Posted on

‘Stille nacht’ – Hoe een Kerstlied een wereldhit werd

Een goed lied gaat de wereld over. En er is geen lied waarvoor dat meer geldt dan het kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’. Op 24 december precies 200 jaar geleden zette Franz Xaver Gruber de destijds twee jaar oude tekst van zijn vriend Joseph Mohr op muziek. Het werk werd nog diezelfde avond in Oberndorf bij Salzburg voor het eerst door hen opgevoerd.

Wat geen van beiden kon vermoeden: De toegankelijke melodie zou een wereldhit worden, die tot op heden in meer dan 300 talen en dialecten door zo’n 2,5 miljard mensen ieder jaar met Kerstmis gezongen wordt. Wereldberoemd werd het lied door Bing Crosby’s radio-uitzending in 1934: De opname werd de op twee na meest verkochte muziekplaat aller tijden. Sinds 2011 behoort ‘Stille nacht’ officieel tot het immateriële culturele erfgoed van de mensheid.

Film

De populaire stof inspireerde sinds 1910 de meest uiteenlopende regisseurs tot een hele reeks, niet allemaal even geslaagde, films. Zo eenvoudig als de melodie is, zo moeilijk laat ze zich cineastisch omzetten. In het jubileumjaar heeft de Oostenrijkse tv-zender Servus TV in samenwerking met de Duits-Franse tv-zender ARTE en de Bayrische Rundfunk een nieuwe poging ondernomen. Het is een mix geworden van een muziekfilm en een verhalende documentaire. Een film van 52 minuten, waarin ‘Stille nacht’ nu eens gezongen, dan weer instrumentaal of als achtergrondmuziek voorbijkomt, gezongen steeds in de moedertaal van de vertolker. De variaties op het lied worden geschikt verweven met kerstige blikken op de plaatsen die bepalend waren in het ontstaan en de verspreiding van het lied. Daaronder in de eerste plaats Salzburg, maar ook New York, Londen, Parijs en Jeruzalem. Internationale sterren uit klassieke en popmuziek komen voorbij. Zo presenteren Joss Stone, Kelly Clarkson, Rolando Villazón, Anggun, Lina Makhoul, de Wiener Sängerknaben en het Mozarteumorchester Salzburg exclusief hun eigen versies van ‘Stille nacht’.

Loopgraven

‘Stille nacht’ was door zijn tekst altijd al een lied van hoop en verwachtingsvol uitzien, maar door het gezamenlijk zingen ervan in de wederzijdse loopgraven en de aansluitende verbroedering onder de vijandelijke soldaten aan het Westfront in 1914, werd het lied nog sterker verbonden met het verlangen naar vrede onder de mensen.

Om dit Kerstwonder nog eens na te vertellen, werd Robin Aristorenas met zijn team aan boord gehaald, die eerder onder andere voor de televisieserie Game of Thrones digitale effecten creëerde. De kijker wordt door de hele film geleid door toneelspeler Peter Simonischek, die de buitengewone geschiedenis van het lied simpelweg sprookjesachtig verteld.

https://www.arte.tv/de/videos/079462-000-A/stille-nacht/

Posted on

Eerste Wereldoorlog politiek vervormd en misbruikt

De herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog zijn nu ten einde. 1914-1918 is 100 jaar geleden
uitgevochten en beëindigd in een treinwagon in Frankrijk op 11 november 1918. Gepast dus om grote herdenkingen te houden, en stil te staan bij de gevolgen en oorzaken en uiteraard om lessen te trekken voor het hier en nu.

Op 11 november mochten de hoge meneren en mevrouwen allemaal  hun zegje komen doen over wat zij dachten over WO1. Zoals we van politici en politiek activisten kunnen verwachten, laten ze de kans zelden onbenut om te proberen te scoren voor hun eigen publiek.

Er was een leidraad: het vreselijke ‘nationalisme’ dat de oorzaak was van de Grote Oorlog en dat we nu de lessen moesten trekken om vrede te kunnen bewerkstelligen. Zonder één kritische vraag of opmerking geraken ze hier mee weg, want niemand die één van die figuren hun durft te onderbreken, laat staan tegenspreken.

Nationalisme als oorzaak van WO1?

Ik probeer 3 oorzaken boven te halen om een verband te schetsen tussen nationalisme en WO1. We beginnen met de geschiedenis die vooral eigen is in Vlaamse context. De frontbeweging ontstond in de loopgraven, uit frustratie over hoe de Franstaligen het Vlaamse voetvolk behandelden in de loopgraven. Een culturele Vlaamse beweging die streefde naar een gelijkwaardigheid binnen Belgische context, werd een anti-Belgisch nationalisme. Deze had echter zijn ontstaan pas in WO1, iets wat bezwaarlijk een oorzaak of zelfs katalysator kan zijn voor de oorlog.

Een tweede oorzaak kan liggen in de eenmakingsbewegingen en afscheidingsbewegingen, en dus de aanslag op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een Servisch nationalist. Wat men vergeet is dat er een reden was om het congres van Wenen van 1815 ter discussie te stellen. De belangen waren zeer groot. De schuldenopbouw die zeer groot was, was al een motief voor spanning op politiek vlak tussen verschillende machtsblokken.

Destabilisatie

Zo was er vanuit Groot-Brittannië ook zeer actief een politiek van destabilisatie in bv de Balkan en ten aanzien van het Ottomaanse rijk. Verschillende oppositiebewegingen werden ondersteund, door onder andere het geld van de Rothschild familie. Zo was er de steun voor de Servische nationalisten vanuit Groot-Brittannië omdat men zo hoopte Oostenrijk-Hongarije te verzwakken.[1]

Dit was trouwens in het nadeel van de Serviërs, aangezien Frans Ferdinand er een voorstander van was om het rijk om te vormen naar een tripel monarchie. Dat dergelijke afscheidingen of eenmakingen van naties gebeurden onder louter ideologische overwegingen klopt dus niet en is ofwel gezegd door een fundamenteel gebrek aan kennis, of door hypocriete bedoelingen voor politiek gewin.

Fré Morel ~ Oorlog is misleiding en bedrog (2e druk)

Een laatste verband is dat met de mobilisatie. Er werd inderdaad zonder twijfel patriottisme gebruikt om vrijwilligers te mobiliseren. Maar mobilisatie en een oorzaak van de oorlog zijn twee verschillende dingen. Wanneer een oorlog is ontketend, of men wil er naartoe werken, zal men alles gebruiken als mobilisatiekracht.

‘Making the world safe for democracy’

Hoeveel oorlogen worden er vandaag niet uitgevochten onder het mom van ‘Vrijheid en Democratie’ te brengen? We hoeven maar naar de Arabische lente te kijken. Het Westen heeft er een patent op overal ter wereld de goede boodschap te verspreiden door actief obscure oppositiebewegingen te ondersteunen.

Of deze nu vredevolle bedoelingen hebben of niet is nooit aan de orde. We denken maar aan het ondersteunen van organisaties als de Taliban in Afghanistan tegen de Soviet Unie [2], de inval van Israël tegen Nasr in Egypte voor het Suezkanaal [3] en nog veel actueler de steun aan jihadistische organisaties in Syrië en Libië [4]. Is deze mobilisatie minder kwalijk, of zijn de slachtoffers van drone-aanvallen minder dood?

Of is de constante mobilisatie en het bijbouwen van militaire basissen tegen Rusland misschien minder risicovol? Of de greep van de militaire industrie op het Witte Huis, die steeds miljoenen verdienen aan de verkoop van wapens en munitie, is dit dan iets waar we zijn op vooruitgegaan?

