Posted on

Militaire junta greep met NAVO-plan de macht in Griekenland

50 jaar geleden brachten militairen in Griekenland de regering en uiteindelijk ook de monarchie ten val om te voorkomen dat links aan de macht zou komen.

Een junta van koningsgetrouwe Griekse officieren pleegden 50 jaar geleden een staatsgreep om een ruk naar links te voorkomen. Deze ‘revolutie tot redding der natie’ (Ethnosotirios Epanastasis) was de 18e in een reeks gewelddadige revoltes in Griekenland verspreid over de 20e eeuw en leidde tot de 44e regeringswisseling sinds 1945.

Diepe verdeeldheid

De Tweede Wereldoorlog, waarin eerst het Griekenland van de fascistische dictator Metaxas tegen de Italianen vocht en later zowel linkse als rechtse guerilla-groepen tegen de Duitsers vochten, ging voor het diep verdeelde Griekenland bijna naadloos over in een burgeroorlog tussen het linkse Volksbevrijdingsleger en monarchistische conservatieven, waarin die laatsten uiteindelijk met Britse en Amerikaanse steun wonnen. Zo bleef Griekenland de enige niet-communistische staat op de Balkan.

De economische verhoudingen verzekerden links echter nog altijd van grote aanhang: Halverwege de jaren ’60 bedroeg het doorsnee-inkomen van de Grieken nog altijd minder dan de helft van het in West-Europa gebruikelijke, hoewel de Verenigde Staten miljarden aan ontwikkelingshulp gaven. Door corruptie en wanbeheer lekte die hulp echter weg. 

Constitutionele crisis

Bovendien moest de regering voor de acht residenties, drie vliegtuigen en 85 auto’s van koning Constantijn II uit het Huis Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Glücksburg betalen – bovenop een zeer riante jaarlijkse uitkering. Met het oog hierop nam minister-president Georgios Papandreou van de liberale Enosis Kentrou (Centrum-Unie) ingrijpende hervormingen voor, wat in rechtse kringen voeding gaf aan vrees voor een overgang naar het socialisme.

Daarbij kwam de poging van de premier om de anti-monarchistische officieren binnen de Koninklijk-Griekse Strijdkrachten te verzamelen in de samenzweringscel ‘Aspida’ (Schild), met aan het hoofd zijn zoon Andreas, die van een ‘Volksleger’ droomde.

Dit bracht Constantijn II er uiteindelijk toe om Papandreou tot aftreden op te roepen en verkiezingen uit te roepen, die gehouden moesten worden op 28 mei 1967. Hierdoor brak echter chaos uit in het land, die vooral werd aangewakkerd door de partij Verenigd Democratisch Links (EDA).

Papandreou stelde de koning op 18 april 1967 echter een glashelder ultimatum: Constantijn moest zich in de verkiezingscampagne per direct neutraal optreden, anders zou de premier zelf oproepen tot een “volksopstand tegen de monarchie”. Daarmee was de teerling geworpen.

Gladio-plan

Nog dezelfde dag kwamen negen hoge officieren – waaronder overste van de Artillerie en leider van de afdeling voor operationele planning van de generale staf Georgios Papadopoulos – na een enkele uren durende discussie overeen een staatsgreep te plegen om een dreigende machtsovername van links te voorkomen.

Aansluitend ontwierp Papadopoulos in de nachtelijke uren het concrete scenario voor de coup. Deze berustte op het samen met de NAVO ontworpen ‘Prometheus-plan’ uit 1950, die eigenlijk voor het geval van communistische revolutiepogingen bedoeld was.

Zoals de kolonel bepaalde, zouden de samenzweerders slechts 150 pantservoertuigen met hun bemanningen en 700 man van de Griekse speciale eenheden Lochos Oreinon Katadromon (LOK) nodig hebben. Brigadegeneraal Stylianos Pattakos van de militaire school in Athene-Goudi en Luitenant-generaal Georgios Zoitakis, die het bevel voerde over de speciale eenheden, waren meteen bereid aan het plan mee te werken. Het uur u werd zodoende bepaald op 21 april om twaalf uur ’s nachts.

Op dit tijdstip bezetten enkele LOK-eenheden het slot van de koning, terwijl tegelijkertijd tanks en pantservoertuigen op werden gesteld op alle strategisch belangrijke plaatsen in de hoofdstad, waaronder de politiecentrale.

Vervolgens kreeg de Militaire Politie, die in 1951 – in voorbereiding op het NAVO-lidmaatschap in 1952 – was opgericht en bestond uit felle anti-communisten, het bevel aan de speciale operatie ‘Ierax’ (Gier) mee te werken, dit hield de gevangenneming van politici en leidende communisten in. Zo werden eerst de interim-regeringsleider Panajotis Kanellopoulos van de conservatieve Nationale Radicale Unie (ERE) en vader en zoon Papandreou gearresteerd. Hierop volgde de arrestatie van talrijke andere invloedrijke personen die op de zwarte lijst van Papadopoulos stonden, zonder dat er een schot gelost werd.

Ondertussen sloot de weifelachtig stafchef van het leger, luitenant-generaal Grigorios Spandidakis nog bij de coupplegers aan. Het succes van de staatsgreep berustte er in niet geringe mate op dat de putschisten er in slaagden te doen alsof ze in opdracht van de koning handelden.

Koning gaat schoorvoetend mee

De koning zou echter pas om half zes ’s morgens in zijn buitenresidentie Tatoi op de hoogte gesteld worden van de militaire staatsgreep, toen Papadopoulos, Spandidakis en de artillerie-overste Nikolaos Makarezos hem mededeelden: “Majesteit, wij hebben een revolutie voltrokken voor volk en kroon.” Constantijn reageerde hierop woedend met de woorden: “Wie heeft u ertoe gemachtigd, voor mij en het volk te revolteren? Ik voer geen gesprekken met coupplegers!”

Daarmee leek de revolutie mislukt te zijn. Maar toen gaf de pas 26 jaar oude koning toe, nadat hij Papadopoulos nog toegeworpen had: “U heeft toch niet de flauwste notie wat het is om een land te regeren.” En precies daarom sanctioneerde de koning de staatsgreep uiteindelijk tandenknarsend, zodat het land ten minste een nieuwe burger-minister-president zou krijgen.

Deze premier, Konstantinos Kollias, was evenwel een marionet van de junta rond Papadopoulos, die op 14 december 1967 ook officieel Kollias plaats in zou nemen. Daarvoor had de premier samen met Constantijn II nog een contra-staatsgreep geprobeerd, die echter mislukte, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat de Verenigde Staten deze niet steunden. Het zogenoemde ‘Kolonelsregime’ wist tot juli 1974 aan de macht te blijven, toen het ten val kwam door een mislukt economisch beleid en de mislukte inlijving van Cyprus.

Tijdens het Kolonelsregime werden  meer dan 10.000 communisten en socialisten gevangen gezet of geïnterneerd op afgelegen eilanden in de Egeïsche Zee. Verder verbood de junta 278 organisaties en verenigingen, waaronder de EDA.

Na het Kolonelsregime

Met de parlementsverkiezingen van 17 november 1974 keerde de democratie weer. De verkiezingen werden gewonnen door Konstantinos Karamanlis van de liberaal-conservatieve partij Nea Dimokratia. Papadopoulos, Pattakos en Makarezos werden op 23 augustus 1975 vanwege hoogverraad ter dood veroordeeld, wat later werd omgezet in levenslange gevangenschap.

In 1984 richtte Papadopoulos in gevangenschap een nieuwe politieke partij op, de Nationale Politieke Unie (Etniki Politiki Enosis, EPEN), die een zetel in het Europees Parlement haalde maar verder geen succes had en uiteindelijk in 1996 ontbonden zou worden. Papadopoulos stierf in 1999 in  gevangenschap, terwijl de twee andere leiders van de staatsgreep in 1990 vanwege gezondheidsredenen vrij kwamen respectievelijk onder huisarrest geplaatst werden.

Constantijn II, die zich nog altijd als de rechtmatige koning van Griekenland beschouwt, leeft sinds zijn mislukte contra-staatsgreep in ballingschap. Eerst woonde hij in Rome en sinds 1973 bij Britse verwanten in Londen. Sinds enkele jaren mag hij met zij Deense paspoort, dat hij aan de afkomst van zijn familie dankt, weer naar Griekenland reizen, waar hij een groot deel van het jaar doorbrengt.

Posted on

Door pretentie alternatiefloosheid drijft westers establishment kiezers naar alternatieven als Trump

“Achteraf bezien lijkt Trumps overwinning een logische voortzetting van een breder proces dat zich ontvouwt in de westerse wereld: Hongarije, Polen, Brexit, mogelijke politieke verschuivingen in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk enzovoort”, aldus Ryszard Legutko, hoogleraar filosofie in Krakau en lid van het Europees Parlement voor de Poolse regeringspartij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS, ECR-fractie) tegenover The American Conservative.

“Wat de ontwikkelingen in Europa en de Verenigde Staten gemeen lijken te hebben is een groeiend wantrouwen jegens het politieke establishment dat lange tijd de macht in handen heeft gehad. Mensen hebben een gevoel dat dit in veel gevallen het zelfde establishment is, ondanks de verandering van regeringen.”

Legutko analyseert vervolgens wat het wantrouwen jegens het politieke establishment veroorzaakt:

“Dit establishment wordt gekarakteriseerd door twee dingen: ten eerste, zowel in de Verenigde Staten als in Europa (en in Europa nog het sterkst) verklaren de vertegenwoordigers ervan schaamteloos dat er geen alternatief is voor hun agenda, dat er praktisch maar een set ideeën is – die van hun – die ieder beschaafd persoon mag onderschrijven, en dat zij zelf de enige verstrekkers van politieke respectabiliteit zijn; ten tweede zijn de leiders van dit establishment evident van matige kwaliteit, en dat is al zo lang het geval dat de kiezers het ook op kunnen merken.

