Posted on

Geen voorbede meer in de kerk: hoe de privacywet de samenleving verzwakt

Hij zat er al jaren aan te komen, maar geldt sinds 25 mei echt: de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Deze Europese regelgeving dient de burger te beschermen tegen inbreuken op zijn privacy.

Bij privacy-inbreuk denken we allemaal aan Facebook dat al je stappen op internet volgt of Albert Heijn die je bonuskaartgegevens doorverkoopt aan zorgverzekeraars. Daar is meer restrictie gepast. Hoe groter de bedrijven en hoe geavanceerder de digitale technologie, des te meer controle en beperkingen moeten er zijn.

Maar de AVG geldt niet alleen voor grote bedrijven. Ook voor de voetbalclub waar uw zoontje voetbalt met F7. Als de jochies dit seizoen de beker winnen, dan zou het toch leuk zijn om op de website van de voetbalclub een foto te hebben van de kleine kampioenen.

Mag niet. Behalve als de voetbalclub schriftelijk toestemming verkrijgt van de ouders van de afgebeelde kinderen. Ook van de ouders die er niet zijn. Geen clubbestuurder of coach die midden in het feestgedruis de moeite wil nemen. Dus komt er geen foto.

Je kunt nog betogen dat publicatie van de foto’s onnodig is. De fotograaf kan het toch rondmailen. En er zijn gegronde redenen om geen foto’s van jouw kind op het internet te hebben.

Anders ligt het bij kerken. Daar zijn niet zozeer foto’s maar wel het noemen van namen wezenlijk voor de werking. Zo is er de voorbede, waar de zieken bij name genoemd worden. Het is christelijke naastenliefde de zieken te noemen en voor hen te bidden. Maar strikt gezien mag het niet van de AVG. Tenzij de doodzieke mevrouw Jansen een krabbeltje zet, iets waartoe ze fysiek niet in staat is.

Het noemen van namen gebeurt in kerken ook bij de aankondiging van sacramentstoediening: wie er gedoopt wordt, wie er trouwen. Zulke sacramenten zijn rites de passage van de gemeenschap. Ze markeren wie nog buiten staat, wie (verder) toegetreden is. Voor de identiteitsbeleving van een gemeenschap van essentieel belang. Volgens de AVG ook verboden, tenzij er schriftelijke toestemming is.

Er kunnen gegronde redenen zijn om niet genoemd te worden in de kerk. Bijvoorbeeld als je moslim bent en gedoopt wordt, maar represailles van je omgeving vreest. In dat geval vraag je de priester of dominee om je naam uit het kerkblad te houden. Probleem voorkomen.

De AVG vertrouwt de priester en dominee niet om dit soort problemen te voorkomen. De AVG vertrouwt eigenlijk geen enkele burger. De regelgeving is opgesteld vanuit een fundamenteel wantrouwen jegens burgers. Zij moeten preventief tegen elkaar beschermd worden. Uiteraard door de staat. Die moet tot in de kleinste details reguleren hoe burgers met elkaar omgaan.

Het effect van de AVG is een verdere verzwakking van het sociale weefsel. Verenigingen, kerken en sportclubs mogen niet immers meer met namen en foto’s de successen en mijlpalen van hun gemeenschap vieren. Leden worden minder betrokken, drijven zelfs weg.

Het effect is ironisch. Wie wegblijft, blijft tegenwoordig thuis. Lekker op Facebook, Instagram, Whatsapp. Sociale media die door hun slimme techneuten en sluwe juristen altijd wel gaten in de AVG-omheining vinden, om jou zoveel mogelijk uren vermaak te schenken. De kerk of vereniging verliest, Facebook wint.

De Europese Unie wil zich met de AVG wederom doen gelden als beschermer van de burger, tegen de techgiganten. Toch kwam Mark Zuckerberg in mei om verantwoording af te leggen voor de werkwijze van zijn firma Facebook. De retorisch zwakke en allerminst charismatische Zuckerberg beantwoordde amper de vragen, maar vertrok met opgeheven hoofd uit Brussel. Misschien dat hij allang wist dat de AVG voor sociale media een klinkende overwinning is?

Posted on

Is het slopen van de sociale media het ware doel van de AVG/GDPR?

Het zal u niet ontgaan zijn dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AGV, GDPR in het Engels) in de Europese Unie in werking is getreden. Mijn email-postvak zat vanochtend vol met e-mails van bedrijven die nodig hun privacy-voorwaarden moesten bijwerken en het nodig vonden mij hierover te informeren. Nu is dat niet zo erg. Daarvoor hebben alle e-mail-postvakken immers een massa-verwijderknop.

Wat wel een probleem is, en wat waarschijnlijk op termijn duidelijk gaat worden, is dat de GDPR volgens mij zo geformuleerd is dat het voor hele specifieke toepassingen, zoals de sociale media-platformen van Google, Facebook, Microsoft, Apple en andere technologie-reuzen best een kostbare zaak gaat worden.

De GDPR, voor zover die nog introductie behoeft, is nieuwe regelgeving vanuit de Europese Unie om bedrijven te verplichten anders om te gaan met gegevens van gebruikers van online-diensten. U krijgt bijvoorbeeld het recht om vergeten te worden. U krijgt het recht om al de gegevens te zien die een website over u verzameld heeft. Het klinkt allemaal prima. Op zich is met de intentie ook niets mis. Er zijn volgens mij 2 kanten aan deze zaak. Enerzijds de sociale media-platformen die inderdaad soms hun boekje te buiten gaan. Maar anderzijds is er nu ook de EU die met een bazooka op een mug schiet.

Ik wil op geen enkele manier het gedrag van Facebook of Google bij daadwerkelijke privacy-schendingen goedpraten. Sterker nog, er zijn goede redenen om deze bedrijven een beetje te wantrouwen. Zo zijn er aanwijzingen dat In-Q-Tel, een investeringsfonds van de Amerikaanse veiligheidsdiensten, op zijn minst een gepaste donatie gedaan heeft in het begin van het bestaan van zowel Google als Facebook. Het gebruik maken van deze diensten kan gezien worden als je gegevens direct opsturen naar de NSA, de Amerikaanse veiligheidsdienst belast met deze zaken.

Het doel van In-Q-Tel? Amerika moet vooraan in de strijd blijven als het gaat om technologische vooruitstrevendheid. Er is dus een strategisch belang gemoeid met het investeren in Google en dergelijke.

Toch is ondanks dit bezwaar het gebruik van Facebook, Twitter, Google, Microsoft en Apple-producten ieders goed recht. En in verreweg de meeste gevallen registreren deze bedrijven alleen de gegevens die mensen zelf naar die bedrijven toebrengen. Mag Facebook weten dat u graag champignon-pizza eet? Natuurlijk wel. Zeker Facebook en Twitter zijn bijzonder goede manieren om buiten het bestaande media-discours om informatie te verspreiden.

Technisch gezien hebben Facebook, Twitter en Google best een groot probleem. Ze beheren gigantische hoeveelheden complexe data over al hun gebruikers en alle mensen die anoniem gebruik hebben gemaakt van hun diensten en dus niet meer traceerbaar zijn. Het “recht om al je gegevens te kunnen opvragen” faciliteren kan daarom worden opgevat als een poging van de Europese Unie om een juridische stok te hebben om deze bedrijven mee te slaan. Als hier niet aan voldaan wordt is de boete voor Facebook bijvoorbeeld 1,3 miljard euro en voor Google 4,3 miljard euro. Het is dus van tweeën één. Ofwel ze moeten kostbare investeringen doen om te voldoen aan de wetgeving. Ofwel ze krijgen een torenhoge boete.

Genoeg om zowel Facebook en Google pijn te doen dus. Tel daarbij op dat Facebook al eerder kwalijk werd genomen dat het “nepnieuws” verspreidde. Deze wetgeving heeft hiermee de kwade reuk dat het andere doelen dient dan direct zichtbaar aan de oppervlakte.

Als het slopen van de sociale media niet het doel is van de GDPR is dan is dat voor de ongekozen voorhoede van de EU en hun marionetten op zijn minst een gunstig neveneffect. Voor de rest van ons ongunstig.

Posted on

“Er zijn altijd alternatieve feiten voorhanden”

“‘Een beroep doen op de feiten’ is een morele of politieke handeling die met wetenschap niets van doen heeft. Zo’n beroep behelst immers onvermijdelijk een keuze uit een scala aan beschikbare feiten die niet op strikt wetenschappelijke gronden kan worden gerechtvaardigd”, schrijft hoogleraar sociologie aan de Katholieke Universiteit Leuven Dick Houtman in de jongste editie van Christen Democratische Verkenningen, het tijdschrift van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA.

“Er zijn immers altijd ook heus nog wel ‘alternatieve’ feiten voorhanden: feiten die men zelf ‘niet belangrijk’ vindt, of zelfs zo onaangenaam dat men hun bestaan maar liever helemaal verdringt om de roze levensbeschouwelijke bloemetjeswereld waarin men leeft intact te kunnen houden”, zo vervolgt de hoogleraar.

“Feiten zijn niet belangrijk of onbelangrijk; men kan ze alleen maar belangrijk vinden.” Hieruit volgt volgens de socioloog dat verschillende politieke en levensbeschouwelijke groepen, gevraagd naar de belangrijkste maatschappelijke problemen, op verschillende zaken wijzen: “Bij politiek rechts gaat het bijvoorbeeld om criminaliteit, misbruik van sociale voorzieningen, of overheidsbemoeienis met de inkomensverdeling, terwijl politiek links desgevraagd eerder wijst op intolerantie, racisme, of armoede.”

Het hele artikel is hier te lezen: Feiten? Welke feiten?!Over fact-based en fact-free politics (pdf)

Posted on

Eric van de Beek bij Café Weltschmerz over Nepnieuwsexplosie

Onze medewerker Eric van de Beek was onlangs opnieuw te gast bij Café Weltschmerz, waar hij door Teun Gautier geïnterviewd werd naar aanleiding van het recent verschenen boek Nepnieuwsexplosie, waarover Van de Beek samen met communicatiewetenschapper Tabe Bergman de redactie voerde.

Nepnieuwsexplosie is een bundel artikelen over desinformatie in de Nederlandse media. In dit boek buigt een groep kritische journalisten en academici zich over de prangende vraag wat nepnieuws is en waar het vandaan komt. Aan de hand van onder meer de oorlog in Syrië, de ramp met vlucht MH17 en de doodgezwegen Amerikaanse invloed op de Nederlandse pers, tonen de auteurs dat het zogenaamde kwaliteitsnieuws keer op keer een vervormd beeld van de werkelijkheid geeft. Journalisten dienen, vaak zonder dat zij er zelf erg in hebben, de belangen van de politieke en economische elites – niet die van de gewone burger.

De bundel bevat bijdragen van onder andere Willy Van Damme, Stan van Houcke, Arnold Karskens en Cees Hamelink. Het boek is verschenen bij Uitgeverij De Blauwe Tijger:

Nepnieuwsexplosie ~ Tabe Bergman & Eric van de Beek (red.)

 

Posted on

Waarom Lubach het nét niet snapt en we juist allemaal op Facebook moeten blijven

In ‘Zondag met Lubach’ laat Lubach zich dan wel kritisch uit over de gevestigde media maar roept desalniettemin dringend op om massaal Facebook te verlaten. Hij zegt het even tussen neus en lippen door: Google is wellicht erger en daar hebben we het nog wel eens over. Maar wat Lubach lijkt te vergeten is dat we niet meer zomaar terug kunnen. Zolang we niet in zijn geheel stoppen met het gebruik van alle elektronische communicatie en niet in een hutje op de hei gaan wonen, is zijn oproep totaal zinloos. Facebook is namelijk ook een effectief instrument dat tegen de gevestigde macht (waar het platform onderdeel van is) gebruikt kan worden.

De hele discussie rondom nepnieuws, dus het ontmaskeren van verhalen die in het geheel verzonnen zijn en waar o.a. minister Ollongren zich hard voor maakt, leidt af van waar het werkelijk om gaat: de stroom aan eenzijdige, gekleurde desinformatie die veelal via gevestigde mediakanalen verspreid wordt en die ons een bepaalde kant op laat denken. Toevallig een kant die de buitenlandpolitiek van de VS en bondgenoten goed uitkomt. Denk aan: Rusland is een bedreiging en Poetin een dictator. De rebellen die tegen Assad strijden zijn goed en alle anderen zijn slecht.Op het eerste gezicht lijkt er met Lubach niks aan de hand, hij stak eerder nog de draak met Ollongrens bewering dat we zouden worden bedreigd door een nepnieuwslawine afkomstig uit Rusland. Echter, hoe toevallig is het dat juist zijn programma geproduceerd wordt door de partner van Ollongren? Gevalletje gecontroleerde oppositie?

