Posted on

Uitgeverij De Blauwe Tijger lanceert nieuw tijdschrift

De Groningse uitgeverij De Blauwe Tijger lanceert deze zomer een nieuw tijdschrift. Het magazine gaat Epoque heten en moet een glossy “boordevol cultuur, geopolitiek, economie, trends, ambacht en kunst” worden.

“Epoque springt in een gat dat al langer aanwezig is op de Nederlandse bladenmarkt”, zo schrijft De Blauwe Tijger op haar website. “Het is gericht op langlopende trends op gebied van economie, literatuur, kunst, (geo)politiek, geschiedschrijving, onderwijs en opvoeding.”

“In een tijdperk waarin mensen steeds minder kranten en bladen lezen, is Epoque Magazine een middel om zicht te krijgen en visie te ontwikkelen op trends in binnen- en buitenland”, zo licht de uitgeverij toe.

Het is de bedoeling dat ieder nummer van het magazine, dat vooreerst als kwartaalblad verschijnt, een katern rond een thema bevat. In het eerste nummer is dat thema rust. “Thema’s worden over meerdere essays en achtergrondcommentaren ontleed. Vervolgthema’s zijn o.a. Brexit, Merkel, stedebouw, popcultuur, Salamanca.”

Daarnaast wil het blad veel ruimte vrijmaken voor reportages en dossiers: “Dossiers besteden aandacht aan gevoelige maatschappelijke onderwerpen als gaswinning en pulsvisserij en Europese regelgeving. (Foto-)reportages gaan over unieke en vakbekwame ondernemers, en beeldend kunstenaars. En met de kunst is ook het laatste vaste onderdeel aangeboord. Epoque besteedt niet alleen veel aandacht aan het chroniqueren van de kunst en literatuur, maar zal ook literatuur, poëzie en essayistiek plaatsen.”

De redactie van het tijdschrift wordt gevoerd door Antoine Bodar, Henk-Jan Prosman en Tom Zwitser. Auteurs die bijdragen aan het tijdschrift zijn onder andere: Willem Jan Otten, Robert Lemm, Fernand Keuleneer, Alexander Zwagerman, Diederik Boomsma, Klaas Maas, Sietske Bergsma, Amanda Kluveld, Charlotte Blaak, Hugo Beuker, Martin van Creveld, Harry Prins, Peter van Duyvenvoorde, Jesper Jansen, Nikko Norte, Rypke Zeilmaker, Jonathan van Tongeren.

Het eerste nummer van Epoque moet in september verschijnen. De uitgeverij vestigt er de aandacht op dat het initiatief tot stand komt zonder investeerders en vraagt zodoende iedereen die dit wil steunen om niet te wachten met abonneren. “We beginnen weliswaar als kwartaalblad, maar willen zo snel mogelijk een maandblad worden. Dit kan alleen met uw hulp! Treuzel niet, en neem een abonnement!”, aldus De Blauwe Tijger. In de losse verkoop gaat het magazine 16,95 euro kosten, een abonnement is 52,- euro.

Meer informatie en abonneren op de website van De Blauwe Tijger

Posted on

Over nut en noodzaak van de Renaissancevloot – Zin en onzin van ‘imagined traditions’

Gister werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik had afgesproken met een vriend van mijn eerdere lerarenopleiding – inmiddels zo’n veertien jaar geleden. Die persoon was altijd best nationalistisch en behoudend. Nu zag ik mezelf nooit als nationalist en meer als humanist. Dat gaf aanleiding tot boeiende discussies over maatschappij en politiek. Plots kwam het gesprek nu op Thierry Baudet. Wat er vervolgens tussen ons werd gezegd heeft meer met me gedaan dan me slechts ‘aan het denken gezet’. Het heeft me op een existentiële wijze geraakt.

Wat we gezamenlijk hadden was dat we beiden het belang zagen van levenskrachtige tradities en een sterke cultuur, om een land bijeen te houden. Het was zoals Gerard Pieters, docent Middeleeuwen, destijds zei: “Als een natiestaat geen boeiende verhalen kan vertellen over haar geschiedenis, dan verliest de democratie iedere samenhang.”

Europese cultuurfamilie

Destijds al had ik het idee, dat de levensbeleving in de Randstad behoorlijk verschilde van de landelijke provincieën, en dat dit ‘natiegevoel’ te zwak was om ook maar enige aantrekkingskracht te hebben op minderheden. Ik zag Nederland als deel van de Europese cultuurfamilie, die tegen de contouren van het globalisme wél duidelijk te onderscheiden is. Nu ik meer tijd in Brussel doorbreng, begin ik het typische volkskarakter van de Nederlander beter te zien, de recht-door-zee-heid die velen van ons kenmerkt. Als er een probleem is dan hoeft men met de Nederlander  – anders dan met de Belg – geen serie aftastende gesprekken te voeren om te ontdekken wat het probleem zou kunnen zijn. En wat landen als Duitsland en Zweden zichzelf aandoen, daar kan een weldenkend mens slechts op neerkijken.

Maar ik zag dus altijd al dat het ‘natiegevoel’ weinig vlees op de botten heeft, en is opgelost in een levenshouding van consumeren. Als Michiel de Ruyter ooit zou terugkeren, dan zou het hooguit een cameo-appearance zijn op de omslag van meergranenbiscuits, als een soort kapitein koek. Wél zouden door de globalisering en de geopolitieke botsing van culturen, de Europese volkeren zich bewust worden van een verwante cultuurgeschiedenis en gedeelde identiteit.

Maar die studiegenoot kon juist prachtige verhalen vertellen over figuren als De Ruyter, Willem van Oranje en Willem Barentsz. Hij was fan van die vaderlandse helden, kende de details van hun ontdekkingsreizen en geloofde oprecht in de bezielende, natievormende kracht die daar van uitging. Hij hield bij het vak ‘drama’ gloedvolle pleidooien voor de Sinterklaastraditie omdat dat tenminste een authentiek Europees feest was met wortels in de Germaanse mythologie. En geen “kloonproductie zoals de Kerstman, die is uitgevonden door Amerikaanse bedrijven”.

Zwarte Piet wijst op wezenlijk vraagstuk

Gisteren zei hij dan plots: “Sid je moet weten dat ik nu anders over dingen denk. Zo vind ik bijvoorbeeld dat Zwarte Piet best groen mag worden geschminkt. Als we hierdoor minder mensen voor het hoofd stoten. Want die Zwarte Piet is toch een knecht. Ik was altijd voor het behoud van tradities omdat dit wortels geeft. Maar nu zie ik dat je niet trots kunt zijn op dingen die je niet zelf hebt gemaakt. Ik hoor tokkies zeggen: ‘het mag niet veranderen, want het is traditie’. Dat is een onzinargument. Dat is net zoiets als de islam die weigert om haar heilige teksten aan te passen.”

Ik antwoordde dat ik nooit Sinterklaas vier, maar dat het veranderen van Zwarte Piet om twee redenen geen goed plan is. Ten eerste omdat het nooit een issue was – dit is het discours van Amerikaanse universiteiten, een discours met wortels in Martin Luther King, de Jim Crow laws en de KKK. Europa heeft een totaal andere koloniale geschiedenis en tot voor kort wisten alle zwarte mensen dit: hierom was Zwarte Piet nooit een issue, totdat dit discours hier kwam. Ten tweede moet je als heersende cultuur kracht uitstralen en eisen van anderen dat zij zich aanpassen, niet andersom.

Omdat het op deze wijze een vervelende avond zou worden, verlegde ik de aandacht naar de islam. Ik wees erop dat dit geen goede vergelijking was. Tradities zijn door mensen gemaakt en hebben historische wortels: de Koran zou daarentegen een ongeschapen boek zijn dat buiten de wereldlijke tijd bestaat. Het Zwarte Piet-discours chanteert met een positie van achtergesteldheid en slachtofferschap, maar de islam stelt vanuit zelfvertrouwen een eigen dominante claim centraal. Namelijk dat democratieën worden gemaakt door mensen en daarmee ook feilbaar zijn zoals mensen; het onfeilbare woord van God zou dus de grondslag zijn van een superieure politieke orde.

