Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on

Is er nog een toekomst voor christenen in Irak?

Vier jaar na de inval van IS in Irak trok onderzoeksjournalist Jens De Rycke in samenwerking met VOS Vlaamse Vredesvereniging naar Noord-Irak om te zien wat de toestand daar is voor de Iraakse christenen en of zij nog een toekomst in hun thuisland hebben. 

De kerk in het Oosten heeft gedurende haar hele geschiedenis al te maken gehad met onderdrukking en vervolging maar het afgelopen decennium was rampzalig voor het christendom in Irak. Voor de Amerikaanse invasie van 2003 leefden er nog ongeveer 1.5 miljoen christenen in Irak. Vijftien jaar laten is daar ongeveer 2/3 van verdwenen. Het verwijderen van de dictator Saddam Hoessein bracht het land in een toestand van chaos waarbij de etnische en sektarische spanningen losbarstten die zorgden voor een spiraal van geweld en terreur. Bomaanslagen door extremistische organisaties zoals Al-Qaida viseerden o.a. de christelijke gemeenschap en creëerden met hun terreur een angstklimaat. Deze terreurgolf was de voornaamste reden waarom veel christenen vanuit de Iraakse grootsteden zoals Bagdad en Mosoel vluchtten naar de christelijke dorpen op de vlakte van Nineveh die op dat moment een veilige haven waren.  Maar dat alles veranderde toen IS in 2014 de stad Mosoel veroverde en nadien ook de vlakte binnenviel. Dorpen en kerken werden verwoest en ook deze keer moesten de christenen van Irak vluchten voor terreur.

Was het voor de christenen dan allemaal beter tijdens het tijdperk van dictator Saddam Hoessein? De rode draad in mijn interviews ter plaatse was dat niemand met heimwee terugkeek naar het tijdperk Saddam. Veel Irakezen – zowel christenen als personen uit andere gemeenschappen – stierven in zijn zinloze oorlogen alsook door zijn vervolgingen. Zo werden bijvoorbeeld naast Koerden ook veel Iraakse christenen slachtoffer van de Anfal-genocide. Maar ze maakten wel een belangrijke kanttekening bij zijn bewind: Saddam viseerde individuen en niet de christenen in het algemeen als geloofsgemeenschap. Zijn bewind was wreed en onderdrukkend maar zorgde daarnaast ook voor een zekere interne stabiliteit. En het is vooral deze stabiliteit waar naar terug wordt verlangd.

Is er een toekomst voor hen?

Het Amerikaanse leger is erin geslaagd te doen wat anderhalf millennium islamitische vervolging niet is gelukt. Het christendom in Mesopotamië bevindt zich in een ernstige toestand en kan zelfs deze eeuw nog verdwijnen. Vaak wordt de hedendaagse toestand voor christenen vergeleken met de Mongoolse invallen en de daaropvolgende vervolging in de 13de eeuw. Dit was naast de Ottomaans/Koerdische genocide van begin 20ste eeuw één van de grootste rampen in de geschiedenis van de Oosterse kerk. Maar wat is dan nu het verschil met deze dramatische periode en andere vergelijkbare periodes van vervolging uit het verleden?

Het antwoord daarop zijn de moderniteit en het globalisme. De mogelijkheid om buiten de eigen regio te vluchten heeft een andere dimensie gegeven aan de emigratie van (christelijke) vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Christenen vluchten nu niet meer (of in veel mindere mate) binnen de regio om zich elders in de regio te vestigen of om later terug te keren. Als ze er de mogelijkheid toe hebben vluchten ze nu buiten de regio en dan vaak naar westerse landen. De reden hiervoor is duidelijk: het Westen wordt bij hen nog steeds met het christendom geassocieerd en dus als een plaats gezien waar zij welkom zijn. Een plek waar zij zonder angst voor vervolging openlijk hun geloof kunnen belijden. De teleurstelling om te zien dat de huidige seculiere westerse maatschappij ver van hun denkbeelden staat is dan ook groot bij veel lokale oosterse kerkgemeenschappen wanneer ze zich eenmaal hier vestigen. Daarnaast worden ze in de buurten waar ze terecht komen ook vaak geconfronteerd met dezelfde islamitische gemeenschappen die ze trachtten te ontvluchten.

Een Midden-Oosten zonder christenen?

Als ik al de individuele verhalen hoor kan ik niets anders dan begrip opbrengen voor de redenen waarom deze christenen de regio ontvluchten. En het is dan niet meer dan begrijpelijk dat we hen om humanitaire redenen willen helpen door hen de conflictgebieden van het Midden-Oosten te helpen ontvluchten. Maar onbewust voeren we op deze manier ook de agenda uit van religieuze extremisten die een Midden-Oosten zonder christenen en andere religieuze minderheden willen creëren.

[pullquote]Het Westen moet eindelijk leren uit zijn fouten en inzien dat door middel van regimewissels onderdrukkende dictators wegwerken altijd nefast is voor de bevolking van die landen.[/pullquote]

Als we het christendom in het Midden-Oosten willen helpen overleven zullen we voor hen duidelijker in de regio iets moeten betekenen door hen ter plaatse meer te helpen. De emigratiecijfers van de christenen zullen zich waarschijnlijk op een bepaald moment stabiliseren. De personen die wilden en konden vertrekken zijn weg.  Zij die de financiële middelen voor emigratie niet hebben of er bewust voor kiezen om te blijven zullen de christelijke gemeenschap in Irak vertegenwoordigen. Een kleinere kudde die met grote uitdagingen zal worden geconfronteerd. Enerzijds zullen ze in hun land met economische instabiliteit en conflicten blijven worden geconfronteerd. Daarnaast proberen de Koerden hen met discriminerende wetgeving en door middel van demografische druk van hun landen te verdrijven. Daarenboven blijft zelfs na de nederlaag van IS het gevaar dat religieuze extremisten de gemeenschap zullen blijven viseren.

Wat is er dan nodig om hen een toekomst te bieden? Vrede en stabiliteit zijn alvast een eerste voorwaarde.  En hiermee wil ik niet als een naïeve vredesactivist klinken die de dynamiek van het Midden-Oosten en de heersende machtsconflicten niet kent maar wil ik wel een oproep lanceren aan onze politici. Het Westen moet eindelijk leren uit zijn fouten en inzien dat door middel van regimewissels onderdrukkende dictators wegwerken altijd nefast is voor de bevolking van die landen. De grootste slachtoffers van deze chaos zijn vaak ook de religieuze minderheden. Maar zelfs na de invasie van Irak werd deze les niet geleerd. Zo getuigt het beleid ten aanzien van Syrië…

Irakese en Syrische christenen

Het is politiek correcter om Irakese christenen te verdedigen dan Syrische christenen, maar in beide landen zijn ze slachtoffer van oorlogsgeweld. Beide zijn ze slachtoffer van vervolging door islamitische extremisten. Maar dan met het verschil dat veel Syrische christenen – omdat velen uit zelfbehoud de Syrische regering steunen – volgens sommigen niet dezelfde slachtoffer-status kunnen opnemen als hun geloofsbroeders in Irak. Uiteraard speelt hierin een geopolitieke dimensie mee. Extremistische soennitische groeperingen werden in Syrië door het Westen gesteund om een regimewissel te bewerkstelligen tegen dictator Bashar al-Assad. Dus werden de (oorlogs)misdaden die door deze extremisten ten aanzien van christenen en andere religieuze minderheden in Syrië werden uitgevoerd gebagatelliseerd. Of er werd de andere kant opgekeken…