Door een aantal tegendraadse FB-gebruikers worden de dominante nieuws-frames voortdurend kritisch tegen het licht gehouden. Vermoedelijk begint dit wat vervelende vormen aan te nemen, en Zuckerberg die toch al 44,6 miljard dollars in zijn zakken heeft, schikt zich daarin. Los van advertentie-inkomsten gaat het namelijk niet om die 80% die eet- en vakantiefoto’s upload, het gaat om die 20% die wakker begint te worden en het geldende narratief bevraagt.

Het is historisch gezien nog nooit voorgekomen dat kritische denkers zich online kunnen verenigen en middels een systeem van volgers, miljoenen mensen kunnen bereiken. Het is waarschijnlijk om die reden dat we nu bang worden gemaakt. Het effect van sociale media loopt uit de hand, is te oncontroleerbaar geworden. Naast Twitter is er geen ander platform dat zoveel mensen vanuit verschillende werelddelen en achtergronden verbindt. En dus ook de critici van de huidige machtsorde, in feite de echte blaffende honden van onze democratie. Dit gaat niet alleen over informatieverspreiding, maar ook de online discussies en privé gesprekken tussen personen die gevoerd worden.

Uiteraard heeft Lubach gelijk dat we niet naïef moeten zijn over hoe de wereld werkt. De Cambridge Analytica-rel is hét bewijs dat sociale mediaplatforms gevaarlijk dicht tegen de macht aanschurken. Echter, zijn oproep om er nu massaal vanaf te gaan is in feite net zo dom en volgzaam als het vertrouwen erin. Niet in de laatste plaats omdat de mainstream media ons dit nu al een paar weken voorschrijven. Het punt is: je kunt het namelijk ook als tool gebruiken om juist in het symbool van zieke Amerikaanse informatiezucht alternatieve meningen te blijven verspreiden. Het is dus revolutionairder om juist op Facebook en Twitter te blijven.

Ik denk in ieder geval niet dat er verandering in schuilt om nu allemaal van Facebook te gaan of voorzichtiger te worden in wat we posten. In die zin ontkent Lubach eigenlijk de realiteit, zijn voorstel is een stap terug in de tijd. Laten we niet onze ogen sluiten voor de positief ontwrichtende werking die een instrument als Facebook net zo goed in zich heeft. Het is niet voor niets dat een land als China een Amerikaans sociale mediaplatform als Facebook verbiedt.

Nu leven wij niet in een autoritaire staat, in het vrije Westen kunnen journalisten formeel schrijven wat ze willen. Toch heerst er een bepaalde consensus over hoe de wereld in elkaar steekt, juist die consensus wordt op sommige kanalen op Facebook of Twitter in twijfel getrokken.

Het is overigens niet zo dat er sprake is van een simplistisch complot, er is iets veel ingewikkelders aan de hand. Hoe dat werkt werd al in 1988 door de Amerikaanse geleerden Edward Herman en Noam Chomsky beschreven in ‘Manufacturing Consent’. Hun inzichten zijn uiterst relevant om de controverse rondom Facebook te begrijpen.

Herman en Chomsky constateerden dat, ondanks de toegang tot enorme hoeveelheden informatie, het overheersende narratief in de vrije pers desalniettemin behoorlijk eenzijdig bleef. Ze onderzochten de vraag hoe het kan dat Westerse democratie niet per se leidt tot een grotere diversiteit aan tegenstrijdige opinies. Volgens hen was (en is) er in het Westen sprake van een ingenieus propagandamodel waarbij de media in de greep is van kapitalistische machten (overheden en bedrijven). Daarmee bedoelden ze dat onze politici dus niet opkomen voor de belangen van de gewone man maar eerder de belangen behartigen van grote multinationals.

De media-theorie van Chomsky en Herman gaat uit van een vijftal ‘filters’ die bepalen wanneer iets nieuwswaardig is. De eerste is: de bepalende invloed van de eigenaar van het medium, de tweede zijn de adverteerders die tevreden moeten worden gehouden, het derde filter betreft selectieve en dominante bronnen (denk aan de woordvoerders van ministeries of bedrijven waar journalisten op af gaan voor informatie). Het vierde filter is het fenomeen dat fundamenteel tegenstrijdige opinies vrijwel meteen als onbetrouwbaar en onwaar worden neergezet. Zoals je bijvoorbeeld direct een Poetin-aanhanger bent als je kritische vragen stelt over de Rusland-hetze. Als laatste speelt angst-ideologie een grote rol. Tijdens de Koude Oorlog was dat het communisme, tegenwoordig is dat terrorisme of niet-Westerse autoritaire regimes die een bedreiging zouden vormen voor onze vrijheid. Geopolitieke conflicten (die negen van de tien keer over olie of gas gaan) worden ons aangesmeerd onder het mom van democratie en humanitaire missies.

De werking van de Westerse democratie en de verhouding met de media is dus een propaganda-categorie op zichzelf. Toen Herman en Chomsky hun theorie ontwikkelden waren er natuurlijk nog geen sociale media, maar het inzicht dat de gevestigde macht (waar Facebook ook deel van uitmaakt) de media als tool gebruiken is ook nu van cruciaal belang. Voor een ieder die democratie en vrije pers hoog in het vaandel hebben staan: laten we die macht dan ook met dezelfde tools bekritiseren.

Kort gezegd zijn Facebook en Twitter mijn ochtendkranten waarvan waarschijnlijk 80% onzin is en 20% enigszins relevant. Toch wil ik, ondanks de grote bulk onzin, voor mijn nieuwsvoorziening en opinievorming in geen geval afhankelijk zijn van NU.nl en NOS (en dan eveneens gevolgd worden door wat ik op Google intik.) Het Amerikaanse Ministerie voor de Binnenlandse Veiligheid (Homeland Security) werkt niet toevallig aan een online databank om ‘sociale media beïnvloeders’ te monitoren. Facebook en Twitter zijn een bedreiging gaan vormen voor de consensus en dat is op zichzelf geen slechte ontwikkeling.

Dus nee Lubach, zolang je niet onder een steen gaat zitten en gewoon je iPhone en Google blijft gebruiken, heeft stoppen met Facebook geen enkele zin. Integendeel, je speelt de macht in de kaart!

Posted on

“Laat je niks wijsmaken”

Psycholoog Dr. Jaap van Ginneken is een vreemde eend in de bijt van de communicatiewetenschap. Waar de meesten van zijn generatiegenoten hun ‘systeemkritiek’ op de nieuwsmedia afzwoeren, bleef Van Ginneken een luis in de pels van de journalistiek. Zijn in 1996 verschenen boek, De schepping van de wereld in het nieuws, waarin hij ‘101 vertekeningen van het nieuws’ uiteenzette, werd tot leerboek aan scholen voor journalistiek in tal van landen, waaronder laatst zelfs nog in China.

Deze maand verscheen van Van Ginneken een biografie over het bewogen leven van de joodse Duitser Kurt Baschwitz, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als correspondent naar het neutrale Nederland kwam, terug in de Weimarrepubliek opklom tot hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad voor krantenuitgevers, in 1933 terugkeerde naar Nederland op de vlucht voor de nazi’s, tijdens de Duitse bezetting zat ondergedoken, korte tijd in kamp Westerbork zat opgesloten, na de bevrijding als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land.
De 74-jarige Van Ginneken gaat nu met pensioen. De Baschwitz-biografie is zijn laatste boek. Eerder, in 2004, stopte hij al met het doceren aan de vakgroep communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Een gesprek over het commerciële en propagandistische karakter van de nieuwsmedia.

In de jaren zeventig was er vanuit de Nederlandse communicatiewetenschap veel kritiek op het ‘kapitalistische’ karakter van de pers. Sindsdien is de invloed van adverteerders alleen maar toegenomen en is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden. Maar de kritiek daarop vanuit de communicatiewetenschap lijkt verstomd. Hoe zie jij dat?

Die is inderdaad afgestorven, maar daar zitten twee kanten aan. De systeemkritiek van de jaren zeventig was te primair en te simpel. Die had in die zin geen bestaansrecht meer. Mijn boek De schepping van de wereld in het nieuws is een poging geweest om te laten zien de commerciële invloeden op de nieuwsmedia complexer zijn dan tot dan toe werd gedacht.

Zijn het inmiddels de adverteerders die bepalen of een publicatie kan overleven? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor de manier waarop ons het nieuws wordt gepresenteerd?

Adverteerders oefenen zelden rechtstreeks invloed uit. Als je een lelijk stuk schrijft over bodymilk van Dove is het niet zo dat meneer Unilever op hoge poten met de hoofdredactie belt. Het belangrijkste hier is wat ik heb genoemd het ‘Umfeld’. Er zijn bepaalde redactionele omgevingen waarin een adverteerder graag verschijnt. Glossy-magazines bijvoorbeeld. Die krijgen maar een fractie van hun inkomsten uit de verkoop van losse nummers. Het grootste deel komt uit dure advertenties. Die bladen staan vol redactioneel materiaal waar adverteerders graag tussen willen staan. Stukje over mode, een nieuwe bodycrème, leuke reisjes. De glossy’s venten comfortabele illusies uit die zich helemaal hebben losgezongen van de werkelijkheid.
Het omgekeerde zie je bij een blad als de Groene Amsterdammer, met alsmaar intellectuele stukken, en vroeger: kritisch gezeur over dit is niet goed en dat is niet goed, en de wereld gaat naar de kloten. Dat is voor adverteerders niet erg aantrekkelijk. De Groene heeft een geniaal ding gedaan in de meer dan honderd jaar dat ze bestaan: ze hebben nooit met geld gesmeten, en hebben de verleiding weerstaan geld te lenen om te kunnen expanderen. HP/De Tijd en Vrij Nederland hebben meer financieel risico genomen. Die zijn daardoor van weekbladen tot maandbladen gedegradeerd. Ook het afnemende aantal drank- en tabaksreclames in de opinietijdschriften heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Daar bestonden die bladen vroeger goeddeels van.

Je hebt gezegd: “Op zichzelf is er met commercie en reclame niks mis, als de pluriformiteit verder goed gewaarborgd blijft.” Vind jij dat we in Nederland een pluriforme pers hebben?

Op het eerste gezicht als je de kiosk binnenloopt en je ziet al die wanden met bladen, dan denk je: pluriform. Maar dat wordt anders als je ziet dat het bijna allemaal glossy’s en modebladen zijn, dat er nog twee opinieweekbladen over zijn en dat de weekendbijlagen van de kranten zijn verworden tot een soort advertentiefuiken met human interest en rubriekjes over ditjes en datjes. De algemene trend is dat de consumptiepropaganda in de media moeiteloos de echt kritische analyses overstemt.

Wat betreft pluriformiteit: Zien we alle visies die er leven in de maatschappij voldoende weerspiegeld in de Nederlandse pers?

Het is niet zo dat wat het publiek denkt gereflecteerd zou moeten worden in de media. Het is juist de pers die het voortouw zou moeten nemen in het vormen van een visie op wat er in Den Haag gebeurt, hoe onze economie reilt en zeilt, enzovoort. Journalisten worden ervoor betaald kritisch te zijn en met een eigen visie te komen, en dat geldt trouwens ook voor wetenschappers.

We hebben voorbeelden gezien van breed gedragen visies in de maatschappij waar de pers volledig aan voorbij ging. Zoals over de problemen met de multiculturele samenleving, of, meer actueel, over de demonisering van Rusland in de media, waarover in lezersrubrieken veel geklaagd wordt.

Het is waar dat er te weinig en op de verkeerde manier is bericht over problemen die gepaard gingen met de multiculturele samenleving.

Maar je zegt dus eigenlijk: pluriformiteit moet niet komen van een pers die alle geluiden in de samenleving een stem geeft? Pluriformiteit moet komen van journalisten die van bovenaf het publiek vertellen waar de problemen liggen?

Populisme, zoals het genoemd wordt, heeft zeker bijgedragen aan het op de agenda plaatsen van onderwerpen die ten onrechte onbelicht of onderbelicht zijn gebleven. Maar waar het mij om gaat: veel kritiek blijft aan de oppervlakte hangen, graaft niet erg diep, is niet in staat de achterkant van het gelijk inzichtelijk te maken. Er is in de pers te weinig radicale systeemkritiek. Er staan wel kritische artikelen in de krant, maar dat gaat vooral over de ene columnist tegen de andere. Youp van ’t Hek die flink tekeer gaat is natuurlijk wel geestig, maar het is niet wat een kritische pers inhoudt. Het gaat er om dat je redacties uitrust met voldoende middelen om de onderste steen boven te krijgen. Er zou veel meer onderzoeksjournalistiek moeten zijn. Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.

Hoe zie jij de concentratie van de pers? De monopolievorming op de dagbladenmarkt?

Het feit dat er nu twee bedrijven zijn die meer dan negentig procent van kranten in handen hebben hoeft niet per se te leiden tot een slechte journalistiek. Het betekent wel dat winstbejag een grotere rol is gaan spelen. Een onrendabele krantenonderneming kan niet bestaan anno nu. In het verleden waren er veel onrendabele ondernemingen. Die werden gesubsidieerd door de zuil waar ze toe behoorden. Het nadeel daarvan was dat ze de zuil naar de mond praatten. Daar stond tegenover dat ze zich weinig aan de adverteerders gelegen hoefden te laten liggen. Maar in elk geval hadden we in de tijd van de verzuiling wel vijf verschillende ideologieën die met elkaar streden over onderwerpen. Nu is alles onderhorig gemaakt aan de commerciële ideologie, het Umfeld-effect wat ik noemde.

