Posted on

“Verräter schlafen nicht” ~ Persoonlijke terugblik op 50 jaar revolutie

“Verräter schlafen nicht”, luidt de wat sinistere titel van het in boekvorm uitgegeven lange interview dat Sebastian Maaß had met de Duitse intellectueel Günter Maschke. In de jaren zestig radicaal links, maar nu overtuigd reactionair. In het linkse kamp krijgt zo’n bekeerling (‘renegaat’) al snel de titel ‘verrader’. “The left is an authoritarian movement that wants total compliance with its dictates with severe punishments for those who disobey,” aldus Daniel Greenfield.

Er valt niet te ontkomen aan ’50 jaar na 1968′. De media staan bol van de terugblikken, interviews, analyses en documentaires van de westerse studentenopstanden. Vorig jaar de ‘Summer of Love’, nu ’50 jaar na de Barricaden’. 2018 betekent niet een afrekening van 50 jaar ideologische verdwazing, een streep er door en er onder, maar eerder een weemoedig terugblikken. De wetenschappers en journalisten die dankzij hun “lange mars door de instellingen” hun huidige posities hebben toegeëigend, zien namelijk hun politieke idealen als zand door hun handen wegglippen. De linkse façade verkruimelt.

2018 is voor deze auteur ook een mooi moment om een streep onder zijn linkse verleden te zetten. Een ‘Afscheid van domineesland’*, met een hat tip naar Menno ter Braak. Want ‘predikers’ zijn het, die linkse ideologen, vergadertijgers, apparatsjiks en activisten, die van ons land een nachtmerrie hebben gemaakt. Ze hebben het onderwijs verwoest. Decennialang hebben ze daadwerkelijk vernietiging en terreur uitgevoerd, nu worden ze hysterisch over haat-symbolen. Ze hebben het christendom uit het publieke leven gebannen. In een poging het daadwerkelijk uit te roeien. Ze hebben hun eigen kansels gecreëerd of veroverd, om van daaruit hun zedenpreken over het schijnbare racisme en schijnbare patriarchale karakter van de Nederlanders te verkondigen. Ze maakten hun eigen Tien Geboden en vaardigden hun eigen dogma’s af: gij zult geen onderscheid maken; gij zult iedere vreemdeling met open armen ontvangen; gij zult geen auto rijden (behalve een Volvo, want die wordt in het linkse paradijs Zweden gemaakt); gij zult eeuwig boetedoening doen over de slavernij; gij zult iedere godsdienst met respect bejegenen, behalve de christelijke. Enzovoorts. Ze kenden hun eigen heiligenpantheon: Castro, Che Guevara, Mao, Ho Chi-min, Baader, Meinhof, Mandela, e.a. Onder leiding van domineeszoon Freek de Jonge en ex-priester Huub Oosterhuis trok het progressieve volksdeel door de burgerlijke woestijn richting het rode land.

Ondergetekende marcheerde enkele decennia mee achter de rode en zwarte vaandels. Hij hield er zelfs een betaalde baan aan over, bij een van de vele gesubsidieerde instellingen die de ‘rooie rakkers’ in snel tempo oprichtten en financierden met heel veel zakken belastinggeld. In de rode wereld lopen opvallend veel ex-gelovigen rond, die deels door een politieke uitleg van de bijbel – de erfenis van de jaren zestig en de vele bevrijdingstheologieën die nadien als paddenstoelen uit de grond opkwamen – een andere roeping gingen volgen. Schrijver dezes was er een van, hoewel ik mij niet meer kan herinneren dat ik politieke theologie heb gehoord. Zo subtiel ging dat. Toch is ergens dat linkse zaadje geplant en tot wasdom gekomen.

Sentimentaliteit speelde (en speelt) een belangrijke rol in het linkse denken, naast ressentiment. Dieren en de minder bedeelden zijn al snel zielig. Dat was voor mij ook de ingang tot het linkse denken. En al snel moet dat (linkse) paradijs hier op aarde en wel binnen afzienbare tijd gerealiseerd worden. “Progressives are so enthralled by their dreams of a heaven on earth that they see those who oppose their dreams as evil, which is why they hate them,” schrijft David Horowitz. Een stroom van boeken en tijdschriften vergiftigde het denken. Common sense en een natuurlijk besef dat het een en ander absoluut niet klopte, werden verdoofd en ter zijde geschoven met veel alcohol. Waar echte arbeiders voor de Tweede Wereldoorlog trots lid waren van de Blauwe Knoop, sponsorden de linkse activisten van de afgelopen decennia de bierbrouwers. Een voorbehoud ter verdediging: ik heb altijd een zwak gehad voor goed geklede mensen, droeg zelf meestal een wit overhemd en bezat meerdere paren nette herenschoenen. Heel fout, maar dit terzijde.