Baudet en de Renaissancevloot

Vervolgens kwam het gesprek op Thierry Baudet. “Ik zou nooit op hem kunnen stemmen. Hij spreekt wel erudiet maar ik krijg er een rare gewaarwording bij. Ik ben wel voor een seculiere staat natuurlijk, daarin geef ik hem gelijk. Maar dan met die stomme VOC-bootjes op de achtergrond… Dat gepraat over een Renaissance, ik voel me er onpasselijk bij. En dan ben ik nog iemand die erg in geschiedenis is geïnteresseerd.”

Ik knipperde met mijn ogen toen ik dit hoorde. Van iemand die ik kende als behoorlijk nationalistisch. “Je bedoelt dat met die schepen een bepaald beeld van de Nederlandse historie wordt opgeroepen? Het beeld zou zinspelen op een oer-Nederland. Daarbij vraag je je af, wat dat Nederland dan is.”

“Daar sla je precies de spijker op zijn kop. En ik maak me zorgen over de islam en ben natuurlijk vóór een seculiere rechtsstaat. Maar om die zorgen te onderbouwen, heb ik geen behoefte aan een verhaal over de Nederlandse identiteit.”

Imagined traditions

“Maar is dat niet de meerwaarde van een Thierry Baudet? Net noemde je Wilders een ‘schreeuwer’ die ‘alleen maar in herhaling valt’. Baudet probeert mensen te verleiden en hun harten te winnen met een positief eigen verhaal. Toevallig ken ik de man die die poster met de Renaissance-schepen heeft gemaakt. En ik weet ook wat het idee erachter is. Onze geschiedenis is niet perfect – dat weten wij geschiedenisdocenten als geen ander. Maar we hebben toch nationale of op zijn minst cultuurhistorische symbolen nodig om maatschappelijke samenhang te organiseren? Om daarop een bezielend verhaal te baseren over de leidende cultuur.”

“Maar zelfs als het gebaseerd is op verbeelding? Dan kom je uit bij de imagined traditions. Want zelfs in de Gouden Eeuw was er natuurlijk ruzie tussen de orangisten en de patriotten. Er waren conflicten tussen de zee- en de landgewesten, tussen de remonstranten en de contraremonstranten, tussen de stadhouder en de raadspensionaris, enz.”

“Wij kunnen samen een bezield en bevlogen gesprek voeren over deze nuances omdat wij deze kennis hebben over de geschiedenis van dit land. Het alternatief is een generatie die hier helemaal niets van weet, maar wél een rugzakje naar school draagt met daarop de kreet: ‘Fuck Nederland, Turkije nummer één’.”

De strijd om de Leitkultur

Men kan zeggen, ‘ik hoef alleen een liberale rechtsstaat – ik wil hier niet een overheersende cultuur hebben met duidelijke symbolen als standbeelden van De Ruyter om die cultuur uit te dragen’. Maar wat is dat standpunt waard als er een versnippering van cultuurenclaves voor terugkomt: Turkse en Marokkaanse of wie weet Somalische, die de publieke ruimte opeisen? Wat nu als dit wél duidelijke identiteiten zijn, met bijbehorende etniciteiten en religies en uiteindelijk ook eigen visies op het recht? En waar ‘wij’ dan eigenlijk geen antwoord op hebben? Om precies dat scenario te voorkomen, mag de Nederlandse cultuurhistorie met wat meer eigenwaarde worden uitgedragen.

En ten tweede, je kunt zeggen: ‘Ik wil alleen die seculiere rechtstaat, waar mensen gelijk voor de wet zijn, maar daar hoef ik niets omheen te hebben.’ Dan heb je inderdaad dat kader van die liberale rechtstaat, maar dat is een kale kapstok. Je hebt je kantoorbestaan, je werkt en betaalt belasting, maar verder heb je niets om jouw samenhang met die rechtsorde mee in te kleden. Stel nu dat jij een ‘kansenjongere’ bent, met weinig mobiliteit in het leven. Dan ben je vooral aangewezen op religie: die geeft houvast en identiteit. Waarom zou zo iemand dat laatste stukje trots en eigenwaarde loslaten voor de ‘kale kapstok’ van zo’n seculiere rechtstaat?

Hierdoor moest hij terugdenken aan een Syrische leerling die hij jaren geleden in de klas had. De leerling bleef met alle ernst volhouden dat Wilders van de ChristenUnie was, ondanks de tastbare tegenbewijzen. De verklaring hiervoor, zo zei mijn gesprekspartner, is als volgt. Hoe zouden zij als moslims omgaan met christenen in hun land? In die landen behoor je eerst en boven alles tot een religie – pas dan spelen zaken als nationaliteit of burgerschap een rol. Zelf zouden die moslims absoluut de meerderheid willen blijven boven de christenen. En dus projecteert die leerling ditzelfde denken op Wilders: die zou hoe dan ook zijn christelijke land christelijk willen houden, en is daarom kritisch op moslims. Moet je nagaan als zij ooit een meerderheid zouden worden…

Hoofdconclusie

Zo kwamen we terug op de kern van de discussie: zulke mensen kunnen alleen maar een verhouding aangaan op basis van kracht. Enkel vanuit het idee: ‘Ik ben de sterkere – mijn cultuur is hier leidend. Ik ben hier trots op en jij hebt je aan te passen. Jij moet eerst maar eens bewijzen of je het wel waardig bent om hier te zijn, dus heb jij je te voegen naar mijn cultuur.’

Als dit soort eisen dus niet worden uitgesproken, dan ben je in hun ogen zwak en ridicuul en niet serieus te nemen. Daarom kun je dus niet aankomen met een seculiere rechtsstaat zonder dit in te passen in een leidende cultuur met een bijbehorende identiteit. Inmiddels is dit besef van identiteit zo sterk verwaterd in Nederland – of zo u wilt geliberaliseerd – dat het vanuit de verbeelding moet worden verwekt.

Tot slot

Nu moet u weten dat deze persoon op de universiteit studeerde tussen echt radicale linksgekkies: mensen voor wie Baader Meinhof nog te rechts was. Door met hen om te gaan groeide zijn weerstand tegen die denkbeelden en werd hij voor zijn gevoel conservatiever. Maar juist door die omgeving van studie en discussie achter zich te laten en een kantoorbaan aan te nemen, werden al zijn gevoelens bij natie en traditie uitgewist: het enige wat voor hem nu nog telt zijn de seculiere rechtsstaat en de vrijheid om hedonistisch te leven. Zo blijkt weer duidelijk dat niet de ‘linksgekkies’ de ware vijand zijn, maar het gebrek aan maatschappelijk houvast. Hoog tijd voor een Nieuwe Zuil!

En kom langs op de 22ste!

Posted on

Een interview over cultuur en (geo)politiek om eens goed voor te gaan zitten

De collega’s van de Batavierenpodcast hebben onlangs bij wijze van Kerstspecial Tom Zwitser van Uitgeverij De Blauwe Tijger geïnterviewd met als hoofdvraag ‘Wat is cultuur?’

Wim van den Bergh sprak met Tom Zwitser, auteur van ‘Permafrost’ en ‘Heerlijke platte wereld’ over de vraag wat cultuur nu eigenlijk is. Permafrost is het eerste deel van een trilogie over Oppervlaktes en biedt een filosofische kijk op geopolitiek. Heerlijke platte wereld is een proloog op deze trilogie en gaat over onder andere stedebouw, metafysica, liefde en godsdienst.

Beide boeken komen in het gesprek tussen Van den Bergh en Zwitser ter sprake, maar ook andere boeken, zoals ‘Orthodoxie‘ van G.K. Chesterton en ‘Levenslust en Doodsdrift‘ van Sid Lukkassen. In de loop van het gesprek ontstaat er een overzicht van wat er op cultureel vlak aan de hand is in onze samenleving en in de global village.

Cultuur moet daarbij niet opgevat worden alsof het alleen op de ‘cultuursector’ zou slaan, hoewel ook kunst ruim ter sprake komt in het gesprek. Het gaat echter ook om onze cultuur in bredere zin, om tradities, identiteit, cultuurgeschiedenis, cultuurrelativisme, cultuuroorlog, social engineering en om de culturele achtergronden van de (geo)politiek en de uitwerking van de (geo)politiek op de cultuur.

