Posted on

Vietnam wil compensatie van Monsanto voor Agent Orange

Het Vietnamese ministerie van Buitenlandse Zaken eist van het landbouwconcern Monsanto en diverse andere bedrijven compensatie voor de slachtoffers van het chemische ontbladeringsmiddel Agent Orange.

Tijdens de Vietnamoorlog hebben de Amerikaanse strijdkrachten Agent Orange met vliegtuigen over grote gebieden in Vietnam en Laos gesproeid. Doel was het ontbladeren van bossen om de vijandelijke strijders van het Nationale Front voor de Bevrijding van Zuid-Vietnam (b.b.a. Vietcong) de beschutting van het oerwoud te ontnemen, maar ook het vernielen van de oogst op de velden. Agent Orange bevatte onder andere het zeer giftige dioxine.

Een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Hanoi haalde in een verklaring een onlangs in de Verenigde Staten geveld vonnis aan. Een Californische rechtbank had daarin Monsanto ertoe verplicht een schooltuinman 289 miljoen dollar compensatie te betalen. De klager had een zaak aangespannen omdat een door Monsanto gefabriceerde herbicide kanker bij hem had verwekt. Of het oordeel ook in hoger beroep standhoudt is nog af te wachten.

Volgens de BBC bestaan er echter alleen al in de VS nog 5.000 van dergelijke aanklachten tegen Monsanto, dat sinds enkele maanden een dochterbedrijf is van de Duitse chemie- en farmaceuticagigant Bayer is. De koop van Monsanto door Bayer voor 63 miljard dollar is de tot nu toe grootste overname door een Duits bedrijf in het buitenland. Na het oordeel van de Californische rechtbank duikelde de koers van het aandeel Bayer al.

Als het daadwerkelijk tot een eis om compensatie vanuit Vietnam komt, dan zou echter ook nog een ander Duits bedrijf daardoor getroffen kunnen worden. Tot de leveranciers van Agent Orange aan de Amerikaanse krijgsmacht hoorde destijds naast Monsanto ook het Amerikaanse concern Dow Chemical. Volgens onderzoek van Der Spiegel leverde de Duitse firma Boehringer Ingelheim in 1967 halffabrikaten voor de productie van Agent Orange aan Dow Chemical. Hoewel het in de Vietnamoorlog om een conflict in het kader van de Koude Oorlog ging, leverde ook een bedrijf uit Tsjechoslowakije een grondstof voor de productie van Agent Orange aan Amerikaanse bedrijven.

Bedelaar in Ho Chi Minh-stad (Saigon) wiens armen ernstig misvormd zijn doordat zijn moeder tijdens de zwangerschap werd blootgesteld aan een dioxine-houdend ontbladeringsmiddel (foto: Emilio Labrador).

Tot de late gevolgen van het gebruik van Agent Orange horen doodgeboorten, misvormingen van pasgeborenen, neurologische beschadigingen en kanker. Volgens schattingen van het Vietnamese Rode Kruis, lijden in het land nog altijd ongeveer een miljoen mensen onder de late gevolgen van het gebruik van het gif.

In de VS werd in 2005 nog een aanklacht namens meerdere personen afgewezen. De rechtbank wilde toen in het gebruik van het middel “geen chemische oorlogsvoering” zien en daarmee ook geen schending van het internationaal of oorlogsrecht.

Posted on

Noem wat Armeniërs overkwam niet te snel ‘genocide’

Niemand ontkent dat Armeniërs zeer geleden hebben onder gruwelijkheden in de jaren 1915-16. Toch heeft de recente keuze van het Nederlandse Parlement om vanaf nu te spreken over ‘Armeense genocide’ in plaats van ‘Armeense genocide kwestie’ mij verbaasd en teleurgesteld.

Voor een evenwichtige beoordeling van de vraag of er in die jaren al dan niet sprake is geweest van genocide is het nodig om van meerdere zijden de situatie te belichten. Genocide is een juridisch zeer zwaar woord waar niet licht mee mag worden omgegaan. Niet voor niets stemde de Israëlische regering eerder dit jaar nog tegen deze benaming.

Bij de afweging in ons Parlement is de historische context echter achterwege gebleven en is eenzijdig geluisterd naar Armeense organisaties. Turkse organisaties waren niet uitgenodigd voor de extra Commissie Buitenland.
Ten aanzien van de gebeurtenissen in Oost-Anatolië in 1915 is de rol van Armeniërs zelf, evenals de rol van Engeland, Frankrijk en Rusland (de grote imperialisten uit die tijd) buiten beschouwing gelaten.
De keuze van ons parlement is daardoor gestoeld op eenzijdige en onvoldoende informatie en valt feitelijk moeilijk serieus te nemen.

Historische context

De overplaatsingen van Armeniërs door het Osmaanse Rijk kwamen niet uit de lucht vallen. Het Osmaanse Rijk werd van diverse zijden aangevallen omdat het onder de sultan ernstig verzwakt was geraakt. In het Oosten viel Rusland het rijk aan rond het begin van WOI. De Russen bewapenden Armeniërs en zetten hen op tegen de Osmaanse overheid. Armeense milities werden gevormd, gekleed in Russische uniformen. Zij plunderden dorpen, brandden deze plat en verkrachtten en vermoordden vrouwen. Ook kinderen werden gedood. Armeniërs, die niet wilden meewerken, werden zelf slachtoffer. Communicatie- en transportlijnen van de Osmaanse regering naar dit front werden door Armeniërs gesaboteerd.

Hierop is besloten de Armeense bevolking uit dit gebied over te plaatsen naar andere delen van het rijk. In die tijd hebben er ook zeer ernstige gewelddadigheden tegen de Armeniërs plaatsgevonden.
De transporten kennen veel dramatische gevolgen. Na de oorlog zijn er processen geweest waarna o.a. de gouverneur uit Midden Anatolië is opgehangen wegens nalatigheid en het onvoldoende hulp en bescherming bieden aan de Armeniërs.

Archieven openen

Tot nu toe zijn er geen bewijzen gevonden in de geopende Osmaanse- en wereldwijde archieven, dat er opdracht zou zijn gegeven om het Armeense volk uit te roeien. En tot nu toe mogen internationale wetenschappers niet de belangrijkste Armeense archieven inzien en bestuderen.
De Armeense archieven die geopend dienen te worden, en liefst zo spoedig mogelijk i.v.m. het achteruitgaan van de kwaliteit van sommige ervan, zijn:

  • Het Nationale Staatsarchief van Armenië (niet te verwarren met het Armeense museumarchief met persoonlijke verhalen van/over slachtoffers, waar Armeniërs in Nederland op wijzen en waar bv. ook bij de film de Bloedbroeders gebruik van is gemaakt.)
  • de Dashnak Archieven in Boston en
  • het archief van de Armeense Patriarch in Jeruzalem.

Nog enkele ontbrekende feiten

  • Op internet is vrijwel alleen pro-Armeense informatie te vinden.
  • Boeken van K.S. Papazian: ‘Patriotism Perverted’ en van Hovhannes Kajaznouni: ‘The ARF Has Nothing To Do Anymore’ zijn uit bijv. Amerikaanse bibliotheken verwijderd en vernietigd.
  • Tientallen, wereldwijd verspreide historici van universiteiten als Yale, Princeton, Harvard, Oxford en Cambridge zijn van mening dat de term ‘genocide’ niet toepasbaar is bij de gebeurtenissen in 1915. O.a. Gwynne Dyer, Norman Stone, Bertil Dunér, Jeremy Salt, Gilles Veinstein, Andrew Mango, Justin McCarthy, Malcolm Yapp en vele anderen;
  • Veel jonge Turken hebben deels Armeense wortels, door vroegere huwelijken tussen Armeniërs en Turken en zoeken de volledige waarheid;
  • In het Turkije van nu gaan Turken en Armeniërs veelal als goede buren met elkaar om;
  • Er hebben zich de laatste jaren meer dan 100.000 Armeense gastarbeiders in Turkije gevestigd.

Internationaal Strafhof
Om op een verantwoorde wijze te kunnen beoordelen wat zich nu precies heeft afgespeeld in het noordoostelijk deel van het Osmaanse Rijk, meer dan een eeuw geleden, en of de juridische term ‘genocide’ hierbij van toepassing is, dient er een commissie te worden ingesteld door de VN, die bestaat uit internationale, objectieve, wetenschappelijke onderzoekers en onbevooroordeelde historici, die alle archieven over deze periode in het Osmaanse Rijk kunnen bestuderen, waarna het Internationaal Strafhof een oordeel velt over de bevindingen. Pas dan kan er met recht gesproken worden van een verantwoord oordeel.

Volledige waarheid
Zolang een deel van wat er heeft plaats gevonden niet gekend, laat staan erkend wordt, zal blijven wringen dat de herinnering van velen ontkend wordt.

Zoeken naar de volledige waarheid is voor iedereen een uiterst moeilijke weg, maar tevens de enige mogelijkheid om te kunnen komen tot een duurzame verwerking. Daarvoor is nodig dat recht wordt gedaan aan íedereen die wonden heeft door leed, dat meer dan honderd jaar geleden is veroorzaakt. Wanneer recht wordt gedaan kan een klimaat ontstaan waarbinnen vergeving mogelijk is en waar rust en vrede kan komen.