Vorig jaar vroeg staatssecretaris Theo Francken tijdens de Paasviering bij de Assyrische gemeenschap in Mechelen om aandacht voor de christenen in de Syrische stad Mhardeh nabij Hama. Zij worden nog steeds door Jaysh al-Izza – een ‘gematigde’ soennitische rebellengroepering – met door de Amerikanen geleverde anti-tank raketten belegerd. Maar als hij tegelijkertijd tweetend juicht over de Amerikaanse luchtaanvallen in Syrië dan klopt zijn positie niet. In 2017 was de Amerikaanse luchtaanval in Homs één van de redenen waarom deze ‘gematigde rebellen’ een offensief tegen dit christelijke stadje konden uitvoeren. Politici die willen opkomen voor de christenen in het Midden-Oosten moeten zich dus afzetten tegen de nefaste westerse interventies die de regio destabiliseren. Wie wil bouwen aan een toekomst voor de christenen in deze regio zal een stem voor vrede moeten zijn.

‘Hungary helps’

Daarnaast hebben ze ook directe steun nodig om te blijven. De Koerdische en Iraakse autoriteiten helpen niet met het herbouwen van hun kerken en steden. Zij hebben dus onze steun nodig om dit samen met hen te doen. In het christelijke stadje Teleskuf zag ik tussen de nieuwbouw en de ruïnes van de vernielde gebouwen affiches met ‘Hungary helps’. Maar nergens zag ik in de dorpen die ik bezocht iets vergelijkbaars van een ander Europees land. Westerse landen bombardeerden deze plaatsen om IS te verdrijven en het is dan ook ontzettend jammer om te zien dat het Westen de ruïnes die ze heeft gecreëerd niet helpt weer op te bouwen.

Met het opnieuw opbouwen van kerken valt geen geld te verdienen en wapenhandel is voor veel politici lucratiever dan ontwikkelingshulp. Daarbij voelt voor de geseculariseerde elite van West-Europa steun aan christenen niet correct aan omdat ze Europeanen aan hun culturele wortels herinnert. Maar wie wel wil dat het christendom in de 21ste eeuw niet uit het Midden-Oosten verdwijnt moet zelf actief steun bieden. Help hen hun vernielde huizen en kerken weer op te bouwen, oefen druk uit op regeringsleiders om discriminerende wetgeving op te heffen en zorg voor economische ondersteuning zodat zowel zij als hun kinderen in hun thuisland een toekomst kunnen opbouwen.

VOS heeft een tentoonstelling gemaakt van het materiaal dat Jens De Rycke op zijn reis naar Irak verzamelde. Wij hopen u te mogen ontvangen bij de opening van deze tentoonstelling op zondag 7 oktober 2018 om 11.30u. in de Sint-Pieters-en-Pauluskerk (Veemarkt 44, 2800 Mechelen), na de misviering van de Chaldeeuwse gemeenschap. De tentoonstelling zal vervolgens nog tot 11 november 2018 te bezoeken zijn.

Posted on

Infinity War: Tot dusver hadden helden het te makkelijk

Een gedachte waarop ik mezelf vaak betrap tijdens de Marvel superheldenfilms, is dat de helden het tot dusver te makkelijk hadden. Hun krachten waren altijd zó overweldigend dat de dreiging vooral zat in hun eigen geesteskwellingen en onderlinge onenigheden – steevast werd de harmonie hervonden en vanaf dat moment waren de schurken totaal kansloos. Dit maakte de filmplots voorspelbaar en in wezen saai, ondanks alle actie en spektakel.

Avengers: Infinity War breekt met deze trend en is daarmee in één klap de beste van alle Marvel films. Het draait om Thanos, wiens naam komt van Thanatos oftewel Grieks voor ‘de dood’. De druk op de hulpbronnen van het heelal zou te groot zijn en hierom wil hij de helft van alle levende wezens uitroeien. Hiervoor heeft hij zes magische stenen nodig – die staan voor tijd, ruimte, geest, ziel, realiteit en kracht; zij geven hem het vermogen om de werkelijkheid te herscheppen. Van armen tot koningen, van jong tot oud: iedereen heeft evenveel kans om te worden uitgevaagd. Dat is rechtvaardigheid volgens Thanos.

Bekijk de film wetende dat hij de feitelijke protagonist is: doordat er zo enorm veel superhelden meedoen – van Spiderman en Iron Man tot Thor en de Hulk – is Thanos de enige die een welbepaald ontwikkelingstraject doormaakt compleet met eigen uitdagingen en vormende dilemma’s. De superhelden benadrukken steeds dat zij geen enkel leven willen opofferen, zelfs al is het om vele levens te redden. Deze Kantiaanse ethiek komt nobel over – Thanos maakt echter een andere keuze en ziet u zelf hoe dit uitpakt.

Deze film is een aanrader omdat hij breekt met de voornaamste clichés. Op de vraag waarom hij doet wat hij doet, antwoordt Thanos dat hij alleen geestelijk vrij zal zijn wanneer de balans in het heelal is hersteld. Pas als de helft van alle zielen is uitgedoofd en de avondzon achter de glooiende heuvels verdwijnt, pas dan zal zijn gemoedsrust zijn hersteld.

Posted on

Noem wat de Armeniërs overkwam wél genocide!

In een artikel van 24 april jongstleden uit Mirjam Ates-Snijdewind haar kritiek op een recente beslissing van het Nederlandse parlement. De Tweede Kamer spreekt niet langer van ‘de kwestie van de Armeense genocide’ maar van de Armeense genocide. Een betreurenswaardige beslissing aldus Ates-Snijdewind, die er voor pleit het woord genocide in dit geval niet zomaar te gebruiken en deze situatie van meerdere zijden te belichten. Wat volgt is een opsomming van enkele ‘historische feiten’ en een pleidooi voor een objectief onderzoek door de Verenigde Naties.

Vrijwel alle partijen die deelnemen aan dit brisante debat erkennen de massale sterfte van vele duizenden Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verschillende posities in deze discussie ontstaan echter wanneer de betrokken partijen de volgende vraag met een ja of nee moeten beantwoorden: “gaf de Ottomaanse overheid de opdracht om de Armeniërs in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen?” Indien dit het geval is dan definieert de VN dit als een genocide. Volgens Ates-Snijdewind bestaan er echter geen overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat de Ottomanen hiertoe de opdracht gaven. De beslissing van het Nederlandse parlement is volgens haar dan ook gebaseerd op eenzijdige en onvoldoende informatie, maar de argumenten die Ates-Snijdewind gebruikt om haar betoog te ondersteunen zijn dat ook.

Ates-Snijdewind benadrukt ten eerste de historische context. In 1914 viel het Rusland van de Tsaar het Ottomaanse rijk aan, en bewapenden de Armeniërs zodat zij zich konden verzetten tegen dezelfde Ottomaanse overheid. De Armeniërs waren een vijfde colonne die de boel saboteerden. Dit is niet alleen onjuist, dit zogenaamde ‘feit’ heeft ook een ander gevolg. De Armeniërs worden hierdoor voorgesteld als een legitiem oorlogsdoelwit en de maatregel overplaatsing was dus gepast. Ates-Snijdewind erkent de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden, maar de slachtoffers worden voorgesteld als een soort collateral damage in een oorlog die voor iedereen verschrikkelijk was.