De nieuwsmedia zijn al een halve eeuw een studieobject voor jou geweest. Kun jij nog een krant openslaan of naar een tv-journaal kijken met het doel kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt?

Nee. Ik kan alleen nog naar het nieuws kijken met de vraag: Wat gaat er achter schuil? Waarom is dit opeens in het nieuws? Waarom wordt iets opeens heel groot, terwijl andere zaken nog geen seconde aandacht krijgen? Wie heeft daar belang bij? Was die of die persoon of instelling in de positie om dat nieuws een handje te helpen? Past het binnen een cultuurverschuiving waardoor er opeens iets zichtbaar wordt?

Journaals zijn niet jouw favoriete nieuwsvoorziening?

Zoals de meeste mensen van mijn generatie kijk ik nog trouw naar het journaal, zowel op de Nederlandse als de Franse televisie. Ik zie het televisienieuws als een soort collectieve psychotherapie. Mogelijke bedreigingen van ons wereldbeeld worden opgeroepen, geïdentificeerd, geëtiketteerd, gecategoriseerd, ‘behandeld’ en vervolgens weer opgeborgen. Voor dit doel voert de presentator iedere dag een hele stoet autoriteiten en experts ten tonele. Zij stellen gerust, zodat we onbezorgd kunnen gaan slapen.

Jij hebt vaak gesteld dat objectiviteit niet bestaat, en dus ook niet voor journalisten. Wat is dan volgens jou de juiste grondhouding?

Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken. Je moet je altijd afvragen: ‘Wie heeft er belang bij dat dit verhaal op dit moment bij mij terecht komt?’ Behalve als je te maken krijgt met zoiets als vulkaanuitbarsting in een ver land, dan zal het niet snel gebeuren dat iemand er een speciaal belang bij heeft dat in de krant te krijgen.

Als je als journalist niet objectief kunt zijn, mag je wel geëngageerd zijn?

Het kan legitiem zijn om als journalist begaan te zijn met een bepaalde zaak, en dat je daar alsmaar aandacht voor vraagt. Maar je moet dan uitkijken dat je niet in een bubble belandt, waarin kritische geluiden en relevante tegenspraak je niet meer bereiken.

Wat zijn sinds de jaren zestig de belangrijkste veranderingen die je hebt gezien in de nieuwsmedia?

Over misschien de belangrijkste grote verandering hebben we het al gehad. De media zijn vrijwel allemaal commercieel geworden. De publieke omroepen een beetje minder dan de rest. Maar de strijd om de kijkcijfers werkt deels in het verlengde daarvan.

Een andere grote verandering is de audiovisualisering. Beeld en geluid zijn leidend geworden. Als er geen beeld van is dan zullen de journaals er niet snel mee openen, en dan zullen vervolgens de kranten er minder snel aandacht aan besteden. Het audiovisuele is de belangrijkste bron geworden van informatie en educatie.
De elektronisering heeft er bovendien toe geleid dat elke nieuwtje dat ergens op de wereld bekend wordt een paar seconden later bij ons op internet verschijnt of op de journaals. Met alle hijgerigheid en pseudo-actualiteit van dien.
Dan is er de BN’erisering. Op tv zie je de hele dag Bekende Nederlanders die van het ene naar het andere spelletje rennen en van quiz naar talkshow doorschuiven. Ook in de kranten en bladen is het een komen en gaan van BN’ers.

Je schrijft dat weinig beroepsgroepen zo zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld.

Ik leerde al snel dat als je je polemieken op Nederlandse personages en media richtte je dat snel kreeg terugbetaald. Als je je polemieken op het buitenland richtte, bijvoorbeeld op wat er in de VS gebeurde, dan was dat veel veiliger.

Niettemin schreef De Journalist, het toenmalige huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over jouw boek De schepping van de wereld in het nieuws: “Men kan Van Ginnekens boek afdoen als oude, linkse koek. Maar wie het leest, komt net iets te veel voorbeelden tegen die tot nadenken stemmen.”

Ja, dat was fair. Maar verder heeft het boek weinig veranderd. Behalve misschien dat het de grond rijp heeft gemaakt voor de prachtige boeken die Luyendijk later schreef, over deels dezelfde onderwerpen.

Je hebt een boek geschreven over de joods-Duitse Kurt Baschwitz, die je als een van de grondleggers beschouwt van de communicatiewetenschap in Nederland, en die als eerste een journalistenopleiding begon. Wat is het belangrijkste dat je van hem hebt geleerd? 

Het belang van ruimte voor systematische tegenspraak. Die is er vaak niet. Baschwitz heeft dat gemerkt tijdens de opkomst van het nazisme en antisemitisme in Duitsland. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog. Ik heb toen vergeefs lopen leuren met een Nederlands artikel waarin ik uitvoerig beargumenteerde dat die atoomwapens van Saddam Hoessein waarschijnlijk helemaal niet bestonden. Niemand wilde het hebben. Het verscheen uiteindelijk pro forma in een klein wetenschappelijk blad.

Noam Chomsky cum suis hebben vastgesteld dat er in de mainstream media impliciete ‘limits of acceptable discourse’ worden gehanteerd, dat de ruimte voor tegenspraak vaak maar zeer beperkt is. Dat geldt bij uitstek bij hoog-emotionele kwesties in het internationale nieuws, en aan de vooravond van interventies en oorlogen. Het blijkt vaak pas decennia later, dat de werkelijkheid daarbij geweld werd aangedaan. 

Opvallend aan Baschwitz is dat hij een vrije pers en de vrijheid van meningsuiting als voldoende voorwaarden lijkt te zien voor een goed geïnformeerd publiek. Hoe zie jij dat? Is dat niet een beetje naïef?

Baschwitz leefde in een tijd van totalitarisme, crisis en oorlogen. De vrije pers en de vrijheid van meningsuiting stonden toen heel erg onder druk. Later is het allemaal een stuk ingewikkelder geworden. Co-optatie is volgens mij een van de meest effectieve maar goeddeels onzichtbare controlemechanismen in onze maatschappij geworden. Fabrikanten co-opteren wetenschappers en onderzoek die laten zien dat hun producten gezond en geenszins schadelijk zijn. De rijksten in de VS co-opteren een beleid en instellingen die hun visie onderbouwen en veel breder verspreiden dan logisch is. Toppolitici co-opteren staf en lagere echelons die inschikkelijk zijn. In al die gevallen wordt er formeel nergens dwang gebruikt, en blijft de fameuze keuzevrijheid schijnbaar onaangetast.

Bijzonder aan Baschwitz is dat hij tegen de tijdsgeest inging van het Interbellum, toen de democratie onder druk stond, vooral in Duitsland, met de zegen van veel intellectuelen. Die laatsten zagen ‘het volk’ als een bedreiging, als een blinde, kolkende massa die met propaganda in de goede richting moest worden gestuurd.

Baschwitz zag het inderdaad precies andersom. De gewone mensen waren volgens hem begiftigd met gezond verstand en medemenselijkheid. De massa is niet dom, maar wordt steeds door de terreur van een kleine minderheid op één hoop gedreven. Het kwaad kwam vooral van de elites, de intellectuelen inbegrepen. Als het volk al moest worden aangestuurd dan vond Baschwitz dat het moest gebeuren door een beroep te doen op hun goedheid, niet door misbruik te maken van hun zwaktes.

Je beschrijft dat Baschwitz ten tijde van de Weimarrepubliek zag hoe in Duitsland banken, ondernemers en overheden telkens opnieuw probeerden om een vinger in de pap te krijgen bij de pers, op zoek naar politieke steun. Hoe ver reikt volgens jou de invloed van de elites?

Uit het Amerikaanse Project Censored komt naar voren dat kwesties die zowel het bedrijfsleven als de overheid heel erg onwelgevallig zijn niet snel het nieuws halen. Terwijl er continu vaste contacten zijn tussen journalisten en ‘establishment’, zijn er veel minder contacten tussen journalisten en alternatieve nieuwsbronnen. Het grootste deel van het nieuws wordt bepaald door persberichten, persconferenties, officiële gebeurtenissen en uitingen van westerse overheidsinstellingen en bedrijven.

In hoeverre zijn wij allen gehersenspoeld, propaganda-slachtoffers? In hoeverre worden wij in ons denken beïnvloed door The Powers That Be?

In de communicatiewetenschap wordt vaak gewezen op het proces van agendasetting: het establishment en de media bepalen niet zozeer wat we denken, maar waarover we denken, de onderwerpen die ons bezighouden.

Frank Zappa zei: ‘Politics are the entertainment branch of industry.’ Staart de pers zich blind op de poppetjes in de politiek?

Ja. Een steeds groter deel van het nieuws bestaat niet uit serieuze informatie maar uit ‘celebrity theater’. Neem de voormalige premier van Italië, Silvio Berlusconi. Media en publiek waren nauwelijks geïnteresseerd in diens vermeende banden met de maffia en het geheime P2-genootschap, maar des te meer in zijn orgies met minderjarige meisjes. Of neem de voormalige president Bill Clinton. Zijn affaire met een stagiaire overschaduwde lange tijd alles wat zich in de Amerikaanse politiek afspeelde. Zelfs de kat en de hond van de Amerikaanse president krijgen meer aandacht in de internationale media dan sommige grote landen elders bij elkaar.

Terug naar Baschwitz. Die verbleef een deel van de Eerste Wereldoorlog als correspondent in Nederland. Je beschrijft hoe hij zich verbaasde over het gemak waarmee geallieerde propaganda in de Nederlandse kranten verscheen. Zoals het verhaal dat de Duitsers hun gesneuvelde soldaten tot veevoer verwerkten. En ook over de cartoons zoals in de Telegraaf over Duitsers afgebeeld als Neanderthalers die vrouwen verkrachtten en hun slachtoffers kruisigden. Er lijkt weinig te zijn veranderd sindsdien? 

In mijn boek Verborgen Verleiders heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan oorlogspropaganda. Ik beschrijf daarin hoe de VS steeds weer met succes de media gebruiken door met hele en halve leugens ‘nieuwe bedreigingen voor het Westen’ en hun oorlogen te verkopen. Het proces van agendasetting speelt daar een belangrijke rol in. De regering van de Verenigde Staten bepaalt meer dan enige andere instelling in de wereld wat mensen bezig houdt. Om een voorbeeld te noemen: iedere paar maanden maakt de Amerikaanse regering bekend dat uit haar satellietwaarnemingen blijkt dat deze of gene vijandige mogendheid ‘gevoelige’ technologie importeert, militaire installaties bouwt of legerdivisies in grensgebieden plaatst en daarmee een bedreiging voor anderen vormt. Vaak nemen de media dergelijke beschuldigingen klakkeloos over. Diezelfde bronnen en media vestigen haast nooit de aandacht erop dat de VS en hun bondgenoten ook voortdurend bezig zijn met de ontwikkeling van niet-conventionele wapensystemen en met de verplaatsing van militaire eenheden op een manier die door anderen als een bedreiging kan worden waargenomen.

Vergis ik mij of wordt er in de communicatiewetenschap nauwelijks nog studie gemaakt van oorlogspropaganda?

Er wordt vrijwel niets aan gedaan. Daarom trappen de regering en het parlement ook steeds opnieuw in leugencampagnes om bepaalde militaire interventies te rechtvaardigen. Keer op keer op keer, zonder dat er iets geleerd wordt. Na een paar jaar zijn die politici weer weg. Vaak worden ze pas kritisch als ze geen verantwoordelijkheid meer dragen.

Je schrijft: “Het principe van hoor- en wederhoor dat voor binnenlands nieuws hoog in het vaandel staat, wordt bij internationale conflicten waarbij het Westen partij is slechts hoogst zelden op een evenwichtige manier toegepast. Zodra een bron als ‘vreemd’ of ‘vijandig’ wordt aangemerkt, krijgt die vaak niet langer een serieuze behandeling.” Misschien heeft dat er mee te maken dat de Amerikanen communicatief sterker zijn dan andere volkeren?

De Amerikaanse pers zit in het hart van het wereldwijde communicatiesysteem, en laat zich in hoge mate aansturen door de autoriteiten. Op een conferentie over de Golfoorlog stelde Ed Cody van The Washington Post dat als er een conflict is waar de VS bij betrokken zijn de Amerikaanse regering met zoveel informatie komt dat het vrijwel automatisch de definitie wordt van wat er aan de hand is. Als er een reporter in Saoedi-Arabië, Koeweit of Bagdad zit die zegt: “Ho, wacht eens even, ik zit hier, ik praat juist met een betrokkene, en die zegt dat het helemaal anders zit”; dan wordt het geluid van die persoon wel doorgegeven, maar het legt geen gewicht in de schaal omdat het overstemd wordt door de lawine aan informatie die de Amerikaanse regering dagelijks over de media uitstort.

