Posted on

Alexander Gauland: van conservatief publicist tot populist

Binnen de CDU werd hij op de achtergrond gehouden, als conservatief publicist was hij geliefd bij links en rechts en na zijn zeventigste brak hij toch nog door als politicus. Een portret van AfD-leider Alexander Gauland.

Als staatssecretaris in Hessen eind jaren ’80 gold Alexander Gauland als man voor op de achtergrond, niet geschikt voor de eerste rij. Deelstaatpremier Walter Wallmann zou hem gezegd hebben dat hij een goede functionaris was, maar niet met mensen om kon gaan, nooit campagnetoespraken zou kunnen houden. Hij was kortom niet geschikt als politicus. Inmiddels lijkt Gauland zijn vroegere mentor weerlegd te hebben. Na 40 jaar zei hij zijn lidmaatschap van de CDU op en werd hij mede-oprichter van de eurokritische Wahlalternative 2013. Inmiddels is hij partijleider van de AfD en fractievoorzitter in de Bondsdag. 

Gauland als krantuitgever

Zo beleeft Gauland in de leeftijd der sterken toch nog zijn politieke doorbraak en geldt hij als grand seigneur van de nieuwe beweging rechts van CDU en CSU. Maar wie is deze “vriendelijke scherpslijper” (Der Tagesspiegel), die sinds het begin van de jaren ’70 als politiek publicist en conservatief intellectueel actief was en decennia lang ook door politieke tegenstanders gewaardeerd werd? Biedt zijn journalistieke werk indicaties waarom deze voormalige CDU-man “van publicist tot populist” (Die Zeit) werd?

Gaulands activiteit als auteur begon met zijn 1971 verschenen volkenrechtelijke dissertatie ‘Das Legitimitätsprinzip in der Staatenpraxis seit dem Wiener Kongreß’. Daarna schreef hij diverse boeken met titels als ‘Gemeine und Lords. Porträt einer politischen Klasse’, ‘Helmut Kohl. Ein Prinzip’, ‘Das Haus Windsor’ en ‘Anleitung zum Konservativsein’. Na zijn tijd als staatssecretaris in Hessen onder Walter Wallmann (CDU) was hij uitgever en directeur van het dagblad Märkische Allgemeine in Potsdam.

Ook bij links gewaardeerd

De anglofiele Gauland (met een zwak voor tweed-jasjes en Britse auto’s) speelde het kunststukje klaar in de meest uiteenlopende media te publiceren. Hij was een conservatieve publicist die “ook door links geprezen werd” (FAZ). Zijn artikels, opstellen, portretten en commentaren verschenen even goed in het linkse dagblad Tageszeitung en in het Sponti-tijdschrift Pflasterstrand als in het rechts-conservatieve bald Criticón van Caspar von Schrenk-Notzing. Ook de Frankfurter Rundschau, de FAZ, Die Welt en de Tagesspiegel drukten zijn non-conformistische, goed geschreven bijdragen af.

In de in 1989 bij Suhrkamp verschenen portretten van Engelse denkers en politici uit de afgelopen drie eeuwen liet Gauland zich hier en daar ook over de actuele politiek uit. Zo trok hij in ‘Gemeine und Lords’ van leer tegen “de verschrikkelijke heerschappij van de functionarissen”, “die zich in de 20e eeuw meester heeft gemaakt van alle politieke partijen”. Een zekere antikapitalistische grondhouding en een afkeer van de “economisering van het politieke” is dan ook reeds zichtbaar. Vandaag de dag deinst de AfD-leider er niet voor terug in de electorale vijver van Die Linke te vissen. Met een zekere reactionaire attitude neemt hij het als politicus voor “de kleine man” op.

In het portret van Churchill zou men ook een verkapt portret van de AfD-leider kunnen ontwaren, die sinds zijn 72e zijn eerste echte politieke lente beleeft en zichtbaar geniet van zijn publieke optreden: “Maar Churchills kracht was tegelijk zijn zwakte. Zijn zucht naar theatrale actie, naar het grote avontuur schiep bij zowel vrienden als tegenstanders de verdenking dat het hem niet om principes, maar alleen om het optreden ging.”

Constanten in zijn denken

Het denken van Gauland laat echter duidelijke constanten zien. Zowel destijds als nu zijn de vijandbeelden van zijn conservatisme “de toenemende economisering”, het multiculturalisme en “de globalisering van markt en mensenrechten”. Dat de AfD juist in de vijver van de ‘verliezers’ van de globalisering vist (bijvoorbeeld in het oosten van Duitsland, maar in het algemeen in de arbeiders- en lagere middenklasse), hangt ook met Gaulands denken samen. Zo keerde hij zich als publicist al tegen een zuivere marktideologie: “Wat de One-World-ideologie, de droom van een door de globalisering democratisch herenigde mensheid, is niet minder utopisch en geen geringer gevaar voor het historische bestaan van staten en volken dan de ten onder gegane socialistische waan.”