Begiftigd met een vlotte pen, verschenen al snel opinies en beschouwingen in de diverse linkse ‘zines’ (links codewoord voor tijdschriften). Een paar nachten in een kraakpand genazen mij al snel van dit fenomeen: smerig, koud en uiterst totalitair (zeep gebruiken was uit den boze, want burgerlijk). Er zijn heel wat voetstappen gezet in demonstraties voor welk goed doel dan ook (hoewel ik nog steeds achter de uitgangspunten van mijn allereerste demonstratie sta, het behoud van de kinderboerderij). Affiches en stickers plakken, Zuid-Afrikaanse straatnamen hernoemen met zelfgemaakte borden, en vooral continu opzoek naar fascistische tendensen in de samenleving. En fascisme was voor ons een héél breed begrip. Ik herinner me nog het schema op A1-formaat met alle verbindingen en dwarsverbanden van wat wij extreemrechtse organisaties en personen vonden. Ter illustratie: de EO stond, naast Janmaat en Glimmerveen, in dat schema… Kortom, het fascisme was overal.

Tot die avond toen de VPRO nota bene, het lange interview van Wim Kayzer met Roger Scruton uitzond. Een revelatie in de ware zin van het woord! Eindelijk een persoon die precies verwoordde wat ik al lang dacht, maar niet kon – en durfde! – verwoorden. En ook nog iemand met goede manieren. Het begin van een politieke bekering, die liep via de Edmund Burkestichting – ik was aanwezig op de oprichtingsbijeenkomst – en Catholica tot het conservatief-reactionaire denken van Sezession. Maar echt afscheid nemen van het (radicaal) linkse denken was niet aan de orde. Gebrek aan durf, lafheid? Of simpelweg “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”? Want dat linkse denken, na decennia ondergedompeld te zijn, valt niet een-twee-drie uit te roeien. Het rode monster laat zich niet zo gemakkelijk verslaan. Het is hardnekkiger (en minder fraai) dan Zevenblad.

“I fought with my twin, that enemy within”, zingt Bob Dylan. Links denken betekent een hersenspoeling. Dat moet ook wel, want de common sense van ieder mens weet van nature dat wat links wil, niet kan. En toch gebeurt het. De vlotte pen bood nog steeds zijn diensten aan. De fascisme-radar werd (tot voor kort) niet buiten werking gesteld. En dat resulteerde in artikelen waarin bepaalde katholieke organisaties (Civitas) ontleed en op de korrel werden genomen. Maar ook rechtse politici en opiniemakers (Baudet en Prosman) werden aan een genadeloze analyse op papier onderworpen. Paranoia alom.

Terugblikkend is het lastig om een verklaring te geven. Het eerder genoemde ressentiment speelt zeker een rol. Naast een zucht naar erkenning. En geestelijke luiheid, want een eenmaal getrokken spoor verlaten is hard werken. De sentimentaliteit – de bron waar alles begon – valt ook niet te onderschatten. Het is een bizarre paradox: (radicaal) links is keihard, maar het leeft van zieligheid: zielig diertje, zielige vluchteling, zielige homo, etc. De ‘bruikbare idioten’ (Vladimir Lenin) vallen massaal voor die paradox. Vanuit het (res)sentiment – en misplaatste loyaliteit – andersdenkenden genadeloos aanpakken. Het ontbreekt links inderdaad aan goede manieren.

Goede manieren houdt ook ‘rekenschap geven van’ in. Bij deze de op schrift en aan het publiek gestelde werdegang. Ik wil namelijk eindelijk weer eens goed slapen.


* De typering is uiteraard niet correct en heeft in deze beschouwing ook een geheel andere betekenis dan Ter Braak bedoelde. Want voor de echte dominees licht ik mijn hoed met diep respect.