De directe relatie die wordt gelegd tussen de opstand en de deportaties is écht feitelijk onjuist. Wat klopt is dat Turkse bronnen inderdaad melding maken van een opstand, maar de herkomst van deze informatie verklaart een hoop. De inhoud van sommige bronnen is gewoon simpelweg verzonnen, andere zijn afkomstig van Armeniërs die na langdurige martelingen eindelijk ‘bekenden’, maar in sommige gevallen is het gewoon propaganda en in scene gezet om de maatregelen tegen de Armeniërs te kunnen rechtvaardigen.[1] Vooral dit laatste punt is niet onbelangrijk. De propaganda van toen wordt door sommige ‘historici’ tot op de dag van vandaag gebruikt om de deportaties te verklaren.

Ook de door Ates-Snijdewind aangehaalde historicus Justin McCarthy is van mening dat de deportaties het gevolg waren van de Armeense opstand die veroorzaakt was door de Russen, en van genocide was dan ook geen sprake. In zijn boek The Ottoman Peoples and the end of Empire licht hij zijn zienswijze op deze historische gebeurtenis uitgebreid toe. Maar ook het bronnengebruik van McCarthy is dubieus. Zijn analyse is gebaseerd op niet één bron![2]

Ook Ates-Snijdewind is bijzonder creatief in haar bronnengebruik. Volgens haar zijn er na de oorlog meerdere personen vervolgd vanwege hun rol in de verschrikkelijke deportaties, onder andere een gouverneur uit Midden Anatolië. Dit argument wordt vaker opgevoerd binnen dit debat, maar het is gebaseerd op een zeer gebrekkige interpretatie van het bronnenmateriaal.  Ates-Snijdewind doelt vermoedelijk op de processen tegen Aide Halil Bey en Sirozlu Cerkez Ahmed. Zij werden inderdaad vervolgd, maar niet vanwege hun gewelddadige optreden tegen de Armeniërs. Volgens Talaat Pasja was het gedrag van beide heren een serieus gevaar voor de vrede en stabiliteit in de regio. Per telegram heeft Pasja bevolen Bey en Ahmed te executeren, hun gruweldaden tegen de Armeniërs speelden hierin geen enkele rol.[3]

Ates-Snijdewind vervolgt haar betoog door er op te wijzen dat enkele belangrijke Armeense archieven niet te raadplegen zijn. Dit is juist, maar het vermelden hiervan is nogal suggestief. De toegang tot het Dasnak-archief in Boston en dat van het Armeense Patriarchaat in Jeruzalem is inderdaad vrijwel onmogelijk. Er is echter genoeg bronnenmateriaal toegankelijk om de gebeurtenissen van toen goed en betrouwbaar te reconstrueren. De bronnen bestaan uit verschillende documenten opgesteld door de verschillende partijen die bij dit conflict in de regio betrokken waren. Het gehele corpus bestaat onder andere uit notulen, brieven, manuscripten, rapporten, telegrammen, dagboeken, oral histories, foto’s en memoires, en zijn te raadplegen in archieven over de hele wereld. Onder andere in Moskou, Freiburg, Berlijn, Washington, Parijs en dat van de League of Nations in Geneve.[4]

Eén van deze bronnen is de correspondentie tussen Paul Wolff-Metternich, de toenmalige Duitse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk en de Duitse rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg. Vanwege het toenmalige bondgenootschap tussen het Duitse Keizerrijk en het Ottomaanse gelden deze bronnen als gezaghebbend. Het ontbreekt hierdoor aan anti-Turkse sentimenten en propaganda, ook had Wolff-Metternich toegang tot alle gebieden. Een ander belangrijk aspect is dat de Duitse militaire autoriteiten de noodzaak van waarheidsgetrouwe informatie in een oorlog benadrukten.[5] Wolff-Metternich beschrijft in meerdere gevallen de betrokkenheid van de Ottomaanse regering en haar ambtenaren. Maar hij benoemt ook enkele argumenten die de Ottomanen in de toekomst zullen gebruiken om zichzelf vrij te kunnen pleiten.[6]

Het besluitvormingsproces met betrekking tot de Armeense genocide is bijzonder complex. Overeenkomend met de Holocaust kan er geen document of exacte datum worden aangewezen waarop definitief een besluit werd genomen. De ongekende hoeveelheid literatuur die hierover is verschenen kan onmogelijk tot één alinea worden samengevat, maar een belangrijk gegeven is dat veel analyses worden ondersteund door middel van primair bronnenmateriaal afkomstig uit het bestuurlijke apparaat van het toenmalige Ottomaanse Rijk.[7] Ates-Snijdewind blijkt echter niet op de hoogte te zijn van de relevante literatuur over dit onderwerp.

Dit historisch debat wordt ondertussen overschaduwd door diplomatieke en politieke belangen en de morele weerzin van de Turken om deze zwarte bladzijden te erkennen. Al deze factoren beïnvloeden de geschiedenis als wetenschap en binnen dit spanningsveld is de waarheid één van de eerste slachtoffers. Met haar betoog presenteert Ates-Snijdewind zich als politiek activist, en rijst de vraag of zij zich wel door de waarheid kan laten overtuigen.


[1]Taner Akcam, De Armeense Genocide. Een reconstructie (Amsterdam 2006) 214-215.

[2]Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (New York 2001) 106-112.

[3]Taner Akcam, The Young Turks’ Crime against Humanity. The Armenian Genocide and Ethnic Gleansing in the Ottoman Empire (Princeton 2012) 395.

[4]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 21-22.

[5]Ibidem, 23.

[6]http://www.armenocide.de/armenocide/armgende.nsf/$$AllDocs-en/1916-01-31-DE-003?OpenDocument

[7]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 65. en Taner Akcam, A Shameful Act. The Armenian Genocide and the Question of Turkish responsibility (New York 2006)

Posted on

Noem wat Armeniërs overkwam niet te snel ‘genocide’

Niemand ontkent dat Armeniërs zeer geleden hebben onder gruwelijkheden in de jaren 1915-16. Toch heeft de recente keuze van het Nederlandse Parlement om vanaf nu te spreken over ‘Armeense genocide’ in plaats van ‘Armeense genocide kwestie’ mij verbaasd en teleurgesteld.

Voor een evenwichtige beoordeling van de vraag of er in die jaren al dan niet sprake is geweest van genocide is het nodig om van meerdere zijden de situatie te belichten. Genocide is een juridisch zeer zwaar woord waar niet licht mee mag worden omgegaan. Niet voor niets stemde de Israëlische regering eerder dit jaar nog tegen deze benaming.

Bij de afweging in ons Parlement is de historische context echter achterwege gebleven en is eenzijdig geluisterd naar Armeense organisaties. Turkse organisaties waren niet uitgenodigd voor de extra Commissie Buitenland.
Ten aanzien van de gebeurtenissen in Oost-Anatolië in 1915 is de rol van Armeniërs zelf, evenals de rol van Engeland, Frankrijk en Rusland (de grote imperialisten uit die tijd) buiten beschouwing gelaten.
De keuze van ons parlement is daardoor gestoeld op eenzijdige en onvoldoende informatie en valt feitelijk moeilijk serieus te nemen.