Ook een ‘Leitkultur‘, die niet meer inhoudt dan grondwetspatriottisme vindt de auteur echter armoe troef. Echt houvast vinden de mensen in gedeelde geloofsovertuigingen, mores, taboes, culturele tradities, nationale vooroordelen en etnische begrenzingen, traditionele leefomgevingen en religieuze taboes. Immigratie, zo stelde Gauland in 2002 al, moet aangepast zijn aan de “culturele draagkracht van een samenleving”. Ook Gaulands Amerikakritiek is een belangrijke constante. De ‘Putinversteher’ bekritiseerde als publicist reeds de imperiale pretenties van het Amerikaanse buitenlandbeleid, dat mede de immigratie naar Europa aandrijft.

Reeds in zijn boek over conservatisme toonde de West-Duitse conservatief veel begrip voor de mensen in de nieuwe deelstaten van de Bondsrepubliek die op een bepaalde manier terugverlangden naar de DDR. Van deze ‘Ostalgie’ profiteerde de PDS, de opvolger van de SED. Over de schaduwzijden van het DDR-bewind werd daarbij natuurlijk niet gesproken, maar de DDR had op haar manier ook een vorm van heimat en overzichtelijkheid gecreëerd. Dit is ook wat Gaulands AfD de globaliseringsverliezers in zowel oost als west wil bieden.

Populisme

Alexander Gauland mag politiek wat radicaler geworden zijn, dat kan er echter ook mee samenhangen dat hij tot voor kort het meer contemplatieve leven van een intellectueel kon leiden, terwijl hij nu waarschijnlijk meer tijd doorbrengt in talkshows en debatten dan in zijn studeerkamer thuis. De grondtrekken van zijn denken zijn evenwel niet veranderd. Het maakt nu eenmaal verschil of men zich als vrije intellectueel of als verantwoordelijk politicus uit. Als CDU-intellectueel – een zeldzame diersoort – genoot Gauland een zekere narrenvrijheid.

In zijn boek ‘Die Deutschen und ihre Geschichte’ schreef Gauland dat de sleutelwoorden voor de West-Duitse samenleving stabiliteit en consensus waren. Hier is in de afgelopen jaren echter misbruik van gemaakt door politiek en media, die steeds minder lijken te weten wat ‘de mensen in het land’ werkelijk bezighoudt. Dit is natuurlijk in niet geringe mate te wijten aan de door Angela Merkel bepaalde koers van de CDU, die Gauland in een artikel in Die Welt tot ruïne verklaarde:  “De Unie (van CDU en CSU, red.) heeft haar inhoud verloren. Ze komt voor als een antieke ruïne – van buiten is het nog mooi om te zien, maar van binnen is het woest en leeg.” Over de AfD zegt hij daarentegen in een interview met Christ & Welt: “We zijn een Duitse partij, die zich inzet voor Duitse belangen.” De partij verdedigt “het traditionele levensgevoel in Duitsland, het traditionele heimatgevoel”, aldus Gauland.

Meer continuïteit dan radicalisering

Uit de uitlatingen van Gauland als gewaardeerde publicist en als weggezet politicus rijst kortom niet zozeer een beeld van radicalisering op, als wel van een grote continuïteit. Gauland was altijd al een conservatief, ook binnen de CDU, en dat is hij bij de AfD gebleven. Nog meer dan elders in Europa, is er in Duitsland echter een hang naar intolerantie voor bepaalde politieke geluiden. Zoals Gauland in 2012 al schreef in de Tagesspiegel: “In alle democratische debatten gaat het er steeds weer om de van de mainstream afwijkende standpunten moreel buiten de orde te verklaren.”

Posted on

Waarom Rusland-haat modieus is geworden

Tot afschuw van velen, en tot uitbundige blijdschap van anderen, is Nederland sinds enkele jaren vervallen tot universele Rusland-haat. Om precies te zijn: sinds het Nederlands-Russische vriendschapsjaar in 2013 is de situatie flink geëscaleerd. De vraag is, wat steekt er achter?

Wat er in Oekraïne over en weer passeerde, daar vallen kritische dingen over te zeggen. Het is een geostrategische kwestie, een belangenspel rond militair evenwicht, rond territoriale soevereiniteit en de machtsbalans aan de grenzen van Europa. Het conflict over Oekraïne verklaart nog niet de diepe haat ten aanzien van de Russische cultuur, die vandaag door mainstream media en politici wordt aangewakkerd. De kern van deze diepere Rusland-haat vinden we in de identiteitspolitiek, zoals deze door onder meer de Amerikaanse Democraten is aangevuurd.

Van communisme naar globalisme

Zij die in de jaren zestig de barricades beklommen droomden van collectivisme: ze verlangden een versmelting van alle volkeren, religies en culturen – het communistische Rusland was daarbij hun gidsland. Na de val van de Berlijnse Muur bleven zij ditzelfde doel nastreven, maar nu via de mondiale eenwording van de markt. Toen de jaren negentig aanbraken hulden de achtenzestigers zich in een neoliberaal jasje. Hun feestvreugde bekoelde toen bleek dat het IJzeren Gordijn een blessing in disguise was geweest. Oost-Europa schermde zich af van het multiculturalisme terwijl Rusland besloot een Europees-georiënteerde Leitkultur te identificeren en na te volgen. Rusland wilde nationale soevereiniteit en werd tot vijand van de globalisten. Het kosmopolitische deel van links is woedend omdat Rusland het communisme heeft verloochend.