Omdat de heersende politieke elites geloven dat zij de samenleving op de enige juiste politieke koers sturen, en dat zij de kwalitatief meest hoogstaande producten van de westerse politieke cultuur zijn, proberen ze het huidige conflict voor te stellen als een revolte van de onverlichte, verwarde en gemanipuleerde massa’s tegen de verlichte elites. In Europa lijkt het soms op een poging een nieuwe vorm van aristocratie te construeren, aangezien een plaats in de hiërarchie wordt toegewezen aan individuen en groepen, niet op basis van hun werkelijke opleiding of hun denkvermogen of de kracht van hun argumenten, maar vanwege het lidmaatschap van een bepaalde klasse. De nieuwe aristocraten zijn vol minachting voor het gepeupel, ze nemen geen blad voor de mond om ze de mantel uit te vegen, voor rotte vis uit te maken en de regels van de betamelijkheid te breken – en dit alles maakt niet dat ze zich minder aristocratisch voelen.

Het is denk ik dit contrast, tussen enerzijds de arrogantie waarmee de nieuwe aristocraten hun orthodoxie prediken en anderzijds de in het oog springende lage kwaliteit van hun leiderschap, dat uiteindelijk veel mensen in Europa en Amerika ertoe gedreven heeft om te zien naar alternatieven in een wereld waarvan het te lang was voorgehouden dat er geen alternatief was.”

Legutko wijst vervolgens fijntjes op de discrepantie in de beoordeling van de keuzes van de Amerikaanse kiezers door Europese establishment-commentatoren:

“Toen Amerika acht jaar geleden een volstrekt onbekende en onervaren politicus tot president koos, die ook nog eens niet bepaald een toonbeeld van politieke deugd was, werd deze keuze overal toegejuicht als een triomf van de politieke verlichting, en de president kreeg de Nobelprijs van tevoren, voordat hij iets had kunnen doen (niet dat hij naderhand iets van waarde deed). De voortzetting van dit beleid door Hillary Clinton voor nog eens acht jaar zou dit establishment en hun ideeën een nog sterkere positie hebben gegeven met alle betreurenswaardige gevolgen van dien.

Voor een buitenstaander als mijzelf, lijkt Amerika na de verkiezingen curieus verdeeld. Aan de ene kant is er het Amerika van Obama en Clinton dat het beste van de moderne politiek claimt te vertegenwoordigen, min of meer verenigd door een duidelijk linkse agenda met als doel een herstructurering van de Amerikaanse samenleving, het gezin, het onderwijs, gemeenschappen, de moraal. Dit Amerika loopt in de pas met wat algemeen beschouwd wordt als de tendens in de westerse wereld. Er lijkt echter ook een ander Amerika te bestaan, diep ontevreden met die eerste, kwaad en vastberaden, maar tegelijk verward en chaotisch, verlangend naar actie en energie, maar onzeker van zichzelf, trots op de verloren grootheid van hun land, maar zonder grote leiders, vol van hoop maar arm aan ideeën, een vreemde mengeling van groepen en ideologieën, zonder duidelijke identiteit of politieke agenda. Dit andere Amerika zou gepersonifieerd niet veel anders zijn dan Donald Trump.”

De christelijke kiezers

Rod Dreher van TAC vraagt Legutko hoe het kan dat 52 procent van de katholieken en meer dan 80 procent van de blanke evangelicalen op Trump stemden, ondanks het feit dat hij geen serieuze christen is. Dreher vermoedt zelf dat veel christenen van Trump verwachten dat er een einde komt aan de voortgaande aanvallen op de godsdienstvrijheid uit naam van de genderideologie.

“Christenen zijn de grootste vervolgde religieuze groep in de niet-westerse wereld, maar droevig genoeg ook de meest tot doelwit gemaakte religieuze groep in die westerse landen die besmet zijn met de ziekte van de politieke correctheid (dat wil zeggen vrijwel alle westerse landen). Sommige westerse christenen, inclusief de kerkleiding, hebben iedere gedachte aan verzet laten varen en niet alleen gecapituleerd maar zich zelfs bij de vijand aangesloten om hun eigen kudde te disciplineren. Geen wonder dat veel christenen bidden om betere tijden, hopende dat er tenminste een partij of een leider zal komen die de dwangbuis van de politieke correctheid wat losser kan maken en de anti-christelijke kantjes er af kan vijlen. Het was dan ook te verwachten dat, gegeven de keuze tussen Trump en Clinton, ze voor de eerste zouden kiezen. Maar is Trump zo’n leider?

Anti-christelijke vooroordelen hebben een institutionele en juridische vorm van zo’n omvang aangenomen, dat geen president, ongeacht hoe toegewijd aan de zaak, er snel verandering in kan brengen. Het is vandaag de dag in Amerika zelfs moeilijk om je bezwaar tegen politieke correctheid onder woorden te brengen, omdat het publieke en private discours fundamenteel gecorrumpeerd is door linkse ideologie, en het Amerikaanse volk heeft zichzelf gespeend van een alternatieve taal (en hetzelfde geldt voor de Europeanen). Om van dit discours af te bewegen vraagt meer bewustheid van dit probleem en meer moed dan Trump en zijn mensen lijken te hebben. Wat Trump wel kan en moet doen, en daaraan zullen we zijn bedoelingen zien, zij drie dingen:

Ten eerste moet hij breken met de, directe of indirecte, betrokkenheid van de regering in anti-christelijke acties, breken dus met de praktijk van zijn voorganger. Ten tweede moet hij de juiste rechters benoemen in het Hooggerechtshof. Ten derde moet hij de verleiding weerstaan om het politiek-correcte establishment te vleien, zoals sommige Republikeinen wel gedaan hebben, want dat zou niet alleen een slecht signaal zijn, maar ook getuigen van naïveteit: dit establishment is nooit tevreden met minder dan onvoorwaardelijke overgave van zijn tegenstanders.

Of dit genoeg ruimte zal creëren voor Amerikaanse christenen om een tegenoffensief te lanceren en verloren gebied te herwinnen, ik weet het niet. Veel zal afhangen van wat christenen zullen doen en hoe uitgesproken ze zullen zijn in het publiek maken van hun zaak.”

Liberalisme verdraagt geen pluralisme

demon-in-democracyMede naar aanleiding van zijn boek The Demon in Democracy spreekt Dreher verder met Legutko over de vraag hoe zaken als de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump het politieke discours kunnen veranderen, nu is gebleken dat liberalen zich vergisten als ze dachten dat er een ‘goede kant van de geschiedenis’ was en zij eraan stonden.

“Liberalisme gaat, ondanks zijn opschepperige verklaringen van het tegendeel, niet over diversiteit, meervoudigheid of pluralisme, en dat is ook nooit zo geweest. Het gaat over homogeniteit en unanimiteit. Liberalisme wil dat alles en iedereen liberaal is, en tolereert niet dat iets of iemand niet liberaal is. Daarom hebben liberalen ook zo’n sterk gevoel voor wie de vijand is. Wie het ook maar met ze oneens is is niet slechts een opponent met andere opvattingen, maar een potentiële of daadwerkelijke fascist, een Hitler-adept, een xenofoob, een nationalist, of – zoals men in de EU vaak zegt – een  populist. Zo’n miezerig persoon verdient het om veroordeeld, bespot, vernederd en uitgescholden te worden.

Het Brexit-referendum had gezien kunnen worden als een oefening in diversiteit en als zodanig geapprecieerd kunnen worden door iedere pluralist, of als empirisch bewijs dat de EU in zijn huidige vorm er niet in slaagde diversiteit te accommoderen. Maar de reactie van de Europese elites was anders en voorspelbaar – dreigementen en veroordelingen. Voor de Brexit reageerde de EU op een vergelijkbare wijze op de verkiezingsoverwinning van non-liberalen in Hongarije en later in Polen, waarbij de winnaars meteen als fascisten werden geclassificeerd en de verkiezingen als niet helemaal legitiem. Het liberale denken zit zo in elkaar dat het alleen die verkiezingsuitslagen accepteert waarin de correcte partij wint.

Het valt dan ook te verwachten dat er op dezelfde manier omgegaan zal worden met Donald Trump en zijn regering. Zolang de liberalen de toon van het publieke debat zetten, zullen ze diegenen blijven wegzetten die volgens hen ten onrechte gekozen zijn of die volgens hen verkeerd gestemd hebben. Dit zal niet ophouden totdat boven iedere twijfel verheven is dat de veranderingen in Europa en de VS niet van tijdelijke en vluchtige aard zijn en dat er een levensvatbaar alternatief is dat niet zal verdwijnen met de volgende democratische pendelbeweging. Maar dit alternatief is zich nog aan het vormen en we weten nog niet zeker wat het uiteindelijke resultaat zal zijn.”

Posted on

Gebroodroofd en geïsoleerd, ondanks hun rol in het verzet

De CPN stond tijdens de Koude Oorlog (1945-1989) onvoorwaardelijk aan de kant van de Sovjet-Unie, althans dat is het beeld dat in de geschiedschrijving overheerst. Jos van Dijk wil met zijn boek Ondanks hun dappere rol in het verzet naar eigen zeggen meer nuance en meer respect voor de communisten. Daar slaagt zijn boek ten dele in.