Posted on

Vredesproces in Colombia in gevaar

Het vredesakkoord van de Colombiaanse regering met de grootste guerrillabeweging van het land, de FARC, in 2016, dat onder bemiddeling van het Vaticaan en Cuba tot stand kwam, is een van de weinige positieve ontwikkelingen in de wereldpolitiek in de afgelopen jaren.

Het historische akkoord en het daarmee samenhangende verzoeningswerk stonden ook centraal in het bezoek van de paus in september, het ging gepaard met een ware politieke euforie. Na de vrede met de FARC registreerde het Zuid-Amerikaanse land de laagste aantallen slachtoffers sinds decennia.

Na het op 9 januari jongstleden aflopen van de in oktober overeengekomen wapenstilstand met de op een na grootste guerrillagroepering ELN, was het eigenlijk de bedoeling dat in de Ecuadoraanse hoofdstad Quito de vijfde ronde van de in februari 2017 begonnen gesprekken zou beginnen. Nadat ELN-rebellen echter militairen en een belangrijke oliepijpleiding aanvielen, schortte de regering de onderhandelingen op.

In maart zijn er in Colombia parlements- en in mei presidentsverkiezingen. De partijen zijn verdeeld in duidelijk tegenstanders en voorstanders van het vredesakkoord met de FARC. Het slagen of falen van het vredesproces zal in hoge mate afhangen van de samenstelling van de volgende regering. De huidige regering heeft bij het bereiken en uitvoeren van het akkoord waardevolle tijd verloren en zal in de weinige maanden die resteren niet veel meer kunnen bereiken.

Voor de bevolking in de grote steden van Colombia heeft de kwestie van het slagen of falen van het vredesproces weinig prioriteit. Voor de plattelandsbevolking, die inmiddels in de minderheid is, zou het mislukken van het vredesproces echter funest zijn. De circa 7.000 gedemobiliseerde guerrillastrijders zijn immers vooral gekwalificeerd in de omgang met wapens en de uitoefening van geweld. Als de staat geen woord houdt bij de uitvoering van de projecten voor hun re-integratie in de burgersamenleving, dan is het risico zeer groot dat velen van hen nieuwe misdaadbendes zullen vormen of in zullen gaan op een lucratief aanbod van de drugsmaffia of paramilitairen, om vervolgens weer daar te ageren waar ze de omgeving goed kennen. De opschorting van de vredesbesprekingen van de regering met het ELN dempt dan ook de hoop op een spoedige vreedzame toekomst.

Het ELN rekruteert intussen nog altijd jonge mensen, ook minderjarigen, onder de afro- en inheemse bevolking en rukt systematisch in die gebieden op die de FARC ontruimd heeft. En in plaats van dat het Colombiaanse leger onder rechtsstatelijke normen de controle uitoefent over deze gebieden, laat het de bestrijding van de ELN over aan paramilitaire groeperingen, waarvan het bestaan door de regering nog altijd ontkend wordt.

De guerrillabeweging ELN, die ooit door links-katholieken rond de studentenpastor Camillo Torres opgericht is, heeft weliswaar nog slechts 2.000 à 2.500 strijders onder de wapenen, maar een eventueel definitief afbreken van de vredesbesprekingen bergt grote gevaren voor het land, dat na decennia van drugs- en guerrillaoorlog eindelijk tot rust en weer op krachten wil komen. Na de opschorting van de vredesbesprekingen met het ELN, is secretaris-generaal António Guterres dan ook reeds persoonlijk naar Colombia gereisd.

Posted on

Servië niet bereid Kosovo te erkennen voor EU-lidmaatschap

Servië wil graag lid worden van de Europese Unie, maar niet tegen elke prijs. Het land is niet bereid de onafhankelijkheid van Kosovo te erkennen als dat als voorwaarde gesteld zou worden. Dat heeft de Servische minister van Buitenlandse Zaken, Ivica Dacic, gezegd tijdens een bezoek aan de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires.

Tijdens een toespraak bij de Argentijnse Raad voor Internationale Betrekkingen (CARI) sprak Dacic zijn waardering uit voor de Argentijnse steun voor de inspanningen van Servië om zijn soevereiniteit en territoriale integriteit te bewaren.

Sprekende over Kosovo en het lidmaatschap van de Europese Unie dat Servië nastreeft, stelde Dacic:

We willen een akkoord bereiken, we willen een rechtvaardige en duurzame oplossing, maar om eenzijdig handelen te erkennen… Nooit, zelfs niet als het ons de toetreding tot de Europese Unie zou kosten.”

Dacic stelde verder de vanouds goede relaties met Argentinië en diverse andere Latijns-Amerikaanse landen aan te willen halen en grote waardering te hebben voor het respect dat deze landen tonen voor het internationaal recht ter zake van de territoriale integriteit.

Landen die de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen (stand september 2017).

Een paar maanden geleden baarde het eveneens Latijns-Amerikaanse Suriname opzien door zijn erkenning van de onafhankelijkheid van Kosovo in te trekken.

Eind jaren ’90 brak in Kosovo, destijds een provincie van (romp-)Joegoslavië een guerrilla-oorlog uit tussen het zogenoemde Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) en het Joegoslavische leger. Na interventie van de NAVO werd Kosovo onder VN-bestuur gesteld om vervolgens in 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid uit te roepen.

Posted on

Ex-guerrillero’s winnen verkiezingen Kosovo

De coalitie onder leiding van de PDK, ook wel de ‘oorlogsvleugel’ genoemd, heeft zondag de parlementsverkiezingen in Kosovo gewonnen maar moet wel inboeten. De ultra-nationalistische Zelfbeschikkingspartij boekte winst.

De door de PDK aangevoerde coalitie werd met 34 procent van de stemmen het grootste blok in het parlement. De coalitie brengt de nationaal-liberale PDK van president Hashim Thaci, de nationaal-liberale AAK van premierskandidaat Ramush Haradinaj en de nationalistische en sociaaldemocratische NISMA bij elkaar. De coalitie wordt ook wel de oorlogsvleugel genoemd, omdat zowel Thaci als Haradinaj belangrijke aanvoerders waren van het ‘Kosovo Bevrijdingsleger’ (UÇK), dat eind jaren negentig strijd leverde met het Servische leger en uiteindelijk door westerse bombardementen slaagde in eenzijdige afscheiding van Servië.

Oorlogsmisdaden

Tot nu toe regeerde de PDK samen met de centrumrechtse LDK en een partij die de Servische minderheid in Kosovo vertegenwoordigt. Verschillende oud-UÇK-strijders, waaronder Thaci en Haradinaj, hebben elkaar nu gevonden in een poging samen aan de regering te komen. Op die wijze hopen de oud-strijders het beter te zien aankomen wanneer ze door een nieuwe speciale rechtbank in Den Haag aangeklaagd worden voor misdaden die ze na de oorlog van 1998-1999 begaan zouden hebben tegen Serviërs en politieke rivalen. Volgens een rapport van de Duitse inlichtingendienst BND uit 2008 hebben zowel Thaci als Haradinaj veel contacten in de criminele onderwereld.

In 2014 kregen de drie partijen die nu als een blok deelnamen aan de verkiezingen bij elkaar nog zo’n 45 procent van de stemmen. Verlies was er echter ook voor de, ooit door toenmalig president van Kosovo Ibrahim Rugova opgerichte, centrumrechtse en op vreedzame middelen georiënteerde LDK, die samen met de liberale AKR aan de verkiezingen deelnam en een kleine 26 procent van de stemmen behaalde, tegen een kleine 30 procent in 2014.

Ultranationalisten kunnen met niemand

Grote winnaar van de verkiezingen was de ultranationalistische Zelfbeschikkingspartij. Die profileerde zich in de verkiezingscampagne succesvol als enige partij die de corruptie in regeringskringen aan kan pakken. De Zelfbeschikkingspartij verdubbelde zodoende haar steun en werd met 27 procent van de stemmen de op een na grootste.

De Servische Lijst, die goede banden onderhoudt met de regering in Belgrado, wist alle tien voor de Servische bevolkingsgroep ingeruimde zetels te bemachtigen, in plaats van 9 in 2014.

De precieze zetelverdeling is nog niet bekend, maar het vormen van een regering zal lastig worden. De PDK-coalitie heeft waarschijnlijk niet genoeg zetels om alleen te regeren. De vorige regering, onder leiding van Isa Mustafa (LDK), viel nadat er onenigheid was tussen LDK en PDK over een akkoord over de vaststelling van de grens met Montenegro. Gezien de animositeit in de afgelopen periode tussen de regeringspartners is het allerminst vanzelfsprekend dat zij opnieuw met elkaar gaan regeren. En de ultranationalisten van de Zelfbeschikkingspartij mogen dan de grote winnaar van de verkiezingen zijn, zij kunnen echter met niemand zonder meer regeren. De ultranationalisten vinden de PDK namelijk te corrupt, de LDK te soft en de Servische Lijst te Servisch.

Posted on

Militaire junta greep met NAVO-plan de macht in Griekenland

50 jaar geleden brachten militairen in Griekenland de regering en uiteindelijk ook de monarchie ten val om te voorkomen dat links aan de macht zou komen.