Historische context

De overplaatsingen van Armeniërs door het Osmaanse Rijk kwamen niet uit de lucht vallen. Het Osmaanse Rijk werd van diverse zijden aangevallen omdat het onder de sultan ernstig verzwakt was geraakt. In het Oosten viel Rusland het rijk aan rond het begin van WOI. De Russen bewapenden Armeniërs en zetten hen op tegen de Osmaanse overheid. Armeense milities werden gevormd, gekleed in Russische uniformen. Zij plunderden dorpen, brandden deze plat en verkrachtten en vermoordden vrouwen. Ook kinderen werden gedood. Armeniërs, die niet wilden meewerken, werden zelf slachtoffer. Communicatie- en transportlijnen van de Osmaanse regering naar dit front werden door Armeniërs gesaboteerd.

Hierop is besloten de Armeense bevolking uit dit gebied over te plaatsen naar andere delen van het rijk. In die tijd hebben er ook zeer ernstige gewelddadigheden tegen de Armeniërs plaatsgevonden.
De transporten kennen veel dramatische gevolgen. Na de oorlog zijn er processen geweest waarna o.a. de gouverneur uit Midden Anatolië is opgehangen wegens nalatigheid en het onvoldoende hulp en bescherming bieden aan de Armeniërs.

Archieven openen

Tot nu toe zijn er geen bewijzen gevonden in de geopende Osmaanse- en wereldwijde archieven, dat er opdracht zou zijn gegeven om het Armeense volk uit te roeien. En tot nu toe mogen internationale wetenschappers niet de belangrijkste Armeense archieven inzien en bestuderen.
De Armeense archieven die geopend dienen te worden, en liefst zo spoedig mogelijk i.v.m. het achteruitgaan van de kwaliteit van sommige ervan, zijn:

  • Het Nationale Staatsarchief van Armenië (niet te verwarren met het Armeense museumarchief met persoonlijke verhalen van/over slachtoffers, waar Armeniërs in Nederland op wijzen en waar bv. ook bij de film de Bloedbroeders gebruik van is gemaakt.)
  • de Dashnak Archieven in Boston en
  • het archief van de Armeense Patriarch in Jeruzalem.

Nog enkele ontbrekende feiten

  • Op internet is vrijwel alleen pro-Armeense informatie te vinden.
  • Boeken van K.S. Papazian: ‘Patriotism Perverted’ en van Hovhannes Kajaznouni: ‘The ARF Has Nothing To Do Anymore’ zijn uit bijv. Amerikaanse bibliotheken verwijderd en vernietigd.
  • Tientallen, wereldwijd verspreide historici van universiteiten als Yale, Princeton, Harvard, Oxford en Cambridge zijn van mening dat de term ‘genocide’ niet toepasbaar is bij de gebeurtenissen in 1915. O.a. Gwynne Dyer, Norman Stone, Bertil Dunér, Jeremy Salt, Gilles Veinstein, Andrew Mango, Justin McCarthy, Malcolm Yapp en vele anderen;
  • Veel jonge Turken hebben deels Armeense wortels, door vroegere huwelijken tussen Armeniërs en Turken en zoeken de volledige waarheid;
  • In het Turkije van nu gaan Turken en Armeniërs veelal als goede buren met elkaar om;
  • Er hebben zich de laatste jaren meer dan 100.000 Armeense gastarbeiders in Turkije gevestigd.

Internationaal Strafhof
Om op een verantwoorde wijze te kunnen beoordelen wat zich nu precies heeft afgespeeld in het noordoostelijk deel van het Osmaanse Rijk, meer dan een eeuw geleden, en of de juridische term ‘genocide’ hierbij van toepassing is, dient er een commissie te worden ingesteld door de VN, die bestaat uit internationale, objectieve, wetenschappelijke onderzoekers en onbevooroordeelde historici, die alle archieven over deze periode in het Osmaanse Rijk kunnen bestuderen, waarna het Internationaal Strafhof een oordeel velt over de bevindingen. Pas dan kan er met recht gesproken worden van een verantwoord oordeel.

Volledige waarheid
Zolang een deel van wat er heeft plaats gevonden niet gekend, laat staan erkend wordt, zal blijven wringen dat de herinnering van velen ontkend wordt.

Zoeken naar de volledige waarheid is voor iedereen een uiterst moeilijke weg, maar tevens de enige mogelijkheid om te kunnen komen tot een duurzame verwerking. Daarvoor is nodig dat recht wordt gedaan aan íedereen die wonden heeft door leed, dat meer dan honderd jaar geleden is veroorzaakt. Wanneer recht wordt gedaan kan een klimaat ontstaan waarbinnen vergeving mogelijk is en waar rust en vrede kan komen.

Posted on 1 Comment

“Overheid is grootste producent nepnieuws”

Cees Hamelink

Cees Hamelink, emeritus hoogleraar internationale communicatie, vindt dat overheden en journalisten de hand in eigen boezem moeten steken, in plaats van anderen te beschuldigen van nepnieuws. En mediaconsumenten moeten zich kritischer opstellen.

U adviseert geen NOS Journaal meer te kijken. Waarom niet?

“Als je het NOS Journaal kijkt om te weten wat er in de wereld gebeurt, dan is het zonde van je tijd. Er zijn tegenwoordig zoveel alternatieve bronnen, die veel informatiever zijn. Zoals de website Other News van Roberto Savio, de voormalige baas van Inter Press Service (IPS). Hij attendeert op interessante artikelen uit de wereldpers, en schrijft ook zelf prachtige analyses. Dan kun je beter dagelijks één zo’n artikel lezen, dan naar het NOS Journaal kijken. Het biedt je meer greep op de werkelijkheid en het blijft ook beter hangen. We deden vroeger wel onderzoek naar wat mensen opsteken van het NOS Journaal. We vroegen dan: “Wat herinnert u zich te hebben gezien?” Het enige wat  mensen zich dan vaak bleken te herinneren was het weerbericht.

Jaren gelden had je de Slow Food beweging. Ik ben zelf betrokken geweest bij de Slow Science beweging. Die bewegingen zijn allemaal voortgekomen uit de gedachte dat wij allemaal zo hard rennen, dat we niet meer zien wat we doen. De druk op de snelheid van het nieuws is enorm toegenomen, en daarmee het aantal fouten dat gemaakt wordt. De vraag ‘klopt het wel?’ schiet er bij in.”

Naast u op de bank ligt een exemplaar van de Volkskrant. U ontraadt de mensen niet de krant te lezen?

“Je kunt beter de krant lezen dan naar het NOS Journaal kijken. Journaals selecteren het nieuws op de beschikbaarheid van bewegende beelden. Dat beperkt de manier waarop je met de werkelijkheid omgaat. Kranten hebben dat probleem niet. En daarnaast bieden ze meer context en diepgang. Van de andere kant: kranten, en met name de Volkskrant, zijn erg opiniërend geworden. De mening van journalisten interesseert mij niet wezenlijk. Ik zie liever dat ze nauwkeurig beschrijven wat er gaande is.