Op het dossier Rusland zijn de liberalen van het ene naar het andere uiterste geslingerd. Annemie Neyts-Uyttebroeck (OVLD) is een goed voorbeeld. Zij hield in 2011 een gloedvol betoog op het Europarlement dat het contact met Rusland perfect was, dat er tussen de EU en Rusland beslist geen spanningen bestonden, en dat de Russische defensie zich totaal concentreerde op China. Wat er toen werd gezegd vond ik uitermate naïef, wat er vandaag wordt gezegd vind ik uitermate vooringenomen. De wereld is gek geworden maar ik heb mijn verstand bewaard.

Extreem contrast

Haar betoog staat in een extreem contrast met een conferentie die een jaar later werd belegd door Guy Verhofstadt (OVLD) over de zaak Magnitsky. De mysterieuze ondergang van deze Russische fraudespecialist werd aangegrepen om Rusland vanuit een EU-bril te kenschetsen als maffialand.

http://www.novini.nl/zaak-magnitsky-kremlin-criticus-valt-geloof/

Destijds merkte ik op dat we weliswaar veel kunnen aanmerken op Rusland – maar de bottom line is dat Europa een geopolitieke toekomstvisie behoeft. Oftewel als je Rusland tegen je in het harnas jaagt, worden dan Turkije en de islamitische olielanden de nieuwe bondgenoten van het Westen? Of zullen China en Iran de beste vrienden van Europa zijn? I don’t think so. Helaas was er geen enkele reflectie te bespeuren op deze kritische overweging.

Verhalen

Dit gebrek aan geopolitiek realisme bracht mij tot het schrijven van Avondland en Identiteit. Maar als ik de situatie vandaag bekijk, dan zijn de verhalen die ik binnenkrijg slechts ernstiger geworden. Neem dit relaas van een jongedame:

“Graag vertel ik hoe de Russofobie mij persoonlijk heeft geraakt. Vanaf mijn zesde jaar woon ik in Nederland – mijn ouders waren Joods-Russische vluchtelingen, ik ben hier opgegroeid en heb bestuurskunde gestudeerd. Ik had een toffe baan bij de IND en voelde eerlijk gezegd nooit de behoefte om terug te gaan naar Rusland. Totdat MH17 plaatsvond: toen veranderde alles.

Op mijn werk werden er grapjes gemaakt en elke man die ik ontmoette vroeg lollig of ik niet een spion was. Bij de IND werd ieders contract verlengd, behalve de mijne, terwijl ik wel een van de betere was. Officieel heb ik er niets van gezegd. Door de eenzaamheid die ik voelde door die grapjes en door de Russofobie, besloot ik om voor het eerst sinds mijn kindertijd Rusland te bezoeken.

Bij de IND had ik dit aangegeven, maar mijn eerlijkheid vertaalde zich in meer spanningen. Dit betekende uiteindelijk dat ik de baan verloor die ik zo leuk vond en dat ik met mijn opleiding weinig meer kon. Ik begreep dat ik niet-Nederlands was. Toen ben ik me voor het eerst in mijn leven gaan verdiepen in de Russische orthodoxe religie en begon ik weer Russisch te schrijven.

Ik verdiepte me in Forum voor Democratie, maar ook daar ontmoet ik altijd twee soorten mannen. Een Rus die hier zogezegd een ‘expat’ is of een Nederlander, maar beiden stellen me honderden vragen over mijn achtergrond en afkomst, en maken altijd dezelfde ‘grapjes’ over mijn ‘spionnenwerk’. Waar hoor ik dan? Ik ben geen Russische spion want ik wil niet voor ‘De Russen’ werken: Nederland heeft mij alles gegeven, ik voel er niets voor om dat te verraden. Maar in mijn sector kan ik niet in Nederland blijven werken, met de constante Russofobie.”

Kosmopolitische identiteitspolitiek is Russofoob

De identiteitspolitiek van het kosmopolitisch-progressieve deel van de bestuurscultuur, is de diepere oorzaak van de Russofobie. Sinds het einde van de Koude Oorlog is er een nieuwe status quo ontstaan: ‘links’ en ‘rechts’ gooiden het op een akkoord en verdeelden het bestuurlijke speelveld onderling. De economie is geflexibiliseerd terwijl het cultuurwezen is verlinkst. Vandaar de extreme obsessie met bijvoorbeeld homorechten, die toen al in 2012 op het Europarlement werden aangegrepen als stok om de (Russische) hond te slaan.

