Posted on 1 Comment

Hedonistische technocratie houdt ons gevangen in post-adolescentie

Eerder dit jaar filosofeerde ik over het boek Keep the Aspidistra Flying. Daarin maakt George Orwell invoelbaar hoe banaal en afgestompt het leven van de Britse middenklasse was. Nadien verscheen er in Nederland een boek met een soortelijk thema: het is geschreven door Mel Bontje en heet Bart Mittendorf, een zak met niets. Van de film The Matrix (1999) kennen we allemaal de keuze tussen de blauwe en de rode pil. Wie de rode pil slikt, wordt wakker in de harde realiteit maar leeft wel in de authentieke waarheid. De blauwe pil betekent weer in slaap vallen en wegdromen bij comfortabele leugens.

Laat me daarom tevoren één opmerking maken: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar. Reader beware.

Het verhaal heeft raakvlakken met films als Fight Club (1999) en Noise (2007). In Noise ontmoet een man die is voorbestemd voor het leven van de familie doorzon een even wellustige als gewillige filosofiestudente. Zij prikkelt zijn geest en vervult zijn oerinstincten. Hierdoor ziet hij in een moment van helderheid hoe hij gebukt gaat onder een hedonistische technocratie: hij breekt los uit zijn routinebestaan en besluit volledig break the system te gaan.

Vanaf de openingspagina is duidelijk welke auteur voor Mel Bontje een grote inspirator is. Seks in een boek is één ding, maar waarom toch die fascinatie met zelfbevlekking? Een ander feit dat in het oog springt is dat de auteur doorklinkt in de gesprekken. Hij laat zich kennen in zowel zijn fascinatie met aftandsheid en verval, als in zijn erudiete woordkeuzes om sociale analyses uit te drukken. Dit rijmt niet overal met de personages: het zijn deftige zinnen waarmee de jonge geest absoluut en doordringend oordeelt over de werkelijkheid.

De hoofdpersoon Bart Mittendorf loopt een zielloze haptent binnen. “Het enige speelse in de zaak was het geluid van het borrelende frituurvet” (p.38). Elke pagina kent dergelijke zinnen – de auteur is duidelijk getalenteerd. Wel geven de personages lange, gestileerde commentaren op de maatschappij en op wat er speelt in hun leven. Deze reflecties vinden plaats binnen situaties die daar soms te vluchtig voor lijken.

Via deze commentaren drukt het boek het afgrijzen uit van het vooruitzicht een diploma te halen bij een instituut dat zich niet om je bekommert, om vervolgens in dienst te treden bij een bedrijf dat zich niet om je bekommert. Ondertussen een sprankelend en levenslustig enthousiasme veinzend om jezelf ‘in de markt te zetten’ – dit afgrijzen wordt met drank, drugs of Netflix gekalmeerd en dit noemen we ‘vrijheid’.

“Ik heb het geprobeerd, maar ik kwam erachter dat ik geen geluk haal uit een leven dat bestaat uit interactie met jongens en meisjes die hun gebrek aan authenticiteit verschuilen achter maat- en mantelpakjes […] Alles voor het behalen van validatie in een absurde, ontwortelde en volledig vervlakte realiteitscontext. Niemand was meer dan een mislukte reproductie van een vacatureomschrijving.” (p.16-7)

Het type leven dat zojuist werd omschreven hebben we ook nog eens uitgeroepen tot het hoogst haalbare in de menselijke geschiedenis, namelijk ‘liberale democratie’. En zo stuurt het boek ons indirect in de richting van een levenswijsheid: niet het hebben van een hoog inkomen is het geheim van de vrijheid, maar het hebben van een laag uitgavenpatroon. De auteur verwoordt dit als volgt: “Zijn buikvet zou schuilgaan achter een maathemd van dure stof. Dag in dag uit zou hij gehuld moeten gaan in een mantel van leugens en opgaan in de grijze massa der kantoorschepsels tot hij niet beter zou weten. Toch wilde hij de chaos in zijn ziel niet laten bedwingen door de dwangbuis van het bedrijfsleven.” (p.17)

De kernzin van het boek – en feitelijk van de Westerse cultuur – vinden we op pagina 52: “Niets dwong me om serieus te worden.” Oftewel de hedonistische technocratie houdt ons gevangen in een post-adolescentie. Het is normaal dat je na je afstuderen een vaste baan vindt met een degelijk salaris en dan een gezin sticht. Tenminste dat geldt voor een beschaving die wil voortbestaan. Onze realiteit na het afstuderen is tig onbetaalde stages, nul urencontracten, tien jaar Tinderen, een leven lang huurwoningen.

Échte volwassenheid betekent in deze situatie: een slaaf worden van het systeem. Steeds meer jongvolwassenen zien dit en slikken de rode pil. Ik ken een arts die maandelijks 4.000 euro verdient en 2.500 overhoudt. Ik ken een consultant die 5.000 verdient en 2.800 overhoudt. Beiden werken dag en nacht. De auteur beschrijft soortgelijke situaties en concludeert dat we welbeschouwd werkvee zijn van een globale elite, die jongeren met kosmopolitische propaganda bestookt om hen in dit keurslijf te lokken:

“Hoe langer de jonge westerling op reis is, hoe meer hij gaat geloven in de maakbaarheid van de wereld, het ideaal van mondiaal pacifisme en postmoderne theorieën. In de Berlijnse hostels krioelt het van de cultuurmarxisten: types die het als hun levensdoel zien om zich op te werpen voor alles wat zwak en zielig is. Ze willen niets liever dan zichzelf wegcijferen voor alles dat als minderheid, onderdrukt of achtergesteld bestempeld kan worden. Het Berlijnse jeugdhostel is de bunker van de Gutmensch.” (p.56)

Dat de welbespraaktheid van de personages niet overal rijmt met hun sociale stratificatie, maakt echter niet dat het geen leuke personages zijn om over te lezen. Neem nu Vera – zij wordt omschreven als slank, blond en goed in vorm. “Vera zweeg, legde haar hand op Barts rug, bracht haar lippen richting zijn hals en klom langzaam op zijn schoot. Ze zat met haar gezicht naar hem toe, met zijn neus onder haar boezem” (p.56). Dit personage vervult een belangrijke pedagogische rol: Vera’s geile gekronkel leert jeugdige lezers dat cultuurrealisme en postprogressivisme wel degelijk kunnen leiden tot goede seks.

Dit is een passend moment om kort iets te zeggen over Houellebecq, met wiens proza er vele gelijkenissen zijn. “Mijn wanstaltige voorkomen zou ze met een enkele blik veroordelen. Zonder woorden zou ze de verwerpelijkheid van mijn gedaante in volle helderheid bevestigen” (p.35). Deze Franse schrijver wordt soms ‘vrouwonvriendelijkheid’ verweten oftewel misogynie – het tegendeel is waar. Deze auteur die in de verleidingskunst wat klungelig is, maakt zijn vrouwelijke personages tot lustvolle sletten die zélf het contact initiëren. ‘Sletterig’ is hier niet in een negatieve zin bedoeld, maar juist in een sekspositieve. De vrouwelijke karakters die hun genot najagen zijn uiterst geëmancipeerd.

Het enige kritiekpunt op Bart Mittendorf is dat de auteur mogelijk teveel doorschijnt in de erudiete volzinnen van de personages. De dialogen van de personages zijn soms te intelligent geschreven voor de proleten die ze zijn. Maar al met al is dit een perfect jeugd- en avonturenboek dat de huidige tijdsgeest weerspiegelt. De anti-Steppenwulf.

“Rustig blijven we onze dagelijkse taken uitvoeren; we hopen dat iedereen elkaar ooit, zonde enige vorm van wrok, de hand zal reiken. In lijn met de Duitse filosoof Johann Gottfried von Herder stellen we ons voor dat culturen elkaar prachtig aanvullen, zoals bloemen in een tuin. Wat we vergeten is dat al die bloemen snakken naar licht, ruimte en lucht. Het hardnekkigste onkruid zal de dienst gaan uitmaken en al het overige verdringen. We laten iedereen binnen en zien alles steeds verder naar de klote gaan. Hierover durven we geen oordeel te vellen.” (p.63)

“We worden uitgeleverd door een politieke elite die zijn machtsgeile gezicht verschuilt achter een masker van valse humanitaire waarden. Het is de neomarxistische elite die de fatale baksteen in het bloedende gezicht van Europa smijt. Ik kan het niet accepteren om als nietszeggend schepsel te worden vertrapt onder de schoenzolen van de botsende beschavingen.” (p.64)

“In de menigte leek iedereen op elkaar: het kroost van het kroost van 68-ers.” (p.77)

“We zijn te laf om de slijmerige realiteit te ontsluieren. Tot dat moment, het moment dat we onszelf hebben ontdaan van de leugen, zullen we enkel leven om vergeten te worden, tot niets groots in staat zijn en louter onzinnig slavengedrag vertonen.” (p.22)

De schrijver Mel Bontje zal natuurlijk niet worden ‘ontdekt’ door ‘kwaliteitsmedia’: daarvoor is het deuggehalte onvoldoende – zo zal duidelijk zijn uit het bovenstaande meesterlijke proza. Maar het boek is zéker de moeite van het lezen waard. Misschien is het hier en daar zelfs net te gepassioneerd geschreven ‘for his own good’. Zoals ik al zei: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar.