Steekwoorden in Zwitsers denken zijn massa en mobilisatie. Vroeger kwamen de meeste mensen nooit buiten de plaats, tegenwoordig gaan sommigen op vliegvakantie, welk effect heeft dat op (lokale) samenlevingen en op het wereldtoneel? Gevraagd naar de term cultuurmarxisme waarmee Sid Lukkassen recent stof deed opwaaien in weldenkend Nederland, geeft Zwitser een genuanceerd antwoord, maar spaart hij ook ‘rechts’ niet:

Rechts deinst er voor terug om de wortels van het cultuurmarxisme aan te pakken, namelijk de Verlichting zelf.

Het is een interview van ruim anderhalf uur, maar zeer de moeite waard om eens goed voor te gaan zitten.

Posted on

De heilige Nicolaas II in de Hermitage

Enkele jaren geleden besloot Nederland om in een oud protestants rusthuis aan de Amstel in Amsterdam de Hermitage Amsterdam te realiseren, tegenhanger en partner van de fameuze Hermitage in Sint-Petersburg. Het moest een museum worden gewijd aan Rusland. Rusland lag toen in Nederland en West-Europa immers redelijk goed in de markt. En als olie- en gasstaat had het heel veel geld en was dat een aanlokkelijke ‘vriend’ voor de kooplui in Nederland.

Het was een toe te juichen initiatief daar het de kennis van dit immens grote land en buur kon verbeteren. Toen het echter de deuren opende was Rusland door de VS omgedoopt tot de nieuwe vijand, een kwaadaardig imperium waarvan men niets goeds kon verwachten. Met aan het stuur Vladimir Poetin, een monster, dictator, massamoordenaar, dief en een door en door corrupt figuur. Zeker als we onze media moeten geloven.

De moeilijke geschiedschrijving

Toch blijft de Hermitage aan de Amstel doorgaan met tijdelijke tentoonstellingen zoals in 2014 over de Russische rol bij de Zijderoute naar China. Een uitstekende expositie die vele voor buitenstaanders onbekende aspecten van die relatie blootlegde. Het toonde hoe handel daarnaast ook wetenschap en cultuur in al hun aspecten naar de volkeren bracht die toen het gebied tussen China en Rusland bevolkten.

Nu loopt nog tot dit weekend de tentoonstelling “1917 Romanovs & Revolutie”. Het bespreekt het leven van tsaar Nicolaas II nu honderd jaar na de Russische revolutie van 1917. Het jaar toen de bolsjewieken met Vladimir Lenin in Petrograd de macht grepen en wereldgeschiedenis schreven. Het zou de wereld intens veranderen. De tentoonstelling is echter een misser van formaat. Spijtig.

De Hermitage Amsterdam, een prachtig gebouw, wil de culturele banden met Rusland versterken. Ondanks de koude oorlog van Washington en haar vazallen met Moskou.

 

Het schrijven van geschiedenis is steeds een heikele zaak. Veelal is dit het werk van de dienaars van de overwinnaars, de machtigen die de cultuur beheersen en ervoor zorgen dat zij er in de geschiedschrijving goed uitkomen. De voorbeelden hiervan zijn legio.

Zelfs over de instorting van het Romeinse Rijk 1600 jaar terug zie je nog hoe Duitse historici en Italiaanse geschiedkundigen er niet zelden een andere visie op nahouden. Het zijn de Germaanse veroveraars versus de Romeinse veroveraars. Geschiedschrijving is een aartsmoeilijk onderwerp en een kwestie van niet alleen bronnenmateriaal maar ook van de culturele instelling van de geschiedkundigen zelf. Hoever kunnen zij zich aan hun achtergrond onttrekken?

Russische geschiedenis nog eens herschreven

Ook hier met deze tentoonstelling is deze negatieve beïnvloeding goed merkbaar. Met de val van de Sovjetunie en de Russische KP in 1990 is men, zeker en vooral in Rusland, begonnen met het herschrijven van de Russische geschiedenis ten nadele van Lenin en zijn opvolgers.

En dus krijgen wij hier in het Hermitage het verhaal van de bijna heilige tsaar Nicolaas II die samen met zijn gezin door de bolsjewieken is vermoord. Daarbij poogt men zoveel mogelijk de schuld voor alles wat tijdens zijn leven misliep in de schoenen van anderen te schuiven. Mijlen ver van Nicolaas II.

Natuurlijk kan men ook hier niet voorbijgaan aan een aantal gruwelijke episodes uit het korte leven van de tsaar. Maar telkenmale ligt voor de makers van deze tentoonstelling de oorzaak voor deze reeks desastreuze beslissingen bij anderen. De rampzalige nederlaag met de oorlog tegen de Japanners van 1904-1905 rond de bezetting van het Chinese Mantsjoerije bijvoorbeeld.

Of het bloedig neerslaan van de vreedzame betoging van 9 januari 1905 toen tienduizenden gewoon alleen maar hulde wilden brengen aan ‘hun’ tsaar en hem slechts een petitie wilden overhandigen betreffende de miserie waarin zij leefden. Neen, het bloedbad was de schuld van anderen, de slechte adviseurs. Gemakkelijk niet?

Priester en ‘genezer’ Grigori Raspoetin was een ongeletterd seksueel pervers figuur. Nicolaas II, het hoofd van de Russisch orthodoxe kerk, steunde hem voluit. Dit terwijl huwelijkstrouw voor zijn kerk essentieel was.

Hetzelfde met het incident op 27 mei 1896 toen een massa in Sint-Petersburg de kroning van de nieuwe tsaar vierde. Op zijn uitnodiging. Het was een barslecht georganiseerd evenement waar als gevolg van een stormloop bijna 1.400 mensen omkwamen.

Nadien ging de tsaar gewoon naar een door de Franse ambassade gegeven bal. Slecht advies klinkt het als excuus in de Hermitage. Dat sommigen in zijn omgeving die raad gaven klopt. Maar hij ging wel en keek zo neer op het lijden van de mensen die zijn kroning kwamen vieren. Hoe diep kan je zakken?

Trouwens, hij liet steevast alle adviezen die hem niet aanstonden links liggen, of die nu van de machteloze Doema kwamen of van toppolitici als zijn ministers Sergej Witte of Piotr Stolypin. Allemaal negeerde hij ze als het hem niet aanstond. De man was in de traditie van de Romanovs een autocraat die alleen maar minachting had voor zijn medemens, behalve als het in zijn kraam paste.

Het was uiteindelijk hij die besliste om elke vraag voor politieke hervormingen te negeren, het was hij die besloot tot de gebeurtenissen die leiden tot de oorlog met Japan en het was hij die een al in een verre staat van chaos verkerend Rusland naar een oorlog met Duitsland voerde. Een oorlog die gezien de krachtsverhoudingen voor zijn land niet te winnen was.

De autocraat weet het beter

De man leefde in een soort ivoren toren en gaf vanuit zijn bijna totaal isolement het ene bevel na het andere, met steeds meer rampzaliger gevolgen. Had hij goed nagedacht en anno 1914 naar de politieke en economische toestand gekeken dan had hij door het mobiliseren van zijn leger nooit een oorlog met Duitsland uitgelokt. Zelfs al zocht een uiterst agressief Duitsland toen eender wat excuus voor oorlog. Maar dat wist men in Petrograd, Parijs, Londen en Brussel.

Tsaar Nicolaas II bestuurde begin 20ste eeuw Rusland nog als een alleenheerser, een autocraat die niet besefte dat Rusland zeer dringend behoefte had aan een aan de tijd aangepast politiek systeem. Het werd zijn ondergang.

Kijk naar het lot van zijn eerste-minister Piotr Stolypin die zich keerde tegen Grigori Raspoetin, de gekke priester, en diens overheersende invloed op het gezin van de Tsaar en zijn hofhouding. De man bekocht het met zijn leven. En als de koning van Denemarken en later de Britse ambassadeur hem tot rede pogen te brengen negeert hij ook dat. Een autocraat luistert niet, hij geeft bevelen.

 

Neen, de oorlogen met Japan en later Duitsland kosten een gigantisch fortuin aan de natie en aan miljoenen Russen het leven. Een gevolg van het beleid van slechts een man: Nicolaas II. De latere Britse premier Ramsay MacDonald omschreef de tsaar als een ‘blood stained creature and common murderer’. Het kon niet beter worden gezegd.

En dat in 1917 in twee fasen aan zijn alleenheerschappij een einde kwam is dan ook alleen zijn schuld. Jazeker, Lenin was een door de Duitsers betaalde couppleger maar hij kon alleen maar invloed krijgen en slagen dankzij het wanbeleid van Nicolaas II. En dat Vladimir Lenin en zijn bolsjewieken geen lieverds waren is daarbij van geen tel.