Zonder nu inhoudelijk in te gaan op al deze dossiers – van homorechten tot mediatransparantie en rechtsbescherming – moeten we toch ten minste de vraag stellen waarom er zo demoniserend wordt gesproken over Rusland, maar niet over Turkije. Het antwoord kan wel eens verrassend cynisch zijn: wat de Turken betreft is ‘de vijand’ al door de poorten, wat hier verwijst naar de lange arm van Ankara, beter gezegd die van Erdogan en de AKP.

Bedreigde diersoort wet en doorgeslagen (neo)liberalisme

Deze omzwenking is verklaarbaar vanuit de bedreigde diersoort wet: Turken zijn moslims en dus zieliger dan de christelijke Russen. In de progressieve belevingswereld vertegenwoordigen islamitische Turken ‘de Ander’: een spiegelbeeld waarin de Westerling zich niet herkent en waarin hij de eigen gewetenswroeging, de morele bezoedeling die hij in zijn ziel aantreft, dus niet terugvindt. Het Erdogan-regime kan hierdoor met meer wegkomen dan het Russische.

Europeanen hebben in de laatste eeuwen vrijwel alleen nog oorlogen uitgevochten tussen de staande legers van verschillende natiestaten, wat de obsessie rond de Russische ‘vijandschap’ mede verklaart. De hedendaagse Europeaan heeft echter veel moeite met het minder vastomlijnde begrip van bedreigingen door massamigratie of door de islam – in de moderne individualistische denkwijze is immers ieder individu uniek en kun je geen religie aanwijzen als vijandig, omdat je dan een ‘onschuldige’ aanhanger van die overtuiging iets zou aanrekenen voordat hij of zij een tastbaar misdrijf heeft begaan. Dit ligt anders bij een grote natiestaat als Rusland.

Verkeerde diagnose

De islam als gevaarlijk aanmerken is zó extreem not done in de hedendaagse (neo)liberale maatschappij, dat men intussen cognitief dissonant is geworden. Enerzijds zien miljoenen Europeanen hun thuislanden verloederen, anderzijds weigert men de islam als probleem te erkennen omdat men dan ook de ‘onschuldige’ aanhangers van deze religie tot vijand bestempelt. Zo komen wij wederom op de identiteitspolitiek, want die werpt zich op voor de ‘zielige’ minderheden (moslims), terwijl de religie van de meerderheid (christendom) weer onderdrukkend zou zijn voor andere zielige minderheden (zie opnieuw de discussie rond homorechten en recent de Nashville-verklaring).

De situatie die aldus ontstaat is zo extreem frustrerend, dat de frustratie maar wordt afgereageerd op Rusland. Na iedere islamitische aanslag zijn het immers alleen de ‘radicale’ moslims die de daders waren en daarom wordt de drijvende religieuze ideologie achter de aanslagen nooit aangepakt. Dit verklaart hoe het komt dat indien Rusland als natiestaat, opdracht zou geven om met vrachtwagens over Europeanen heen te rijden, dit direct tot oorlog zou leiden, terwijl bij aanslagen door jihadisten er nooit een consequentie volgt (behalve dan het verder inperken van eigen privacy en vrijheden van Europeanen).

Slotsom

Zo stellen we vast dat de discussie over vrijheid en mensenrechten zeer eenzijdig wordt gevoerd, dat goedwillende personen het slachtoffer worden van Russofobe generaliseringen, en dat er geen realistische visie op geopolitiek is te bespeuren bij onze bestuurders of bij de EU. Helaas is er vooralsnog, met de huidige instituties die vooral mensen aannemen die qua denken de eigen nestgeur versterken, geen manier om dit te veranderen. Richt dus eigen instituties op, vorm een eigen Zuil.

Zelf werk ik momenteel aan een onderzoek naar identiteitspolitiek. Steun dit belangrijke project hier om mijn onafhankelijkheid mogelijk te blijven maken. Mijn nieuwste boek Kerkgangers en Zuilenbouwers zal ik presenteren in Gent op 12 februari, waar ook Sander Loones en prof. Matthias Storme optreden als gastsprekers. Tickets hier verkrijgbaar.

Posted on 1 Comment

“Wantrouw de media en val elkaar nooit in het openbaar af”

Aangetrokken door de titel Kerkgangers en Zuilenbouwers waagde ik mij aan het boek van Sid Lukkassen om mijn gedachtes daarover min of meer reviewend weer te kunnen geven. Als theoloog, één met affiniteit met de neocalvinistische traditie, was ik direct geïnteresseerd.

Ik kwam ongeveer tien jaar geleden in de restanten van de toen net doodverklaarde vrijgemaakte minizuil, maar bevond mij nog wel in een groep mensen die verzuilder waren en dachten dan ze zelf doorhadden. Ook heb ik mij met het fenomeen verzuiling beziggehouden vanuit de geschiedenis van het kerkelijk landschap van de vorige twee eeuwen. De naam Sid Lukkassen had ik wel eens voorbij zien komen, maar nooit iets van gelezen of gezien. Wat betreft politiek en maatschappelijke discussie beschouw ik mijzelf meer als een van de stillen in den lande. Desondanks was ik geprikkeld en besloot het boek te lezen en te kijken of Lukkassen mij kon overtuigen zich bij zijn nieuwe kerk te voegen of op te laten nemen in zijn zuil.