Posted on

Wat Hubert Smeets niet snapt over ’68 en cultuurmarxisme

1968, dit jaar 50 jaar geleden. De eerste herdenkingsnummers liggen al in de winkel. Hubert Smeets, Oost-Europa expert en columnist van NRC Handelsblad, doet op een van de eerste dagen van dit jubileumjaar in zijn krant ook een duit in het zakje. Zijn insteek is niet de opstandige minderheid van studenten die in dat jaar de straten en universiteiten van een groot aantal westerse steden bezette, maar het ‘cultuur-marxisme’. Volgens de oud-correspondent maken “nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika” een fout door de geest van ’68 te zien als “als bron van al het kwaad dat ons teistert”. 1968 was juist “een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme ten onder zou gaan”.

Smeets maakt niet alleen een karikatuur van het begrip ‘cultuur-marxisme’, hij laat ook zien dat hij er niets van heeft begrepen. De voorbeelden die hij noemt – Dubcek in Tsjechoslowakije, Michnik in Polen en Sacharov in de Sovjetunie – zijn volstrekt willekeurig. Want 1968 was ook het jaar van het Tet-offensief in Vietnam, waarmee de communisten in Hanoi lieten zien dat ze nog lang niet verslagen waren. 1968 was ook het jaar waarin Mao Zedong, dankzij de Culturele Revolutie die hij twee jaar eerder had uitgeroepen, zijn macht over de Communistische Partij versterkte. 1968 tenslotte was ook het jaar waarin de Khmer Rouge, een tot dan toe onbekende illegale beweging, voor het eerst een landelijke opstand in Cambodja ontketende. Maar deze gebeurtenissen verdonkeremaant Smeets, omdat ze niet in zijn kraam te pas komen. Iets wat hij de critici van de geest van ’68 juist verwijt.

Want voor die critici, die het begrip ‘cultuur-marxisme’ hebben gemunt, is het jaartal 1968 slechts een symbool. De geest van ’68 mag dan wel in dat jaar met veel rumoer van zich laten horen, de geestelijke wortels van de studentenbeweging reiken veel dieper in de geschiedenis. Historici van het beruchte decennium noemen daarvoor een instituut, de Frankfurter Schule. Deze groep van Duitse sociologen en filosofen begon voor de Tweede Wereldoorlog vanuit een marxistische visie kritiek te leveren op maatschappelijke structuren. Na hun vlucht naar de Verenigde Staten na de machtsovername van Hitler cs. vonden de ideeën van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Fromm steeds meer ingang op de Amerikaanse universiteiten. Hun boeken gingen in de jaren zestig van hand tot hand.

De kritiek op de soixant-huitards – getypeerd als ‘cultuur-marxisme’ – richt zich niet op de voormalige socialistische heilstaten in het oosten. De kritiek richt zich op de macht van de babyboomers in de media en het onderwijs in westerse landen. In het Oostblok heeft de bevolking zich op eigen kracht vrijgevochten van het communistische juk. In het Westen heeft het (cultuur)marxisme tot in de diepste poriën van de samenleving haar invloed doen gelden (een overwinning waar de communistische machthebbers van toen alleen maar over konden dromen). En de ironie, die Smeets ook niet noemt, is dat de voormalige Oostbloklanden politiek gezien duidelijk afstand nemen van de ‘cultuur-marxistische’ verworvenheden, terwijl de met Mao-vlaggen zwaaiende en met Che Guevara-buttons getooide vertegenwoordigers van de generatie van 1968 vijf decennia lang hun invloed uit konden oefenen in de westerse samenlevingen. Op dat laatste richt de conservatieve kritiek anno 2018 zich.

Posted on

Metro 2033 – Een dystopische toekomst met kenmerken van het Russische verleden

In 2002 verscheen op de website van Dmitry Glukhovsky het boek Metro 2033 in delen online. Het boek was volledig gratis te lezen, en is dat in het Russisch nog steeds. De spelontwikkelaars 4A Games maakten er een succesvolle tweedelige spellenreeks van (Metro 2033 en Metro: Last Light). Naar aanleiding van deze spellen werd het boek in het Engels vertaald, waardoor het beschikbaar werd voor de niet-Russischtaligen onder ons. Voor velen in het Westen geeft het een inzicht in de Russische psyche en visie op mens en maatschappij.

