Posted on

Woede – een gevolg van angst?

Laatst werd in een artikel in het RD een uitspraak aangehaald van Beatrice de Graaf, professor en specialiste in het terrorisme. Tijdens een debat met Adriaan van Dis in de Jacobikerk te Utrecht zou ze hebben opgemerkt dat woede voortkomt uit angst. De uitspraak had blijkbaar indruk gemaakt – ze werd gebruikt als titel. Gegeven haar christelijke achtergrond, is het vreemd als ze deze uitspraak inderdaad gedaan heeft. Wellicht heeft de verslaggever iets niet goed begrepen of uit het verband gerukt.

Woede is geen dierlijke instinctieve reactie op gevaar en geen uiting van een pathologische angst voor een niet werkelijk bestaande bedreiging. Met andere woorden, het is geen gevolg van angst. Woede is een rationele reactie op een duidelijk onrecht, waar bovendien anderen geen of onvoldoende aandacht voor hebben. Woede trekt aandacht en wil onrecht bestrijden. De mens heeft het recht om tegenover veronachtzaamd onrecht woedend te zijn, of eigenlijk: hij heeft de plicht.

Over woede is door denkers in de klassieke oudheid en door christelijke schrijvers veel nagedacht. Het verband tussen verstand, emoties en moreel handelen heeft altijd gefascineerd. Woede is binnen het driftleven van de mens de extreme tegenpool van begeerte. Immers, begeerte kan ontaarden in een dwang om egocentrische lusten te bevredigen, terwijl woede kan verworden tot zelfdestructieve agressie. Overigens, die twee extremen versterken elkaar; overgevoelige sentimentaliteit en erotiek gaan vaak samen met wreedheid en gewelddadige tirannie.

De relatie tussen de rede en het driftleven is belangrijk, met name tussen de rede en de woede. De rede moet begeerten beheersen, die voortkomen uit de lichamelijke natuur van de mens, oftewel uit ‘het vlees’. Maar de woede komt voort uit de rede zélf, ze hoort bij een rationele conclusie, terwijl vervolgens de rede de uitingen van woede niet alleen moet controleren, maar ook moet richten. Met name Romeinse stoïcijnen en Roomse scholastieken hebben uitgebreid hierover nagedacht. Met name binnen het christendom raakt dit onderwerp ook de discussie over de rechtvaardige oorlog en de doodstraf.

Woede als zodanig is in eerste instantie geen object van politiek, maar van het persoonlijke morele leven en de vorming van een mens tot een verantwoordelijk handelend individu. Opvoeding is nodig voor een mens om rekenschap te kunnen afleggen voor zijn woorden en daden. Verstandelijke vorming én lichamelijke training zijn nodig om tot adequate en doeltreffende uitingen van woede te komen. Zelfbeheersing én doortastendheid moeten worden aangeleerd om de ‘juiste’ oftewel redelijke woede te doen ontstaan, proportioneel te houden en tot voltooiing te brengen.

Door haar nauwe band met de rede is de woede een toetssteen van de menselijke waardigheid. De woede kan een ultieme test zijn voor het natuurlijke vermogen van de mens om rekenschap af te leggen voor zijn daden. Woede roept ter verantwoording en is tegelijkertijd een antwoord. Ze getuigt van de waardigheid van de menselijke persoon en openbaart de noodzaak om rekenschap af te leggen, eventueel met inzet van eigen leven. Woede verwijst daarmee naar de onvermijdelijke en onontkoombare waarheden van het bestaan, die niet ontkend kunnen worden. Ze is de meest ‘transcendente’ drift.

Zo is te verklaren waarom de Kerk door de eeuwen heen nooit heeft willen ontkennen dat doodstraf de ziel tot het besef en de aanvaarding kan brengen dat ze rekenschap moet afleggen en de doodstraf kan ondergaan om haar waardigheid te herstellen. Dit standpunt komt dus voort uit de onverwoestbaarheid van de menselijke waardigheid, niet uit het ontkennen of uit de teloorgang daarvan (zoals de nieuwe versie van artikel 266 van de Katechismus van de Katholieke Kerk ten onrechte suggereert). Verder kan men ook inzien dat de uitspraak ‘religie is een oorzaak van oorlog’ niet klopt. Het is precies andersom: oorlog en collectieve oncontroleerbare uitingen van agressie hebben door de eeuwen heen vele zielen tot rede en religie gebracht. Oorlog is een oorzaak van religie. Juist in de areligieuze of antireligieuze conflicten van de laatste twee revolutionaire eeuwen, die miljoenen levens hebben geëist, bestaan veel voorbeelden van dit opmerkelijke verschijnsel.

Tenzij we aan de term een geheel andere betekenis geven, is het niet moeilijk in te zien dat woede in het geheel niet uit angst voortkomt. Angst en bangheid kunnen wel leiden tot tegennatuurlijke  irrationele karikaturen van woede, zoals agressie en vooral wreedheid. Ook onverschilligheid kan een verdekte vorm van angst zijn, een ultieme uiting van lafheid.

De stelling, dat woede een gevolg is van angst, kenmerkt een gedachtegoed dat zijn eigen uitgangspunten en hypotheses niet onderkent, oftewel een gesloten principeloos ‘paradigma’. Terwijl echte wetenschap altijd zijn eigen principes kritisch onderzoekt en toetst, en wijsheid altijd blijft vragen naar de ultieme zin van menselijk leven en sterven, doen en laten, en zelfs weten en niet weten, produceert een paradigma een totaal en volledig ideologisch geheel van conclusies die vaak verwarrend zijn en strijdig met elkaar. Om de chaos te vermijden en een eenheid te creëren moet dan dwang worden gebruikt – met name bureaucratische, immers het geschreven woord lijkt waarheden definitief en onomkeerbaar te maken, ook al zijn het leugens of absurditeiten.

Binnen het paradigma waarin woede uit angst voortkomt en niet uit de rede, is woede eerst een zonde, een verzet tegen de massa en de waarheid – een onrecht dat bestreden moet worden omdat ze het paradigma bedreigt. Dit vormde de basis van de totalitaire nationaalsocialistische (nazi-) staat en multinationale socialistische (sovjet-) staten van de 20e eeuw, die beide ontstonden als synthese, nadat als these en antithese het nationalisme en het internationale socialisme in de Eerste Wereldoorlog hun verleidelijkheid hadden verloren. Na de Tweede Wereldoorlog en de ineenstorting van het multinationale socialisme veertig jaar daarna was woede ineens geen schadelijke zonde meer, maar een zielige ziekte, een fobie.

Inderdaad, in het huidige ‘postideologische’ paradigma is woede en daarna de rede zélf een gebrek of een aandoening geworden. Ze moeten niet bestreden, maar genezen worden. De valse rechtvaardigheid heeft plaatsgemaakt voor een geperverteerde vorm van barmhartigheid. Alles wat aanspraak maakt op rationele argumenten mag worden vergeven en worden betiteld als fobie. Objectiviteit wordt als een kwetsende maar gelukkig geneesbare vorm van intolerantie beschouwd. Verantwoordelijkheid is dan irrelevant, volwassenheid en zelfstandigheid worden onnozele ideeën van een onvolwassen mensheid, of eventueel onnavolgbare idealen uit een mythisch verleden. Niemand hoeft nog volwassen te worden. De wereld wordt een universele buik waaruit niemand geboren hoeft te worden. Mensen verblijven en moeten blijven in een eeuwige kleuterschool, zonder fysiek geweld, maar bijeengehouden door een psychologische dwangmatigheid van commerciële verleidingen en ideologische indoctrinatie. Nog nooit in haar geschiedenis heeft de mensheid over middelen beschikt om zich in een dergelijke machtsstructuur op te sluiten. Het is nauwelijks mogelijk in deze tirannie een verworden patriarchaat te herkennen. De term matriarchaat lijkt me meer op z’n plaats.

Posted on

Waarom zijn koeien ‘milieuramp’, maar biobrandstoffen niet?

De overheid kent aan veehouderij een CO2-last toe voor landgebruik, bijvoorbeeld voor teelt van het voer dat koeien gebruiken en bemesting. Terwijl de overheid voor de teelt van biobrandstof nul CO2-emissies rekent.  Dat is meten met twee klimaten.

Uit activisten-rapport van de overheid (Ministeries VROM/LNV) en semi-overheid, (milieuclubs en Wageningen UR) CO2-labeling van voeding (2008): de vooringenomenheid spat van de pagina’s

Want of je nu koolzaad voor veevoer teelt of voor biodiesel, dat maakt voor het landgebruik en (kunst)mestgebruik niet uit. Zo krijgt veehouderij in media en overheidsvoorlichting wel milieulast toebedeeld per kg product (melk en vlees) versmald tot CO2-equivalenten. Maar biobrandstof niet, een liter biodiesel verbranden zou 0 CO2-emissie geven, de emissies uit teelt tellen niet mee.

Oormerken sinds EU-regulering 1997: waarom zou een koe bij een boer een CO2-emitter zijn….

Bij gelijke toerekening van CO2-equivalenten aan de energie-sector en de veehouderij, dus bij gelijke behandeling, zou bijvoorbeeld biodiesel niet meer als 0-emissie-energie per liter mogen gelden. Aan landbouw toegekende emissies, dienen dan op het conto van de energie-sector verrekend.

In dat geval zou het gehele duurzame energie-beleid op de helling kunnen. Omdat de overheid 50 procent van haar ‘groene’ doelen dekt met vele hectares biomassa. Wanneer de overheid die verrekening niet wil maken, dan dient de veehouderij een aanmerkelijke mindering toebedeeld te krijgen voor haar CO2-zonden.

…maar vee op zogenaamd ‘natuurterrein niet?

Feedprint en Agrifootprint
Bij het vaststellen van ‘duurzaamheid’-doelen voor de veehouderij in 2017 zien we hoe een CO2-uitstoot per kilo eiwit is berekend. Dat gebeurde op basis van de Feedprint-methode van Wageningen UR en Hans Blonk Consulting en diverse versies van de Agrifootprint van Blonk. Een milieudoel in de ‘Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij 1.0’ van overheid en veehouderij zou dan zijn om die waarde van CO2/kg product verder omlaag te krijgen.

Die Feedprint-methode, kent een CO2-waarde van 1080 kg per hectare toe aan de teelt van veevoer-gewassen, vanwege Land Use Change (LUC). Dat is een eigen gekozen gemiddelde van emissie-waarden in de literatuur. Wanneer je natuur in landbouwgrond omzet, zou je op landbouwgrond meer CO2-emissies veroorzaken dan in een ‘natuurlijke’ situatie. Dat is LUC.

Via complex verpakte berekeningen, vertalen ze CO2-strafpunten uit LUC dan naar CO2/kg melk of vlees. Zo zien we dat ze voor de teelt van koolzaad voor veevoer op 1 kg CO2 per kilo (Duits) koolzaad komen.

HOE slecht is vlees….De Staatsomroep krijgt honderden milijoenen euro’s voor globalistische agit-prop

Echter, als de emissie-waarden van Blonk, Wageningen UR en RIVM kloppen, dan moet je die LUC- ‘klimaatstrafpunten’ ook toekennen aan koolzaad dat je als biobrandstof teelt. Die hectares zijn evengoed aan de natuur onttrokken, volgens die zelfde redenatie. En dus moet je die CO2-emissie ook toerekenen aan biodiesel. In dat geval kom je niet op 0 CO2-emissie per liter biodiesel, maar al ongeveer 1 kg CO2 per liter.

En daar blijft het niet bij, zoals we zo dadelijk zien. Er zijn nog meer emissie-equivalenten die men de veehouderij toekent, die ook even goed aan biobrandstof zijn toe te schrijven.

Reken deze bloemenweide maar om in ‘CO2-uitstoot’: alleen via papieren toverij kun je van weiland CO2 maken

Een bloemenweide omrekenen naar ‘milieuschade’
Aan de basis van de Feedprint staat eerder onderzoek van Blonk Consulting voor het Ministerie van VROM in 2008 en de Vegetariersbond. De kwantificering van CO2 per kilo vlees staat weergegeven in het rapport ‘Greenhouse Gas Emissions of Meat’’ dat Blonk Consulting dat jaar met oa Wageningen UR en RIVM opstelde voor de VROM/LNV-gefinancierde stichting Duurzame Voedingsmiddelenketen

Hans Blonk zat in de ‘klankbordgroep’ van die stichting, die CO2-waarden per product voor consumenten moest adverteren.

Van de in dit rapport aan veehouderij toegekende CO2-emissie van 12,4 Megaton (6 procent Nederlandse emissies), schrijven ze 4,6 Megaton (1/3de totaal) toe aan ‘land occupation’, dus ook een LUC-waarde als bij de Feedprint en Agrifootprint. De door Blonk geproduceerde 6 procent wordt ook door de website vlees.nl geciteerd.

NOS Propaganda

Op basis van dergelijke berekeningen meldt de NOS dan op 28 maart onder de titel ‘HOE schadelijk is vlees eten’,dat een kilo rundvlees wel 30 kg CO2-emissies zou veroorzaken. De voorlichting van het volledig door de overheid gefinancierde Milieucentraal van Ed Nijpels ( 2,5 miljoen euro subsidie per jaar) slaat een zelfde toonaard aan, om je van vlees-eten af te helpen.

Hier is ‘milieuschade’ ook versmald tot CO2-equivalenten. En ook zij halen vooral Blonk aan als bron.

Hier zien we echter, dat louter de aanwezigheid van koeien op een hectare als ‘milieulast’ geldt. Want hoe meer ruimte scharrelkoeien innemen- dus hoe meer vrije uitloopruimte in de bloemenweide- hoe ‘schadelijker’ ze meetellen bij Blonk zijn rekenmethode van de CO2-voetafdruk.

….

Omdat Blonk ‘Geblokkeerde koolstof-vastlegging per hectare’ voor graslanden met koeien rekent, CO2-strafpunten. De aanname is hier opnieuw: de wilde natuur zou per hectare meer CO2 vastleggen dan een weiland met koeien. Het (papieren) verschil per hectare reken je dus in klimaat-strafpunten om.

En dus kunnen Braziliaanse runderen met hun vlees wel 60 kg ‘CO2’ per kilo vlees produceren: omdat per koe veel vrije graasruimte beschikbaar is op de Brazilliaanse Savanne (Cerrado).

Zo zien we dus dat ‘CO2’ gelijk staat aan ‘landgebruik’ bij CO2-voetafdruk-rekenaars. En dat je zo iets positiefs, scharrelkoe in een ruime weide- als negatief kunt uitleggen met een klimaat-jasje. Want er had op die hectare natuur kunnen groeien die in theorie meer CO2 zou vastleggen ( = LUC)

Slurpt deze vleeskoe wel 3400 liter water op 1 dag, 10 maal zijn lichaamsgewicht?

De Onlogische Voetafdruk

Volgens die zelfde simplistische aanname- landgebruik is milieuschade- komen ook beweringen tot stand van het Voedingscentrum (10 miljoen euro subsidie per jaar), over waterverbruik van vlees. Zij baseren zich op de Watervoetafdruk van de Universiteit Twente en Wereldnatuurfonds, om te beweren dat wel 15000 liter per kilo rundvlees nodig zou zijn.