Het is vrij eenvoudig te formuleren waar De Nieuwe Zuil (verder afgekort tot DNZ) voor staat: een gemeenschap van mensen die uit solidariteit elkaar financieel willen steunen om vrije gedachte-uitwisseling te waarborgen tegen de achtergrond van de gestagneerde maatschappelijke en politieke hoofdstroom (vgl. de zin in appellerende wijs waarmee Lukkassen DNZ weergeeft op blz. 52 en 77). Deze hoofdstroom is de globalistische neomarxistische elite die zichzelf aan de macht houdt door voornamelijk tegenstanders door framing monddood te maken. Hoofdstuk negen werkt deze visie uit in 28 punten, gevolgd door een schematisch overzicht van missie, doelstelling, profiel van de leden en de te houden activiteiten. “Dus wantrouw de media en val elkaar nooit in het openbaar af”; korter en pregnanter kan het niet gezegd worden (blz. 82).

Zwaartepunt

Het zwaartepunt van het boek ligt m.i. op blz. 51-87, daarbuiten staan enkele gesprekken met mensen uit de samenleving, die allemaal de indruk maken erg blij te zijn met hem. De rest van het boek bevat allemaal betogen die de noodzaak van de zuil duidelijk maken. Lukkassen geeft zijn meningen over thema’s en gebeurtenissen uit de afgelopen tijd om het failliet van links aan te tonen en de noodzaak van DNZ op rechts. Wat mij betreft was zijn pleidooi al prima als het alleen bestond uit de bladzijdes met het zwaartepunt.

Je leest het boek om als het ware rondgeleid te worden in het gebouw, maar op den duur voelde het voor mij als lopen op de woonkamerafdeling van de Ikea. Je ziet allemaal kleine kamers, los van elkaar en op een of andere manier lijken ze op elkaar. Met als enige verschil dat de Ikea-woonkamers allemaal af zijn en de losse hoofdstukken van Lukkassen ietwat onafgerond aandoen. Dit kan natuurlijk zijn omdat hij de openheid naar de toekomst wil behouden, conform uitgangspunt 28, en alvast een voorzet wil geven voor bezinning. Per slot van rekening geeft Lukkassen van DNZ, om in de Ikea metafoor te blijven, als het ware de bouwinstructies, niet het meubel zelf.

De gewone man

Aan de andere kant lijkt het mij ook te maken te hebben met de abstractiegraad van het betoog. Soms lijkt DNZ alleen interessant voor filosofen en is het vooral een wereld van geschreven en gesproken woorden. Er zit een neiging in het denken van Lukkassen om filosofen op de grond te stellen. Ik vraag me af of de doelgroep van DNZ echt gebaat is bij het plan om een prijs uit te reiken voor “het beste boek” of om “jonge ambitieuze denkers en schrijvers” te stimuleren. Zeker aangezien hij zich richt op de vader aan de keukentafel, op de ondernemer, op de gewone man en vrouw.

Ook registreert Lukkassen dat masculiniteit een probleem is dat aangepakt moet worden, enerzijds door gebrek eraan in het Avondland ten opzichte van de islam, anderzijds doordat de linkse cultuur masculiniteit tegenwerkt. Maar in zijn ethische gedeelte komt deze notie niet terug, noch hoe de deugdethiek die hij voorstaat wordt geoefend en gewaarborgd in praktijken. Deugdethiek is bij uitstek een ethiek van een gemeenschap en praktijken, en zou masculiniteit niet het beste in gezinnen kunnen worden ingezet? Maar zoals eerder gezegd, het kan zijn dat dit in andere werken van Lukkassen die ik (nog) niet gelezen heb behandeld wordt. Wat dat betreft zou DNZ wat kunnen leren van Rod Dreher’s Benedict Option, en minder inzetten op het gehalte Intellectual Darkweb.

Filosofen en krijgslui

Er zit ook ergens iets lichtelijk ironisch in om aan de ene kant filosofen (“en andere briljante mensen”) een leiderspositie toe te schrijven en aan de andere kant voornamelijk leiders als voorbeelden te kiezen die toch krijgslui waren. Het feit dat Marcus Aurelius ook een stoïcijn was doet niet af aan het feit dat ook het zwaard de geschiedenis maakt en bepaalt wie de pen hanteert (blz. 110). Nu wil ik mij wel haasten dat dit niet betekent dat het idee van DNZ compleet waardeloos is door deze punten. Ik ben allang blij dat Lukkassen het idee oppert en dat hij serieus nadenkt over belangrijke vragen. Daarvoor verdient hij lof, zeker omdat hij een van de weinigen is die het niveau van memes en politiek-incorrect zijn door middel van vuilbekkerij en grofheden overstijgt. Ik ben niet de door hemzelf beschreven intellectueel die Lukkassen afkraakt omdat ik hem te ongenuanceerd vindt (blz. 21). Ik vermoed dat wat ik aanstip punten zijn waar hij best over in discussie zou willen, als hij mij al niet wijst op plaatsen in andere werken waar hij dit wel of anders uitwerkt (ik heb immers alleen dit boek gelezen).

