nubië.

De enige nijverheid die men buiten Noord-Afrika met de opkomst van de Islam kan ontdekken zijn de handelssteden zoals Essouk (Tadmakka) en Audoghast, die gesticht waren door (blanke) Berbers, die zwarten aanstelden voor het bestuur. Resultaat van dit isolement en klimaat is naast een culturele achterstand vooral een hopeloze achterstand in de basisbehoeften. Subsaharisch Afrika moest tot de kolonisatie wachten om het gebruik van vee voor landbouw, het wiel en de katrol te leren. Rond het begin van onze jaartelling was de primitieve landbouw in tweederde van subsaharisch Afrika onbekend. Landbouw in Afrika bleef tot die tijd beperkt tot Egypte, het huidige Libië en de noordelijke Sahara. De gewassen die daar werden verbouwd waren niet opgewassen tegen het subsaharische klimaat. Rond 2000 v. Chr. begon men in West-Afrika met het verbouwen van eigen producten. Tot die tijd voedde men zich door verzamelen en kleinschalige veehouderij.

IJzertijd in Afrika
De koper- en bronstijd zijn aan Afrika voorbij gegaan. De steentijd werd opgevolgd door de ijzertijd, doordat Egypte rond de zevende eeuw v. Chr., Axoum (Ethiopië) rond de eerste eeuw v. Chr. en Carthago rond 800 v. Chr. ijzerwerktuigen in omloop brachten. In de streek rondom het Victoriameer begon de ijzertijd tegen 300 v. Chr, in Midden-Afrika tussen 300 en 500 na Chr. en in zuidelijk Afrika tussen 500 en 1100 na Chr.

Rond 2000 v. Chr. trokken zwarte Bantoestammen richting het westen en verbreidden zo de zwarte bevolking over het grootste deel van het continent. Hun kennis van landbouw en metallurgie maakten dat zij een grote voorsprong hadden op de autochtone bevolking van Oost- en zuidelijk Afrika en een dominante positie konden innemen. De trek naar het zuiden van de Bantoe moet niet vroeger dan de tweede eeuw v. Chr. hebben plaatsgevonden.

Khoisanmannen op jacht in Angola.

Lange tijd werd zonder bewijs aangenomen dat de ijzertijd dankzij de Bantoes het licht zag in Afrika. Velen blijven vasthouden aan deze theorie die wetenschappelijk gewoonweg niet hard te maken is en zelfs tegenstrijdig is met de gegevens die nu voorhanden zijn. Men nam de ontwikkeling van landbouw en metallurgie (tussen 500 en 1100 in zuidelijk Afrika) als bewijs van aanwezigheid van Bantoevolkeren en gaf daarmee aan dat de Bantoevolkeren lang voor de komst van de blanken Zuid-Afrika bevolkten. Het enige dat wij met zekerheid over de bevolking van Zuid-Afrika kunnen zeggen is dat er mensen boven de Oranjerivier hebben geleefd vanaf de ijzertijd (vierde, vijfde eeuw) en dat de Nederlandse kolonisten zich in de Kaapprovincie vestigden vanaf 1652. Archeologisch onderzoek wijst echter uit dat er in Zuid-Afrika twee “ijzertijden” hebben plaatsgevonden. De tweede, die rond de twaalfde eeuw ontstaat, gaat samen met nieuwe smeedtechnieken en houdt verband met landbouw. Naar alle waarschijnlijkheid is deze Tweede IJzertijd aan de komst van Bantoevolken toe te schrijven. Deze twee periodes bleven echter beperkt tot het oostelijk deel van Zuid-Afrika, ten oosten van de Visrivier en ten noorden van de Oranjerivier. Aan de rest van Zuid-Afrika is die ijzertijd voorbij gegaan. Deze Tweede IJzertijd duurt ongeveer zes eeuwen. De huizen die in die periode werden gebouwd waren van gedroogde modder. Vanaf het einde van de zestiende eeuw begon men stenen huizen te bouwen. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn essentieel voor de geschiedenis van zuidelijk Afrika, omdat de volken rond die tijd zich in rijkjes en stammen met hiërarchie beginnen te organiseren.

Slavenhandel
Om de slavernij in Afrika te kunnen begrijpen is het nodig het ontstaan hiervan in herinnering te brengen. Terwijl de slavenhandel ontstond na de komst van de moslim- en Europese kolonisten wijst alles er op dat deze op suggestie van de Afrikaners zelf is ontstaan.

