Posted on

De zwakste schakel

Waarom verkeren we in deze situatie? Hoe kan het dat we het gevoel van naderend onheil en machteloosheid niet van ons af kunnen schudden? Hoe is het mogelijk dat een kleine groep bewapende mannen ons zo veel schade berokkent? Het antwoord is simpel: opoffering. In de lijn der erfgenamen van de Europese tradities is de moderne Nederlander de zwakste schakel. Hij is laf, angstig en verslaafd aan genot en comfort. Het antwoord is ook complex, maar laten wij voor vooralsnog de analyse zo veel als mogelijk simplificeren zodat wij een helder startpunt hebben van waaruit we kunnen vertrekken.

Ergens in het nabije verleden zijn onder invloed van het radicaal-progressieve en liberale wereldbeeld de barrières van onze Europese tradities grotendeels naar beneden gehaald. De hoop was dat goed voorbeeld goed doet volgen. Het Einde van de Geschiedenis was immers weer een stapje dichterbij. De Europeanen moesten de weg voorbereiden naar een wereld waarin geen ruimte meer zou zijn voor intolerantie, gebondenheid en onwetendheid. Het autonome individu zou zegevieren en zijn recht op zelfbeschikking opeisen. Wat er werkelijk heeft plaatsgevonden is dat de leegte die is ontstaan na de aanval op onze tradities eerst is gekoloniseerd door het commerciële (en het banale) en vervolgens door de barbaren van buiten.

De moderne Nederlander is inmiddels door en door bourgeois. Hij is een streng gesocialiseerd en afgericht dier dat niets liever wil dan dat de wereld ‘gezellig’ blijft. Er is geen enkele geestelijke bandbreedte meer over voor mentale hardheid. De Nederlander lijdt aan ‘RTL4-liberalisme’: de door televisiebeelden verlichte woonkamer is het podium waarop hij graag vertoeft. Hier voelt hij zich veilig en krijgt hij voorgeschoteld wat hij moet geloven. Buiten is echter de wereld op drift. Het leven zoekt nieuwe wegen, maar hier wil hij niets van weten. Strijd en vijand? Wij hebben markt en concurrentie. De staat? Wij hebben de maatschappij. Wilskracht? Je zal calculatie bedoelen. Een volk? Wij kennen louter het publiek, de arbeidskrachten en consumenten. Zijn geest en vocabulaire zijn gepacificeerd en zo ontworpen dat zij hem gehoorzaam houden. De sluwheid van dit ontwerp zit hem erin dat hij zijn laatste hoopje natuurlijke agressie alleen kan richten op zijn eigen soort: er is bij hem immers wel een visie op goed en kwaad (‘fout’) geprogrammeerd. Dit houdt de opkomst van antiliberale krachten tegen en de bourgeois stevig in het zadel. In deze denkwijze is de Nederlander (en westerling) echter idiosyncratisch. In zijn vermeende onbaatzuchtigheid ook, wat niets anders is dan een masker. Wanneer dit wordt afgeslagen blijft niets anders over dan een allesvernietigende zelf- en genotszucht. Geen enkel ander volk lijdt zo sterk aan liberalisme.

De terugtrekking in de warme woonkamer en de erosie van verantwoordelijkheidsgevoel voor het historische en het gemeenschappelijke laten de buitenruimte onbewaakt en gevoelig voor kolonisering door externe machten. Dit is een natuurlijk proces dat zich constant overal en altijd voltrekt. Ook in Nederland. Het (fysiek) sterkere domineert altijd het zwakkere. De nabije toekomst behoort daarom logischerwijs toe aan naar macht-strevende volkeren en groeperingen met een antiliberale ethiek en een sterk gemeenschapsgevoel. De moderne West-Europeaan is een ziektesymptoom. Die diagnose is reeds ook door de andere volkeren gesteld. Zij zijn het medicijn dat het zieke, verzwakte lichaam komt vullen met nieuwe energie.

In het westen doet men zo nu en dan een poging om gemeenschapszin en strijdlust te imiteren. Moderne mensen met een uitgesproken links(liberaal) wereldbeeld willen een kunstmatige gemeenschapszin gebaseerd op universele waarden forceren. Moderne mensen met een uitgesproken rechts(liberaal) wereldbeeld willen een strijd van allen tegen allen faciliteren binnen de kaders van een historische gemeenschap. De rest kiest voor een variant op of vermenging van bovenstaande houdingen. Gemeenschap vereist echter de wil tot opoffering. Niemand wil sterven voor abstracte waarden en niemand wil zich opofferen voor iemand die hij tevens op dagelijkse basis beconcurreert in de markt. Dit is het centrale probleem van de moderne samenleving: het gebrek aan echte binding met elkaar en het verlies van de wil tot opoffering voor elkaar.

Stel dat we de grenzen sluiten, dan is het links-liberale wereldbeeld daarmee nog niet uit Nederland verdwenen. Er is geen positieve affirmatie van onze tradities, geen historisch besef, geen culturele vitaliteit of breed gedragen geestelijke bezinning. Het enige wapen dat we nu effectief kunnen inzetten tegen vijanden is de kleinburgerlijke angst voor het verlies van ‘brood en spelen’. Deze angst kan echter leiden tot onwenselijke vormen van nationalisme. Het probleem met ‘marcheren door de straten’ is dat dit onherroepelijk zal leiden tot onnodig bloedvergieten. Robespierre heeft immers ook zijn eigen hoofd verloren. Daarnaast is nationalisme een slecht wapen om beschaafdheid en traditie te stimuleren. Zeker in de huidige tijd. Het kost geen enkele moeite om xenofobisch te zijn, dat zit in onze aard (mensen zijn groepsdieren). Anti-modern zijn daarentegen kost veel meer inspanning (studie, contemplatie, debat). Iets waarvoor niemand meer geduld lijkt te hebben.

Er lijken zich drie scenario’s voor te doen. De eerste is de meest voor de hand liggende: de bourgeois verklaart geen andere vijanden te hebben dan zijn eigen intolerantie. Hij helpt zijn vijanden door inactief te blijven en zich in zijn woonkamer op te sluiten. Hij kan zich bekeren en vredig verder leven in gevangenschap. Hij is de zwakste schakel en breekt de ketting van onze tradities voorgoed. De tweede is mogelijk, maar zeer onwenselijk: hij kiest een sterke leider om schoon schip te maken. Dit is de keuze voor de totale oorlog van allen tegen allen. Het volk zal langzaam militariseren. Meestal gaat hieraan een groeiende politiestaat vooraf. Het groepsdier zal wakker worden en allen zullen ‘vuile handen’ hebben. Ik vraag mij sterk af of dit tot de herwaardering van onze tradities zal leiden. De derde optie is het meest wenselijk, maar onwaarschijnlijk: een significante groep mannen staat op en verdedigt de rest van het volk. In dit scenario hoeft niet iedereen zijn handen vuil te maken. Deze mannen offeren zich op en zullen ook een nieuwe staat gaan vormen. Dit noem ik het aristocratische model. In dit scenario wordt de bourgeois teruggestuurd naar het domein waar hij hoort: de economie. De economie wordt teruggestuurd naar haar rechtmatige plaats, onder de beteugeling van de politiek. De bourgeois zal niet meer over de bourgeois regeren. Dat recht heeft hij immers verspeeld. Alleen in dit scenario kunnen we hopen op een uitkomst waarin traditie weer over commercie regeert en wij allen over onze vijanden.

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.