Een revolutie is geen picknick maar een erg bloederige zaak. In Frankrijk haalde men de guillotine boven. Noodlottig voor zelfs de eigen leiders. In het Rusland van Lenin en Leon Trotski was dat niet beter. En ook hier vielen de leiders van de opstand bij bosjes. Tot en met Trotski zelf.

Het ontbrak het Rusland van Nicolaas II aan een voldoende stevige middenklasse van ondernemers, middenstanders en rijke boeren om de broodnodige economische, culturele en politieke hervormingen door te duwen. In de plaats kwam dan maar een enorm bloedbad met Lenin als de winnaar.

Deze en zijn kameraden maakten van Rusland uiteindelijk die moderne industriële natie die in 1941 wel in staat was Duitsland te weerstaan en zelfs te verslaan. Die hervormingen kosten echter wel heel veel mensenlevens. Maar misschien zelfs minder dan onder Nicolaas II. Maar zeker is dat diens bestuur nergens toe leidde, behalve dan steeds meer miserie.

Neen, in plaats van een deftige analyse van het Rusland onder de Romanovs en het beleid van Nicolaas II krijgt men in de Hermitage Amsterdam een bijwijlen aandoenlijk eerbetoon aan die ‘common murderer’.

Typerend is de er getoonde liefdesbrief van Nicolaas II aan zijn Duitse echtgenote. Hoe mooi toch dat een man die zijn land de vernieling induwde zijn vrouw zo graag zag. Had hij maar dezelfde liefde getoond voor zijn onderdanen. Want dat waren de Russen voor hem: Onderdanen. En die moeten luisteren en doen wat men van hen eist. Nicolaas wist het immers allemaal veel beter.


Hermitage Amsterdam, Amstel 51, Amsterdam. Dagelijks te bezoeken van 10 tot 17 uur. Volle entreeprijs 17,5 euro.

De volgende tentoonstelling gaat over Hollandse oude meesters in de Hermitage in Sint-Petersburg. En dat zijn er wat. Als ze nadien dit keer echter maar naar hun plaats terugkeren.

Posted on

Europa: regressie of renaissance?

De afgelopen tijd heb ik De Europese Spagaat met mij mee gedragen en gelezen. De Europese Spagaat is een recent uitgebracht boek over een van de heetste politieke vraagstukken van onze tijd. De Europese Spagaat is een bundel, samengesteld uit de pennen van zeventien verschillende schrijvers uit Nederland en België. Dit maakt het een literair werk wat rijk is in perspectieven. Immers, iedere schrijver voorziet andere problemen en biedt andere oplossingen. De keerzijde is dat het boek een haastige indruk kan geven; zeventien schrijvers moeten 300 pagina’s delen, waardoor de informatiedichtheid heel hoog is en de schrijvers soms over hun eigen verhaal lijken te struikelen.

In deze recensie zal ik mijn aandacht richten op het stuk van Sid Lukkassen. Het stuk van Lukkassen is het langste en meest monumentale stuk van het boek. Het is even fris als ernstig en biedt een vernieuwend politiek kompas voor de tijd die is en komen zal.

In aanloop naar dit stuk wil ik laten zien hoe een ogenschijnlijk rommelige bundel een zekere opbouw kent. De stukken van sommige schrijvers complementeren elkaar dan ook goed. Ik begin met het eerste stuk, van Ad Verbrugge. Verbrugge biedt de heldere, filosofische duikplank waarmee men het onderwerp en de problemen in het boek leert kennen. Vervolgens behandel ik een tweetal schrijvers: Patrick van Schie en Wim Couwenberg. Zij schrijven beiden over het begrip ‘soevereiniteit’ en geven daarmee een harde basis voor de kritieken op de EU. Hierna kom ik terecht bij het eerder genoemde stuk van Sid Lukkassen. De recensie eindigt met een algemene reflectie op De Europese Spagaat; waarbij ik ook de tijd neem voor de overige nodige kritieken en prijzenswaardigheden.

Twee zielen van Europa

Het stuk van Ad Verbrugge – conservatief filosoof en universitair hoofddocent aan de VU – is een bewerking van zijn lezing op de Dag van de Filosofie(2012). Hij leidt zijn stuk in met een vraagstelling over de oorsprong en rol van de ziel. Dit ziet Verbrugge als belangrijk, aangezien het een te weinig belichte vraag is in onze tijd. Verbrugge wijst het verband aan tussen ‘habitus’ en ‘habitat’ – gewoontes en woonplaats – en verklaart hoe dat de basis is voor een culturele ‘ziel’. Deze culturele ziel baseert zijn ethiek onvermijdelijk op een vergelijking tussen datgene wat hij kent en wat hij niet kent. Wat ‘goed’ wordt geacht is iets wat binnen het bekende wereldbeeld valt.

Dit alles is natuurlijk een belangrijk opstapje naar zijn verhaal over de EU. Verbrugge maakt een punt waarmee je Europa kan beschouwen als een continent waar twee collectieve zielen te onderscheiden zijn. Hij verteld over zijn zorgen om het Europese project; het is onmogelijk haalbaar als je geen rekenschap houdt met de culturele diversiteit van Europa. Volgens Verbrugge is de culturele diversiteit op het continent zo buitengewoon hoog dat de vorming van politieke eenheid bij voorbaat onmogelijk is. Dat de EU zich op economie focust maakt ook meer inbreuk op onze ziel dan wij denken. Economie gaat over de huishouding van de staat. Verbrugge waarschuwt dat dit huishouden te diep verbonden is met onze ziel als politiek dier – hoe je je huis inricht en zaken regelt is altijd heel eigen – en het daarom gevaarlijk is om het in de verkoop te zetten.

Verwarring

Reliekschrijn uit de domschat van Aken. buste van Karel de Grote die de kroon van het Heilige Roomse Rijk draagt en motieven van zowel de Duitse rijksadelaar als de Franse fleur-de-lis.

Vervolgens probeert Verbrugge een punt te maken waarbij het een en ander mij voorbij gaat. Verbrugge wijst aan dat er in de Europese geschiedenis altijd sprake was van convergentie en divergentie van de organisatie van gemeenschappen: zoals centralisatie van kerkelijke macht tegenover verzet vanuit het Heilige Roomse Rijk; of Habsburgse eenheid tegenover Nederlandse onafhankelijkheidsstrijders. Afzetten en verenigen zit heel diep in de geschiedenis van ons continent. Verbrugge concludeert dat de ziel van het convergeren en de ziel van het divergeren ‘De Twee Zielen van Europa’ zijn. Volgens Verbrugge lopen deze krachten dwars door en tussen alle volkeren en landen van Europa.

Hier sloeg bij mij een stop door, want in het begin van zijn stuk begreep ik dat de ‘ziel’ een afspiegeling is van de eigen ethiek en thuis en daarmee een specifieke cultuur kan zijn – van clubniveau tot volksniveau, bijvoorbeeld. De manier waarop het begrip ‘ziel’ wordt gebruikt komt wat arbitrair over in mijn optiek. Aangezien zijn idee van ‘ziel’, in de tweedeling convergentie en divergentie, eerder slaat op een strikt politieke wens van een volk om wel/niet ergens bij te horen. Dit is in mijn ogen eerder een kénmerk van de ziel dan de ziel an sich. Wellicht is mij een cruciaal punt ontgaan, maar voor nu levert dit statement voor mij meer verwarring op dan dat het zijn punt duidelijk maakt.

Negatieve identiteit

Hoe dan ook, Verbrugge gaat verder met het verklaren van de gemeenschappelijke ziel/identiteit van de EU. Hij zegt dat de identiteit die de EU biedt niet een positieve identiteit is, maar een negatieve. De EU zou verbinden door collectief het idee van nationale eenheid uit te dunnen. Hiermee  maakt hij de vergelijking met het communisme, een universele ideologie die door heel Europa herkenbaar was in wat zij afwees: kapitalisme, burgerij en nationalisme. Uit deze vijandbeelden dachten de communisten verbinding te vinden. Echter, volgens Verbrugge hadden de communisten per land zeer uiteenlopende ideeën over de invulling  van de ideologie – zo waren de Duitsers georganiseerder en de Fransen veel anarchistischer. De communisten hadden misschien het idee dat zij verbonden waren in een vorm van ideologische eenheid. Maar onder alle ideologische symboliek scholen meer verschillen dan zij zelf zouden willen geloven.