Van Dijk verzet zich tegen het beeld dat de CPN-ers slechts de waterdragers van Moskou waren. Hij doet dat aan de hand van de rol van de CPN tijdens de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse geschiedenis. Hij wijst er op dat de populariteit van de communisten tot ongekende hoogten steeg tijdens de Duitse bezetting door hun rol in het verzet en dat de communisten vlak na de oorlog hoopten op een plaats in de regering vanwege hun vaderlandslievende houding. Hij wijst er verder op dat de CPN vanaf de jaren ’60 steeds kritischer tegenover de Sovjet-Unie kwam te staan, zoals in 1968 toen de onderdrukking van de Praagse Lente door het Rode Leger niet werd gesteund.

De communisten kwamen na 1945 echter van een koude kermis thuis – de Koude Oorlog legde een zware hypotheek op de binnenlandse politieke verhoudingen. Van Dijk betoogt dat er ook vanuit de gevestigde orde in het binnenland vanuit de gevestigde politieke orde veel verzet was tegen het idee om de communisten te beschouwen als een volwaardige democratische partij. Het boek levert om die reden alleen al voor de buitenstaander een schat aan informatie  op over de bedenkelijke methoden die partijen en veiligheidsdiensten meenden te moeten aanwenden tegen de communisten. Zo was er bijvoorbeeld de wetsaanpassing die louter bedoeld was om communistische wethouders uit hun ambt te kunnen zetten.

Verder gaat Van Dijk uitgebreid in op de vileine methoden die werden toegepast om communisten ook maatschappelijk te isoleren en te broodroven. Het dieptepunt was in juni 1956, toen het communistische hoofdkwartier in Amsterdam werd belaagd door een woedende menigte naar aanleiding van het neerslaan van de Hongaarse opstand in Boedapest door het Rode Leger. Toen werden ook bij communisten thuis de ramen ingegooid, niet zelden onder het toeziend oog én zelfs  medewerking van de politie. Zo richtte de politie in Utrecht de schijnwerper op het appartement van een communistisch raadslid, zodat de opgeschoten menigte wist op welk raam ze moesten mikken…

Een ander goed voorbeeld van brutale intimidatie was het inzetten van pantserwagens voor de ingang van het kerkhof om de herdenking van de communistische verzetsstrijdster Hannie Schaft in de kiem te smoren. Van Dijk bouwt zijn zaak voor meer respect voor de CPN vooral op rond de rol van de partij in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het punt is dat ook bij de communisten hierdoor alle nuance zoek begon te raken omdat alles door deze lens werd gezien: iedereen die rechts was, was een fascist (of een proto-fascist). Van Dijk ontsnapt zelf ook niet aan dit hokjes-denken wanneer hij een Oostenrijkse en een Duitse muzikant verwijt dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog als soldaat in het Duitse leger hebben gediend (pagina 122-123). Het is lastig een zaak te maken voor nuance als je die zelf niet toepast.

Een ander punt van kritiek op het boek is de rol van de CPN in de naoorlogse arbeidersbeweging. Van Dijk stelt dat het stakingsmiddel door het werk van de CPN behouden bleef voor de werkende klasse en spreekt stelselmatig van het sociaaldemocratische verraad aan de linkse zaak, in het bijzonder bij de coalitievorming met de ‘rechtse’ Katholieken. Hij ‘vergeet’ hierdoor gemakshalve dat de sociaaldemocratie samen met de Katholieken in de jaren ‘50 de verzorgingsstaat hebben opgetuigd. Drees werd hiervoor over de partijgrenzen heen gerespecteerd door de naoorlogse generatie. De tragiek van de naoorlogse communisten is juist dat hun invloed vrijwel nihil was door hun beperkte omvang en bijna volkomen isolement.

9200000060402873Persoonlijk kon ik dit boek niet anders lezen dan door de lens van het boek van Joost Niemöller over de meer recente geschiedenis van Hans Janmaat en zijn centrumdemocraten. Hierin wordt tot in detail omschreven hoe een rechts-radicale stroming in een soortgelijk maatschappelijk isolement kwam en werd tegengewerkt door de inlichtingendiensten. Van Dijk spreekt er met geen woord over, ook niet in zijn drie zinnige lessen voor de democratie in het nawoord. Integendeel, hij spreekt vermanend over de PVV, terwijl juist de aanhangers van deze partij heden ten dage te maken hebben met maatschappelijke uitsluiting op basis van politieke denkbeelden. Hij heeft zeker een interessant boek geschreven, maar door het onvermogen van de schrijver om uit zijn eigen uitgesproken linkse hokjes-denken te breken heeft het boek niet de reikwijdte die het had kunnen hebben met een meer objectieve en analytische benadering voorbij de links-rechts tegenstelling.

N.a.v. Jos van Dijk, Ondanks hun dappere rol in het verzet… Het isolement van Nederlandse communisten in de Koude Oorlog (Soesterberg, 2016), 248 pagina’s.

Posted on

Strategie van de spanning in Italië in de jaren ’60 en ’70

De door Willi Baer en de voormalige RAF-terrorist Karl-Heinz Dellwo uitgegeven Bibliothek des Widerstands is een inmiddels tot 32 delen aangegroeid monumentaal encyclopedisch werk over de geschiedenis van linkse bewegingen, met name in de jaren ’60 en ’70.

De uiterst linkse uitgeverij wijdde reeds twee omvangrijke en rijk geïllustreerde bundels aan de ‘Verborgen burgeroorlog en klassenstrijd’ in Italië. De meest recente bundel concentreert zich op 1967 en de daarop volgende jaren, met als zwaartepunt de bomaanslag op het Piazza Fontana in Milaan op 12 december 1969 en de gevolgen daarvan.

De aanslag kostte 17 mensen het leven en geldt als het begin van de, door Italiaanse geheime diensten, de NAVO-‘stay-behind’-organisatie Gladio en de poppenspelers van de geheime organisatie Propaganda Due, georkestreerde ‘strategie van de spanning’.

Lotta_continua_1973

De aanval op de staat door de radicaliserende studenten- en arbeidersprotesten, die eind jaren zestig zijn hoogtepunt bereikte, moest geneutraliseerd worden; om de stemming in het land te doen omslaan in het nadeel van links, werden gerichte terroristische acties onder ‘valse vlag’ in scène gezet.

Zo ook in Milaan, waar de anarchist Giuseppe Pinelli de rol van de ‘fall guy’ in de maag gesplitst kreeg: hij viel onder nooit opgehelderde omstandigheden uit het raam van de vijfde verdieping van een politiebureau. In werkelijkheid kwam de aanslag op het conto van de fascistische organisatie Ordine Nuovo, die zich tot voltrekker van de ‘staatsterreur’ liet maken. Bijzonder belangwekkend is de bijdrage van de historicus Mimmo Franzinelli, die de verstrengelingen tussen zwarthemden en geheime diensten belicht.

De leden van de ON waren deels zeer kleurrijke figuren: de leider, Pino Rauti was een aanhanger van Julius Evola, Franco Freda een soort van ‘nazi-maoist’ die de extremistische krachten van links en rechts wilde bundelen om het ‘verval van het systeem’ tegen te gaan, terwijl Mario Merlino zowel antiklerikale als katholieke en zowel anarchistische als fascistische groepen frequenteerde. Een verscheurdheid en een zoeken naar identiteit waarin Franzinelli een algemene signatuur van die tijd in ontwaart: “Dit alles is moeilijk te begrijpen voor iemand die deze aan opschudding rijke tijd, waarin het lijkt alsof de culturele en politieke orde van vandaag op morgen in zal storten, niet beleefd heeft.”

Net als alle delen van de bibliotheek is ook deze van een dvd voorzien, die zeldzame filmbeelden bevat, waaronder een bijzondere vondst die de uitgeverij samen met Cineteca di Bologna opgedoken heeft: De 12e december (1972) is een lang verloren gewaande film, waarop niemand minder dan Pier Paolo Pasolini een groot stempel heeft gedrukt.

Uitgaande van de zaak Pinelli komt hij bij benadering tot een soort sociologische rondblik kris kras door Italië, waarbij hij gewone mensen aan het woord laat. Vooral in deze scènes is het handschrift van de auteur duidelijk herkenbaar. De film ontstond in samenwerking met de links-radicale groep Lotta Continua, waarvoor Pasolini een zekere sympathie koesterde, maar waar hij als Einzelgänger niettemin met een zekere distantie tegenover stond, zoals tegenover alle relevante groepen uit die tijd.

Verdeckter Burgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band IIOok hij, die reeds afscheid had genomen van de revolutionaire ‘illusies’ van zijn jeugd, werd getekend door de innerlijke ‘verscheurdheid’ van zijn tijd: in dezelfde tijd als deze in rauw zwart-wit gefilmde documentaire, maakte hij grote, apolitieke kaskrakers als Il Decameron. Ondertussen groeide zijn pessimisme; Milaan kwam hem voor als het voorspel van een waarlijk ‘apocalyptische’ toekomst.

N.a.v. Willi Baer, Karl-Heinz Dellwo (red.), Verdeckter Bürgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band II: Die sechziger Jahre. Revolte und Strategie der Spannung (Hamburg: Laika, 2015), 424 p.

Posted on

Fascisme 2.0? Antwoord op Van Ranst

Op 8 februari 2016 publiceerde De Morgen een opiniestuk van Vlaams viroloog Marc Van Ranst. Naast zijn taak als viroloog bestrijdt hij sociaal onrecht waar hij het ziet. In het opiniestuk trekt hij ten strijde tegen het “fascisme 2.0” dat hij ziet verschijnen in Europa vanwege de massale instroom van mensen die nu bezig is. Zijn bezorgdheid, ongetwijfeld ook ingegeven vanuit zijn medische achtergrond, is duidelijk emotioneel ingegeven[i] wat leidt tot enkele misvattingen en foute interpretaties. Desondanks is het wel zo dat Marc Van Ranst op enkele pertinente zaken wijst en haalt hij enkele dingen correct aan.