Oorlog is steeds misleiding en bedrog, en dat globalisten vandaag aan het woord komen om de vinger te wijzen naar hun grote vijandsbeeld ‘nationalisten’ is bijzonder wrang. Het is dansen op de lijken van de miljoenen slachtoffers onder de bevolking. Dat we vandaag iets geleerd hebben sinds 1918 is dus jammer genoeg ‘wishfull thinking’ om het op zijn Engels te zeggen.


  1. Fré morel, Oorlog is misleiding en bedrog (Groningen: De Blauwe Tijger, 2018).
  2. https://www.hln.be/nieuws/buitenland/westen-snel-akkoord-over-steun-aan-taliban-in-1980~a6e4f707/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.be%2F
  3. http://users.ox.ac.uk/~ssfc0005/The%20Protocol%20of%20Sevres%201956%20Anatomy%20of%20a%20War%20Plot.html
  4. https://www.ad.nl/politiek/onderzoek-naar-nederlandse-steun-aan-jihadisten-syrie~ada7f9a4/
Posted on

Woede – een gevolg van angst?

Laatst werd in een artikel in het RD een uitspraak aangehaald van Beatrice de Graaf, professor en specialiste in het terrorisme. Tijdens een debat met Adriaan van Dis in de Jacobikerk te Utrecht zou ze hebben opgemerkt dat woede voortkomt uit angst. De uitspraak had blijkbaar indruk gemaakt – ze werd gebruikt als titel. Gegeven haar christelijke achtergrond, is het vreemd als ze deze uitspraak inderdaad gedaan heeft. Wellicht heeft de verslaggever iets niet goed begrepen of uit het verband gerukt.

Woede is geen dierlijke instinctieve reactie op gevaar en geen uiting van een pathologische angst voor een niet werkelijk bestaande bedreiging. Met andere woorden, het is geen gevolg van angst. Woede is een rationele reactie op een duidelijk onrecht, waar bovendien anderen geen of onvoldoende aandacht voor hebben. Woede trekt aandacht en wil onrecht bestrijden. De mens heeft het recht om tegenover veronachtzaamd onrecht woedend te zijn, of eigenlijk: hij heeft de plicht.

Over woede is door denkers in de klassieke oudheid en door christelijke schrijvers veel nagedacht. Het verband tussen verstand, emoties en moreel handelen heeft altijd gefascineerd. Woede is binnen het driftleven van de mens de extreme tegenpool van begeerte. Immers, begeerte kan ontaarden in een dwang om egocentrische lusten te bevredigen, terwijl woede kan verworden tot zelfdestructieve agressie. Overigens, die twee extremen versterken elkaar; overgevoelige sentimentaliteit en erotiek gaan vaak samen met wreedheid en gewelddadige tirannie.

De relatie tussen de rede en het driftleven is belangrijk, met name tussen de rede en de woede. De rede moet begeerten beheersen, die voortkomen uit de lichamelijke natuur van de mens, oftewel uit ‘het vlees’. Maar de woede komt voort uit de rede zélf, ze hoort bij een rationele conclusie, terwijl vervolgens de rede de uitingen van woede niet alleen moet controleren, maar ook moet richten. Met name Romeinse stoïcijnen en Roomse scholastieken hebben uitgebreid hierover nagedacht. Met name binnen het christendom raakt dit onderwerp ook de discussie over de rechtvaardige oorlog en de doodstraf.

Woede als zodanig is in eerste instantie geen object van politiek, maar van het persoonlijke morele leven en de vorming van een mens tot een verantwoordelijk handelend individu. Opvoeding is nodig voor een mens om rekenschap te kunnen afleggen voor zijn woorden en daden. Verstandelijke vorming én lichamelijke training zijn nodig om tot adequate en doeltreffende uitingen van woede te komen. Zelfbeheersing én doortastendheid moeten worden aangeleerd om de ‘juiste’ oftewel redelijke woede te doen ontstaan, proportioneel te houden en tot voltooiing te brengen.

Door haar nauwe band met de rede is de woede een toetssteen van de menselijke waardigheid. De woede kan een ultieme test zijn voor het natuurlijke vermogen van de mens om rekenschap af te leggen voor zijn daden. Woede roept ter verantwoording en is tegelijkertijd een antwoord. Ze getuigt van de waardigheid van de menselijke persoon en openbaart de noodzaak om rekenschap af te leggen, eventueel met inzet van eigen leven. Woede verwijst daarmee naar de onvermijdelijke en onontkoombare waarheden van het bestaan, die niet ontkend kunnen worden. Ze is de meest ‘transcendente’ drift.

Zo is te verklaren waarom de Kerk door de eeuwen heen nooit heeft willen ontkennen dat doodstraf de ziel tot het besef en de aanvaarding kan brengen dat ze rekenschap moet afleggen en de doodstraf kan ondergaan om haar waardigheid te herstellen. Dit standpunt komt dus voort uit de onverwoestbaarheid van de menselijke waardigheid, niet uit het ontkennen of uit de teloorgang daarvan (zoals de nieuwe versie van artikel 266 van de Katechismus van de Katholieke Kerk ten onrechte suggereert). Verder kan men ook inzien dat de uitspraak ‘religie is een oorzaak van oorlog’ niet klopt. Het is precies andersom: oorlog en collectieve oncontroleerbare uitingen van agressie hebben door de eeuwen heen vele zielen tot rede en religie gebracht. Oorlog is een oorzaak van religie. Juist in de areligieuze of antireligieuze conflicten van de laatste twee revolutionaire eeuwen, die miljoenen levens hebben geëist, bestaan veel voorbeelden van dit opmerkelijke verschijnsel.

Tenzij we aan de term een geheel andere betekenis geven, is het niet moeilijk in te zien dat woede in het geheel niet uit angst voortkomt. Angst en bangheid kunnen wel leiden tot tegennatuurlijke  irrationele karikaturen van woede, zoals agressie en vooral wreedheid. Ook onverschilligheid kan een verdekte vorm van angst zijn, een ultieme uiting van lafheid.

De stelling, dat woede een gevolg is van angst, kenmerkt een gedachtegoed dat zijn eigen uitgangspunten en hypotheses niet onderkent, oftewel een gesloten principeloos ‘paradigma’. Terwijl echte wetenschap altijd zijn eigen principes kritisch onderzoekt en toetst, en wijsheid altijd blijft vragen naar de ultieme zin van menselijk leven en sterven, doen en laten, en zelfs weten en niet weten, produceert een paradigma een totaal en volledig ideologisch geheel van conclusies die vaak verwarrend zijn en strijdig met elkaar. Om de chaos te vermijden en een eenheid te creëren moet dan dwang worden gebruikt – met name bureaucratische, immers het geschreven woord lijkt waarheden definitief en onomkeerbaar te maken, ook al zijn het leugens of absurditeiten.

Binnen het paradigma waarin woede uit angst voortkomt en niet uit de rede, is woede eerst een zonde, een verzet tegen de massa en de waarheid – een onrecht dat bestreden moet worden omdat ze het paradigma bedreigt. Dit vormde de basis van de totalitaire nationaalsocialistische (nazi-) staat en multinationale socialistische (sovjet-) staten van de 20e eeuw, die beide ontstonden als synthese, nadat als these en antithese het nationalisme en het internationale socialisme in de Eerste Wereldoorlog hun verleidelijkheid hadden verloren. Na de Tweede Wereldoorlog en de ineenstorting van het multinationale socialisme veertig jaar daarna was woede ineens geen schadelijke zonde meer, maar een zielige ziekte, een fobie.