Met deze vergelijking maakt Verbrugge het complexe probleem over identiteit verrassend duidelijk. Volgens hem ontkomen negatieve identiteiten niet aan datgeen wat zij proberen te onderdrukken. Alleen al in de uiting van deze negatieve identiteit steekt de nationale ziel en ethos de kop op. Huis, haard en de gewoontes die we hieruit opdoen zijn diep ingesleten, collectieve karaktereigenschappen. Of je het nou doorhebt of niet.

Conclusie

In het laatste deel van zijn stuk gaat Verbrugge door op ‘de ontwortelende kracht van geld’ en de rol hiervan in het Europese project. Dit is een kracht waar wij al veel langer tegen vechten. In de tijd van de industrialisatie was dit al merkbaar. Volgens Verbrugge is ook de EU, als economische unie, gebaseerd op het idee dat zolang de burger er beter van wordt, deze vorm van grensoverschrijding gewenst is. Hiermee vergeet de EU, zoals Verbrugge al eerder zei, dat bij een gezonde economie ook een gezonde cultuur hoort; anders is de economische constructie het product van een kunstmatige wil.

Verbrugge biedt een ernstig, maar hoopvol beeld over het Europese ideaal. Hij ziet een EU als een haalbaar idee, mits de politieke wens onder de culturen daarnaar staan. Met de huidige poging tot het vormen van een EU is het vanaf het begin gedoemd geweest. Er is te veel culturele divergentie. Zolang de politieke elite deze culturele divergentie niet gaat erkennen, zullen zij ook nooit begrijpen waarom er zoveel weerstand is. De EU is een interessant en wellicht noodzakelijk project, maar in het huidige culturele klimaat is er geen plaats voor.

Soevereiniteit

Mijn volgende opstapje richting het stuk van Lukkassen brengt mij langs het begrip ‘soevereiniteit’. Twee stukjes achter elkaar, van Patrick van Schie – historicus die zich op allerlei manieren inzet voor het liberalisme – en Wim Couwenberg – rechtsgeleerde met een veelzijdige CV en een lange lijst publicaties op zijn naam – behandelen het begrip ‘soevereiniteit’. Waar Ad Verbrugge een cultuurfilosofische kritiek tegen de (huidige) EU maakt, bieden deze twee stukjes een kritiek op basis van een zoektocht naar soevereiniteit in het Europese spinnenweb van macht.

Patrick van Schie

Voor wie slecht bekend is met de rechtsfilosofie is het werk van Patrick van Schie een verademing om te lezen. Hij begint met de simpele vraag wat soevereiniteit is en wat het nog waard is in onze tijd. Aan de hand van de EU zoekt Van Schie uit waar soevereiniteit gevonden kan worden. Volgens Van Schie is de waarde van het begrip zijn relevantie kwijt geraakt. Men maakt zich minder zorgen over de vraag wie het laatste woord mag hebben: de natiestaat, of de EU? Het parlement, of de commissies? De vergaande gevolgen hiervan zijn voor de meeste mensen onzichtbaar en worden dus irrelevant. Dit is gevaarlijk, aangezien hierdoor de Europese elite ongemerkt bevoegdheden overhevelen van natiestaat naar de EU, zonder dat zij voldoende democratische verantwoording hoeven af te leggen.

Wim Couwenberg

Couwenberg gaat dieper op de problematiek in. Volgens Couwenberg zijn er weinig begrippen waar zoveel verwarring en controverse omheen zit als ‘soevereiniteit’. Vervolgens grijpt hij een aantal filosofen aan die proberen duidelijkheid te geven hierover. Dit bouwt hij uit tot een analyse over alle mogelijke staatkundige structuren waarin wij de EU zouden kunnen passen. De conclusie luidt dat de EU geen van alles en alles van niets is, waardoor je de EU onvermijdelijk met scepsis zou moeten benaderen.

Het is snel duidelijk dat Wim Couwenberg zeer belezen is en diepgaande kennis heeft van de theorieën en structuren die hij behandelt. Dit kan het voor de lezer soms moeilijk te volgen maken. Voor mij was dit in ieder geval wel zo. Ondanks dat dit stuk helder maakt hoe malafide de EU in elkaar steekt, kan ik niet zeggen dat ik het verhaal ten volste heb begrepen. Ik geloof dat iemand met gevorderde kennis over de rechtsfilosofie dit stuk heel waardevol zal vinden. Tegelijkertijd is het ook een zeer geschikt stuk om argumenten tégen de EU te sprokkelen.

Europa: regressie of renaissance?

Het stuk van Sid Lukkassen – historicus, filosoof en gemeenteraadslid in Duiven – is, zoals ik eerder in deze recensie zei, het meest monumentale onderdeel van De Europese Spagaat. Lukkassen wijdt de eerste pagina’s aan het uiteenzetten van alle problemen die, volgens hem, cruciaal zijn om over te denken. Hij begint met een van zijn favoriete geschiedfilosofen, Oswald Spengler, en diens theorie over een cyclische beschavingsgeschiedenis. Vanuit deze theorie zien wij een geschiedenis van culturen die opkomen, bloeien en afsterven. Culturen die zichzelf niet opnieuw weten te ijken sterven uit in een tijd van crisis.

De problemen van onze tijd
Met de dood van God, geloof en het nihilisme van de wetenschap moeten wij op zoek naar een duurzaam  idee om een groepsidentiteit uit te vormen. Dit brengt Lukkassen bij de vraag welke rol nationalisme hierin speelt. Nationalisme wordt als iets vies of engs gezien door de heersende kosmopolitische elite. De tweedeling in politiek valt terug te zien in de levenshouding van de aanhangers van de twee politieke ideeën. Lukkassen beschrijft het als volgt:

“Dit keert terug in het dagelijks leven: D66 oriënteert zich op de post-adolescentiecultuur, met waarden als risico en avontuur. De PVV kiezer komt moe uit het werk en wil rust aan het hoofd: huiselijkheid, betrouwbaarheid en zekerheid. De PVV’er brengt zijn kinderen naar de buren als hij boodschappen gaat doen – hij heeft sterke sociale banden nodig; hij moet zijn buren goed kunnen verstaan. Een D66’er kan zich een Thaise nanny veroorloven en vindt het multiculturalisme een fraai, pittoresk gegeven. Hun politieke voorkeur is een voortzetting van hun karakter, dus als je hun politieke standpunten bekritiseert ervaren ze dat alsof je hun persoonlijkheid bekritiseert.”

Deze tweedeling tussen kosmopolitisme en nationalisme, die veelvoudig terugkomt in het stuk van Lukkassen, is volgens hem de grootste ideologische splijtzwam van onze tijd. Hij citeert een uitspraak van Theresa May waarin zij het wereldburgerschap bekritiseert en schetst een beeld waarbij de kosmopolitische elite een veilig leven in een internationaal netwerk lijdt, terwijl zij alle binding met hun landgenoten kwijt zijn. Zij zetten volledig in op het verbeteren van de materiële situatie van hun land, maar missen het belang van cultuur en spiritualiteit voor de mensen. Dit is een ongezonde ontwikkeling. De ervaring van gemeenschap wordt eendimensionaal.

Staatsburgerschap en haar vijanden
Lukkassen pleit dan ook voor een herbronning van de morele inhoud van het staatsburgerschap. Wat betekend het om burger te zijn van een land? In ruil voor bescherming en rechten binnen de groep vervult het individu zijn plichten. Het alternatief is chaos. Wereldburgerschap bestaat niet zolang er geen wereldstaat is. Het is een leeg begrip. De waarde van het burgerschap is geen triviaal gebeuren en Lukkassen ziet goed dat dit te lang onderbelicht is gebleven.

Lukkassen neemt in zijn stuk de tijd om de ideologieën die de morele inhoud van het staatsburgerschap uithollen te doorgronden. Hij duikt de betekenis van ‘regressief links’ in, verkent het wereldbeeld van kosmopolitisch links en zoekt naar analogieën met het verleden. Hier mag één uitspraak van Lukkassen zeker niet vergeten worden: waar Lukkassen het spottend heeft over afwegingen van welke minderheid het zieliger zou hebben, noemt hij de ‘bedreigde diersoort wet’. Lukkassen weet dit soort gevatte uitspraken kunstig in zijn stuk te verwerken, zonder te veel serieusheid te verliezen. In een zwaar stuk zoals deze is luchtigheid een verademing.