Het boek speelt zich af in het jaar 2033, zoals de titel al aangeeft, en is een dystopische roman. Vaak kan men via utopieën en dystopiëen een inzicht krijgen in het tijdperk waarin ze geschreven zijn. In de Angelsaksische wereld is uit het Warhammer 40 K universum de term “grimdark” ontstaan om de dystopieën te beschrijven die zodanig grimmig en duister zijn dat er een nieuwe samengestelde term voor nodig was. Om Metro 2033 ten volle te begrijpen, kan het echter geen kwaad om de Russische geschiedenis en cultuur al wat te kennen. Rusland heeft vele totalitaire onderdrukkingen en bijna-vernietigingen gekend. Gaande van het Mongoolse juk en Timoer Lenk die op het punt stond Moskou te vernietigen tot het verstikkende etatisme van Brezjnev e.d. Daarnaast kenden ze ook periodes van complete chaos waarin het leek alsof Rusland verzwolgen zou worden door de krachten die het land verscheurden. Denk daarbij aan de Tijd der Troebelen, de Russische Burgeroorlog,  de vervolging der oudgelovigen, etc. De voetafdrukken van die elementen zijn duidelijk terug te vinden in Metro 2033.

Het is geen pretje in het Rusland van 2033. Twintig jaar voor aanvang van het boek, in 2013, vond een kernoorlog plaats die de beschaving wegvaagde. Althans, dat is toch blijkbaar het geval. De mensheid in Moskou vluchtte ondergronds in de metro om te overleven. Meerdere metrostations werden omgebouwd in sloppenwijken van enkele verdiepingen hoog waar mensen proberen te overleven. Het basisvoedsel is champignons geworden aangezien die nog kunnen gedijen in de duisternis van de Moskovische metro. Tussen de metrostations lopen er handelsroutes over de sporen, die in variërende staat zijn. De rijke stations hebben vaak toegang tot routes die volledig met trolleys afgelegd kunnen worden, andere gebieden moeten te voet bezocht worden.

Metro 2033 volgt de belevenissen van Artyom, geboren in 2013 in een Russisch metrostation. Een horde agressieve, gemuteerde ratten vielen het station aan en doodden iedereen. Artyom overleefde enkel doordat een Russische militair, Sukhoi, hem kon redden en meebracht naar het station VDNKh, waar de roman begint. De duisternis die vanaf het begin de protagonist en zijn omgeving omringt, is tastbaar. Er is geen vreugde in het leven, enkel een grote zwaarmoedigheid die de overlevenden allen torsen. Levensplezier is goedkope sigaretten roken en een vieze alcoholische drank naar binnen gieten terwijl men op wacht staat aan de ingang van het station. De enige verlichting daar een brandende ton. Gemuteerde of gewone hongerige, wilde dieren proberen regelmatig de verdediging van stations te testen. Er zijn verhalen over mutanten die vanaf de oppervlakte zouden proberen de metro binnen te dringen. Verhalen over karavanen die verdwijnen in de onmetelijke tunnels zijn legio. Af en toe verdwijnt alle communicatie met sommige stations, die daarna vernietigd of verlaten blijken te zijn (bijv. Smolenskaya). Kortom: meer dan overleven zit er niet in voor Artyom en zijn lotgenoten.

Er volgt een avontuur door de tunnels dat tevens een reis is door de Russische geschiedenis en psyche. In de centrale ring die de Moskouse metrolijnen met elkaar verbindt, hebben de stations een confederatie gevormd die ze de Hansa noemen. Dit zijn de rijkste stations aangezien zij de handelslijnen tussen de meeste stations controleren. Zij zijn de rijksten en de enige met uitgebreide toegang tot licht en stromend water. Hun bestuur is nog het meest democratische van al de stations, maar is ook duidelijk oligarchisch. In tegenstelling tot andere politea in de Moskovische metro, hebben zij geen andere idealen dan rijkdom vergaren. Men ziet hierin de hedendaagse oligarchen die weinig gaven om de rest van Rusland en die qua idealen flexibel genoeg waren om met alles en iedereen te handelen om zo, zonder scrupules, hun eigen luxe te veilig te stellen. Waarbij zij blind waren, of arrogant, om de gevolgen van zo’n houding in te zien. Tevens ziet men hierin de Republiek Novgorod die destijds met Moskovië streed om het primaat in Rusland, en indirect ook de mal waarin de Russische ziel zou gegoten worden. Het absolutisme van Moskovië won van het westers gerichte handelsimperium van Novgorod, dat overigens nooit het Mongoolse juk kende zoals Moskovië.