Op zaterdag 29 september om 15:00 uur vindt een boekpresentatie plaats van het boek ‘Bart Mittendorf. Een Zak Met Niets’ in Boekhandel Cursief te Gorinchem. Meer informatie hier: https://www.facebook.com/events/1129092800581064/

Posted on

Wat Hubert Smeets niet snapt over ’68 en cultuurmarxisme

1968, dit jaar 50 jaar geleden. De eerste herdenkingsnummers liggen al in de winkel. Hubert Smeets, Oost-Europa expert en columnist van NRC Handelsblad, doet op een van de eerste dagen van dit jubileumjaar in zijn krant ook een duit in het zakje. Zijn insteek is niet de opstandige minderheid van studenten die in dat jaar de straten en universiteiten van een groot aantal westerse steden bezette, maar het ‘cultuur-marxisme’. Volgens de oud-correspondent maken “nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika” een fout door de geest van ’68 te zien als “als bron van al het kwaad dat ons teistert”. 1968 was juist “een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme ten onder zou gaan”.

Smeets maakt niet alleen een karikatuur van het begrip ‘cultuur-marxisme’, hij laat ook zien dat hij er niets van heeft begrepen. De voorbeelden die hij noemt – Dubcek in Tsjechoslowakije, Michnik in Polen en Sacharov in de Sovjetunie – zijn volstrekt willekeurig. Want 1968 was ook het jaar van het Tet-offensief in Vietnam, waarmee de communisten in Hanoi lieten zien dat ze nog lang niet verslagen waren. 1968 was ook het jaar waarin Mao Zedong, dankzij de Culturele Revolutie die hij twee jaar eerder had uitgeroepen, zijn macht over de Communistische Partij versterkte. 1968 tenslotte was ook het jaar waarin de Khmer Rouge, een tot dan toe onbekende illegale beweging, voor het eerst een landelijke opstand in Cambodja ontketende. Maar deze gebeurtenissen verdonkeremaant Smeets, omdat ze niet in zijn kraam te pas komen. Iets wat hij de critici van de geest van ’68 juist verwijt.

Want voor die critici, die het begrip ‘cultuur-marxisme’ hebben gemunt, is het jaartal 1968 slechts een symbool. De geest van ’68 mag dan wel in dat jaar met veel rumoer van zich laten horen, de geestelijke wortels van de studentenbeweging reiken veel dieper in de geschiedenis. Historici van het beruchte decennium noemen daarvoor een instituut, de Frankfurter Schule. Deze groep van Duitse sociologen en filosofen begon voor de Tweede Wereldoorlog vanuit een marxistische visie kritiek te leveren op maatschappelijke structuren. Na hun vlucht naar de Verenigde Staten na de machtsovername van Hitler cs. vonden de ideeën van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Fromm steeds meer ingang op de Amerikaanse universiteiten. Hun boeken gingen in de jaren zestig van hand tot hand.

De kritiek op de soixant-huitards – getypeerd als ‘cultuur-marxisme’ – richt zich niet op de voormalige socialistische heilstaten in het oosten. De kritiek richt zich op de macht van de babyboomers in de media en het onderwijs in westerse landen. In het Oostblok heeft de bevolking zich op eigen kracht vrijgevochten van het communistische juk. In het Westen heeft het (cultuur)marxisme tot in de diepste poriën van de samenleving haar invloed doen gelden (een overwinning waar de communistische machthebbers van toen alleen maar over konden dromen). En de ironie, die Smeets ook niet noemt, is dat de voormalige Oostbloklanden politiek gezien duidelijk afstand nemen van de ‘cultuur-marxistische’ verworvenheden, terwijl de met Mao-vlaggen zwaaiende en met Che Guevara-buttons getooide vertegenwoordigers van de generatie van 1968 vijf decennia lang hun invloed uit konden oefenen in de westerse samenlevingen. Op dat laatste richt de conservatieve kritiek anno 2018 zich.

Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

Een briljant beschreven rit naar het einde van de beschaving

Meestal zijn jonge mensen vol enthousiasme en hoop over het leven dat voor hen ligt. Zo niet Sid Lukkassen, die, geboren in 1987, in zijn boek ‘De democratie en haar media’ een scherpe blik toont voor de gebrekkige samenwerking tussen de kiezers en hun vertegenwoordigers in de huidige democratie. Het boek eindigt met de metafoor van de verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht. Vanaf het begin tot het einde werkt het boek naar deze metafoor toe.

Het is ook geen detective waarvan je de clou niet mag verraden; het is een boek dat vanuit filosofische grondslagen onderzoekt waarom de communicatie tussen burgers in de overheid en burgers buiten de overheid niet wil leiden tot het geluk dat volgens Aristoteles het uiteindelijke levensdoel is. 

De drie hoofddelen van het boek

Het boek is grofweg in te delen in 3 delen (hoewel ze niet volledig binnen de hoofdstukken zijn te scheiden): Het eerste deel omvat de eerste 3 hoofdstukken en behandelt meerdere filosofen, zoals Rousseau, Rosanvallon, Nida-Rümelin, Ortega y Gasset, Crouch, en Byung-Chul Han. Deze filosofen uit de 18e, 19e en 20e eeuw worden na en naast elkaar behandeld. Zonder de onvermijdelijke complexiteit te ontwijken maakt het boek veel duidelijk. Weliswaar zijn er beperkingen bij de oudere filosofen merkbaar – omdat hun wereld nou eenmaal scherp verschilt van de onze – maar tegelijk blijkt ook dat de kern van hun bevindingen in grote mate overeind blijft. De mens heeft nu immers wel meer mogelijkheden voor communicatie, maar is en blijft nog steeds mens. Het is hierom mogelijk om Plato en Rawls naast elkaar te zetten al zitten er 23 eeuwen tussen hun levens.

Het tweede deel omsluit de hoofdstukken 4 t/m 7: hierin ligt het accent, vanuit deze filosofische beschouwingen en vergelijkingen, op de praktische uitwerking van de hedendaagse communicatiemogelijkheden op de democratie van vandaag. Gelardeerd met herkenbare en actuele voorbeelden maken de filosofische inzichten duidelijk hoe democratie zich in de praktijk ontwikkelde tot een kakofonie van stemmen en meningen in deze 21e eeuw.

Tenslotte is er het laatste hoofdstuk waarin aan de hand van 19 stellingen een ultieme invulling wordt gegeven aan hetgeen in het tweede deel al was voorbereid en waarin ook de filosofische fundamenten uit het eerste deel feilloos verweven zijn. Hier heeft de filosoof zijn ivoren toren verlaten en bewijst hij dat alle wijsheid uit deze ivoren toren naadloos terugkomt in de wereld waarin wij – eenvoudige mensen – onze rijke samenleving overdacht en onomkeerbaar naar de verdoemenis helpen.

Kan een democratie de eigen bestaansvoorwaarden zeker stellen?

Om de rode draad in zijn boek te borgen onderzoekt Lukkassen twee vragen: “Is het mogelijk dat een liberaal-democratische samenleving moreel kapitaal als burgerdeugd en vrijheidsliefde kan garanderen” en de vraag of het mogelijk is “dat de representatieve democratie is gebaseerd op communicatieve voorwaarden die deze democratie zelf maar in beperkte mate kan waarborgen.”

Lukkassen wijst hierbij met name op het belang van een mate van Öffentlichkeit (of public sphere) om te garanderen dat op deze vragen een positief antwoord gegeven kan worden. Het boek onderbouwt vervolgens dat deze mate van Öffentlichkeit in meerdere opzichten ontbreekt, waardoor dit positieve antwoord onvermijdelijk uit moet blijven.

Soundbites bevorderen vluchtige conclusies

Zo wijst hij onder meer op de grote ophef in het Midden-Oosten over het boek De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Deze ophef draaide puur rond beeldvorming, aangezien dit boek in dat deel van de wereld niet te koop was en dus niet werd gelezen. Het is één van de vele voorbeelden van beeldcultuur in dit boek. Een vergelijkbaar punt maakt hij met het simulacrum: een kopie van een origineel dat nooit bestaan heeft. Hierdoor kan – ook in onze open democratie – een bestaand beeld worden vervormd door (of tot) een soundbite. En terwijl het origineel beschikbaar is om te beoordelen richt de massa zich op het beeld dat is geschapen door het verkorte (en vaak: verknipte) bericht.

Zo neemt Lukkassen ons mee in een samenspel tussen deliberatie en acceleratie. Overpeinzing en vluchtigheid. Doordachte studies en vluchtige conclusies. Een samenspel waarin de menselijke geest onverbiddelijk wordt doorgrond in haar fatale zucht naar onlogische keuzes.

Het meest opmerkelijke van het boek is echter dat Lukkassen met dit boek zijn eigen ongelijk bewijst. Waar hij in alle geledingen van het boek aantoont dat grondig, inhoudelijk onderzoek het aflegt tegen soundbites en andere vormen van Twitter-geweld, doet hij dat in de hoge mate van deskundigheid, eruditie en grondigheid. De kwaliteiten waarvan hij aantoont dat ze in onze wereld geen schijn van kans hebben om gehoord te worden. Daarbij ondersteunt hij de kracht van het boek door columns en podcasts (verspreid via Facebook en e-mail) waarin niet alleen eenzelfde grondigheid aanwezig is, maar zelfs de poging tot vluchtigheid ontbreekt terwijl deze gremia zich juist uitstekend lenen voor vluchtigheid.