De nieuwe zuil
Wat Lukkassen er uit laat springen, in deze bundel, is zijn slotbericht. Het hele stuk is een soort draaikolk van informatie, vragen en antwoorden, die uitkomen op een blauwdruk voor de toekomst. Op de laatste pagina’s zegt Lukkassen dat de vorming van een viertal zuilen voor Nederland en Vlaanderen onvermijdelijk zal zijn:

  • Kosmopolitisch/postmodern/progressief
  • Islam
  • Biblebelt/SGP/Christenunie
  • Soevereine patriotten/humanistisch realisme/post-progressieven

Als wij het staatsburgerschap weer (morele) inhoud willen geven moeten wij hierin meegaan. Het grote probleem is dat de vierde zuil nog niet voldoende vorm gekregen heeft. Willen de mensen die onder de vierde zuil vallen een kans hebben om hun mannetje te staan en hun belangen te verdedigen, dan moet er meer samenhang in komen. Vervolgens stelt hij een soort stappenplan voor waarmee de nieuwe zuil relevant wordt en macht kan uitoefenen.

Sid Lukkassen schrijft in feite een manifest voor het bloeiende rechts van onze tijd. Zijn stuk is ernstig. Soms té ernstig. Maarja, wat weet ik; misschien is het wel zo ernstig, of is er op zijn minst noodzaak voor gezonde ernst. Het is, hoe dan ook, een monumentaal stuk met zowel vernieuwende perspectieven als pogingen om met praktische oplossingen te komen. De actiebereidheid siert het stuk en dient als politieke motivatie in een tijd waar men naarstig op zoek is naar duurzame handvatten op rechts.

Overige hulde en kritiek
Uiteraard staat er nog veel meer in De Europese Spagaat dan wat ik hierboven belichtte. Ik heb enkel geprobeerd om een soort hink-stap-sprong te maken tussen de belangrijkste informatie en ideologische inspiratie uit de bundel. Dat neemt niet weg dat er nog veel meer noemenswaardige dingen in staan. Zowel in positieve als negatieve zin.

Over het algemeen biedt het boek zowel veel basiskennis als verdieping over alle onderwerpen die aan bod komen. We hebben het dan over het recht, militaire functionaliteit, filosofie, theologie, sociologie, politieke theorie enz. Dat gegeven alleen al maakt dit een noodzakelijk boek voor iedere Euroscepticus van deze tijd, ongeacht hoe slim je jezelf acht. Ik geloof dat iedereen wat aan dit boek heeft.

Wat het boek ook siert is de veelzijdigheid van opvattingen over de EU. Verassend veel van de auteurs lijken nog hoop te hebben in het Europese ideaal en zijn in hun verhaal naarstig opzoek naar manieren om het tóch een werkbaar concept te maken. Het verhaal van Luc Pauwels staat zelfs geheel in het teken hiervan. Ook de aandacht voor geloof en het behoud van moraal is in mijn ogen belangrijk. De frisse toon die het af en toe door het boek laat waaien maakt het hopelijk ook prettig leesbaar voor de mensen die niet per se eurosceptisch zijn, maar wel nieuwsgierig. Het laat zien dat de stem achter de kritiek op de EU er een is van rede en idealisme; niet van kortzichtigheid en verbitterdheid.

Kritiek
Helaas is De Europese Spagaat niet perfect. Ik wil in de eerste plaats op wat praktische zaken wijzen, zoals de vele schrijffouten die hier en daar opdoken. Met name in de stukken geschreven door Anton Kruft kan je er niet omheen. Het oogt veel te slordig voor een boek van inhoudelijk niveau.

Over het stuk ‘Bezonken gedachten over Europa en Islam’ van Wim van Rooy, wil ik ook nog kort mijn ongenoegen delen. Dit is het enige stuk waarbij ik halverwege besloot om het over te slaan en aan het volgende stuk te beginnen. De schrijfstijl van Van Rooy is gewoon niet vol te houden. Hij schrijft met zoveel dedain en rancune over zijn ‘vijanden’, dat het haast niet serieus meer te nemen is. Van Rooy zal vast zijn ernst met zoveel mogelijk mensen willen delen, maar op deze manier ga je niemand buiten de rechtse echokamer bereiken.

Ik wil geen pleidooi houden voor politieke correctheid. Verre van zelfs. Maar je moet ook voorkomen dat je een stuk schrijft waar mensen weerzin van krijgen en zich gaan inbeelden hoe driftig die auteur wel niet achter zijn typemachine moet hebben gezeten. Daarmee zorg je er ook voor dat de lezer niet eens meer met je inhoud bezig is. Erg jammer.

Conclusie over De Europese Spagaat
De Europese Spagaat is natuurlijk geen perfect werk. Er zitten schrijvers tussen die wat minder zijn en het is hier en daar wat sloridg. Tip voor de uitgever dus. Uiteindelijk wegen de pluspunten goed op tegen de minpunten. De meningen en (sub)onderwerpen in De Europese Spagaat zijn goed afgewogen en bij het lezen ga je vanzelf merken dat ze elkaar complementeren.

De Europese Spagaat is hét politieke kompas voor eurosceptisch rechts in Nederland. Of je nou aan het snuffelen bent naar andere vormen van EU-kritiek; op zoek bent naar ideologische sturing; of jezelf als voorstander van de (huidige) EU wilt uitdagen: deze bundel is de beste plek om te beginnen. Filosofen als Ad Verbrugge zoeken de culturele problemen die op de loer liggen en geven een inzicht in de ongekende verdeeldheid van het continent. Mensen met kennis over het recht, zoals Patrick van Schie en Wim Couwenberg, duiken in de complexiteit van de machtsstructuren rondom de EU. Zij dikken het arsenaal argumenten voor eurosceptici mooi aan. En voorspellende stukken als die van Sid Lukkassen bieden het nodige scenariodenken dat ons scherp moet houden.

N.a.v. Sid Lukkassen e.v.a., De Europese Spagaat. Het Europa der Vaderlanden òf een Hernieuwde Europese Unie (Aspekt, 2017) 300 pagina’s.

Posted on

Bier als motor van de geschiedenis

De Finse historici Mika Rissanen en Juha Tavanainen hebben een zwak voor eigenzinnige geschiedenisboeken. Met hun boek over sport in de oudheid wonnen ze de grootste non-fictieboekenprijs van Finland. Een nog interessanter thema behandelt het voorliggende boek Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Geschiedenis van Europa in vierentwintig bieren).

Wat heeft bier met geschiedenis te maken, vraag je je misschien af, maar aan dit gebrek aan kennis komen de auteurs tegemoet met interessante teksten. Al in 4000 voor Christus schilderden de Soemeriërs het bierdrinken. Uit deze tijd stammen ook de oudst bekende recepten voor het maken van bier.

De vroege christenheid volgde echter het voorbeeld van de Heilige Schrift en dronk wijn. De oudst bekende vermelding van het drinken van bier in Europa stamt uit de 7e eeuw voor Christus. Lang gold bier als drank van weinig verfijnde barbaren. Wijndrinkers keken neer op bierdrinkers.

Niettemin speelde bier bij belangrijke politieke beslissingen en sociale omwentelingen een rol. Omdat water lang als vervuild en zodoende riskant gold en bier een hoge voedingswaarde had, triomfeerde het gerstenat. Zo drink Martin Luther in Erfurt graag bier in kroegen. Peter de Grote importeerde uit Engeland het recept voor Porter-bier, dat hij bij de havenarbeiders in Londen gesmaakt had. Catharina de Grote, eveneens een liefhebber van bier, liet Duitse brouwers naar Rusland komen.

De problematiek van het transporteren van bier bespoedigde de uitbouw van nieuwe spoortrajecten in de 19e eeuw. Bier speelde een rol van de Noordpoolexpeditie van Fridtjof Nansen. Bij de legendarische Kerstviering in 1914 dronken Britse en Duitse soldaten bier. En er was tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs een bierslag om Engeland. Zelfs bij de Tour de France verfristen zich de sporters met het gerstenat, dat hen de kracht gaf om de Alpen te overwinnen. En Adolf Hitler hield zijn toespraken in bierkelders in München.