Men ziet hierin een visie die bij veel Russen is terug te vinden: het plaats geven van het lijden van de mens. Wie geen juk gekend heeft en geen kruis gedragen, zal worden gecorrumpeerd door luxe en de valse beloften van vrijheid (democratie de facto gecontroleerd door oligarchie). Om uiteindelijk ten val gebracht te worden door hen waarmee je handel hebt gedreven.

Daarnaast heb je ook de Rode Lijn en het Vierde Rijk.  Zij vormen de uitersten in de Russische politieke geschiedenis. Zij zijn beide spiegels van elkaar. Het zijn totalitaire systemen waarbij de partijlijn alles bepaalt. Met als verschil dat de auteur, vanuit de Russische historische ervaringen, het communistische gedeelte ziet als dan wel enorm machtig, maar log en inefficiënt, maar het Vierde Rijk bekijkt door de Russische bril. De “fascisten” van het Vierde Rijk, een term die in Rusland een andere connotatie heeft dan in het Westen, zijn tevens een totalitaire entiteit, maar bijna anarchistisch in hun daden. Ze volgen een Führer-figuur, maar al hun acties lijken volledig op impuls te zijn gedreven. Aleksander Doegin schrijft over deze visie op communisme en fascisme in “De Vierde Politieke Theorie”. Hij stelt dat het communisme is gestorven als een oude man, ingestort door een opeenstapeling van gebreken inherent aan het systeem. Dit in tegenstelling tot het fascisme, dat volgens Doegin in zijn wilde jonge jaren ten onder is gegaan, Europa meetrekkende, in een explosie van energetisch, door technologische vooruitgang gedreven, geweld dat men tevens in het futurisme al zag. Het totalitarisme van de Rode Lijn wordt in het boek dan ook eerder afgedaan met een houding “Uiteraard zijn ze totalitair, het zijn de Sovjets van Stalin” terwijl het Vierde Rijk meer als een karikatuur bestaande uit impulsieve beestmensen wordt bekeken.

Daarnaast heeft men ook nog de Revolutionairen. Zij drijven handel met de Rode Lijn en voeren oorlog met het Vierde Rijk. Zij zitten meer op de lijn van Che Guevara en zijn een spiegel van Sovjet-bondgenoten als Cuba. Revolutionair, vol met communistisch vuur om de wereld rood te kleuren en bewapend door de Sovjets, maar tevens onvoorspelbaar en eerder anarchistisch ingesteld. Je voelt aan dat het enige dat de beiden verbindt de dreiging van het Vierde Rijk is, maar dat de Rode Lijn uiteindelijk wel orde wenst op te bouwen in tegenstelling tot het dromerige utopisme van de Revolutionairen.

Daarmee is de Russische politieke geschiedenis voor een aanzienlijk deel neergezet (je hebt ook nog de intelligentsia van het universiteitsdistrict e.d.), maar er is ook tegen het einde een interessante uitstap naar de spirituele wereld van de Russen. Met de instorting van de beschaving is de Russische Orthodoxe Kerk qua structuren volledig weggeblazen. In het boek wordt duidelijk gemaakt dat op religieus vlak enkel de volledig gekken de overhand hebben. En wie is voor de Russen vaak hét toonbeeld van religieuze onzin en gekheid (en uiteraard met het westen verbonden)? De Jehova’s Getuigen. Zij komen voor in een vorm waarbij zij een mengeling vormen van de Jehova’s Getuigen met hun bizarre geloofsbeginselen, het fanatisme van de Oud-Gelovigen en de bizarre verhalen die soms opduiken in de Russische geschiedenis over gesloten religieuze gemeenschappen en hun rare rituelen. Denk bij dat laatste dan vooral aan de Chlysten van de 17de eeuw. Ook dwalen in de tunnels gemeenschappen van satanisten rond. Zij zijn een mengeling van de karikatuur van satanisten en vampiers. De satanisten ontvoeren mensen om hen als slaven te laten werken in een groot graafproject om zo de hel te kunnen bereiken. Verder wordt niet ingegaan op deze satanisten, maar zij vormen een zoveelste toevoeging aan het idee dat voor sommige mensen het lijden pas genoeg zal zijn wanneer ze de hel zelf hebben kunnen bereiken.