Antithese?

Maar, ondanks alle waardering die ik voor zijn initiatief en denkwerk heb, voeg ik mij niet bij zijn kerk en zoek ik geen plaats binnen zijn zuil. Het is voor mij niet duidelijk waar nu de antithese zit tussen DNZ en het door Lukkassen verfoeide cultuurmarxisme. Voor Abraham Kuyper, de aanjager van de verzuiling, bestond de antithese ten diepste op het gereformeerde leerstuk van de uitverkiezing, het theologische leerstuk dat God voor de schepping heeft bepaald welke mensen er tot geloof komen of niet. Zo werd de mensheid opgedeeld in groepen, de eerste met de mogelijkheid, al dan niet geactiveerd, tot geloof, en de ander zonder de mogelijkheid tot geloof. Zonder te vervallen in theologische nuances of discussies komt deze visie erop neer dat de mensheid zich ook organiseert in twee groepen, een christelijke groep met het christelijke leven vanuit (de mogelijkheid van) het geloof, en die zonder. Omdat het beginsel van geloof ligt in een besluit van God in de eeuwigheid en niet in mensen, is de tegenstelling tussen deze mensen absoluut en onverenigbaar. Zie hier de antithese die de rechtvaardiging is voor de verzuiling, er is een onoverkoombare tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen.

Scheppende rede

Als ik dit kuyperiaanse schema als bril gebruik en kijk naar DNZ van Lukkassen, valt mij op dat Lukkassen wel de antithese scherp neerzet. Hij lijkt de kloof te leggen tussen twee existentieel-metafysische wereldbeschouwingen, die voorkomt dat cultuurmarxisten rationeel te overtuigen zijn (blz. 123-124)  Maar wat in vergelijking met het kuyperiaanse schema ontbreekt, is de filosofische of theologische rechtvaardiging voor de antithese. En ik vraag mij af een rechtvaardiging mogelijk is. Want naar mijn indruk is het niet dat de wereldbeschouwing van Lukkassen, een waarin rationaliteit de basis vormt, veel verschilt van de wereldbeschouwing van (cultuur)marxisten. Ook deze vertrekt vanuit rationaliteit naar de werkelijkheid en is ook een product van de Verlichting. Beide nemen hun uitgangspunt in wat dr. W. Aalders noemde de scheppende rede.

Sociaal-constructivisme

Zo beschouwd neemt Lukkassen slechts een rationele positie in tegenover een even rationele positie. DNZ staat dan voor het nationale of het Europese tegenover het globalistische. Ook staat het voor meer risico nemen, zeker in de drang naar heroïsche daden, tegenover minder risico nemen, met name ten opzichte van gevoelens van groepen mensen, het sobere tegenover het hedonistische. Zonder de rechtvaardiging van de antithese kan Lukkassen alleen maar de onwenselijkheid benadrukken, maar niet de onjuistheid aantonen van zijn tegenstanders. Daardoor zie ik in zijn wereldbeeld een ietwat willekeurige en vooral pragmatische trek. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom Lukkassen spreekt over macht en niet over de wet, in tegenstelling tot een van zijn voetnoten (blz. 23). Macht is niet gegrond en gerechtvaardigd door een goddelijke of kosmische wet.  Deze weg heeft Lukkassen voor zichzelf afgesneden met het beroep op Verlichting. Het is dan ook de vraag wat zijn opvatting is van de menselijke natuur, wie dit niet ziet als een essentie, loopt het grote risico om uiteindelijk te belanden in scepticisme en denken in sociaal-constructivisme.

Mobilisatie

En dit is de tragiek van de verzuiling, het is een kenmerk van wat Charles Taylor in zijn boek A Secular Age noemt The Age of Mobilisation. Een periode die vooral lag in de 19de eeuw die liep tot de jaren ’60 van de 20ste eeuw en toen werd opgevolgd door de Age of Authenticity. In de Age of Mobilization  is het kenmerkend dat politieke, sociale en kerkelijke instituten in existentie moeten worden gemobiliseerd door mensen met een gemeenschappelijk doel. Hier tegenover staat dat in eerdere tijden, het ancien régime, achter al deze politieke, sociale en kerkelijke instituten een ordening van de wereld, beter gezegd, van de kosmos stond. Deze orde ging aan alle instituten vooraf en verleende de autoriteit aan deze. Dit verklaart waarom Lukkassen macht reduceert tot menselijke disposities, die hij Informele Macht noemt (blz. 112-117).