Hoe zie jij de strijd van overheden tegen wat ‘nepnieuws’ is gaan heten? Is dat een legitieme strijd? Volgens Cees Hamelink zijn overheden de grootste producenten van nepnieuws en zijn journalisten de belangrijkste distributeurs hiervan.

Hij heeft helemaal gelijk.

Zou Baschwitz zich thuis voelen op de Universiteit van Amsterdam anno 2018? Jouw jongere collega, communicatiewetenschapper Tabe Bergman schrijft: “Ik vermoed dat Baschwitz, (..) wiens boeken (..) over propaganda de nadruk legden op de schuld van de elites voor twee wereldoorlogen en andere ellende, zich nauwelijks thuis zou voelen tussen de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, die zich, ondanks al hun deugden, hebben toegelegd op kwantitatieve onderzoeken, die moeilijk leesbaar en te doorgronden zijn, zelfs voor de hogeropgeleide leek.”

Tijdens de presentatie van mijn boek in Spui25 in Amsterdam werd de vraag opgeworpen of Baschwitz zou worden aangenomen aan de UvA als hij nu zou solliciteren. De meningen liepen daarover uiteen. Er waren er die weerspraken dat Baschwitz aan de basis heeft gestaan van de communicatiewetenschap. Zij zien Baschwitz eerder als iemand die deel uitmaakte van de voorgeschiedenis, en ook als studeerkamergeleerde. Ik zeg in antwoord daarop: “Erudiet aan de huidige universiteit is eerder een vloek dan een zegen. De huidige universiteit is overgespecialiseerd en overmethodologisch.”

Posted on

Een briljant beschreven rit naar het einde van de beschaving

Meestal zijn jonge mensen vol enthousiasme en hoop over het leven dat voor hen ligt. Zo niet Sid Lukkassen, die, geboren in 1987, in zijn boek ‘De democratie en haar media’ een scherpe blik toont voor de gebrekkige samenwerking tussen de kiezers en hun vertegenwoordigers in de huidige democratie. Het boek eindigt met de metafoor van de verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht. Vanaf het begin tot het einde werkt het boek naar deze metafoor toe.

Het is ook geen detective waarvan je de clou niet mag verraden; het is een boek dat vanuit filosofische grondslagen onderzoekt waarom de communicatie tussen burgers in de overheid en burgers buiten de overheid niet wil leiden tot het geluk dat volgens Aristoteles het uiteindelijke levensdoel is. 

De drie hoofddelen van het boek

Het boek is grofweg in te delen in 3 delen (hoewel ze niet volledig binnen de hoofdstukken zijn te scheiden): Het eerste deel omvat de eerste 3 hoofdstukken en behandelt meerdere filosofen, zoals Rousseau, Rosanvallon, Nida-Rümelin, Ortega y Gasset, Crouch, en Byung-Chul Han. Deze filosofen uit de 18e, 19e en 20e eeuw worden na en naast elkaar behandeld. Zonder de onvermijdelijke complexiteit te ontwijken maakt het boek veel duidelijk. Weliswaar zijn er beperkingen bij de oudere filosofen merkbaar – omdat hun wereld nou eenmaal scherp verschilt van de onze – maar tegelijk blijkt ook dat de kern van hun bevindingen in grote mate overeind blijft. De mens heeft nu immers wel meer mogelijkheden voor communicatie, maar is en blijft nog steeds mens. Het is hierom mogelijk om Plato en Rawls naast elkaar te zetten al zitten er 23 eeuwen tussen hun levens.

Het tweede deel omsluit de hoofdstukken 4 t/m 7: hierin ligt het accent, vanuit deze filosofische beschouwingen en vergelijkingen, op de praktische uitwerking van de hedendaagse communicatiemogelijkheden op de democratie van vandaag. Gelardeerd met herkenbare en actuele voorbeelden maken de filosofische inzichten duidelijk hoe democratie zich in de praktijk ontwikkelde tot een kakofonie van stemmen en meningen in deze 21e eeuw.

Tenslotte is er het laatste hoofdstuk waarin aan de hand van 19 stellingen een ultieme invulling wordt gegeven aan hetgeen in het tweede deel al was voorbereid en waarin ook de filosofische fundamenten uit het eerste deel feilloos verweven zijn. Hier heeft de filosoof zijn ivoren toren verlaten en bewijst hij dat alle wijsheid uit deze ivoren toren naadloos terugkomt in de wereld waarin wij – eenvoudige mensen – onze rijke samenleving overdacht en onomkeerbaar naar de verdoemenis helpen.

Kan een democratie de eigen bestaansvoorwaarden zeker stellen?

Om de rode draad in zijn boek te borgen onderzoekt Lukkassen twee vragen: “Is het mogelijk dat een liberaal-democratische samenleving moreel kapitaal als burgerdeugd en vrijheidsliefde kan garanderen” en de vraag of het mogelijk is “dat de representatieve democratie is gebaseerd op communicatieve voorwaarden die deze democratie zelf maar in beperkte mate kan waarborgen.”

Lukkassen wijst hierbij met name op het belang van een mate van Öffentlichkeit (of public sphere) om te garanderen dat op deze vragen een positief antwoord gegeven kan worden. Het boek onderbouwt vervolgens dat deze mate van Öffentlichkeit in meerdere opzichten ontbreekt, waardoor dit positieve antwoord onvermijdelijk uit moet blijven.

Soundbites bevorderen vluchtige conclusies

Zo wijst hij onder meer op de grote ophef in het Midden-Oosten over het boek De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Deze ophef draaide puur rond beeldvorming, aangezien dit boek in dat deel van de wereld niet te koop was en dus niet werd gelezen. Het is één van de vele voorbeelden van beeldcultuur in dit boek. Een vergelijkbaar punt maakt hij met het simulacrum: een kopie van een origineel dat nooit bestaan heeft. Hierdoor kan – ook in onze open democratie – een bestaand beeld worden vervormd door (of tot) een soundbite. En terwijl het origineel beschikbaar is om te beoordelen richt de massa zich op het beeld dat is geschapen door het verkorte (en vaak: verknipte) bericht.

Zo neemt Lukkassen ons mee in een samenspel tussen deliberatie en acceleratie. Overpeinzing en vluchtigheid. Doordachte studies en vluchtige conclusies. Een samenspel waarin de menselijke geest onverbiddelijk wordt doorgrond in haar fatale zucht naar onlogische keuzes.

Het meest opmerkelijke van het boek is echter dat Lukkassen met dit boek zijn eigen ongelijk bewijst. Waar hij in alle geledingen van het boek aantoont dat grondig, inhoudelijk onderzoek het aflegt tegen soundbites en andere vormen van Twitter-geweld, doet hij dat in de hoge mate van deskundigheid, eruditie en grondigheid. De kwaliteiten waarvan hij aantoont dat ze in onze wereld geen schijn van kans hebben om gehoord te worden. Daarbij ondersteunt hij de kracht van het boek door columns en podcasts (verspreid via Facebook en e-mail) waarin niet alleen eenzelfde grondigheid aanwezig is, maar zelfs de poging tot vluchtigheid ontbreekt terwijl deze gremia zich juist uitstekend lenen voor vluchtigheid.

Het boek kan ons juist redden van de ondergang

Juist hierdoor ben ik van mening dat dit boek een basis legt die uitdaagt om steeds opnieuw te bestuderen en doordenken en daarmee bijdraagt aan de kracht van de samenleving waar hij zoveel zorgen over heeft. Hoewel Lukkassen zelf ongetwijfeld zou tegenwerpen dat deze visies structureel worden vermeden bij de breder bekeken programma’s, zoals die van Pauw, Jinek, Humberto Tan en Matthijs van Nieuwkerk. En dat zelfs de kranten deze bevindingen mijden, omdat de boodschap niet past in een links-liberaal tsjakka-optimisme, noch in de inmiddels van links tot rechts gedeelde veronderstellingen van techno-hedonisme, de kneedbare persoonlijkheid en de maakbare samenleving. Kortom, Lukkassen zou er op wijzen dat zijn inzichten niet doordringen tot een politieke werkelijkheid die meer door baantjes, vriendjes en korte lijntjes met het bedrijfsleven wordt bepaald dan door ethische principes of een vorming die deels op cultuurhistorische kennis berust.

Nu moet de koper van het boek zich voorbereiden op een forse intellectuele inspanning – in het begin zet het boek de grondbegrippen en stellingen uiteen en leest daarna prettig weg. Deze inspanning is het zeker waard omdat de lezer wordt gestimuleerd c.q. gedwongen om een strakker beeld te krijgen van de opbouw van ons onbewuste besef van communicatieve mogelijkheden.

Conclusie: het boek helpt ons een kloof te overbruggen

Lukkassen legt scherp de vinger op de scheiding tussen de massa en de leiders van een staat. Leiders zijn in staat om de waarde van dit soort grondige studies te (h)erkennen; juist door de kracht ervan toe te passen in hun handelen kunnen zij de twitterende burger leiden naar een krachtige samenleving. Zo kan juist dit boek voorkomen dat onze samenleving eindigt in het doembeeld van een verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht; een waarschuwing die Lukkassen ons vanaf de eerste bladzijde voorhoudt.

N.a.v. Sid Lukkassen, De democratie en haar media (Groningen: De Blauwe Tijger, 2017) paperback met flappen, 400 pagina’s.

Posted on

“Ieder mens heeft wel iets te verbergen”

Volgens Cybersecurity-expert Arjen Kamphuis stevenen we in Nederland af op een politiestaat. Met inlichtingendiensten die alles van iedereen weten, heeft het individu niks meer in te brengen tegen de machtige overheid.

Arjen Kamphuis adviseert bedrijven en overheden over de beveiliging van hun netwerken. Zakelijk gaat het hem voor de wind, maar in zijn missie burgers te doordringen van het belang van privacy lijkt hij een roepende in de woestijn. “Ik moet stoppen mij daarover boos te maken”, zegt hij. “Ik probeer het inmiddels te bekijken met een geamuseerde verbaasdheid.”

Een gesprek (op persoonlijke titel) over: de killswitches van de NSA, de lessen van de Tweede Wereldoorlog, het hacken van stemcomputers, chantage en intimidatie van inlichtingendiensten, de CIA als hoeder van de democratie, tv’s die je in de gaten houden, terroristen die altijd hun paspoort achterlaten, Russische fantoomhackers, de War on Terror, de Volkskrant die ons Irak heeft ‘ingeluld’, de iPads van het kabinet Rutte, de marteling van Julian Assange en het grote wachten op het ‘digitale equivalent van de Watersnoodramp’.

Je hebt gestemd op lijsttrekker Ancilla van de Leest van de Piratenpartij. Ze heeft geen zetel gehaald in de Tweede Kamer. Teleurgesteld?

Ik vind het jammer voor Nederland dat we geen Ancilla hebben in Den Haag. Het tekent de collectieve hersenloosheid, het totale gebrek aan toekomstvisie. Negentig procent van het politieke debat ging over vragen als: ‘U bent een zetel gedaald in de peilingen, wat vindt u daarvan?’ Over belangrijke vraagstukken als het klimaat en digitale burgerrechten werd niet of nauwelijks gesproken.

Je bent verhuisd naar Duitsland. Daar is het anders?

In Nordrhein-Westfalen, dat vergelijkbaar is met Nederland qua inwonertal en economie, beschikt de Piratenpartij over 17 van de 237 zetels. Duitsland heeft natuurlijk ook een andere geschiedenis, of eigenlijk: ze hebben andere lessen getrokken uit hun geschiedenis. Duitsers erkennen dat ze dader kunnen zijn of zijn geweest. Ze leren hun kinderen vanaf hele jonge leeftijd: dit is wat er is gebeurd, en het kon gebeuren omdat wij het hebben laten gebeuren, en het is jouw plicht als Duitse burger om het nooit meer te laten gebeuren. Vergelijk dat met Nederland. Toen ik in de jaren zeventig en tachtig in het basis- en middelbaar onderwijs zat, heb ik vooral geleerd: de Duitsers waren slecht, wij waren goed en Anne Frank was zielig. Op 6 mei 1945 zat heel Nederland in het verzet met terugwerkende kracht, en never mind de politionele acties in Nederlands-Indië.

Politiek in Nederland is een belangenstrijd tussen individuen en groepen. Er is geen grotere context, een collectief verhaal, iets waar we met z’n allen voor staan of naartoe willen. Dat maakt het allemaal heel plat en leeg. En intussen rooft het corporate gebeuren in Nederland de hele tent leeg.

Waarschijnlijk was de uitslag voor de Piratenpartij anders geweest als er gestemd was met stemcomputers?