Deze spirituele uithoek van het verhaal vindt zijn hoogtepunt in Artyom die denkt een gigantische tunnelworm te zien die voorbij raast, meerdere meters breed en tientallen meters lang. Zelf stelt hij zich vragen of hij het nu gezien heeft of niet waarbij hij zich duidelijk afvraagt in wat voor compleet absurde situatie hij terecht is gekomen. De wereld was gek geworden, heeft zichzelf vernietigd, maar het enige dat eruit is voortgekomen, lijkt wel te zijn dat de mens besluit om het allemaal nog eens op kleinere schaal over te doen.

Een uitstekend boek dus waarin de protagonist meerdere keren reisgenoten kwijtraakt. Niet is immers definitief, behalve het verval van de mens en het lijden en juk dat daaruit volgt. Een aanrader voor iedereen die eens een “goede” dystopie wenst te lezen die evenveel zegt over een mogelijke toekomst als over het verleden. Wie de Russische geschiedenis en mentaliteit al kent, zal veel rode draden zien.

Posted on

Noriega: van CIA-stroman tot Amerikaans gevangene

Manuel Noriega is niet meer. De ex-dictator van Panama overleed op 29 mei op 83-jarige leeftijd. Vorig jaar ontdekten artsen een hersentumor. In maart werd Noriega geopereerd en in een kunstmatige coma gebracht, waaruit hij niet meer is ontwaakt.

“Voor Saddam Hoessein was er Manuel Noriega”, schrijft The Guardian. De politieke carrière van de Panamese dictator vertoont grote overeenkomsten met die van de Irakese heerser. Alleen hun einde is anders: de een opgehangen, de ander overleden in een bed. Maar beiden genoten lang de steun van de Verenigde Staten. Totdat ze zich tegen hun beschermer keerden, die vervolgens met militaire overmacht een einde aan hun bewind maakte.

Tijdens zijn militaire studie in Peru in de jaren vijftig werkte Noriega al voor de CIA. In 1967 kreeg hij een spionage- en contra-spionage training op de beruchte School of the Americas in Fort Gulick, Panama, en een cursus psychologische oorlogsvoering in Fort Bragg in North-Carolina, de grootste militaire basis van de wereld (en in de jaren tachtig het centrum van waaruit de militaire interventies in Midden-Amerika plaatsvonden). In 1968 pleegde kolonel Omar Torrijos in Panama een militaire coup. Onder zijn bewind maakte Noriega snel carrière. Torrijos kwam in 1981 om het leven bij een mysterieus vliegtuigongeluk. Volgens John Perkins, voormalig NSA-agent en auteur van Confessions of an economic hitman, een actie van de CIA. De geheime dienst zag met lede ogen aan dat Torrijos contact zocht met Japan voor een nieuw te graven kanaal door Panama.

Luitenant-generaal Tom Kelly, plv. chef-staf van het Amerikaanse leger, legt tijdens een persconferentie op 21 december 1989 uit wanneer men het Panamakanaal weer open denkt te kunnen hebben.

Na de dood van Torijos werd Manuel Noriega de facto leider van Panama. In 1983 promoveerde hij zichzelf tot generaal. De machthebbers in Washington en Langley konden de nieuwe leider goed gebruiken. In 1979 verdreven de linkse Sandinista’s de Amerikaanse stroman Somoza, wiens familie vanaf 1927 Nicaragua had geregeerd. De Amerikanen bekeken het nieuwe bewind in Managua met argusogen. Dankzij de decennia oude CIA-contacten van Noriega kon de CIA Panama gebruiken als uitvalsbasis om het linkse regime in Nicaragua te ondermijnen. Lang voor de publicatie van de Panama Papers werd het land al gebruikt als doorvoerhaven voor geld, drugs en militaire goederen voor de Contra’s, die door de Verenigde Staten werden gesteund om het bewind in Managua ten val te brengen.

Noriega valt in ongenade bij Amerikaanse broodheren

Eind jaren tachtig viel Noriega in ongenade bij zijn Amerikaanse broodheren. In de jaren zeventig was de Panamese dictator begonnen met het leggen van contacten met het Colombiaanse Medellín drugskartel. Deze gebruikte Panama om hun drugsgeld wit te wassen. Een federale rechtbank in Florida klaagde de Panamese dictator aan op grond van drugshandel en afpersing. De CIA haalde Noriega van de loonlijst.