Echter, neem een pink die in 16 maanden opgroeit tot de slacht in een weide. Als die 125 kilo vlees oplevert, zou zo’n Voedingscentrum-rund per dag (500 dagen lang) wel bijna 10 maal zijn lichaamsgewicht moeten drinken. Hebt U ooit een koe gezien met zo’n ongebruikelijke dorst?

Claims van wel 100 duizend tot 200 duizend liter per kilo rundvlees doen de ronde in de literatuur, en op campagne-sites. Kijk je naar de belangrijkste bron van dergelijke cijfers, de ecoloog David Pimentel, dan zie je ook hier: landgebruik staat gelijk aan ‘water’-verbruik bij de Watervoetafdruk van vlees.

Hoe meer ruimte een koe heeft om te grazen, iets positiefs, hoe hoger de Watervoetafdruk die ze toekennen. Het watervolume staat gelijk aan de hoeveelheid regen die op die begraasde hectares valt….

Met die aanname, wat zal dan wel de milieuschade zijn van de miljoenen hectares biobrandstof die geteeld moeten worden? En is er een reden die wel aan vleesvee toe te kennen, maar niet aan brandstof die men ‘groen’ noemt?

Oude koeienrassen, voor de liefhebber

Andere landbouw-emissies: uit mest
Het lijkt dus tijd om eens eerlijker te rekenen met milieu-lusten en lasten van diverse sectoren. Nu lijkt men de toekenning van emissies op politieke keuzes te baseren, en zo sectoren te discrimineren. Dit hoofdpunt van gelijke behandeling blijft overeind, wat voor technische onzekerheden er in berekening verder ook mogen zijn.

Als je mest van koeien op grasland en veevoer-gewas omrekent in CO2-equivalenten, dan moet je dat ook doen bij hectares met biofuels, als je biobrandstof-land bemest. En dat is wat bijvoorbeeld bij snijmais ruimhartig gebeurt. En dan komt er een forse CO2-emissie aan biodiesel te hangen, die nu op het landbouwbordje landt.

Een groot deel van eerder vermeldde Feedprint-emissies ontstaan namelijk- naast LUC-emissies- door het omrekenen van mestgebruik per hectare naar CO2-equivalent. Een extra vorm van landgebruik in CO2 omgerekend.

Mest is ook de emissie-factor die het RIVM gebruikt, om CO2-schuld aan landbouw toe te kennen.

Zo ver het oog reikt, intensieve mais-plantages voor biofuels

Wanneer je de emissies bekijkt die het RIVM jaarlijks rapporteert aan Klimaatpanel IPCC, dan bestaat hiervan 29 procent uit Soil Use. Dat lijkt op de zelfde ‘landgebruik’ als LUC, maar is het niet. Ook al komt die Soil Use-emissie ook ongeveer uit op 4,5 Megaton CO2-equivalenten, net als in het Blonk 2008-rapport.

We zien hier dat deze waarde totaal anders is berekend dan die van Blonk. Bij rapportage aan IPCC, rekent het RIVM in het geheel niet die LUC-waarde mee van landconversie (ten opzichte van natuurlijke situatie). Dat vermeldt RIVM expliciet (‘geen LULUCF’). Dus worden boeren bestookt met 2 gelijke waarden van 4,5 Megaton CO2-equivalent, die volledig anders zijn berekend.

Die van Blonk met LUC, die van RIVM hier plots zonder. Terwijl beide samenwerken, en beide voor hun werk door de zelfde overheden worden betaald. En alleen de door RIVM-gerapporteerde emissies tellen internationaal mee voor het IPCC.

Bij RIVM zien we dat het leeuwendeel van de ‘Soil Use’-emissies bestaan uit in CO2-equivalenten omgerekende N2O-emissies. En omrekening van andere stikstof-verbindingen.

Zo ver het oog rijkt, intensieve snijmais-plantages

Echter, het zelfde hoofdpunt van gelijke behandeling blijft ook hier staan: of je nu wel of geen LUC mee rekent. Los van de rekenmethode en alle onzekerheden, is er geen reden die Soil Use-emissie WEL aan landbouw toe te schrijven, maar ze niet te verrekenen met emissies door teelt van biobrandstof, die je nu als klimaatvriendelijk (0 emissie) mag opstoken.

En juist die emissies van biobrandstof-teelt zullen fors stijgen.

Stel dat de overheid daadwerkelijk bijvoorbeeld alle aardolie voor merendeels transport (39 procent energiemix 2017) zou vervangen voor biodiesel. In dat geval heb je wel 8-10 miljoen hectare landgrond nodig voor de teelt. (bij een biodiesel-equivalent per hectare van 3700).

Als je van 3 maal Nederland dan ook de LUC-emissies moet meerekenen bij biobrandstof, hoe ‘groen’ is ‘groene’ energie dan nog? En van alle mest-emissie per hectare die je omrekent in CO2-equivalent?

Eet soja voor het klimaat

Is ‘natuurlijk’ gelijk aan ‘onschadelijk’?
Men haast zich overal- ook bij Milieucentraal- om te stellen dat er zoveel onzekerheden bestaan bij emissie-berekening. Dat klopt en klinkt heel wetenschappelijk verantwoord. Maar daarmee omzeil je- naast sectorale discriminatie- een ideologisch addertje onder het gras.

De grootste zwakte van LUC-emissies is: waarom is ‘natuurlijk’ gelijk aan goed, dus dat ‘de natuur’ met haar ‘natuurlijke CO2-emissies’, bijvoorbeeld methaan uit moeras, als ‘normaal’ moet gelden?

Dat lijkt op de naturalistische drogreden, dat ‘de natuur’ gelijk staat aan ‘goed’, en ‘cultuur’ gelijk aan slecht. Immers, een oerbos is het meest natuurlijke bos dat bestaat. Maar via rotting van dood hout, bladeren en respiratie kunnen CO2-emissies hier groter zijn dan opname.

Het schijt-personeel van Fryske Gea dat overal haar keutels neerlegt zonder dat de boswachter er met een zakje achteraan moet lopen

Juist de veehouderij krijgt die naturalistische drogreden om de oren. Bijvoorbeeld wanneer RIVM met Wageningen Livestock Research wel 38 procent van de totale CO2-emissies toekent aan de befaamde koeienscheten: enteric fermentation door methaan, 500 kiloton in 2016. Maar wie beweert dat de natuur bij methaan-emissies vrijuit gaat, komt bedrogen uit.

In de literatuur vindt je enkel al voor de mondiale methaan-emissies van moeras- dus natuurgebied- een waarde van 250-450 maal de methaan-emissie van Nederlandse veehouderij. Plant-etende insecten als termieten kunnen volgens schattingen uit de jaren ’90 door Nijmeegse biologen wel 78 Megaton methaan uitscheiden per jaar.

Dat is evenveel als men nu de mondiale veestapel toerekent. (80 Megaton)

Water in een koe ‘verdwijnt’ niet, ze plassen het ook weer uit, zweten en verdampen, het komt weer terug in de natuur

Conclusie: Gelijke monniken….
Waarom zouden die ‘natuurlijke’ methaan-emissies NIET bijdragen aan het broeikas-effect, maar die van koeien wel? Beide zijn immers kort-cyclisch, afkomstig van via fotosynthese opgenomen plantenmateriaal.

Het kan alleen lang-cyclische CO2 zijn, koolstof uit vroeger geologische periodes, dat bijdraagt aan het broeikas-effect door ophoping van CO2 uit de lange cyclus. Dat is wat fossiele brandstof toevoegt. De enige redenatie die 0-emissies van biobrandstof rechtvaardigt, is dat die emissie kort-cyclisch is. Maar dat geldt ook voor veel emissies van landbouw en veehouderij.

Zo niet, dan geldt opnieuw: het toeschrijven van 0 emissies aan biobrandstof in energiebeleid- zoals de overheid nu doet- is een politieke keuze. Daarmee discrimineert zij landbouw en veehouderij ten opzichte van de energie-sector en haar eigen energiebeleid. Die keuze steunt niet op wetenschap voor CO2-emissie door land- en mestgebruik om die biobrandstof te telen.

LUC-Emissies en mest-emissies (in CO2-equivalent) die je dan aan landbouw toekent, zou je dus eigenlijk aan de energie-sector toebedelen.

Mag biobrandstof WEL haar 0-emissie-waarde houden als klimaatvriendelijke ‘groene’ energie? Dan kunnen de emissies uit koeienscheten en landgebruik OOK op de helling. En is de milieulast van koeien – versmald tot CO2-equivalent- plots 1/3de tot de helft lager.

Posted on

De censuur-collusie van de politieke klasse en de tech-giganten

Er loopt een regelrechte lijn tussen de Berkeley Free Speech Movement van 1964 en de gecoördineerde actie van mediagiganten Apple, Facebook, YouTube en Spotify om Alex Jones’ Infowars uit de lucht te halen. De rode draad is de linkse reflex om andere meningen en overtuigingen te verbannen en te verbieden. Hoewel een aantal kritische denkers, zoals George Orwell en Arthur Koestler, die tirannieke houding van links al voor de jaren zestig van de vorige eeuw door hadden, ging in het revolutionaire decennium van The Beatles en de Soixante-huitards het demoniseren van politieke andersdenkenden helemaal los. Om ons tot Nederland te beperken: de ludieke erfenis van provo werd al snel giftig in het totalitaire optreden in eigen gelederen van krakers in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt (1987), de brandbommen tegen Janmaat cs. in Kedichem (1986) en “U bent een buitengewoon minderwaardig mens” van sociaaldemocraat Marcel Dam (1997). De jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren ook de jaren waarin door de overheid gesubsidieerde radicaal-linkse clubs zich toelegden op het “in kaart brengen van politieke tegenstanders”- lees: andersdenkenden die het label ‘fascist’ kregen. Met belastinggeld werden connecties “blootgelegd” tussen enerzijds neonazi’s en anderzijds brave EO-ers en DS70-ers.

De laatste bijdrage aan de totalitaire geschiedenis van “de Groene Khmer” (Robert Lemm) is van de  hand van journalist en filosoof Jaap Tielbeke (De Groene Amsterdammer, De Correspondent). Tielbeke vindt het helemaal geen probleem dat “rechtse onruststokers” geen podium in de media meer krijgen. Hij brengt het slim. Hij gaat uit van de stelling: “het recht om iets te vinden, impliceert nog niet het recht om gehoord te worden”. Ergo: rechtse meningen mogen niet in de media worden geventileerd. Iets anders is volgens Tielbeke dat je deze groepen onderzoekt en analyseert. “Je mag best kritische vragen stellen of de context schetsen waarin dit soort groepen opereren.” Dat Alex Jones geen stem meer krijgt zal Tielbeke toejuichen. Dat er weer allerlei onderzoeken plaatsvinden naar mogelijke dwarsverbanden tussen conservatieve mensen en groepen zal de filosoof toejuichen. Links juicht ‘corporate censorship’ toe. Het kan verkeren. Maar helemaal uit de lucht komt deze paradoxale liefdesverklaring niet vallen.

De industrie kreeg in de jaren zestig al snel door dat met de muzikale rebellen grof geld viel te verdienen. Grootkapitaal managers stortten zich op The Beatles, The Rolling Stones en anderen. Wat geestverruimende teksten en alternatieve kleding, en kassa! Na de muziekindustrie volgden al snel andere takken van sport. Reclame, kleding, interieurinrichting, onderwijs en natuurlijk media. De laatste speelde al een grote rol in het verspreiden van de revolutionaire boodschap. Linkse tijdschriften en uitgeverijen sprongen als paddenstoelen uit de grond. Terwijl politiek links zich steeds dogmatischer ingroef, ging het commerciële kapitalisme met de uitingsvormen van de revolutie op de loop. Die insteek sloot naadloos aan bij het individualisme en de ‘lekker jezelf zijn!’  slogan van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De geschiedenis van de zeezenders staat symbool voor deze ontwikkeling. Vanuit een rebels idee van verzet tegen een betuttelende overheid, die niet de muziek liet horen waar de jongeren naar wilden luisteren, werden de voormalige radiopiraten –  zoals TROS en Veronica – eenmaal aan wal lucratieve geldmachines.

De studentenopstand, het relativisme in de filosofie en de sociale wetenschappen en het daaruit volgende individualisme – allemaal mogelijk door een ongekende groei in welvaart – werden door het kapitalisme tot geld gemaakt. Parallel aan deze ontwikkeling was de groei van een nieuwe industrietak, die van de informatica-technologie. De sprong naar de maan, maar ook de oorlog in Vietnam, gaf een sterke impuls aan de opkomst van nieuwe bedrijven, zoals IBM en later in de jaren zeventig Apple en Microsoft. De groei van deze informatica-giganten was vooral mogelijk door de opdrachten die ze kregen vanuit de defensie-industrie. Het militair-industrieel complex en de nieuwe technologische industrie ging een monsterverbond aan. De monsters voedden elkaar. En dat doen ze sindsdien nog steeds. Het internet is van oorsprong een militair netwerk. CIA, NSA en FBI maken deel uit van dit monsterverbond. Alle partijen hebben wederkerige belangen. De technologische revolutie maakte een ongekend toezicht op burgers mogelijk. Er ontstond een symbiose tussen free enterprise, het afbreken van maatschappelijke structuren en overheidstoezicht. Silicon Valley werd de hofleverancier van de defensie-industrie en de inlichtingendiensten. “Google is een rookgordijn, waarachter het Amerikaanse militair-industriële complex schuilgaat,” schrijft onderzoeksjournalist Nafeez Ahmed op de website Medium. In het hart van deze combi staat volgens Ahmed een geheim netwerk, het Highlands Forum. Het is een privaat netwerk dat fungeert als een brug tussen het Pentagon en machtige Amerikaanse niet-militaire elites: grote bedrijven, technologie-giganten, maar ook Amerikaanse dag- en weekbladen (van vooral progressieve signatuur).

De multimedia-multinationals hebben een progressief imago: regenboogtompoezen, memes en logo’s, en mission statements vol LHBT-thema’s. En hoewel er nog wel een paar overjarige homo-activisten “sell out” roepen, gaat de actiebeweging maar wat graag met al die vrolijke gadgets en gimmicks op de loop. De pizza-etende nerd in de garage van zijn ouders werd het stereotype nieuwe activist. Dat deze bebaarde studenten al snel contracten sloten met multinationals en het Pentagon wilden de adepten niet zien. Iedere linkse activist wil toch graag met zijn iPhone 6 selfies maken vanuit de zoveelste demonstratie tegen het grootkapitaal. Hij mompelt nog wat over grondstoffen en uitbuiting, terwijl hij grof geld neerlegt voor de latte macchiato in Starbucks (van al dat traangas krijg je vreselijke dorst). Dat hij zijn privacy inlevert voor een nog snellere verbinding zal de radicaal een worst zijn. Als hij maar die leuke ‘diversiteit-apps’ kan downloaden.

Het ‘regenboogappeltje’ van Apple doet wonderen. Het staat symbool voor het surfplank-liberalisme van de VVD en het ‘Je bent jong en je wilt wat‘-motto van Veronica; twee kanten van dezelfde medaille. Progressief van buiten, vulgair kapitalistisch van binnen. Spiked-redacteur Brendan O’Neill schrijft dat “zogenaamde progressieven en delen van de politieke klasse nu ondernemingen het vuile werk laten uitvoeren. Zij willen de kapitalistische elites laten doen wat voor de staat zelf wat moeilijk ligt: het verbieden van controversiële politieke uitlatingen.” O’Neill noemt dit “corporate capitalist censorship” en “capitalist authoritarianism, cheered by liberals”.