Later op de dag worden ook nog het NRC en Het Parool bij mij bezorgd. En één maal wekelijks komt er een aantal buitenlandse kranten binnen, en veel tijdschriften. Je kunt je rijk rekenen met het idee dat je goed op de hoogte bent als je maar genoeg kranten in huis haalt. Maar dat is misschien wel een illusie. De kranten die in de middag komen zijn niet zo heel veel anders dan de Volkskrant. Ze behandelen dezelfde thema’s en hanteren dezelfde invalshoeken. Vaak weinig kritisch en afstandelijk.”

Van uw hand verscheen in 2006 het boek Regeert de leugen? Die titel was gebaseerd op een uitspraak van de toenmalige koningin Beatrix, die daarmee haar ongenoegen kenbaar maakte over het functioneren van de pers in Nederland. Is het voor u een vraag of een weet, dat de leugen regeert?

“Ik had het boek willen noemen De leugen regeert. Maar dat mocht niet van de VARA. Deze ooit socialistische omroep bleek de woordencombinatie ‘De leugen regeert’ als merk te hebben gedeponeerd bij het Benelux-merkenbureau en zich deze dus eigenlijk particulier te hebben toegeëigend.

Maar bij nader inzien bleek de vragende vorm van de formulering toch een betere titel voor het boek. De uitspraak van de koningin veronderstelt dat de media de grote leugenaars zijn. Dat is niet helemaal waar. Zelf liegen doen ze meestal niet. Wat journalisten vooral doen is het verspreiden van de leugens van anderen, met name van overheden. Dat zijn altijd de grootste leugenaars geweest, de grootste producenten van wat we nu nepnieuws noemen. Op zijn minst kun je dus zeggen dat de media medeplichtig zijn aan het verspreiden van nepnieuws. Zie de oorlogen uit het recente verleden, in Srebrenica, Kosovo, Irak, Libië, en nu ook in Syrië en Oekraïne. De journalisten waren of zijn daar zelf niet de grote leugenaars. Dat zijn de spin doctors en pr-professionals van overheden, inlichtingendiensten en andere instanties. Zij creëren ware, maar ook veel onware verhalen over genocide, systematische verkrachtingen en andere gruwelijkheden. Journalisten verspreiden die verhalen, vaak zonder die op feitelijkheid te toetsen.

De media gaan veel te gemakkelijk mee met de vijandbeelden die de politiek hanteert. Er is altijd wel een ‘monster’ in de aanbieding. Naarmate de vijand gevaarlijker wordt afgeschilderd, neemt de bereidheid toe onder de bevolking om ten strijde te trekken.

De gebruikelijke procedure is dat journalisten politici napraten en vervolgens elkaar weer napraten. We horen politieke journalistiek vaak meer over wat een politicus vindt, meent en ervaart, dan over politieke feiten en hun achtergronden.

Het probleem is: de grote leugenaars zijn nieuws, ook al hebben zij niks nieuws te vertellen. Zij krijgen steeds weer een ruim podium. Zij hebben een oneindig groter bereik dan hun critici. Alles wat Donald Trump roept is nieuws. Ongeacht of het waar is wat hij zegt. Het gaat de hele wereld over. Vergelijk dat met het bereik van een intellectueel als Noam Chomsky of een kritische journaliste als Amy Goodman van Democray Now. Hun analyses kunnen nog zo goed zijn, de aandacht die zij krijgen valt in het niets bij die van de Amerikaanse president.”

In plaats van de schuld te zoeken bij zichzelf hebben de politiek en media de aanval geopend op alternatieve websites die nepnieuws zouden verspreiden. Schuilt daarin een gevaar?

“Het bestrijden van nepnieuws door overheden zie ik als een groter kwaad dan het bestaan van nepnieuws. Overheden hebben altijd geprobeerd elke vorm van nieuws te manipuleren, te beïnvloeden. Ze kunnen dus het argument van nepnieuws gebruiken om nieuws te bestrijden dat helemaal niet nep is.

Het sluiten van kranten of platleggen van websites zal niet snel gebeuren bij ons in het Westen. In een land als de VS bijvoorbeeld is dat heel lastig met het Eerste Amendement. Maar toch beschikken overheden over veel manieren om journalisten onder druk te zetten. Ik herinner mij dat in de jaren zeventig journalisten die lastige vragen stelden op persconferenties in het Witte Huis hiervoor ‘gestraft’ werden door de Belastingdienst op ze af te sturen. Er waren journalisten die hierdoor in de problemen kwamen. Want als je heel strikt naar de belastingaangifte van mensen gaat kijken, dan vind je altijd wel wat.

Het wordt een linke aangelegenheid als overheden een zekere steun krijgen voor het ingrijpen in de publieke nieuwsvoorziening, want dat loopt geheid uit op censuur. En dat is een groot kwaad.”

Het zijn vooral de Russen die ervan beschuldigd worden nepnieuws te verspreiden. De EU, en landen als de VS en Nederland financieren organisaties die Russische propaganda moeten ontzenuwen, en die Russischtaligen moeten voorzien van degelijke informatie. Wat vindt u daarvan?

“Het doet erg denken aan de Koude Oorlog. De Sovjets hadden een departement van Desinformatie. De Amerikanen hebben nooit willen toegeven dat ze ook zoiets hadden. Die spraken liever van ‘democratische informatie’ en ‘vrije informatie’. Maar die radiostations van de Amerikanen, Voice of America en Radio Liberty, die trouwens nooit opgehouden zijn te bestaan, waren geen haar beter. Dus de Russische vertekening van het nieuws werd dan tegengegaan door vormen van informatie die evenzeer onevenwichtig waren.

Belastinggeld naar ‘fact checking’ organisaties en zogenaamde onafhankelijke media is weggegooid geld. Er wordt vanuit gegaan dat die fact checkers buitengewoon betrouwbare journalisten zijn, en die onafhankelijke journalisten onafhankelijk. Maar wie bepaalt dat? De overheden door wie ze betaald worden?

Ik ben daar niet voor. Als het heel duidelijk is dat nieuws nep is, dan is het goed om het aan de kaak te stellen. Dus bijvoorbeeld in het geval er gemeld wordt dat er twee miljoen mensen hebben gedemonstreerd, terwijl uit foto’s blijkt dat het er niet meer dan 50.000 geweest kunnen zijn. Dan is het goed dat te laten zien. Maar als het ingewikkelder zit, zoals in het geval van het conflict in Oekraïne. Hoe moet je dan de contraire visies van Rusland en de VS op feiten controleren? Dat is toch bijna onmogelijk?

Je kunt je sowieso afvragen of het zin heeft, dat factchecking. Als je bijvoorbeeld kijkt naar Wilders of Le Pen. Die spreken een deel van de bevolking aan dat zich een bepaald beeld heeft gevormd van de werkelijkheid. Dan kun je praten tot je blauw in je gezicht ziet, maar je bereikt er niks mee. De Poolse socioloog Zygmunt Bauman zei: ‘Mensen zoeken naar comfortzones. Sociale media zijn geen communicatiemiddelen, het zijn middelen om voor jezelf een plekje te vinden dat goed voelt, een club waar je bij wilt horen.’ Als ik dus die Wilders wel een aardige man vind en mij goed voel bij zijn aanhangers, dan kun jij als fact checker nog zo goed aantonen dat het van geen kant deugt, maar dat maakt dan niks uit. Dan ben en blijf ik een fan van Wilders en zijn club.”