Amerikaanse militairen rijden in pantservoertuigen door Panama-stad op 23 december 1989, de vierde dag van de Amerikaanse inval. Bij de aanval kwamen honderden burgers om het leven en werden 15.000 mensen dakloos.

Een serie van incidenten, die uiteindelijk leidde tot de dood van een Amerikaanse soldaat, was de aanleiding voor de regering van George H. Bush om militair in Panama in te grijpen. Op 20 december 1989 vielen Amerikaanse troepen – vooral militairen uit Fort Bragg – het land binnen. Op 3 januari 1990 gaf Noriega, die zich had verscholen in de diplomatieke missie van het Vaticaan, over. Hij werd als krijgsgevangene naar de Verenigde Staten overgebracht. In september 1992 werd hij in Miami veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar (later omgezet tot 30 jaar). De claim van verdediging dat Noriega jarenlang op de loonlijst van de CIA had gestaan, werd als irrelevant afgewezen. Gevangene nummer 38699-079 werd in 2010 uitgeleverd aan Frankrijk, waar hij werd veroordeeld voor witwassen van drugsgeld. In 2011 werd hij op verzoek van de Panamese regering overgebracht naar de El Renacer-gevangenis in Panama.

Oude bekende van Bush

Manuel Noriega op bezoek bij George H.W. Bush

De relatie tussen Noriega en de CIA, en dan specifiek die met directeur George H. Bush, is intrigerend. Noriega had als student al contacten met de Amerikaanse veiligheidsdienst. Tussen 1971 en 1986 leverde hij de CIA informatie over Fidel Castro. In 1976 bezocht hij George Bush in Washington.

De opvolger van Bush als hoofd van de CIA haalde Noriega van de loonlijst, maar toen George H. in 1980 vice-president werd, ontving de Panamese dictator al snel weer een riant salaris van de CIA. De contacten tussen Bush en Noriega stammen al uit een eerdere periode. George Herbert Walker Bush richtte in 1953 Zapata Petroleum in Texas op. Een onderdeel van het bedrijf werd als CIA-front gebruikt. Van hier uit werden contacten gelegd met een zekere Manuel Noriega, drugssmokkelaar en CIA-medewerker.

In 1976 zorgde Bush, als CIA-directeur, ervoor dat de Cubaan Felix Rodriguez buiten schot blijft in het onderzoek naar de moord in Washington op een Chileense, pro-Allende diplomaat. Rodriguez, die claimde Che Guevara te hebben vermoord, was daarvoor ook actief binnen Operatie Phoenix, waarin onder auspiciën van de CIA tonnen heroïne Zuid-Oost Azië binnen werden gesmokkeld om het Noord-Vietnamese bevrijdingsleger te destabiliseren.

Hetzelfde scenario werd in de jaren tachtig uitgevoerd in de oorlog tegen de Sandinisten in Nicaragua: importeren van drugs in ruil tegen wapens om die door te verkopen aan rebellen. Wederom met Rodriguez als spil en vice-president Bush op de achtergrond (twee jaar voordat Oliver North in 1984 de operatie overnam). Generaal Noriega was maar graag bereid zijn oude vrienden te helpen en stelde vliegvelden open voor het transport van drugs en wapens. Saillant detail: Noriega werd gevraagd dit te doen door agenten van de Mossad, de Israëlische veiligheidsdienst, die hem toegang tot het Witte Huis – lees George H.W. Bush – beloofden. Wellicht grootspraak van een dictator in het nauw, maar Noriega claimde dat hij “Bush bij zijn ballen had”. Reden genoeg om in 1989 eens en voor altijd af te rekenen met de onbetrouwbare Panamese leider, die de clandestiene drugsoperaties steeds vaker voor eigen gewin ging gebruiken. Het was Noriega’s oude vriend Bush die hem afzette en gevangen liet nemen.

In het wereldbeeld van de CIA zijn dictators nuttige idioten die braaf hun vuile werk moeten doen. Worden ze ongehoorzaam of gaan ze op eigen houtje zaken regelen, dan is Washington er snel bij om zich van hen te ontdoen. Dat overkwam al vele dictators, zoals Ngo Dinh Diem, Saddam Hoessein of Bashar al-Assad. En dus ook ‘Our man in Panama’, Manuel Noriega.