Het is daarom niet eens ironisch te noemen dat links de ban op Infowars toejuicht. Het past in de tendens om onwelgevallige meningen de mond te snoeren. Dat dit ook nog eens gebeurt door ‘progressieve’ bedrijven, zoals Apple en Facebook, is voor links helemaal het einde. Wel ironisch is dat het juist deze bedrijven zijn die het militair-industrieel complex groot hebben gemaakt. Datzelfde complex dat dat overal ter wereld oorlogen voert en burgers bespiedt.

Leider en gezicht van de Free Speech Movement in Berkeley, Mario Savio, zei in een beroemde speech: “Don’t mean to be made into any product”. Laten nu juist de progressieve uithangborden, de technologie-giganten, dit tot hun missie hebben gemaakt: de mens als product. De ultieme progressieve droom, waarin de mediamultinationals bepalen wat gebruikt kan worden van de gebruiker – alle mogelijke informatie over wat hij denkt, wat zijn voorkeuren zijn, waar hij zich bevindt, etc. En vervolgens bepalen zij wat die gebruiker wel of niet te horen en te zien krijgt. Met dank aan links. Exit Alex Jones.

Posted on

Geen voorbede meer in de kerk: hoe de privacywet de samenleving verzwakt

Hij zat er al jaren aan te komen, maar geldt sinds 25 mei echt: de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Deze Europese regelgeving dient de burger te beschermen tegen inbreuken op zijn privacy.

Bij privacy-inbreuk denken we allemaal aan Facebook dat al je stappen op internet volgt of Albert Heijn die je bonuskaartgegevens doorverkoopt aan zorgverzekeraars. Daar is meer restrictie gepast. Hoe groter de bedrijven en hoe geavanceerder de digitale technologie, des te meer controle en beperkingen moeten er zijn.

Maar de AVG geldt niet alleen voor grote bedrijven. Ook voor de voetbalclub waar uw zoontje voetbalt met F7. Als de jochies dit seizoen de beker winnen, dan zou het toch leuk zijn om op de website van de voetbalclub een foto te hebben van de kleine kampioenen.

Mag niet. Behalve als de voetbalclub schriftelijk toestemming verkrijgt van de ouders van de afgebeelde kinderen. Ook van de ouders die er niet zijn. Geen clubbestuurder of coach die midden in het feestgedruis de moeite wil nemen. Dus komt er geen foto.

Je kunt nog betogen dat publicatie van de foto’s onnodig is. De fotograaf kan het toch rondmailen. En er zijn gegronde redenen om geen foto’s van jouw kind op het internet te hebben.

Anders ligt het bij kerken. Daar zijn niet zozeer foto’s maar wel het noemen van namen wezenlijk voor de werking. Zo is er de voorbede, waar de zieken bij name genoemd worden. Het is christelijke naastenliefde de zieken te noemen en voor hen te bidden. Maar strikt gezien mag het niet van de AVG. Tenzij de doodzieke mevrouw Jansen een krabbeltje zet, iets waartoe ze fysiek niet in staat is.

Het noemen van namen gebeurt in kerken ook bij de aankondiging van sacramentstoediening: wie er gedoopt wordt, wie er trouwen. Zulke sacramenten zijn rites de passage van de gemeenschap. Ze markeren wie nog buiten staat, wie (verder) toegetreden is. Voor de identiteitsbeleving van een gemeenschap van essentieel belang. Volgens de AVG ook verboden, tenzij er schriftelijke toestemming is.

Er kunnen gegronde redenen zijn om niet genoemd te worden in de kerk. Bijvoorbeeld als je moslim bent en gedoopt wordt, maar represailles van je omgeving vreest. In dat geval vraag je de priester of dominee om je naam uit het kerkblad te houden. Probleem voorkomen.

De AVG vertrouwt de priester en dominee niet om dit soort problemen te voorkomen. De AVG vertrouwt eigenlijk geen enkele burger. De regelgeving is opgesteld vanuit een fundamenteel wantrouwen jegens burgers. Zij moeten preventief tegen elkaar beschermd worden. Uiteraard door de staat. Die moet tot in de kleinste details reguleren hoe burgers met elkaar omgaan.

Het effect van de AVG is een verdere verzwakking van het sociale weefsel. Verenigingen, kerken en sportclubs mogen niet immers meer met namen en foto’s de successen en mijlpalen van hun gemeenschap vieren. Leden worden minder betrokken, drijven zelfs weg.

Het effect is ironisch. Wie wegblijft, blijft tegenwoordig thuis. Lekker op Facebook, Instagram, Whatsapp. Sociale media die door hun slimme techneuten en sluwe juristen altijd wel gaten in de AVG-omheining vinden, om jou zoveel mogelijk uren vermaak te schenken. De kerk of vereniging verliest, Facebook wint.

De Europese Unie wil zich met de AVG wederom doen gelden als beschermer van de burger, tegen de techgiganten. Toch kwam Mark Zuckerberg in mei om verantwoording af te leggen voor de werkwijze van zijn firma Facebook. De retorisch zwakke en allerminst charismatische Zuckerberg beantwoordde amper de vragen, maar vertrok met opgeheven hoofd uit Brussel. Misschien dat hij allang wist dat de AVG voor sociale media een klinkende overwinning is?

Posted on

Over nut en noodzaak van de Renaissancevloot – Zin en onzin van ‘imagined traditions’

Gister werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik had afgesproken met een vriend van mijn eerdere lerarenopleiding – inmiddels zo’n veertien jaar geleden. Die persoon was altijd best nationalistisch en behoudend. Nu zag ik mezelf nooit als nationalist en meer als humanist. Dat gaf aanleiding tot boeiende discussies over maatschappij en politiek. Plots kwam het gesprek nu op Thierry Baudet. Wat er vervolgens tussen ons werd gezegd heeft meer met me gedaan dan me slechts ‘aan het denken gezet’. Het heeft me op een existentiële wijze geraakt.

Wat we gezamenlijk hadden was dat we beiden het belang zagen van levenskrachtige tradities en een sterke cultuur, om een land bijeen te houden. Het was zoals Gerard Pieters, docent Middeleeuwen, destijds zei: “Als een natiestaat geen boeiende verhalen kan vertellen over haar geschiedenis, dan verliest de democratie iedere samenhang.”

Europese cultuurfamilie

Destijds al had ik het idee, dat de levensbeleving in de Randstad behoorlijk verschilde van de landelijke provincieën, en dat dit ‘natiegevoel’ te zwak was om ook maar enige aantrekkingskracht te hebben op minderheden. Ik zag Nederland als deel van de Europese cultuurfamilie, die tegen de contouren van het globalisme wél duidelijk te onderscheiden is. Nu ik meer tijd in Brussel doorbreng, begin ik het typische volkskarakter van de Nederlander beter te zien, de recht-door-zee-heid die velen van ons kenmerkt. Als er een probleem is dan hoeft men met de Nederlander  – anders dan met de Belg – geen serie aftastende gesprekken te voeren om te ontdekken wat het probleem zou kunnen zijn. En wat landen als Duitsland en Zweden zichzelf aandoen, daar kan een weldenkend mens slechts op neerkijken.

Maar ik zag dus altijd al dat het ‘natiegevoel’ weinig vlees op de botten heeft, en is opgelost in een levenshouding van consumeren. Als Michiel de Ruyter ooit zou terugkeren, dan zou het hooguit een cameo-appearance zijn op de omslag van meergranenbiscuits, als een soort kapitein koek. Wél zouden door de globalisering en de geopolitieke botsing van culturen, de Europese volkeren zich bewust worden van een verwante cultuurgeschiedenis en gedeelde identiteit.

Maar die studiegenoot kon juist prachtige verhalen vertellen over figuren als De Ruyter, Willem van Oranje en Willem Barentsz. Hij was fan van die vaderlandse helden, kende de details van hun ontdekkingsreizen en geloofde oprecht in de bezielende, natievormende kracht die daar van uitging. Hij hield bij het vak ‘drama’ gloedvolle pleidooien voor de Sinterklaastraditie omdat dat tenminste een authentiek Europees feest was met wortels in de Germaanse mythologie. En geen “kloonproductie zoals de Kerstman, die is uitgevonden door Amerikaanse bedrijven”.

Zwarte Piet wijst op wezenlijk vraagstuk

Gisteren zei hij dan plots: “Sid je moet weten dat ik nu anders over dingen denk. Zo vind ik bijvoorbeeld dat Zwarte Piet best groen mag worden geschminkt. Als we hierdoor minder mensen voor het hoofd stoten. Want die Zwarte Piet is toch een knecht. Ik was altijd voor het behoud van tradities omdat dit wortels geeft. Maar nu zie ik dat je niet trots kunt zijn op dingen die je niet zelf hebt gemaakt. Ik hoor tokkies zeggen: ‘het mag niet veranderen, want het is traditie’. Dat is een onzinargument. Dat is net zoiets als de islam die weigert om haar heilige teksten aan te passen.”

Ik antwoordde dat ik nooit Sinterklaas vier, maar dat het veranderen van Zwarte Piet om twee redenen geen goed plan is. Ten eerste omdat het nooit een issue was – dit is het discours van Amerikaanse universiteiten, een discours met wortels in Martin Luther King, de Jim Crow laws en de KKK. Europa heeft een totaal andere koloniale geschiedenis en tot voor kort wisten alle zwarte mensen dit: hierom was Zwarte Piet nooit een issue, totdat dit discours hier kwam. Ten tweede moet je als heersende cultuur kracht uitstralen en eisen van anderen dat zij zich aanpassen, niet andersom.

Omdat het op deze wijze een vervelende avond zou worden, verlegde ik de aandacht naar de islam. Ik wees erop dat dit geen goede vergelijking was. Tradities zijn door mensen gemaakt en hebben historische wortels: de Koran zou daarentegen een ongeschapen boek zijn dat buiten de wereldlijke tijd bestaat. Het Zwarte Piet-discours chanteert met een positie van achtergesteldheid en slachtofferschap, maar de islam stelt vanuit zelfvertrouwen een eigen dominante claim centraal. Namelijk dat democratieën worden gemaakt door mensen en daarmee ook feilbaar zijn zoals mensen; het onfeilbare woord van God zou dus de grondslag zijn van een superieure politieke orde.

Baudet en de Renaissancevloot

Vervolgens kwam het gesprek op Thierry Baudet. “Ik zou nooit op hem kunnen stemmen. Hij spreekt wel erudiet maar ik krijg er een rare gewaarwording bij. Ik ben wel voor een seculiere staat natuurlijk, daarin geef ik hem gelijk. Maar dan met die stomme VOC-bootjes op de achtergrond… Dat gepraat over een Renaissance, ik voel me er onpasselijk bij. En dan ben ik nog iemand die erg in geschiedenis is geïnteresseerd.”

Ik knipperde met mijn ogen toen ik dit hoorde. Van iemand die ik kende als behoorlijk nationalistisch. “Je bedoelt dat met die schepen een bepaald beeld van de Nederlandse historie wordt opgeroepen? Het beeld zou zinspelen op een oer-Nederland. Daarbij vraag je je af, wat dat Nederland dan is.”

“Daar sla je precies de spijker op zijn kop. En ik maak me zorgen over de islam en ben natuurlijk vóór een seculiere rechtsstaat. Maar om die zorgen te onderbouwen, heb ik geen behoefte aan een verhaal over de Nederlandse identiteit.”

Imagined traditions

“Maar is dat niet de meerwaarde van een Thierry Baudet? Net noemde je Wilders een ‘schreeuwer’ die ‘alleen maar in herhaling valt’. Baudet probeert mensen te verleiden en hun harten te winnen met een positief eigen verhaal. Toevallig ken ik de man die die poster met de Renaissance-schepen heeft gemaakt. En ik weet ook wat het idee erachter is. Onze geschiedenis is niet perfect – dat weten wij geschiedenisdocenten als geen ander. Maar we hebben toch nationale of op zijn minst cultuurhistorische symbolen nodig om maatschappelijke samenhang te organiseren? Om daarop een bezielend verhaal te baseren over de leidende cultuur.”

“Maar zelfs als het gebaseerd is op verbeelding? Dan kom je uit bij de imagined traditions. Want zelfs in de Gouden Eeuw was er natuurlijk ruzie tussen de orangisten en de patriotten. Er waren conflicten tussen de zee- en de landgewesten, tussen de remonstranten en de contraremonstranten, tussen de stadhouder en de raadspensionaris, enz.”

“Wij kunnen samen een bezield en bevlogen gesprek voeren over deze nuances omdat wij deze kennis hebben over de geschiedenis van dit land. Het alternatief is een generatie die hier helemaal niets van weet, maar wél een rugzakje naar school draagt met daarop de kreet: ‘Fuck Nederland, Turkije nummer één’.”

De strijd om de Leitkultur

Men kan zeggen, ‘ik hoef alleen een liberale rechtsstaat – ik wil hier niet een overheersende cultuur hebben met duidelijke symbolen als standbeelden van De Ruyter om die cultuur uit te dragen’. Maar wat is dat standpunt waard als er een versnippering van cultuurenclaves voor terugkomt: Turkse en Marokkaanse of wie weet Somalische, die de publieke ruimte opeisen? Wat nu als dit wél duidelijke identiteiten zijn, met bijbehorende etniciteiten en religies en uiteindelijk ook eigen visies op het recht? En waar ‘wij’ dan eigenlijk geen antwoord op hebben? Om precies dat scenario te voorkomen, mag de Nederlandse cultuurhistorie met wat meer eigenwaarde worden uitgedragen.

En ten tweede, je kunt zeggen: ‘Ik wil alleen die seculiere rechtstaat, waar mensen gelijk voor de wet zijn, maar daar hoef ik niets omheen te hebben.’ Dan heb je inderdaad dat kader van die liberale rechtstaat, maar dat is een kale kapstok. Je hebt je kantoorbestaan, je werkt en betaalt belasting, maar verder heb je niets om jouw samenhang met die rechtsorde mee in te kleden. Stel nu dat jij een ‘kansenjongere’ bent, met weinig mobiliteit in het leven. Dan ben je vooral aangewezen op religie: die geeft houvast en identiteit. Waarom zou zo iemand dat laatste stukje trots en eigenwaarde loslaten voor de ‘kale kapstok’ van zo’n seculiere rechtstaat?

Hierdoor moest hij terugdenken aan een Syrische leerling die hij jaren geleden in de klas had. De leerling bleef met alle ernst volhouden dat Wilders van de ChristenUnie was, ondanks de tastbare tegenbewijzen. De verklaring hiervoor, zo zei mijn gesprekspartner, is als volgt. Hoe zouden zij als moslims omgaan met christenen in hun land? In die landen behoor je eerst en boven alles tot een religie – pas dan spelen zaken als nationaliteit of burgerschap een rol. Zelf zouden die moslims absoluut de meerderheid willen blijven boven de christenen. En dus projecteert die leerling ditzelfde denken op Wilders: die zou hoe dan ook zijn christelijke land christelijk willen houden, en is daarom kritisch op moslims. Moet je nagaan als zij ooit een meerderheid zouden worden…

Hoofdconclusie

Zo kwamen we terug op de kern van de discussie: zulke mensen kunnen alleen maar een verhouding aangaan op basis van kracht. Enkel vanuit het idee: ‘Ik ben de sterkere – mijn cultuur is hier leidend. Ik ben hier trots op en jij hebt je aan te passen. Jij moet eerst maar eens bewijzen of je het wel waardig bent om hier te zijn, dus heb jij je te voegen naar mijn cultuur.’