Een junta van koningsgetrouwe Griekse officieren pleegden 50 jaar geleden een staatsgreep om een ruk naar links te voorkomen. Deze ‘revolutie tot redding der natie’ (Ethnosotirios Epanastasis) was de 18e in een reeks gewelddadige revoltes in Griekenland verspreid over de 20e eeuw en leidde tot de 44e regeringswisseling sinds 1945.

Diepe verdeeldheid

De Tweede Wereldoorlog, waarin eerst het Griekenland van de fascistische dictator Metaxas tegen de Italianen vocht en later zowel linkse als rechtse guerilla-groepen tegen de Duitsers vochten, ging voor het diep verdeelde Griekenland bijna naadloos over in een burgeroorlog tussen het linkse Volksbevrijdingsleger en monarchistische conservatieven, waarin die laatsten uiteindelijk met Britse en Amerikaanse steun wonnen. Zo bleef Griekenland de enige niet-communistische staat op de Balkan.

De economische verhoudingen verzekerden links echter nog altijd van grote aanhang: Halverwege de jaren ’60 bedroeg het doorsnee-inkomen van de Grieken nog altijd minder dan de helft van het in West-Europa gebruikelijke, hoewel de Verenigde Staten miljarden aan ontwikkelingshulp gaven. Door corruptie en wanbeheer lekte die hulp echter weg. 

Constitutionele crisis

Bovendien moest de regering voor de acht residenties, drie vliegtuigen en 85 auto’s van koning Constantijn II uit het Huis Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Glücksburg betalen – bovenop een zeer riante jaarlijkse uitkering. Met het oog hierop nam minister-president Georgios Papandreou van de liberale Enosis Kentrou (Centrum-Unie) ingrijpende hervormingen voor, wat in rechtse kringen voeding gaf aan vrees voor een overgang naar het socialisme.

Daarbij kwam de poging van de premier om de anti-monarchistische officieren binnen de Koninklijk-Griekse Strijdkrachten te verzamelen in de samenzweringscel ‘Aspida’ (Schild), met aan het hoofd zijn zoon Andreas, die van een ‘Volksleger’ droomde.

Dit bracht Constantijn II er uiteindelijk toe om Papandreou tot aftreden op te roepen en verkiezingen uit te roepen, die gehouden moesten worden op 28 mei 1967. Hierdoor brak echter chaos uit in het land, die vooral werd aangewakkerd door de partij Verenigd Democratisch Links (EDA).

Papandreou stelde de koning op 18 april 1967 echter een glashelder ultimatum: Constantijn moest zich in de verkiezingscampagne per direct neutraal optreden, anders zou de premier zelf oproepen tot een “volksopstand tegen de monarchie”. Daarmee was de teerling geworpen.

Gladio-plan

Nog dezelfde dag kwamen negen hoge officieren – waaronder overste van de Artillerie en leider van de afdeling voor operationele planning van de generale staf Georgios Papadopoulos – na een enkele uren durende discussie overeen een staatsgreep te plegen om een dreigende machtsovername van links te voorkomen.

Aansluitend ontwierp Papadopoulos in de nachtelijke uren het concrete scenario voor de coup. Deze berustte op het samen met de NAVO ontworpen ‘Prometheus-plan’ uit 1950, die eigenlijk voor het geval van communistische revolutiepogingen bedoeld was.

Zoals de kolonel bepaalde, zouden de samenzweerders slechts 150 pantservoertuigen met hun bemanningen en 700 man van de Griekse speciale eenheden Lochos Oreinon Katadromon (LOK) nodig hebben. Brigadegeneraal Stylianos Pattakos van de militaire school in Athene-Goudi en Luitenant-generaal Georgios Zoitakis, die het bevel voerde over de speciale eenheden, waren meteen bereid aan het plan mee te werken. Het uur u werd zodoende bepaald op 21 april om twaalf uur ’s nachts.

Op dit tijdstip bezetten enkele LOK-eenheden het slot van de koning, terwijl tegelijkertijd tanks en pantservoertuigen op werden gesteld op alle strategisch belangrijke plaatsen in de hoofdstad, waaronder de politiecentrale.

Vervolgens kreeg de Militaire Politie, die in 1951 – in voorbereiding op het NAVO-lidmaatschap in 1952 – was opgericht en bestond uit felle anti-communisten, het bevel aan de speciale operatie ‘Ierax’ (Gier) mee te werken, dit hield de gevangenneming van politici en leidende communisten in. Zo werden eerst de interim-regeringsleider Panajotis Kanellopoulos van de conservatieve Nationale Radicale Unie (ERE) en vader en zoon Papandreou gearresteerd. Hierop volgde de arrestatie van talrijke andere invloedrijke personen die op de zwarte lijst van Papadopoulos stonden, zonder dat er een schot gelost werd.

Ondertussen sloot de weifelachtig stafchef van het leger, luitenant-generaal Grigorios Spandidakis nog bij de coupplegers aan. Het succes van de staatsgreep berustte er in niet geringe mate op dat de putschisten er in slaagden te doen alsof ze in opdracht van de koning handelden.

Koning gaat schoorvoetend mee

De koning zou echter pas om half zes ’s morgens in zijn buitenresidentie Tatoi op de hoogte gesteld worden van de militaire staatsgreep, toen Papadopoulos, Spandidakis en de artillerie-overste Nikolaos Makarezos hem mededeelden: “Majesteit, wij hebben een revolutie voltrokken voor volk en kroon.” Constantijn reageerde hierop woedend met de woorden: “Wie heeft u ertoe gemachtigd, voor mij en het volk te revolteren? Ik voer geen gesprekken met coupplegers!”

Daarmee leek de revolutie mislukt te zijn. Maar toen gaf de pas 26 jaar oude koning toe, nadat hij Papadopoulos nog toegeworpen had: “U heeft toch niet de flauwste notie wat het is om een land te regeren.” En precies daarom sanctioneerde de koning de staatsgreep uiteindelijk tandenknarsend, zodat het land ten minste een nieuwe burger-minister-president zou krijgen.

Deze premier, Konstantinos Kollias, was evenwel een marionet van de junta rond Papadopoulos, die op 14 december 1967 ook officieel Kollias plaats in zou nemen. Daarvoor had de premier samen met Constantijn II nog een contra-staatsgreep geprobeerd, die echter mislukte, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat de Verenigde Staten deze niet steunden. Het zogenoemde ‘Kolonelsregime’ wist tot juli 1974 aan de macht te blijven, toen het ten val kwam door een mislukt economisch beleid en de mislukte inlijving van Cyprus.

Tijdens het Kolonelsregime werden  meer dan 10.000 communisten en socialisten gevangen gezet of geïnterneerd op afgelegen eilanden in de Egeïsche Zee. Verder verbood de junta 278 organisaties en verenigingen, waaronder de EDA.

Na het Kolonelsregime

Met de parlementsverkiezingen van 17 november 1974 keerde de democratie weer. De verkiezingen werden gewonnen door Konstantinos Karamanlis van de liberaal-conservatieve partij Nea Dimokratia. Papadopoulos, Pattakos en Makarezos werden op 23 augustus 1975 vanwege hoogverraad ter dood veroordeeld, wat later werd omgezet in levenslange gevangenschap.

In 1984 richtte Papadopoulos in gevangenschap een nieuwe politieke partij op, de Nationale Politieke Unie (Etniki Politiki Enosis, EPEN), die een zetel in het Europees Parlement haalde maar verder geen succes had en uiteindelijk in 1996 ontbonden zou worden. Papadopoulos stierf in 1999 in  gevangenschap, terwijl de twee andere leiders van de staatsgreep in 1990 vanwege gezondheidsredenen vrij kwamen respectievelijk onder huisarrest geplaatst werden.

Constantijn II, die zich nog altijd als de rechtmatige koning van Griekenland beschouwt, leeft sinds zijn mislukte contra-staatsgreep in ballingschap. Eerst woonde hij in Rome en sinds 1973 bij Britse verwanten in Londen. Sinds enkele jaren mag hij met zij Deense paspoort, dat hij aan de afkomst van zijn familie dankt, weer naar Griekenland reizen, waar hij een groot deel van het jaar doorbrengt.

Posted on

Van Ecevit tot Erdoğan: Een korte geschiedenis van pro-Amerikaanse staatsgrepen in Turkije

Momenteel doet het volgende ‘narratief’ de ronde in het publieke debat: Erdoğan eigent zich te veel macht toe en is Turkije aan het islamiseren. Daarom trad het Turkse leger als hoeder van de seculiere staat met een staatsgreep op, net zoals het had gedaan in 1960, 1971, 1980 en 1997. Het is eigenlijk betreurenswaardig dat het leger misgreep, want nu heeft Erdoğan alle ruimte om zijn greep op de macht verder te verstevigen. En wie weet was deze mislukte samenzwering wel een valse vlag-operatie van Erdoğan zelf? Dit narratief klinkt misschien aannemelijk, maar gaat voorbij aan de feiten.