Zijn opmerkingen zijn onder te verdelen in drie categorieën. In mijn antwoord op zijn opiniestuk zal ik deze onderverdeling gebruiken:

  1. Kritiek op het beleid
  2. Kritiek op een mentaliteit
  3. Kritiek op politiek-ideologische gebeurtenissen

Kritiek op het beleid: U hebt gelijk!

Marc Van Ranst wijst ten eerste op de demonisering  van de nieuwe instroom van mensen. Deze zouden ontmenselijkt worden en de bevolking opgezet tegen hun godsdienst, de islam. Het anti-islamdiscours van sommigen is inderdaad een opmerkelijk gegeven wanneer men kijkt naar de kritiek die men aanhaalt. De ranzige retoriek die dan durft boven te komen, is vaak een frontale aanval op de cultuur die men vervolgens meent te verdedigen. “De islam is tegen abortus”, “de islam is tegen euthanasie”, “de islam zegt dat ethische wetten boven seculiere wetten staan”. U kent deze kritiek misschien uit het verleden toen de christelijke kerken in de Nederlanden dit mochten incasseren. Dat de grote strijders tegen de islam ondertussen hun schouders ophalen wanneer tienduizenden kinderen geaborteerd worden, moet blijkbaar een teken van beschaving zijn. Overigens is heel de kritiek op de islam een schaamlap voor een kritiek op botsingen van culturen en etnieën en niet zozeer godsdiensten. Daar kom ik later op terug.

Ten tweede wijst hij op het verlies van individuele vrijheden en de militarisering van de politiediensten. Zelf woonachtig in Antwerpen keek ik op toen ik zag dat er pantserwagens met zware oorlogswapens waren gestationeerd op punten waar een grote doorstroom van mensen is. Het spierballengerol van sommigen is dan wel stoer, maar zodra men er verder over nadenkt, is het ronduit akelig. De munitie die eventueel gebruikt zou worden, vliegt zonder veel problemen door een halve meter of meer beton. Rondom de pantserwagens stonden appartementsgebouwen, een cinema en restaurants. Wat zullen soldaten in die pantserwagen doen bij een aanslag? Beginnen schieten op volautomatisch waarbij elke kogel een zeer grote kans heeft mensen dodelijk te treffen?

Uiteraard wensen we aanslagen zoals die in Parijs te voorkomen, maar dat zal men heus niet doen door oorlogstuig op centrale plaatsen te zetten. Wel kan men dit vermijden door niet langer te redeneren dat vrijheid zijn intrede vindt met bommenwerpers en militair ingrijpen. Destijds waarschuwde ik in een debat nog voor een ingrijpen in Libië. Was Khadaffi dan een fantastisch heerser? Uiteraard niet, maar wel duidelijk tot een evolutie bereid en iemand die de tribale banden sterk had afgezwakt. Islamisten onder zijn bewind werden hard aangepakt conform de rechtspraak van het land, cultuur en godsdienst. Migratie werd onder controle gehouden en zakendoen met Europa was geen probleem. Desondanks steunde het westen radicale islamisten, hielp in het aanrichten van bloedbaden en assisteerde in het doden van een internationaal erkend staatshoofd(!). Ondertussen wappert de vlag van IS aan de Middellandse Zee en is de Libische kust m.b.t. migratie een zeef. Marc Van Ranst heeft groot gelijk te stellen dat het militaire machtsvertoon onaanvaardbaar is. Het is immers het resultaat van een onverantwoord, ondoordacht en onverantwoordelijk buitenlands beleid. Mag ik er trouwens op wijzen dat het niemand minder was dan huidig staatssecretaris voor migratie Theo Francken die trots aankondigde dat België ging mee bombarderen in Libië? “We go to war” aldus meneer Francken die nu opeens verbaasd moet vaststellen dat er soldaten in onze straten staan en er een massale toestroom van mensen komt.

Ten derde merkt Marc Van Ranst op dat er wordt beknot op historisch bevochten sociale rechten. Stakingsrecht is een recht, maar tevens is recht op arbeid dat. Wanneer het gaat om vakbonden bij staatsbedrijven is het ook nog maar de vraag in welke mate zij hun eigen belangen niet dienen. Hoeveel vakbondslui van de top hebben ondertussen geen overbetaalde functie bij de spoorwegen? Tot grote frustratie van de gewone werknemer die het ondertussen wel mag incasseren wanneer de reiziger opnieuw niet op zijn werk geraakt. Wanneer het gaat om het recht van bijeenkomst zijn er de laatste jaren zeer angstaanjagende evoluties geweest. Zie maar in Nederland waar debatten over asielcentra of slechts voor een select publiek mogen worden gehouden of waar de tegenstanders al schuimbekkende nazi’s worden weggezet of gewoon uiteengeslagen worden door de ME. Zie in Keulen waar met nieuwjaarsnacht politie de situatie niet de baas kon, maar waar bij een vreedzame tegenbetoging (waar journalisten met voetzoekers naar de politie wierpen) wel een quasi-militaire politiemacht kon ingezet worden.

En daarmee komen we bij kritiek 2

Kritiek op een mentaliteit:  u hebt gedeeltelijk gelijk

Marc Van Ranst zijn kritiek valt samen te vatten in één zin van hem: “sommige politici wat lacherig doen rond universele mensenrechten die iedereen een leven in waardigheid garanderen,” Politici die lacherig doen over pertinente vragen, mensen afschilderen als demonen en vervolgens een beleid à l’improviste voeren zijn inderdaad het grootste probleem. Wat heeft het immers als nut dat men van vluchtelingen waardevolle spullen gaat afnemen? De weinige gezinnen die er tussen zitten, gaat men ontnemen van een overlevingsmiddel en het tuig vindt heus wel ergens iets om te roven.

Het meest wraakroepende echter zijn de getuigenissen van, vaak idealistische, medewerkers uit asielcentra. Toezicht met betrekking tot beveiliging is daar onbestaande. Men smijt daar mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar. Vele mensen komen uit een onderklasse van een samenleving zoals wij die reeds enkele generaties niet meer kennen waarbij bv analfabetisme de norm is.  Maar vervolgens verwachten politici wel een spontane ordening langs de lijnen van moreel hoogstaande idealen.  Is er bewaking van het domein? Enkel wanneer tuig het beu is om de mede-inwoners te terroriseren en men erop uit trekt om de omgeving te gaan terroriseren en mensen verhaal komen halen. Mijn vraag aan politici, en ik denk dat Marc Van Ranst die kan onderschrijven, is “Wat verwacht u nu dat uw non-beleid gaat uithalen?” Het lijkt wel een groot sociaal experiment waar politici heel emotioneel onstabiel lijken te reageren op gebeurtenissen die zo te voorspellen waren. Tevens eisen zij het alleenrecht op om hierover een mening te hebben en worden meningen hierbuiten, zowel links als rechts, weggezet als extremistische prietpraat (al gebruiken zij minder fraaie verwoordingen).

Dat politici mensen onderverdelen in productieven en profiteurs lijkt ook steeds meer een feit te worden. Elke werkloze moet weggezet worden als een profiteur. Tegelijkertijd snijdt men in subsidiëring aan opleidingen voor knelpuntberoepen en weigert men om een fiscaal beleid te voeren dat aanzet tot meer banen.  Wel applaudisseert men wanneer bepaalde ondernemers niet kunnen wachten om migranten aan bodemprijzen in dienst te nemen. Wat verwacht men vervolgens dat zij die hier reeds zijn, en dan heb ik het heus niet over de autochtonen alleen, hieruit van conclusies gaan trekken? Men voert een beleid waar het basisprincipe wel lijkt te zijn dat zolang iedereen tegen iedereen vecht men niet naar de politici kijkt.

Kritiek op politiek-ideologische gebeurtenissen: u vergist zich

Tenslotte verwijst Marc Van Ranst naar PEGIDA. Zelf ben ik geen fan van dit gebeuren aangezien het aan de kern van de zaak voorbijgaat. Maar ik zal het ook niet veroordelen. Het is immers het resultaat van een politiek beleid waarbij alle kritiek werd weggezet als fascistisch, racistisch en xenofoob. Meerdere mensen werden banen geweigerd of afgenomen vanwege een politieke mening. Om enkele jaren daarna beleidspolitici zonder gêne diezelfde ideeën wel te horen verkondigen alsof zij het bedacht hadden. PEGIDA is het resultaat van decennia wanbeleid met als toppunt het huidige non-beleid met de asielcentra. Men dropt mensen ZONDER BEGELEIDING ergens in een gemeenschap en verwacht vervolgens dat op een magische wijze mensen naar elkaar toegroeien. Niet de minste moeite wordt gedaan vanuit de politieke klasse. Wanneer vervolgens dan toch eens enkelen worden teruggestuurd, dan verkoopt men dit als een gigantische overwinning.

Ik ken meerdere mensen die meewandelen in manifestaties in PEGIDA. En ik kan u geruststellen, daar loopt onder de vele PEGIDA-mensen geen harde kern die klaar is om morgen het fascisme te doen herleven. Enkelen dwepen ermee, maar dat is een marginale minderheid (zowel in getal als in mentaliteit). De overgrote meerderheid zijn mensen die bezorgd zijn om de toekomst van hun kinderen, van zichzelf en die een enorme onmacht ervaren. PEGIDA is geen beweging die is ontstaan vanuit een offensieve ideologie, zoals het fascisme dat wel was. PEGIDA is een beweging van mensen die veel dichter bij de wanhoop staan dan bij de nieuwe orde. Wilt u PEGIDA doen stoppen? Dan moet u uw kritiek verleggen naar de volledige heersende klasse en dat zijn in de eerste plaats de oude rotten van de partijpolitieke klasse. Dat het Vlaams Belang ondertussen PEGIDA volledig voor de eigen kar heeft gespannen, is dan ook zeer spijtig te noemen.