Als dit soort eisen dus niet worden uitgesproken, dan ben je in hun ogen zwak en ridicuul en niet serieus te nemen. Daarom kun je dus niet aankomen met een seculiere rechtsstaat zonder dit in te passen in een leidende cultuur met een bijbehorende identiteit. Inmiddels is dit besef van identiteit zo sterk verwaterd in Nederland – of zo u wilt geliberaliseerd – dat het vanuit de verbeelding moet worden verwekt.

Tot slot

Nu moet u weten dat deze persoon op de universiteit studeerde tussen echt radicale linksgekkies: mensen voor wie Baader Meinhof nog te rechts was. Door met hen om te gaan groeide zijn weerstand tegen die denkbeelden en werd hij voor zijn gevoel conservatiever. Maar juist door die omgeving van studie en discussie achter zich te laten en een kantoorbaan aan te nemen, werden al zijn gevoelens bij natie en traditie uitgewist: het enige wat voor hem nu nog telt zijn de seculiere rechtsstaat en de vrijheid om hedonistisch te leven. Zo blijkt weer duidelijk dat niet de ‘linksgekkies’ de ware vijand zijn, maar het gebrek aan maatschappelijk houvast. Hoog tijd voor een Nieuwe Zuil!

En kom langs op de 22ste!

Posted on

Waarom Lubach het nét niet snapt en we juist allemaal op Facebook moeten blijven

In ‘Zondag met Lubach’ laat Lubach zich dan wel kritisch uit over de gevestigde media maar roept desalniettemin dringend op om massaal Facebook te verlaten. Hij zegt het even tussen neus en lippen door: Google is wellicht erger en daar hebben we het nog wel eens over. Maar wat Lubach lijkt te vergeten is dat we niet meer zomaar terug kunnen. Zolang we niet in zijn geheel stoppen met het gebruik van alle elektronische communicatie en niet in een hutje op de hei gaan wonen, is zijn oproep totaal zinloos. Facebook is namelijk ook een effectief instrument dat tegen de gevestigde macht (waar het platform onderdeel van is) gebruikt kan worden.

De hele discussie rondom nepnieuws, dus het ontmaskeren van verhalen die in het geheel verzonnen zijn en waar o.a. minister Ollongren zich hard voor maakt, leidt af van waar het werkelijk om gaat: de stroom aan eenzijdige, gekleurde desinformatie die veelal via gevestigde mediakanalen verspreid wordt en die ons een bepaalde kant op laat denken. Toevallig een kant die de buitenlandpolitiek van de VS en bondgenoten goed uitkomt. Denk aan: Rusland is een bedreiging en Poetin een dictator. De rebellen die tegen Assad strijden zijn goed en alle anderen zijn slecht.Op het eerste gezicht lijkt er met Lubach niks aan de hand, hij stak eerder nog de draak met Ollongrens bewering dat we zouden worden bedreigd door een nepnieuwslawine afkomstig uit Rusland. Echter, hoe toevallig is het dat juist zijn programma geproduceerd wordt door de partner van Ollongren? Gevalletje gecontroleerde oppositie?

Door een aantal tegendraadse FB-gebruikers worden de dominante nieuws-frames voortdurend kritisch tegen het licht gehouden. Vermoedelijk begint dit wat vervelende vormen aan te nemen, en Zuckerberg die toch al 44,6 miljard dollars in zijn zakken heeft, schikt zich daarin. Los van advertentie-inkomsten gaat het namelijk niet om die 80% die eet- en vakantiefoto’s upload, het gaat om die 20% die wakker begint te worden en het geldende narratief bevraagt.

Het is historisch gezien nog nooit voorgekomen dat kritische denkers zich online kunnen verenigen en middels een systeem van volgers, miljoenen mensen kunnen bereiken. Het is waarschijnlijk om die reden dat we nu bang worden gemaakt. Het effect van sociale media loopt uit de hand, is te oncontroleerbaar geworden. Naast Twitter is er geen ander platform dat zoveel mensen vanuit verschillende werelddelen en achtergronden verbindt. En dus ook de critici van de huidige machtsorde, in feite de echte blaffende honden van onze democratie. Dit gaat niet alleen over informatieverspreiding, maar ook de online discussies en privé gesprekken tussen personen die gevoerd worden.

Uiteraard heeft Lubach gelijk dat we niet naïef moeten zijn over hoe de wereld werkt. De Cambridge Analytica-rel is hét bewijs dat sociale mediaplatforms gevaarlijk dicht tegen de macht aanschurken. Echter, zijn oproep om er nu massaal vanaf te gaan is in feite net zo dom en volgzaam als het vertrouwen erin. Niet in de laatste plaats omdat de mainstream media ons dit nu al een paar weken voorschrijven. Het punt is: je kunt het namelijk ook als tool gebruiken om juist in het symbool van zieke Amerikaanse informatiezucht alternatieve meningen te blijven verspreiden. Het is dus revolutionairder om juist op Facebook en Twitter te blijven.

Ik denk in ieder geval niet dat er verandering in schuilt om nu allemaal van Facebook te gaan of voorzichtiger te worden in wat we posten. In die zin ontkent Lubach eigenlijk de realiteit, zijn voorstel is een stap terug in de tijd. Laten we niet onze ogen sluiten voor de positief ontwrichtende werking die een instrument als Facebook net zo goed in zich heeft. Het is niet voor niets dat een land als China een Amerikaans sociale mediaplatform als Facebook verbiedt.

Nu leven wij niet in een autoritaire staat, in het vrije Westen kunnen journalisten formeel schrijven wat ze willen. Toch heerst er een bepaalde consensus over hoe de wereld in elkaar steekt, juist die consensus wordt op sommige kanalen op Facebook of Twitter in twijfel getrokken.

Het is overigens niet zo dat er sprake is van een simplistisch complot, er is iets veel ingewikkelders aan de hand. Hoe dat werkt werd al in 1988 door de Amerikaanse geleerden Edward Herman en Noam Chomsky beschreven in ‘Manufacturing Consent’. Hun inzichten zijn uiterst relevant om de controverse rondom Facebook te begrijpen.

Herman en Chomsky constateerden dat, ondanks de toegang tot enorme hoeveelheden informatie, het overheersende narratief in de vrije pers desalniettemin behoorlijk eenzijdig bleef. Ze onderzochten de vraag hoe het kan dat Westerse democratie niet per se leidt tot een grotere diversiteit aan tegenstrijdige opinies. Volgens hen was (en is) er in het Westen sprake van een ingenieus propagandamodel waarbij de media in de greep is van kapitalistische machten (overheden en bedrijven). Daarmee bedoelden ze dat onze politici dus niet opkomen voor de belangen van de gewone man maar eerder de belangen behartigen van grote multinationals.

De media-theorie van Chomsky en Herman gaat uit van een vijftal ‘filters’ die bepalen wanneer iets nieuwswaardig is. De eerste is: de bepalende invloed van de eigenaar van het medium, de tweede zijn de adverteerders die tevreden moeten worden gehouden, het derde filter betreft selectieve en dominante bronnen (denk aan de woordvoerders van ministeries of bedrijven waar journalisten op af gaan voor informatie). Het vierde filter is het fenomeen dat fundamenteel tegenstrijdige opinies vrijwel meteen als onbetrouwbaar en onwaar worden neergezet. Zoals je bijvoorbeeld direct een Poetin-aanhanger bent als je kritische vragen stelt over de Rusland-hetze. Als laatste speelt angst-ideologie een grote rol. Tijdens de Koude Oorlog was dat het communisme, tegenwoordig is dat terrorisme of niet-Westerse autoritaire regimes die een bedreiging zouden vormen voor onze vrijheid. Geopolitieke conflicten (die negen van de tien keer over olie of gas gaan) worden ons aangesmeerd onder het mom van democratie en humanitaire missies.

De werking van de Westerse democratie en de verhouding met de media is dus een propaganda-categorie op zichzelf. Toen Herman en Chomsky hun theorie ontwikkelden waren er natuurlijk nog geen sociale media, maar het inzicht dat de gevestigde macht (waar Facebook ook deel van uitmaakt) de media als tool gebruiken is ook nu van cruciaal belang. Voor een ieder die democratie en vrije pers hoog in het vaandel hebben staan: laten we die macht dan ook met dezelfde tools bekritiseren.

Kort gezegd zijn Facebook en Twitter mijn ochtendkranten waarvan waarschijnlijk 80% onzin is en 20% enigszins relevant. Toch wil ik, ondanks de grote bulk onzin, voor mijn nieuwsvoorziening en opinievorming in geen geval afhankelijk zijn van NU.nl en NOS (en dan eveneens gevolgd worden door wat ik op Google intik.) Het Amerikaanse Ministerie voor de Binnenlandse Veiligheid (Homeland Security) werkt niet toevallig aan een online databank om ‘sociale media beïnvloeders’ te monitoren. Facebook en Twitter zijn een bedreiging gaan vormen voor de consensus en dat is op zichzelf geen slechte ontwikkeling.

Dus nee Lubach, zolang je niet onder een steen gaat zitten en gewoon je iPhone en Google blijft gebruiken, heeft stoppen met Facebook geen enkele zin. Integendeel, je speelt de macht in de kaart!

Posted on

“Laat je niks wijsmaken”

Psycholoog Dr. Jaap van Ginneken is een vreemde eend in de bijt van de communicatiewetenschap. Waar de meesten van zijn generatiegenoten hun ‘systeemkritiek’ op de nieuwsmedia afzwoeren, bleef Van Ginneken een luis in de pels van de journalistiek. Zijn in 1996 verschenen boek, De schepping van de wereld in het nieuws, waarin hij ‘101 vertekeningen van het nieuws’ uiteenzette, werd tot leerboek aan scholen voor journalistiek in tal van landen, waaronder laatst zelfs nog in China.

Deze maand verscheen van Van Ginneken een biografie over het bewogen leven van de joodse Duitser Kurt Baschwitz, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als correspondent naar het neutrale Nederland kwam, terug in de Weimarrepubliek opklom tot hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad voor krantenuitgevers, in 1933 terugkeerde naar Nederland op de vlucht voor de nazi’s, tijdens de Duitse bezetting zat ondergedoken, korte tijd in kamp Westerbork zat opgesloten, na de bevrijding als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land.
De 74-jarige Van Ginneken gaat nu met pensioen. De Baschwitz-biografie is zijn laatste boek. Eerder, in 2004, stopte hij al met het doceren aan de vakgroep communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Een gesprek over het commerciële en propagandistische karakter van de nieuwsmedia.

In de jaren zeventig was er vanuit de Nederlandse communicatiewetenschap veel kritiek op het ‘kapitalistische’ karakter van de pers. Sindsdien is de invloed van adverteerders alleen maar toegenomen en is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden. Maar de kritiek daarop vanuit de communicatiewetenschap lijkt verstomd. Hoe zie jij dat?

Die is inderdaad afgestorven, maar daar zitten twee kanten aan. De systeemkritiek van de jaren zeventig was te primair en te simpel. Die had in die zin geen bestaansrecht meer. Mijn boek De schepping van de wereld in het nieuws is een poging geweest om te laten zien de commerciële invloeden op de nieuwsmedia complexer zijn dan tot dan toe werd gedacht.

Zijn het inmiddels de adverteerders die bepalen of een publicatie kan overleven? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor de manier waarop ons het nieuws wordt gepresenteerd?

Adverteerders oefenen zelden rechtstreeks invloed uit. Als je een lelijk stuk schrijft over bodymilk van Dove is het niet zo dat meneer Unilever op hoge poten met de hoofdredactie belt. Het belangrijkste hier is wat ik heb genoemd het ‘Umfeld’. Er zijn bepaalde redactionele omgevingen waarin een adverteerder graag verschijnt. Glossy-magazines bijvoorbeeld. Die krijgen maar een fractie van hun inkomsten uit de verkoop van losse nummers. Het grootste deel komt uit dure advertenties. Die bladen staan vol redactioneel materiaal waar adverteerders graag tussen willen staan. Stukje over mode, een nieuwe bodycrème, leuke reisjes. De glossy’s venten comfortabele illusies uit die zich helemaal hebben losgezongen van de werkelijkheid.
Het omgekeerde zie je bij een blad als de Groene Amsterdammer, met alsmaar intellectuele stukken, en vroeger: kritisch gezeur over dit is niet goed en dat is niet goed, en de wereld gaat naar de kloten. Dat is voor adverteerders niet erg aantrekkelijk. De Groene heeft een geniaal ding gedaan in de meer dan honderd jaar dat ze bestaan: ze hebben nooit met geld gesmeten, en hebben de verleiding weerstaan geld te lenen om te kunnen expanderen. HP/De Tijd en Vrij Nederland hebben meer financieel risico genomen. Die zijn daardoor van weekbladen tot maandbladen gedegradeerd. Ook het afnemende aantal drank- en tabaksreclames in de opinietijdschriften heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Daar bestonden die bladen vroeger goeddeels van.

Je hebt gezegd: “Op zichzelf is er met commercie en reclame niks mis, als de pluriformiteit verder goed gewaarborgd blijft.” Vind jij dat we in Nederland een pluriforme pers hebben?

Op het eerste gezicht als je de kiosk binnenloopt en je ziet al die wanden met bladen, dan denk je: pluriform. Maar dat wordt anders als je ziet dat het bijna allemaal glossy’s en modebladen zijn, dat er nog twee opinieweekbladen over zijn en dat de weekendbijlagen van de kranten zijn verworden tot een soort advertentiefuiken met human interest en rubriekjes over ditjes en datjes. De algemene trend is dat de consumptiepropaganda in de media moeiteloos de echt kritische analyses overstemt.

Wat betreft pluriformiteit: Zien we alle visies die er leven in de maatschappij voldoende weerspiegeld in de Nederlandse pers?

Het is niet zo dat wat het publiek denkt gereflecteerd zou moeten worden in de media. Het is juist de pers die het voortouw zou moeten nemen in het vormen van een visie op wat er in Den Haag gebeurt, hoe onze economie reilt en zeilt, enzovoort. Journalisten worden ervoor betaald kritisch te zijn en met een eigen visie te komen, en dat geldt trouwens ook voor wetenschappers.

We hebben voorbeelden gezien van breed gedragen visies in de maatschappij waar de pers volledig aan voorbij ging. Zoals over de problemen met de multiculturele samenleving, of, meer actueel, over de demonisering van Rusland in de media, waarover in lezersrubrieken veel geklaagd wordt.

Het is waar dat er te weinig en op de verkeerde manier is bericht over problemen die gepaard gingen met de multiculturele samenleving.

Maar je zegt dus eigenlijk: pluriformiteit moet niet komen van een pers die alle geluiden in de samenleving een stem geeft? Pluriformiteit moet komen van journalisten die van bovenaf het publiek vertellen waar de problemen liggen?