We hebben wel schertsend gezegd dat als de overheid zo stom was geweest van stemcomputers gebruik te maken, er maar één manier was om het ze voorgoed af te leren, en dat was: de verkiezingen hacken en de Piratenpartij 148 zetels te geven. Met alles wat we nu weten, over de diverse zwakheden in het systeem, was het zeker gelukt met tien of twintig man en een half jaartje voorbereiding.

Helemaal makkelijk was het geweest als we nog de oude Nedaps hadden gehad, waarvan de Nederlandse overheid zei dat er geen problemen waren, totdat er een paar hackers, Rop Gonggrijp en zijn club, op televisie demonstreerden dat het tegendeel het geval was. Die geschiedenis heeft geleerd dat het geen zin heeft een rationeel gesprek te voeren op een kamertje in een ministerie. Als er een rotte vis is, dan moet je die demonstratief voor het gezicht houden van de dames en heren politici, publiekelijk, met alle media erbij.

Zijn er concrete aanwijzingen geweest dat de Russen zich hebben willen bemoeien met onze verkiezingen?

Ik heb nog nooit iets gezien wat daar op wijst, en ook niet dat ze zich hebben willen bemoeien met de Amerikaanse verkiezingen. Ik heb wel bewijzen gezien dat de CIA in meer dan tachtig nationale verkiezingen heeft geïntervenieerd.

Hoe is het gesteld met onze privacy? Wat is daar nog van over?

Tenzij je radicale maatregelen neemt zijn de levens in de westerse wereld 100 % transparant voor een hele lange lijst diensten, en dat beperkt zich niet tot statelijke actoren, maar dat kunnen ook grote bedrijven zijn, die al dan niet samenwerken met overheden, en in die rol ook zelf toegang hebben tot dingen.

Je telefoon kan afgeluisterd worden, je laptop, je smart-tv. Eigenlijk wisten we dit al voor de onthullingen van Edward Snowden in 2013, maar sinds Snowden kennen we de technische details, en na Snowden nog weer wat meer technische details.

Wikileaks kwam in maart 2017 met Vault 7, een nieuwe reeks onthullingen over de technologische werkwijzen van de CIA.  Is het nog erger dan we dachten?

Telkens als we weer iets leren, blijkt het toch weer een tikkeltje erger te zijn. Ik ga er nu van uit dat alles wat technisch mogelijk is en voor minder dan tien miljard dollar gebouwd kan worden, ook daadwerkelijk bestaat. Vrijwel alle gebruikelijke technologie die we hebben is niet te vertrouwen, want zit onder een buitenlandse killswitch, een soort achterdeurtje, waarmee deze vanuit het buitenland kan worden uitgezet, en ook dat alle informatie die er doorheen beweegt, kan worden bekeken en gemanipuleerd.

Als het er op aankomt, kun je dus niks vertrouwen, niet dat het systeem dat jij gebruikt voor jou werkt, dat de informatie die je ziet klopt en dat de informatie die je er in stopt terecht komt waar je wilt dat die terecht komt. Het is niet jouw computer. Je mag wel met je vingers aan het toetsenbord zitten, en je ziet wel iets op het scherm, en soms kan het ook best wel kloppen, maar jij hebt daar niks over te vertellen. Dus als jij je computer gebruikt en daar iets mee doet in Nederland, bijvoorbeeld een ziekenhuis, gemeente of bedrijf aansturen, dan kan dat prima, maar het is alleen bij de gratie van een buitenlandse partij die op dat moment niet de knop indrukt.

Want als die buitenlandse partij de knop indrukt?

Dan kan het zijn dat jouw systeem het helemaal niet meer doet, of misschien nog wel erger: dat datastromen gemanipuleerd worden, en dat je dus denkt dat je de werkelijkheid ziet, maar dat het iets heel anders is.  Je denkt bijvoorbeeld dat je een artikel leest op de website van de NOS, maar het is geen artikel van de NOS, het is een artikel dat ze willen dat je leest en waarvan je denkt dat het betrouwbare informatie is.

We weten uit de Snowden-documenten dat men die technische mogelijkheden heeft om de inhoud te manipuleren van een pagina terwijl die reist van de webserver naar jouw computer. Je kunt dus op het niveau van individuele gebruikers het nieuws aanpassen. Je kunt op die manier verwarring stichten, groepen tegen elkaar opzetten.

Ik zeg niet dat het dagelijks gebeurt bij iedereen, maar de technische capaciteit is er. In elk geval weten we dat Amerikaanse inlichtingendiensten een lange geschiedenis hebben van het creëren van narratieven om beleidsdoelstellingen te halen. Noem het nepnieuws. Voor 2016 heette het nog propaganda.

Wat is voor jou de grootste openbaring van Vault 7?

Dat daadwerkelijk operationeel gebruik wordt gemaakt van de technische mogelijkheden die Snowden geopenbaard heeft. En dat er dus geen enkele rem zit op de activiteiten van Amerikaanse geheime diensten om elk apparaat waar zij informatie mee kunnen verzamelen te manipuleren en daarvoor in te zetten.  Er is geen enkele wettelijke of morele limiet.

En dat doen ze met medewerking van de fabrikanten?

Vaak wel. Bedrijven als Apple hebben geen enkele keuze. Als een Amerikaanse inlichtingendienst iets van ze vraagt, dan kunnen ze geen ‘nee’ zeggen. Dan is het: ‘ja’, of ‘ja graag’. Het maakt dus ook niet uit of Apple daar met liefde aan meewerkt of met frisse tegenzin. Voor jou als eindgebruiker is het resultaat hetzelfde. De Amerikaanse overheid is de grootste klant, en heeft ze wettelijk by the balls.

Waarom is privacy zo belangrijk? Velen hebben een houding van: ‘Ik heb niks te verbergen, Ze mogen alles van mij weten, behalve mijn pincode’.

Privacy is het mensenrecht dat je hebt om al die andere mensenrechten te kunnen bevechten. Als jij je wilt verzetten tegen de macht, of dat nou een bedrijf is of een overheid, dan heb je samen met anderen daarvoor privacy nodig om je te kunnen organiseren als tegenmacht. Als je dat niet hebt, dan ben je volledig overgeleverd aan de machtigen van deze planeet. En als zij zich misdragen, dan kun jij niks meer terugdoen.

Dan maakt het bijvoorbeeld niet meer uit dat jij als journalist bronbescherming hebt, omdat je je bronnen dan in de praktijk niet meer kunt beschermen, want die hebben geen privacy meer. Het is dan niet langer mogelijk om met onderzoeksjournalistiek bedrijven en overheden scherp te houden. Dan eindig je dus in een heel vervelend soort samenleving, waarvan we de afgelopen eeuw genoeg voorbeelden hebben gezien.

De gsm van Merkel werd afgeluisterd door de NSA, weten we dankzij Snowden. En de VS chanteren Duitsland met afgeluisterde informatie, onthulde een Duitse insider, Werner Weidenfeld, live in een tv-show.

Duitsland is nog steeds een bezet land. En met behulp van hun inlichtingendiensten houden de Amerikanen het ook bezet. Het doel van mass surveillance, grootschalige observatie, is altijd geweest; de politieke en economische manipulatie van andere landen door de VS.

Toch gebeurt er in Duitsland wel iets. Onderdelen van de Duitse overheid stappen af van onveilige computersystemen, ze versleutelen hun dataverkeer en gebruiken niet langer reguliere smartphones. In tegenstelling tot Nederland overigens, waar de iPads in de kabinetsvergadering op tafel liggen.

De Bundesnachrichtendienst (BND) is een paar keer gemept door de Duitse overheid omdat onderdelen van de BND trouwer bleken te zijn aan hun Amerikaanse partners dan aan de Duitse overheid die ze formeel aanstuurt.

Maar zo’n BND, die gedetailleerde dossiers heeft over iedereen die in Duitsland politiek iets voorstelt, is heel moeilijk politiek te managen, want die hebben alle dirty details over alle politici. Als die dus vervelend worden, dan lopen ze het risico dat hun dossier terecht komt op de redactie van Bild.

Ook Duitsland heeft zijn Deep State?

Alle landen hebben dat in zekere zin. Duidelijker dan in Duitsland zie je het in het Verenigd Koninkrijk. Daar zijn MI5 en MI6 een staat in een staat. Er is geen enkel toezicht op. Elke politicus in het land weet: ‘Don’t fuck with MI5’. Want elke joint die je hebt opgestoken sinds je zestiende en elke seksuele escapade staat in je dossier en kan zo bij The Sun belanden.

Ze bestaan al bijna een eeuw, en hebben nog nooit een budgetreductie gehad. Of het nu oorlog was of vrede. Fuckups, of geen fuckups. De enige rode draad is altijd geweest: meer macht, meer mensen, meer middelen.

Iedere politicus heeft wel iets te verbergen en is dus chantabel?

Ieder mens heeft wel eens iets gedaan in zijn leven waarvan hij liever niet heeft dat zijn vrouw, zijn moeder, zijn kinderen en de rest van de wereld het weet. Dat is namelijk omdat we allemaal maar mensen zijn. En dan sta je kansloos tegenover een organisatie die heel goed is in alles weten, en daar vrijwel onbeperkt middelen tegenaan kan gooien, en ook nog volledig buiten de wet kan opereren. Inlichtingendiensten worden niet beperkt door wat mag. Ze doen in grote lijnen wat ze willen. Er is in theorie wel een wettelijk kader, maar in de praktijk is het een wassen neus.

De Commissie Stiekem, die vanuit de Tweede Kamer toezicht houdt op de AIVD en MIVD, is een wassen neus?

Het zit in de natuur van de inlichtingendiensten dat ze buiten de wet opereren, omdat ze zich anders niet te weer kunnen stellen tegen andere inlichtingendiensten. Dus dat het zo werkt is goed te begrijpen.

Mensen lijken graag bereid hun privacy te offeren in ruil voor meer veiligheid. Ze denken dat hiermee terroristische aanslagen kunnen voorkomen en dat zware misdrijven, zoals moord en de handel in kinderporno, beter kunnen worden aangepakt.  Zijn we er in veiligheid op vooruitgegaan? Zijn er veel aanslagen voorkomen?

Londen is de stad met het grootste aantal bewakingscamera’s per hoofd van de bevolking en per vierkante meter, meer dan enige andere plek op aarde.  Een paar jaar geleden is er een groot intern rapport van de London Metropolitan Police gelekt. De conclusie was: ‘It doesnt work’. Er is geen enkel bewijs dat al die camera’s preventief werken of significant helpen in de opsporing.

In 1993 was er de spraakmakende zaak van de moord op het 2-jarige jongetje James Bulger In Liverpool. Die werd opgelost dankzij bewakingscamera’s in een winkelcentrum.

Als je ergens een miljard pond tegenaan gooit , dan is er altijd wel een resultaatje te vinden. Maar de vraag die je je altijd moet stellen is: wegen de kosten en de beperking van de burgerrechten op tegen de resultaten? En ook: kun je met hetzelfde geld meer bereiken als je het anders besteedt, bijvoorbeeld aan meer dienders op straat en beter onderwijs?

We hebben ondanks al die bewakingscamera’s onlangs weer een aanslag gehad in Londen. De dader was bekend bij de politie.

Het heeft dus weer niet gewerkt. Parijs, Brussel, Madrid, London 2005, Bali, 9/11… mass surveillance heeft niet geholpen.

We leven nu 16 jaar na 9/11. Kijk wat de War on Terror die daaruit voortvloeide ons heeft gebracht. We zijn onveiliger dan ooit. Want we hebben een hele serie failed states gecreëerd, die een bron zijn geworden van ellende.

Vergelijk wat we nu doen met de manier waarop ze destijds de IRA hebben aangepakt. Toen de IRA wekelijks bommen liet ontploffen in Londen, heeft niemand voorgesteld dat we Belfast gingen bombarderen, of dat we een land gingen bezetten dat niks te maken hadden met de bommen van de IRA.

Experts van MI5 en FBI zeggen ook allemaal: Je rolt een terroristisch systeem niet op met mass surveillance, en ook niet met militaire interventies. Dat weten we van de ervaring die we in Europa hebben met het oprollen van de IRA, en ook de ETA, de Rote Armee Fraktion en de Rode Brigades. Je rolt ze op met goed politiewerk en door te onderhandelen met de civiele poot van zo’n organisatie over de grieven die zij hebben. Je moet die grieven adresseren, of in elk geval bespreekbaar maken, zodat je ze omkat van een terroristische organisatie naar een legitieme, politieke organisatie, die binnen een democratisch kader kan strijden voor de belangen van hun achterban.

Overigens zien wij ons in het Westen als slachtoffers van het terrorisme, maar als ik even naar de cijfers kijk, dan komen wij er nog goed vanaf. West-Europa is een paar honderd mensen kwijt geraakt. Irak zo’n 2 miljoen. Terrorisme in Europa is een statistisch randverschijnsel. Er gaan meer mensen dood in West-Europa aan slecht gelegde stoeptegels, doordat ze hun heupen breken en overlijden aan de complicaties, dan aan terrorisme.