Het klopt dat Erdoğan bezig is met het consolideren van zijn macht. Hij heeft een hoop tegenstanders en heeft in de afgelopen dertien jaar met zijn AKP-regering alle tijd gehad om een lijst van die tegenstanders samen te stellen. Deze lijst werkt hij nu af. Ook klopt het dat zijn AK-partij Turkije gestaag aan het islamiseren is. Iedereen die wel eens op vakantie is geweest in Turkije, en daar een in een appelsapglas vermomd en buitensporig geaccijnst biertje heeft gedronken, weet dat. The times they are a-changin, oftewel: er komen andere tijden.

Wat echter niet klopt is dat het leger de hoeder van de seculiere staat zou zijn. Dat is het namelijk niet. Tijdens vrijwel alle voorgaande staatsgrepen was het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat hoogstens een bijwerking van een andere doelstelling: het behouden van de controle over de staat zelf. Turkije leek zich namelijk keer op keer af te wenden van het Westen, iets wat het pro-Amerikaanse Turkse leger koste wat het kost wilde voorkomen.

De Koude Oorlog en Bülent Ecevit

Zonder teveel terug te gaan in de tijd, is het van belang om de geschiedenis van het moderne Turkije wat nader te aanschouwen. Turkije is in 1923 verrezen uit het as van het doodzieke Ottomaanse Rijk, dat in zijn nadagen door de Britten en Fransen kunstmatig in leven werd gehouden om te voorkomen dat de Russen het land zouden veroveren (of heroveren, wanneer men het bekijkt vanuit het Orthodoxe perspectief van de Russische Tsaar van destijds).

Deze verrijzenis was zonder meer de verdienste van Mustafa Kemal, die tot grote onvrede van Groot-Brittannië en Frankrijk de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog won. Kemal staat erom bekend dat hij in 1924 de Moskee van de Staat scheidde, net zoals hij anderhalf jaar eerder de decadente Osmaanse dynastie van de Staat scheidde (en de Ottomanen op hun beurt in 1453 de Keizer en de Kerk van de Staat scheidden). Rond diezelfde tijd verplaatste hij ook de hoofdstad van Constantinopel naar Ankara, en werd het Osmaanse ‘Kostantiniyye’ definitief omgedoopt tot het huidige Istanboel. Vanwege zijn verrichtingen kreeg Kemal in 1934 officieel de titel ‘Atatürk’, oftewel Vader der Turken. Atatürk overleed in 1938.

De kemalistische beweging was van oorsprong naast seculier en nationalistisch ook links. Zodoende had de Turkse Republiek onder Atatürk ook de banden met de Sovjet-Unie aangehaald, in bijzonder in de vorm van een niet-aanvalsverdrag. Dit was bijzonder, want de Ottomanen en de Russen waren van oudsher rivalen. Dit veranderde echter weer in aanloop naar en gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de daaropvolgende Koude Oorlog uitbrak, voer de Turkse politiek reeds enige tijd een pro-Amerikaanse koers onder het presidentschap van İsmet İnönü.

Gedurende de Koude Oorlog zijn er meerdere staatsgrepen geweest in Turkije: in 1960, 1971 en 1980. Dit waren allemaal pro-Amerikaanse, rechts-nationalistische coup d’états. Tijdens de putsch van 1960 was dit uitdrukkelijk het geval toen juntawoordvoerder Alparslan Türkeş het geloof en vertrouwen van de junta in de NAVO uitsprak.[1] Türkeş was een van de eerste leden van de Contra-guerrilla, een in 1952 door de NAVO en CIA opgerichte anticommunistische paramilitaire organisatie die de invloed van de Sovjet-Unie in Turkije moest tegengaan.[2] De VS had vergelijkbare organisaties opgericht in Zuid-Amerika, waaronder Nicaragua.[3] De junta zuiverde onder meer het leger, de rechterlijke macht en de universiteiten, en arresteerde verschillende bewindspersonen. Onder andere de Turkse premier Adnan Menderes, die voornemens was om geldsteun te vragen aan de Sovjet-Unie, werd geëxecuteerd.

De staatsgreep van 1971 droeg een ietwat ander karakter. Turkije stond in het teken van toenemende sociale onrust, in bijzonder oplaaiend geweld tussen communistische en rechts-nationalistische groeperingen, en had een weinig daadkrachtige regering. Het was deze keer echter geen gewelddadige staatsgreep, maar een zogeheten ‘coup via memorandum’ dat de regering ten val bracht. Het memorandum werd door Memduh Tağmaç, de opperbevelhebber van het Turkse leger, overhandigd aan de gematigde premier Süleyman Demirel, die spoedig opstapte. Velen werden door de junta vervolgd vanwege communistische sympathieën en banden met de Sovjet-Unie. Onder andere de linkse journalisten İlhan Selçuk en Uğur Mumcu werden destijds gemarteld in de Ziverbey-villa. Ook de net opgerichte partij van Necmettin Erbakan, de leider van de islamitische Millî Görüş-beweging, werd verboden, al werd hij zelf niet vervolgd. Kort na de machtsovername besloot de kemalistische partij CHP onder leiding van İnönü om met de putschisten samen te werken. Dit besluit werd echter niet door iedereen even goed ontvangen: de toenmalige secretaris-generaal van de CHP, Bülent Ecevit, stapte uit protest tegen het besluit op.


De coup van 1980 was echter de meest gewelddadige staatsgreep in de moderne Turkse geschiedenis. In de jaren zeventig stierven in aanloop naar de coup waarschijnlijk zo’n vijfduizend mensen in een proxy-oorlog tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Een dieptepunt vond plaats op de Dag van de Arbeid in 1977, toen een enorm bloedbad werd aangericht op het Taksimplein in Istanboel. Een van de meest ‘productieve’ strijdende groeperingen was de Grijze Wolven, de paramilitaire tak van de in 1969 opgerichte rechts-nationalistische MHP. De leider van de MHP was Alparslan Türkeş, de woordvoerder van de staatsgreep van twintig jaar terug.

Volgens juntaleider Kenan Evren was ook nu een staatsgreep de enige manier om rust en orde terug te brengen in Turkije. Evren was op dat moment opperbevelhebber van het Turkse leger en had ervaring opgedaan in de Koreaoorlog en als leider van de Contra-guerrilla.[4] Na de coup werd Evren, die uiteindelijk in 2014 zou worden gedegradeerd tot soldaat eerste klasse, president van de Turkse republiek en opperbevelhebber van het Turkse leger.

Wie vindt dat de huidige AKP-regering te ver doorschiet met de arrestaties en schorsingen van tienduizenden agenten, soldaten, rechters en docenten,[5] zal het optreden van de junta van 1980 al helemaal een overreactie vinden. In totaal werden toen 250.000 tot 650.000 mensen gearresteerd en 1.683.000 op een zwarte lijst geplaatst. Verder stierven 300 mensen onder verdachte omstandigheden, 299 in de gevangenis, 171 door marteling, 95 tijdens gevechten en 50 door executies. De fraaie Turkse dramafilm Babam ve Oğlum (‘Mijn Vader en Mijn Zoon’) gaat overigens over deze periode. Verder mochten kranten driehonderd dagen lang niet meer publiceren en werden alle politieke partijen verboden.[6] Vooraanstaande politici van alle partijen kregen een jarenlang beroepsverbod opgelegd, waaronder de islamist Erbakan, de gematigde Demirel, de recht-nationalist Türkeş en de kemalist Ecevit.

Wat echter van fundamenteel belang is om te weten, is dat de junta van 1980 Turkije niet minder, maar juist meer islamitisch heeft gemaakt. En dat deed het doelbewust. Kenan Evren was dermate bezorgd over de opkomst van het communisme, dat hij de islam als een alternatief en tegengif promootte. Het was onder Evrens heerschappij dat islamonderwijs op alle Turkse scholen werd verplicht. De pro-Amerikaanse junta betekende dus het einde van het klassieke kemalisme en het begin van wat wel de ‘Turks-islamitische synthese’ wordt genoemd.[7]

Het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat was dus duidelijk niet de hoofddoelstelling: het ging om het behouden van de controle over de staat zelf. Dat verklaart ook waarom eveneens kemalisten werden vervolgd, waaronder dus Bülent Ecevit, die zonder twijfel meer seculier was dan de junta zelf. Bülent stond bekend als een eigenwijs politicus: hij wilde in lijn met de kemalistische traditie een ongebonden Turks binnenlands en buitenlands beleid. Het was dan ook onder zijn regering dat in 1974 de Turkse invasie van Cyprus plaatsvond.

Maar er speelde meer. Zoals hierboven al is opgemerkt, maakte generaal Evren deel uit van de Contra-guerrilla. Omstreeks dezelfde tijd als de invasie van Cyprus vertelde Ecevit het Turkse publiek echter over het bestaan van deze paramilitaire organisatie. Enkele jaren later deelde Ecevit ook publiekelijk zijn vermoeden dat dezelfde organisatie betrokken was bij het reeds genoemde bloedbad op het Taksimplein: hij vond het verdacht dat rechts-nationalistische strijders minutenlang op het linkse publiek konden schieten zonder dat de politie ingreep. Zodoende liet hij in 1978 openbaar aanklager Doğan Öz onderzoek doen naar de banden tussen de Contra-guerrilla en de Grijze Wolven. Öz werd kort na het afronden van zijn onderzoek doodgeschoten door een Grijze Wolfen-lid.