Populisme, zoals het genoemd wordt, heeft zeker bijgedragen aan het op de agenda plaatsen van onderwerpen die ten onrechte onbelicht of onderbelicht zijn gebleven. Maar waar het mij om gaat: veel kritiek blijft aan de oppervlakte hangen, graaft niet erg diep, is niet in staat de achterkant van het gelijk inzichtelijk te maken. Er is in de pers te weinig radicale systeemkritiek. Er staan wel kritische artikelen in de krant, maar dat gaat vooral over de ene columnist tegen de andere. Youp van ’t Hek die flink tekeer gaat is natuurlijk wel geestig, maar het is niet wat een kritische pers inhoudt. Het gaat er om dat je redacties uitrust met voldoende middelen om de onderste steen boven te krijgen. Er zou veel meer onderzoeksjournalistiek moeten zijn. Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.

Hoe zie jij de concentratie van de pers? De monopolievorming op de dagbladenmarkt?

Het feit dat er nu twee bedrijven zijn die meer dan negentig procent van kranten in handen hebben hoeft niet per se te leiden tot een slechte journalistiek. Het betekent wel dat winstbejag een grotere rol is gaan spelen. Een onrendabele krantenonderneming kan niet bestaan anno nu. In het verleden waren er veel onrendabele ondernemingen. Die werden gesubsidieerd door de zuil waar ze toe behoorden. Het nadeel daarvan was dat ze de zuil naar de mond praatten. Daar stond tegenover dat ze zich weinig aan de adverteerders gelegen hoefden te laten liggen. Maar in elk geval hadden we in de tijd van de verzuiling wel vijf verschillende ideologieën die met elkaar streden over onderwerpen. Nu is alles onderhorig gemaakt aan de commerciële ideologie, het Umfeld-effect wat ik noemde.

De nieuwsmedia zijn al een halve eeuw een studieobject voor jou geweest. Kun jij nog een krant openslaan of naar een tv-journaal kijken met het doel kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt?

Nee. Ik kan alleen nog naar het nieuws kijken met de vraag: Wat gaat er achter schuil? Waarom is dit opeens in het nieuws? Waarom wordt iets opeens heel groot, terwijl andere zaken nog geen seconde aandacht krijgen? Wie heeft daar belang bij? Was die of die persoon of instelling in de positie om dat nieuws een handje te helpen? Past het binnen een cultuurverschuiving waardoor er opeens iets zichtbaar wordt?

Journaals zijn niet jouw favoriete nieuwsvoorziening?

Zoals de meeste mensen van mijn generatie kijk ik nog trouw naar het journaal, zowel op de Nederlandse als de Franse televisie. Ik zie het televisienieuws als een soort collectieve psychotherapie. Mogelijke bedreigingen van ons wereldbeeld worden opgeroepen, geïdentificeerd, geëtiketteerd, gecategoriseerd, ‘behandeld’ en vervolgens weer opgeborgen. Voor dit doel voert de presentator iedere dag een hele stoet autoriteiten en experts ten tonele. Zij stellen gerust, zodat we onbezorgd kunnen gaan slapen.

Jij hebt vaak gesteld dat objectiviteit niet bestaat, en dus ook niet voor journalisten. Wat is dan volgens jou de juiste grondhouding?

Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken. Je moet je altijd afvragen: ‘Wie heeft er belang bij dat dit verhaal op dit moment bij mij terecht komt?’ Behalve als je te maken krijgt met zoiets als vulkaanuitbarsting in een ver land, dan zal het niet snel gebeuren dat iemand er een speciaal belang bij heeft dat in de krant te krijgen.

Als je als journalist niet objectief kunt zijn, mag je wel geëngageerd zijn?

Het kan legitiem zijn om als journalist begaan te zijn met een bepaalde zaak, en dat je daar alsmaar aandacht voor vraagt. Maar je moet dan uitkijken dat je niet in een bubble belandt, waarin kritische geluiden en relevante tegenspraak je niet meer bereiken.

Wat zijn sinds de jaren zestig de belangrijkste veranderingen die je hebt gezien in de nieuwsmedia?

Over misschien de belangrijkste grote verandering hebben we het al gehad. De media zijn vrijwel allemaal commercieel geworden. De publieke omroepen een beetje minder dan de rest. Maar de strijd om de kijkcijfers werkt deels in het verlengde daarvan.

Een andere grote verandering is de audiovisualisering. Beeld en geluid zijn leidend geworden. Als er geen beeld van is dan zullen de journaals er niet snel mee openen, en dan zullen vervolgens de kranten er minder snel aandacht aan besteden. Het audiovisuele is de belangrijkste bron geworden van informatie en educatie.
De elektronisering heeft er bovendien toe geleid dat elke nieuwtje dat ergens op de wereld bekend wordt een paar seconden later bij ons op internet verschijnt of op de journaals. Met alle hijgerigheid en pseudo-actualiteit van dien.
Dan is er de BN’erisering. Op tv zie je de hele dag Bekende Nederlanders die van het ene naar het andere spelletje rennen en van quiz naar talkshow doorschuiven. Ook in de kranten en bladen is het een komen en gaan van BN’ers.

Je schrijft dat weinig beroepsgroepen zo zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld.

Ik leerde al snel dat als je je polemieken op Nederlandse personages en media richtte je dat snel kreeg terugbetaald. Als je je polemieken op het buitenland richtte, bijvoorbeeld op wat er in de VS gebeurde, dan was dat veel veiliger.

Niettemin schreef De Journalist, het toenmalige huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over jouw boek De schepping van de wereld in het nieuws: “Men kan Van Ginnekens boek afdoen als oude, linkse koek. Maar wie het leest, komt net iets te veel voorbeelden tegen die tot nadenken stemmen.”

Ja, dat was fair. Maar verder heeft het boek weinig veranderd. Behalve misschien dat het de grond rijp heeft gemaakt voor de prachtige boeken die Luyendijk later schreef, over deels dezelfde onderwerpen.

Je hebt een boek geschreven over de joods-Duitse Kurt Baschwitz, die je als een van de grondleggers beschouwt van de communicatiewetenschap in Nederland, en die als eerste een journalistenopleiding begon. Wat is het belangrijkste dat je van hem hebt geleerd? 

Het belang van ruimte voor systematische tegenspraak. Die is er vaak niet. Baschwitz heeft dat gemerkt tijdens de opkomst van het nazisme en antisemitisme in Duitsland. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog. Ik heb toen vergeefs lopen leuren met een Nederlands artikel waarin ik uitvoerig beargumenteerde dat die atoomwapens van Saddam Hoessein waarschijnlijk helemaal niet bestonden. Niemand wilde het hebben. Het verscheen uiteindelijk pro forma in een klein wetenschappelijk blad.

Noam Chomsky cum suis hebben vastgesteld dat er in de mainstream media impliciete ‘limits of acceptable discourse’ worden gehanteerd, dat de ruimte voor tegenspraak vaak maar zeer beperkt is. Dat geldt bij uitstek bij hoog-emotionele kwesties in het internationale nieuws, en aan de vooravond van interventies en oorlogen. Het blijkt vaak pas decennia later, dat de werkelijkheid daarbij geweld werd aangedaan. 

Opvallend aan Baschwitz is dat hij een vrije pers en de vrijheid van meningsuiting als voldoende voorwaarden lijkt te zien voor een goed geïnformeerd publiek. Hoe zie jij dat? Is dat niet een beetje naïef?

Baschwitz leefde in een tijd van totalitarisme, crisis en oorlogen. De vrije pers en de vrijheid van meningsuiting stonden toen heel erg onder druk. Later is het allemaal een stuk ingewikkelder geworden. Co-optatie is volgens mij een van de meest effectieve maar goeddeels onzichtbare controlemechanismen in onze maatschappij geworden. Fabrikanten co-opteren wetenschappers en onderzoek die laten zien dat hun producten gezond en geenszins schadelijk zijn. De rijksten in de VS co-opteren een beleid en instellingen die hun visie onderbouwen en veel breder verspreiden dan logisch is. Toppolitici co-opteren staf en lagere echelons die inschikkelijk zijn. In al die gevallen wordt er formeel nergens dwang gebruikt, en blijft de fameuze keuzevrijheid schijnbaar onaangetast.

Bijzonder aan Baschwitz is dat hij tegen de tijdsgeest inging van het Interbellum, toen de democratie onder druk stond, vooral in Duitsland, met de zegen van veel intellectuelen. Die laatsten zagen ‘het volk’ als een bedreiging, als een blinde, kolkende massa die met propaganda in de goede richting moest worden gestuurd.

Baschwitz zag het inderdaad precies andersom. De gewone mensen waren volgens hem begiftigd met gezond verstand en medemenselijkheid. De massa is niet dom, maar wordt steeds door de terreur van een kleine minderheid op één hoop gedreven. Het kwaad kwam vooral van de elites, de intellectuelen inbegrepen. Als het volk al moest worden aangestuurd dan vond Baschwitz dat het moest gebeuren door een beroep te doen op hun goedheid, niet door misbruik te maken van hun zwaktes.

Je beschrijft dat Baschwitz ten tijde van de Weimarrepubliek zag hoe in Duitsland banken, ondernemers en overheden telkens opnieuw probeerden om een vinger in de pap te krijgen bij de pers, op zoek naar politieke steun. Hoe ver reikt volgens jou de invloed van de elites?

Uit het Amerikaanse Project Censored komt naar voren dat kwesties die zowel het bedrijfsleven als de overheid heel erg onwelgevallig zijn niet snel het nieuws halen. Terwijl er continu vaste contacten zijn tussen journalisten en ‘establishment’, zijn er veel minder contacten tussen journalisten en alternatieve nieuwsbronnen. Het grootste deel van het nieuws wordt bepaald door persberichten, persconferenties, officiële gebeurtenissen en uitingen van westerse overheidsinstellingen en bedrijven.

In hoeverre zijn wij allen gehersenspoeld, propaganda-slachtoffers? In hoeverre worden wij in ons denken beïnvloed door The Powers That Be?

In de communicatiewetenschap wordt vaak gewezen op het proces van agendasetting: het establishment en de media bepalen niet zozeer wat we denken, maar waarover we denken, de onderwerpen die ons bezighouden.

Frank Zappa zei: ‘Politics are the entertainment branch of industry.’ Staart de pers zich blind op de poppetjes in de politiek?

Ja. Een steeds groter deel van het nieuws bestaat niet uit serieuze informatie maar uit ‘celebrity theater’. Neem de voormalige premier van Italië, Silvio Berlusconi. Media en publiek waren nauwelijks geïnteresseerd in diens vermeende banden met de maffia en het geheime P2-genootschap, maar des te meer in zijn orgies met minderjarige meisjes. Of neem de voormalige president Bill Clinton. Zijn affaire met een stagiaire overschaduwde lange tijd alles wat zich in de Amerikaanse politiek afspeelde. Zelfs de kat en de hond van de Amerikaanse president krijgen meer aandacht in de internationale media dan sommige grote landen elders bij elkaar.

Terug naar Baschwitz. Die verbleef een deel van de Eerste Wereldoorlog als correspondent in Nederland. Je beschrijft hoe hij zich verbaasde over het gemak waarmee geallieerde propaganda in de Nederlandse kranten verscheen. Zoals het verhaal dat de Duitsers hun gesneuvelde soldaten tot veevoer verwerkten. En ook over de cartoons zoals in de Telegraaf over Duitsers afgebeeld als Neanderthalers die vrouwen verkrachtten en hun slachtoffers kruisigden. Er lijkt weinig te zijn veranderd sindsdien? 

In mijn boek Verborgen Verleiders heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan oorlogspropaganda. Ik beschrijf daarin hoe de VS steeds weer met succes de media gebruiken door met hele en halve leugens ‘nieuwe bedreigingen voor het Westen’ en hun oorlogen te verkopen. Het proces van agendasetting speelt daar een belangrijke rol in. De regering van de Verenigde Staten bepaalt meer dan enige andere instelling in de wereld wat mensen bezig houdt. Om een voorbeeld te noemen: iedere paar maanden maakt de Amerikaanse regering bekend dat uit haar satellietwaarnemingen blijkt dat deze of gene vijandige mogendheid ‘gevoelige’ technologie importeert, militaire installaties bouwt of legerdivisies in grensgebieden plaatst en daarmee een bedreiging voor anderen vormt. Vaak nemen de media dergelijke beschuldigingen klakkeloos over. Diezelfde bronnen en media vestigen haast nooit de aandacht erop dat de VS en hun bondgenoten ook voortdurend bezig zijn met de ontwikkeling van niet-conventionele wapensystemen en met de verplaatsing van militaire eenheden op een manier die door anderen als een bedreiging kan worden waargenomen.

Vergis ik mij of wordt er in de communicatiewetenschap nauwelijks nog studie gemaakt van oorlogspropaganda?

Er wordt vrijwel niets aan gedaan. Daarom trappen de regering en het parlement ook steeds opnieuw in leugencampagnes om bepaalde militaire interventies te rechtvaardigen. Keer op keer op keer, zonder dat er iets geleerd wordt. Na een paar jaar zijn die politici weer weg. Vaak worden ze pas kritisch als ze geen verantwoordelijkheid meer dragen.

Je schrijft: “Het principe van hoor- en wederhoor dat voor binnenlands nieuws hoog in het vaandel staat, wordt bij internationale conflicten waarbij het Westen partij is slechts hoogst zelden op een evenwichtige manier toegepast. Zodra een bron als ‘vreemd’ of ‘vijandig’ wordt aangemerkt, krijgt die vaak niet langer een serieuze behandeling.” Misschien heeft dat er mee te maken dat de Amerikanen communicatief sterker zijn dan andere volkeren?

De Amerikaanse pers zit in het hart van het wereldwijde communicatiesysteem, en laat zich in hoge mate aansturen door de autoriteiten. Op een conferentie over de Golfoorlog stelde Ed Cody van The Washington Post dat als er een conflict is waar de VS bij betrokken zijn de Amerikaanse regering met zoveel informatie komt dat het vrijwel automatisch de definitie wordt van wat er aan de hand is. Als er een reporter in Saoedi-Arabië, Koeweit of Bagdad zit die zegt: “Ho, wacht eens even, ik zit hier, ik praat juist met een betrokkene, en die zegt dat het helemaal anders zit”; dan wordt het geluid van die persoon wel doorgegeven, maar het legt geen gewicht in de schaal omdat het overstemd wordt door de lawine aan informatie die de Amerikaanse regering dagelijks over de media uitstort.

Hoe zie jij de strijd van overheden tegen wat ‘nepnieuws’ is gaan heten? Is dat een legitieme strijd? Volgens Cees Hamelink zijn overheden de grootste producenten van nepnieuws en zijn journalisten de belangrijkste distributeurs hiervan.

Hij heeft helemaal gelijk.

Zou Baschwitz zich thuis voelen op de Universiteit van Amsterdam anno 2018? Jouw jongere collega, communicatiewetenschapper Tabe Bergman schrijft: “Ik vermoed dat Baschwitz, (..) wiens boeken (..) over propaganda de nadruk legden op de schuld van de elites voor twee wereldoorlogen en andere ellende, zich nauwelijks thuis zou voelen tussen de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, die zich, ondanks al hun deugden, hebben toegelegd op kwantitatieve onderzoeken, die moeilijk leesbaar en te doorgronden zijn, zelfs voor de hogeropgeleide leek.”