De Amerikaanse president Eisenhower waarschuwde voor het military-industrial complex, de toenemende invloed van de wapenindustrie op de politiek. We kunnen inmiddels misschien spreken van een military-surveillance-industrial complex?

Mass surveillance is een extensie van hetzelfde mechanisme. Overheden willen een mechanisme in handen hebben om hun burgers in het gareel te houden, en er is niks zo effectief en goedkoop als mass surveillance. Het enige wat je hoeft te doen is mensen bang te maken om hun mening te uiten.

Arjen Kamphuis (foto: Dennis van Zuijlekom)

In workshops hoor ik mensen die ontkennen dat we in Nederland mass surveillance hebben, maar als ik ze adviseer Tor Browser te installeren, zeggen ze: ‘Dat doe ik niet, want dan gaat de overheid mij in de gaten houden’. En dat is dan een en dezelfde persoon die binnen drie minuten die twee uitspraken doet, zonder dat hij in de gaten heeft dat hij Orwelliaanse doublethink aan het plegen is. Dus: hij ontkent dat het bestaat, want, zeg hij: ‘We zijn een democratie’ – om vervolgens drie minuten later te zeggen: ‘Ik ga geen Tor downloaden want dan kom ik op de radar van de overheid’.

Mensen weigeren eenvoudig te accepteren dat de Nederlandse overheid misschien wel trekjes heeft die in die richting wijzen. Het gebruiken van Tor en het versleutelen van je e-mail is een politieke daad geworden. Je speelt je dan in de kijker.

Het feit dat er mensen zijn die dit niet durven: hun mensenrecht op privacy op legale wijze regelen – toont aan hoe stuk je samenleving al is. Dan leef je feitelijk al in een politiestaat. Het is dan weliswaar nog niet zover in Nederland dat op dagelijkse basis SWAT-teams deuren van politieke activisten komen inbeuken, maar dat is ook helemaal niet nodig, want mensen censureren zichzelf al.

Zie jij aanwijzingen dat er bewust wordt ingespeeld op de angst voor terrorisme om de privacy steeds verder af te kunnen schaffen? Jij stelt dat labiele mensen er toe worden aangezet om aanslagen te plegen.

De meeste plannen voor terroristische aanslagen in de VS na 9/11 zijn niet gemaakt door terroristen, maar door de FBI, met de bedoeling mensen die tot zoiets in staat zijn in de val te lokken. FBI-informanten voorzien ze van geld en wapens, en de FBI pakt ze op voordat ze toeslaan. In rechtszaken tegen deze mensen blijkt dan vaak dat ze helemaal niet van plan waren om een aanslag te plegen, maar dat de  informanten van de FBI flink op ze hebben ingepraat om ze zover te krijgen.

Het is toch ook opmerkelijk dat terroristen altijd paspoorten achterlaten of bij zich dragen? Ja, sorry, als je dat gelooft… Maar de meeste mensen willen het kennelijk allemaal graag geloven, of geloven het niet, maar vinden het niet belangrijk genoeg om zich er druk over te maken. Anders liepen er nu 80.000 mensen in optocht met brandende toortsen door Den Haag.

Hoe onderscheiden we een false flag van een echte aanslag?

Je bullshitradar moet keihard tekeer gaan als je ziet dat het volledige mediasysteem binnen negentig minuten na een event een compleet verhaal heeft wat intern consistent lijkt te zijn over alle mediabronnen heen.

Zie MH17. Er dwarrelden nog dingen uit de lucht, maar de hele Nederlandse media, alle instituties, onafhankelijk van elkaar, leken het complete antwoord al te hebben. Dan denk ik: ‘We are being played, again’.  Het is een psychologische tactiek: als de emoties vers zijn, dan moet je de boodschap er in rammen bij de mensen. Sla de CIA en MI5 handboeken er maar op na.

Zijn er na de onthullingen van Snowden nog dingen ten goede veranderd?

Europese instellingen mogen sinds 1 februari 2016 persoonsgegevens niet langer opslaan op Amerikaanse servers. Dat heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgesteld in een juridische uitspraak. Die gaat dus 180 graden in tegen de dominante technologische trend, zeker in een land als Nederland, waar we alles weggeven aan Amerikaanse bedrijven die onder Amerikaans recht opereren, ook al staan hun servers in Europa. En ondanks die uitspraak van het Hof, die hard is en niet onderhandelbaar, probeert de Europese Commissie de boel weer recht te plakken, waarbij ik dan denk: voor wie werken jullie eigenlijk? Kennelijk niet voor de belangen van Europese burgers. Daar is dus iets heel geks aan de hand.

We leven nu drieënhalf jaar na Snowden. Er is onweerlegbaar documentair bewijs dat vrijwel alle systemen die wij gebruiken in Nederland kunnen worden gemanipuleerd, afgeluisterd en uitgezet, en dat daar gebruik van gemaakt kan worden in het nadeel van onze samenleving. Dan zou je zeggen: dan gaan we iets doen. Maar in Nederland hebben we er niet eens een gesprek over.

Rationele informatie is dus kennelijk niet in staat een politiek momentum te creëren. Je hebt dan blijkbaar iets nodig, een digitaal equivalent van de Watersnoodramp van 1953, om het politieke systeem wakker te schudden. Denk bijvoorbeeld aan een crash van ons financiële systeem als gevolg van manipulatie van informatiestromen. Als mensen drie dagen geen pinbetalingen kunnen doen, dan moet je eens zien wat er gebeurt. In 1933 wisten we al dat we een probleem hadden met onze dijken, maar pas twintig jaar later, nadat de dijken waren doorgebroken, zijn we het gaan fixen.

Jij bent bevriend met Julian Assange.  Je bezoekt hem wel eens, in de ambassade van Ecuador in Londen. Hoe gaat het met hem?

Hij heeft het mentaal heel zwaar, wat goed te begrijpen is als je, zonder dat je iets hebt gedaan of in staat van beschuldiging bent gesteld, in feite gevangen zit en letterlijk met de dood bedreigd wordt door militaire hyperpowers.

Hillary Clinton heeft zich hardop afgevraagd: ‘Can’t we drone this guy?’ Haar adviseur Bob Beckel riep op tv: ‘We should illegally shoot the son of a bitch’. Als mensen op dat niveau dat soort uitspraken doen, dan is het geen lolletje meer.

De Working Group on Arbitrary Detention van de Verenigde Naties, die normaal uitspraken doet over landen als Birma, heeft een glasheldere uitspraak gedaan: de situatie waarin Julian Assange verkeerd is niet legitiem en staat gelijk aan marteling. Amerika, Zweden en het Verenigd Koninkrijk moeten onmiddellijk stoppen, hem vrijheid garanderen, en hem een schadevergoeding betalen.

In Nederland wordt het niet eens gemeld, we hebben het er niet over. Wij in Nederland hebben het liever over de persoon Assange, of je hem wel of niet leuk vindt, dan over de vraag: hoe het kan dat er geen politieke shitstorm uitbreekt over het feit dat wij nauwe banden onderhouden met landen als het Verenigd Koninkrijk en Zweden, die een journalist op zo’n manier behandelen dat de Verenigde Naties zeggen: het staat gelijk aan marteling. Als hetzelfde in Birma gebeurt, dan staat iedereen op zijn achterste benen.

Ook hier zie je: je kunt in Nederland bijna geen volwassen gesprek meer voeren over de feiten. Je kunt alleen nog op een fantasie-eilandje een beetje in de marge klooien.

Heb je Assange wel eens gevraagd waarom WikiLeaks vooral documenten lekt van de Amerikaanse overheid?

Wat je hier ziet: de media creëren een beeld van Wikileaks, en vervolgens beschuldigen ze Wikileaks van dat gecreëerde beeld. Wikileaks is begonnen met het adresseren van corruptie in Kenia in 2006. En ze doen het nog steeds: documenten lekken van andere landen dan de VS. Zoals over de corruptie binnen het Russische overheidsapparaat en staatsbedrijven. En over hoe Rusland in de jaren negentig, met behulp van Amerikaanse adviseurs van Harvard, en onder leiding van het IMF, volledig economisch werd uitgekleed en leeggeroofd, waar de Russische oligarchen uit zijn voort gekomen.

Maar op de een of andere manier vinden we dat dan weer niet interessant om over te schrijven, omdat het niet in het narratief past van het goede Amerika en het slechte Rusland. Ik neem daarom, op een handjevol uitzonderingen na, Nederlandse journalisten niet meer serieus. Het zijn een stel kleuters. Levensgevaarlijke kleuters, die met vlammenwerpers spelen, en ons straks weer een oorlog in lullen, zoals ze dat al een paar keer hebben gedaan de afgelopen vijftien jaar.

Maar het is wel zo: Wikileaks lekt vooral Amerikaanse documenten.

Ja, en met recht. Want welk ander land voert dagelijks bombardementen en dronestrikes uit op zeven landen tegelijk, en schiet burgers dood, inclusief hun eigen burgers, waarvan sommigen minderjarig zijn,  zonder vorm van proces? Dus dat een bepaald land bovenaan het lijstje van Wikileaks staat is niet gek.

De meeste mensen, zelfs journalisten die over Wikileaks schrijven, hebben de website van Wikileaks nog nooit bezocht. Het kost ook moeite, maar wat gebeurt er als je het niet doet? Dan ga je er over lezen in de Volkskrant, de krant die ons Irak heeft ingeluld.

Word jij extra in de gaten gehouden? Vanwege jouw contacten met Assange of anderen?

Ik was verhuisd naar Duitsland, had net een nieuw appartement. We waren anderhalve dag weggeweest, en bij thuiskomst, bij het openen van de buitendeur kwam de cilinder uit het slot.  Dan weet je dus dat er iemand in je huis is geweest, en als daar dan niks van waarde is verdwenen, dan weet je: het was waarschijnlijk een waarschuwing. En zo zijn er meer dingen gebeurd.

Of ik digitaal gevolgd wordt, weet ik niet. Professioneel opgezette surveillance van een inlichtingendienst heb je niet door, tenzij de dienst wil dat je die doorhebt. En heel vaak willen ze dat, om je te intimideren.

Maar jij laat je niet intimideren?

Ik ga nog wel even door. Maar de laatste jaren ben ik mij wel meer gaan focussen. Met politiek activisme kun je eindeloze hoeveelheden energie verbranden aan dingen die nergens toe leiden. Dan moet je af en toe zeggen: Deze laat ik even aan mij voorbijgaan, vraag maar aan iemand anders. Of: Hier kan ik niet winnen, dus laat maar. Wat betreft Nederland: ik weet niet meer zo goed wat je hier nog moet zeggen of doen. Zie alleen al het feit dat Nederland achterop wil lopen in de strijd tegen de klimaatverandering, terwijl wij er als eerste Europese land fysiek door zullen verdwijnen. Ik weet niet wat je daar nog over moet zeggen. In een vrije samenleving heb je het recht collectief zelfmoord te plegen, maar het is wel vreemd om het te zien gebeuren.

Door de nieuwe Nederlands afluisterwet mogen ook burgers die nergens van verdacht worden worden gevolgd. Maakt dat wat uit voor onze privacy? De NSA houdt nu toch al iedereen in de gaten?

Waarschijnlijk is de nieuwe wet bedoeld om technische praktijken die al gebeurden met terugwerkende kracht legaal te maken. Zo gaat het wel vaker namelijk. Zo heeft de Nederlands overheid, lang voordat de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) was ingegaan, elektronische tools ingekocht, onder meer bij Israëlische bedrijven. Die tools koop je niet in als je ze niet gaat gebruiken, toch?

Destijds, toen ik sprak met mensen die werkten in die kringen, klaagden zij erover dat de Israëlische software zo ondoorzichtig was, en dat er vaak mensen uit Tel Aviv kwamen om software-upgrades te doen, en dat het hun niet werd toegestaan te kijken hoe die gasten dat deden. Het ging daarbij om software die hangt in systemen die gekoppeld zijn aan de telefooncentrales. We praten hier dus over een of meerdere Israëlische bedrijven die low level toegang hebben tot de hele communicatiestructuur van Nederland, en dus zonder dat onze overheid kan weten wat dat systeem nou eigenlijk allemaal doet. Als je die remote dus kunt controleren dan kun je ook via die remote data vanuit Nederland verplaatsen naar Tel Aviv. Wat dus bijvoorbeeld betekent dat je iedere ministersvergadering kunt afluisteren.

Jij vindt dat een Nederlands bedrijf dit zou moeten doen?

In elk geval een Europees bedrijf.

Maar een Europees bedrijf kan toch ook gegevens doorsluizen?

Ja, maar we hebben meer een vertrouwensrelatie met bijvoorbeeld Duitsland, dat geen belang heeft bij een failed state aan hun westgrens, vanwege onze integratie van economie en samenleving, dan een land ver weg als Israël. Maar daarvoor ligt nog een heel principieel feit: als je weet dat jouw nationale soevereiniteit op het spel staat, dan moet je toch gewoon ingrijpen?