Conclusie

Meneer Van Ranst, u hebt uw opinieartikel laten publiceren in de krant De Morgen. Een krant waar men in het verleden heeft opgeroepen tot fysiek geweld tegen andersdenkenden. Een krant waar bepaalde woorden niet meer welkom zijn (newspeak) omdat zij niet passen in een bepaalde narratief. Waar een kaste regeert die nog geen schaduw zijn van de socialisten die hen zijn voorgegaan. Die laatsten beseften immers dat zij bezig waren met de emancipatie, de volksverheffing, van hun volk en van de mensheid. Die eersten zijn enkel bezig met een constante cognitieve dissonantie om hun eigen denkbeeld telkens opnieuw te kunnen legitimeren.

De nestors van bepaalde politieke partijen mogen nu grote verklaringen afleggen, zij hebben daarbij niet veel meer te verliezen. Hun beleid met betrekking tot migratie in het verleden kwam neer op dumping van mensen in de grote steden, een actief beleid dat aanzette tot getto’s om vervolgens mensen die daar problemen mee maakten neer te zetten als racisten. Een beleid dat gemeenschappen tegen elkaar heeft opgezet en waarbij allochtone gemeenschappen werden behandeld als kleine kinderen die nergens verantwoordelijkheid voor konden of mochten gedragen. Zou ik zo behandeld worden, ik zou beledigd zijn. Een visie die ook vandaag de dag leeft waarbij succesvolle allochtone middenstanders vaak worden weggezet als “huisnegers” omdat zij tonen dat zij wél voor zichzelf kunnen zorgen. We zullen het over vele zaken niet eens zijn, maar ik ben zeker dat in de kern we elkaar kunnen tegemoetkomen: dit politieke stelsel is rot. Mensen worden tegen elkaar opgezet enkel om bepaalde machtsstructuren te behouden. Vanuit een samenkomst van gemeenschappen zullen we moeten werken aan een alternatief waarbij eindelijk een beleid gevoerd kan worden.

Graag reik ik u hier de hand voor. Uw hart is immers op de juiste plaats, aan uw geest werken we nog. Het zou mij een genoegen zijn om hierover met u eens van gedachten te wisselen in een openbaar debat waarbij we geen heilige huisjes vermijden, zonder daarbij het niveau van beschaafdheid af te zwakken. Zwijgen is immers het laatste dat we mogen doen.


[i] Wat overigens een vaststelling van een feit is en geen waardeoordeel op zich is. Wie droog en emotieloos de strijd tegen onrecht aangaat, doet dat niet oprecht.

Posted on 1 Comment

Oekraïne, corrupte journalistiek en Atlantisch geloof

Karel van Wolferen, voormalig correspondent van de Nederlandse krant NRC Handelsblad, is verontrust over de escalerende crisis in Oekraïne en de kritiekloze journalistiek in Europa, die zich volledig laat leiden door een blinde verbondenheid met de VS. De huidige escalatie door de NAVO kan volgens hem tot een oorlog leiden.

De EU wordt niet langer geleid door politici met een elementaire kennis van geschiedenis, een nuchter overzicht van de werkelijkheid in de wereld of zelfs maar gezond verstand en een gevoel van verbondenheid met de langetermijnbelangen die ze dienen. Als daar nog bewijs moest voor worden gevonden, dat is dat nu geleverd met de sancties die ze vorige week hebben overeengekomen, om Rusland te bestraffen.

Eén manier om hun waanzin te vatten begint bij de media. Welk begrip of bezorgdheid deze politici persoonlijk mogen hebben, ze willen vooral gezien worden als personen die ‘the right thing’ doen. Daar zorgen tv en kranten voor.

In het overgrote deel van de EU wordt het algemeen inzicht in de werkelijkheid sinds het gruwelijk einde van de mensen aan boord van het toestel van Malaysia Airlines vorm gegeven door de mainstream kranten en tv-zenders. Die hebben de aanpak van de Anglo-Amerikaanse media gekopieerd. Zij hebben ‘nieuws’ gepresenteerd waarin insinuatie en verdachtmaking in de plaats komen van echte berichtgeving.

Gerespecteerde publicaties zoals de Britse Financial Times en het Nederlandse NRC Handelsblad, waar ik zestien jaar heb gewerkt als correspondent voor het Verre Oosten, hebben deze corrupte journalistieke aanpak niet alleen gevolgd maar ook mee begeleid naar zijn krankzinnige conclusies.

De opinies van zelfverklaarde media-experten en de editorialen die hieruit zijn ontstaan, gaan verder dan alle vroegere voorbeelden van mediahysterie voor politieke doeleinden die ik me kan herinneren. Het meest flagrante voorbeeld dat ik vond, was een anti-Poetin hoofdartikel in de Economist Magazine van 26 juli 2014. Het had de toon van Shakespeare’s Henry V, terwijl hij zijn troepen opjut voor de Slag van Agincourt wanneer hij Frankrijk binnenvalt.

Geen Europese media
Er zijn geen kranten of andere publicaties die de volledige EU bereiken, om een Europese publiek forum te vormen waar politiek geïnteresseerde Europeanen met elkaar belangrijke internationale ontwikkelingen kunnen bespreken. Wie belangstelling heeft voor internationale politiek, leest meestal de internationale editie van de New York Times of de Financial Times.

Vragen en antwoorden over geopolitieke aangelegenheden worden zo routinematig gevormd of sterk beïnvloed door wat de hoofdredacteurs in New York en Londen belangrijk vinden. Meningen die hier in belangrijke mate van afwijken vind je in Der Spiegel, de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Die Zeit en Handelsblatt. Die blijven echter binnen de Duitse grenzen. We zien bijgevolg geen Europese publieke opinie over wereldzaken, zelfs niet als die een directe impact hebben op de belangen van de EU zelf.

De Nederlandse bevolking werd ruw wakker geschud uit zijn slaperige passiviteit tegenover wat in de wereld gebeurt en op haar toch een impact kan hebben, door de dood van 193 landgenoten (samen met 105 mensen van andere landen) in het neergehaalde vliegtuig. De Nederlandse media volgden daarbij zonder aarzelen de vingerwijzingen naar Rusland, die door de Amerikanen in gang werden gezet.

Eenzijdige interpretaties zonder bewijsgrond
Elke mogelijke uitleg die niet op een of andere manier de verantwoordelijkheid bij de Russische president legde, was onaanvaardbaar. Daarmee gingen de Nederlandse media lijnrecht in tegen de nuchtere verklaringen van eerste minister Rutte. Die stond nochtans onder aanzienlijke druk om mee in dezelfde richting te wijzen maar koos ervoor op een grondig onderzoek te wachten over wat er precies was gebeurd.

De tv-programma’s die ik kon zien in de dagen onmiddellijk na de crash, nodigden onder meer anti-Russische en Amerikaanse neoconservatieve personen uit die hun uitleg gaven aan een verward en oprecht geschokt publiek.

Een Nederlandse expert buitenlandse politiek legde uit dat de (Nederlandse) minister van Buitenlandse Zaken of zijn vervanger niet naar de site van de crash kon gaan (wat Maleisische vertegenwoordigers wel hadden gedaan) om de lichamen van de Nederlandse burgers te repatriëren, omdat dat een impliciete erkenning zou inhouden van de diplomatieke status van de ‘separatisten’. Wanneer de EU unaniem een regime erkent dat is ontstaan uit een door de Amerikanen aangestoken staatsgreep, dan zet je jezelf inderdaad diplomatiek vast.

De omwonenden en de anti-Kievstrijders, die op de site van de crash rondliepen, werden met beelden van YouTube voorgesteld als criminelen die weigerden mee te werken, wat voor heel wat kijkers neerkwam op een bevestiging van hun schuld. Dat veranderde toen latere berichten van echte journalisten de geschokte en diep bezorgde dorpelingen toonden. De discrepantie met de eerste beelden werd echter niet uitgelegd.

Geen ruimte voor objectieve analyse
De aanvankelijke insinuaties van smerig gedrag ruimden geen plaats voor objectieve analyse over de redenen waarom deze mensen in feite aan het vechten zijn. Tendentieuze tweets en YouTube-filmpjes zijn de basis geworden van de officiële Nederlandse verontwaardiging over de Oost-Oekraïners.

Zo werd de algemene indruk geschapen dat er toch ‘iets’ moest worden gedaan om een en ander recht te zetten. Dat werd volgens de overheersende meningen bereikt door een nationaal uitgezonden thuiskomst van de stoffelijke resten (die door Maleisische bemiddeling vrijgekomen waren) met een sobere en waardige rouwceremonie.

Nergens heb ik iets gelezen of gezien dat ook maar suggereerde dat de crisis in Oekraïne – die tot een staatsgreep en een burgeroorlog leidde – in gang werd gezet door neoconservatieven en een aantal R2P-fanatici (Responsibility to Protect) in het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en het Witte Huis, die daar blijkbaar van president Obama vrij spel voor hadden gekregen.

De Nederlandse media leken zich evenmin bewust te zijn van het feit dat deze catastrofe onmiddellijk werd omgezet in een voetbalmatch ten bate van het Witte Huis en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. De mogelijkheid dat Poetin gelijk had, toen hij stelde dat de ramp niet zou zijn gebeurd als zijn dringend voorstel voor een staakt-het-vuren was aanvaard, werd niet in overweging genomen.

Het was nochtans Kiev dat de wapenstilstand in de burgeroorlog met de Russischsprekende Oost-Oekraïners verbrak op 10 juni 2014. Die willen niet geregeerd worden door een samenraapsel van misdadigers, nakomelingen van Oekraïense nazi’s en oligarchen die in bed liggen met het IMF en de EU.