Op ieder hoofdstuk volgt informatie over de beschreven biersoort. Aan de hand van 24 biersoorten leert de lezer zo tussen neus en lippen door veel wetenswaardigs uit de Europese geschiedenis. Onverwacht onderhoudende en aan te bevelen lectuur!

N.a.v. Mika Rissanen/Juha Tahvanainen, Die Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Eichborn
Verlag: Köln, 2016), gebonden, 352 pagina’s.

Posted on

Inferno: Gastcollege van prof. Langdon op locatie

De film Inferno laat zich als volgt samenvatten: een professor kunstgeschiedenis verhindert een mysterieus complot, terwijl hij gedurende zijn zoektocht een college kunstgeschiedenis geeft. Tom Hanks vertolkt voor de derde keer professor Langdon in een verfilming van een Dan Brown-roman door regisseur Ron Howard, die ook The Da Vinci Code en Angels & Demons regisseerde.

In tegenstelling tot de twee voorgaande verfilmde werken van Dan Brown speelt de Rooms-Katholieke Kerk in deze film geen enkele rol. Ditmaal is de slechterik een misantropische milieu-fanaat Bertrand Zobrist (gespeeld door Ben Foster), die meent dat de mensheid een kanker is voor de aardbol en dat alleen een pandemie de aarde kan redden van overbevolking. Het is opmerkelijk dat het pantheïstische idee van een moeder aarde door een slechterik in een zo kwalijk daglicht wordt gesteld in een Hollywood-film, waarin dat idee doorgaans wordt omarmd (bijvoorbeeld in de blockbuster Avatar uit 2009).

Opmerkelijk genoeg meent Zobrist dat de bevolkingsgroei vooral komt door Europa (geboortecijfer ~1-2 kind per vrouw), en niet door sub-Sahara Afrika (geboortecijfer ~4-5 kind per vrouw) want in het begin van de film lijkt het er op dat hij zijn virus in Florence wil verspreiden via de toeristenmassa. Later blijkt het virus in het eveneens toeristische Istanbul verstopt, dat wordt opgevoerd als poort tussen oost en west, terwijl de grootste bevolkingsmigratie juist tussen noord en zuid is. Het probleem is natuurlijk dat sub-Sahara Afrika niet zoveel interessante kunsthistorische locaties oplevert voor een roman die gericht is op een intellectueel publiek.

Aan het begin van de film wordt de achtervolging van Zobrist door Christoph Bouchard (gespeeld door Omar Sy, bekend van de Franse film Intouchables) gefilmd, een achtervolging die eindigt in Zobrists zelfmoord in hartje Florence. Bouchard blijkt voor de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) te werken en driftig op zoek te zijn naar het dodelijke virus, dat door Zobrist Inferno is genoemd, een verwijzing naar het gelijknamige werk van de Florentijnse schrijver Dante Alighieri. Zobrist blijkt geobsedeerd te zijn door Dante en dat verklaart de benaming van het virus.

Dante’s Inferno maakt deel uit van zijn meesterwerk Goddelijke Komedie, waarin hij de reis van de ziel naar God omschrijft. In Inferno gaat de ziel door de negen cirkels van de hel, een thema dat sindsdien zijn weerslag heeft gekregen in de schilderkunst, waaronder Sandro Botticelli’s Kaart van de hel. Er wordt in de film voortdurend verwezen naar de Zwarte Dood, een vreselijke pandemie die Europa in de 14de eeuw troof en die naar schatting een kwart van de Europese bevolking het leven kostte. Dante stierf echter voor de uitbraak van de Zwarte Dood en dat zijn werk vooral gebaseerd was op zijn nare ervaringen in de Florentijnse politiek (hij werd uiteindelijk verbannen).

Professor Langdon (Hanks) raakt in deze film meer dan ooit verstrikt in een web van intriges, waardoor hij meer dan de helft van de film versuft en uitgeput erbij hangt. Hij wordt achterna gezeten door een malafide motor-agente, die hem wil vermoorden, en gekidnapt door Bouchard, die het virus wil hebben voor zijn eigen geldelijk gewin. Bijna niemand lijkt te zijn wie hij/zij zegt te zijn. Het is zeker een spannende film met wilde achtervolgingen en opmerkelijke plotwendingen, met name als (spoiler alert!) zijn redder van het eerste uur Dr. Sienna Brooks (gespeeld door Felicity Brooks) de minnares van Zobrist blijkt te zijn die zijn misantropische werk wil volbrengen.

Het einde van de film is opmerkelijk, want het brengt de onvoltooide liefdesgeschiedenis tussen Elizabeth Sinskey (gespeeld door Sidse Babett Knudsen) en Langdon op de voorgrond – beiden kozen voor een professionele loopbaan in de internationale jetset van academici waardoor ze werden gescheiden en uiteindelijk kinderloos bleven. Ook de minnares van Zobrist bleef kinderloos, evenals de malafide motor-agente die sterft tijdens de achtervolging van Langdon. Je vraagt je dan ook af waar Zobrist zich druk om maakt met zoveel onvruchtbaarheid onder westerse vrouwen. De bevolking in het noordelijk halfrond van de aarde blijft anno 2016 onder de vervangingsvruchtbaarheid, terwijl Zobrist juist daar zijn virus wil verspreiden om overbevolking te bestrijden.

De film is leuk om te zien vanwege de vele verwijzingen naar westerse kunst en cultuur, alsmede de prachtige filmlocaties. Je zou alleen al daarom op het vliegtuig willen stappen om te kijken waar de film is opgenomen. Verder is het verhaal leerzaam en spannend met vele plotwendingen. Het is een leuke film om te zien in een bioscoop of een avondje voor de buis.

Posted on

Poolse regeringspartij wil Duitse verleden van Breslau wegmoffelen

Breslau (in het Pools Wroclaw) is dit jaar de Culturele Hoofdstad van Europa en presenteert in dat kader ook haar Duitse cultureel erfgoed en geschiedenis. Dat is echter tegen het zere been van de gemeenteraadsfractie van de nationaal-conservatieve partij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS).

“Duitsland moet eens en voor altijd het verlies van Breslau aanvaarden”, zo schrijft de fractie opgewonden aan de burgemeester. De nationaal-conservatieven storen zich er onder andere aan dat er aan het raadhuis van de stad geen Poolse vlaggen wapperen, die zou bij Duitse toeristen tot “verkeerde conclusies” kunnen leiden, zo vreest PiS. Als het aan de fractie ligt, worden de  uit Breslau afkomstige ontvangers van de Nobelprijs ook niet langer als ereburgers van de stad geëerd, dat zijn namelijk stuk voor stuk Duitsers. Ook moet de straat die naar Wilhelm Grapow (zeg: Grapoo), de architect van het negentiende-eeuwse hoofdstation, vernoemd is, hernoemd worden, want ook dat was een Duitser. De Poolse minister voor Cultuur en Nationaal Erfgoed wil op zijn beurt de Breslauer Opera omdopen tot Nationale Opera.

Aan het raadhuis van Breslau hangen tot ergernis van de PiS-gemeenteraadsleden geen Poolse vlaggen.
Aan het raadhuis van Breslau hangen tot ergernis van de PiS-gemeenteraadsleden geen Poolse vlaggen.

Rafal Dutkiewicz, de onafhankelijke burgemeester van Breslau, heeft weinig op met de verzoeken van de PiS-fractie. Het Duitse erfgoed is een belangrijke toeristentrekker.

563px-Curzon_line_en.svgBreslau is de belangrijkste stad van Silezië en was de hoofdstad van de Pruisische provincie Neder-Silezië. In 1871 was Breslau na Berlijn en Hamburg de derde stad van Duitsland. Met zo’n 633.000 inwoners is het momenteel de vierde stad van Polen. Silezië hoorde bij Duitsland tot het na de Tweede Wereldoorlog door de Conferentie van Potsdam aan Polen werd toebedeeld. Het overgrote deel van de Duitse bevolking werd verdreven, alleen uit Neder-Silezië werden al zo’n 1,7 miljoen Duitsers verdreven. In de gebieden die Duitsland aan Polen verloor, werden Polen uit de gebieden die na de oorlog aan de Litouwse, Wit-Russische en Oekraïense Sovjet-republieken toevielen gevestigd. Dat kon echter niet verhinderen dat de gebieden nog enkele decennia sterk onderbevolkt zouden zijn. In Silezië bevindt zich nog altijd een concentratie van de kleine Duitse minderheid in Polen. Ook identificeert een deel van de inwoners zichzelf niet als Pool, maar als Sileziër.