Agnostisch

Niet dat DNZ daarmee een waardeloos idee is en direct kan worden door geschoven naar de prullenbak. Ik hoop alleen dat Lukkassen ziet dat agnostisch blijven over het volgende leven (uitgangspunt van DNZ 11, blz. 67) ook rust op onbewust aangenomen theologische uitgangspunten. Iedere levensbeschouwing die zijn uitgangspunt neemt in de autonome scheppende rede veronderstelt een perspectief buiten alles wat bestaat en buiten een absolute in zichzelf bestaande God die hieraan voorafgaat en die het Christendom altijd heeft beleden. Wie deze positie niet kan innemen, maar toch atheïst of agnost wil blijven, veronderstelt hiermee een andere of een valse god dan het Christendom belijdt en is genoodzaakt de rede te hanteren als een selffulfilling prophecy of te vervangen door willekeur en contingentie.

Co-belligerence

En hier zie ik de antithese tussen mijzelf als belijder van het klassieke Christendom en Lukkassen als een modern Verlichtingsdenker. Dat sluit discussie en sympathie voor zijn denkwerk niet uit, maar ik zal mij hierom niet in zijn zuil kunnen laten opnemen. De belangrijkste les van hem neem ik in ieder geval wel ter harte, ik zal mij niet onder druk van Lukkassen distantiëren om te laten zien dat ik heus wel deug. Want de antithese sluit niet uit dat we elkaar aan dezelfde kant van het politieke spectrum kunnen tegenkomen en met elkaar moeten samenwerken. Maar ik zal wel altijd een voor de overige stillen in den lande bekend wijsje fluiten of neuriën: Quare fremuerunt gentes.

N.a.v. Sid Lukkassen, Kerkgangers en Zuilenbouwers (eigen beheer, 2018), paperback, 273 pagina’s.

Posted on

Cultuurmarxisme: een strijd om het denken

Een complottheorie voor extreemrechts? Dat is hoe de term cultuurmarxisme, die onlangs opdook in het Nederlandse publieke debat, veelal wordt weggezet. Met die Pavlovreactie kan ook de bundel “Cultuurmarxisme” worden neergesabeld in de kritieken, zo er überhaupt al aandacht aan wordt besteed. Let wel: een oordeel dat al geveld is voordat er een letter is gelezen.

Dit geeft cultuurmarxisme al enigszins weer als waartoe het in leven is geroepen: een strijd om het denken. Want wat is cultuurmarxisme? Is het gelijk aan de politieke correctheid? Marx toegepast op de cultuur?

De term wordt regelmatig als onwerkbaar beschouwd. Bovendien zouden er geen cultuurmarxisten bestaan. In dit boek schrijft daarentegen iemand mee die zichzelf als voormalig cultuurmarxist bestempelt. Puck van der Land nam jarenlang mee aan het ‘cultuurmarxistische samenlevingsverband’ van de Rotterdamse commune, wat stil ter ziele ging in 1991.

Deze bundel, waar dertien auteurs aan meeschreven, geeft een overzicht van de invloed van het nieuwe en naoorlogse marxisme op verscheidene vlakken van de Nederlandse samenleving en binnen het grotere geheel van de westerse wereld. De revolutionaire en marxistische invloeden in de wetenschap en het onderwijs, kunst en cultuur, politiek en media worden beschreven en bediscussieerd. Maar daarvoor moeten we eerst terug naar die ene Italiaanse ideoloog.

Gramsci

Medeauteur Sid Lukassen duikt met ons in de invloed van Antonio Gramsci (1891-1937), de leider van de Italiaanse communistische partij ten tijde van Mussolini, die zijn electoraal verlies verklaarde doordat de arbeiders cultureel nog niet waren voorbereid op de marxistische revolutie. Daarom wilde Gramsci de heersende hegemonie van traditionele en religieuze waarden doorbreken om de voorwaarden te scheppen voor de communistische heilsstaat.

Het huidige links kampt met een soortgelijk probleem van mensen die overstappen van socialistische partijen naar bijvoorbeeld de PVV of Front National. Het cultureel conservatieve Europa staat hierin tegenover een ‘diversiteitsdenken’. De perfect storm van het islam-en immigratiedebat, het EU-debat en de vluchtelingencrisis hebben deze tegenstellingen op scherp gezet. Ironisch genoeg kiest West-Europa doorgaans voor een kosmopolitisme met de ontchristelijkte waarden van compassie en openheid, waar het voormalige Oostblok veelal de christelijke identiteit benadrukt.

Gramsci’s cultuurmarxisme betreft de vraag hoe de heersende klasse de instemming van de ondergeschikte klasse verkrijgt en hoe die laatste de oude orde kan omverwerpen en een nieuwe opbouwen. Het verschil tussen Oost-en West-Europa is het verschil tussen Marx en Gramsci, tussen economisme en marxisme als cultuurgoed. Autoriteiten, tradities en historische instituties inspireren loyaliteiten bij de burgers aan koning, kerk en kapitaal, die doorbroken moeten worden. In het Westerse socialisme werd economisme ondergeschikt aan de culturele benadering.