Bülent is in zijn leven zelf mogelijk negenmaal doelwit geweest van mislukte moordaanslagen.[8] Zo ontsnapte hij in 1976 ternauwernood aan een moordaanslag in New York bij het Waldorf Astoria-hotel, waar een Cyprioot die tijdens de invasie van Cyprus zijn arm had verloren een geladen pistool op Ecevit richtte. Ook een jaar later ontsnapte Ecevit aan een moordaanslag op het vliegveld van Izmir. De regering-Demirel wist verder een moordcomplot tegen Ecevit tijdens een bijeenkomst op het Taksimplein te verijdelen. Ecevit heeft zelf ook altijd volgehouden dat zijn omstreeks 2002 snel verslechterde gezondheid het werk was van de VS, omdat hij een obstakel was voor de Irakoorlog.[9]

In de aanloop naar de Irakoorlog raakte de VS haar vertrouwen in Ecevit namelijk voorgoed kwijt. Ecevit, die na de coup van 1980 een nieuwe kemalistische partij had opgericht, had het in 1999 voor elkaar gekregen om namens deze DSP opnieuw premier te worden. De nieuwe premier was tegen de Amerikaanse oorlogsplannen en weigerde steevast de VS toestemming te geven voor de stationering van een invasiemacht in Turkije, dat immers grenst aan Irak. De val van de Ecevits regering in 2002, en de daaropvolgende verkiezingsnederlaag van de DSP, was voor de regering-Bush dan ook een geschenk uit de hemel.[10] Ecevit overleed in 2006.

Recep Tayyip Erdoğan versus Fethullah Gülen

De kers op de taart van de VS was de enorme verkiezingsoverwinning van een nieuwe, in 2001 opgerichte partij. Met het einde van de Koude Oorlog kwam het tijdperk van het Turkse rechts-nationalisme langzaam ten einde en vond een heropleving van het Turkse islamisme plaats. De VS zag daarom in dat een nieuwe bondgenoot moest worden gevonden in deze hoek. De kersverse AK-partij van Erdoğan kwam dus zeer gelegen. De nieuwe AKP-regering had namelijk wel oren naar het stationeren van een Amerikaanse invasiemacht in Turkije. Tijdens de stemming in het Turkse parlement stemde tweederde van de AKP-kamerleden voor de stationering. Dit was echter niet genoeg voor een parlementaire meerderheid, omdat onder meer de CHP en de gedecimeerde DSP tegenstemden. De eindstand was 264–250.[11] Niettemin werd Turkije door Bush genoemd als onderdeel van de ‘Coalition of the Willing’.[12]

De AKP-partij heeft een bewogen oorsprong, want het komt onder andere voort uit de in 1997 verboden partij van Necmettin Erbakan. Zoals al werd opgemerkt, was Erbakan een van de mensen die tijdens de staatsgrepen van 1971 en 1980 steeds weer zijn politieke carrière voortijdig beëindigd zag worden. Dit gebeurde wederom tijdens de geweldsloze staatsgreep van 1997, die bekend staat als de ‘postmoderne coup’. De regering-Erbakan werd overigens na haar verkiezingsoverwinning een jaar eerder al koeltjes ontvangen door de Europese Unie en de NAVO. De vrees was namelijk dat Erbakan de banden met islamitische landen zou aanhalen ten koste van de banden met het Westen.[13] Tijdens deze staatsgreep kreeg ook de nieuwe burgermeester van Istanboel, Recep Tayyip Erdoğan, een gevangenisstraf en een beroepsverbod vanwege het voordragen van een militant islamitisch gedicht. Dit beroepsverbod liep af in 2002, toen hij formeel de leider werd van de AK-partij (informeel was hij dat al).

De AK-partij herbergt verschillende stromingen met redelijk overeenkomende doelstellingen: moslimdemocraten zoals Abdullah Gül, Moslim Broederschap-achtigen zoals Bülent Arınç, neo-Ottomanen zoals Ahmet Davutoğlu, en bovenal populisten zoals Recep Tayyip Erdoğan. Laatstgenoemde is zonder meer radicaler dan de meer gemoedelijke Gül, maar qua binnenlandsbeleid juist gematigder dan Arınç en qua buitenlandsbeleid weer gematigder dan Davutoğlu. Erdoğan bleek echter wel in staat om al deze verschillende stromingen te verenigen en tegelijkertijd zichzelf op te werpen als een soort vader des vaderlands. Wel zijn alle AKP-stromingen in meer of mindere mate ‘islamistisch’.

Erdoğan vond aanvankelijk een bondgenoot in de charismatische imam Fethullah Gülen en zijn invloedrijke Hizmet-beweging. Om een indruk te geven van de invloed van deze beweging: Gülen wordt door TIME genoemd als één van de honderd meest invloedrijke mensen ter wereld,[14] en zijn beweging heeft een geschat vermogen van 25 miljard dollar.[15] Naar verluid zijn miljoenen mensen onderdeel van het complexe netwerk dat deze beweging vormt. Dit netwerk is door velen in verband gebracht met de CIA, al heeft Gülen die band altijd ontkend.[16] Wel staat de imam bekend als pro-Amerikaans, en ook pro-Israël, en woont hij tegenwoordig in een enorme villa in Pennsylvania, Amerika.[17]

De Hizmet-beweging werkt niet door middel van partijpolitiek, maar door middel van wat de neomarxist Rudi Dutschke eens de ‘lange mars door de instituties’ noemde: het stapsgewijs doordringen van justitie, politie, leger, media en onderwijs. Veel van zijn aanhangers hebben bijvoorbeeld rechten gestudeerd om daarmee op schakelposities binnen de Turkse justitiële apparaat te komen. Verder zijn wereldwijd, en met name in Turkije en de VS, duizenden scholen op de Gülenistische leest geschoeid om onder meer Gülens uitleg van de islam te onderwijzen. In Gülens eigen woorden: “Oplossingen op systemische, institutionele of beleidsniveau zijn gedoemd te mislukken wanneer het individu wordt verwaarloosd. Daarom is mijn eerste en belangrijkste pleidooi voor het onderwijs geweest.”[18]

Vaak wordt Gülen beschreven als een ‘liberale’ of ‘gematigde’ moslimgeestelijke, maar die omschrijving is onjuist. Deze imam predikt een buitenissige vorm van islamisme en nationalisme: voor hem zijn de Turken een uitverkoren volk en is de Turkse islam een ‘cadeau voor de mensheid’.[19] In 1999 vertrok Gülen naar de Verenigde Staten, omdat zijn antiseculiere filosofie in opspraak raakte in Turkije, al heeft hij zelf altijd volgehouden dat hij vanwege een medische behandeling uit zijn geboorteland vertrok. Hoe dan ook, een jaar later werd hij aangeklaagd en in afwezigheid veroordeeld door de toenmalige overheid onder leiding van, u raadt het al, Bülent Ecevit. Volgens de openbaar aanklagers was Gülen de ‘sterkste en meest doeltreffende islamitische fundamentalist in Turkije’ die ‘zijn methoden met een democratisch en gematigd imago camoufleert’.[20]

Fethullah Gülen liet het niet bij deze vervolging zitten. Omstreeks 2001 zocht hij toenadering tot de nieuw opgerichte AK-partij van Erdoğan. Die toenadering mocht baten: in 2008 werd hij alsnog van alle beschuldigingen vrijgesproken.[21] Omdat Gülenisten aanzienlijke macht hadden vergaard in het Turkse overheidsapparaat, in bijzonder bij justitie en politie, kreeg het van de AKP de ruimte om af te rekenen met gedeelde tegenstanders. Zo werden verschillende rechtszaken tegen critici van Gülen en de Hizmet-beweging begonnen. De voormalige politiecommissaris Hanefi Avcı, die een boek had geschreven over Gülenistische infiltratie van de politie, werd bijvoorbeeld aangeklaagd wegens vermeende banden met communistische organisaties. Ook de vakbondsman Ahmet Şık, die een kritisch boek schreef over de banden tussen de AKP en Gülen, werd aangeklaagd.

De belangrijkste rechtszaken waren echter tegen kemalistische elementen in het Turkse leger.[22] Onder andere twee grote processen stonden onder leiding van Gülenisten: de Operatie Balyoz-zaak en de Ergenekon-zaak. In beide zaken werden vele kemalistische soldaten en legerleiders, in totaal zo’n 230 personen, aangeklaagd en ontslagen vanwege vermeende couppogingen tegen de nieuwe AKP-regering. Onder andere de kemalistische generaal Çetin Doğan, die werd verdacht de leider van Operatie Balyoz te zijn, werd tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Er is veel over deze twee zaken geschreven en de werkelijke toedracht zal wel nooit helemaal worden gekend. Inmiddels is echter wel duidelijk geworden dat de aanklachten berustten op ontoereikend en zelfs vervalst bewijsmateriaal; onder andere de handtekeningen van Doğan en andere generaals werden vervalst. Veel aanklagers bleken inderdaad banden te hebben met de Hizmet-beweging. De toenmalige Amerikaanse ambassadeur Eric S. Edelman herinnerde zich nog hoe een Gülenist hem al in 2005 benaderde met een document dat de naderende coup zou aantonen. Bij nader onderzoek bleek het document te zijn vervalst.[23] Het waren dus zeer waarschijnlijk niet-bestaande, verzonnen plots. Uiteindelijk werden alle verdachten en veroordeelden in beide zaken volledig vrijgesproken.[24] Die vrijspraken volgden, niet toevallig, kort na de beruchte breuk tussen Gülen en Erdoğan.