Het boek kan ons juist redden van de ondergang

Juist hierdoor ben ik van mening dat dit boek een basis legt die uitdaagt om steeds opnieuw te bestuderen en doordenken en daarmee bijdraagt aan de kracht van de samenleving waar hij zoveel zorgen over heeft. Hoewel Lukkassen zelf ongetwijfeld zou tegenwerpen dat deze visies structureel worden vermeden bij de breder bekeken programma’s, zoals die van Pauw, Jinek, Humberto Tan en Matthijs van Nieuwkerk. En dat zelfs de kranten deze bevindingen mijden, omdat de boodschap niet past in een links-liberaal tsjakka-optimisme, noch in de inmiddels van links tot rechts gedeelde veronderstellingen van techno-hedonisme, de kneedbare persoonlijkheid en de maakbare samenleving. Kortom, Lukkassen zou er op wijzen dat zijn inzichten niet doordringen tot een politieke werkelijkheid die meer door baantjes, vriendjes en korte lijntjes met het bedrijfsleven wordt bepaald dan door ethische principes of een vorming die deels op cultuurhistorische kennis berust.

Nu moet de koper van het boek zich voorbereiden op een forse intellectuele inspanning – in het begin zet het boek de grondbegrippen en stellingen uiteen en leest daarna prettig weg. Deze inspanning is het zeker waard omdat de lezer wordt gestimuleerd c.q. gedwongen om een strakker beeld te krijgen van de opbouw van ons onbewuste besef van communicatieve mogelijkheden.

Conclusie: het boek helpt ons een kloof te overbruggen

Lukkassen legt scherp de vinger op de scheiding tussen de massa en de leiders van een staat. Leiders zijn in staat om de waarde van dit soort grondige studies te (h)erkennen; juist door de kracht ervan toe te passen in hun handelen kunnen zij de twitterende burger leiden naar een krachtige samenleving. Zo kan juist dit boek voorkomen dat onze samenleving eindigt in het doembeeld van een verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht; een waarschuwing die Lukkassen ons vanaf de eerste bladzijde voorhoudt.

N.a.v. Sid Lukkassen, De democratie en haar media (Groningen: De Blauwe Tijger, 2017) paperback met flappen, 400 pagina’s.

Posted on

Sid Lukkassen analyseert de zelfmoordfilosofie van het Avondland

Destijds kwam ik Sid Lukkassen tegen op een bijeenkomst van GeenStijl/GeenPeil. Het ging over het referendum aangaande het Oekraïne-Verdrag. Sid overhandigde mij een exemplaar van zijn boek Avondland en Identiteit. Nu de derde druk is uitgekomen is de tijd rijp voor deze recensie.

Geestverwantschap
Mede door tijdgebrek, maar ook omdat ik wist dat zijn ideeën erg met de mijne corresponderen, legde ik het boek weg en lag het maanden ongelezen in m’n boekenkast. Juist omdat Lukkassens overtuigingen zo vergelijkbaar zijn met de mijne, was ik enigszins terughoudend. Ik had iets van een vrees dat ik wellicht minder origineel zou worden in mijn eigen schrijfsels als ik zijn boek gelezen zou hebben.

Wel, ik ging op vakantie en nam een aantal boeken mee, waaronder Sids boek. Hoewel ik reeds besefte dat we politiek, filosofisch, en historisch gezien geestverwanten waren, bleek dit meer dan ooit bij het lezen van dit boek. Daar waar ik gewend ben vrijwel in elk artikel in de mainstream media historische fouten of belachelijke, onwetenschappelijke – maar politiek-correcte – aannames aan te treffen, was zijn boek een zeldzame geestelijke herkenning.

Het resoluut verwerpen van ieder policorisme
Avondland en Identiteit geeft een korte maar daarom juist goed te volgen uitleg van het cultureel marxisme. Één van de sterke punten is overigens dat hij niet te schuw is om deze term daadwerkelijk te gebruiken. Daar waar een auteur als Thierry Baudet nog het wat veilige ‘oikofobie’ gebruikt, is Lukkassen resoluut met zijn drang om iedere vorm van (halve) politieke correctheid van zich af te werpen. Daar valt hij zeker om te prijzen.

Hoewel het cultureel marxisme zeer breed is, diept hij vooral de extreem slechte invloed van het feminisme (deel van het cultureel marxisme) uit. Hij beschrijft niet alleen dat dit één van de hoofdredenen is waardoor het Westen in diepe demografische problemen is geraak; hij gaat vooral in op de geknakte masculiniteit van de meeste hedendaagse westerse mannen. Dit zijn gedomesticeerde mannen die zich niet langer kunnen oprichten om hun volk en vaderland fatsoenlijk te verdedigen. Mede daarom laten zij hun continent islamiseren en koloniseren.

Mannen zonder borst
Tevens neemt hij de huidige consumptiemaatschappij en haar hedonistische en nihilistische ‘waarden’ onder de loep. Terecht constateert de auteur dat Europa, of zelfs het volledige Westen, in een soort gelukzalige zelfmoordfilosofie is gaan geloven. Hierin bestaan de hoogste ‘waarden’ uit het roepen dat ‘iedereen welkom is’, zonder dat er zelfs maar een vraagteken bij dat beleid geplaatst mag worden. Daarmee constateren we dan ook de progressieve aanval op het intellect en zelfs de bèta-wetenschap. Want strookt het niet met de politiek-correcte censuur, dan is het ‘fout’ – zelfs als het empirisch bewijsbaar is.

Ook gaat Lukkassen in op de strijd tussen het globalisme en het nationalisme. Hij constateert terecht dat het globalisme de schatrijke elite van bankiers, multinationals en ook eurocraten goed uit komt, maar verwoestend is voor zowel de middenklasse als de onderklasse van de maatschappij. Tevens geeft hij min of meer toe dat de gevestigde partijen CDA, VVD, D66 en de PvdA vrijwel inwisselbaar zijn geworden. Het boek beschrijft bijvoorbeeld hoe iemand binnen enkele dagen van de VVD overstapte naar de PvdA, omdat er een baantje bij de PvdA was beloofd. Terwijl de auteur zelf nota bene VVD’er is. Overigens spaart hij zijn eigen partij wel vaker niet in zijn boek.

Standpunten over Rusland en de EU
Als ik al kritiekpunten heb, dan is het zijn Rusland-standpunt. De kaft van het boek suggereert dat Rusland imperiale ambities zou koesteren en de auteur stelt dat Rusland een (groot) aandeel heeft in het Oekraïne-conflict. Met deze mening ben ik het fundamenteel oneens. Niet alleen hadden de VS en de EU de hand in de coup tegen de democratisch gekozen pro-Russische regering in Kiev: ook hebben de NAVO en de EU tegen de afspraken in naar het oosten uitgebreid. Juist de EU en de VS waren/zijn de imperialistische partij.

Tevens is Lukkassen van mening dat de EU op zichzelf niet slecht is als tegenwicht tegen andere blokken als de VS, Rusland en China. Hij zou het alleen om willen vormen door Europees-nationalistische leiders aan het roer te zetten – leiders die zich inzetten voor het behoud van het traditionele cultuurkarakter van Europa. Op zich is dit een sympathiek streven maar mijns inziens onrealistisch. Persoonlijk ben ik van mening dat de EU veel te diep cultureel marxistisch is om te kunnen worden hervormd. Bij pogingen daartoe kunnen we kostbare tijd verdoen. Logischer is het dus om voor uittreding te blijven pleiten en zo mede door die uittreding tot een implosie van de EU te komen.

Ten slotte zijn ook het voorwoord van Thierry Baudet en de nabespiegeling van Derk Jan Eppink zeer de moeite waard. Hoewel zij merkbaar hun best doen om met een optimistische blik te eindigen; ze proberen een soort hoopvolle eindnoot te forceren. Dit kan wat krampachtig overkomen – het boek zelf is namelijk nietsontziend in zijn analyse en methode. Lukkassen heeft duidelijk geen behoefte aan valse hoop.

N.a.v. Sid Lukkassen, Avondland en Identiteit (Aspekt, 2015), paperback, 348 pagina’s.

Posted on

Is Poetin de staatsman bij uitstek van onze tijd?

“Als we gebruik zouden maken van traditionele maatstaven voor het begrijpen van leiders, die draaien om de verdediging van grenzen en nationale bloei, dan zou Poetin als de staatsman bij uitstek van onze tijd gelden. [..] Wie zou zich op het wereldtoneel met hem kunnen meten?”, zo vraagt Chris Caldwell zich af in een opmerkelijk essay in het maart-nummer van Imprimis, het tijdschrift van Hillsdale College.

Wat verheft Poetin boven alle andere leiders van de 21e eeuw?

“Toen Poetin aan de macht kwam in de winter van 1999-2000, was zijn land weerloos. Het was bankroet. De buit werd verdeeld door zijn nieuwe kleptocratische elites, in samenspanning met zijn oude imperiale rivalen, de Amerikanen. Poetin bracht daar verandering in.”