Tijdens de presentatie van mijn boek in Spui25 in Amsterdam werd de vraag opgeworpen of Baschwitz zou worden aangenomen aan de UvA als hij nu zou solliciteren. De meningen liepen daarover uiteen. Er waren er die weerspraken dat Baschwitz aan de basis heeft gestaan van de communicatiewetenschap. Zij zien Baschwitz eerder als iemand die deel uitmaakte van de voorgeschiedenis, en ook als studeerkamergeleerde. Ik zeg in antwoord daarop: “Erudiet aan de huidige universiteit is eerder een vloek dan een zegen. De huidige universiteit is overgespecialiseerd en overmethodologisch.”

Posted on 1 Comment

Persvrijheid in Rusland – Vermoordt Poetin journalisten?

In het Westen wordt algemeen aangenomen dat de Russische pers ‘niet vrij’ is. Klopt dat beeld? Vermoordt het Kremlin journalisten? Staatsuniversiteit Moskou: “Buitenlandpolitiek Westen bepaalt visie op onze media.”

The World Press Freedom Index. Jaarlijks worden leden van de pers overal ter wereld getrakteerd op een rangschikking van landen naar de mate van persvrijheid. Villamedia, het huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), deelde begin dit jaar een poster uit van de index aan haar abonnees. Op de poster een afbeelding van de wereldkaart, met elk land aangegeven in een aparte kleur. In het oog springt vooral Rusland, dat gemarkeerd staat in alarmerend rood, en dat vanwege zijn enorme landmassa, ook meteen het meeste rood op de poster in beslag neemt.
‘Rood’ betekent ‘slecht’, zo leert de begeleidende legenda. Er is slechts een handjevol landen waar het nog slechter is gesteld met de vrijheid van de pers, waaronder China, Saoedi-Arabië en Libië. Deze landen staan in het zwart aangegeven.
Ieder jaar publiceert het in Parijs gevestigde Reporters Sans Frontières haar World Press Freedom Index, die de mate van persvrijheid aangeeft per land in het daaraan voorafgaande jaar. In de laatste editie staat Rusland op de 148ste plaats, ver beneden andere westerse landen, en zelfs nog onder Arabische Golfstaten als Koeweit (104), de Verenigde Arabische Emiraten (119) en Qatar (123).

Is het werkelijk zo slecht gesteld met de Russische media? Ondanks alle gruwelverhalen over arrestaties, censuur, propaganda en moorden lijkt het toch nog niet geheel gedaan met de persvrijheid. Kennelijk is het mogelijk voor kranten de president af te beelden als hond; het Russische leger ervan te beschuldigen MH17 neer te hebben gehaald; de president in verband te brengen met witwaspraktijken; Russen uit te maken voor ‘rode fascist’; de Russische minderheid in Oost-Oekraïne uit te maken voor ‘genetisch afval’; zich hardop te verkneukelen over gesneuvelde Russische soldaten in Syrië – en het geweld van het Oekraïense leger in Donbass te rechtvaardigen. Zonder nadelige consequenties. De betrokken journalisten en opinieleiders maken het goed. Ze zijn niet vermoord of gearresteerd. Ze worden niet geweerd van televisie – en de media waar ze hun uitingen deden, hebben geen verschijningsverbod opgelegd gekregen.

De lage positie van Rusland in de World Press Freedom Index van Reporters Sans Frontières staat echter niet op zichzelf. Het land staat ook zeer laag genoteerd in het jaarlijkse Freedom In The World Report van de ‘independent watchdog organization’ Freedom House. Die laatste organisatie houdt kantoor in New York en Washington, en werkt voor haar jaarlijkse persvrijheidsrapport nauw samen met de Nederlandse organisatie Free Press Unlimited.
Volgens Freedom House is de pers in Rusland ‘niet vrij’. Op een schaal van 0 (minst vrij) tot 100 (meest vrij) scoort Rusland niet meer dan 20; dus ver beneden andere westerse landen, op hetzelfde niveau als de Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam en Gambia en zelfs slechter dan Turkije waar in 2016 81 journalisten achter slot en grendel zaten.

De doornsee krantenlezer of tv-kijker zal onmiddellijk aannemen dat het met Rusland werkelijk zo slecht gesteld is als de twee persvrijheidsindexen aangeven. Immers: berichten in de Westerse pers over de benarde positie van journalisten elders in de wereld gaan in pakweg 9 op de 10 gevallen over Rusland. Tel daarbij op het, ook in Nederland, wijdverbreide geloof dat Vladimir Poetin journalisten vermoordt.

Klopt dit beeld over de Russische pers? Ruimt Poetin kritische journalisten uit de weg? Zijn de media ‘niet vrij’, zoals Freedom House beweert?

Vermoorde journalisten

Zelfs Ruslands meest uitgesproken oppositiekrant Novaya Gazeta*, waarvan zes reporters zijn vermoord, denkt niet dat Poetin of het Kremlin iets te maken heeft met moorden op journalisten. Het enige waar zij hun overheid van beschuldigen is dat deze onvoldoende maatregelen treft ter bescherming van hun veiligheid.

In elk geval klopt er niets van de bewering dat Poetins greep naar de macht in 1999 het begin inluidde van een golf aanslagen op journalisten. Het omgekeerde is waar; het aantal moorden op journalisten is sindsdien scherp gedaald. De cijfers van het in New York gevestigde Committee To Protect Journalists geven duidelijk aan dat onder Poetins voorganger, Boris Jeltsin, de zaken er veel slechter voor stonden. In Ruslands roerige jaren negentig werden er ruim twee keer meer journalisten vermoord dan in de jaren dat Poetin het land regeerde als premier en president.
Vreemd genoeg werd er tijdens Jeltsins presidentschap weinig ophef gemaakt over de vele dodelijke aanslagen op het perskorps. Niemand die toen beweerde dat Jeltsin journalisten vermoordde.

Het afgelopen jaar (2016) zijn er geen Russische journalisten geliquideerd. Hoewel niet gerapporteerd door Committee To Protect Journalists ** werden er in 2016 wel twee Nederlandse journalisten vermoord: Jeroen Oerlemans in Libië en Martin Kok in eigen land. Niettemin eindigde Nederland op de 2e en 5e plaats van de ranglijsten.

Dus, als het aantal vermoorde journalisten niet heel erg bepalend is voor de weging van persvrijheid in een land, waarom staat Rusland dan zo laag?

Zwarte doos

Beide ranking-organisaties, Reporters Sans Frontières en Freedom House, stellen hun ranglijsten samen aan de hand van enquêtes (hier en hier). Deze worden ingevuld door ‘media experts, advocaten en sociologen’ (Reporters Sans Frontières) of ‘analisten, vooral externe adviseurs’ (Freedom House).
De vragen in de enquêtes gaan over factoren die bepalend zijn voor de vrijheid van journalisten, zoals (zelf-)censuur, concentratie van eigendom van mediabedrijven, pluriformiteit, redactionele onafhankelijkheid en het gemak waarmee straffen worden opgelegd vanwege smaad en laster. Hoewel de ranking-organisaties dus enige transparantie bieden over hun methodiek, doemt toch vooral het beeld op van een zwarte doos, waarin ruwe data onttrokken worden aan het oog van buitenstaanders. Zo verstrekken beide organisaties geen informatie over hoe de respondenten hebben geantwoord op de vragen. Aan het verzoek van de auteur van dit artikel de antwoorden geanonimiseerd vrij te geven (de gemiddelde score op elke vraag) werd geen gehoor gegeven.
Op verzoek was Reporters Sans Frontières nog wel bereid enige data te delen uit hun ‘kwantitatieve analyse’. Zo telde de organisatie vorig jaar 65 gevallen van agressie tegen journalisten, 67 arrestaties en vier journalisten die gevangen zaten. Freedom House meldt in haar rapport alleen het aantal ‘aanvallen op journalisten en bloggers’: 54. Dit cijfer baseert Freedom House op een telling van The Glasnost Defense Foundation.

Geweld, arrestaties en gevangenschap

Volgens Freedom House is geweld tegen journalisten in Rusland ‘heel gewoon’. En op het eerste gezicht, kijkend naar bovengenoemde cijfers (54 ‘aanvallen’ of 65 ‘gevallen van agressie’) lijkt daar weinig tegenin te brengen. Zeker in vergelijking met kampioen persvrijheid Nederland. In ons land telde Reporters Sans Frontières in 2016 slechts 5 gevallen waarbij geweld gebruikt was tegen journalisten. Nu is het echter wel zo dat er in Rusland dertien keer meer journalisten werkzaam zijn dan in Nederland. In Rusland: (200.000). In Nederland: (15.000). Het ligt dus in de lijn der verwachting dat Rusland te kampen heeft met meer geweld dan een klein land als Nederland.
Dit weerlegt nog niet de stelling van Freedom House dat geweld tegen journalisten ‘heel gewoon’ is in Rusland. Maar daar staat tegenover dat zij in hun rapport geen enkele moeite doen hun claim te onderbouwen. Cijfers opvoeren is één ding; daar conclusies aan verbinden is iets anders. ***
Het aantal arrestaties van journalisten in Rusland (67) lijkt echter wel aan de hoge kant. In Nederland zijn in 2016 slechts twee journalisten gearresteerd, de ene een Française, de andere een Nederlandse Turk.

De Française, Florence Hartmann, is vier dagen vastgehouden. Reporters Sans Frontières telde in hetzelfde jaar vier journalisten die in Rusland achter de tralies zaten: RBC-journalist Alexander Sokolov, vanwege de organisatie van een terroristische groep; de Tsjetsjeense journalist Zhalaudi Geriyev vanwege drugsbezit; de Oekraïense journalist Roman Sushchenko vanwege spionage; voormalig hoofdredacteur Aleksandr Tolmachev van Pro Rosto vanwege afpersing.

Censuur, restricties en propaganda

Afgaand op de ‘juryrapporten’ van Freedom House en Reporters Sans Frontières moet het wel heel ernstig gesteld zijn met de staat van de Russische journalistiek. Alsof het al niet erg genoeg is dat er zoveel journalisten geteisterd worden door geweld, arrestaties en celstraffen, ‘impregneert’ de Russische staat haar burgers ook nog eens met “propaganda via de door haar gecontroleerde tv-stations (…) Toonaangevende, onafhankelijke nieuwsorganisaties zijn onder controle gebracht of de nek omgedraaid (…) Websites zijn op zwart gezet en meer en meer bloggers krijgen gevangenisstraffen opgelegd (…) Toonaangevende mensenrechtenorganisaties hebben het stempel van ‘buitenlandse agent’ gekregen (…) De wetgeving biedt de overheid brede bevoegdheid de media op inhoud te sturen.” Enzovoort, enzovoort.

Maar evengoed opnieuw de vraag: Is het werkelijk zo belabberd gesteld met de staat van de Russische journalistiek?

One size fits all?

“Ik heb de indruk dat de situatie veel beter is dan zoals gepresenteerd in de indexen”, zegt professor Andrei Vyrkovsky van de Lomonosov Moscow State University. “De overgrote meerderheid van de Russen heeft door de relatief hoge internetpenetratie vrij toegang tot nieuws en andere informatie uit alle mogelijke bronnen. Verschillende standpunten worden besproken op diverse openbare online platforms. Rusland is in dat opzicht geheel anders dan bijvoorbeeld China, ondanks de wetten en wetten die recentelijk zijn aangenomen om sommige online activiteiten te beperken.”
Vyrkovsky onthoudt zich van commentaar op de methodologie van de ranking-organisaties “omdat dat een grondige analyse vereist”. Toch zou hij niet verbaasd zijn als de hele opzet ervan steevast uitpakt in het voordeel van westerse landen.
Vyrkovsky benadrukt dat persvrijheid niet overgewaardeerd moet worden. Het is belangrijk, maar niet belangrijker dan “het vermogen van lobbygroepen om de media naar hun hand te zetten en zo het publiek te bespelen.” De grip van lobbygroepen op de media werd pijnlijk zichtbaar tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen. “In de democratische campagne tegen Trump werden soms alle journalistieke principes aan de kant gezet”, zegt Vyrkovsky. “Vanwege hun goede toegang tot de massamedia was het standpunt van de Democraten absoluut dominant in het publieke discours. Wil je dus de media in diverse landen met elkaar vergelijken dan zal je daarin ook moeten meenemen het gemak waarmee lobbygroepen de media naar hun hand zetten.”

Professor Elena Vartanova, decaan van de faculteit journalistiek van de Lomonosov Moscow State University, erkent dat de Russische media zo haar problemen kent, zoals “de verschillende manieren waarop informele druk wordt uitgeoefend op de journalistiek en het geweld dat soms zelfs wordt gebruikt.” Maar deze problemen moet wel in de juiste context worden geplaatst. “Rusland is een multiculturele en multi-etnische samenleving”, legt ze uit. “Dit vereist enige regulering van de media.”

“Rusland is erg jong als een democratie”, voegt Vartanova toe. “In 1991 zijn we begonnen met een ‘zero media policy’. Rusland had zo’n beetje de vrijste pers ter wereld. Dit leidde tot allerlei problemen. We leerden al snel dat er beperkingen nodig zijn. Die zijn er overal. In sommige landen hebben journalisten zichzelf regels opgelegd, soms in samenwerking met het publiek en de nieuwsindustrie. In Rusland zijn we nooit zover gekomen. We zijn er nog niet klaar voor. Het maatschappelijk middenveld staat bij ons nog in de kinderschoenen. We zijn op dit unieke moment in de geschiedenis waar wetgevers het werk doen dat gedaan had moeten worden door de samenleving als geheel. Velen in Rusland  houden vast aan de filosofie van de Sovjettijd: ‘Wij nemen geen verantwoordelijkheid, we tonen geen inzet, maar we willen graag iets als Europa hebben, dus laat de staat dat maar even voor ons regelen’.
Er is dus niet alleen onderdrukking van de staat; er is ook de afwezigheid van initiatieven vanuit de beroepsgroep, de media-industrie en het publiek.”

Niettemin denkt Vartanova dat in Rusland de media er meer op vooruit zijn gegaan dan achteruit. “Het zou oneerlijk zijn te ontkennen dat er de afgelopen decennia zoveel ten goede is veranderd. Zeker in vergelijking met de Sovjetperiode, toen er helemaal geen vrijheid van pers was.”

Er bestaat sowieso niet zoiets als een ‘one size fits all’ media systeem, aldus Vartanova. In tegenstelling tot het Westen dat de media wereldwijd naar zijn evenbeeld lijkt te willen herscheppen. “Westerse, Angelsaksische indicatoren worden gebruikt om de Russische media te evalueren.”

Sturing van de publieke opinie

Vartanova vindt dat je geen enkele ranking bij voorbaat kunt vertrouwen. Er kan een verborgen agenda achter schuilgaan. “Sprekend vanuit mijn ervaringen in de wereld van universiteiten en wetenschap stel ik vast dat grote universiteiten rankings inzetten als marketinginstrument om geld uit het buitenland aan te trekken. Hoe hoger je op de ranglijst komt, des te meer studenten zich aanmelden.”
Wat zou de verborgen agenda kunnen zijn achter de persvrijheids-ranglijsten?
Vartanova: “Je zou die ranglijsten kunnen gebruiken als instrument om de publieke opinie te sturen. Ik heb de indruk dat de manier waarop het Westen onze media beoordeelt sterk meebeweegt met veranderingen in het buitenlandbeleid van westerse landen. In de Sovjet-tijd werden we gezien als de vijand, en het Westen bekritiseerde ons mediasysteem. In de jaren negentig werden we dikke vrienden en werd onze ‘zero media policy’ toegejuicht. Sinds het Westen ons weer als de vijand ziet, zien we dit terug in de lage rangschikking.”