Sinds het begin van het huidige decennium waren er al een aantal aanvaringen tussen Erdoğan en Gülen. In bijzonder had Gülen felle kritiek op de regering-Erdoğan inzake het Turkse scheepskonvooi voor Gaza en het daaropvolgende diplomatieke conflict tussen Israël en Turkije. Gülen, die in 2010 nog de AKP-campagne steunde in het referendum over een aantal belangrijke grondwetswijzigingen, was ook niet te spreken over de uitkomst daarvan. Toch was er op dat moment nog geen sprake van een breuk tussen de AK-partij en de Hizmet-beweging.

Dat veranderde in de loop van 2013. Tijdens de maandenlange en enorme Gezipark-protesten tegen het beleid van de regering-Erdoğan kregen de overwegend linkse demonstranten bijval van Gülen, en dat zette kwaad bloed bij Erdoğan. Niet veel later kwam de AKP-regering met een wetsvoorstel om verschillende private scholen te sluiten, wat dus zonder meer negatieve gevolgen zou hebben voor de Hizmet-beweging. Het conflict tussen de twee kampen escaleerde verder toen openbaar aanklagers en politieagenten tientallen aan Erdoğan verbonden personen onderzochten vanwege corruptie. In twee grote zaken werd onder meer onderzoek gedaan naar AKP-ministers en Erdoğans twee zonen, Ahmet en Bilal. Erdoğan antwoordde op zijn beurt door politieagenten en anderen bij de corruptiezaak betrokken personen te laten arresteren.

Deze voorgeschiedenis maakt het ook hoogst onwaarschijnlijk dat de staatsgreep van 15 juli 2016 te maken had met het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat. Formeel deden de coupplegers inderdaad een beroep op de ‘seculiere democratische’ staat en was de naam van de junta gebaseerd op de uitspraak van Atatürk ‘vrede thuis, vrede in de wereld’. De putschisten maakten in dezelfde verklaring echter ook duidelijk dat de NAVO-verplichtingen zouden worden nakomen.[25] Het is daarom aannemelijk dat de seculiere retoriek bewust door de coupplegers werd gebruikt om te insinueren dat het een kemalistische junta was en geen Gülenistische.[26] Tevens is het op basis van de hele voorgeschiedenis niet onaannemelijk dat rechts-nationalistische elementen in het leger bij deze staatsgreep betrokken waren.

Dat gedeelte over het nakomen van NAVO-verplichtingen is van wezenlijk belang. Het is inmiddels duidelijk geworden dat die verplichtingen inderdaad in het gedrang zijn gekomen door de eigenwijze Erdoğan. Ook de AKP-regering lijkt zich namelijk keer op keer af te wenden van het Westen.[27] Erdoğans verontschuldigingen aan de Russsiche president Vladimir Poetin vanwege de door Turkse piloten neergehaalde Russische SU-24-straaljager werden bijvoorbeeld niet even goed ontvangen in het Westen. Inmiddels is gebleken dat deze piloten, die op 24 november 2015 bijna een oorlog tussen Rusland en Turkije uitlokten, ook betrokken waren bij de verprutste putsch van 15 juli 2016.[28]

Conclusie

Het gangbare narratief in de media schiet ernstig tekort om de huidige ontwikkelingen in Turkije te duiden. Het beeld van de islamistische dictator Erdoğan tegen het seculiere leger strookt simpelweg niet met de feiten. Alle voorgaande coup d’états werden gedaan door het Turks leger om pro-Amerikaanse redenen. De kemalistische beweging heeft echter al lang aan betekenis ingeboet: Turkije lijkt een andere weg in te slaan.

De Turkse staatsgrepen in 1960, 1971 en 1980 zijn alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de Koude Oorlog. Het leger was pro-Amerikaans en rechts-nationalistisch en probeerde bedreigingen vanuit met name de communistische hoek tegen te gaan. Het ging dus niet om het seculiere karakter van de staat, maar om de controle over de staat zelf. Het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat was vrijwel nooit een uitdrukkelijke doelstelling van de staatsgrepen, en voor zover het dat wel was, was het een voorwendsel of bijwerking. De coup van 1980 had echter duidelijk geen seculier karakter; de pro-Amerikaanse junta begon zelfs het proces van islamisering in Turkije.

De staatsgreep van 1997 had wel uitdrukkelijk een seculier, kemalistisch karakter, al speelde zonder meer mee dat de regering-Erkaban de banden met islamitische landen zou aanhalen ten koste van de banden met het Westen. Kort na deze geweldsloze coup kreeg Turkije weer een kemalistische regering onder Bülent Ecevit, die echter al gauw door de VS als een obstakel werd gezien. Ecevit wilde namelijk niet dat Turkije de naderende Irakoorlog zou faciliteren. De groeiende islamistische beweging werd daarom door de VS aangegrepen om haar invloed over de Turkse politiek te bestendigen. De VS zocht toenadering tot de AKP-partij van Recep Tayyip Erdoğan, die de steun genoot van de invloedrijke pro-Amerikaanse Hizmet-beweging van imam Fethullah Gülen. In de daaropvolgende periode is het kemalisme door middel van showprocessen uitgeschakeld in onder meer het Turkse leger.

Zodoende waren de enige twee overgebleven politieke bewegingen met wezenlijke macht de AK-partij van Erdoğan en de schaduwpartij van Gülen. Gaandeweg werd het evenwel duidelijk dat Erdoğan en zijn AKP helemaal niet zo’n goede bondgenoot hadden gevonden in Gülen en diens Hizmet-beweging. Het conflict dat uiteindelijk tussen de twee kampen uitbrak, spreekt voor zich. Het besluit van de AKP-regering om na de mislukte staatsgreep justitie, politie, leger, media en onderwijs te zuiveren van Gülenisten, en wellicht ook andere tegenstanders, is het laatste hoogtepunt van dit conflict.

De eigenwijze politiek van Erdoğan bracht hem verder keer op keer in conflict met de VS en de NAVO. Er is alle reden om aan te nemen dat de doelstelling van de mislukte staatsgreep ook nu weer niet lag in het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat, maar in het behouden van de controle over de staat zelf – te weten een pro-Amerikaanse staat. Dit verklaart ook die andere climax die zich voor onze ogen afspeelt: de escalerende diplomatieke crisis tussen de VS en de Turkse Republiek. Want wat de geschiedenis van het moderne Turkije ons duidelijk laat zien, is dat waar pro-Amerikaanse rook is, ook Amerikaans vuur is.


[1] https://tr.wikisource.org/wiki/27_May%C4%B1s_Darbe_Bildirisi

[2] http://www.radikal.com.tr/politika/gladyodan-ergenekona-yolculuk-893176/

[3] http://www.icj-cij.org/docket/?sum=367&p1=3&p2=3&case=70&p3=5

[4] http://www.jamestown.org/single/?no_cache=1&tx_ttnews%5Btt_news%5D=4557#.V49V6vmLRD9

[5] http://www.zerohedge.com/news/2016-07-19/turkey-latest-witch-hunts-accelerate-gulenist-media-shut-down-pilots-behind-russian-

[6] https://www.tbmm.gov.tr/sirasayi/donem24/yil01/ss376_Cilt1.pdf; https://en.wikipedia.org/wiki/1980_Turkish_coup_d%27%C3%A9tat#Result

[7] http://www.nytimes.com/2015/05/10/world/europe/kenan-evren-dies-at-97-led-turkeys-1980-coup.html

[8] https://tr.wikipedia.org/wiki/B%C3%BClent_Ecevit%27e_suikast_giri%C5%9Fimleri

[9] https://web.archive.org/web/20050316142641/http://www.turkishdailynews.com.tr/article.php?enewsid=8263

[10] http://www.hurriyetdailynews.com/us-had-uneasy-relationship-with-ecevit.aspx?pageID=438&n=us-had-uneasy-relationship-with-ecevit-2006-11-08

[11] http://news.bbc.co.uk/2/hi/europe/2810133.stm

[12] http://www.clinecenter.illinois.edu/research/affiliated/airbrush/

[13] http://www.volkskrant.nl/archief/afwachtende-reactie-van-eu-en-navo-op-turkse-regering~a441913/

[14] http://time100.time.com/2013/04/18/time-100/slide/fethullah-gulen/

[15] http://www.nu.nl/dvn/4295495/fethullah-gulen-en-waarom-zit-Erdoğan-achter-beweging.html

[16] https://www.opendemocracy.net/osman-softic/what-is-fethullah-g%C3%BClen%E2%80%99s-real-mission

[17] http://www.vox.com/2016/7/16/12204456/gulen-movement-explained

[18] http://www.fethullahgulen.nl/hot-interview-met-fethullah-gulen-corruptieschandaal-akp-en-turkije-wall-street-journal/