“In het eerste decennium van deze eeuw, deed hij wat Kemal Atatürk in Turkije deed in de jaren ’20. Uit een verbrokkelend rijk, richtte hij een natiestaat op, en gaf er samenhang en een doel aan. Hij disciplineerde de plutocraten van zijn land. Hij herstelde de militaire slagkracht. En hij weigerde, met steeds onverbloemder retoriek, om zich neer te leggen bij een ondergeschikte rol voor Rusland in een door de Amerikanen gerund wereldsysteem, ontworpen door buitenlandse politici en zakenlieden. Zijn kiezers zien hem als iemand die zijn land gered heeft.”

De steun onder de bevolking voor Poetins regering is, na 17 jaar aan de macht, groter dan die van welke westerse leider dan ook. Zijn indrukwekkende stappen naar het weer groot maken van Rusland verklaren waarom hij zowel binnenlands als onder de Russische diaspora in ere gehouden wordt, maar wat verklaart Poetins aantrekkingskracht in het Westen, ondanks het feit dat hij de westerse media minstens even tegen zich heeft als president Trump?

Antwoord: Poetin weerstaat de westerse progressieve visie op wat de toekomst van de mensheid zou moeten zijn. Jaren geleden stelde hij zich al op één lijn met traditionalisten, nationalisten en populisten in het Westen, en tegen wat zij waren gaan verachten in hun eigen decadente beschaving.

Wat zij verafschuwden, verafschuwde Poetin. Hij is een ‘god-en-vaderland’ Russische patriot. Hij verwerpt de Nieuwe Wereldorde die tegen het einde van de Koude oorlog door de Verenigde Staten gevestigd werd. Poetin stelt Rusland voorop.

En in het trotseren van de Amerikanen spreekt hij voor die miljoenen Europeanen die hun nationale identiteiten willen herstellen en hun verloren soevereiniteit willen herwinnen van de supranationale Europese Unie. Poetin weerstreeft ook het progressieve morele relativisme van een westerse elite die haar christelijke wortels heeft afgesneden om secularisme en hedonisme te omarmen.

Het Amerikaanse establishment veracht Poetin, omdat hij, zoals ze zeggen, een agressor is, een tiran, een ‘killer’. Ze beschuldigen hem ervan dat hij Oekraïne is binnen gevallen en delen ervan bezet houdt. Zijn oude KGB-kameraden zouden journalisten, overlopers en dissidenten vermoorden.

Maar ofschoon de politiek onder zowel tsaren als commissars vaak een bloedsport is geweest in Rusland, wat heeft Poetin zijn binnenlandse vijanden eigenlijk gedaan in vergelijking met wat onze Arabische bondgenoot generaal Abdel-Fattah el-Sissi heeft gedaan met de Moslimbroederschap die hij omverwierp in een militaire staatsgreep in Egypte?

Wat heeft Poetin gedaan in vergelijking met wat onze NAVO-bondgenoot president Erdogan heeft gedaan in Turkije, die 40.000 mensen gevangen heeft gezet sinds de mislukte staatsgreep in juli. Of in vergelijking met onze Filipijnse bondgenoot Rodrigo Duterte, die leiding heeft gegeven aan de buitengerechtelijke liquidatie van duizenden drugsdealers?

Denkt iemand dat president Xi Jinping voorzichtiger omgegaan zou zijn met illegale demonstraties tegen zijn regime op het Plein van de Hemelse Vrede dan president Poetin vorige week in Moskou?

Veel van de vijandigheid tegen Poetin komt vooruit het feit dat hij niet alleen het Westen trotseert als hij opstaat van de belangen van Rusland, maar dat hij ook vaak slaagt in wat hij beoogt en er zonder straf en zonder berouw mee weg komt.

Hij blijft niet alleen populair in zijn eigen land, maar heeft ook bewonderaars in landen wier politiek establishment onverzoenlijk vijandig tegenover hem staat. In december liet een peiling zien dat 37 procent van alle Republikeinen een gunstige beoordeling van de Russische leider had, maar dat slechts 17 procent positief was over president Barack Obama.

Er is nog een andere reden dat Poetin positief gezien wordt. Miljoenen nationalisten die hun landen willen zien vertrekken uit de EU zien hem als een bondgenoot. Poetin verwelkomt veel van deze bewegingen, de Amerikaanse elite staat er daarentegen vijandig tegenover.

Poetin heeft de nieuwe eeuw beter gelezen dan zijn rivalen. Waar de 20e eeuw de wereld verdeeld zag tussen een communistisch Oosten en een vrij en democratisch Westen, wordt de 21e bepaald door nieuwe en andere worstelingen. De nieuwe scheidslijnen liggen tussen sociaal conservatisme en genotzuchtig secularisme, tussen tribalisme en transnationalisme, tussen de natiestaat en de Nieuwe Wereldorde.

Inzake de nieuwe scheidslijnen staat Poetin aan de zijde van de opstandelingen. Zij die De Gaulles Europa der Vaderlanden willen ter vervanging van het Eenheids-Europa waarnaar de EU op weg is, zien Poetin als bondgenoot.

Zo komt dan de oude vraag op: Wie heeft de toekomst?

In de nieuwe worstelingen van de nieuwe eeuw is het niet uitgesloten dat Rusland – zoals Amerika in de Koude Oorlog – aan de winnende kant staat. Overal in Europa kijken partijen die zich vrij willen maken van de EU veeleer naar Moskou dan over de Atlantische Oceaan.

“Poetin is een symbool geworden van nationale soevereiniteit in haar strijd met het globalisme”, schrijft Caldwell. “Dat blijkt de grote slag van onze tijd te zijn. Zoals onze laatste verkiezingen laten zien, geldt dat zelfs hier.”

Posted on 1 Comment

In welke zin de islam wel degelijk het probleem is

Een ingezonden stuk van dr. Koenraad Elst, oriëntalist

Het onderstaande artikel is een zeer kort antwoord op de jongste islam-artikels van Sacha Vliegen, mooi opgesomd in zijn titelbewering dat “de islam het probleem niet is”. Maar het had evengoed een reactie kunnen zijn op één van de vele stukken die daarover dag na dag in De Volkskrant en de NRC, of De Standaard en De Morgen, verschijnen. Allemaal gaan zij uit van diezelfde basiszekerheid: de islam is het probleem niet, als het al niet de oplossing is. Terwijl in werkelijkheid de islam al veertien eeuwen een probleem is, zij het dat het nu voor ons acuter is kunnen worden door de verschijning van, inderdaad, een ander probleem.

Besluiten dat iets “het probleem niet is”, zou kunnen nadat je het onderzocht hebt, ook het beweerd problematische ervan, en dan na afweging ingezien hebt dat die verdenking niet vol te houden is. Aangaande de islam wordt het echter gezegd zonder enige kennis van zaken, vooraf, juist om het debat daarover de pas af te snijden, en dan het merendeel van je tekst te vullen met pedanterie over punten en komma’s, of met niets terzake doend sociologenjargon, om tenslotte wonderwel te concluderen dat “daaruit” de onschuld van de islam “blijkt”. Het is alles bijeen een erg hoogmoedige bedoening: islamkritiek wegwuiven als beneden je niveau, terwijl je in werkelijkheid nog nooit zelf tot op dat niveau geraakt bent. Ik daag al wie het islamprobleem ontkent of wegwuift, uit tot een tegensprekelijk debat daarover. Tot nu toe heeft geen enkele pleitbezorger van noch schouderophaler voor de islam die test doorstaan.

Egocentrisme
Stel, je bezoekt in het ziekenhuis je oude vader die daar aan zijn bed gekluisterd ligt en door het venster alleen een streepje blauwe hemel kan zien. Jij daarentegen kan door het venster de hele omgeving overschouwen. Hij vraagt jou om de boom daar aan de overkant van de straat te beschrijven: of hij al in bloei staat? Dat beloof jij te doen. En je begint met het venster te beschrijven waardoorheen de boom te zien is: het is van hout, gevernist, met zilverkleurige klink. Ja maar, zegt hij, beschrijf nu toch eens die boom! En jij kijkt in de aangewezen richting, maar nu begin je je bril te beschrijven waardoorheen jij de boom kan zien: een hip model, zwart montuur, enzovoort.

Irritant, niet? Wel, dat is hoe de verenigde islam-afschermers het islamdebat voeren. Er mag gezegd worden wat er wil, het mag over eender wat gaan, zolang het maar niet de islam betreft. Bij voorkeur gaat het over iets veel nabijers, zoals het kolonialisme, duizend jaar jonger dan de islam; of de discriminatie door die lelijke autochtonen, duizenden kilometers van Mekka; of het Amerikaans imperialisme, of de zionistische entiteit. De Ander, nochtans de heilige van het postmoderne wereldbeeld, mag wel in abstracto bezongen worden, maar mag in concreto niet echt Anders zijn; ons eigen waardenkader moet in het centrum blijven, niet alleen van onze maar zelfs ook (zo maken wij ons wijs) van hun wereld.