Het imago van de Russische media lijkt sterk beïnvloed te worden door verhalen in de westerse pers over de moorden op journalisten. Hoe ziet Vartanova dit?
“Veel van de journalisten die werden vermoord waren misdaadverslaggevers”, zegt ze. “Er is dus mogelijk een sterkere relatie tussen die moorden en de mate van criminaliteit in het land dan met het niveau van persvrijheid. Vooral in de jaren negentig leek dit het geval te zijn. In die tijd was de invloed van de staat veel zwakker.
Je zou de moorden ook juist kunnen zien als een bewijs dat Rusland een zekere mate van persvrijheid kent. De journalisten werden vermoord omdat ze iets hadden gepubliceerd wat iemand niet aanstond, en niet om dat te voorkomen. De moorden hebben journalisten er in elk geval niet van weerhouden explosief materiaal te publiceren.”

Hoe is het mogelijk dat, in weerwil van de feiten, er zo’n sterke overtuiging is dat de moord op journalisten een aanvang nam met het aantreden van Vladimir Poetin? Hij is zelfs beschuldigd van moorden gepleegd tijdens het presidentschap van Jeltsin.
Vartanova: “Het idee dat Poetin journalisten uit de weg ruimt nam een grote vlucht na de moord op Anna Politikovskaja in 2006. Het gebeurde op Poetins verjaardag. En dit was misschien geen toeval. Het werd tot een sinister verjaardagscadeau. Elk jaar als Poetin zijn verjaardag viert, wordt wereldwijd de moord herdacht op Politikovskaja.”


* Novaya Gazeta reageerde niet op interviewverzoeken. En het Nederlandse Free Press Unlimited, dat contact onderhoudt met reporter Pavel Kanygin Novaya Gazeta, was niet bereid de auteur van dit artikel in contact te brengen met hem. Free Press Unlimited wilde niet zeggen waarom.

** Committee To Protect Journalists was niet bereikbaar voor commentaar, en heeft tot op heden de door de auteur van dit artikel gemelde moorden niet in de cijfers over Nederland opgenomen.

*** Freedom House was desgevraagd niet bereid haar stelling te onderbouwen dat in Rusland geweld tegen jouralisten ‘heel gewoon’ is.

Verder lezen:

Russische media en Nederlandse Ruslandverslaggeving

Dit interview is onderdeel van een reeks interviews en artikelen van Eric van de Beek over de Russische media en de verslaggeving van Nederlandse media over Rusland. Eveneens verschenen in deze reeks:

Posted on

“Niet journalisten, maar elites maken het nieuws”

Volgens communicatiewetenschapper Tabe Bergman zijn het de politieke en economische elites die bepalen wat we te zien en te horen krijgen op tv, radio en in de krant. De media zijn niet veel meer dan een doorgeefluik. Het ‘domme volk’ snapt vaak beter wat er gaande is dan journalisten.

Noam Chomsky en Edward Herman hebben in Manufacturing Consent aangetoond dat in de Verenigde Staten de nieuwsmedia de belangen dienen van de politieke en economische elites – en ook hebben zij, aan de hand van hun ‘propagandamodel’, uitgelegd hoe dit is te verklaren. Volgens Tabe Bergman werkt het in Nederland niet veel anders. Niet in de laatste plaats omdat, net als in de VS, in Nederland de media in handen zijn van een steeds kleinere groep economische elites, die het winststreven voorop hebben staan.

U bent universitair docent aan de Brits-Chinese Xi’an Jiaotong-Liverpool University, in een land, China, dat niet bepaald bekend staat om zijn vrije pers. Je zou zeggen dat het bij ons in Nederland veel beter gesteld is met de vrijheid van journalisten om te bepalen waarover ze berichten. 

“China heeft een van de strengste regimes van perscensuur ter wereld. Hier is het de maatschappelijke taak van de media om de Communistische Partij te steunen door het volk voor het beleid te winnen dat wordt bepaald in Beijing. De belangrijkste taak van de Chinese media is dus heel anders dan die in het Westen: niet de macht controleren, maar de macht steunen. Het is een vreselijke situatie. Het toont maar weer aan dat het onmogelijk is om het belang te overschatten van een wettelijk vastgelegd recht op persvrijheid als een voorwaarde voor een werkelijk vrije samenleving.”

“Maar het slechte voorbeeld dat China geeft, is geen reden voor Nederlanders om zich op de borst te slaan. Dat wij wettelijke persvrijheid hebben, leidt bij velen tot een soort blindheid. Het onderwijs, de politiek en de media benadrukken allemaal hoe vrij Nederland wel niet is. De onderliggende boodschap is, bewust of niet: wees maar tevreden met wat je hebt. Maar de commerciële journalistiek zal je nooit vertellen hoe onvrij ze werkelijk is. De grote westerse leugen is dat wettelijke persvrijheid een voldoende voorwaarde is voor een democratische samenleving.

In een beroemde zin is de huidige Chinese journalistiek gekarakteriseerd als gevangen ‘between the Party line and the bottom line’. Die ‘bottom line’ zijn de adverteerders. Chinese media worden tegenwoordig namelijk voor een groot deel gefinancierd door adverteerders. Maar wat betreft politiek nieuws voert de Partij natuurlijk nog de beslissende boventoon. De Nederlandse journalistiek hoeft naar geen politieke partij te luisteren, maar de ‘bottom line’, het feit dat de journalistiek commercieel is, oefent een grote en negatieve invloed uit op de kwaliteit van de berichtgeving.”

Maakt het voor het nieuws wat uit of media in handen zijn van de staat of van bedrijven? Welke is de minste van twee kwaden?

“Dat hangt af van de historische omstandigheden. Ik heb liever dat CNN in handen is van Time Warner dan van de Chinese staat, maar ik heb ook liever dat de BBC, met waarborgen van onafhankelijkheid, in handen is van de Britse staat dan van Time Warner.

De media zullen pas in de buurt van werkelijke vrijheid komen als ze onafhankelijk zijn van zowel de staat als het bedrijfsleven, of welk ander machtscentrum dan ook in de samenleving.”

Wat is er zo zorgelijk aan dat de media in handen zijn van steeds minder spelers? Hoe beïnvloedt dit de nieuwsvoorziening?

“Inmiddels is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden: Persgroep en Mediahuis/Concentra, beide Belgisch, maken de dienst uit. De twee nu overgebleven partijen zullen elkaar nauwelijks meer beconcurreren. Dat zou ze allebei geld kosten en een ultieme overwinning zit er niet in. Dit is een schoolvoorbeeld van een markt die niet vrij is. Wie heeft het kapitaal om die twee uit te dagen? Waarom zouden die twee veel geven om de gemiddelde lezer?

Als het al zin heeft om de journalistiek te zien als een markt, dan is het beter als er veel relatief kleinere mediabedrijven zijn die onderling met elkaar concurreren, hopelijk door goede journalistiek te bedrijven. Hoe meer aanbieders, hoe meer macht de gemiddelde lezer heeft. Als er geen bedrijven zijn die de markt domineren is het makkelijker voor nieuwe partijen om de markt te betreden en hopelijk lezers beter nieuws te leveren.”

Wat is er bezwaarlijk aan het winstoogmerk van mediabedrijven? Zorgt dat er juist niet voor dat de mensen het nieuws krijgen wat ze willen? Je zou zeggen: hoe meer tevreden klanten, des meer lezers, kijkers en luisteraars – en des te groter de winst.

“De media claimen dat ze mensen geven wat die willen, maar de media weerspiegelen vaak niet wat er leeft in samenleving. Zo was een meerderheid van de Nederlanders tegen de invasie van Irak in 2003. Dit ondanks de kritiekloze houding van de Nederlandse pers over de valse claims van de Amerikanen dat Saddam Hoessein zou beschikken over massavernietigingswapens. Het is een geval van het ‘domme volk’ dat het snapte, terwijl de meeste journalisten niet doorhadden wat er gaande was, namelijk een Amerikaanse propagandacampagne die honderdduizenden mensen het leven heeft gekost, een land heeft geruïneerd, en de weg heeft vrijgemaakt voor ISIS.”

“Afgezien daarvan werkt het simpelweg niet om mensen het nieuws te geven dat ze willen, alsof je een product aanbiedt dat dan wordt geconsumeerd. Nieuws is geen product, het is een public good. Nieuws is de zuurstof van de democratie. Het idee dat je een prijskaartje kan hangen aan informatie over oorlog en vrede, gezondheid, de toekomst van de planeet, enzovoort is belachelijk. Je kan bovendien niet van mensen verwachten dat ze van journalisten eisen dat die nou eindelijk eens dat corrupte bedrijf aan de kaak stellen. Hoe kunnen mensen vragen om het nieuws dat ze nodig hebben om te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit als ze logisch gezien niet kunnen weten wat dat nieuws is? Het is de taak van journalisten om mensen het nieuws te geven dat ze nodig hebben zodat ze een doordachte keus kunnen maken in het stemhokje.”

Zijn er signalen dat in Nederland eigenaren ingrijpen in de nieuwsvoorziening, of dat, in het geval van de publiek gefinancierde NOS, de overheid het NOS Journaal aanstuurt?

“Het gebeurt waarschijnlijk zelden dat eigenaren direct ingrijpen in de journalistieke praktijk. Dat is ook niet nodig. De hoofdredacteur zet de grote lijnen uit in overeenkomst met de wensen van het management, anders is hij of zij niet lang hoofdredacteur. Een hoofdredacteur heeft een hele klim gemaakt om die positie te bereiken; hij of zij weet wat er wordt verwacht. Een hoofdredacteur is medeverantwoordelijk voor het bedrijfsresultaat. Welke hoofdredacteur wordt niet afgerekend op dalende oplages?”

“Hetzelfde geldt voor zover ik weet voor het NOS Journaal of de actualiteitenprogramma’s van de omroepen. Wellicht wordt direct ingrijpen weleens geprobeerd, maar dit zijn uitzonderingen. De Nederlandse staat heeft geen zeggenschap over benoemingen in de omroepbesturen, maar toch zijn het ook bij de omroepen sinds oudsher de elites die aan het roer staan, hoe welmenend die mensen ook mogen zijn. Zoals bij de VARA. Daar zie je mensen in het bestuur die advocaat zijn of professor, betrokken zijn bij de PvdA, of die leidinggevende posities bekleden bij een milieubeweging, een uitgeverij of een pensioenfonds. Het zijn kortom niet het soort mensen dat snel zal morrelen aan de fundamenten van het economische systeem en Nederlandse buitenlandbeleid.”

Waarborgen redactiestatuten niet de onafhankelijkheid van redacties ten opzichte van de eigenaren?

“De redactiestatuten zijn in principe een goed idee. Ze zijn bedoeld om redacties af te schermen tegen directe inmenging van de eigenaren. Maar zover ik weet zijn ze vooral een dode letter. Eigenaren hoeven helemaal niet direct in te grijpen. Het probleem is dat sluipenderwijs het marktdenken de journalistieke praktijk heeft doordrongen. Journalisten weten wat er van ze verwacht wordt, welke verhalen een kans maken en welke niet, en dat het geen zin heeft om voor Don Quichot te spelen.

Het is inmiddels een publiek geheim dat het idee van de journalistiek als waakhond van de democratie allang achterhaald is. Journaliste Mathilde Sanders heeft een ontluisterende serie blogs geschreven over de Nederlandse journalistiek en haar eigenaren. Zo schrijft ze dat docenten aan een postdoctorale opleiding journalistiek hun kandidaat-studenten simpelweg uitlachten als die begonnen over de journalistiek als controleur van de macht. In zo’n klimaat doen redactiestatuten er weinig toe. Er is de wet en dan is er de praktijk.”

Volgens Chomksy en Herman oefenen adverteerders grote invloed uit op de nieuwsvoorziening. Volgens u is dit in Nederland niet anders?

“Ook in Nederland is de journalistiek sterk afhankelijk van advertentie-inkomsten. Dit geldt zelfs voor de publieke omroepen, die een vierde van hun inkomsten halen uit advertenties. De commercialisering in Nederland is minder ver doorgevoerd dan in de VS, maar dat is een schrale troost. De invloed van adverteerders is groot maar ook subtiel, dat is de schoonheid van het systeem. Er even vanuit gaande dat de media inderdaad mensen geven wat ze willen, dan gebeurt dat alleen als adverteerders ook OK zijn met de inhoud. Bijvoorbeeld, kritiek op het kapitalisme is natuurlijk niet OK voor bedrijven zoals Shell en Philips. Als het sporadisch gebeurt, OK, maar niet structureel.”

“Adverteerders hoeven niet direct in te grijpen in de nieuwsvoorziening om hun wensen kenbaar te maken. Mediabedrijven weten wat goed speelt bij adverteerders: celebrity glossies enzo. Dus zet je zo’n tijdschrift op en geen maatschappelijk bevlogen blad. Kritiek op het kapitalisme past simpelweg niet in de bladformule, dus journalisten halen het zich niet eens in het hoofd zulke verhalen te pitchen.

De invloed van adverteerders bestaat dus vooral in het feit dat ze bepalen welke publicaties overleven in de markt en welke ten onder gaan. Neem Het Vrije Volk in Nederland. Die krant werd goed gelezen maar ging toch ten onder, ten dele omdat de lezers voornamelijk bestonden uit arbeiders, die relatief weinig te besteden hadden. Adverteerders waren gewoon niet zo geïnteresseerd.”

Toch heeft Het Vrije Volk kennelijk lange tijd kunnen voortbestaan zonder veel advertenties. Kennelijk kon je en kun je misschien nog steeds kranten maken die grotendeels drijven op betalende lezers.

“Het was de tijd van de Verzuiling, toen economische motieven minder belangrijk waren en meer mensen bereid waren een krantenabonnement te nemen. Meer in het algemeen: we moeten niet vergeten dat het economische systeem waaronder de Nederlandse media gebukt gaan niet zo effectief is als bijvoorbeeld het Chinese censuursysteem. In het Westen is meer mogelijk, ook binnen de gevestigde journalistiek zelf. Het grote gevaar in Nederland is dat mensen denken dat het niet nodig is.”

“Wat betreft het heden en de toekomst: Is het mogelijk om economisch te overleven door goede journalistiek te bedrijven? Natuurlijk! Of het nog mogelijk is om een kritische papieren krant te maken met grote oplage, uitsluitend gefinancierd door lezers? Ja, ik denk dat dit zeker ook mogelijk is, maar waarom zouden we het ons extra moeilijk maken? Het internet biedt betere mogelijkheden voor een kritische journalistiek. In de VS doen de TV programma’s Democracy Now! en The Young Turks het goed. Het internet staat vol met fantastische journalistieke verhalen en inzichtelijk commentaar. Goede informatie is beschikbaar, maar het bevindt zich in de marges van of helemaal buiten de mainstream media.”

Naast de invloed van eigenaren van de media en de adverteerders, is, volgens u, ook het derde kenmerk van het propagandamodel van toepassing op de Nederlandse media: ‘sourcing’.  Journalisten leunen voor hun informatie zwaar op overheden, bedrijven en andere vertegenwoordigers van de gevestigde orde.