Nooit hebben de Westerlingen vrije Afrikanen gevangen genomen met het oog op de slavenhandel. Van oudsher werden de overwonnen vijanden tijdens de stammenoorlogen door de Afrikaners zelf in slavernij weggevoerd. Het koninkrijk Dahomey jaagde zo in het binnenland actief op mensen die zij als slaven konden verkopen. Koning Tegbessou leverde zo in 1750 9000 slaven per jaar, hetgeen hem meer opleverde dan de scheepsreders van Liverpool of Nantes. Voor de Europeanen was het tot 1795 verboden zich buiten het kustgebied te begeven. Zo had « vrijheidsstrijder » Samory Toeré een grootschalig slavennetwerk opgezet.

Vanaf de dertiende eeuw waren de moslims voornamelijk geïnteresseerd in vrouwen en jonge jongens. In de loop van de negentiende eeuw trachtten de Engelse kolonisten de slavenhandel in Oost-Afrika, die voornamelijk in handen was van Arabieren, door middel van het Verdrag van Hamerton, drastisch te verminderen. Tot afschaffing werd éénzijdig, namelijk van Europees-Amerikaanse zijde, besloten, zonder de mening van de Afrikanen of de Arabieren te raadplegen. Arabische karavanen met slaven waren in Libië tot 1929 bekend. Mauritanië heeft de slavernij in de twintigste eeuw vier maal moeten verbieden. In Soedan was het de kolonisatie die een eind maakte aan de slavenhandel. Met de onafhankelijkheid bloeide deze echter weer op.

In Soedan komt ook tegenwoordig nog slavernij voor.

Toen de slavenhandel werd verboden, zagen de Westerse mogendheden geen belang meer in verdere contacten met subsaharisch Afrika. Deze werd aan het begin van de 19e eeuw zelfs als een blok aan het been gezien, die de economie in het thuisland belemmerde. Dat Europa zich niet geheel terugtrok, was om humanitaire redenen: het Britse Lagerhuis verbood in 1807 de slavenhandel en in 1833 de slavernij als zodanig en stuurde schepen die illegale slavenhandel onderschepten.

Deze andere kant van de kolonisatie wordt door Derde Wereldideologen maar al te graag verzwegen. Hun beweringen gaan echter nog verder. Zo zou de slavenhandel één van de oorzaken zijn van de honger in Afrika. Het verdwijnen van de nodige mankracht zou de mislukking in de landbouw verklaren. De feiten spreken deze bewering echter zonder meer tegen. De komst van de Portugese kolonisten brachten juist rijke, snelgroeiende producten met zich mee, die de arme gewassen overbodig maakten en de lokale bevolking tot voeding kon strekken.

De onderverdeling van koloniaal Afrika vond echter pas tussen 1885 en 1900 plaats en duurde tot de onafhankelijkheid van deze landen, zestig of zeventig jaar later. Tot het einde van de 19e eeuw hadden de Westerse mogendheden geen enkele hand in de Afrikaanse landen zelf, maar bleef hun werkveld beperkt tot enkele kuststeden die de handel met de Afrikaanse volkeren mogelijk maakte.

Kolonisatie als Verlichtingsideaal
Onder de verschillende kolonisatiemethoden neemt de Franse een bijzondere plaats in. De Engelse kolonisatie ging doorgaans uit van segregatie. En terwijl de Portugezen mestizaje (vermenging van Portugezen en inboorlingen, red.) invoerden, gingen de Fransen uit van een Verlichtingsideaal. Slechts enkele jaren na de Franse Revolutie zagen veel Fransen het kolonialisme als opdracht om de primitieve volkeren te beschaven. Frankrijk had geen enkel economisch belang bij het koloniseren: slavernij was afgeschaft en rietsuiker was inmiddels vervangen door suikerbieten die op eigen bodem werden verbouwd.

Jules Ferry, de oprichter van het openbaar onderwijs in Frankrijk, verklaarde openlijk aan Jean Jaurès dat zijn politieke doeleinde was: een « mensheid zonder God en koning » op te bouwen. Tegen de koningsgezinde partijen van het parlement en Clémenceau, die waarschuwde dat het kolonialisme tot verarming van zowel Frankrijk als Afrika zou leiden, zette Jules Ferry die minister-president werd, de kolonisatiepolitiek op touw. « Frankrijk, het Vaderland van de Rechten van de Mens, moest de kruistocht voor de vrijheid van de primitieve volkeren aanvoeren ».