Deze veronderstelde ‘rebellen’ hebben gereageerd op de start van etnische zuiveringsoperaties, systematische terreurbomcampagnes en wreedheden (meer dan dertig Oekraïners werden levend verbrand) door troepen van Kiev, iets waarover we in de Europese berichtgeving nauwelijks iets vernomen hebben.

5 miljard dollar politieke destabilisatie
Het is weinig waarschijnlijk dat de Amerikaanse ngo’s, die volgens eigen officiële mededelingen vijf miljard dollar hebben uitgegeven voor politieke destabilisatie, voorafgaand aan de putsch van februari 2014 in Kiev, plotseling zouden verdwenen zijn uit Oekraïne. Net zo min hebben Amerikaanse militaire adviseurs en gespecialiseerde troepen lijdzaam staan toekijken terwijl het leger en de milities van Kiev de strategie voor hun burgeroorlog uitstippelden.

Deze nieuwe zware jongens vormen een regime dat overleeft met financiële bloedtransfusies van Washington, de EU en het IMF. Al wat we weten is dat Washington de aan de gang zijnde slachtingen aanmoedigt, in een burgeroorlog die het zelf in gang heeft gezet.

Washington heeft permanent de bovenhand in een propagandaoorlog tegen een tegenstander die het spel weigert mee te spelen, dit in tegenspraak met wat de mainstream media ons willen doen geloven. Washington zendt de ene propagandagolf na de andere om een beeld te scheppen van een Poetin, gedreven door nationalisme en door het verlies van het Sovjet-imperium, en die poogt de Russische Federatie uit te breiden tot aan de grenzen van dat teloorgegane imperium.

De meer avontuurlijke zelfverklaarde media-experten, aangestoken door neoconservatieve koorts, zien Rusland al het Westen omsingelen. De Europeanen wordt dus wijsgemaakt dat Poetin elke diplomatie weigert, terwijl hij daar altijd op aangedrongen heeft. Deze overheersende propaganda heeft de perceptie gecreëerd dat niet de acties van Washington maar die van Poetin gevaarlijk en extreem zijn. Iedereen die een persoonlijk verhaal heeft dat Poetin en Rusland in een kwaad daglicht stelt wordt gemobiliseerd, de Nederlandse hoofdredacteurs lijken voor het ogenblik wel onverzadigbaar.

Het lijdt geen twijfel dat ook Rusland een propagandaoorlog voert. Er bestaan echter middelen voor ernstige journalisten om dergelijke tegenstrijdige propaganda af te wegen en om uit te pluizen hoeveel waarheid, leugens en bullshit ze bevat. Zelf heb ik dat soort journalistiek in beperkte mate alleen waargenomen in Duitsland.

Amerikaanse websites
Voor het overige moeten we tegenwoordig de politieke realiteit samenstellen met behulp van de meer dan ooit onmisbaar geworden Amerikaanse websites die wel gastvrij zijn voor klokkenluiders en ouderwetse onderzoeksjournalistiek. Dat is vooral zo sinds het begin van de ‘oorlog tegen het terrorisme’ en de invasie van Irak. Sindsdien heeft een permanente samizdat-pers vorm gekregen.

In Nederland wordt zowat alles dat van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken komt voor waar aangenomen, ook al is dat een reeks van adembenemende leugens die begint bij de ondergang van de Sovjet-Unie: Panama, Afghanistan, Irak, Syrië, Venezuela, Libië en Noord-Korea; een waslijst omvergeworpen regeringen; geheime en valse-vlag-operaties; de gluiperige bezetting van de planeet met zowat duizend militaire basissen: niets daarvan wordt in overweging genomen.

De opgeklopte hysterie in de dagen na de crash van het vliegtuig belette mensen met enige relevante kennis van de geschiedenis om hun mond open te doen. Werkzekerheid is in de huidige wereld van de journalistiek erg wankel. Tegen de stroom in gaan wordt gezien als spelen met vuur, omdat dat de eigen journalistieke ‘geloofwaardigheid’ zou kunnen beschadigen.

Redactionele onverschilligheid
Het probleem dat de oudere generatie van ernstige journalisten heeft met de geloofwaardigheid van de mainstream media is de redactionele onverschilligheid voor mogelijke aanwijzingen die het officiële verhaal zouden kunnen ondermijnen. Dit verhaal is reeds volledig doorgedrongen in de populaire cultuur.

Je vindt het terug in lukrake verwijzingen die boek- en filmrecensies opsmukken. In Nederland staat het officiële verhaal reeds onwrikbaar vast, niet verwonderlijk als het al tienduizenden malen herhaald werd. Het mag dus ook niet weerlegd worden, ook al is er niet het minste bewijs voor.

De aanwezigheid van twee Oekraïense gevechtsvliegtuigen op de Russische radar in de buurt van het toestel van Malaysia Airlines is een dergelijke aanwijzing, die mij als onderzoeksjournalist of lid van het door Nederland aangestelde onderzoeksteam zou interesseren. Dit wordt blijkbaar bevestigd door een BBC-reportage met ooggetuigen onder de nabije dorpelingen. Die hadden net voor de crash duidelijk een ander toestel gezien vlak bij het passagiersvliegtuig toen ze omhoog keken naar de ontploffingen in de lucht.

Dat bericht kreeg heel wat aandacht omdat het uit het BBC-archief werd verwijderd. Ik zou dan ook willen praten met Michael Bociurkiv, één van de eerste inspecteurs van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) die de site van de crash bereikten. Hij bleef er meer dan een week om wrakstukken te onderzoeken.

Op (de Canadese zender) CBC World News beschreef hij ‘pokdalige’ inslagen op twee of drie wrakstukken: “(Die inslagen) zagen eruit als wat je verwacht van munitie uit een machinegeweer, van zeer krachtig machinegeweervuur dat zijn unieke merktekens achterliet, die we nergens anders terugvonden.”

Ik zou zeker ook de radar- en stemopnames te horen willen krijgen van de luchtverkeerscontrole in Kiev, waarvan wordt beweerd dat ze in beslag werden genomen. Zo zou ik kunnen begrijpen waarom de Maleisische piloot plots van zijn koers afweek en zeer snel daalde, kort voor zijn toestel neerstortte. Ik zou ook willen onderzoeken waarom buitenlandse luchtverkeerscontroleurs in Kiev onmiddellijk na de crash werden weggestuurd.

Satellietbeelden
Net als de Veteran Intelligence Professionals for Sanity zou ik er bij de Amerikaanse autoriteiten met toegang tot de satellietbeelden zeker op aandringen de bewijzen te tonen die ze beweren te hebben van het BUK-luchtafweergeschut in handen van de ‘rebellen’ en van de Russische betrokkenheid daarbij. Ik zou hun dan ook willen vragen waarom ze dat nog steeds niet gedaan hebben.

Tot nu heeft Washington zich gedragen als een bestuurder die weigert een alcoholtest te ondergaan. Een aantal officieren van de Amerikaanse inlichtingendiensten hebben hun ‘mindere zekerheid’ gelekt naar een aantal kranten over de Amerikaanse ‘zekerheden’, die de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken aan de wereld heeft kond gemaakt. Dat zou mijn nieuwsgierigheid fel hebben aangewakkerd.

Om de loyaliteit van de Europese media aan Washington in het geval van Oekraïne en het slaafse gedrag van Europese politici enigszins in perspectief te plaatsen, moeten we meer weten over het Atlantisme en dat ook begrijpen.

Het gaat hier over een Europees geloof. Er is geen officiële doctrine uit ontstaan, maar het functioneert wel als dusdanig. Het wordt goed samengevat door deze Nederlandse slogan ten tijde van de invasie van Irak: “Zonder Amerika gaat het niet”.

Atlantisme, product van de Koude Oorlog
Eigenlijk overbodig om het te vermelden, maar het Atlantisme is een product van de Koude Oorlog. Dit geloof werd ironisch genoeg sterker toen de dreiging van de Sovjet-Unie minder en minder overtuigend begon te worden voor een steeds groter aantal leden van de Europese politieke elite.

Dat had waarschijnlijk te maken met een generatiewissel: verder weg van de Tweede Wereldoorlog herinnerden de Europese regeringen zich steeds minder wat het betekent om een eigen onafhankelijk buitenlands beleid te hebben over de wereldpolitiek. De huidige regeringsleiders van de EU hebben geen ervaring in praktisch strategisch overleg. Routineus denken over internationale betrekkingen en wereldpolitiek is diep geworteld in de kennistheorie van de Koude Oorlog.

Atlantisme is vandaag een zware plaag voor Europa: het veroorzaakt historische amnesie, gewilde blindheid en gevaarlijke misleide politieke woede. Zo ontstaat dan onvermijdelijk ‘verantwoordelijk’ redactioneel beleid.

Deze plaag kan echter verder woekeren met een mengelmoes van nooit in vraag gestelde zekerheden uit de tijd van de Koude Oorlog, die zijn blijven hangen, van impliciete koudeoorlogsloyaliteit ingebed in de populaire cultuur, van naakte Europese onwetendheid en van een enigszins begrijpbare weigering om toe te geven dat men ook maar een klein beetje gehersenspoeld is.

Washington kan waanzinnige dingen blijven doen zonder dat Atlantisme te beschadigen, dankzij ieders vergeetachtigheid, terwijl de media nauwelijks iets doen om dat te verhelpen. Ik ken Nederlandse mensen die walgen van de moddercampagne tegen Poetin, maar het idee dat in het geval van Oekraïne Washington met de vinger moet worden gewezen toch zo goed als onaanvaardbaar vinden.