[19] http://www.trouw.nl/tr/nl/39561/Couppoging-Turkije/article/detail/4341742/2016/07/18/Gulen-de-zondebok-die-Erdoğan-heeft-aangewezen.dhtml

[20] https://www.theguardian.com/world/2000/sep/01/1

[21] https://web.archive.org/web/20070927235413/http://wwrn.org/article.php?idd=21432

[22] http://www.vox.com/2016/7/16/12204456/gulen-movement-explained

[23] http://www.nytimes.com/2014/02/27/world/europe/turkish-leader-disowns-trials-that-helped-him-tame-military.html

[24] http://www.bbc.com/news/world-europe-36815476

[25] https://en.wikipedia.org/wiki/Peace_at_Home_Council#Statement_and_analysis_thereof

[26] http://www.bbc.com/news/world-europe-36815476

[27] https:// http://www.novini.nl/turkije-its-the-geopolitiek-stupid/

[28] https://www.rt.com/news/352050-turkish-pilots-arrested-su24/

Posted on

Amerikaanse betrokkenheid frustreert vredesonderhandelingen Afghanistan

Vertegenwoordigers van Pakistan, Afghanistan, China en de Verenigde Staten hebben in de afgelopen maanden geprobeerd relaties tot stand te brengen met de Taliban, die delen van Afghanistan beheersen, om tot een vreedzame en stabiele situatie te komen.

Alle betrokken partijen hebben echter hun eigen, deels overlappende, belangen. De Taliban wil de pro-westerse regering aan de kant schuiven en een islamitisch bewind vestigen. De VS zijn voor de Taliban een vijand. Amerikaanse drone-aanvallen op Taliban-stellingen dragen bij aan de instabiele, gewelddadige situatie in het land, aangezien het merendeel van de slachtoffers burgers zijn, waaronder vrouwen en kinderen. De Afghaanse regering wil vooral vrede en stabiliteit bereiken, maar staat onder zware druk van de VS.

De Pakistaanse regering wil vooral haar eigen bewind uit de wind houden en de Taliban de ruimte geven zijn activiteiten op Afghanistan en niet op delen van Pakistan te richten.

Een complicerende factor is de Jalaluddin Haqqani. Het Haqqani-netwerk, dat zowel in Afghanistan als Pakistan actief is, beschouwt de Verenigde Staten als een terroristische organisatie en werkt actief samen met de Taliban.

AfPak

China wil een veilige transportroute door Pakistan naar de haven van Gwadar (foto: J. Patrick Fisher).
China wil een veilige transportroute door Pakistan naar de haven van Gwadar (foto: J. Patrick Fisher).

China heeft belang bij het tot stand brengen van veilige corridors voor gas- en oliepijpleidingen en spoorwegen, die onderdeel uit kunnen gaan maken van de Nieuwe Zijderoute. Voor China is vooral de route van de havenstad Gwadar, aan de Arabische Zee net buiten de Golf van Oman,  naar het noorden van Pakistan, oftewel de grens met China, van groot belang.

De VS pretenderen een vredesproces tot stand te willen brengen. In feite hebben de VS er voordeel bij de zwakke regeringen van Afghanistan en Pakistan in het zadel te houden, zodat ze de regio in de hand kunnen blijven houden. De VS hebben geen belang bij een stabilisatie van de regio, die ten gunste zou komen van de economische relatie van China en Pakistan.

Eerdere pogingen om vreedzame relaties tot stand te brengen in Afghanistan liepen stuk. In plaats van een vredesakkoord, begon de Taliban in diverse provincies een lenteoffensief, waarop het Afghaanse leger de tegenaanval in moest zetten.

Het grootste probleem in de vredesonderhandelingen in is de aanwezigheid van de Verenigde Staten. De Amerikanen willen hun aanwezigheid in het Rimland versterken en zijn bereid een escalatie van de spanningen op de koop toe te nemen. De Taliban zien de onderhandelingen dan ook als zinloos en willen er niet aan deelnemen. De Amerikanen zijn in dezen dus de verstorende factor, zonder hun aanwezigheid aan de onderhandelingstafel, zouden de andere partijen, die meer op stabilisatie uit zijn, eenvoudiger tot een akkoord kunnen komen.

Posted on

Europeanen weten niet wat oorlog is

Onderstaande tekst is een vertaling van fragmenten uit twee interviews van Boulevard Voltaire met Alain de Benoist, die op 18 en 29 november gepubliceerd werden. De schrijver, politiek-filosoof en journalist Alain de Benoist is een van de beeldbepalende personen van de Franse Nouvelle Droite.

Na de terroristische aanslagen in januari 2015 gingen miljoenen mensen de straat op en zeiden: “Ik ben Charlie!”. In de dagen na de aanslag van 13 november 2015 waren er slechts een paar manifestaties, maar wel één van ‘nationale rouw’ voor het Hôtel des Invalides. Vanwaar dit onderscheid?

Benoist: In januari hebben islamitische terroristen journalisten vermoord die ze ‘blasfemie’ verweten, en aansluitend Joden, met als enige reden dat het Joden waren. In dat geval was het voor de demonstranten, die goeddeels journalisten noch Joden waren, eenvoudig zich solidair te verklaren. De aanslagplegers van 13 november hebben daarentegen de bezoekers van de ‘Bataclan’ zonder onderscheid afgeslacht. Met deze ijskoude douche wilden ze ons laten zien, dat een ieder van ons een potentieel doelwit is. Ook al waren de daders in beide gevallen ‘geradicaliseerde’ criminelen, de boodschap was niet dezelfde. De aanslag op Charlie Hebdo had een religieuze achtergrond, die op de ‘Bataclan’ een politieke. De terroristen van 13 november hebben vergelding geoefend voor onze militaire betrokkenheid in Syrië. [De Franse president, François] Hollande heeft dat heel goed begrepen: Hij beval de luchtmacht per ommegaande, hun inzet te intensiveren, terwijl hij tegelijkertijd een groots opgezette diplomatieke rondgang ondernam. Zoals Dominique Jamet opmerkte: “We kunnen niet in een ver land oorlog voeren en in ons eigen land vrede hebben.” Wij voeren oorlog bij hun, zij voeren oorlog bij ons. Zo simpel is dat.

‘Nu is het oorlog!’ kopte Le Parisien de dag na de aanslagen van 13 november. “We bevinden ons in oorlog”, stelde ook premier Manuel Valls. Deelt u die mening?

Benoist: Natuurlijk. Maar waarom zou je nog extra benadrukken wat voor zich spreekt? Het eigenlijke probleem is dat we ons weliswaar in een oorlogssituatie bevinden, maar dat veel Fransen er überhaupt geen voorstelling van hebben wat dat eigenlijk betekent. Ze hebben op de tragedie geantwoord met de conventionele slagwoorden, die in de humanitaire, de sentimentele of de kinderlijk bescherming-zoekende categorieën vallen. Ze houden 1-minuut-stilten en steken kaarsjes aan, niet anders dan wanneer er een schietincident in een school plaats heeft gevonden, een vliegtuig is neergestort of een aardbeving heeft plaats gevonden. Ze verklaren dat ze ‘zich niet bang laten maken’, terwijl ze op ieder vals alarm als bange konijntjes reageren.  Er heersen angst, onzekerheid, psychose. Uiteindelijk verklaart men de aanslagen als een ontketening van onbegrijpelijk geweld, waarvan de auteurs ‘de dood liefhebben’ en de slachtoffers ‘het leven liefhebben’. Dit vocabulaire, deze houding, deze reacties zijn niet die van een volk dat begrepen heeft wat oorlog is.

Waar komt dit gebrek aan inzicht in de situatie vandaan?

Benoist: Ten eerste hebben we met een bijzondere combinatie van conventionele grondoorlog en terrorisme te maken, waarbij de vijand zijn strijders deels in ons eigen land rekruteert. Bovendien heeft niemand de Fransen toereikend uitgelegd waarom ze zich aan de zijde van de Amerikanen in een conflict tussen soennieten en sjiieten zouden moeten mengen, of waarom we hardnekkig iedere samenwerking met Syrië en Iran weigeren, die IS op de grond bestrijden, terwijl we tegelijkertijd de oliedictaturen aan de Golf het hof maken, die de jihadisten direct of indirect ondersteunen. Een dergelijk gebrek aan helderheid is voor het begrip niet bepaald bevorderlijk.