Inderdaad, in het huidige ‘postideologische’ paradigma is woede en daarna de rede zélf een gebrek of een aandoening geworden. Ze moeten niet bestreden, maar genezen worden. De valse rechtvaardigheid heeft plaatsgemaakt voor een geperverteerde vorm van barmhartigheid. Alles wat aanspraak maakt op rationele argumenten mag worden vergeven en worden betiteld als fobie. Objectiviteit wordt als een kwetsende maar gelukkig geneesbare vorm van intolerantie beschouwd. Verantwoordelijkheid is dan irrelevant, volwassenheid en zelfstandigheid worden onnozele ideeën van een onvolwassen mensheid, of eventueel onnavolgbare idealen uit een mythisch verleden. Niemand hoeft nog volwassen te worden. De wereld wordt een universele buik waaruit niemand geboren hoeft te worden. Mensen verblijven en moeten blijven in een eeuwige kleuterschool, zonder fysiek geweld, maar bijeengehouden door een psychologische dwangmatigheid van commerciële verleidingen en ideologische indoctrinatie. Nog nooit in haar geschiedenis heeft de mensheid over middelen beschikt om zich in een dergelijke machtsstructuur op te sluiten. Het is nauwelijks mogelijk in deze tirannie een verworden patriarchaat te herkennen. De term matriarchaat lijkt me meer op z’n plaats.

Posted on

Oekraïne en Hongarije in de clinch over taalwet

Een wet die de Oekraïense taal verplicht stelt in Oekraïense scholen leidt tot spanningen tussen Oekraïne en Hongarije. De wet regelt dat, naast de Russische, ook de Hongaarse minderheid onderwijs in het Oekraïens moet volgen in plaats van in hun moedertaal. Er wordt openlijk gesproken over het opleggen van een inreisverbod voor Oekraïne voor de Hongaarse minister die zich met het dossier moet bezighouden. Ook is er sprake van het stationeren van een extra bataljon militairen nabij de Hongaarse grens.

Het onderwerp van het geschil is een Oekraïense taalwet die eerder dit jaar is aangenomen. Waar het voor etnische minderheden voorheen mogelijk was onderwijs in eigen taal te ontvangen als tien procent van de lokale bevolking die taal sprak, is de drempel nu verhoogd naar 33% van de plaatselijke bevolking. Hoewel de moedertaal nog wel geleerd kan worden op school, worden vakken als wiskunde en geschiedenis gegeven in het Oekraïens.

Eind vorige maand heeft de Hongaarse minister voor Buitenlandse Zaken Peter Szijjarto in een interview verklaard:

“Volgens internationale regelgeving kunnen aan nationale minderheden geen rechten worden ontnomen die hen al zijn toegekend (…) In een vorige wet stond dat als een minderheid 10% van de bevolking uitmaakte van een regio, dat betekende dat die taal één van de officiële talen werd van het dorp, de stad, het district of de plaats waar de leden van de minderheid de meerderheid vormden van een lokale bevolking. (…) De nieuwe wetgeving verhoogt dat naar 33% van de bevolking. Natuurlijk zullen wij ons verzetten tegen zulke veranderingen.”

Oekraïne beschouwt dit als inmenging van Hongarije in de binnenlandse aangelegenheden van Oekraïne. Des te meer daar Hongarije bekend heeft gemaakt een ministerspost te zullen creëren die gewijd is aan de ontwikkeling van Transkarpatië, het Oekraïense gebied met een grote Hongaarse minderheid grenzend aan de Hongaarse grens. Er werd door Oekraïne bekend gemaakt dat de Hongaarse minister een inreisverbod kan krijgen voor Oekraïne indien geen uitleg zal worden gegeven aan Oekraïne over de situatie. Tevens kwam op dezelfde dag nieuws naar buiten over een gesprek tussen Oekraïense minister van Defensie Stepan Poltorak en de gouverneur van Transkarpatië over het mogelijk stationeren van een extra bataljon militairen in de provincie.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken van Oekraïne legde er de nadruk op dat de opmerkingen van de Hongaarse premier Viktor Orbán over de Europese integratie en NAVO-aspiraties van Oekraïne onacceptabel zijn omdat ze af zouden wijken van het beleid van de EU en zouden doen denken aan de benadering van een agressor. Hongarije heeft vanwege de kwestie reeds de totstandkoming van enkele gezamenlijke initiatieven van Oekraïne en de NAVO tegengewerkt en besloten de Europese integratie van Oekraïne voorlopig niet te ondersteunen.

Hongarije reageerde met een verklaring dat “Oekraïne faalde om vooruitgang te maken met het toetreden tot de EU en NAVO door haar eigen schuld (…) Hongarije heeft er niets mee te maken.” Verder reageerde de pas aangestelde Hongaarse afgevaardigde voor Transkarpatië op insinuaties over zijn functie vanuit Kiev met te zeggen: “Er is geen enkele grond voor beschuldigingen (van separatisme, red.). Er zijn geen verholen separatistische bedoelingen Het doel is slecht het ondersteunen van mensen die in Transkarpatië wonen ongeacht hun nationaliteit.”

De controversiële nieuwe taalwet is niet alleen door Hongarije, maar ook door Roemenië en Rusland bekritiseerd, alsmede door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Oekraïne stelt dat de wet bedoeld is om de kansen van de nationale minderheden te vergroten door ze Oekraïens te leren op school. Ook wil Oekraïne met de taalwet de invloed van Rusland op Oekraïne verminderen. Rusland beschouwt de taalwet als discriminerend. De parlementaire vergadering van de Raad van Europa nam een resolutie waarin onder andere gesteld wordt dat de wet “geen gepaste balans heeft tussen de officiële staatstaal en de talen van de nationale minderheden. (…) In het bijzonder betekent de wet een sterke beperking van de rechten als voorheen toegekend aan de ‘nationale minderheden’ aangaande hun eigen onderwijstaal.”

Oekraïne kent diverse grote etnische minderheden, doordat de Oekraïense staat relatief jong is en de grenzen tussen diverse staten in dit gebied historisch herhaaldelijk verlegd zijn. De Hongaarse minderheid in Oekraïne is vooral gevestigd in Transkarpatië, dat van 896 tot 1918 deel van Hongarije was.

Posted on

Hollywood-activisme in het Interbellum. Hoe de Sovjet-Unie haar propagandamachine uitrolde en westerse beroemdheden voor zich won

[pullquote]“De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld.” – Karl Marx [i] [/pullquote]

Weinig mensen zullen Willi Münzenberg kennen. Deze mediamagnaat was een meester in de strijd om de politieke waarheid. Na te zijn vermoord door zijn oude werkgever, Stalin, is Münzenberg behendig uit de geschiedenis gelaten. Maar juist daarom is het van belang om zijn loopbaan als propagandist te onderzoeken.[ii] In dit artikel zal ik ingaan op de verregaande culturele invloed van Willi Münzenberg.