Misschien geloven onze politici niet meer in nationale soevereiniteit. We voelen ons één met de landen waarmee we bevriend zijn, en alleen de rest wantrouwen we.

Het curieuze is: onze vrienden en vijanden definiëren we arbitrair en los van hun daden. Dus Rusland waarvan we niet weten of ze interveniëren in onze verkiezingen, maar het misschien doen, is onze vijand. Terwijl Amerika waarvan we honderd procent zeker weten dat ze het doen nog steeds onze vriend is. Dat is toch Alice in Wonderland?

Hoe zie jij de rol die de Amerikaanse inlichtingendiensten hebben gespeeld in de Amerikaanse verkiezingen, en de rol die ze nog steeds spelen in het onderzoek naar hoe de verkiezingen zijn verlopen? Proberen ze Trump te wippen?

Die indruk heb ik niet. Wel dat ze proberen te bewijzen dat zij de grote redders zijn van de democratie, en hij de grote klootzak is. Dat is natuurlijk de ultieme mediacoup van de CIA. Dat zij nu worden gezien als de bewakers van de democratie. Ondanks de 55 coup d’états die ze de afgelopen halve eeuw hebben gepleegd.

Dat is toch prachtig? Dat we nu naar de CIA kijken om de democratie te redden? En Trump is de ultieme afleidingsmanoeuvre, want aan de achterkant gebeuren er de gruwelijkste dingen. En wat dat betreft is hij niet anders dan Obama die ook een fantastische afleidingsmanoeuvre was voor het feit dat het buitenlandbeleid van George W. Bush gewoon doorging: de regime changes, het martelen, het bombarderen van burgers.

Je roept mensen op de NSA op kosten te jagen door gebruik te gaan maken van cryptologie.

De NSA geeft nu ongeveer 10 dollarcent per internetter per dag uit. Ga je Tor gebruiken en je e-mailverkeer versleutelen dan verhoog je de kosten voor de NSA voor jou alleen naar 100.000 dollar per dag. De NSA heeft een jaarbudget van 100 miljard dollar. Dus die kan wel tegen een stootje. Maar als mensen massaal hun privacy gaan beschermen, dan kan zelfs de NSA er niet tegenop.

Posted on

“Niet journalisten, maar elites maken het nieuws”

Volgens communicatiewetenschapper Tabe Bergman zijn het de politieke en economische elites die bepalen wat we te zien en te horen krijgen op tv, radio en in de krant. De media zijn niet veel meer dan een doorgeefluik. Het ‘domme volk’ snapt vaak beter wat er gaande is dan journalisten.

Noam Chomsky en Edward Herman hebben in Manufacturing Consent aangetoond dat in de Verenigde Staten de nieuwsmedia de belangen dienen van de politieke en economische elites – en ook hebben zij, aan de hand van hun ‘propagandamodel’, uitgelegd hoe dit is te verklaren. Volgens Tabe Bergman werkt het in Nederland niet veel anders. Niet in de laatste plaats omdat, net als in de VS, in Nederland de media in handen zijn van een steeds kleinere groep economische elites, die het winststreven voorop hebben staan.

U bent universitair docent aan de Brits-Chinese Xi’an Jiaotong-Liverpool University, in een land, China, dat niet bepaald bekend staat om zijn vrije pers. Je zou zeggen dat het bij ons in Nederland veel beter gesteld is met de vrijheid van journalisten om te bepalen waarover ze berichten. 

“China heeft een van de strengste regimes van perscensuur ter wereld. Hier is het de maatschappelijke taak van de media om de Communistische Partij te steunen door het volk voor het beleid te winnen dat wordt bepaald in Beijing. De belangrijkste taak van de Chinese media is dus heel anders dan die in het Westen: niet de macht controleren, maar de macht steunen. Het is een vreselijke situatie. Het toont maar weer aan dat het onmogelijk is om het belang te overschatten van een wettelijk vastgelegd recht op persvrijheid als een voorwaarde voor een werkelijk vrije samenleving.”

“Maar het slechte voorbeeld dat China geeft, is geen reden voor Nederlanders om zich op de borst te slaan. Dat wij wettelijke persvrijheid hebben, leidt bij velen tot een soort blindheid. Het onderwijs, de politiek en de media benadrukken allemaal hoe vrij Nederland wel niet is. De onderliggende boodschap is, bewust of niet: wees maar tevreden met wat je hebt. Maar de commerciële journalistiek zal je nooit vertellen hoe onvrij ze werkelijk is. De grote westerse leugen is dat wettelijke persvrijheid een voldoende voorwaarde is voor een democratische samenleving.

In een beroemde zin is de huidige Chinese journalistiek gekarakteriseerd als gevangen ‘between the Party line and the bottom line’. Die ‘bottom line’ zijn de adverteerders. Chinese media worden tegenwoordig namelijk voor een groot deel gefinancierd door adverteerders. Maar wat betreft politiek nieuws voert de Partij natuurlijk nog de beslissende boventoon. De Nederlandse journalistiek hoeft naar geen politieke partij te luisteren, maar de ‘bottom line’, het feit dat de journalistiek commercieel is, oefent een grote en negatieve invloed uit op de kwaliteit van de berichtgeving.”

Maakt het voor het nieuws wat uit of media in handen zijn van de staat of van bedrijven? Welke is de minste van twee kwaden?

“Dat hangt af van de historische omstandigheden. Ik heb liever dat CNN in handen is van Time Warner dan van de Chinese staat, maar ik heb ook liever dat de BBC, met waarborgen van onafhankelijkheid, in handen is van de Britse staat dan van Time Warner.

De media zullen pas in de buurt van werkelijke vrijheid komen als ze onafhankelijk zijn van zowel de staat als het bedrijfsleven, of welk ander machtscentrum dan ook in de samenleving.”

Wat is er zo zorgelijk aan dat de media in handen zijn van steeds minder spelers? Hoe beïnvloedt dit de nieuwsvoorziening?

“Inmiddels is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden: Persgroep en Mediahuis/Concentra, beide Belgisch, maken de dienst uit. De twee nu overgebleven partijen zullen elkaar nauwelijks meer beconcurreren. Dat zou ze allebei geld kosten en een ultieme overwinning zit er niet in. Dit is een schoolvoorbeeld van een markt die niet vrij is. Wie heeft het kapitaal om die twee uit te dagen? Waarom zouden die twee veel geven om de gemiddelde lezer?

Als het al zin heeft om de journalistiek te zien als een markt, dan is het beter als er veel relatief kleinere mediabedrijven zijn die onderling met elkaar concurreren, hopelijk door goede journalistiek te bedrijven. Hoe meer aanbieders, hoe meer macht de gemiddelde lezer heeft. Als er geen bedrijven zijn die de markt domineren is het makkelijker voor nieuwe partijen om de markt te betreden en hopelijk lezers beter nieuws te leveren.”

Wat is er bezwaarlijk aan het winstoogmerk van mediabedrijven? Zorgt dat er juist niet voor dat de mensen het nieuws krijgen wat ze willen? Je zou zeggen: hoe meer tevreden klanten, des meer lezers, kijkers en luisteraars – en des te groter de winst.

“De media claimen dat ze mensen geven wat die willen, maar de media weerspiegelen vaak niet wat er leeft in samenleving. Zo was een meerderheid van de Nederlanders tegen de invasie van Irak in 2003. Dit ondanks de kritiekloze houding van de Nederlandse pers over de valse claims van de Amerikanen dat Saddam Hoessein zou beschikken over massavernietigingswapens. Het is een geval van het ‘domme volk’ dat het snapte, terwijl de meeste journalisten niet doorhadden wat er gaande was, namelijk een Amerikaanse propagandacampagne die honderdduizenden mensen het leven heeft gekost, een land heeft geruïneerd, en de weg heeft vrijgemaakt voor ISIS.”

“Afgezien daarvan werkt het simpelweg niet om mensen het nieuws te geven dat ze willen, alsof je een product aanbiedt dat dan wordt geconsumeerd. Nieuws is geen product, het is een public good. Nieuws is de zuurstof van de democratie. Het idee dat je een prijskaartje kan hangen aan informatie over oorlog en vrede, gezondheid, de toekomst van de planeet, enzovoort is belachelijk. Je kan bovendien niet van mensen verwachten dat ze van journalisten eisen dat die nou eindelijk eens dat corrupte bedrijf aan de kaak stellen. Hoe kunnen mensen vragen om het nieuws dat ze nodig hebben om te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit als ze logisch gezien niet kunnen weten wat dat nieuws is? Het is de taak van journalisten om mensen het nieuws te geven dat ze nodig hebben zodat ze een doordachte keus kunnen maken in het stemhokje.”

Zijn er signalen dat in Nederland eigenaren ingrijpen in de nieuwsvoorziening, of dat, in het geval van de publiek gefinancierde NOS, de overheid het NOS Journaal aanstuurt?

“Het gebeurt waarschijnlijk zelden dat eigenaren direct ingrijpen in de journalistieke praktijk. Dat is ook niet nodig. De hoofdredacteur zet de grote lijnen uit in overeenkomst met de wensen van het management, anders is hij of zij niet lang hoofdredacteur. Een hoofdredacteur heeft een hele klim gemaakt om die positie te bereiken; hij of zij weet wat er wordt verwacht. Een hoofdredacteur is medeverantwoordelijk voor het bedrijfsresultaat. Welke hoofdredacteur wordt niet afgerekend op dalende oplages?”

“Hetzelfde geldt voor zover ik weet voor het NOS Journaal of de actualiteitenprogramma’s van de omroepen. Wellicht wordt direct ingrijpen weleens geprobeerd, maar dit zijn uitzonderingen. De Nederlandse staat heeft geen zeggenschap over benoemingen in de omroepbesturen, maar toch zijn het ook bij de omroepen sinds oudsher de elites die aan het roer staan, hoe welmenend die mensen ook mogen zijn. Zoals bij de VARA. Daar zie je mensen in het bestuur die advocaat zijn of professor, betrokken zijn bij de PvdA, of die leidinggevende posities bekleden bij een milieubeweging, een uitgeverij of een pensioenfonds. Het zijn kortom niet het soort mensen dat snel zal morrelen aan de fundamenten van het economische systeem en Nederlandse buitenlandbeleid.”

Waarborgen redactiestatuten niet de onafhankelijkheid van redacties ten opzichte van de eigenaren?

“De redactiestatuten zijn in principe een goed idee. Ze zijn bedoeld om redacties af te schermen tegen directe inmenging van de eigenaren. Maar zover ik weet zijn ze vooral een dode letter. Eigenaren hoeven helemaal niet direct in te grijpen. Het probleem is dat sluipenderwijs het marktdenken de journalistieke praktijk heeft doordrongen. Journalisten weten wat er van ze verwacht wordt, welke verhalen een kans maken en welke niet, en dat het geen zin heeft om voor Don Quichot te spelen.

Het is inmiddels een publiek geheim dat het idee van de journalistiek als waakhond van de democratie allang achterhaald is. Journaliste Mathilde Sanders heeft een ontluisterende serie blogs geschreven over de Nederlandse journalistiek en haar eigenaren. Zo schrijft ze dat docenten aan een postdoctorale opleiding journalistiek hun kandidaat-studenten simpelweg uitlachten als die begonnen over de journalistiek als controleur van de macht. In zo’n klimaat doen redactiestatuten er weinig toe. Er is de wet en dan is er de praktijk.”

Volgens Chomksy en Herman oefenen adverteerders grote invloed uit op de nieuwsvoorziening. Volgens u is dit in Nederland niet anders?

“Ook in Nederland is de journalistiek sterk afhankelijk van advertentie-inkomsten. Dit geldt zelfs voor de publieke omroepen, die een vierde van hun inkomsten halen uit advertenties. De commercialisering in Nederland is minder ver doorgevoerd dan in de VS, maar dat is een schrale troost. De invloed van adverteerders is groot maar ook subtiel, dat is de schoonheid van het systeem. Er even vanuit gaande dat de media inderdaad mensen geven wat ze willen, dan gebeurt dat alleen als adverteerders ook OK zijn met de inhoud. Bijvoorbeeld, kritiek op het kapitalisme is natuurlijk niet OK voor bedrijven zoals Shell en Philips. Als het sporadisch gebeurt, OK, maar niet structureel.”

“Adverteerders hoeven niet direct in te grijpen in de nieuwsvoorziening om hun wensen kenbaar te maken. Mediabedrijven weten wat goed speelt bij adverteerders: celebrity glossies enzo. Dus zet je zo’n tijdschrift op en geen maatschappelijk bevlogen blad. Kritiek op het kapitalisme past simpelweg niet in de bladformule, dus journalisten halen het zich niet eens in het hoofd zulke verhalen te pitchen.

De invloed van adverteerders bestaat dus vooral in het feit dat ze bepalen welke publicaties overleven in de markt en welke ten onder gaan. Neem Het Vrije Volk in Nederland. Die krant werd goed gelezen maar ging toch ten onder, ten dele omdat de lezers voornamelijk bestonden uit arbeiders, die relatief weinig te besteden hadden. Adverteerders waren gewoon niet zo geïnteresseerd.”