Gebrek aan perspectief
Als gevolg van die houding kunnen Nederlandse publicaties – net als vele andere in Europa – zich er niet toe brengen om de crisis in Oekraïne in het juiste perspectief te plaatsen, door te erkennen dat deze crisis door Washington in gang werd gezet en dat het Washington is – en niet Poetin – die de sleutel voor een oplossing in de hand heeft. Dat zou immers een verzaking aan dat Atlantisme impliceren.

Dit Atlantisme haalt veel van zijn kracht uit de NAVO, het is zijn institutionele belichaming. De bestaansreden van de NAVO is echter verdwenen met de ondergang van de Sovjet-Unie, dat wordt grotendeels vergeten. Het bondgenootschap werd in 1949 opgericht op basis van het idee van transatlantische samenwerking voor veiligheid en defensie, die nodig was geworden na de Tweede Wereldoorlog, omdat het door Moskou georchestreerde communisme van plan was de volledige planeet over te nemen.

Waar men veel minder over praatte, was het toenmalige interne Europese wederzijdse wantrouwen. De Europeanen zetten toen immers hun eerste stappen in de richting van economische integratie. De NAVO werd een soort Amerikaanse garantie dat geen Europese grootmacht zou pogen de anderen te domineren.

De NAVO is voor de EU al een tijdje een blok aan het been, omdat de organisatie de ontwikkeling verhindert van een overlegd buitenlands en defensiebeleid. Het heeft de EU-lidstaten gedwongen instrumenten te worden ten dienste van het Amerikaanse militarisme.

Het bondgenootschap is tevens een morele last geworden, omdat de regeringen die (in Irak) deelnamen aan de ‘coalition of the willing’ aan hun eigen burgers de leugen moesten verkopen dat Europese soldaten in Irak en Afghanistan gingen sterven als noodzakelijke prijs om Europa te vrijwaren van terroristen.

Deze regeringen, die troepen hebben geleverd voor de gebieden die de VS bezet hielden, deden dit meestal met grote weerzin, wat hen het verwijt opleverde van een reeks Amerikaanse vertegenwoordigers dat de Europeanen te weinig doen voor de collectieve verdediging van democratie en vrijheid.

Typisch voor een ideologie is het Atlantisme ahistorisch. Als paardenmiddel tegen de storm van fundamentele politieke dubbelzinnigheid schrijft het zijn eigen geschiedenis, een geschiedenis die op zijn beurt wordt herschreven door de Amerikaanse mainstream media, die het Woord verspreiden vanuit Washington.

Je kan daar nauwelijks een beter voorbeeld voor vinden dan de huidige Nederlandse ervaring. De voorbije drie weken heb ik tijdens gesprekken oprechte verrassing bespeurd toen ik vrienden erop wees dat de Koude Oorlog door diplomatie werd beëindigd. Er werd een deal gesloten in Malta tussen Gorbatsjov en president Bush senior in december 1989. Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken James Baker kreeg Gorbatsjov zo ver de hereniging van Duitsland en de terugtrekking van de troepen van het Warschaupact te aanvaarden, met de belofte dat de NAVO ‘geen duimbreed’ zou uitbreiden naar het Oosten.

Gebroken beloftes
Gorbatsjov beloofde daarop geen geweld te gebruiken in Oost-Europa, waar de Russen op dat ogenblik nog troepen hadden, 350.000 in Oost-Duitsland alleen, in ruil voor de belofte van Bush senior dat Washington geen misbruik zou maken van de terugtrekking van de Sovjets uit Oost-Europa. President Bill Clinton kwam terug op die Amerikaanse beloftes toen hij om puur electorale redenen opschepte over een uitbreiding van de NAVO.

In 1999 maakte hij de Tsjechische Republiek en Hongarije volwaardige leden. Tien jaar later zijn daar nog negen andere landen bijgekomen, zodat de NAVO nu dubbel zoveel leden had als tijdens de Koude Oorlog. De befaamde Amerikaanse Rusland-expert George Kennan noemde Clintons initiatief ‘de meest fatale vergissing van het Amerikaanse beleid sinds het einde van de Koude Oorlog’.

De historische onwetendheid inherent aan het Atlantisme is vlijmscherp zichtbaar in de bewering dat de invasie van de Krim het ultieme bewijs zou zijn tegen Poetin. Ook deze politieke realiteit werd gecreëerd door de Amerikaanse media. Er was helemaal geen invasie. De Russische soldaten en matrozen waren al ter plaatse omdat het de thuisbasis is van de warmwaterhaven van de Russische zeemacht in de Zwarte Zee De Krim was reeds een onderdeel van Rusland voor het bestaan van de VS.

Het belang van geschiedenis
In 1954 heeft Chroesjtsjov – zelf uit Oekraïne – de Krim aan de Oekraïense Socialistische Republiek gegeven. Dat kwam neer op de verplaatsing van een regio naar een andere provincie, want Rusland en Oekraïne behoorden toen tot hetzelfde land. De Russischsprekende bevolking van de Krim was nu maar al te blij. Ze stemden in een referendum eerst voor onafhankelijkheid van het regime in Kiev, dat uit de staatsgreep was ontstaan, en vervolgens voor hereniging met Rusland.

Zij die beweren dat Poetin het recht niet had om iets dergelijks te doen, zijn zich niet bewust van een ander historisch gegeven, namelijk dat de VS zijn (Star Wars) antiraketsystemen steeds dichter bij de Russische grenzen heeft geplaatst. Dat gebeurde zogezegd om vijandige raketten uit Iran op te vangen, die echter niet eens bestaan. Plechtige oproepen voor territoriale integriteit en soevereiniteit zijn in die omstandigheden weinig zinvol. Wanneer dergelijke uitspraken van Washington komen – dat het concept van soevereiniteit in zijn eigen buitenlands beleid heeft overboord gegooid – zijn ze zonder meer hilarisch.

Een verwerpelijk Atlantisch initiatief was de uitsluiting van Poetin uit de ontmoetingen en andere activiteiten voor de herdenking van de landing (van de geallieerde troepen) in Normandië, voor de eerste keer in zeventien jaar.

Geheugenverlies en onwetendheid hebben de Nederlanders blind gemaakt voor een geschiedenis die hen nochtans rechtstreeks aanbelangt. Het is immers de Sovjet-Unie die het hart van de nazi-oorlogsmachine – die Nederland bezet hield – heeft uitgerukt. Zij betaalde daar een prijs voor met een onvergelijkbaar aantal militaire doden dat de verbeelding tart. Zonder de Sovjet-Unie zou er nooit een landing geweest zijn in Normandië.

Een godsgeschenk voor de NAVO
Nog niet zo lang geleden leek het erop dat de rampzalige mislukkingen van Irak en Afghanistan de NAVO dicht bij zijn onvermijdbare ontbinding zou brengen. De crisis in Oekraïne en Poetins gedecideerde reactie, die voorkwam dat de Krim en zijn Russische zeemachtbasis mogelijk in de handen zouden zijn gevallen van een door de Amerikanen geleide alliantie, zijn echter een geschenk uit de hemel gebleken voor de tot dan uit elkaar vallende organisatie.

De leiding van de NAVO heeft al troepen gestuurd om zijn aanwezigheid in de Baltische staten te versterken en heeft luchtdoelraketten en gevechtsvliegtuigen in Polen en Litouwen gestationeerd. Sinds het neerhalen van het vliegtuig van Malaysia Airlines heeft het nog verdere militaire initiatieven genomen die gevaarlijke provocaties tegen Rusland kunnen worden.

Het werd daarna duidelijk dat de Poolse minister van Buitenlandse Zaken samen met de Baltische staten hier de drijvende kracht achter waren. Deze landen waren niet eens lid van de NAVO toen deze organisatie nog een enigszins verdedigbare reden van bestaan had. De voorbije dagen hangt er (in die landen) een sfeer van mobilisatie.

De buiksprekende handpoppen Anders Fogh Rasmussen en Jaap de Hoop Scheffer (de huidige en voormalige NAVO-secretaris-generaal) deden hun werk door luid te protesteren tegen elke aarzeling van NAVO-lidstaten. Rasmussen verklaarde op 7 augustus 2014 in Kiev dat “de steun van de NAVO voor de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne onwrikbaar is” en dat hij van plan is het partnerschap met het land te verstevingen op de komende top van de NAVO in Wales in september. Dat partnerschap is nu sterk, beweert hij, “en als antwoord op de agressie van Rusland gaat de NAVO nog meer samenwerken met Oekraïne om zijn gewapende strijdkrachten te versterken”.

Russian Aggression Prevention Act
Ondertussen hebben 23 Republikeinse senatoren in het Amerikaanse Congres een wetsvoorstel ingediend – de Russian Aggression Prevention Act – dat de bedoeling heeft Washington toe te laten van Oekraïne een niet-NAVO-bondgenoot te maken. Dat is een stap die een direct militair conflict met Rusland mogelijk maakt. We zullen waarschijnlijk moeten wachten tot na de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen om te zien wat ervan komt. Het voorstel heeft een excuus bezorgd aan hen die in Washington nog nog verdere stappen willen ondernemen in Oekraïne.

In september 2013 hielp Poetin Obama nog om een bommencampagne tegen Syrië te voorkomen, die de neoconservatieven toen wilden doordrukken. Hij hielp hem ook om het kerndispuut met Iran te ontmijnen, eveneens een neoconservatief project. Dat heeft deze ‘neocons’ ertoe gedreven de band tussen Obama en Poetin te breken. Je kan het nauwelijks een geheim noemen dat zij de omverwerping van Poetin wensen en als het even kan ook de ontmanteling van de Russische Federatie.