“Officiële bronnen zijn prominent aanwezig in de verslaggeving. Dat is ook geen wonder. Tegenover elke Nederlandse journalist staan minimaal een paar pr-functionarissen. De Nederlandse overheid spendeert jaarlijks honderden miljoenen euro’s belastinggeld aan public relations.  Journalisten zien dat terug in het grote aantal persberichten dat ze te verwerken krijgen. Journalisten besteden veel tijd aan het bezoeken van persconferenties en andere pseudo-nieuwsevenementen, georganiseerd door overheden, bedrijven en andere instituten.”

“Voor commerciële media, die de kosten zo laag mogelijk willen houden, zijn die persberichten en persconferenties uiterst welkom, omdat ze zorgen voor een constant aanbod  van ruw nieuwsmateriaal, dat weinig bewerking nodig heeft, en dat geleverd wordt door organisaties met een zorgvuldig gecreëerd imago van betrouwbaarheid.”

“De rijken beïnvloeden de journalistiek dus met wat sommige academici ‘verborgen subsidies’ noemen. Ze leveren het ruwe nieuwsmateriaal gratis aan de journalisten. Dit werkt alleen omdat de media zo op de centen moeten letten, anders gaan ze ten onder in markt. Journalisten kunnen niet te kritisch zijn over de hofleveranciers van het nieuws. Parlementaire verslaggevers en politici hebben een symbiotische relatie. Ze hebben elkaar nodig, voeden elkaar. Journalisten die erg kritisch berichten over bepaalde politici, verliezen hun toegang tot die politici. Journalisten die de politici te vriend houden, houden toegang en worden soms ook beloond in de vorm van adviesopdrachten en uitnodigingen voor het modereren van seminars en debatten.”

“Het beeld van de journalist die uit eigen initiatief op pad gaat, geheime ontmoetingen heeft en verborgen informatie aan het licht brengt is dus misleidend, want zo werkt het maar zelden. Het zijn de elites die het nieuws maken, niet de journalisten.”

U noemt nog een reden die journalisten ervan weerhoudt eigen ideeën voor verhalen uit te werken. Dat is het in de beroepsethiek ingebakken streven naar ‘objectiviteit’. Om te voorkomen dat ze ervan beschuldigd worden subjectief te zijn, kiezen ze voor de veilige weg – het citeren van officiële bronnen.

“Objectiviteit zegt dat journalisten geen activisten mogen zijn. Ze schrijven alleen op wat er ‘gebeurt’. Dus als de machtige politici het ergens over eens zijn, dan zal er weinig kritiek te lezen zijn in de media, zelfs als de politici het totaal verkeerd hebben of bijvoorbeeld iets doodzwijgen omdat het niet in hun belang is het er over te hebben. In de VS bijvoorbeeld gaat het politieke debat bijna nooit over armoede, maar over de middenklasse. Dus hebben de media het ook bijna nooit over de vele armen die de VS ‘rijk’ is. Omdat de Democraten zich niet verzetten tegen de door de Republikeinen gewenste oorlog in Irak, deed de pers dat grotendeels ook niet, met een ramp tot gevolg.”

“Objectiviteit betekent in de praktijk dat machtige bronnen voorrang krijgen in het nieuws. De journalistiek weerspiegelt vooral de verschillen van meningen van de elites onderling. Als de elites niet onderling van mening verschillen dan is er geen nieuws. Wat de bevolking denkt doet er nauwelijks toe.”

“Een oorzaak dat er zoveel entertainment-nieuws is, is dat dit commercieel slim is. Dat nieuws is makkelijk te krijgen en politiek veilig. Onderzoeksjournalistiek wordt wel gedaan in een commercieel systeem, maar blijft marginaal want het is duur en onzeker en politiek gevaarlijk. Het is gewoon geen aantrekkelijk product om te verkopen.”

Het vierde kenmerk van het propagandamodel is ‘flak’, oftewel luchtafweer. Als je als journalist ingaat tegen de gevestigde orde, word je aangevallen.

“De helft van de hoofdredacteuren van landelijke kranten in Nederland zegt dat politici zich soms beklagen over bepaalde berichtgeving, blijkt uit een studie. En het gebeurt dat zij verzoeken inwilligen om bepaalde informatie uit de krant te weren. Journalisten doen daarnaast aan zelfcensuur en trekken ideeën voor artikelen in, bijvoorbeeld omdat officiële bronnen niet mee willen werken, er druk ontstaat vanuit de adverteerders of de politiek, of als ze aanvoelen dat een idee voor een onderwerp niet past binnen de heersende ideologie. Geert Wilders heeft diverse pogingen ondernomen om flink te bezuinigen op de NPO uit ontevredenheid over de manier waarop de omroepen over hem berichten. Kritiek en dreigementen door elites hebben effect op de media.”

Het vijfde en laatste kenmerk van het propagandamodel is de heersende pro-marktideologie. Wat niet binnen die ideologie past, wordt weggefilterd uit het nieuws.

“Tijdens de Koude Oorlog heerste er in Nederland een pro-Amerikaans, anti-communistisch klimaat. Sinds de val van de Berlijnse Muur is daar het geloof in de markt voor in de plaats gekomen als oplossing voor alle problemen. Je ziet dat in de politiek, waar met de opkomst van de PVV, en het opschuiven van de PvdA naar het midden, een ruk naar rechts is ontstaan. Journalisten zijn hierdoor in een neoliberale omgeving beland. Je ziet dat de commerciële media de politiek betichten van oneerlijke concurrentie vanwege de overheidssteun aan de publieke omroepen, die dan ook heel veel hebben moeten bezuinigen.”

Chomsky en Herman hebben met hun ‘paired examples’ studie aangetoond dat de Amerikaanse media selectief berichten. Zo wordt een slachtpartij aangericht door een bevriende natie in neutrale termen beschreven of zelfs geheel verzwegen. Terwijl er schande van wordt gesproken als hetzelfde gebeurt in een land dat in conflict is met de VS.  Is dit al eens onderzocht voor de Nederlandse media?

“Lang geleden stuurde ik een voorstel voor een promotieonderzoek naar een gerenommeerde Nederlandse professor in de journalistiek om die studies van Herman en Chomsky ook voor de Nederlandse media te doen. De methode van ‘paired examples’ die ze gebruiken is sterk. Het toont duidelijk aan dat over vergelijkbare gebeurtenissen die min of meer tegelijkertijd plaats hebben heel verschillend wordt bericht, in het voordeel van de nationale elites, zoals de grote bedrijven en de gevestigde politieke partijen. Het is nogal wat als je de ‘vrije pers’ zo te kijk kan zetten. De professor schreef terug dat hij het geen goed voorstel vond, ten dele omdat het onderzoeksresultaat voor de hand lag. Dat klopt. Het resultaat ligt voor de hand: in de Nederlandse media zal je in grote lijnen dezelfde ongelijke behandeling van buitenlandse gebeurtenissen vinden die de belangen van de elites van het land weerspiegelt.”

“De enige studie die Herman en Chomskys werk heeft toegepast op de Nederlandse media, dus inclusief de ‘paired example’ methode, was een masterscriptie van Lex Rietman over de behandeling van verkiezingen in Centraal-Amerika in de jaren tachtig. De Amerikaanse pers volgde de conclusies van het Witte Huis. Verkiezingen werden ‘vrij’ genoemd als het Witte Huis dat deed en ‘oneerlijk’ als het Witte Huis dat deed.  Onafhankelijke verkiezingswaarnemers en mensenrechtenorganisaties kwamen overigens tot omgekeerde conclusies, maar zulke bronnen werden blijkbaar niet betrouwbaar geacht door journalisten. De Europese pers, ook de Nederlandse, zat op dezelfde wijze fout. Volkskrant-correspondent Jan van der Putten vormde overigens een eerbare uitzondering.”

“Meer in het algemeen blijkt uit ander onderzoek over de buitenlandberichtgeving in de Nederlandse media dat ze inderdaad een versie van de werkelijkheid tonen die de belangen van de politieke en economische elites dient en hun versies van de waarheid voorrang verleent. De berichtgeving over de Irak-oorlog is een duidelijk voorbeeld. De New York Times en Washington Post hebben overigens na de invasie de hand in eigen boezem gestoken. De Nederlandse kranten hebben dit nooit gedaan.”


Artikelen van Tabe Bergman:

Posted on

De zwakste schakel

Waarom verkeren we in deze situatie? Hoe kan het dat we het gevoel van naderend onheil en machteloosheid niet van ons af kunnen schudden? Hoe is het mogelijk dat een kleine groep bewapende mannen ons zo veel schade berokkent? Het antwoord is simpel: opoffering. In de lijn der erfgenamen van de Europese tradities is de moderne Nederlander de zwakste schakel. Hij is laf, angstig en verslaafd aan genot en comfort. Het antwoord is ook complex, maar laten wij voor vooralsnog de analyse zo veel als mogelijk simplificeren zodat wij een helder startpunt hebben van waaruit we kunnen vertrekken.

Ergens in het nabije verleden zijn onder invloed van het radicaal-progressieve en liberale wereldbeeld de barrières van onze Europese tradities grotendeels naar beneden gehaald. De hoop was dat goed voorbeeld goed doet volgen. Het Einde van de Geschiedenis was immers weer een stapje dichterbij. De Europeanen moesten de weg voorbereiden naar een wereld waarin geen ruimte meer zou zijn voor intolerantie, gebondenheid en onwetendheid. Het autonome individu zou zegevieren en zijn recht op zelfbeschikking opeisen. Wat er werkelijk heeft plaatsgevonden is dat de leegte die is ontstaan na de aanval op onze tradities eerst is gekoloniseerd door het commerciële (en het banale) en vervolgens door de barbaren van buiten.

De moderne Nederlander is inmiddels door en door bourgeois. Hij is een streng gesocialiseerd en afgericht dier dat niets liever wil dan dat de wereld ‘gezellig’ blijft. Er is geen enkele geestelijke bandbreedte meer over voor mentale hardheid. De Nederlander lijdt aan ‘RTL4-liberalisme’: de door televisiebeelden verlichte woonkamer is het podium waarop hij graag vertoeft. Hier voelt hij zich veilig en krijgt hij voorgeschoteld wat hij moet geloven. Buiten is echter de wereld op drift. Het leven zoekt nieuwe wegen, maar hier wil hij niets van weten. Strijd en vijand? Wij hebben markt en concurrentie. De staat? Wij hebben de maatschappij. Wilskracht? Je zal calculatie bedoelen. Een volk? Wij kennen louter het publiek, de arbeidskrachten en consumenten. Zijn geest en vocabulaire zijn gepacificeerd en zo ontworpen dat zij hem gehoorzaam houden. De sluwheid van dit ontwerp zit hem erin dat hij zijn laatste hoopje natuurlijke agressie alleen kan richten op zijn eigen soort: er is bij hem immers wel een visie op goed en kwaad (‘fout’) geprogrammeerd. Dit houdt de opkomst van antiliberale krachten tegen en de bourgeois stevig in het zadel. In deze denkwijze is de Nederlander (en westerling) echter idiosyncratisch. In zijn vermeende onbaatzuchtigheid ook, wat niets anders is dan een masker. Wanneer dit wordt afgeslagen blijft niets anders over dan een allesvernietigende zelf- en genotszucht. Geen enkel ander volk lijdt zo sterk aan liberalisme.

De terugtrekking in de warme woonkamer en de erosie van verantwoordelijkheidsgevoel voor het historische en het gemeenschappelijke laten de buitenruimte onbewaakt en gevoelig voor kolonisering door externe machten. Dit is een natuurlijk proces dat zich constant overal en altijd voltrekt. Ook in Nederland. Het (fysiek) sterkere domineert altijd het zwakkere. De nabije toekomst behoort daarom logischerwijs toe aan naar macht-strevende volkeren en groeperingen met een antiliberale ethiek en een sterk gemeenschapsgevoel. De moderne West-Europeaan is een ziektesymptoom. Die diagnose is reeds ook door de andere volkeren gesteld. Zij zijn het medicijn dat het zieke, verzwakte lichaam komt vullen met nieuwe energie.

In het westen doet men zo nu en dan een poging om gemeenschapszin en strijdlust te imiteren. Moderne mensen met een uitgesproken links(liberaal) wereldbeeld willen een kunstmatige gemeenschapszin gebaseerd op universele waarden forceren. Moderne mensen met een uitgesproken rechts(liberaal) wereldbeeld willen een strijd van allen tegen allen faciliteren binnen de kaders van een historische gemeenschap. De rest kiest voor een variant op of vermenging van bovenstaande houdingen. Gemeenschap vereist echter de wil tot opoffering. Niemand wil sterven voor abstracte waarden en niemand wil zich opofferen voor iemand die hij tevens op dagelijkse basis beconcurreert in de markt. Dit is het centrale probleem van de moderne samenleving: het gebrek aan echte binding met elkaar en het verlies van de wil tot opoffering voor elkaar.

Stel dat we de grenzen sluiten, dan is het links-liberale wereldbeeld daarmee nog niet uit Nederland verdwenen. Er is geen positieve affirmatie van onze tradities, geen historisch besef, geen culturele vitaliteit of breed gedragen geestelijke bezinning. Het enige wapen dat we nu effectief kunnen inzetten tegen vijanden is de kleinburgerlijke angst voor het verlies van ‘brood en spelen’. Deze angst kan echter leiden tot onwenselijke vormen van nationalisme. Het probleem met ‘marcheren door de straten’ is dat dit onherroepelijk zal leiden tot onnodig bloedvergieten. Robespierre heeft immers ook zijn eigen hoofd verloren. Daarnaast is nationalisme een slecht wapen om beschaafdheid en traditie te stimuleren. Zeker in de huidige tijd. Het kost geen enkele moeite om xenofobisch te zijn, dat zit in onze aard (mensen zijn groepsdieren). Anti-modern zijn daarentegen kost veel meer inspanning (studie, contemplatie, debat). Iets waarvoor niemand meer geduld lijkt te hebben.

Er lijken zich drie scenario’s voor te doen. De eerste is de meest voor de hand liggende: de bourgeois verklaart geen andere vijanden te hebben dan zijn eigen intolerantie. Hij helpt zijn vijanden door inactief te blijven en zich in zijn woonkamer op te sluiten. Hij kan zich bekeren en vredig verder leven in gevangenschap. Hij is de zwakste schakel en breekt de ketting van onze tradities voorgoed. De tweede is mogelijk, maar zeer onwenselijk: hij kiest een sterke leider om schoon schip te maken. Dit is de keuze voor de totale oorlog van allen tegen allen. Het volk zal langzaam militariseren. Meestal gaat hieraan een groeiende politiestaat vooraf. Het groepsdier zal wakker worden en allen zullen ‘vuile handen’ hebben. Ik vraag mij sterk af of dit tot de herwaardering van onze tradities zal leiden. De derde optie is het meest wenselijk, maar onwaarschijnlijk: een significante groep mannen staat op en verdedigt de rest van het volk. In dit scenario hoeft niet iedereen zijn handen vuil te maken. Deze mannen offeren zich op en zullen ook een nieuwe staat gaan vormen. Dit noem ik het aristocratische model. In dit scenario wordt de bourgeois teruggestuurd naar het domein waar hij hoort: de economie. De economie wordt teruggestuurd naar haar rechtmatige plaats, onder de beteugeling van de politiek. De bourgeois zal niet meer over de bourgeois regeren. Dat recht heeft hij immers verspeeld. Alleen in dit scenario kunnen we hopen op een uitkomst waarin traditie weer over commercie regeert en wij allen over onze vijanden.