Geen boom daar in die oninteressante verte, je eigen lens is het ware middelpunt van het progressieve wereldbeeld. Bijvoorbeeld: de bewering van de goedmensen dat moslims arm zijn en alleen daarom geweld plegen, is niet alleen fout wat de beweegreden voor het geweld betreft (ze stelt eigenlijk arm gelijk met gewelddadig, foei!), maar het verraadt ook een hopeloos eurocentrisme. In sommige moslimwijken van onze grootsteden zou je een indruk van armoede kunnen opdoen, maar wie wat verder kijkt, tot in de Saoedische paleizen, zal de islam zeker niet met armoede vereenzelvigen. Onze progressieven zijn dorpers, provinciaaltjes die onder hun klokkentoren willen blijven en de wereld in dorperstermen trachten te begrijpen. Zij noemen zich wel kosmopolieten, alsof zij hun dorpje op de bonte wereld willen doen lijken; maar eigenlijk projecteren zij alleen hun eigen kneuterigheid op de wereld.

Islam en agency
Wie moslims ernstig neemt, zoals wij islamcritici doen, erkent dat zij zelf agency hebben, dat zij zelf een eigen overtuiging hebben die niet tot westerse of andere uitwendige factoren te herleiden valt, en dat zij van daaruit kunnen handelen. De islam heeft van in het begin zelf aanvalsoorlogen gevoerd die niet de schuld waren van de ongelovigen, de joden of de nog niet bestaande kruisvaarders. Wat je verder aan de islam ook mag miszien, hij heeft zeker wel het vermogen om zelf iets op touw te zetten.

Daartegenover heb je dan de islamvrienden met hun talrijke vormen van verkettering van islamkritiek. Hun argumenten zijn van twee soorten. Enerzijds zijn er de aperte leugens, bijvoorbeeld dat Mohammed de eerste feminist en slavenbevrijder was, of dat alle religies even erg zijn, of dat al-Andaloes een voorbeeldige multiculturele staat was, of (zegt de paus: ) dat de djihaadstrijders “het maar voor het geld doen” en “de islam ook de liefde predikt”. Die leugens gaan we hier niet met een bespreking vereren. Anderzijds zijn er de talrijke verstrooiingstactieken, waarbij leugens over de islam vermeden worden door over andere zaken te beginnen, vaak waarheidsgetrouw, en vervolgens te doen alsof zij iets over de islam impliceren.

Meestal hebben die verstrooiingstactieken de vorm van het bij theologen bekende motto: “Er staat niet wat er staat.” Je ziet wel de islam, de terroristen roepen wel hoorbaar Allahoe Akbar, maar “in werkelijkheid” zit er iets anders achter. Je liegende ogen bedriegen je: het lijkt bijvoorbeeld zo evident dat de islam de beweegreden van de terroristen is, ze zeggen het tenslotte zelf, maar onze sociologen en media-duiders weten het beter dan zijzelf. Tenslotte maken je ogen je ook wijs dat de zon om de aarde draait, terwijl de gesofistikeerde verklaring luidt dat de aarde om de zon draait. Volgens dat model geldt het dus als heel geleerd om de evidentie van je ogen te ontkennen, en dat doen de islamvrienden dus met goed geweten.

Links zegt dat de “echte” beweegreden frustratie over het ervaren racisme is (alsof bv. de meeste Syrië-strijders niet uit moslimlanden komen waar zij de dominante groep zijn en van discriminatie geen last hebben), of armoede (alsof Osama Bin Laden geen miljardair was), of een hoogst persoonlijke mentale stoornis. Het gaat dan om “gekken” of, zoals David Cameron gezegd heeft, om “monsters”; en op de sociale media beweren velen van zowel links als rechts dat het om “idioten” gaat. Dure woorden om te verbergen dat men intellectueel te vadsig of te onbekwaam is om de meer ideologische beweegreden te ontleden.

Rechts zeggen onder meer de christelijke integristen en de Nouvelle Droite dat het allemaal door de teloorgang van de eigen traditie komt, wat dan een vragende leegte schept die de islam graag komt vullen. De nationalisten beweren dat het om vermomde etnische afrekeningen gaat, en beschouwen desgevraagd de islam als de natuurlijke religie van de woestijnbewoners, waar niets mee mis is zolang ze er maar mee in hun eigen land blijven. Allemaal, zowel links als rechts, willen ze het graag over nabije factoren hebben, grotendeels over de eigen wereld. Degenen die zich antiracist noemen, kunnen hier best eens beseffen dat juist zijzelf, in hun eigen terminologie, de “witte supremacisten” zijn. Volgens hen kan een Arabier of Turk onmogelijk zelf iets doen, er moet altijd een “witte” hand achter zitten. Rechts heeft daarvan zijn eigen variant: samenzweringstheorieën waarin moslimfanatici allemaal handpoppen van de CIA en het zionistisch wereldcomplot zijn.

Islamvrienden ten oorlog
De gemeenschappelijke noemer van de hele waaier aan islam-afschermende theorieën is misdirection, het afleiden van de aandacht naar een eigen favoriet thema, eender welk, maar vooral niet de islam. Een gevolg is dat men moedwillig blind blijft betreffende de eigen inhoud van de islam, een thema dat in artikels als die van een Rik Coolsaet, een Els Keytsmans of inderdaad een Sacha Vliegen dan ook volkomen buiten beeld blijft. Een ander gevolg is dat men hedendaagse feiten omtrent de moslimwereld maar heel wazig kan duiden in hun verhouding tot het islamprobleem.

Zo wordt, hier net als in talloze islamartikels, een band gelegd tussen de weerstand tegen de islam (elders “islamofobie” genoemd) en de invallen in of bombardementen op moslimlanden. Onder verstaan: zié je wel wat islamkritiek in de praktijk betekent. Zolang die kwakkel herhaald wordt, blijf ik de moeite doen om hem te weerleggen.

Zonder één uitzondering hebben alle politieke leiders die sinds 11 september 2001 geweld tegen moslimlanden bevolen hebben, de islam de hemel in geprezen. Geen woord islamkritiek is ooit over hun lippen gekomen. Volgens onze binnenlandminister Jan Jambon, wiens manschappen enkele djihaad-moslims hebben doodgeschoten en wiens regering aan de bombardementen tegen het Kalifaat deelneemt, is “islamkritiek het slechtst denkbare antwoord” op islamterreur. Al de betrokken politici hebben uitdrukkelijk verklaard niet tegen de islam te strijden. John Kerry heeft zelfs beweerd ervóór te strijden, tegen de zogenaamde IS-vertekenaars van de “ware, vredelievende islam”. Dat is dus: moslims gaan doden om de islam te verdedigen. Je ziet waar islamofilie toe leidt.

Waar ligt het probleem dan wél?
Anderzijds lezen we wel een positieve boodschap in Vliegens beschouwingen over het islamprobleem. Men moet die kwestie niet uit haar context los denken. Ze kan onze samenleving maar in gevaar brengen door enkele nieuwe ontwikkelingen bij onszelf die in de vorige eeuwen niet aan de orde waren.

De eerste daarvan is toch weer een uitwendige factor, namelijk de lijfelijke aanwezigheid van de islam in ons midden via miljoenen individuen die de islam aanhangen. Het is voor een groot deel via hen dat de islamterroristen hier kunnen toeslaan. Het moderne luchtverkeer is al voldoende voor enkele spectaculaire aanslagen als 9/11, maar aan het huidige permanente klimaat van terreur in West-Europa hebben plaatselijke subculturen van ingeplante moslims meegewerkt, zie Molenbeek. Die factor is niet de oorzaak van het islamprobleem maar wel een belangrijke bijdrager. Angela Merkel loog glashard toen ze beweerde dat “de terroristen de toevloed van vluchtelingen naar Europa willen stoppen”, alsof haar eigen open-grenzenbeleid een moedig gebaar tegen de terreur zou stellen. Integendeel, het Kalifaat kan zijn geluk niet op met zulk een onnozele geit die de sluizen openzet voor allerlei terreuragenten.

Een tweede factor heeft de eerste mogelijk gemaakt: de roes die van de Europese leiders bezit genomen heeft en die het gevolg is van zeventig jaar vrede en welvaart, alsmede van intense bewerking van de openbare mening door het cultuurmarxisme. Zij denken dat de wetmatigheden van de internationale mensenmaatschappij voor hen niet meer gelden, en dat zij zich beleidslijnen kunnen veroveren die doorheen de geschiedenis nochtans bewezen hebben, tot instabiliteit en burgeroorlog te leiden.

Maar zelfs die beide factoren zouden niet zo dramatisch zijn als de Europeanen hun koers zouden aanhouden. Onze voorouders leidden uit hun welkom voor een gegeven vreemdeling niet af dat heel diens familie dan moet meekomen. Zij waren niet xenofoob of anderszins ideologisch gestroomlijnd, maar hadden gewoon gezond verstand. Zij leidden uit gastvrijheid voor een uitheemse religie niet af dat die hier haar normen mag opleggen, van halaal vlees en het saboteren van lessen over de Armeense en de Joodse genocide, tot het verbod voor moslima’s om met ongelovigen te trouwen, tot zelfs de vrouwenbesnijdenis en nu meer en meer ook de veelwijverij. De inwijkelingen zouden de inheemse cultuur eerbiedigen als die zich deed eerbiedigen, en om te beginnen zichzelf eerbiedigde in plaats van zich weg te relativeren.