Minder bekend in Europa is dat er talloze ngo’s actief zijn in Rusland, die hen daarbij helpen. Vladimir Poetin kan nu of binnenkort toeslaan om de NAVO en het Amerikaanse Congres voor te zijn, door het oosten van Oekraïne in te nemen, iets wat hij eigenlijk al had moeten doen onmiddellijk na het referendum in de Krim. Dat zou dan voor de Europese redactionele ogen uiteraard het ultieme bewijs zijn geweest van zijn duivelse plannen.

Europa moet wakker worden

Gezien al het voorgaande dringt zich een van de meest cruciale vragen in de huidige wereldpolitiek op: wat moet er nog gebeuren om de Europeanen wakker te schudden dat Washington met vuur aan het spelen is, dat de VS opgehouden hebben de beschermer te zijn waar ze op konden rekenen en dat de VS hun veiligheid in gevaar brengt? Gaat het ogenblik komen dat het voor hen duidelijk wordt dat de crisis in Oekraïne bovenal draait om de Star-Wars-raketten die langs de Russische grens verspreid staan en die Washington de capaciteit geven voor een ‘first strike’ – in het krankzinnige jargon van de nucleaire strategen?

Bij oudere Europeanen neemt het besef toe dat de VS vijanden hebben die geen vijanden van Europa zijn, omdat het land hen nodig heeft voor interne politieke redenen; om een economisch uiterst belangrijke oorlogsindustrie draaiend te houden en om de politieke ‘goede trouw’ van mededingers voor de openbare macht op de proef te stellen.

Het gebruik van ‘schurkenstaten’ en terroristen als doelwitten voor ‘juiste oorlogen’ is nooit erg overtuigend geweest. Het door de militaristische NAVO gedemoniseerde Rusland van Poetin kan echter het transatlantisch status quo verlengen. Van zodra ik er de eerste berichten over vernam, meende ik dat het lot van het vliegtuig van Malaysia Airlines politiek zou worden bepaald. De zwarte dozen zijn in Londen. In de handen van de de NAVO?

Er blijven nog enorme obstakels tegen een dergelijk Europees ontwaken; het neoliberaal beleid en de overname van de economie door de financiële instellingen hebben een intieme transatlantische vervlechting voortgebracht van plutocratische belangen. Samen met het Atlantisch geloof heeft deze evolutie de politieke ontwikkeling van de EU in de kiem gesmoord. Sinds Tony Blair heeft Washington Groot-Brittannië in de zak en sinds Nicolas Sarkozy kan van Frankrijk min of meer hetzelfde worden gezegd.

Duitse stemmen in de woestijn

Zo blijft alleen Duitsland nog over. Angela Merkel was duidelijk ongelukkig met de sancties maar stapte er uiteindelijk in mee aan de ‘goede kant’ van de Amerikaanse president. De VS hebben als de overwinnaar van de Tweede Wereldoorlog immers nog steeds een grote speelruimte, dankzij een groot aantal bestaande samenwerkingsakkoorden.

Duits minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier werd geciteerd in de kranten en verscheen op tv, terwijl hij de sancties afkeurde. Hij wees naar Irak en Libië als voorbeelden van wat er gebeurt met escalatie en ultimatums. Ook hij ging uiteindelijk overstag en schaarde er zich achter.

Der Spiegel is één van de Duitse podia die nog hoop geven. Jakob Augstein, één van zijn columnisten, valt de ‘slaapwandelaars’ aan die de sancties goedgekeurd hebben en berispt zijn collega’s die Moskou met de vinger wijzen.

Gabor Steingart, uitgever van Handelsblatt, protesteerde krachtig tegen de Amerikaanse neiging “tot verbale en daarna militaire escalatie, isolering, demonisering en aanval tegen vijanden”. Hij trekt de conclusie dat de Duitse journalistiek “in een aantal weken is omgeslagen van koelbloedig naar geagiteerd. Het spectrum van opinies is verengd tot het zichtveld door het vizier van een scherpschutter.” Er zijn zeker nog wel meer journalisten in andere delen van Europa die gelijkaardige dingen zeggen. Hun stemmen zijn nauwelijks hoorbaar door de stormram van de smeercampagnes.

Opnieuw wordt geschiedenis geschreven. De uiteindelijke lotsbestemming van Europa wordt niet alleen bepaald door de verdedigers van het Atlantische geloof maar evengoed door hen die zich er niet toe kunnen brengen het disfunctioneren en totale onverantwoordelijkheid van de Amerikaanse staat in te zien.


Vertaling: Lode Vanoost, met toestemming overgenomen van DeWereldMorgen

Posted on Leave a comment

EU als schoolklasje tegen nationalisme

Konrád_GyörgyHet onlangs in Duitse vertaling bij uitgeverij Suhrkamp verschenen essay ‘Europa und die Nationalstaaten’ van de Joods-Hongaarse publicist György Konrád (1933) gaat eigenlijk maar over één enkele natiestaat en wel de Hongaarse. Die ziet Konrád – en daarmee vertegenwoordigt hij een minderheidsstandpunt in Hongarije dat in West-Europa populairder is – onder de regering Orbán sinds 2010 op weg naar een autoritair geleide staat, “een postcommunistische, nationale autoritaire staat die in zekere zin in de buurt komt van neofascisme”. De twee-derde meerderheid van de regeringspartijen in het parlement zou tot een afschaffing van de pluralistische democratie en een machtsconcentratie op het hoogste niveau leiden. Politieke tegenstanders van de regering zouden als vijanden beschouwd worden en gunstelingen bevoordeeld. Extreem nationalisme en antisemitisme zouden zich weer breed maken.

Tegen deze duistere achtergrond ziet Konrád de sterren van de Europese Unie des te helderder stralen. Europa staat in zijn optiek voor matiging en on-ideologische nuchterheid, niet voor charismatische leiders, maar voor betrouwbare vaklieden, voor een cultuur van samenwerking, niet van nationalistische confrontatie. De staat die het voorrecht ten deel valt om lidstaat te worden van de Europese Unie, ziet hij dan ook een plaats “in een hogere klas in de school van de beschaving” toegewezen. Europa beteugelt de politieke passie van een ontketend, mythisch nationalisme: “De EU tempert het in ons verborgen onstuimige en brengt ons tot vergelijkend inzicht.” Politieke smeerpoetsen moeten echter buiten blijven of door “de rationaliteit van de federatie” weer op het pad van de politieke deugd terug gebracht worden. Een Europese interventie ter bescherming van de democratie wanneer die in een natiestaat bedreigd wordt is voor Konrád dan ook niet slechts legitiem, maar zelfs een plicht!

Wie bekend is met de loopbaan van Konrád, kan zijn zorgen omtrent wat hij ziet als een dreigende afbouw van rechtstatelijke checks and balances en gelijkschakeling van de media, zijn “angst voor een nieuwe tirannie” goed begrijpen: “Na mijn bevrijding uit de puinhopen van twee dictaturen kan ik bij mezelf naar geen van beide enige heimwee bespeuren.” Maar kan en moet Europa hier behulpzaam zijn? De vermeende “rationele controle van de staat door de EU” bewees zich zoals bekend in 2000, toen de deelname van de FPÖ aan de Oostenrijkse regering de EU-gemoederen deed oplaaien, als drieste en lompe inmenging door andere EU-lidstaten; over deze schandalige zaak rept Konrád met geen woord.

Hungary's Prime Minister Viktor Orban arrives at the European Commission headquarters in Brussels

Het is begrijpelijk en uit democratisch oogpunt lovenswaardig dat Konrád de nationale politieke elite “als herverdelende bureaucratieën met eigen belangen” wantrouwt en het misbruik van macht en geld door mensen in overheidsfuncties geselt. Maar loopt de Europese politieke elite niet hetzelfde gevaar? Werkt ook zij niet met mythen, probeert ook zij niet door inzet van fondsen te heersen en bureaucratisch uit te dijen? Zo kritisch als Konrád de natiestaten, in het bijzonder de Hongaarse, bejegent, zo idealistisch is zijn perceptie van de EU: “Kiezen voor Europa is kiezen voor argumenten en politieke oprechtheid, wat een scherp oordeel niet uitsluit. Europa betekent vandaag de dag de concurrentie van intelligentie en gedrag. Toenemende omzet van geestelijke en afnemende omzet van materiële goederen.” Spreekt hij hier werkelijk over de Europese Unie? Wat Europa tot eenheid vormt, daarin heeft de ‘antipolitieke’ estheet Konrád zeker gelijk, is zijn verscheidenheid in cultuur, “die eeuwen, millennia eerder ontstaan is dan de economisch-politieke eenheid van ons continent”. Voor het voortbestaan van deze cultuur is de Europese Unie echter, zoals hij toegeeft, “geen bestaansvoorwaarde”.

42371De Europese Unie is een ambitieus politiek project. Haar architectuur moet, om langer mee te kunnen en door Europese burgers aanvaard te worden, overeenkomen met “het gelaagde wezen van het Europese bewustzijn”. “Klaarblijkelijk begeert iedere nationale gemeenschap zelfbeschikking, autonomie, eigen instituties en een eigen natiestaat.” Maar de gelouterde natiestaat doet geen aanmatigende aanspraak op leiderschap meer, maar verstaat zich als deel van een grotere Europese gemeenschap, die zij onderhoudt. “Die op de vaderlandsliefde toegesneden stijl mogen we, die de vriendschappelijke gelijkwaardigheid van de vaderlanden voor vanzelfsprekend houdt.” Ook de Europese gemeenschap mag niet aan de arrogantie van de macht ten prooi vallen en haar soevereiniteitsaanspraak ongepast ten koste van de naties willen uitbreiden. Ook in dit opzicht moet men als Europeaan waakzaam blijven.

N.a.v. György Konrád, Europa und die Nationalstaaten, (Suhrkamp Verlag, Berlijn, 2013), 183 pp., €14,95.