Hoe zou het nepnieuws dan moeten worden tegengegaan?

“Het publiek speelt een belangrijke rol in de bedrieglijkheid van de media. Als mensen de waarheid liever niet willen horen of zien, maakt een leugen meer of minder niet zoveel uit. De mediaconsument die vooral hapklare brokken informatie en vermaak wil hebben, die tevreden is met brood en spelen en die niet wil weten hoe de wereld werkelijk in elkaar steekt, roept de leugens over zich af. Het begint met mensen die ’s ochtends de krant op de mat krijgen, en gemakshalve aannemen: Het zal wel waar wezen. Dan kun je die krant net zo goed niet lezen.

We hadden ooit een prachtig project in Nederland, Krant in de klas, dat kinderen leerde de krant kritisch te lezen. Ik pleit er voor dat project nieuw leven in te blazen, en in een nieuw jasje te steken, want in deze tijd uiteraard ook met alle aandacht voor internet. Het zou een vak moeten zijn op elke basisschool. Want als je kiest voor een open, democratische samenleving, waarin mensen deelnemen aan het maatschappelijk debat, dan moeten ze goed geïnformeerd zijn, weten hoe de media werken en leren om een opinie te vormen. Zodat je bijvoorbeeld, als je vandaag in de Volkskrant een artikel leest met de kop ”Zo raakt Poetin zijn tegenstanders kwijt’, zelfstandig tot de conclusie komt ‘Nou, dat verhaal over Poetin, ik weet niet of ik dat moet geloven’.”

Journalisten nemen iedereen de maat, inclusief websites die nepnieuws zouden verspreiden. Maar wie controleert de journalisten? U zou geen voorstander zou zijn van een factchecker die de mainstream media controleert?

“De aloude vraag is: Wie bewaakt de bewakers? Dat factchecking kan zo’n enorme industrie worden, dat je vervolgens weer een controlemechanisme nodig hebt op de factchekers. Je vertrekt ook vanuit een geweldige aanmatiging. Jij publiceert een verhaal, en ik denk: ‘Het deugt niet.’ En dan ga ik na of het deugt. Daar kan ik dan een heel ander verhaal tegenoverstellen. Maar is het dan zeker dat de gegevens waar ik mijn verhaal op baseer wel kloppen?

Alles staat of valt uiteindelijk bij de instelling van de afnemers van het nieuws. Zonder kritische burgers, geen kwaliteitsjournalistiek.”

Een kritische burger, Max van der Werff, heeft in Oekraïne het artikel nagetrokken van AD en Correct!v over de BUK-installatie die MH17 zou hebben neergehaald. Het bleek dat tenminste één van de door de krant opgevoerde getuigen nooit geïnterviewd is. Van der Werff heeft dit aangekaart bij het AD, maar heeft geen enkele respons gekregen. Laat staan een rectificatie.

“Je bent verplicht zoiets te melden aan je lezers. Een krant die dit nalaat is dus een slecht journalistiek product.”

U bent zelf ook nog het slachtoffer geworden van nepnieuws. U zou een brief hebben medeondertekend aan Vladimir Poetin.

“Dat was een brief waarin een groep goedwillende Nederlanders excuses aanbood aan Poetin voor de manier waarop de Nederlandse media de berichtgeving hebben vertekend over MH17. Onder die brief stond een voetnoot naar een college dat ik had gegeven met de titel Waarom moet je niet geloven wat in de krant staat? Andere organisaties en websites die de brief overnamen, maakten uit die voetnoot op dat ik de brief had medeondertekend. En dus namen ze dat in de brief op. En zo werd de brief ook steeds leuker, want in steeds meer talen vertaald, en ook amicaler. In de laatste versie die ik zag, spreek ik Poetin aan met ‘Dear Vladimir… Best wishes Cees.’

Het was het NOS Journaal dat mij op de hoogte bracht van het bestaan van de brief, toen ze mij opbelden met de mededeling: “We willen graag vanavond om acht uur het nieuws met u openen”. De brief heeft mij wereldberoemd gemaakt, want ik werd gebeld door Associated Press, Izvestia, Russia Today en tal van andere buitenlandse media. Ik kreeg ook honderden reacties van mensen die het heerlijk vonden dat de media eindelijk eens op hun vestje waren gespuugd. Daar zaten de meest wonderlijke reacties tussen: “All of Croatia stands behind you”. En: “U bent een held in Hongarije”. De brief ging zozeer een eigen leven leiden dat toen ik ontkende de afzender te zijn geweest, er bloggers waren die schreven: “Nou weten we het zeker, want omdat hij het ontkent heeft hij het dus gedaan”. En uiteindelijk zit ik in mijn favoriete jazz-café, en de eigenaar brengt mij zijn beste fles wijn, en hij zegt: “Deze fles schenk ik je vanwege die moedige brief van je aan de Russische president.”

U lobbyt bij de Verenigde Naties (VN) voor een ‘Media Alert System‘, dat de VN in actie moet brengen als media oproepen tot genocide. Zouden we ook niet zoiets moeten hebben voor media die het publiek opwarmen voor een oorlog, door de leider van een land te demoniseren?

“Oproepen tot haat zijn ingewikkelder om aan te pakken dan het oproepen tot geweld of discriminatie. Want haat is op zichzelf geen strafbaar feit. Ik mag mij volledig vrij voelen mijn buurman te haten. Het is niet fatsoenlijk, maar het is meer een moreel dan een juridisch probleem.

Om te bewijzen dat die haat leidt tot geweld is een ingewikkelde route, en het lukt ook bijna nooit bij rechtbanken. Dus heb ik gezegd: Laten we ons concentreren op iets waar we niet over van mening kunnen verschillen. Al sinds 1947 is, naar aanleiding van het proces van Neurenberg, in het internationale recht vastgelegd dat iedereen die aanzet tot genocide strafbaar is. En eigenlijk is dat vaak al ingewikkeld genoeg om te bewijzen. In Rwanda waren de uitspraken heel duidelijk: “Er zitten nog een paar Tutsi’s in een kerk buiten Kigali, laten we ze de hersens inslaan.” Maar na verloop van tijd begonnen ze door te krijgen dat ze het beter voorzichtiger konden aanpakken. Dan werd op radio Mille Collines gezegd: “Laten we vandaag aan het werk gaan.”

In de aanloop naar genocide kun je vier fasen onderscheiden. Het begint met onrust en agressie, die al dan niet bewust gecreëerd wordt. Vervolgens wijs je een groep aan die hiervoor verantwoordelijk zou zijn. Vervolgens ga je die groep dehumaniseren; je toont aan dat ze tot een ander moreel universum behoren. Ten slotte roep je op tot afslachten, vaak met de rechtvaardiging dat het uit zelfverdediging is, omdat als jij het niet doet, zij het zullen doen bij jou.

Eind vorig jaar gaf ik hierover een college op de Universiteit van Amsterdam. Ik vroeg de studenten in welke fase zij dachten dat we inmiddels in Nederland zijn aangekomen. De meerderheid van de studenten zei: We zitten in fase 3. Dat denk ik ook. En wereldwijd is dat ook wel heel duidelijk.”