In een taalgebruik dat in zijn tijd ontvankelijk werd gezien verklaarde Jules Ferry in 28 juli 1885 : « De superieure rassen hebben rechten ten aanzien van de inferieure rassen maar ook een plicht: om deze te beschaven. De Spanjaarden hebben gefaald door de slavenhandel in Centraal-Amerika in te voeren. Het superieure ras verovert niet voor eigenbelang, maar om de zwakke te beschaven en tot haar niveau op te voeden. »

Leon Blum, de linkse politicus van het Front Populaire verklaarde: « De superieure rassen hebben het recht en de plicht om de rassen die hun niveau nog niet hebben bereikt tot de vooruitgang te roepen aan de hand van wetenschap en industrie. » Ook Emile Zola, altijd begaan met de arbeiders, verklaarde ten opzichte van Algerije dat dit land toebehoort aan hen die er werk van maken.

Albert Bayet, voorzitter van de Liga van Mensenrechten, verklaarde in 1931 dat de kolonisatie rechtvaardig is omdat deze de boodschap van de « illustere voorouders van 1789 » met zich meedraagt. « Rechten van de mens te doen kennen is geen imperialisme, maar een broederlijke taak. »

Victor Schoelcher, vermaarde abolitionist schonk de medaille van de « Société anti-esclavagiste » aan generaal Galliéni, die met harde hand de oude cultuur van Madagascar met wortel en tak uitroeide, maar de slavernij afschafte.

De tegenstanders van dit ideaal vond men in de eerste plaats onder de koningsgezinde partijen maar ook bij de republikeinse nationalisten Maurice Barrès en Paul Deroulède. Zij zagen het verlies van Elzas en Lotharingen als belangrijker en het koloniseren, zeker als verlichtingsideaal, als een kostbare verspilling die de investering niet waard was.Rond 1890 kwam aan dit tegengeluid een einde, toen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zich over de slavernijproblematiek gingen buigen. Mgr. Lavigerie verklaarde in 1888, dat het kolonialisme noodzakelijk was om de slavenhandel, die op dit moment hele volkeren dreigde te vernietigen, een halt toe te roepen. Vanaf dit moment steunden ook de kerk en conservatieve krachten de kolonisatie.

Het is verleidelijk om in deze houding een invloed van het Eerste Vaticaans Concilie te zien. Door de onfeilbaarheid van de Paus uit te roepen werd de universaliteit van de jurisdictie van Rome en daarmee van haar boodschap benadrukt. Het Patriarchaat van Alexandrië, onder wie het Afrikaanse werelddeel sinds de eerste eeuw viel, heeft zich nooit in de Afrikaanse stammenproblematiek willen mengen, ondanks hun aanwezigheid in Oost-Afrika, waar de meeste slaven vandaan kwamen. Het verklaart echter niet het belangrijke aandeel dat de protestanten hebben gehad in de koloniale geschiedenis, die doorgaans meer van privé-initiatieven uitgingen. Het resultaat van de religieuze inmenging in de Afrikaanse culturen is op zuiver politiek vlak desastreus te noemen: Burundi, voor 90% christelijk, kent sinds 1972 meer dan 2 miljoen doden. Landen waarin de christenen in de meerderheid zijn: Rwanda, Oeganda, Kongo, Liberia, Sierra Leone, de Ivoorkust, zijn tonelen waar christenen elkaar onderling uitmoorden. De oppervlakkige kerstening van deze volkeren heeft de etnische verschillen niet weten te overbruggen.

Balans
Voor de balans die Lugan opmaakt betreffende Afrika verwijzen wij de lezer naar zijn werken, waarin hij met veel feiten- en vakkennis de volgende stellingen onderbouwt: zo zouden de westerse landen meer kwijt dan rijk geweest zijn aan de Afrikaanse kolonies. De westerse investeringen in infrastructuur, vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn kolossaal. Terwijl slechts enkelen zich hebben weten te verrijken in deze korte tijd, heeft het aan de westerse landen vooral geld gekost.

De kolonisatie had een eind gemaakt aan vele stammenoorlogen, epidemieën, slavernij en zelfvoorzienende landbouw mogelijk gemaakt. Bij de onafhankelijkheid welden sommige van deze rampzalige gebeurtenissen weer op, maar de nataliteit is daardoor explosief toegenomen. De onafhankelijkheid heeft de verstedelijking tevens verregaand doorgezet en de ontwikkelingshulp geeft het Afrikaanse achterland geen kans om zelfvoorzienende landbouw weer op te pakken.

Bronnen:
Bernard Lugan:

  • Afrique, l’histoire à l’endroit, Perrin, 1989
  • Afrique, de la colonisation philantropique à la reconolisation humanitaire, Bartillat, 1995
  • Pour en finir avec la colonisation, Editions du Rocher, 2006