Van deze orde is ook de ineenstorting van de Europese demografie. De groei van de moslimbevolking zou minder vervaarlijk overkomen als de eigen bevolking nog groeide of minstens stabiel bleef. Omgekeerd: het lage geboortecijfer is verdedigbaar want de wereld raakt overbevolkt, maar dan volgt daaruit dat wij de overbevolkingsproblemen van landen zonder zulk verantwoordelijkheidsgevoel niet moeten gaan oplossen. Zijn staan erg op hun postkoloniale onafhankelijkheid en dienaangaande mogen wij hen op hun woord nemen: zorg zelf maar voor de gevolgen van jullie bevolkingsexplosie. De Lage Landen zijn overvol en dichtgeslibd, er is nergens inwijking voor nodig.

De beslissende en ergste factor tenslotte is de zelfhaat. Die maakt negatieve factoren noodlottiger dan nodig en vergiftigt zelfs factoren die op zich positief hadden moeten zijn. Zo zou de eigen ontkerkelijking ons juist sceptischer en ontoegankelijker voor de islam moeten maken (a contrario: de weinige overgebleven post-conciliaire christenen, zoals de paus, zijn juist dhimmi-schaapjes ten top), maar door de ingelepelde zelfhaat doen ook neo-vrijzinnigen onzalige toegevingen aan de islam. Het toenemende bevolkingsaandeel van de moslims, nu een negatieve factor, had door een nog steeds majoritaire, ongelovig geworden maar gezond gebleven inheemse gemeenschap gerust opgevangen en geassimileerd kunnen worden. Omdat die meerderheid zich echter schaamt voor zichzelf en zich allerlei schuldgevoelens heeft laten aanpraten, boezemt die voorlopig nog beperkte moslimminderheid hen bezorgdheid in.

Besluit
Het probleem van de westerlingen is niet dat zij het geloof verloren zijn, zoals Angela Merkel beweert. Dat is een goede en normale ontwikkeling, en in ieder geval het soort evolutie waar een vrije samenleving recht op heeft. Ook vanuit islamstandpunt maakt het weinig uit welke soort ongelovigen wij zijn: christenen of heidenen, of nog iets anders. Wij hebben immers in elk van die gevallen geen recht op het aardrijk noch op de hemel, want beide zijn aan moslims voorbehouden. De islam is uiteindelijk niets anders dan de grootheidswaan (specifieker: uitverkiezingswaan) van Mohammed, met anderhalf miljard figuranten die zijn spel meespelen. De verdiensten of schuld van de ongelovigen staan daar volkomen buiten.

Het probleem van de islam komt uit de islam zelf voort en heeft zich ongevraagd aan ons opgedrongen. De islam maakt daarbij, in zijn autonome agressie, gebruik van de zwakke punten in onze verdediging. Hij ziet dat zowel christenen als ongelovigen zich slecht verdedigen en ook niet gemotiveerd zijn om zich te verdedigen. Christenen zijn sentimenteel en masochistisch, ze denken dat het deugdzaam is, onnozel te zijn en zich te laten overrompelen. De meeste vrijzinnigen van tegenwoordig zijn te weinig gefocust, te hedonistisch, te onwetend omtrent elk religieus wereldbeeld en in het bijzonder het islamitische.

Er zijn dus twee problemen: een uitwendige islamdreiging en een inwendige beschavingscrisis in het Westen. Ter vergelijking: je kan maar Aids krijgen als je zelf “risicogedrag” vertoont én er een Aids-virus door de omgeving waart. Libertijnen uit vroegere generaties vertoonden ongetwijfeld volop risicogedrag, en toch kregen zijn geen Aids, want het virus bestond nog niet. (Ze kregen gebeurlijk wel andere ziekten, net zoals onze samenleving vóór het islamprobleem met andere kwalen te maken kreeg.) Omgekeerd zou de uitwendige dreiging van het virus geen gevaar betekenen voor wie zich er niet via risicogedrag aan blootstelt.

Wie vindt dat “de islam het probleem niet is”, heeft gelijk. Net als de gezworen celibatair die vindt dat “het Aids-virus het probleem niet is”. Voor hem is alle investering in Aids-onderzoek weggegooid geld: de ziekte zal hem toch niet treffen. Maar wij leven niet in een ideale wereld. Wij leven in een wereld waarin onze samenleving haar recht op verval, op zelfhaat, op verwarring door cultuurmarxisme, ten volle uitoefent, en daardoor wel kwetsbaar geworden is voor binnendringing door destructieve krachten. Zelfs zo’n onvolmaakte maatschappij als de onze heeft nochtans recht op overleving, en daarom moet ze tegen haar belagers beschermd worden. Zoals elke doeltreffende strategie begint die zelfverdediging door de belagers bij de naam te noemen. Eén ervan heet de islam.

Posted on 1 Comment

Islamisering en de identiteitscrisis van Europa

Na mijn artikels over hoe het christendom in Europa en in het Midden-Oosten onder druk staat, gaat dit artikel over de islamisering van Europa. Met het oog op de huidige trends is het zonneklaar dat islamitische bevolkingsgroepen een meerderheid kunnen worden in 20 of 30 jaar en in in veel West-Europese steden en landen is er reeds een groter aantal praktiserende moslims dan er praktiserende christenen zijn. Nadat ik het rapport van het Barnabas Fund over de islamisering van Europa had gelezen, besloot ik over dit onderwerp te schrijven.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en heeft haar twee maal weer verlaten… Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers (..)”, aldus Youssef el Qaradawi, hoofd van de Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek, op Al Jazeera, 24 januari 1999.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en haar weer verlaten.” Dat is juist, de islam is tweemaal gekomen, beide keren met legers en heeft twee maal weer moeten vertrekken onder druk van christelijke legers.

Eerst zetten ze voet op Spaanse bodem aan het begin van de 8e eeuw, arriveerden in Frankrijk en werden verslagen bij Poitiers in 732 na Christus. Tweeëneenhalve eeuw later begon de Reconquista van het Iberisch schiereiland, die eind 15e eeuw voltooid werd. Terwijl de christelijke bevolking als slaven was behandeld, werden resterende moslims bekeerd tot het christendom of verbannen en moskeeën werden veranderd in kerken.

Later, aan de andere kant van Europa,  werden Ottomaans-Turkse stammen islamitisch in de 9e eeuw en vestigden zich in Klein-Azië. Ze werden een regionale grootmacht tegen het einde van de 13e eeuw. Territoria die eens geregeerd werden door het Oost-Romeinse rijk vielen een voor een in Ottomaanse handen. De Turken betraden Europa in het midden van de 14e eeuw, ondanks vele glorieuze overwinningen door Europeanen was het grootste deel van Zuidoost Europa tegen het einde van de 16e eeuw onder Ottomaanse heerschappij gebracht.

De Poolse koning Jan Sobieski III drijft de Turken terug bij het Beleg van Wenen, schilderij van Jan Mateiuko.

De onsuccesvolle belegering van Wenen in 1683 leidde tot een zichtbare verzwakking van de Turkse aanwezigheid in Europa en de kruisvaarders bevrijden Boedapest (1686) en de rest van Centraal-Europa in de jaren daarna. Wie zich bekeerd hadden tot de islam bekeerden zich weer tot het christendom. Tegen het begin van de 20e eeuw namen de nationale gevoelens op de Balkan toe en verloor Turkije de meeste van zijn Europese gebieden, Constantinopel (nu Istanbul) bleef echter in Turkse handen, tot op de dag van vandaag. Helaas waren politieke belangen sterker dan godsdienstige solidariteit voor veel Europese leiders. Het islamitisch bestuur werd in 1923 afgeschaft, maar de erfenis van het bewind bleef sterk in diverse gebieden zoals Bosnië, Albanië en de Kaukasus en gebieden rond de Zwarte Zee die in handen van de Tataren waren.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Rond de Eerste Wereldoorlog was de islam verzwakt, een zwak islamitisch (Ottomaans) rijk, islamitische landen die door Europese landen gekoloniseerd waren, socialistische/communistische ideologie die zich snel verspreidde onder de lagere klasse en pan-Arabische bewegingen die aanhang begonnen te verwerven in Arabischtalige landen.

Na de Tweede Wereldoorlog besloten Europese leiders een economische unie te creëren om onderling oorlog onmogelijk te maken. Het Oude Continent was verwoest na de vernietigende oorlog en in de jaren ’60 kwam hier nog een verandering in denken en levensstijl overheen. De gemiddelde religiositeit nam af, vrouwen kregen minder kinderen naarmate hun rol op de arbeidsmarkt toenam.

Er ontstond behoefte aan goedkope arbeiders; arbeidsmigranten kwamen, eerst uit Italië en Joegoslavië, daarna uit het Midden-Oosten en voormalige kolonies (gemeenschappelijke geschiedenis en taal). Turken gingen naar Duitsland, Algerijnen, Marrokanen en zwarte Afrikanen naar Frankrijk, Indiërs, Pakistanen en zwarte Afrikanen naar het Verenigd Koninkrijk.

In de jaren ’60 waren er enkele honderdduizenden moslims in West-Europa, wat toentertijd geen probleem was. Het geboortecijfer was laag, maar Europeanen waren nog in staat de groei van de samenleving in stand te houden, immigranten brachten nog niet hun gezinnen mee en de verzorgingsstaat was nog niet zo genereus.