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de spanningen met Rusland.

“Het zou het een zegen zijn als Trump het goed kan vinden met Poetin. De toekomst van de wereld hangt op korte termijn heel erg af van de verstandhouding tussen de Amerikaanse en Russische president. Obama heeft er alles aan gedaan Poetin zover mogelijk te isoleren en te beledigen. Terwijl je natuurlijk voorzichtig moet omgaan met een klein mannetje met nucleaire wapens. Daarom had ik ook mijn bedenkingen bij Hillary Clinton, want zij is een militaire interventionist. Ik denk niet dat zij goed met Poetin overweg had gekund. Trump is net zo’n straatvechter als Poetin. Ik denk dat ze dat in elkaar herkennen.”

Volgens uw jongere vakgenoot Tabe Bergman, die heeft aangetoond dat het propagandamodel van Noam Chomsky ook op de Nederlandse pers van toepassing is, bent u de enige van uw generatie communicatiewetenschappers die zich nog op een kritische manier met de media bezighoudt.

“Van kritisch wetenschappelijk onderzoek naar de rol van de media in de samenleving is bijna niks meer over. De generatie die zich daarmee heeft beziggehouden, begint langzaam uit te sterven, en ik zie geen jongere generatie die dit overneemt. Dat komt doordat de academische vrijheid de afgelopen decennia enorm is ingeperkt. Als je in deze tijd tot een vakgroep behoort en de hoogleraar geeft aan dat hij graag wil dat bepaalde thema’s onderzocht worden, dan is het onverstandig om te zeggen dat je liever iets anders onderzoekt. Tenzij je een buitenpromovendus bent, maar dan moet je alles uit eigen zak betalen.

De enigen die nog hardop kunnen praten over wat er mis is met de media in de samenleving zijn de mensen van mijn generatie voor zover ze er nog zijn, want voor ons maakt het niks meer uit. We kunnen niet worden ontslagen, we hebben geen mooie promoties meer nodig, of mooie prijzen, die staan allemaal al in de kast. Maar het is waar. Ik zie helaas weinig leeftijdsgenoten die zich nog kritisch uitspreken.”

Posted on

Nederland tekent eigen doodsvonnis door negeren slachting christenen in Midden-Oosten

Terwijl in het Midden-Oosten niet alleen messen maar ook zwaarden worden geslepen heeft Nederland met het verwerpen van de motie voor VN onderzoek naar de massale slachtingen op christenen haar eigen doodvonnis getekend. Want met het internationaal blijven ontkennen van deze nieuwe genocide snijdt Nederland in haar eigen vrije vingers.

Daar waar ISIS het kalifaat heeft uitgeroepen is het niet meer veilig voor andersdenkenden. Voor christenen is de dreiging nog groter. Christenen worden namelijk vermoord. Dat is geen gerucht meer, dat zijn keiharde feiten en het kabinet lijkt het nog steeds te willen ontkennen.

Het kalifaat is niet genoeg voor ISIS en evenmin voor ISIS-sympathisanten in Nederland. Het moet groter, beter, gruwelijker en voornamelijk: gevaarlijk voor alle verworven vrijheden die wij hebben in het westen. Sympathisanten willen een islamofascistische staat. Alleen hun volk, hun religie, hun denkwijze en hun wetten. Het sluiten van de ogen voor dit enorme gevaar is het eigen doodsvonnis.

In Nederland beginnen de eerste anti-ISIS demonstraties eindelijk vorm te krijgen. In de Kamer blijkt dit geluid alleen nog maar via een paar Kamerleden te horen. Waaronder CDA-Kamerlid Omtzigt, die onlangs een vlammende speech hield over de gevaren van deze vorm van moslimsextremisme.

[note color=”#F4FDFF”] Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden met een internationale focus: Volg Novini!

[/note]

Niet alleen in het Midden-Oosten is de sfeer grimmig. Ook vanuit een ander islamitisch land begint de dreiging naar het christendom alleen maar toe te nemen. Afgelopen week alleen al viel Azerbeidzjan – u weet wel, dat land dat een groot gebied waar een Armeense enclave woont gewoon opeist – Armeense dorpen in het grensgebied aan. Ook dit geweld moet worden afgekeurd maar komt helaas niet aanbod in de Kamer.

Er moet een onderzoek komen naar de massale afslachting van christenen in Irak en Syrië. Er moet internationaal worden opgetreden tegen het toenemende geweld in de Kaukasus. Er moet internationaal worden opgetreden tegen dit geweld. Er moet internationaal worden opgetreden tegen elke vorm van buitensporig geweldig en terrorisme. Dat is namelijk geen kwestie van elkaar een andere mening gunnen, maar het trekken van een ethische grens: vrijheid moet voor iedereen vanzelfsprekend zijn en veiligheid moet niet een wens zijn maar een zekerheid. En pas als Nederland die ethische grens durft te trekken, dan kan men in Nederland ook in die zekerheid leven.

Andrei Vreeling is oprichter van het Nederlands Comité van Verenigde Christenen, een organisatie die aandacht vraagt voor de pijnlijke situatie waar christenen in het Midden-Oosten en Afrika in leven

Posted on Leave a comment

Athene moet moskee bouwen van EU

Onder druk van de Europese Unie wordt het bankroete Griekenland nu gedwongen om haar eerste moskee te bouwen in Athene. Terwijl er zich in het Midden-Oosten een langzame maar zekere genocide voltrekt op de inheemse christelijke bevolking, acht de EU het noodzakelijk om haar lidstaten aan te manen grote moskeeën te bouwen in hun hoofdsteden. 

De Janitsarenmoskee op Kreta, gebouwd tijdens de Turkse bezetting.
De Janitsarenmoskee op Kreta, gebouwd tijdens de Turkse bezetting.

Het is begrijpelijk dat Griekenland de inmenging van aartsvijand Turkije afwijst bij de bouw van de moskee. Het is dan wel de Griekse regering die instaat voor de financiering van dit bouwproject.

Dat Europa een schoothondje is geworden van de olieproducerende Golfstaten, hebben we gezien toen de voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, zich aan de zijde van twee Arabische parlementairen verontschuldigde voor een amateuristisch anti-islamfilmpje, dat in Amerika op internet was geplaatst: ”We zijn het erover eens dat dit soort godslasterlijke films veroordeeld moet worden. Ik veroordeel ten sterkste niet alleen de inhoud, maar ook de verspreiding van zo’n film, die enorm vernederend is voor veel mensen over de hele wereld.”

Het ware beter dat Europa een voorbeeld nam aan Paus Benedictus XVI, die ijvert voor een relatie met moslims die gebaseerd is op wederkerigheid:

Maar het sterkste motief is misschien wel de teleurstelling over de wederkerigheid. Een bekend voorbeeld: terwijl de Saoediërs in 1995 miljoenen dollars hebben bijgedragen tot de bouw van de grootste moskee van Europa in Rome, mogen christenen geen kerken bouwen in Saoedi-Arabië. Als geestelijken in Saoedi-Arabië het terrein van oliebedrijven of ambassades verlaten, lopen zij gevaar te worden lastiggevallen door de religieuze politie. De bisschop van die regio heeft onlangs gezegd dat de situatie hem doet denken aan de catacomben.