Het nieuwe marxisme

De nieuwe marxistische theorievorming die hiervoor noodzakelijk bleek, werd grotendeels ingevuld door de Frankfurter Schule, die de kritische theorie ontwierp als de ultieme toepassing van de revolutie op de Westerse cultuur. De superstructuur, die bij Marx slechts van ondergeschikt belang was, werd een obsessie voor de nieuwe marxisten.

Gramsci formuleert dit als een revolutionaire stellingenoorlog (WOI) in vergelijking met de snelle revolutie in Rusland. Het is een permanente revolutie die minderheden mobiliseert om de culturele hegemonie te doorbreken. Cultuurmarxisme mobiliseert bijgevolg minderheden tegen de hoofdcultuur en ook de islam leent zich daarvoor.

Zo besteedt historicus Jan Herman Brinks aandacht aan wat hij noemt het ‘drievoudig falen’ van westerse fellow travellers tegenover de totalitaire krachten van het bolsjewisme, maoïsme en islamisme. In de islam is een nieuw proletariaat gevonden dat gered moet worden en dat de blinde intelligentsia noopt om de bevolking opnieuw op te voeden in antifascisme en multiculturalisme.

De uiteindelijke emancipatie

De ultieme bevrijding van het individu, het einddoel van de geschiedenis, moet in het cultuurmarxisme bereikt worden door de mens los te maken van traditionele instituties en autoriteiten. Als zaadjes in een bevroren stuk grond van culturele gewoonten moet men tot ontkieming worden gebracht door het ploegwerk van de staatsmacht.

Het boek is tevens de academische last stand van redacteur Paul Cliteur. Het is een aanklacht tegen de politieke correctheid en tegen de lange mars door de instituties: het veronderstelde cultuurmarxistische project dat ernaar streeft om door geweldloze ondermijning van democratische en niet-politieke instituties macht te verwerven voor het individu.

Zoals genoemd richt cultuurmarxisme zich op de cultuur, waar het klassieke marxisme de economie het primaat gaf, en probeert het de culturele hegemonie binnen de kranten, omroepen en andere media te verkrijgen door de enkeling te emanciperen. Cliteur bestrijdt specifiek de ‘cultuurmarxistische oorlog’ tegen de democratie. Hij ontwaart een zestal cultuurmarxistische trends, waaronder postmodernisme, cultuurrelativisme en identity politics, die consequent toegepast tot het einde van de democratie leiden.

Ironisch genoeg noemt Cliteur hier Karl Popper’s motto om totalitaire uitdagingen te weerstaan: “Geen tolerantie voor de intoleranten.” Een leuze die 80 pagina’s verderop door Brinks wordt verwoord als “geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid”, maar daar als adagium van zowel de Franse als de Russische revolutie geldt.

Is dit credo nu te gebruiken ter bescherming van de democratie tegen totalitarisme en het zogenoemde cultuurmarxisme? Of ging het ontstaan van de moderne democratische idealen gepaard met een kreet die via het liberalisme en bolsjewisme ook in het cultuurmarxisme terecht is gekomen en daarin juist een bedreiging vormt voor onze democratische instituties door ook deze tot in den treure te ‘democratiseren’?

Het laatste essay van deze bundel biedt een uitweg uit deze impasse.

De permanente revolutie

Socioloog Eric Hendriks beschrijft hoe een neo-marxistisch denkschema bestaande uit een tweedeling tussen onderdrukkers en onderdrukten, fundamenteel is voor het cultuurmarxisme en het links-identitaire acitivisme. De oorsprong van dit binaire tweedelingsschema is ouder dan het marxisme en vindt zijn origine in de Franse Revolutie en de absoluut gewaande tegenstelling van gewone burgers tegenover de geprivilegieerden. Mensen uit de adellijke stand kwamen onder de gevreesde guillotine op basis van hun groepsidentiteit. Dat is de politieke misgeboorte van de democratische verlichtingsidealen. Hendriks noemt dat ware diversiteit nooit binair, eenduidig of politiseerbaar is. Door middel van deze theoretische vereenvoudiging is de permanente revolutie desondanks in de moderniteit binnengedrongen en het egalitaire activisme is nooit meer uit de samenleving verdwenen.

In het marxisme kwam dit dualisme terug in de mobilisatie van de arbeiders tegen de kapitalisten. En in de jaren ’60 en het hedendaagse activisme is er sprake van een ‘wit privilege’ of een ‘mannenprivilege’ en komt de tweedeling terug in een veronderstelde strijd van ‘bruin tegen blank’, vrouw tegen man, student tegen docent, kind tegen ouder en allerhande dwaze en generaliserende scheidslijnen.

Hendriks besluit met een oproep om de Revolutie voor altijd achter ons te laten. Deze zit nochtans dieper in ons systeem dan we zelf kunnen toegeven. De huidige politieke correctheid bewijst dat.

N.a.v. Paul Cliteur e.v.a., Cultuurmarxisme. Er waart een spook door het Westen (Aspekt: Soesterberg, 2018), paperback, 300 pagina’s.