Tegen het einde van de jaren ’60 zijn er twee data die als begin van een nieuw tijdperk beschouwd kunnen worden:

  • 1967: 3e Arabisch-Israëlische oorlog. Israël versloeg de Arabische legers die veel groter waren in aantal soldaten en uitrusting en dit veroorzaakte een gigantische publieke verontwaardiging onder Arabische bevolkingen. De Arabische leiders en zelfs de Arabische militaire leiding waren niet in staat een gedisciplineerde strijd te voeren. Rond die tijd realiseerden de mensen zich dat de Arabisch-Nationalistische idee niet in staat is de Arabischtalige naties te verenigen en zelfs niet om een zwakke staat, zoals Israël toen nog was, te verslaan. Dit kan beschouwd worden als de start van een hernieuwde opkomst van de politieke islam.
  • 1968: In Frankrijk breken rellen uit tegen het traditionele maatschappelijke model. Onder andere Daniel Cohn-Bendit leidt een opstand die seksuele vrijheden eist en ‘een betere wereld’, zoals ik in mijn eerdere artikel besprak.

Tegen het einde van het millenium was de Sovjetdreiging niet langer aanwezig, Europese regeringen hadden de gelegenheid zich te concentreren op economische groei en ze zagen immigratie als een oplossing voor het demografische tekort. Met de introductie van de Euro was er een breed gedeelde overtuiging onder politieke elites dat er nooit meer oorlogen uit zouden breken en dat culturele en politieke eenheid in enkele decennia tijd vanzelfsprekend zou worden en dat de multiculturele samenleving, zoals de Verenigde Staten die kennen, sowieso een nastrevenswaardig ideaal is.

Het verschil is dat de immigratie naar Europa geen selectieve immigratie is, en dat er meer rechten dan plichten zijn, immigranten werden aangemoedigd hun eigen tradities en gebruiken te bewaren, in plaats van de taal en de gewoonten van het land van aankomst te leren.

Heden ten dage heeft het aantal moslims 5,5 miljoen bereikt in Frankrijk alleen. In heel Europa tellen zij circa 30 miljoen. De graad van radicalen binnen de islamitische gemeenschap is relatief veel hoger dan in andere gemeenschappen en dit is de bron van conflicten tussen hen en de  samenlevingen waarin zij verblijven.

De spanningen tussen islamitische immigranten en lokale mensen en de opkomst van extreem-rechtse of rechts-populistische bewegingen in Europa hebben vele oorzaken. Ik noem een aantal voorbeelden voor een beter begrip:

  • Demografie: hun aantal groeit veel sneller dan dat van andere gemeenschappen, omdat islamitische vrouwen 2,5 keer zoveel kinderen baren als de gemiddelde vrouw in Europa. Immigranten ontvangen meer subsidie dan dat zij werken en belasting betalen, aldus extreem-rechtse bewegingen en diverse statistieken.
  • Islamisering: In Europese steden worden honderden moskeeën gebouwd, vele financieel bijgestaan door de ‘ a-confessionele’ staat. Olierijke landen financieren islamitische zendingsorganisaties om de islam te verspreiden onder niet-moslims, in plaats van de bestrijding van armoede in eigen land. Ze willen niet-moslims bekeren tot hun religie en een groot, zichtbaar aandeel van de vrouwen draagt een hoofddoek, in het straatbeeld verschijnen geleidelijk meer vrouwen in hijab of niqab, een groot aantal mannen draagt een baard of een djellaba, waardoor het beeld van de bevolking in het algemeen verandert. Mohammed is inmiddels de meest voorkomende naam voor pasggeboren jongens in Brussel, Londen en Milaan.
  • Sociaal: werkloosheid wordt een steeds groter probleem, naarmate goedkope arbeiders worden aangenomen in plaats van lokale mensen in dienst te nemen. In Frankrijk hangt de opkomst van het Front National vooral samen met het grote aantal werklozen in de arbeidersklasse. Een ander punt is het terug sturen van geld door immigranten naar hun land van herkomst, in Frankrijk wordt het jaarlijkse bedrag dat naar buitenlandse familie wordt overgemaakt op 20 miljard euro geschat.
  • Veiligheid: in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, bestaan de meeste bendes uit 2e of 3e generatie immigranten. Een deel van hen die niet in staat waren zich goed te integreren in de samenleving en geen werk hebben, voelen zich gediscrimineerd door de samenleving. Er is hoe dan ook wel enige mate van discriminatie en angst voor hen. Op Duitse scholen zijn Turkse bendes de oorzak van een groot probleem voor hen die zich graag zouden willen richten op het lesgeven en het leren. In het Verenigd Koninkrijk worden groepsverkrachtigen een ernstig probleem dat snel toeneemt.
  • Politieke lobby: islamieten beïnvloeden de binnenlandse en buitenlandse politiek van het land van aankomst. Naarmate hun aantal toeneemt vormen ze een steeds belangrijkere groep kiezers. Veel politici, bijvoorbeeld Jacques Chirac en Gerhard Schröder, spraken zich uit voor toetreding van Turkije tot de EU, om islamitische kiezers voor zich te winnen. Parlementen en gemeenteraden introduceren bestuurlijke maatregelen om de islam gelijke institutionele rechten te geven, ook al zijn ze een nieuwe factor in de publieke samenleving en is hun aantal op het geheel van de bevolking vooralsnog klein.

Om terug te komen op het rapport, de islamisering van Europa wordt op de volgende wijze bereikt. Moslims immigreren op grote schaal naar Europa, krijgen meer kinderen en bekeren niet-moslims met diverse middelen.

Extreem-links, dat zich verzwakt wist na de val van de Sovjet-Unie heeft in de radicale islam een nieuwe bondgenoot gevonden om het christendom en de vrije markteconomie te bevechten. Ze delen een haat voor de Verenigde Staten van Amerika. In de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen van 2012, nodigde het Front de Gauche, dat zijn campagne opbouwde rond ‘ sociale gerechtigheid’  en “confiscatie” van het vermogen van de rijken, radicale islamieten uit voor zijn bijeenkomsten.

Moslims hebben een missie: wat veel bekeerlingen in de islam zien is dat zij een strijd hebben en vechten voor hun recht (Palestina, Tsjetsjenië, imperialisme etc.). Islamitische zending (Da’wa) bestaat uit 2 delen: interne en externe zending. Interne da’wa betekent het doen herleven van de praktisering van de religie, externe da’wa betekent het verkondigen van de religie en niet-moslims ertoe brengen haar te aan te nemen.

Ze bouwen steeds meer en steeds grotere moskeeën om hun zelfverzekerdheid en kracht te laten zien, extreem-rechtse bewegingen beschuldigen islamieten dan ook vaak van het demonstratief laten zien van hun kracht door grotere huizen van samenkomst te hebben dan christenen.

Islamieten bidden op straat in Parijs.

Ze willen de islamitische sharia introduceren, terwijl Europese samenlevingen voornamelijk hedonistisch zijn geworden en gebaseerd op consumptie; ze zien hun levensstijl als een antwoord op de problemen van drugsgebruik, alcoholisme en prositutie. Islamitische groepen doen in sommige gevallen een openlijk beroep op het publiek hun sharia te accepteren. In Oost-Londen zijn er enkele wijken waar radicalen de sharia tot de officiële bron van wetten hebben uitgeroepen (inclusief een verbod op gokken, muziek of concerten, prostitutie en drugs).

Naarmate Europese overheden deze interpretaties van de sharia erkennen als representatief voor de gehele islam, versterken zij de positie van radicalen en verzwakken ze die van gematigde moslims. Er bestaan shariarechtbanken in Groot-Brittannië en ze worden ook geïntroduceerd in België, ze worden bestuurd vanuit moskeeën. Dit legt de zwakte bloot van het nationale ‘seculiere’ rechtssysteem.

Ze bedreigen de vrijheid van meningsuiting en dreigen met geweld, hierin zijn ze vergelijkbaar met radicale secularisten en Holebi-organisaties, aangezien ze respect, tolerantie en objectiviteit eisen, maar die niet altijd aan anderen geven.

De fatwa tegen Salman Rushdie (1989) en de moord op Theo van Gogh (2004) laten zien dat radicale moslims een bedreiging vormen voor een ieder die zich openlijk tegen hen uitspreekt. Ze vormen een bedreiging voor de vrijheid van godsdienst, er zijn veel recente voorbeelden waarin bekeerlingen van islam tot christendom werden beledigd, bedreigd en achtergesteld.