Posted on

Obama’s nieuwe Cuba-koers kan op verzet in Congres rekenen

Op 14 augustus aanstaande zal de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry in de Cubaanse hoofdstad Havana de Amerikaanse vlag hijsen. De reeds aanwezige vertegenwoordiging van de Verenigde Staten wordt dan omgedoopt tot ambassade. In Washington wappert al sinds medio juli weer de Cubaanse vlag voor de nieuwe ambassade.

Voor Fidel Castro die één dag eerder zijn 89e verjaardag zal vieren, is het een mooi verjaardagscadeau. In propagandistisch gezien kan men zeggen dat Fidel en zijn broer Raúl, die hem in 2008 opvolgde als president, langere adem hadden dan de VS. Het Amerikaanse beleid om Cuba te isoleren, waarbij ook de Europese Unie zich vanaf 2003 bij aangesloten heeft, heeft gefaald, zo moest de Amerikaanse president Barack Obama toegeven. Daar had zelfs de grijze revolutionair niet meer mee gerekend.

Zonder politieke toegevingen te moeten doen, werd Cuba van de lijst van schurkenstaten gehaald en geldt daarmee weer als gelijkwaardige onderhandelingspartner. Dit ongeacht het feit dat er nog altijd sprake is van mensenrechtenschendingen, er slechts één partij is toegelaten – de communistische, en dat het hervormingsbeleid van Raúl Castro slechts vooruit kruipt. Dit alles wordt echter overstemd door de terechte eis van de Cubanen dat de Amerikanen zich nu eindelijk terugtrekken uit de Guantánomobaai, waar ze nog altijd een militair steunpunt hebben.

Het herstel van de diplomatieke betrekkingen is slechts een eerste stap op een ingewikkelde weg naar normalisering. Het economische embargo blijft bestaan. De blokkadepolitiek tegen Cuba is in de afgelopen decennia herhaaldelijk verscherpt en is zo uitgegroeid tot een oerwoud aan wetgeving, die niet eenvoudig op te heffen is, maar slechts met veel moeite ontvlochten kan worden. Probleem is echter dat daarvoor momenteel geen meerderheden bestaan in de beide huizen van het Amerikaanse Congres, waar Obama’s nieuwe koers niet alleen door de Republikeinse oppositie sterk bekritiseert wordt.

De regering Castro wat tot nu toe altijd gewiekst genoeg, om in de wereldpolitiek wisselende bondgenootschappen te benutten, om steeds nieuwe blokkadebrekers te vinden. Zo investeert China veel op het eiland, heeft Brazilië de nieuwe diepzeehaven bij Havana gefinancierd en is Total na het bezoek van de Franse president Hollande de aardolieboringen gegund. Ook Canada, Spanje en zelfs Israël bemoeien zich al. Alleen de firma’s uit het nabijgelegen Amerika blijven buiten.

Dat de Cubanen, in hoge mate van de rest van de wereld geïsoleerd, op de socialistische propaganda zijn aangewezen, heeft eveneens zijn oorzaak in het embargobeleid: Deze verhinderd dat moderne communicatietechnologieën in Cuba breed ingang vinden. Normale Cubanen kunnen zich bijvoorbeeld geen toegang tot het internet verschaffen.

Wat doorslaggevend zou kunnen zijn voor de verdere ontwikkeling van Cuba, is verdere vereenvoudiging van de reismogelijkheden voor de circa 2 miljoen Cubanen die in de VS wonen. De voor de revolutie van de rebellen van Castro en Che Guevara gevluchte Cubanen en hun nakomelingen hebben er belang bij in hun oude vaderland mee te wegen en hun familie daar te ondersteunen bij de opbouw van een nieuw bestaan. Als de VS hun beperkingen voor private geldtransacties naar Cuba opheft en de regering Castro investeringsbeschermingswetgeving instelt, zou de door de revolutie onteigende en verdreven middenstand zich opnieuw kunnen vestigen. Ambachtslieden en kleine ondernemers zouden de basis kunnen zijn voor het economisch weer gezond worden van een land dat in bijna zestig jaren socialisme vooral achteruitgeboerd heeft.