Het activisme van een groot aantal acteurs, auteurs en musici in onze tijd is algemeen bekend. Dit wordt veelal slechts als iets modieus gezien. Onschuldige goeddoenerij. Maar waarom is het überhaupt modieus? Lezen over Münzenberg opent een poort naar een vreemde en in nevelen gehulde geschiedenis. Het legt de machinekamer bloot waarmee de westerse intellectueel vanuit Moskou werd verleid. Deze machinekamer bestond uit een groot netwerk van uitgeverijen, filmproductiebedrijven en kranten. Maar het beheerste ook de levens van publieke intellectuelen en grote literaire schrijvers. Het was Wilhelm “Willi” Münzenberg die geknipt bleek om dit propaganda-apparaat te sturen.

Bespeelde levens

Lillian Hellman, Dorothy Parker, Romain Rolland, Felix Frankfurter, Fernand Leger, Paul Eluard, Ella Winter, Elsa Triolet, Louis Aragon, Lincoln Steffens, André Malraux, Clara Malraux, André Gide, Ernest Hemingway, Sinclair Lewis: dat is slechts een greep uit de namen van de beeldbepalende kunstenaars die sympathie hadden voor het stalinisme. Literaire zwaargewichten, prijswinnaars en trendsetters in de jaren twintig en dertig van (West-) Europa en de VS. Zij werden allen, vrijwillig of onvrijwillig, verleid om ‘fellow-traveler’ van de communistische zaak te worden. Een haast schrijnend voorbeeld is dat van Romain Rolland, Frans schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. Sommige schrijvers werden enkel geschaduwd, maar Rolland’s leven werd direct gemanipuleerd. Maria Pavlova Khoudachova (dit is de Franse transliteratie, hierna wordt de naam steeds weergegeven in de Nederlandse transliteratie, nl. als Choedasjova, red.), een Russische prinses, was een sovjetspion die getraind was om het leven van Rolland te bespelen.[iii] Zij trouwde met hem, beïnvloedde zijn politiek en zijn werk en zou na zijn dood de literaire erfenis blijven manipuleren. Dit gebeurde allemaal zonder dat Rolland ooit de waarheid achter de bedoelingen van Choedasjova leerde kennen. Choedasjova was een succesvolle pion in Münzenbergs strategie om cultureel Europa te veroveren.

Wie was dan die man, die met het grootste gemak het denken van velen bespeelde? Willi Münzenberg, geboren in 1889 in Duitsland, groeide in armoede op. Als zoon van een barman raakte Willi al snel betrokken bij de arbeidersbeweging. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitgebroken was, was hij al een graaggeziene gast van Lenin. Münzenberg was op de radar van Trotski gekomen en werd al snel de organisatorisch talentvolle protegé van Karl Radek, een belangrijke spin in de communistische activiteiten in Duitsland. De eerste grote verdienste van Münzenberg, kwam in 1921. Lenin had hem in Moskou uitgenodigd en de taak gegeven om in het westen een inzamelingsactie voor de hongersnood in de Sovjet-Unie te beginnen.[iv] Deze grote propagandaslag liep onverwachts slecht uit, aangezien westerse filantropen en beroemdheden deze actie gebruikten om hun weelde en goedheid te bewijzen. Hoewel er grote bedragen binnenkwamen, kwam de westerse ‘PR’ het beste uit de verf, vergeleken met de armoedige Sovjet-Unie – het binnengehaalde geld was überhaupt van kleiner belang dan een propagandistische winst.

Moskou zag wel het organisatorische talent van Münzenberg. Maar de grootste slag die Moskou geslagen had, was dat zij wisten wat er bij de westerse culturele elite te halen viel. De bespeelbaarheid van hun trots en morele kompas kon gemakkelijk misbruikt worden. Münzenberg kreeg veel middelen tot zijn beschikking. Begin jaren twintig begon hij met het opzetten van zijn media-imperium. Dit deed hij door te beginnen met de aankoop van de distributierechten van vrijwel alle films in Duitsland. Deze bracht hij onder de hoede van een breed scala aan dummy corporations, waaronder de Aufbau, Industrie & Handels A.G.[v] Niet alleen Europa moest eraan geloven. De lange arm van Moskou reikte tot voorbij de Atlantische Oceaan: Münzenberg kreeg in 1925 de opdracht van de Komintern (de organisatie die gericht was op het internationaliseren van het communisme) om van de Amerikaanse communistische partij een propagandacentrale te maken.[vi] In de loop der jaren zou zijn greep hierop toenemen. Vele andere westerse socialistische organisaties stond hetzelfde lot te wachten.

De Publieke Opinie

Het is even interessant als ontluisterend om te zien hoe Münzenberg de onderstroom van de mainstream wist binnen te dringen. Hiervan twee voorbeelden: allereerst was er de Sacco-Vanzetti Case. Dit was een rechtszaak in Amerika tegen twee anarchistische Italianen die een dubbele moord zouden hebben gepleegd, waar de internationale pers lang over zou blijven schrijven. Münzenberg zette de Sacco-Vanzetti Case neer als racistisch gemotiveerd en bevestigde hiermee het idee dat Amerika geen land vol kansen, maar vol bekrompen vooroordelen was. Hiernaast werden er vele protestacties georkestreerd door de communistische partij en zou een inzamelingsactie een half miljoen opleveren – waarvan slechts 6.000 dollar bij Sacco en Vanzetti terecht zou komen.[vii]

Het tweede voorbeeld toont misschien wel Münzenbergs sluwste kant: Tussen 1928 en 1932 orkestreerde Münzenberg een vredesbeweging, die als voorbeeld geldt voor hoe de mythologie van progressieve gedachten wordt verspreid. Hiervoor zette hij The League Against War op. Het culmineerde in meerdere congressen voor vrede, waarbij iedere graad van links denken welkom was. Om de schijn op te houden, dat het geen communistisch georganiseerd congres was, werd de financiering goed verborgen gehouden. Opvallend hierbij is dat de agitatie zich richtte op de VS en moedwillig de opkomst van de nazi’s leek te negeren.[viii] Deze organisatie zou Münzenberg nog lang waardevol zijn en werd, nadat Hitler de macht greep, simpelweg omgedoopt van The League Against War tot The League Against War and Fascism.[ix]

Hoewel Münzenberg een succesvol verleidingsbedrijf draaiende hield, was er natuurlijk ook een verleidingsbereidheid vanuit de linkse intellectueel. Wat zochten zij, in hun toewijding aan het publiekelijk verdedigen van het stalinisme? In het boekje ‘Verre Paradijzen’, over het linkse politieke toerisme, staat:

De intellectuelen die zich in hun eigen maatschappij ontheemd voelden, zochten, in een poging om niet aan totale wanhoop ten prooi te vallen, een samenleving waarin hun idealen van eenheid, gelijkheid en harmonie wel verwezenlijkt leken. Hoe kritischer zij tegenover de maatschappij stonden die zij kenden, des te groter was hun behoefte aan een voorbeeld in de verte, een ver paradijs waar werd getoond hoe het beter kon.”[x]

Deze heimwee naar een onbestaande plek, moest ook verdedigd worden:

Uiteraard lokten de standpunten van de fellow-travelers in het Westen tegenspraak uit. In het publieke debat traden zij naast de communisten op als de belangrijkste peitbezorgers van de socialistische staten. Zij maakten daarbij gebruik van een vast repertoire argumenten waarmee ze de kritiek van hun tegenstanders pareerden. Verreweg de makkelijkste manier om hun critici te bestrijden bestond uit het verdacht maken van de bronnen waarop dezen hun betoog hadden gebaseerd. Het was voor de verdedigers van de Sovjet-Unie niet ongebruikelijk berichten over kampen in dat land af te doen als laster van de Amerikaanse geheime dienst.”[xi]