Nu klinkt het alsof de bereidheid tot verdediging een kwestie zou zijn van een redelijk uitgelegde reden voor de verdediging…

Benoist: Nee, de echte reden is natuurlijk een andere. Afgezien van de dekolonisatieoorlogen (Indochina, Algerije) leeft Frankrijk al 70 jaar in vrede.Dat betekent dat drie generaties de oorlog niet meer kennen, hem nooit beleefd hebben – een in de geschiedenis ongeziene situatie. In de collectieve voorstelling van de Europeanen is er geen oorlog meer, of preciezer gezegd: is er ‘bij ons’ geen oorlog meer. Ondanks de gebeurtenissen die Joegoslavië verscheurd hebben en ondanks de Oekraïne-crisis denken ze dat oorlog in Europa iets onmogelijks is geworden. Ze verbeelden zich dat het Europese opbouwproject een toestand van vrede heeft geschapen die eeuwig zal voortbestaan. Natuurlijk weet men dat het Franse leger in verschillende landen ‘missies’ uitvoert, maar men doet alsof men daar niets mee te maken heeft. Daarom spreken we ook van ‘apocalyptische scènes’ om de aanslagen te beschrijven, waarbij 130 slachtoffers vielen. Als dat ‘apocalyptisch’ is – wat blijft er dan nog aan woorden over om tijden als de Eerste Wereldoorlog te beschrijven, waarin op één dag 20.000 mensen om konden komen? We moeten begrijpen dat de vrede een fragiele zaak is en nooit de natuurlijke, vanzelfsprekende toestand van een maatschappij kan zijn. Ook in Europa.

De oude droom om ‘de oorlog af te schaffen’ blijft echter bestaan, hoewel er sinds de officiële afschaffing van de oorlog meer oorlogen op de wereld plaats vinden dan ooit tevoren.

Benoist: Dit is de geest van die pacifisten die ‘de oorlog bestrijden’ willen, zonder op te merken hoe paradox die leus is. Pacifisme betekent echter geenszins vrede, veeleer in tegendeel! In zijn in 1795 gepubliceerde verhandeling Zum ewigen Frieden verklaarde Kant de ‘eeuwige vrede’ tot postulaat van de praktische rede: “Nun spricht die moralisch-praktische Vernunft in uns ihr unwiderstehliches Veto aus: Es soll kein Krieg sein.” Men ziet, dat dit een vrome eed veronderstelt, want als het mogelijk was in de praxis om te zetten wat zich slechts in het bereik van de zuivere rede openbaart, dan zou er geen grond zijn om nog aan het onderscheid tussen empirie en metafysica vast te houden. Het Kantiaanse project stelde in werkelijkheid de metafysica boven de praxis. Vrede kan echter niet zonder oorlog gedacht worden en oorlog niet zonder vrede.

Wat betekent dat voor de politiek?

Benoist: Oorlog zal altijd een mogelijkheid blijven. Het zal ons nooit lukken zijn oorzaken te doen verdwijnen, aangezien we geen volledige controle kunnen hebben over de veelvoudige tegenstellingen en onverenigbaarheden, die voortkomen uit de aspiraties, waarden, belangen en plannen van de mensen. Ook de afschaffing van de natiestaat zou daar niets aan veranderen: In een ‘wereldstaat’ zouden de oorlogen tussen staten simpelweg vervangen worden door burgeroorlogen. We kunnen een vijand niet laten verdwijnen door onszelf tot vredesapostelen te verklaren, maar alleen door ons als sterker te bewijzen.

De ‘Islamitische Staat’ maakt geen geheim van haar verachting voor de westerse beschaving, die ze voor decadent houdt. Wat vindt u daarvan?

Benoist: De decadentie van het huidige Westen is een feit. Het klopt eveneens dat de interventies van het Westen in het Midden-Oosten sinds 1990 burgeroorlogen en chaos hebben voortgebracht. Onze defecten verheerlijken zou echter het slechtst denkbare antwoord zijn. In tegendeel, het is onze decadentie, die ons op suïcidale wijze eraan herinnert, dat we ons tegen het jihadisme moeten verweren. François Hollande moedigde ons al kort na de aanslagen in januari aan om te blijven ‘consumeren’, en onlangs beval hij het zoeken van ‘amusement’ aan. De ceremonie voor Des Invalides bespeelde de emoties van de mensen, maar het was geen oproep tot de strijd. Met variété-schlagers zullen we geen moed en wilskracht voortbrengen. Zoals Olivier Zajec schreef: “Het zijn de naties, en niet de consumptie of de moraal, die de wereld weer een vorm en een zin geven.” Oorlog is een verwijzing naar anderen die ook een verwijzing naar zichzelf impliceert. Dat wil zeggen: “Als we willen onderkennen wat onze belangen zijn, dan moeten we eerst onderkennen wie we zelf zijn” (Hubert Védrine). Europa heeft, in het aangezicht van een universalisme dat tot ontworteling leidt, geen andere keus dan zijn constitutief eigene te bekrachtigen.

Posted on

Ontketent Zweedse erkenning Westelijke Sahara nieuwe ‘Arabische lente’?

Zweden onderneemt als eerste lidstaat van de Europese Unie stappen om de Arabische Democratische Republiek Sahara (ADRS), beter bekend als ‘Westelijke Sahara’, officieel als onafhankelijke staat te erkennen. Daartoe wordt in de Zweedse Rijksdag momenteel een wetsvoorstel ontworpen.

In westerse media is tot nog toe geen aandacht besteed aan de Zweedse stappen, maar in Marokko, dat de Westelijke Sahara als deel van zijn grondgebied beschouwt en het grootste deel ervan militair onder controle heeft, worden de ontwikkelingen op de voet gevolgd.

Zo verklaarde de Marokkaanse overheid eind september dat een nieuwe vestiging van Ikea bij Casablanca niet kon openen vanwege het ontbreken van een wettelijk voorgeschreven certificaat. Intussen heeft de Marokkaanse regering officieel een algemeen boycot van Zweedse producten en bedrijven afgekondigd. Door deze economische druk hoopt Marokko de Zweedse politiek van haar voornemen af te brengen. Men vreest in Rabat namelijk dat de Zweedse stap aanleiding zou kunnen zijn voor andere Europese staten om de Westelijke Sahara ook als onafhankelijke staat te erkennen. De Zweedse regering probeerde de Marokkaanse onrust te sussen. Zo benadrukten zowel minister van Buitenlandse Zaken Margot Wallström als premier Stefan Löfven dat de regering geen besluit heeft genomen maar de uitkomst van een evaluatie afwacht. Hun sociaaldemocratische partij is echter de drijvende kracht achter de initiatieven om Westelijke Sahara als onafhankelijke staat met de ADRS als regering te erkennen.

WesternsaharamapDe Westelijke Sahara werd eind negentiende eeuw een kolonie van Spanje. Toen het in 1975 onafhankelijk werd, werd het ingenomen door Marokko en Mauritanië, terwijl Algerije in 1976 de oprichting van de ADRS door de gewapende onafhankelijkheidsbeweging ‘Polisario’ steunde. Mauritanië heeft zich inmiddels teruggetrokken uit de Westelijke Sahara, maar Marokko bezet nog altijd het grootste deel van het land, waaronder de gehele kuststrook, terwijl het ADRS slechts de controle heeft over ongeveer een vijfde van het grondgebied.

Een interessant punt is dat Marokko vanouds een ‘geprivilegieerd partner’ is van de Verenigde Staten, het koninkrijk Marokko was in 1777 het eerste land dat de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten erkende. Onder president George W. Bush werd Marokko zelfs als ‘major non-NATO ally’ (voorname niet-NAVO-bondgenoot) aangemerkt. Marokko onderhoudt echter ook goede banden met de Golfstaten en met name met Saoedi-Arabië. Ook het geprivilegieerde partnerschap van dat laatste land met Amerika liep door de jongste ontwikkelingen schade op. Daarbij spelen, naast geostrategische overwegingen van de VS voor een omvorming van het Midden-Oosten op de lange termijn, om het recente Amerikaanse vergelijk met Iran en de Amerikaanse aversie tegen de nauw met Riaad verbonden nieuwe Egyptische regering een rol. Daarbij komt dat Marokko niet alleen een bestanddeel van de door de Saoedi’s aangevoerde soennitische coalitie tegen de Houthi-rebellen in Jemen is, maar ook bijdraagt aan de ideologische rechtvaardiging daarvan, door de afstamming van het Marokkaanse koningshuis van de profeet Mohammed.

Als diverse Europese staten ertoe over zouden gaan de Westelijke Sahara als een onafhankelijke staat te erkennen, dan kan Marokko een volksraadpleging over de politieke toekomst van het gebied niet langer afhouden. Wanneer men alleen de inheemse bevolking en niet de Marokkanen die zich sinds de jaren zeventig in het gebied gevestigd hebben, zou raadplegen, zou zo’n plebisciet vrijwel zeker tot onafhankelijkheid leiden.

Het verlies van de Westelijke Sahara zou voor Marokko een belangrijk economisch verlies inhouden, vanwege de grondstoffen in het gebied (met name fosfaat), maar vooral vanwege de exclusieve economische zone, met name relevant vanwege de rijke visgronden in dat deel van de Atlantische Oceaan. Bovendien zou het ernstige schade toebrengen aan het Marokkaanse gevoel van nationale trots, wat tot politieke onrust zou kunnen leiden. Intussen komen er uit de regio rond Tindouf, in het zuidwesten van Algerije, berichten over activiteiten van Al Qaida-ronselaars onder vluchtelingen uit Westelijke Sahara.

De vraag is dan ook of we hier louter te maken hebben met onbesuisde, ideologisch gedreven politiek van de Zweden, of dat er ook een ander belang meespeelt, bijvoorbeeld om de Maghreb verder te destabiliseren met het oog op een nieuwe toename van de migratiestromen naar Europa.