Posted on

Waarom Zwarte Piet zwart moet blijven

Is Zwarte Piet racistisch? Is hij recent? Een negentiende-eeuwse slaaf van de blanke Sinterklaas? Vragen die ons oude Sinterklaasfeest gedurende deze winterzonnewendeperiode lijken te verduisteren.

Mij was het altijd duidelijk dat Zwarte Piet niet racistisch of recent is. Voor mijn boek Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend? heb ik literatuuronderzoek gedaan en bronnen geraadpleegd die Sinterklaas noemen (o.a. Schrijnen [1915], Schwabe [1969], De Benoist [1996], Van der Ven, Van de Graft [1978], Grolman [1931] en Farwerck [1970]). De boeken presenteren een rijke wereld van oeroude volksgebruiken. Een aspect dat ze beschrijven is dat van de Europese sinterklaasmaskerades: ommegangen met zwart geschminkte en/of bebaarde sinterklaasbegeleiders, duivelse sinterklaasbegeleiders en allerlei sinterklaastypes.

Nicolaasmaskerades

Ons Sinterklaasfeest wordt ook bij de nicolaasmaskerades ingedeeld. Vroeger waren er allerlei nicolaasmaskerades te vinden in Nederland en België. Er waren ‘Zwarte Sinterklazen’, Klaas in wieve-goed (een onherkenbare travestiefiguur), Sintroms in witte lakens met zwarte Pieters, en op de Waddeneilanden vinden we nog steeds vreemd uitgedoste Klozems en Sundrums, die soms nog zwarte gezichten hebben. In het zestiende- tot en met negentiende-eeuwse Amsterdam waren er ook zwart geschminkte Sunderklazen die de buurten terroriseerden, op zoek naar stoute kinderen.

Duitse sinterklaasbegeleiders zijn donker bebaard, hebben vaak zwarte gezichten, dragen donkere kleren en heten Ruprecht. In de Franse Elzas heten deze figuren Hans Trapp, in Luxemburg Houseker, en in Zwitserland hebben we Schmutzli, die net als onze Zwarte Piet een plunjezak en een roe draagt. Evenals onze vroegere Piet spreekt Schmutzli gebrekkig. De Oostenrijkse Krampussen zijn niet altijd zwart, lijken op duivels en dragen vaak een mand in plaats van een zak, waarin stoute kindertjes gegooid worden. En ze jagen jonge mensen op. Elders heeft ook Sint-Maarten (11 November) zwarte begeleiders, en jagen gemaskerde jonge mannen rond 5 december jongeren op, om hun met roeden al petsend vruchtbaarheid te brengen.

Heidense oorsprong

Indien al deze volksgebruiken een gemeenschappelijke oorsprong hebben – en dat is volgens volkskundigen evident – is het aannemelijk dat de oorspronkelijke Sinterklaasbegeleiders er niet zo negroïde uitzagen als onze uit hen voortgekomen negentiende-eeuwse Afro-Piet. De Nederlandse Piet is in essentie dezelfde figuur als de andere sinterklaasbegeleiders. Zij dragen vaak een roe; zijn vaak zwart of donker geschminkt; rijden net als Sinterklaas vaak op een schimmel; dragen een zak; gooien vruchten en noten (in Nederland snoep en pepernoten); brengen geschenken en maken jonge mensen bang.

Volgens de bronnen duiden deze gebruiken op een heidens bezinksel. Sinterklaas en Zwarte Piet zijn hoogstwaarschijnlijk overblijfselen van de voorchristelijke Germaanse Wodancultus. Het volksgeloof stelt dat Sinterklaas op zijn schimmel over de daken kan vliegen (net als Wodan); hij is een rijzige figuur (net als Wodan); heeft een lange baard (net als Wodan); Sinterklaas en Piet komen ´s nachts door de schoorsteen bij de mensen op bezoek en bij de open haard leggen de mensen wat voer neer voor de schimmel gedurende het nachtelijke Klaasbezoek (dit duidt op een aloud hooioffer voor Wodan en zijn paard). De schoorsteen was voor het huis de verbinding met de andere wereld en Wodan en de gesneuvelden konden zo ´s nachts bij de mensen voedsel en offers komen halen.

Zwarte gezichten

Groepjes mannen – in de literatuur vaak mannenbonden genoemd – brachten hun gemeenschappen vruchtbaarheid en stonden in spiritueel contact met Wodans Wilde Heir. Dit was een dodenleger van gesneuvelde medestrijders die, als bewoners van de Onderwereld, zwarte gezichten hadden gekregen. Hun aanvoerder was Wodan. Tijdens riten dosten de mannen zich uit als hun gesneuvelde dierbaren dus maakten zij ook hun gezichten zwart.

De Kerk probeerde in de Middeleeuwen de hemelse legeraanvoerder Wodan door de heilige Nicolaas (en elders Sint-Maarten) te laten vervangen. Het volksgeloof bleek echter hardnekkig: de schimmel en de zwarte mannen bleven rondwaren. Dus werden Sint-Nicolaas en Sint-Maarten schimmelruiters en kregen de zwarte mannen de identiteit van de duivel, die ook als Piet of Pieter bekend stond.

Elders in Europa bleef men Piet met de duivel en duisternis vergelijken, maar in Nederland kreeg Piet halverwege de negentiende eeuw dit tropische uiterlijk. Kennelijk kon men deze zwarte schim, afkomstig van het heidense verleden, niet anders plaatsen. Dus vergeleken ze de zwarte Piet met een Moor – een voor die tijd prototypische neger, die in zeventiende-eeuwse kleren op veel plaatsen afgebeeld werd in boeken en op winkels.

Zijn de zwarte pieten dus negentiende-eeuws? Ze zijn veel ouder. En de kritiek dan, die zegt dat Zwarte Piet een negentiende-eeuwse slaaf uit Afrika is? Die zegt meer over de beweerders dan over de geschiedenis.

Rassenreductionistische kritiek

De kritiek op Piet is weliswaar modern, maar de argumenten tegen hem zijn bekrompen, oppervlakkig, rassenreductionistisch en getuigen van uitvergrote postkoloniale frustraties. Inderdaad, Zwarte Piet is niet zwart van de schoorsteen. Maar zijn ondergeschiktheid aan Sinterklaas is evenmin ingegeven door racisme. Sommigen stellen aanpassing voor door Piet slechts enkele zwarte roetvegen op het blanke gezicht te geven. Een slechte oplossing voor dit beweerde racisme, want de Zwarte-Pietspelers zouden herkend worden en dus zou de eeuwenoude nicolaasmaskerade daarmee opgedoekt zijn. Kinderen zouden van hun geloof vallen als ze zien wie Piet speelt.

Wat mij betreft blijft Zwarte Piet zoals hij is. Wel zouden de reclamebureaus die hem als soort Moriaantje portretteren, hem met wat minder negroïde uiterlijkheden uit kunnen dossen (geen rode lippen, minder kroezende krullen) en kunnen Zwarte Piet-spelers hem zonder Surinaams accent opvoeren. Maar hij moet wel zwart blijven. Zonder een zwarte Zwarte Piet zouden wij breken met een traditie van vele, vele eeuwen. En laat ons dit feest vrijwaren van moderne, multiculturele frustraties en het in al zijn onbeholpenheid aan onze kinderen overdragen.


zwarte pietOp 8 november 2013 verschijnt bij Uitgeverij Aspekt het boek van Marcel Bas, getiteld Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend?. Het draagt als ondertitel Een pleidooi voor de zwarte Zwarte Piet.  Hierin wordt de Zwarte Piet-kritiek besproken en weerlegd vanuit een oneigentijds perspectief. Er worden parallellen getrokken met winterzonnewendegebruiken, er komen critici alsook volkskundigen uit het binnen- en buitenland aan bod,  de Zwarte Piet-kritiek wordt er weerlegd, en er wordt gezocht naar de oorsprong van de knechtstatus van Piet.

ISBN: 9789461534095
http://www.roepstem.net/zwarte-piet-discriminerend-of-fascinerend.html