Nazi’s en communisten als stille kameraden

De antifascistische campagne en het vormen van ‘popular fronts’ waren manieren om jonge intellectuelen in het westen te werven voor de stalinistische zaak, met een als ‘moreel superieur’ gemaskeerd gedachtegoed (want alleen Stalin zou écht anti-Hitler zijn, wat progressieven aansprak).[xii] Maar waarom was Münzenberg dan, tot de machtsgreep van Hitler, niet geïnteresseerd in het bekritiseren van het fascisme? Het fascisme en het communisme waren immers aartsrivalen! Onder de oppervlakte lag de zaak ingewikkelder. Het zou de start van een samenwerking zijn die ook uiting vond in het beruchte Molotov-Ribbentroppact. De communisten hadden oog voor het antikapitalisme van Hitler en hoopten op een wending richting ‘sociaal-fascisme’. Zij konden het ook beter met elkaar vinden dan met de ‘burgerlijke’ liberalen en sociaal-democraten. Zo had Münzenberg veel contacten binnen de linkervleugel van de SA.[xiii]

Hoewel Münzenbergs leven en werk sterk veranderden na de machtsgreep van Hitler, bleef er geheim contact tussen de nazi’s en communisten. Münzenberg vluchtte in 1933 naar Parijs, kwam via een vriend van Sartre in bezit van een grote uitgeverij en begon met het creëren van een antifascistische beweging.[xiv] De boodschap – dat de Sovjet-Unie de ware en enige vijand was van het nazisme – overschreeuwde het stille feit dat de twee vijanden heimelijk samenwerkten.[xv]

Het Interbellum in Parijs

Na de rijksdagbrand was Münzenberg naar Parijs gevlucht. Een beschermheer van Münzenberg in het chique Parijs was Lucien Vogel. Zij kenden elkaar sinds de jaren ‘20. Vogel was een eigenaardige en opvallende smaakmaker en uitgever van tijdschriften, zowel in Berlijn, Parijs als later in de VS. Hij dacht al sinds 1926 na over manieren om socialisme via kunst in West-Europa salonfähig te maken. Twee bladen van hem zouden door Münzenberg gebruikt worden: Vu (dat zich bezighield met high-society) en Lu (een literair blad). Zijn landgoed (dat bekend stond als La Faisanderie, een 16e-eeuws jachtvertrek van Lodewijk XIV) was een constante verzamelplaats voor de links-modieuze bovenklasse in de jaren ‘20 en ‘30: intellectuelen, kunstenaars en spionnen uit de Sovjet-Unie.[xvi] In dit dromerige oord werden liefdes, vriendschappen en rivaliteiten geboren. Ook hier kon Münzenberg weer mensen vinden om om zijn vinger te winden.

In de jaren ‘30 was het in Parijs een komen en gaan van mensen en bezigheden. De vele gevluchte communisten vonden elkaar snel en creëerden een eigen biotoop. Vreemde wandelafspraken en ontmoetingen met sovjetspionnen waren aan de orde van de dag. Begin maart 1933 bracht een koerier uit Moskou opdracht om de World Committee for the Relief of the Victims of German Fascism op te richten. In tegenstelling tot de vredesorganisatie werd het een kleine organisatie, niet gericht op het grote ‘softe’ publiek. Het werd opgericht door Gibarti; een belangrijke, maar mysterieuze medewerker van Münzenberg, waarvan erg weinig bekend is. Het richtte zich op zeer geheime en fijnmazige taken, zoals het voeden van desinformatie richting Churchill.[xvii] Het mag duidelijk zijn dat Münzenberg in staat was tot aan de zon te reiken, als hij deze nodig had voor zijn cultuurpolitiek.

Het einde van Münzenberg

Het mystificeren van de geschiedenis en het verspreiden van onwaarheden is alomtegenwoordig in de Sovjetgeschiedenis. Zo is het algemeen bekend dat in onmin geraakten uit foto’s gewist werden. Ook het samenwerken met ‘oncommunistische’ krachten was niet voor de geschiedenisboeken bedoeld. Zowel de samenwerking met de nazi’s, als met het keizerlijk-burgerlijke Duitsland, leverden geen fraaie propaganda op. Zelfs de geboorte van het sovjetparadijs kon niet plaatsvinden, zonder steun van de Duitsers. Perry Pierik onthuld in zijn biografie over Ludendorff  hoe intensief Duitsland samenwerkte met de revolutionairen. De Duitsers beschouwden de revolutionairen slechts als huurlingen, die de strijd in het oosten konden verlichten.[xviii] Na de revolutie werd iedere verbinding tussen de Russen en Duitsers uit de geschiedenis gehouden, waaronder de mysterieuze Israel Helphand, die de gehele reis had gecoördineerd maar achteraf ook uit de geschiedenis is gewist.

Münzenberg stond hetzelfde lot te wachten. Tegen de tijd dat de oorlog was begonnen, in 1940, was Münzenberg in onmin geraakt bij Stalin. Hij werd achtervolgd door zowel de Russische NKVD als de Duitse SD. Toen zijn situatie te onzeker werd, ging hij op de vlucht richting Zuid-Frankrijk. In oktober 1940 vonden twee jagers hem, opgeknoopt aan een boom. Hoewel het nooit bewezen is, wijst alles erop dat Münzenberg door de NKVD is ingehaald.[xix] Münzenberg was uitgespeeld; bekneld geraakt tussen de totalitaire scharnieren van de geschiedenis.

Dit artikel is onderdeel van een reeks over de cultuurstrijd die de Sovjet-Unie voerde, ten tijde van de Koude Oorlog. Deze artikelen worden bewaard om in boekvorm te verschijnen. Eerder in deze reeks verscheen De rampzalige gevolgen van communistische infiltratie in de Derde Wereld, geschreven door dr. Perry Pierik.


[i] Marx, K. Het Communistisch Manifest. (1848). P 2.
[ii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. (1995).
[iii] Ibid. P 21-22.
[iv] Ibid. P 24.
[v] Ibid. P. 27.
[vi] Ibid. P 30.
[vii] Ibid. P 31-35.
[viii] Ibid. P 38-42.
[ix] Ibid. P 64-65.
[x] Aarsbergen, A. Verre Paradijzen, Linkse Intellectuelen op Excursie naar de Sovjet-Unie, Cuba en China. (1988). P 16.
[xi] Ibid. P 21.
[xii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 59-61.
[xiii] Ibid. P 41.
[xiv] Ibid. P 62-63.
[xv] Ibid. P 53-54.
[xvi] Ibid. P 69-72.
[xvii] Ibid. P 65.
[xviii] Pierik, P. Erich Ludendorff, Biografie. (2017). P 195-198.
[xix] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 309-310.

Posted on

Een sociogenese van het begrip geopolitiek

Eerder berichtte Novini reeds over het openingscongres van het nieuwe Geopolitiek Instituut Vlaanderen-Nederland (GIVN) in Leuven op 5 mei jongstleden. Eén van de sprekers op dit congres was de Nederlandse filosoof en uitgever (De Blauwe Tijger) Tom Zwitser.

Tom Zwitser ziet geopolitiek in essentie als een politiek van heimelijkheid en schetst de opkomst van de geopolitiek, samen met een cultuur en zedelijkheid van heimelijkheid, en het ontstaan van de natiestaat. De opkomst hiervan verloopt omgekeerd evenredig met de afname van publieke openbaarheid en burgerlijke vrijheden. Deze sociogenese is een eerherstel van grote denkers als Norbert Elias, Werner Sombart en Henri Pirenne.

Hieronder is zijn lezing terug te zien:

De boeken waarnaar verwezen wordt in de lezing zijn de proloog en het eerste deel van de ‘Oppervlaktes’-trilogie. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Uitgeverij De Blauwe Tijger:

https://www.facebook.com/geopolitiek.instituut/

Posted on

Noem wat de Armeniërs overkwam wél genocide!

In een artikel van 24 april jongstleden uit Mirjam Ates-Snijdewind haar kritiek op een recente beslissing van het Nederlandse parlement. De Tweede Kamer spreekt niet langer van ‘de kwestie van de Armeense genocide’ maar van de Armeense genocide. Een betreurenswaardige beslissing aldus Ates-Snijdewind, die er voor pleit het woord genocide in dit geval niet zomaar te gebruiken en deze situatie van meerdere zijden te belichten. Wat volgt is een opsomming van enkele ‘historische feiten’ en een pleidooi voor een objectief onderzoek door de Verenigde Naties.

Vrijwel alle partijen die deelnemen aan dit brisante debat erkennen de massale sterfte van vele duizenden Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verschillende posities in deze discussie ontstaan echter wanneer de betrokken partijen de volgende vraag met een ja of nee moeten beantwoorden: “gaf de Ottomaanse overheid de opdracht om de Armeniërs in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen?” Indien dit het geval is dan definieert de VN dit als een genocide. Volgens Ates-Snijdewind bestaan er echter geen overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat de Ottomanen hiertoe de opdracht gaven. De beslissing van het Nederlandse parlement is volgens haar dan ook gebaseerd op eenzijdige en onvoldoende informatie, maar de argumenten die Ates-Snijdewind gebruikt om haar betoog te ondersteunen zijn dat ook.

Ates-Snijdewind benadrukt ten eerste de historische context. In 1914 viel het Rusland van de Tsaar het Ottomaanse rijk aan, en bewapenden de Armeniërs zodat zij zich konden verzetten tegen dezelfde Ottomaanse overheid. De Armeniërs waren een vijfde colonne die de boel saboteerden. Dit is niet alleen onjuist, dit zogenaamde ‘feit’ heeft ook een ander gevolg. De Armeniërs worden hierdoor voorgesteld als een legitiem oorlogsdoelwit en de maatregel overplaatsing was dus gepast. Ates-Snijdewind erkent de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden, maar de slachtoffers worden voorgesteld als een soort collateral damage in een oorlog die voor iedereen verschrikkelijk was.

De directe relatie die wordt gelegd tussen de opstand en de deportaties is écht feitelijk onjuist. Wat klopt is dat Turkse bronnen inderdaad melding maken van een opstand, maar de herkomst van deze informatie verklaart een hoop. De inhoud van sommige bronnen is gewoon simpelweg verzonnen, andere zijn afkomstig van Armeniërs die na langdurige martelingen eindelijk ‘bekenden’, maar in sommige gevallen is het gewoon propaganda en in scene gezet om de maatregelen tegen de Armeniërs te kunnen rechtvaardigen.[1] Vooral dit laatste punt is niet onbelangrijk. De propaganda van toen wordt door sommige ‘historici’ tot op de dag van vandaag gebruikt om de deportaties te verklaren.

Ook de door Ates-Snijdewind aangehaalde historicus Justin McCarthy is van mening dat de deportaties het gevolg waren van de Armeense opstand die veroorzaakt was door de Russen, en van genocide was dan ook geen sprake. In zijn boek The Ottoman Peoples and the end of Empire licht hij zijn zienswijze op deze historische gebeurtenis uitgebreid toe. Maar ook het bronnengebruik van McCarthy is dubieus. Zijn analyse is gebaseerd op niet één bron![2]

Ook Ates-Snijdewind is bijzonder creatief in haar bronnengebruik. Volgens haar zijn er na de oorlog meerdere personen vervolgd vanwege hun rol in de verschrikkelijke deportaties, onder andere een gouverneur uit Midden Anatolië. Dit argument wordt vaker opgevoerd binnen dit debat, maar het is gebaseerd op een zeer gebrekkige interpretatie van het bronnenmateriaal.  Ates-Snijdewind doelt vermoedelijk op de processen tegen Aide Halil Bey en Sirozlu Cerkez Ahmed. Zij werden inderdaad vervolgd, maar niet vanwege hun gewelddadige optreden tegen de Armeniërs. Volgens Talaat Pasja was het gedrag van beide heren een serieus gevaar voor de vrede en stabiliteit in de regio. Per telegram heeft Pasja bevolen Bey en Ahmed te executeren, hun gruweldaden tegen de Armeniërs speelden hierin geen enkele rol.[3]

Ates-Snijdewind vervolgt haar betoog door er op te wijzen dat enkele belangrijke Armeense archieven niet te raadplegen zijn. Dit is juist, maar het vermelden hiervan is nogal suggestief. De toegang tot het Dasnak-archief in Boston en dat van het Armeense Patriarchaat in Jeruzalem is inderdaad vrijwel onmogelijk. Er is echter genoeg bronnenmateriaal toegankelijk om de gebeurtenissen van toen goed en betrouwbaar te reconstrueren. De bronnen bestaan uit verschillende documenten opgesteld door de verschillende partijen die bij dit conflict in de regio betrokken waren. Het gehele corpus bestaat onder andere uit notulen, brieven, manuscripten, rapporten, telegrammen, dagboeken, oral histories, foto’s en memoires, en zijn te raadplegen in archieven over de hele wereld. Onder andere in Moskou, Freiburg, Berlijn, Washington, Parijs en dat van de League of Nations in Geneve.[4]

Eén van deze bronnen is de correspondentie tussen Paul Wolff-Metternich, de toenmalige Duitse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk en de Duitse rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg. Vanwege het toenmalige bondgenootschap tussen het Duitse Keizerrijk en het Ottomaanse gelden deze bronnen als gezaghebbend. Het ontbreekt hierdoor aan anti-Turkse sentimenten en propaganda, ook had Wolff-Metternich toegang tot alle gebieden. Een ander belangrijk aspect is dat de Duitse militaire autoriteiten de noodzaak van waarheidsgetrouwe informatie in een oorlog benadrukten.[5] Wolff-Metternich beschrijft in meerdere gevallen de betrokkenheid van de Ottomaanse regering en haar ambtenaren. Maar hij benoemt ook enkele argumenten die de Ottomanen in de toekomst zullen gebruiken om zichzelf vrij te kunnen pleiten.[6]

Het besluitvormingsproces met betrekking tot de Armeense genocide is bijzonder complex. Overeenkomend met de Holocaust kan er geen document of exacte datum worden aangewezen waarop definitief een besluit werd genomen. De ongekende hoeveelheid literatuur die hierover is verschenen kan onmogelijk tot één alinea worden samengevat, maar een belangrijk gegeven is dat veel analyses worden ondersteund door middel van primair bronnenmateriaal afkomstig uit het bestuurlijke apparaat van het toenmalige Ottomaanse Rijk.[7] Ates-Snijdewind blijkt echter niet op de hoogte te zijn van de relevante literatuur over dit onderwerp.

Dit historisch debat wordt ondertussen overschaduwd door diplomatieke en politieke belangen en de morele weerzin van de Turken om deze zwarte bladzijden te erkennen. Al deze factoren beïnvloeden de geschiedenis als wetenschap en binnen dit spanningsveld is de waarheid één van de eerste slachtoffers. Met haar betoog presenteert Ates-Snijdewind zich als politiek activist, en rijst de vraag of zij zich wel door de waarheid kan laten overtuigen.


[1]Taner Akcam, De Armeense Genocide. Een reconstructie (Amsterdam 2006) 214-215.

[2]Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (New York 2001) 106-112.

[3]Taner Akcam, The Young Turks’ Crime against Humanity. The Armenian Genocide and Ethnic Gleansing in the Ottoman Empire (Princeton 2012) 395.

[4]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 21-22.

[5]Ibidem, 23.

[6]http://www.armenocide.de/armenocide/armgende.nsf/$$AllDocs-en/1916-01-31-DE-003?OpenDocument

[7]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 65. en Taner Akcam, A Shameful Act. The Armenian Genocide and the Question of Turkish responsibility (New York 2006)

Posted on

Geheime diplomatie: Oostenrijkse politici offerden Zuid-Tirol voor Europese integratie

Het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van het Italiaanse fascisme gaven Zuid-Tirol weer hoop. Eindelijk, zo hoopte men, zou Zuid-Tirol weer met Noord- en Oost-Tirol verenigd worden. Het liep echter anders.

De historicus en publicist Helmut Golowitsch heeft hier een lijvig boek aan gewijd, waarin hij de lezer van de tijd direct na de oorlog naar het jaar 1966, waarin de conservatieve ÖVP onder bondskanselier Josef Klaus zonder coalitiepartners kon regeren. Bijzondere aandacht gaat uit naar de stille diplomatie tussen de Italiaanse regeringspartij Democrazia Cristiana (DC) en de Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP). Het boek is het eerste deel in een nieuwe reeks over de geschiedenis van Zuid-Tirol. Het tweede deel wordt binnenkort verwacht en zal over de periode van 1966 tot 1969 gaan, waarin volgens de titel de Oostenrijkse en Italiaanse christendemocraten de kwestie Zuid-Tirol begroeven.

De auteur begint zijn uiteenzettingen met het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het spanningsveld tussen Oost en West ontstonden in 1947 de Nouvelles Équipes Internationales (NEI), een Europese christendemocratische koepelorganisatie, waarin ook Oostenrijk en Italië vertegenwoordigd waren en politici van de Italiaanse DC en Oostenrijkse ÖVP directe contacten konden onderhouden.

In het kader van deze samenwerking kwam het tot geheime toegevingen van enkele ÖVP-politici, die publiekelijk weliswaar stelden dat Zuid-Tirol hen na aan het hart lag, maar achter gesloten deuren aan de Italiaanse christendemocraten bevestigden dat Zuid-Tirol bij Italië kon blijven. In de optiek van bepaalde ÖVP-functionarissen in Wenen was de kwestie Zuid-Tirol vooral een hypotheek die de relatie met Italië onnodig belastte. In het bijzonder verstoorden ze de onderhandelingen over de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Economische Gemeenschap. In dit opzicht werd de deelstaatorganisatie van de ÖVP in Tirol, die zich bijzonder verbonden voelde met Zuid-Tirol, bewust genegeerd.

Juist in deze voor Zuid-Tirol bepalende jaren bemiddelde Rudolf Moser, een ondernemer uit Karinthië met uitstekende contacten met Italiaanse christendemocratische leiders, als onofficiële diplomaat tussen Wenen en Rome, zodat hij al snel de éminence grise van het Oostenrijkse Italië-beleid werd. Moser was een goede jeugdvriend van Leopold Figl, die van 1945 tot 1953 bondskanselier van Oostenrijk was en van 1953 tot 1959 minister van Buitenlandse Zaken. Onder de dekmantel van zijn zakenactiviteiten, kon Moser uit het zicht van de pers en de officiële diplomatieke kanalen het contact onderhouden tussen bondskanselier Figl en premier Alcide De Gasperi. Terwijl de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Karl Gruber op de Parijse Vredesconferentie van 1946 slecht onderhandelde en voortijdig een volksraadpleging in Zuid-Tirol – zijn troefkaart – uit handen gaf, had Rudolf Moser in Rome een geheime ontmoeting met De Gasperi om over de heropening van het goederenverkeer en een verdieping van de christendemocratische vriendschap tussen Wenen en Rome te spreken. De kwestie Zuid-Tirol liet zich in deze context eerder door autonomie voor de regio binnen Italië oplossen dan door hereniging met Oostenrijk.

Dit alles gebeurde met medeweten van bondskanselier Figl, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Gruber noch de deelstaat-ÖVP in Tirol ervan op de hoogte waren. De ervaren politicus De Gasperi wist deze overduidelijk zwakke onderhandelingspositie van de Oostenrijkers uit te buiten, waardoor het tot het Gruber-De Gasperi-akkoord kwam, dat Zuid-Tirol alleen een zwakke schijnautonomie toekende, wat in de daarop volgende jaren tot toenemende spanningen zou leiden.

Rudolf Moser zette zijn heimelijke paradiplomatieke activiteiten voort en organiseerde geheime persoonlijke ontmoetingen tussen premier De Gasperi en bondskanselier Figl: in augustus 1951 in een herberg aan de Karerpas in Zuid-Tirol en een tweede in augustus 1952 in Mosers huis in Karinthië. Van beide gesprekken zijn geen notulen, maar zo merkt de auteur op, vanaf dit moment is er geen merkbaar engagement van de Oostenrijkse regering voor Zuid-Tirol meer. Ook van deze gesprekken waren Noord- noch Zuid-Tiroolse politici op de hoogte.

In 1953 verloor Figl weliswaar het kanselierschap aan zijn partijgenoot Julius Raab, hij werd echter minister van Buitenlandse Zaken, waardoor Moser achter de schermen verder kon gaan de Oostenrijks-Italiaanse relatie te onderhouden en de eisen van Zuid-Tirol te torpederen. Pas toen in 1959 de sociaaldemocraat Bruno Kreisky minister van Buitenlandse Zaken werd, ging de Oostenrijkse federale regering zich weer actief inzetten voor het afgescheiden landsdeel en werd de kwestie Zuid-Tirol bij de Verenigde Naties ter tafel gebracht, wat de basis zou leggen voor de verdere onderhandelingen. Een nieuwe dramatische keer in het Oostenrijkse Zuid-Tirol-beleid kwam er in 1966, toen de ÖVP een absolute meerderheid behaalde in de federale parlementsverkiezingen en Kreisky werd afgelost als minister van Buitenlandse Zaken.

Door een toeval kreeg Golowitsch toegang tot het privé-archief van Rudolf Moser. Na deze stukken bestudeerd en wetenschappelijk verwerkt te hebben, droeg hij de originele documenten over aan het Oostenrijkse Staatsarchief en kopieën aan het Tiroler Landesarchiv. Zodoende is zijn werk niet alleen verifieerbaar, maar biedt het ook voor historici veel tot nog toe onbekend bronnenmateriaal.

De auteur weet met zijn boek zowel voor historici als geïnteresseerde leken boeiend te schrijven. De documenten uit Mosers privé-archief weet hij goed te verweven in een geheel uit achtergrondinformatie, krantenberichten, getuigenverklaringen en andere bronnen, zodat zijn boek ook zonder gedetailleerde voorkennis gelezen kan worden. Waar Wenen tot nog toe als betrouwbare partner van Zuid-Tirol gold, moet de rol van enkele leidende ÖVP-politici naar aanleiding van dit boek heel anders getaxeerd worden.

N.a.v. Helmut Golowitsch, Südtirol – Opfer für das westliche Bündnis. Wie sich die österreichische Politik ein unliebsames Problem vom Hals schaffte (Leopol Stocker Verlag, Graz, 2017), gebonden, 607 pagina’s.

Posted on

Noem wat Armeniërs overkwam niet te snel ‘genocide’

Niemand ontkent dat Armeniërs zeer geleden hebben onder gruwelijkheden in de jaren 1915-16. Toch heeft de recente keuze van het Nederlandse Parlement om vanaf nu te spreken over ‘Armeense genocide’ in plaats van ‘Armeense genocide kwestie’ mij verbaasd en teleurgesteld.

Voor een evenwichtige beoordeling van de vraag of er in die jaren al dan niet sprake is geweest van genocide is het nodig om van meerdere zijden de situatie te belichten. Genocide is een juridisch zeer zwaar woord waar niet licht mee mag worden omgegaan. Niet voor niets stemde de Israëlische regering eerder dit jaar nog tegen deze benaming.

Bij de afweging in ons Parlement is de historische context echter achterwege gebleven en is eenzijdig geluisterd naar Armeense organisaties. Turkse organisaties waren niet uitgenodigd voor de extra Commissie Buitenland.
Ten aanzien van de gebeurtenissen in Oost-Anatolië in 1915 is de rol van Armeniërs zelf, evenals de rol van Engeland, Frankrijk en Rusland (de grote imperialisten uit die tijd) buiten beschouwing gelaten.
De keuze van ons parlement is daardoor gestoeld op eenzijdige en onvoldoende informatie en valt feitelijk moeilijk serieus te nemen.

Historische context

De overplaatsingen van Armeniërs door het Osmaanse Rijk kwamen niet uit de lucht vallen. Het Osmaanse Rijk werd van diverse zijden aangevallen omdat het onder de sultan ernstig verzwakt was geraakt. In het Oosten viel Rusland het rijk aan rond het begin van WOI. De Russen bewapenden Armeniërs en zetten hen op tegen de Osmaanse overheid. Armeense milities werden gevormd, gekleed in Russische uniformen. Zij plunderden dorpen, brandden deze plat en verkrachtten en vermoordden vrouwen. Ook kinderen werden gedood. Armeniërs, die niet wilden meewerken, werden zelf slachtoffer. Communicatie- en transportlijnen van de Osmaanse regering naar dit front werden door Armeniërs gesaboteerd.

Hierop is besloten de Armeense bevolking uit dit gebied over te plaatsen naar andere delen van het rijk. In die tijd hebben er ook zeer ernstige gewelddadigheden tegen de Armeniërs plaatsgevonden.
De transporten kennen veel dramatische gevolgen. Na de oorlog zijn er processen geweest waarna o.a. de gouverneur uit Midden Anatolië is opgehangen wegens nalatigheid en het onvoldoende hulp en bescherming bieden aan de Armeniërs.

Archieven openen

Tot nu toe zijn er geen bewijzen gevonden in de geopende Osmaanse- en wereldwijde archieven, dat er opdracht zou zijn gegeven om het Armeense volk uit te roeien. En tot nu toe mogen internationale wetenschappers niet de belangrijkste Armeense archieven inzien en bestuderen.
De Armeense archieven die geopend dienen te worden, en liefst zo spoedig mogelijk i.v.m. het achteruitgaan van de kwaliteit van sommige ervan, zijn:

  • Het Nationale Staatsarchief van Armenië (niet te verwarren met het Armeense museumarchief met persoonlijke verhalen van/over slachtoffers, waar Armeniërs in Nederland op wijzen en waar bv. ook bij de film de Bloedbroeders gebruik van is gemaakt.)
  • de Dashnak Archieven in Boston en
  • het archief van de Armeense Patriarch in Jeruzalem.

Nog enkele ontbrekende feiten

  • Op internet is vrijwel alleen pro-Armeense informatie te vinden.
  • Boeken van K.S. Papazian: ‘Patriotism Perverted’ en van Hovhannes Kajaznouni: ‘The ARF Has Nothing To Do Anymore’ zijn uit bijv. Amerikaanse bibliotheken verwijderd en vernietigd.
  • Tientallen, wereldwijd verspreide historici van universiteiten als Yale, Princeton, Harvard, Oxford en Cambridge zijn van mening dat de term ‘genocide’ niet toepasbaar is bij de gebeurtenissen in 1915. O.a. Gwynne Dyer, Norman Stone, Bertil Dunér, Jeremy Salt, Gilles Veinstein, Andrew Mango, Justin McCarthy, Malcolm Yapp en vele anderen;
  • Veel jonge Turken hebben deels Armeense wortels, door vroegere huwelijken tussen Armeniërs en Turken en zoeken de volledige waarheid;
  • In het Turkije van nu gaan Turken en Armeniërs veelal als goede buren met elkaar om;
  • Er hebben zich de laatste jaren meer dan 100.000 Armeense gastarbeiders in Turkije gevestigd.

Internationaal Strafhof
Om op een verantwoorde wijze te kunnen beoordelen wat zich nu precies heeft afgespeeld in het noordoostelijk deel van het Osmaanse Rijk, meer dan een eeuw geleden, en of de juridische term ‘genocide’ hierbij van toepassing is, dient er een commissie te worden ingesteld door de VN, die bestaat uit internationale, objectieve, wetenschappelijke onderzoekers en onbevooroordeelde historici, die alle archieven over deze periode in het Osmaanse Rijk kunnen bestuderen, waarna het Internationaal Strafhof een oordeel velt over de bevindingen. Pas dan kan er met recht gesproken worden van een verantwoord oordeel.

Volledige waarheid
Zolang een deel van wat er heeft plaats gevonden niet gekend, laat staan erkend wordt, zal blijven wringen dat de herinnering van velen ontkend wordt.

Zoeken naar de volledige waarheid is voor iedereen een uiterst moeilijke weg, maar tevens de enige mogelijkheid om te kunnen komen tot een duurzame verwerking. Daarvoor is nodig dat recht wordt gedaan aan íedereen die wonden heeft door leed, dat meer dan honderd jaar geleden is veroorzaakt. Wanneer recht wordt gedaan kan een klimaat ontstaan waarbinnen vergeving mogelijk is en waar rust en vrede kan komen.

Posted on

Wat is chaos? Een cultuur-filosofisch gesprek

Na eerder de vraag ‘Wat is cultuur?‘ uitgediept te hebben, voerden Wim van den Bergh van de Batavieren Podcast en uitgever en filosoof Tom Zwitser onlangs opnieuw een uitgebreid gesprek met elkaar. Nu vanuit de tegenovergestelde benadering: ‘Wat is chaos?’ Dit mede naar aanleiding van dingen die de Canadese hoogleraar psychologie en cultuurcriticus Jordan Peterson daar enige tijd geleden over zei op de conferentie van De Nederlandse Leeuw.

“De vraag wat chaos precies is”, aldus Zwitser “is heel interessant, want niemand heeft daar direct een beeld bij. Hooguit zou je kunnen zeggen: chaos is een gefragmenteerde orde of datgene wat eerst ordelijk in elkaar zat, maar versplinterd is of kapot is. En dat ervaar je als chaos. Maar chaos zelf? Wat kan chaos nou zelf zijn? Dat is eigenlijk veel lastiger.”

Het gesprek van zo’n anderhalf uur is hier te bekijken:

Tom Zwitser ~ Heerlijke platte wereld