Posted on 2 Comments

Midden-Oosters christendom onder druk

In december 2010 ontstond er een golf van straatprotesten in de Arabische wereld op initiatief van jonge mensen die protesteerden tegen dictaturen, corruptie en werkeloosheid. Ze slaagden er in dictators om ver te werpen, die hun landen decennia lang geregeerd hadden, mensen werden vrijer dan voorheen, verbannen leiders kwamen weer terug en hadden de mogelijkheid deel te nemen aan verkiezingen. Maar de kunstmatige conflicten onder de bevolking die gecreëerd waren door de oude regimes bleven aanwezig en zullen nog wel enige tijd aanwezig blijven.

Een voorbeeld: Op 9 oktober vorig jaar, gingen honderden koptische christenen de straat op om te protesteren tegen de vernieling van een kerk in Zuid-Egypte. De kerk van de Marinab had alle vergunningen van lokale overheden sinds de jaren dertig van de vorige eeuw, maar de autoriteiten stelden dat deze niet geldig waren en begonnen de sloop. Er zijn 53 andere kerken die door de autoriteiten gesloten zijn en niet gebruikt kunnen worden. De christelijke minderheid ziet dit als een aanval op zijn identiteit en als een teken van een gebrek aan vrijheid net als in de tijd voor de revolutie.

Een mars werd georganiseerd van Shubra naar het hoofdkwartier van de staatstelevisie in Masbero. Het leger gebruikte militaire voertuigen om de mars tot stilstand te brengen en reed door het publiek heen, waarbij in slechts enkele uren 29 burgers gedood werden en 232 gewond raakten. De officiële toedracht wil dat de demonstranten machinegeweren gehad zouden hebben en 3 soldaten gedood zouden hebben. Er volgden geen arresten onder de militairen, maar wel onder de organisatoren van de mars. Deze zaak laat duidelijkheid de wreedheid zien van de militairen die het land besturen en hun vijandigheid tegenover de christelijke minderheid. De Egyptische media stelden echter dat de kopten als enigen verantwoordelijk waren voor wat er was gebeurd. Er waren diverse linkse en gematigd islamitische partijen en organisaties die de gebeurtenissen veroordeelden, maar er was niet genoeg druk om de machthebbers te dwingen de echte verantwoordelijken voor de geweldsescalatie ter verantwoording te roepen.

Dit is één van de bloedigste repressies tegen christenen in decennia, er zijn nog veel meer misdaden begaan tegen de koptische minderheid (Kosheh 2000, Nag Hammadi 2010, Imbaba 2011), maar slechts in een paar zaken werden de daders voor het gerecht gebracht. In Kosheh werden 21 mensen gedood (de jongste martelaar was slechts 11 jaar oud). Naar aanleiding hiervan werden 93 mensen gearresteerd, deze werden na 11 maanden allemaal vrijgelaten behalve één, die per abuis een moslim had gedood, hij kreeg een gevangenisstraf van 13 jaar. Om je een idee te geven van de omvang van deze rellen, in 48 uur werden 4500 winkels en huizen geplunderd, de politie had zich terug getrokken uit de stad gedurende die periode en een zeer groot percentage van de slachtoffers was christelijk. Men beweert wel dat veel van de betrokken criminelen tegenwoordig dienen als militair in de regio Sohag.

Een aanval op een klooster, de ontvoering van een christelijk meisje om haar te dwingen met een moslim te trouwen, de afbranding van een kerk of het huis of de winkel van een christen, opstootjes door lokale bendes gericht tegen winkels en auto’s van christenen, het zijn wekelijkse gebeurtenissen in de Egyptische media en bronnen van conflict tussen radicale moslims en christenen. Deze trend omvat islamisering en radicalisering op diverse sociale niveaus, weerstand van christenen tegen duidelijke verschijnselen van islamisering en de betrokkenheid van het regime in het aanwakkeren van animositeit tussen verschillende religieuze groepen.

Ik schrijf dit alles omdat een christelijke beschaving in het Midden-Oosten bedreigd wordt. Een kerk die is gesticht door de evangelist Marcus, die tenminste 1950 jaar oud is, wereldwijd 12 miljoen leden telt, 2500 kerken en kloosters, is in gevaar, zeker nu islamisten na de verkiezingen een absolute meerderheid hebben gekregen in de Algemene Vergadering (extremistische islamisten van Al-Nur hebben meer dan een kwart van de stemmen gekregen).

Ik vraag me dikwijls af wat kan ik, wat kunnen wij als christenen, doen om te helpen? Hoe kunnen we mensen attenderen op wat hier gebeurt? Hoe kunnen we een massale christelijke uittocht voorkomen? Wat is een effectieve reactie wanneer we nieuws horen dat er opnieuw een kerk is afgebrand? Welke plannen kunnen we voorstellen om hen te helpen? Bij wie en waar zullen we protesteren om een einde te maken aan het bloedvergieten? We moeten over deze vragen nadenken en handelen.

De hierboven besproken zaken hebben betrekking op Egypte, maar wat van Irak? Meer dan de helft van de Irakese christenen in zijn huis ontvlucht uit angst voor moord en ontvoering, 500 à 1000 zeer oude kerken zijn afgebrand en Amerikaanse troepen hebben geen vinger uitgestoken om dit te voorkomen.

En wat zal er gebeuren als het regime van Assad in Syrië valt? Nagenoeg alle ‘vrijheidsstrijders’ zijn radicale soennieten uit Syrië en het Arabisch schiereiland.

En wat te denken van Turkije? De regering weigert nog altijd de Armeense genocide te erkennen, die gepleegd werd door Turkse soldaten. Recente christelijke bekeerlingen worden lastig gevallen, velen brengen jaren in de gevangenis door op grond van valse beschuldigingen.

En wat van Iran? Het is nog altijd onzeker of Youssef Nadarkhani (die zich bekeerde van de islam tot het christendom) nog in leven is, hij werd overgebracht naar een gevangenis en veroordeeld tot dood door ophanging.

En Saoedi-Arabië? Het hebben van een Bijbel of een christelijk boek wordt daar al als een misdaad beschouwd.

Of Pakistan.. Asia Bibi, beschuldigd van godslastering omdat ze zich niet tot de islam wilde bekeren, verkeert na 2 jaar nog altijd in gevangenschap.

Sinds de start van de burgeroorlog in Libanon, die de christenen verloren, neemt het christendom in het Midden-Oosten af. De wortels van onze godsdienst, het voortbestaan van de eerste christelijke naties in de geschiedenis, zijn in gevaar. Dit is geen unieke situatie, ook voor de Kruistochten werden ze al verdrukt en onder het Ottomaans-Turkse bewind, maar ze hebben deze perioden overleefd en ik hoop dat ze ook de komende decennia en eeuwen zullen doorstaan.

Maar onze taak is om aandacht te blijven vragen voor hun zaak en hen te helpen om in hun thuisland te kunnen blijven in vrede en met waardigheid. 50.000 Syrische christenen werden door de al Faruq brigade uit hun huizen in Homs verdreven in de afgelopen 4 weken, zij zullen Pasen in angst doorbrengen. Het is dus tijd om in actie te komen.

Ik wens jullie een gezegend Pasen,

Joseph Y.F. Potter