Toch heeft Het Vrije Volk kennelijk lange tijd kunnen voortbestaan zonder veel advertenties. Kennelijk kon je en kun je misschien nog steeds kranten maken die grotendeels drijven op betalende lezers.

“Het was de tijd van de Verzuiling, toen economische motieven minder belangrijk waren en meer mensen bereid waren een krantenabonnement te nemen. Meer in het algemeen: we moeten niet vergeten dat het economische systeem waaronder de Nederlandse media gebukt gaan niet zo effectief is als bijvoorbeeld het Chinese censuursysteem. In het Westen is meer mogelijk, ook binnen de gevestigde journalistiek zelf. Het grote gevaar in Nederland is dat mensen denken dat het niet nodig is.”

“Wat betreft het heden en de toekomst: Is het mogelijk om economisch te overleven door goede journalistiek te bedrijven? Natuurlijk! Of het nog mogelijk is om een kritische papieren krant te maken met grote oplage, uitsluitend gefinancierd door lezers? Ja, ik denk dat dit zeker ook mogelijk is, maar waarom zouden we het ons extra moeilijk maken? Het internet biedt betere mogelijkheden voor een kritische journalistiek. In de VS doen de TV programma’s Democracy Now! en The Young Turks het goed. Het internet staat vol met fantastische journalistieke verhalen en inzichtelijk commentaar. Goede informatie is beschikbaar, maar het bevindt zich in de marges van of helemaal buiten de mainstream media.”

Naast de invloed van eigenaren van de media en de adverteerders, is, volgens u, ook het derde kenmerk van het propagandamodel van toepassing op de Nederlandse media: ‘sourcing’.  Journalisten leunen voor hun informatie zwaar op overheden, bedrijven en andere vertegenwoordigers van de gevestigde orde.

“Officiële bronnen zijn prominent aanwezig in de verslaggeving. Dat is ook geen wonder. Tegenover elke Nederlandse journalist staan minimaal een paar pr-functionarissen. De Nederlandse overheid spendeert jaarlijks honderden miljoenen euro’s belastinggeld aan public relations.  Journalisten zien dat terug in het grote aantal persberichten dat ze te verwerken krijgen. Journalisten besteden veel tijd aan het bezoeken van persconferenties en andere pseudo-nieuwsevenementen, georganiseerd door overheden, bedrijven en andere instituten.”

“Voor commerciële media, die de kosten zo laag mogelijk willen houden, zijn die persberichten en persconferenties uiterst welkom, omdat ze zorgen voor een constant aanbod  van ruw nieuwsmateriaal, dat weinig bewerking nodig heeft, en dat geleverd wordt door organisaties met een zorgvuldig gecreëerd imago van betrouwbaarheid.”

“De rijken beïnvloeden de journalistiek dus met wat sommige academici ‘verborgen subsidies’ noemen. Ze leveren het ruwe nieuwsmateriaal gratis aan de journalisten. Dit werkt alleen omdat de media zo op de centen moeten letten, anders gaan ze ten onder in markt. Journalisten kunnen niet te kritisch zijn over de hofleveranciers van het nieuws. Parlementaire verslaggevers en politici hebben een symbiotische relatie. Ze hebben elkaar nodig, voeden elkaar. Journalisten die erg kritisch berichten over bepaalde politici, verliezen hun toegang tot die politici. Journalisten die de politici te vriend houden, houden toegang en worden soms ook beloond in de vorm van adviesopdrachten en uitnodigingen voor het modereren van seminars en debatten.”

“Het beeld van de journalist die uit eigen initiatief op pad gaat, geheime ontmoetingen heeft en verborgen informatie aan het licht brengt is dus misleidend, want zo werkt het maar zelden. Het zijn de elites die het nieuws maken, niet de journalisten.”

U noemt nog een reden die journalisten ervan weerhoudt eigen ideeën voor verhalen uit te werken. Dat is het in de beroepsethiek ingebakken streven naar ‘objectiviteit’. Om te voorkomen dat ze ervan beschuldigd worden subjectief te zijn, kiezen ze voor de veilige weg – het citeren van officiële bronnen.

“Objectiviteit zegt dat journalisten geen activisten mogen zijn. Ze schrijven alleen op wat er ‘gebeurt’. Dus als de machtige politici het ergens over eens zijn, dan zal er weinig kritiek te lezen zijn in de media, zelfs als de politici het totaal verkeerd hebben of bijvoorbeeld iets doodzwijgen omdat het niet in hun belang is het er over te hebben. In de VS bijvoorbeeld gaat het politieke debat bijna nooit over armoede, maar over de middenklasse. Dus hebben de media het ook bijna nooit over de vele armen die de VS ‘rijk’ is. Omdat de Democraten zich niet verzetten tegen de door de Republikeinen gewenste oorlog in Irak, deed de pers dat grotendeels ook niet, met een ramp tot gevolg.”

“Objectiviteit betekent in de praktijk dat machtige bronnen voorrang krijgen in het nieuws. De journalistiek weerspiegelt vooral de verschillen van meningen van de elites onderling. Als de elites niet onderling van mening verschillen dan is er geen nieuws. Wat de bevolking denkt doet er nauwelijks toe.”

“Een oorzaak dat er zoveel entertainment-nieuws is, is dat dit commercieel slim is. Dat nieuws is makkelijk te krijgen en politiek veilig. Onderzoeksjournalistiek wordt wel gedaan in een commercieel systeem, maar blijft marginaal want het is duur en onzeker en politiek gevaarlijk. Het is gewoon geen aantrekkelijk product om te verkopen.”

Het vierde kenmerk van het propagandamodel is ‘flak’, oftewel luchtafweer. Als je als journalist ingaat tegen de gevestigde orde, word je aangevallen.

“De helft van de hoofdredacteuren van landelijke kranten in Nederland zegt dat politici zich soms beklagen over bepaalde berichtgeving, blijkt uit een studie. En het gebeurt dat zij verzoeken inwilligen om bepaalde informatie uit de krant te weren. Journalisten doen daarnaast aan zelfcensuur en trekken ideeën voor artikelen in, bijvoorbeeld omdat officiële bronnen niet mee willen werken, er druk ontstaat vanuit de adverteerders of de politiek, of als ze aanvoelen dat een idee voor een onderwerp niet past binnen de heersende ideologie. Geert Wilders heeft diverse pogingen ondernomen om flink te bezuinigen op de NPO uit ontevredenheid over de manier waarop de omroepen over hem berichten. Kritiek en dreigementen door elites hebben effect op de media.”

Het vijfde en laatste kenmerk van het propagandamodel is de heersende pro-marktideologie. Wat niet binnen die ideologie past, wordt weggefilterd uit het nieuws.

“Tijdens de Koude Oorlog heerste er in Nederland een pro-Amerikaans, anti-communistisch klimaat. Sinds de val van de Berlijnse Muur is daar het geloof in de markt voor in de plaats gekomen als oplossing voor alle problemen. Je ziet dat in de politiek, waar met de opkomst van de PVV, en het opschuiven van de PvdA naar het midden, een ruk naar rechts is ontstaan. Journalisten zijn hierdoor in een neoliberale omgeving beland. Je ziet dat de commerciële media de politiek betichten van oneerlijke concurrentie vanwege de overheidssteun aan de publieke omroepen, die dan ook heel veel hebben moeten bezuinigen.”

Chomsky en Herman hebben met hun ‘paired examples’ studie aangetoond dat de Amerikaanse media selectief berichten. Zo wordt een slachtpartij aangericht door een bevriende natie in neutrale termen beschreven of zelfs geheel verzwegen. Terwijl er schande van wordt gesproken als hetzelfde gebeurt in een land dat in conflict is met de VS.  Is dit al eens onderzocht voor de Nederlandse media?

“Lang geleden stuurde ik een voorstel voor een promotieonderzoek naar een gerenommeerde Nederlandse professor in de journalistiek om die studies van Herman en Chomsky ook voor de Nederlandse media te doen. De methode van ‘paired examples’ die ze gebruiken is sterk. Het toont duidelijk aan dat over vergelijkbare gebeurtenissen die min of meer tegelijkertijd plaats hebben heel verschillend wordt bericht, in het voordeel van de nationale elites, zoals de grote bedrijven en de gevestigde politieke partijen. Het is nogal wat als je de ‘vrije pers’ zo te kijk kan zetten. De professor schreef terug dat hij het geen goed voorstel vond, ten dele omdat het onderzoeksresultaat voor de hand lag. Dat klopt. Het resultaat ligt voor de hand: in de Nederlandse media zal je in grote lijnen dezelfde ongelijke behandeling van buitenlandse gebeurtenissen vinden die de belangen van de elites van het land weerspiegelt.”

“De enige studie die Herman en Chomskys werk heeft toegepast op de Nederlandse media, dus inclusief de ‘paired example’ methode, was een masterscriptie van Lex Rietman over de behandeling van verkiezingen in Centraal-Amerika in de jaren tachtig. De Amerikaanse pers volgde de conclusies van het Witte Huis. Verkiezingen werden ‘vrij’ genoemd als het Witte Huis dat deed en ‘oneerlijk’ als het Witte Huis dat deed.  Onafhankelijke verkiezingswaarnemers en mensenrechtenorganisaties kwamen overigens tot omgekeerde conclusies, maar zulke bronnen werden blijkbaar niet betrouwbaar geacht door journalisten. De Europese pers, ook de Nederlandse, zat op dezelfde wijze fout. Volkskrant-correspondent Jan van der Putten vormde overigens een eerbare uitzondering.”

“Meer in het algemeen blijkt uit ander onderzoek over de buitenlandberichtgeving in de Nederlandse media dat ze inderdaad een versie van de werkelijkheid tonen die de belangen van de politieke en economische elites dient en hun versies van de waarheid voorrang verleent. De berichtgeving over de Irak-oorlog is een duidelijk voorbeeld. De New York Times en Washington Post hebben overigens na de invasie de hand in eigen boezem gestoken. De Nederlandse kranten hebben dit nooit gedaan.”


Artikelen van Tabe Bergman:

Posted on

Duitse regering geeft toe: Amerikaanse drone-oorlog ook via Ramstein

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Michael Roth heeft zich onder druk van de Bondsdag gedwongen gezien de kaarten op tafel te leggen. Hij moest toegeven dat de Amerikaanse vliegbasis Ramstein in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts een rol speelt in de Amerikaanse drone-oorlog.

De Verenigde Staten, zo heet het nu, zouden de Duitse regering op 26 augustus 2016 medegedeeld hebben “dat de mondiale communicatiekanalen van de Verenigde Staten van Amerika ter ondersteuning van onbemande vliegtuigen ook telecommunicatieposten in Duitsland insluiten, van waaruit de signalen verder geleid worden. Missies van onbemande vliegtuigen worden vanuit verschillende standplaatsen gevlogen, met gebruik van diverse telecommunicatierelaiscircuits, waarvan enkele ook over Ramstein lopen.”

Door de toegeving van staatssecretaris Roth loochent de regering nu weliswaar niet meer een publiek geheim, maar bij de beoordeling ervan valt ze weer terug in haar tegelijk pijnlijke en groteske houding. De bondsregering zegt namelijk niet te twijfelen aan de legaliteit van de drone-oorlog, ofschoon de drones ook ingezet worden in landen als Somalië, Jemen en Pakistan, waarmee de VS officieel niet in staat van oorlog zijn, en hoewel op iedere strijder zo’n 28 burgers om het leven komen.

De zekerheid van de Duitse regering ter zake van de legaliteit van de drone-oorlog berust dan ook volledig op het woord van de “Amerikaanse partners”. En deze verzekeren de Duitse regering dat er in Ramstein niets gebeurt dat tegen de Duitse grondwet ingaat en dat Duitse wetten alsmede het internationaal recht in acht worden genomen. De Duitse regering geeft daarmee op voorhand wel erg veel vertrouwen aan een staat als de VS, die reeds talrijke oorlogen met leugens heeft proberen te rechtvaardigen, van de verzonnen beschieting van Tonking in Vietnam tot de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein.

Nog afgezien van het ethisch laakbare van deze houding van de Duitse regering, zet ze zichzelf ook met deze kwestie weer voor schut. Het is niet alsof bondskanselier Angela Merkel of haar minister van Defensie Ursula von der Leyen en ook staatssecretaris Roth zich er op kunnen beroepen dat verder de details niet kennen. Op zijn laatst sinds begin 2013, toen de voormalige dronepiloot Brandon Bryant als kroongetuige de rol van Ramstein in de drone-oorlog bevestigde, was de zaak duidelijk.

“Alles wat met dronen te maken heeft, loopt over Ramstein”, aldus Bryant destijds. Hij zelf stuurde honderden missies en doodde daarbij meer dan 1500 mensen. Hij kreeg daar 23 onderscheidingen voor, maar het was niettemin te veel voor zijn geweten, zodat hij de publiciteit zocht.

Lees ook: