Posted on

Gesprek met een innovatieve ondernemer in het hart van de samenleving

Recent werd ik aangesproken door een ondernemer naar aanleiding van de presentatie van mijn boek. Er volgde een interessante gedachtewisseling. Een gesprek over de staat van het land en dagelijkse ervaringen waarin velen zich zullen herkennen. Om mensen te doen inzien dat zij niet alleen staan, heb ik gevraagd of ik het mocht publiceren.

Maurik:
Het linkse fascisme begint me steeds meer te storen. Nu krijg ik zelfs al negatief commentaar wanneer ik een post van jou like. Zeer ernstig deze cultuur waarin er enkel plaats is voor de waarheid van de linkse kerk. Intolerant en nihilistisch, met een moreel-superieur toontje.

Sid:
Wie zijn deze mensen die jou hierop aanspreken? Wat is hun achtergrond, wat is hun motivatie om dat te doen, hoeveel invloed hebben zij op anderen?

Maurik:
De achtergrond is zeer divers, variërend van zakenlui, tot docenten aan de universiteit, tot schrijvers, tot kunstenaars. Ze hebben wel gemeen dat ze een linkse opvoeding ondergingen met een moeder die de broek aan heeft en feministische trekjes heeft.

Sid:
Hoe groot is het probleem?

Maurik:
Vanaf het moment dat ik openlijk mijn steun heb uitgesproken voor FvD merk ik dat dit mijn zakelijke kansen heeft geschaad. Ik heb letterlijk opdrachten en posities misgelopen. Privé sta ik mijn mannetje. Mensen in mijn omgeving die mij aanspreken op mijn mening en overtuiging, die zijn verbaal niet tegen mij opgewassen. Mijn dochter die mix is (haar moeder komt uit Afrika) is zeer slim. Gelukkig kan ik daardoor de context schetsen, haar uitleggen hoe het komt dat mensen reageren zoals ze doen. Mijn dochter snapt ook waarom blanke conservatieve mensen klaar zijn met de aanval op Zwarte Piet. Zij verdedigt als donker meisje de mensen in Dokkum die de snelweg hebben geblokkeerd. Ouders op school kijken mij raar aan en zeggen dat ik mijn dochter vast heb gehersenspoeld.

Sid:
Heb je overwogen om de namen van deze mensen te noteren en hen terug te blokkeren?

Maurik:
Jazeker. Hoewel ik ook heb geleerd dat je je vijanden beter dichtbij kan houden… Dan weet je waar zij mee bezig zijn. Dan confronteer ik hen met de vraag of ze het normaal vinden dat ik een eigen mening heb die afwijkt van hun opvatting. Dat levert altijd een lange stilte op.

Sid:
Er is veel voor te zeggen om ze af te stoten. Dan zorg je dat ze geen informatie over jouw activiteiten krijgen, waarmee zij schade kunnen aanrichten. Als zij jou uitsluiten vanwege je mening, zorg dan ook dat zij op geen enkele wijze van je kunnen profiteren. Wanneer je jouw contact met hen in stand houdt, zullen ze van invloed blijven zijn in jouw leven. Dan komt er een moment dat je dingen niet meer gaat zeggen. Omdat je geen conflict wil met de ouders van de vriendjes van je kinderen, collega’s etc.

Maurik:
Dat laatste zal zeker niet gebeuren. Misschien heb je een punt om hen af te stoten. Het zou mooi zijn als ik in mijn zakelijk bestaan meer mensen zou tegenkomen die geen onderdeel uitmaken van het establishment en hun intolerante houding. Ik merk dat ik al meerdere zakelijke kansen heb gemist omdat ‘men’ weet dat ik een overtuiging heb die haaks staat op die van het establishment. Kwaliteit is van ondergeschikt belang geworden, wat me doet denken aan de strijd die mijn voorouders doormaakten tijdens de Reformatie. Zij waren en bleven bij hun geloof, wat ze hun maatschappelijke positie heeft gekost en uiteindelijk hun vermogen.

Sid:
Die parallel blijkt inderdaad precies op te gaan met vandaag. Hieruit blijkt dat we ons moeten verenigen en zakelijke contacten onderling dienen te gunnen.

Maurik:
Helemaal mee eens. Nu nog zorgen dat we weten waar we ons verenigen zodat we elkaar kunnen vinden.

Sid:
Voorzie je nu dat mensen openlijker hun middelvinger zullen opsteken naar ‘de elite’, dat ze vrijer en ongeremder zullen worden in hun communicatie. Of denk je dat ze juist in hun schulp zullen kruipen, conformistischer worden en de echo’s in de echoput gaan napraten?

Maurik:
Ik zie juist dat mensen die wat te verliezen hebben nu meer op hun hoede zijn. Op politiek vlak zien ze de tegenwerking door FvD en in de media zien zij onthullingen door mensen zoals jijzelf. Kortom geef mensen een hypotheek en een TV en je hebt geen last meer van ze. Financieel speel ik met vuur, maar mijn trots is te groot. Als ik een kameleon zou zijn had ik de afgelopen jaren veel meer geld verdiend. Door ons meerpartijenstelsel en de fragmentatie van partijen zie ik politieke verandering somber in; ik weet wel dat er een verandering gaat komen. Maar die zal zijn over de ‘harde as’.

Sid:
Hoe verklaar je dan de opkomst van partijen als neem nu PVV en FvD? Hebben de mensen die zo negatief naar jou reageren ook specifieke politieke voorkeuren?

Maurik:
De mensen die negatief naar mij reageren stemmen op de middenpartijen. PVV trekt stemmen van de groepen die keihard ploeteren voor hun geld, zoals onderklasse en ondernemers. Deze mensen reageren puur op het gegeven dat de politiek kiest voor uitgaven aan groepen en landen die er niks voor hebben gedaan. FvD profiteert van het feit dat deze groep die aanvankelijk op PVV stemde zich toenemend onmachtig voelt. Zij springen op een andere rijdende trein: FvD snoept een beetje af van VVD en CDA – maar dit is alleen omdat het statusverhogend is om te stemmen op een voorman en partij die goed ontwikkeld ogen.

Sid:
Je noemde herhaaldelijk de samenhang tussen enerzijds negatieve reacties op mijn artikelen, en anderzijds de populariteit van FvD in de huidige tijd. Maar hoe verklaar je dit dan, want ten slotte ben ik VVD-gemeenteraadslid en als je kijkt naar de crowdfunding, komt een deel daarvan ook vanuit VVD-grassroots-achterban. Op mijn boeklancering waren er tot verrassing ook CDA’ers en zelfs SP’ers aanwezig…

Maurik:
Ik begrijp waarom er CDA’ers en SP’ers op jouw boeklancering waren. CDA en SP zijn partijen die consolideren, terwijl ze zeggen dat ze significante veranderingen willen doorvoeren. Dit geldt overigens ook voor de VVD. In mijn netwerk zitten veel mensen die een goed leven hebben. Zij zijn gebaat bij geen verandering en reageren daarom negatief nu deze zaken aan het licht worden gebracht.

Sid:
Zijn er niet juist drastische veranderingen nodig om dat goede leven te behouden? Migratie en enclavevorming zullen dit land dwingend veranderen. Veel mensen worden opgeleid voor banen die spoedig niet meer bestaan; er vindt vergrijzing plaats en voor Europa is er een veranderende geopolitieke realiteit. Ondertussen belanden we via de Europese Centrale Bank in een transferunie. En het trucje van de elite om steeds maar geld bij te drukken, dat raakt uitgewerkt nu crypto-currencies in opkomst zijn, denk aan Bitcoin, Cardano, enz.

Maurik:
Dat klopt helemaal, en is precies wat je zou denken. Maar het gedrag van mensen die het goed hebben is ontkennen. Ze ontkennen dat er grote gevaren op komst zijn. Pas als de rellen uitbreken in de straten van Rotterdam tussen Turken en Feyenoord-aanhang dan wordt deze groep wakker. En wellicht zelfs dan nog niet, omdat ze hun leven zó hebben ingericht dat ze betrekkelijk veilig en geïsoleerd binnen hun eigen kosmopolitische bubbel kunnen functioneren. Zij hebben die optie doordat ze er het geld en de connecties voor hebben.

Sid:
Vind je het goed als ik de nuttige inzichten van dit gesprek anonimiseer en gebruik als artikel?

Maurik:
Ja dat mag.

Posted on

Zo zou een proportioneel Frans parlement er uit zien

In de eerste ronde heeft de partij van president Emmanuel Macron bijna een derde van de stemmen gehaald en dat lijkt genoeg te zijn om uiteindelijk twee derde à driekwart van de zetels in de Nationale Vergadering te bezetten. Nog nooit is de discrepantie tussen de steun voor een partij in het land en het aantal zetels in de Nationale Vergadering zo groot geweest. Dat roept de vraag op hoe het Franse parlement er uit zou zien in een systeem van evenredige vertegenwoordiging. Novini rekende het uit op basis van de stemmen in de eerste ronde.

In de derde kolom van de tabel hieronder worden de zetels weergegeven zoals Ipsos/Sopra Steria die projecteren op basis van de eerste ronde. In de vierde kolom worden de zetels weergegeven als de percentages de uitslag zouden zijn in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Percentage van stemmen Zetelprojectie Evenredig
Presidentiële meerderheid 32,32 415 à 455 186
La République en Marche (LREM) 28,21 162
Mouvement Démocrate (MoDem) 4,11 24
Centrumrechts 21,57 70 à 110 124
Les Républicains (LR) 15,77 91
Union des Démocrates en Indépendants (UDI) 3,03 17
Overig rechts (DVD) 2,76 16
Centrumlinks 9,51 20 à 30 80
Parti Socialiste (PS) 7,44 43
Parti Radical de Gauche (PRG) 0,47 3
Overig links (DVG) 1,60 9
Milieupartijen 4,30 25
Overigen
Front National (FN) 13,20 3 à 10 76
La France Insoumise (LFI) 11,02 8 à 18 63
Parti Communiste Français 2,72 16
Debout la France (DLF) 1,17 7
Regionalisten 0,90 5
Overig extreemlinks (EXG) 0,77 5
Overig extreemrechts (EXD) 0,30 2
Overigen (DIV) 2,21 13

 

Veel van de kleine partijen, die nu grote moeite hebben om een zetel in de Nationale Vergadering te bemachtigen zouden onder een stelsel van evenredige vertegenwoordiging meerdere zetels behalen. Verder is het verschil tussen de grote blokken veel kleiner, doordat het aantal zetels evenredig is aan de steun onder de kiezer.

Onder evenredige vertegenwoordiging zou er echter geen basis zijn voor een regering alleen op basis van het blok van de president. Er zou onderhandeld moeten worden met het centrumrechtse blok, dan wel met links. Hierbij moet uiteraard wel aangetekend worden dat kiezers ook anders zouden stemmen onder een ander kiesstelsel.

De vergelijking van het aantal zetels dat nu te verwachten is voor het blok van de president en wat het onder een stelsel van evenredige vertegenwoordiging zou zijn, laat echter goed uitkomen hoe groot de discrepantie wel is tussen de massieve meerderheid die er straks in de Nationale Vergadering zal zijn en de eerder geringe steun die het blok in het land heeft. Ter vergelijking: In 2012 haalde de (linkse) presidentiële meerderheid 39,86 procent van de stemmen in de eerste ronde; in 2007 haalde de (centrumrechtse) presidentiële meerderheid 45,58 procent in de eerste ronde. Nog nooit heeft een blok onder het huidige Franse kiesstelsel met zo’n gering aantal stemmen in de eerste ronde uiteindelijk zo’n massieve meerderheid van de zetels in de Nationale Vergadering behaald.

 

Posted on Leave a comment

Democratisering en sociaal-economische ontwikkeling in Latijns-Amerika: kansen voor een sociale dialoog

De sociale en democratische uitdagingen waar Latijns-Amerika voor staat – in sommige landen meer dan andere – zijn ongekend groot. Gekenmerkt door steeds groter wordende politieke instabiliteit, steeds intensere internationale competitie in het kader van de globalisering, toenemende sociale ongelijkheid en geweld, en de daarmee gepaarde sociale onrust, lijkt de sociale dialoog een absolute noodzaak.

In veel Latijns-Amerikaanse landen kan er vanaf de jaren ’90 dan ook een trend worden waargenomen van institutionalisering van de sociale dialoog. Veel beleidsmakers zien de ontwikkeling daarvan als de volgende stap in het democratiseringsproces, nadat hervormingen tijdens de jaren ’80 zich vooral hadden gericht op mensenrechten en kiesstelsels.

De bevordering van de sociale dialoog, gezien als instrument tot sociaal-economische ontwikkeling, staat ook steeds meer in de belangstelling van nationale en internationale beleidsmakers en is verworden tot een vast onderdeel van veel ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s.

Ook op internationaal niveau is er groeiende belangstelling voor dit onderwerp, zoals de recente activiteiten van het United Nations Department of Economic and Social Affairs (UNDESA) aantonen (1). De bevordering van de sociale dialoog wordt eveneens nadrukkelijk genoemd als onderdeel van de samenwerking tussen Europa en Latijns-Amerika in de “Verklaring van Lima”, op de vijfde top tussen regeringsleiders van beide continenten in mei 2008.

Wat zijn de kansen voor de verwezenlijking van de sociale dialoog in Latijns-Amerika? Welke factoren binnen de bestaande politieke en sociaal-economische context verhinderen dit? Waarom is de sociale dialoog noodzakelijk? Om antwoord te geven op deze vragen zal de politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika worden behandeld, waaruit de noodzaak van de sociale dialoog blijkt. Na de bestaande vormen van de sociale dialoog te hebben geanalyseerd, zal gekeken worden naar de manier waarop de sociale dialoog aangepast kan worden aan de Latijns-Amerikaanse context. Tegen die achtergrond zullen een paar afsluitende opmerkingen worden gemaakt over de kansen en mogelijkheden voor de sociale dialoog in Latijns-Amerika.

Politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika

De politieke inrichting van Latijns-Amerika wordt gekenmerkt door een opmerkelijke homogeniteit. Bestaande uit een twintigtal landen doen veel politieke trends zich in het hele continent vrijwel gelijktijdig voor: tijdens de jaren ’80 maken 13 landen de overgang van een autoritair regime naar democratie. Dit kan worden verklaard door het zogenoemde “convergentie-effect” (2) dat te maken heeft met een gemeenschappelijke historische en culturele achtergrond en het feit dat het continent beïnvloed wordt door dezelfde internationale economische en politieke ontwikkelingen.

Omdat politieke ontwikkelingen in Latijns-Amerika in veel opzichten erg vergelijkbaar zijn met West-Europa maar tegelijkertijd ook vaak veel intenser of gewelddadiger lijken, kan het continent worden getypeerd als het “Verre Westen.” (3)

De balans van twee decennia democratie is dat hoewel in veel landen de democratische overgang heeft kunnen zorgen voor de consolidering van een electorale democratie, deze nog veel kwalitatieve elementen ontbeert zoals het respect van democratisch pluralisme, politieke accountability en een effectieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de politieke besluitvorming.

Deze situatie, aangevuld met de tegenvallende sociaal-economische resultaten, verklaart de grote sociale ontevredenheid met de democratie die in veel landen bestaat en een hoge mate van politieke instabiliteit ten gevolge heeft gehad. De meest in het oog springende voorbeelden hiervan zijn de 12 presidenten die als gevolg van sociale mobilisaties zijn afgezet en de opkomst van linkse en populistische regeringen in een tiental landen (4).

De meest recente afgezette president, ditmaal door een militaire coup, was President Manuel Zelaya in Honduras. De paradox van Latijns-Amerika lijkt te zijn dat de over de laatste twee en drie decennia aanhoudende economische groei gepaard is gegaan met de vergroting van de inkomstenongelijkheid. Het grote contrast tussen arm en rijk – zowel binnen de landen als tussen de landen – is een voedingsbodem voor sociale onvrede en potentieel zeer explosieve situaties, met name wanneer dit ook een contrast is tussen etnische bevolkingsgroepen. Veel van de huidige politieke instabiliteit en sociale conflictsituaties is af te leiden uit deze schrijnende ongelijkheden.

De noodzaak voor de bevordering van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

Tegen dit kader, dat genuanceerd moet worden afhankelijk van de specifieke landgebonden context, moet Latijns-Amerika zoeken naar de institutionele mechanismen om tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen in het politieke systeem.

Politieke systemen zijn een interactie tussen regeringen, de parlementaire oppositie en de extraparlementaire oppositie (het maatschappelijk middenveld); een spel van een grote verscheidenheid van actoren, in een vaak ondoorzichtig proces, met constant veranderende machtsverhoudingen, de formatie van veranderende sociale en politieke coalities en schuivende draagvlakken (5).

Er komt heel veel af op het continent dat nog steeds op zoek is naar de formule om alle tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen. In het democratiseringsproces van Latijns-Amerika – dat in veel landen al ver op gang is maar in andere landen iets lijkt te haperen – is een sociale dialoog nuttig om in de eerste plaats de sociale vrede te waarborgen en in de tweede plaats een bijdrage te kunnen leveren aan de bevordering van goed bestuur en economische ontwikkeling.

Het algemene verlies van het vertrouwen in democratische instituties is het kader waarin het maatschappelijk middenveld en met name sociale bewegingen opkomen. De steun voor de democratie, zoals blijkt uit de enquêtes van de Latinobarómetro (6), is ongekend laag. In landen als Paraguay, El Salvador, Ecuador of Peru geeft minder dan 50% van de bevolking aan nog vertrouwen te hebben in de democratie. Er bestaat dus een verband tussen het verlies aan legitimiteit van met name de politieke partijen en de empowerment van het maatschappelijk middenveld. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de Piqueteros-beweging in Argentinië, de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (‘Beweging van Plattelandswerkers Zonder Grond’, red.) in Brazilie of de schoolmeestersbeweging FRENADESO in Panama.

Deze vrij plotselinge opkomst van de “sociale sector” dient evenwel in goede banen te worden geleid. De toename van sociale conflicten, ook wel aangeduid als “de democratie van de straat”, is zorgwekkend omdat het de zwakheid illustreert van de democratische instituties om alle sociale vragen en eisen te kanaliseren en van de onmacht van de politieke partijen om te voldoen aan de verwachtingen van de bevolking. De aanhoudende sociale onlusten in Bolivia, met als hoogtepunt oktober 2003 toen de zittende President Gonzalo Sánchez de Lozada werd gedwongen tot aftreden door het volk, is hier een voorbeeld van.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn nog ver verwijderd van een bestuursvorm die in staat is sociale conflicten te absorberen en onvertegenwoordigde segmenten van de samenleving door middel van overlegmechanismen deel te laten nemen aan het politieke proces. Er moeten creatieve instituties worden ingesteld om op een verantwoorde manier met het grote aantal eisen vanuit de samenleving om te gaan en een open dialoog te voeren met deze organisaties.

De groeiende complexiteit van de huidige samenleving – ook de Latijns-Amerikaanse – en de diversificatie van de eisen van de bevolking geeft de noodzaak aan voor een verdere ontwikkeling en institutionalisering van de sociale dialoog. De sociale dialoog dient op een zodanige manier te worden ingericht dat de regering op de juiste manier kan reageren op de vragen en zorgen van de samenleving.

Bestaande vormen van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog in Latijns-Amerika is niet afwezig maar neemt andere vormen aan dan in Nederland. De institutionele kaders voor de participatie van het maatschappelijk middenveld in de politieke besluitvorming zijn zeer divers en hebben variërende resultaten. Ondanks de verschillen tussen de afzonderlijke landen zijn er een aantal algemene patronen te ontdekken die Latijns-Amerika als geheel karakteriseren.

Een typologisch onderscheid kan gemaakt worden tussen meerdere niveaus van institutionalisering van de sociale dialoog: (a) nationale dialogen en consultatieprocessen op ad hoc basis en (b) geïnstitutionaliseerde overlegplatformen. De nationale dialogen en consultatieprocessen worden in de regel door de Presidenten geconvoceerd rond een specifiek onderwerp in een bepaalde context, afhankelijk van de behoeften van het moment, vaak als antwoord op hevige sociale mobilisaties. Dit was het geval in Panama in 2002 toen de regering een grootschalige consultatie bijeenriep om draagvlak te vinden voor een omstreden onderwijswet.

Kerkelijke vertegenwoordigers vervullen een belangrijke rol in de bemiddeling tussen de verschillende organisaties die deelnemen aan dergelijke processen. Korte tijd na parlementaire verkiezingen, als presidenten weinig parlementaire steun of een instabiele parlementaire meerderheid hebben, worden ook vaak consultatieprocessen georganiseerd. Het doel van deze consultaties voor de President is dan om zich te verzekeren van de steun van de extraparlementaire oppositie om zo de onderhandelingen met het parlement te vergemakkelijken. Voorbeelden hiervan zijn de Concertación Nacional van President Miguel Ángel Rodríguez in Costa Rica 1998, de Plan Visión de País in Guatemala in 2006 en Visión de México in 2001. Enkele consultatieprocessen richten zich nadrukkelijk op de lange termijn en hebben tot doel een breedgedragen ontwikkelingsstrategie te formuleren. Visión 2020, in 1998, in Panama was zo’n proces waaraan NGO’s, politieke partijen, internationale organisaties en kerken aan mee hebben gedaan, met als doel te reflecteren op de toekomst van het land na de teruggave van het Panama-kanaal in 2000. In Peru stelden de politieke partijen en de belangrijkste sociaal-economische actoren in 2002 een “strategische agenda voor de eenentwintigste eeuw” op, met als doel de regeerbaarheid van het land te herstellen na de autoritaire regeringsperiode van President Fujimori.

De bestaande consultatieprocessen richten zich echter vooral op de korte termijn en beperken zich in dat opzicht vaak alleen tot conflictbeheersing of maken deel uit van instrumentele strategieën voor regeringen om politieke schade te beperken. Het is van groot belang voor de Latijns-Amerikaanse politieke en sociale actoren boven de visie van conjuncturele sociale pacten uit te stijgen om een duurzame sociale dialoog te bevorderen, draagvlak te generen voor belangrijke hervormingen en een gemeenschappelijke ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn vast te stellen om zo meer continuïteit van het regeringsbeleid te garanderen.

De analyse van de in het verleden gevoerde dialogen laat ook zien dat niet alleen de coördinatie tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld maar het interne organisatieniveau van deze organisaties voor een groot deel hun politieke invloed bepaald. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de sociale actoren. Dit is ook de reden dat met name werkgeversorganisaties, maar ook de media en de kerken, vaak veel dominanter zijn dan andere organisaties van het maatschappelijk middenveld.

De zwakte van de NGO’s en de vakbeweging verklaart de gedeeltelijke mislukking van veel consultatieprocessen, zoals bijvoorbeeld in de Dominicaanse Republiek (Diálogo Nacional, 1997) of in Honduras (Concertación Nacional, 1990), waarvan de politieke doorwerking zeer beperkt was. De instelling van sociaal-economische raden in Latijns-Amerika is een trend van het laatste decennium. Achtereenvolgens stelden Nicaragua (1999), Mexico (2000), Peru (2001), Brazilië (2003) en de Dominicaanse Republiek (2005) een sociaal-economische raad in. De MERCOSUR stelde eveneens in 1994 een adviesraad in, naar het voorbeeld van het European Economic and Social Council (EESC).

Deze raden zijn allen, met enige kenmerkende institutionele verschillen, sterk geïnspireerd op Europese raden. In alle gevallen gaat het om adviesorganen voor de Uitvoerende en Wetgevende Macht met een representatieve vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld met permanent benoemde leden. Gangbare kenmerken zijn dat de regering lid en voorzitter van de Raad is, er meestal geen onafhankelijke geledingen zijn en dat de thematiek van de Raad vaak breder is dan alleen sociaal-economische vraagstukken.

Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.
Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.

Desondanks is de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog – met uitzondering van Brazilië en Peru – in weinig landen operationeel. Bestaande adviesraden blijken in de praktijk slechts beperkt te functioneren. In het geval van met name Mexico en Venezuela (waar sinds 1946 een adviesraad bestaat) komt de raad zelden bijeen. In Nicaragua staat de Consejo de Planificación Económica y Social (CONPES) volledig onder controle van de sandinistische regeringspartij FSLN. Pogingen in Costa Rica, Bolivia en Chili hebben geen resultaten opgeleverd. Bij de eerste twee landen was de Nederlandse SER overigens betrokken. In deze landen lijkt het binnen de huidige politieke machtsverhoudingen onwaarschijnlijk dat er op de korte termijn een sociaal-economische adviesraad wordt ingesteld. Huidige initiatieven in o.a. Guatemala, Colombia en Honduras lijken hoopvol maar lopen het risico stuk te lopen op de politisering van de publieke sector, sterk gepolariseerde verhoudingen en de zwakte van de sociaal-economische actoren.

De sociale dialoog exporteren naar de Latijns-Amerikaanse context

Omdat de sociale dialoog geen modeloplossingen biedt, dient de inrichting hiervan aan te worden gepast aan de eigen historische en culturele context van het continent en de specifieke landen, met aandacht voor de bestaande machtsverhoudingen, de samenstelling van het maatschappelijk middenveld, het institutionele kader en de heersende politieke cultuur.

Er kunnen drie hoofdkenmerken van de Latijns-Amerikaanse politieke systemen worden aangegeven die sterk afwijken van de Nederlandse overlegeconomie. Deze algemene kenmerken dienen de institutionele keuzes voor de inrichting van de sociale dialoog in Latijns-Amerika te bepalen. In de eerste plaats zijn Latijns-Amerikaanse landen, in tegenstelling tot Nederland, geen parlementaire democratieën maar hebben presidentiële regimes. Een belangrijke eigenschap van deze presidentiële regimes is dat ze in de meeste gevallen gekoppeld zijn aan kiesstelsels van Evenredige Vertegenwoordiging. Hierdoor komt het zeer regelmatig voor dat regeringen geen parlementaire meerderheid hebben, wat de regeerbaarheid ernstig bemoeilijkt. Vanwege het ontbreken van een consensuscultuur en de vergaande politieke polarisering kan dit zelden worden verholpen worden door coalitieregeringen.

In de tweede plaats is het maatschappelijk middenveld minder overzichtelijk gestructureerd en ook breder qua thematiek. Stil gestaan dient te worden bij de recente empowerment van het maatschappelijk middenveld en de grote mobilisatiecapaciteit van movimientos sociales (sociale bewegingen: losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen). Daarnaast is de organisatie van de economie ook erg verschillend, met een grote informele sector. Vanwege de extreme verdeeldheid van het maatschappelijk middenveld is een “klassieke” inrichting van de sociale dialoog met werkgevers en werknemers niet levensvatbaar. Nagedacht zal moeten worden over de legitimiteit en representativiteit van het maatschappelijk middenveld.

Ook zal gekeken moeten worden naar manieren om de adversariale – op conflict gerichte – houding van maatschappelijke organisaties te doorbreken. In de derde plaats is er een totaal verschillende politieke cultuur. Latijns-Amerikaanse landen zijn “meerderheidsdemocratieën” (7). Er bestaat een specifieke Latijns-Amerikaanse policy making style (8) die vooral de continuïteit van het regeringsbeleid op de lange termijn niet ten goede komt. Dit impliceert ook de afwezigheid van een politiek onafhankelijk ambtenarenapparaat.

De toekomst van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog maakt het mogelijk voor het maatschappelijk middenveld om deel uit te maken van belangrijke hervormingsprocessen. Het maatschappelijk middenveld beperkt zich niet tot het voeren van een oppositiestrijd tegen de institutionele politieke machten, maar maakt deel uit van alle fases van het public policy-proces dankzij formele en informele institutionele mechanismen en wordt een volwaardige speler in een inclusieve en plurale sociale democratie.

De weg die Latijns-Amerika heeft ingeslagen voor de ontplooiing van de sociale dialoog is nog lang, vooral wanneer een aantal fundamentele voorwaarden voor succes ontbreken. De sociale dialoog kan alleen functioneren als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan, waarvan de versterking van de capaciteit van met name de vakbeweging en van onafhankelijke publieke onderzoeksinstellingen de belangrijkste zijn. Toch is een eerste stap gezet in de richting van een sociale democratie in Latijns-Amerika.

De sociale dialoog moet in geen geval het primaat van de politiek ondermijnen, waarbij een sociaal-economische raad het parlement vervangt, zoals President Evo Morales van Bolivia of oppositieleider Ottón Solís in Costa Rica van de Partido Acción Ciudadana voor ogen hebben. De verbreding van de participatie van het maatschappelijk middenveld in het public policy-proces is echter op zijn plaats.

De vraag naar meer sociale dialoog is tegelijkertijd het gevolg van de zwakte van politieke partijen en de intrinsieke beperkingen van de representatieve democratie evenals een mogelijk antwoord daarop. De sociale dialoog dient niet top-down te worden ingesteld maar kan pas succesvol zijn als het ingebed is in het sociaal-economisch leven en in de politieke cultuur. Zo zal er meer aandacht besteed moeten worden aan de sociale dialoog op sector- en bedrijfsniveau.

Sociaal-economische raden zijn niet de enige vorm van geïnstitutionaliseerde sociale dialoog. Voor elk afzonderlijk land zal de precieze vormgeving van de sociale dialoog verder moeten worden uitgewerkt afhankelijk van de samenstelling van het maatschappelijk middenveld en de institutionele tradities. Het is noodzakelijk de sociale dialoog te “tropicaliseren.” Voor collectieve onderhandeling kan gedacht worden aan een eenvoudig onderhandelingsplatform naar het model van de Nederlandse Stichting van de Arbeid. Voor sociaal-economische advisering moeten er keuzes gemaakt worden over o.a. de samenstelling (en de criteria daarvoor, vooral voor de benoeming van onafhankelijke leden), doelstellingen, thematiek, methodologie, interne organisatie en politieke autonomie en financiering. In dit kader is het relevant nader te kijken naar het functioneren van de meer succesvolle adviesraden in Brazilië en Peru.

De institutionalisering van de sociale dialoog biedt overigens geen garantie voor een daadwerkelijke doorwerking van de aanbevelingen van het maatschappelijk middenveld in het politieke besluitvormingsproces. Een zekere mate van institutionalisering is noodzakelijk om legitimiteit te geven aan de sociale dialoog. Te veel institutionalisering brengt echter het risico met zich mee van machtsmanipulatie vanuit de regering. Om coöptatie van het maatschappelijk middenveld te voorkomen, zeker in die gebieden waar populistische tendensen bestaan is het van belang de autonomie en onafhankelijkheid van de sociale actoren ten opzichte van de regering te garanderen. In de institutionele kaders moeten voldoende waarborgen ingebouwd worden om manipulatie van het maatschappelijk middenveld door middel van corporatistische structuren te voorkomen.

Tot slot is politieke wil van alle kanten (regering, parlementaire oppositie en extraparlementaire oppositie) een vereiste. De weerstand van de regering van President Arias in Costa Rica tegen de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog heeft de instelling van een sociaal-economische raad op de korte termijn zeer onwaarschijnlijk gemaakt. Ook is een constructieve opstelling in de onderhandelingen. Dit vraagt om een cultuurverandering die een breuk met de ideologische polarisering en de op confrontatie gerichte politieke cultuur impliceert. Van de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog moeten geen wonderen worden verwacht.

De sociale dialoog moet gezien worden als een middel om tot goed economisch beleid te komen en niet als een doel op zich. De sociale dialoog is nodig om maatschappelijk draagvlak te genereren voor het regeringsbeleid en beleid te maken dat gericht is op continuïteit op de lange termijn. Overheidsbeleid moet boven regeringsbeleid komen te staan. Daarnaast kan de sociale dialoog voorzien in de noodzaak kanalen te openen en te versterken om de participatie van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken en ordelijk te laten verlopen en sociale conflicten te voorkomen.

[box type=”download” border=”full”]Petri – De Sociale Dialoog in Latijns-Amerika nader beschouwd[/box]


(1) Het UNDESA organiseerde op 24 en 25 juli 2008 een internationale Expert Group Meeting in Wenen met als doel informatie uit te wisselen over participatie en sociale dialoogmechanismen.
(2) Olivier Dabène, La région Amérique latine. Interdépendance et changement politique, Paris: Presses de Sciences Po, 1997.
(3) Alain Rouquié, Amérique latine: introduction à l’Extrême-Occident, Paris: Editions du Seuil, 1987
(4) Buve, Raymond, ‘Is er één grote Links Golf in Latijns-Amerika?’, in: Internationale Spectator, Jaargang 61, nr 2, februari 2007
(5) Dennis P. Petri & Jean-Paul Vargas, Efectividad Parlamentaria, San José: Ministerio de Asuntos Exteriores y de Cooperación de España, 2008
(6) Latinobarómetro. Opinión Pública Latinoamericana. Zie website: http://www.latinobarometro.org/.
(7) Arend Lijphart, Democracy in plural society. A comparative exploration, New Haven: Yale University Press, 1977
(8) Albert Hirschman, Journeys towards progress. Studies of economic policy-making in Latin America, Boulder: Westview Press, 1963