Islamisering wordt gefinancierd op uiteenlopende manieren en vanuit diverse landen:

  • Individuen: islamieten doneren intensiever, aangezien zij de moskee vaker bezoeken dan christenen hun kerken. Er zijn gevallen bekend in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken, waarin mensen geld verkregen uit belastingfraude.
  • Islamitische organisaties: overwegend liefdadigheidsorganisaties die zich specialiseren in het helpen van de armen, maar tegelijkertijd de islamitische leer verspreiden en vrouwen aanmoedigen een hoofddoek te dragen.
  • Islamitische staten: veel van deze staten zijn olierijk, de Golfstaten hadden een begrotingsoverschot van bijna 500 miljard USD door hoge olieprijzen, ze geven meestal het geld uit dat verkregen is door beleggingen van hun fondsen en aan liefdadigheidsprojecten. Deze fondsen worden voornamelijk toegekend aan islamitische organisaties. De grootste bijdragers zijn Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Iran, Algerije en Libië.
  • Gemeentebesturen: een voorbeeld, Alain Juppé, de huidige minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk en tevens burgemeester van Bordeaux, verkocht 8500 vierkante meter land aan de lokale moslimraad voor een symbolisch bedrag van 1 euro. Bordeaux had conform marktprijzen 677.000 EUR kunnen verdienen.
  • West-Europese staten: In 2004 pleitte Nicolas Sarkozy voor staatsfinanciering voor moskeeën, ondanks het formele secularisme van de Republiek. Volgens een rapport was 30% van de jaarlijkse inkomsten van moskeeën afkomstig van de staat.
  • Islamitisch bankieren: islamitische bankieren is wijdverbreid, zowel in West-Europa als in de Golfstaten. Europa zou graag Arabische investeerders aantrekken. Van Londen wordt wel gezegd dat het de meest shariavriendelijke investeringsbestemming is in Europa.

Ze leggen beslag op onderwijsinstellingen en radicale predikers zijn zeer actief aan Europese universiteiten. Ze vragen om speciale gebedsruimten in scholen en universiteiten en radicale imams worden toegelaten aan universiteiten, veel islamitische terroristen hebben aan Europese universiteiten en hoge scholen gestudeerd. Islamitische meisjes wordt gevraagd een hoofddoek of gezichtssluier te dragen.

Een andere kwestie verwant aan dit onderwerp is de druk op onderwijsinstellingen om onderwerpen gerelateerd aan de islam op zo’n wijze te doceren dat een positief beeld wordt gegeven van hun religie. Regeringen, onderwijzers en uitgevers die willen voorkomen beschuldigd te worden van racisme en islamofobie geven dikwijls aan zulke verzoeken toe.

Hun isolatie en afscheiding bemoeilijkt integratie en assimilatie. Er zijn veel voorbeelden, zoals de zogenaamde ‘homovrije zones’ in het Verenigd Koninkrijk en Kreuzberg in Berlijn. Kreuzberg was een wijk die werd bevolkt door mensen uit de arbeidersklasse en linkse jongeren in de jaren ’20, heden ten dage bestaat de bevolking van de wijk die ongeveer een half miljoen beslaat voor 80% uit Turkse immigranten. In Frankrijk kunnen de voorsteden beschouwd worden als de ghetto’s van de werkloze 1e, 2e en 3e generatie immigranten, de islamisering verspreidt zich daar het snelst.

En alles dat ik hierboven heb beschreven gaat slechts over de islamisering van Europa. Eerder schreef ik al over de vervolging van christenen in islamitische landen.  Om de opsomming van voorbeeld af te sluiten, zou ik nog willen noemen dat het bestuur van een van de meest prestigieuze voetbalclubs van Europa, Real Madrid, recent besloten heeft het kruis uit haar logo te verwijderen om investeerders uit Qatar terwille te zijn (formeel vanwege islamitische fans).

Aangezien het Wereldkampioenschap Voetbal in 2022 in Qatar plaats vindt: ‘Zullen Engeland, Zweden en Denemarken nu moeten kiezen tussen de verticale en de horizontale lijn in hun vlag?’, zoals een Hongaarse blogger zich afvroeg in zijn artikel waarin hij sprak van een ‘re-reconquista’.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden.”

Nu, het gaat inderdaad om ideologie, verkondiging, geld (misschien wel het belangrijkste) en de identiteitscrisis van West-Europa zelf.

“Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Het lijkt zeer goed mogelijk, maar misschien is er nog een christelijke minderheid in Europa die een missie heeft deze trend te keren.

 

Wat zou dan de oplossing zijn?

“Who wants to avoid suffering, suffers twice” (Wie lijden wil vermijden, lijdt twee maal), zegt een Engels spreekwoord.

Veel Europese leiders denken door het binnenhalen van immigranten in hun landen, zich te verzekeren van genoeg goedkope arbeidskrachten voor de economie en de pensioenen te kunnen redden, dit is volstrekt onverantwoord. Velen geloven dat ze immigranten moeten toelaten in hun land, omdat gekoloniseerde naties veel geleden hebben onder de kolonisatie. Dit denken is wijdverbreid in Frankrijk en is deels waar, maar we moeten wel weten dat het aantal inwoners (Arabieren en Berbers) in bijvoorbeeld Algerije  enkele honderdduizenden besloeg in 1830 en dat deze bevolking 9 miljoen (!) telde in 1960. De meeste infrastructuur en veel monumentale gebouwen in het land zijn door Fransen en andere Europeanen gebouwd. Europeanen onttrekken zich in feite van hun verantwoordelijkheid nu hun samenlevingen vergrijzen en niet in staat zijn hun pensioensysteem in stand te houden en vele anderen accepteren de stelling dat de kolonisatie alleen maar slechte effecten had en christendom een instrument was om mensen te onderdrukken.

Wij Europeanen moeten ons zelfvertrouwen herwinnen, we moeten trots zijn op ons verleden, onze geschiedenis, voorouders en wat onze culturen bereikt hebben en we moeten onze godsdienst en haar heiligen weer leren waarderen. We moeten proberen onze oudere gewoonten weer te doen herleven, respect voor grijze haren, het huwelijk, familie- en burenhulp en algemene solidariteit.

De meeste immigranten komen voor betere carrières, een hogere levensstandaard, maar ze zien dat Europeanen geen sterke overtuiging of identiteit hebben; er zijn te veel scheidingen, drugsproblemen, prostitutie en vereenzaming, ze geven er dan ook de voorkeur aan hun eigen gebruiken te conserveren in plaats van te integreren. De meeste moslims conserveren hun levensstijl, maar islamisten eisen veel van hun omgeving, dat zij zich aanpassen aan hun opvatting van het geloof en de gebruiken die daar bij horen en dit is onacceptabel. Immigranten zouden zich aan moeten passen aan de Europese levensstijl, maar wij moeten dan wel onze godsdienst en ons verleden waarderen, zodat wij een goed voorbeeld geven.

De financiering van de islamisering door Europese staten en instellingen en door buitenlandse mogendheden moet gestopt worden en moslims moeten zelf hun financiën regelen zoals ook andere gemeenschappen dat gewoon zijn. Dit zal spanningen doen afnemen. Moslims moeten zich realiseren dat ze niet bevoordeeld zouden moeten worden, ook niet als hun aantal nog toeneemt. Er zijn maar weinig politici die de moed hebben de verantwoordelijkheid op zich te nemen in deze kwestie, aangezien de druk groot is, zowel van binnen Europa als van buiten. Maar wij zouden ook een georganiseerde en vastberaden drukkingsgroep moeten vormen.

Europeanen moeten leren de kwestie van identiteit te begrijpen. Een immigrant zal nooit Frans of Engels of Duits worden als hij als volwassene aankomt in een land en daar 30 tot 40 jaar kan wonen zonder in te burgeren. Als slechts één van de ouders van een kind Europees is, zal het kind half Europees zijn. In de Verenigde Staten heeft 99% van de bevolking een tweede identiteit, voor of na dat men zich als Amerikaan beschouwt.

In Frankrijk zijn er geen minderheden, op papier althans. Een immigrant heet officieel Frans wanneer hij het paspoort bezit, er zijn echter honderdduizenden kinderen die geboren worden in Frankrijk en Duitsland en de taal van het land niet of zeer gebrekkig spreken en niemand tegen komen van de nationaliteit van het land waarin zij verblijven, behalve op school.

Ten slotte, religie maakt deel uit van de identiteit; dit is iets dat linksen niet willen horen of begrijpen. Een andere religie betekent andere gebruiken, andere feestdagen, een andere liturgische taal, een andere rol van de clerus en een andere visie op het leven, op de mens en de wereld.

Europa moet eindelijk wakker worden, politieke correctheid terzijde schuiven en zich realiseren dat het Christendom haar godsdienst is.

Posted on 1 Comment

Europees christendom onder druk

In dit artikel wil ik het hebben over de rol van het christendom in Europa en de situatie waar het in verkeert. Ik werd hiertoe geïnspireerd door de artikelen van de Hongaarse journalist Gergely Szilvay en het vijf-jaarrapport over christianofobie in Europa, gepubliceerd door het Observatorium van Intolerantie en Discriminatie tegen Christenen in Europa (OIDCE).

“485 begraafplaatsen of religieuze plaatsen van samenkomst werden gevandaliseerd tussen 1 januari en 30 september 2010. 410 daarvan waren christelijke plaatsen, 40 islamitische en 35 joodse”, aldus de voormalig Franse minister van Binnenlandse  Zaken Brice Hortefeux.

Dit betekent dat de symbolen van de meerderheid het vaakst het doelwit zijn van anti-religieuze, of om precies te zijn anti-christelijke, aanvallen. Dit is vreemd als we weten dat het katholicisme lange tijd de officiële godsdienst is geweest in Frankrijk en dat meer dan de helft van de Fransen zich nog altijd als katholiek beschouwt. We moeten echter beseffen dat praktiserende katholieken inmiddels een minderheid zijn in Frankrijk.

We kunnen ons niettemin afvragen hoe het kan dat de zwijgende meerderheid gediscrimineerd wordt of misschien zelfs vervolgd in extreme gevallen. Er zijn andere demografische kenmerken waarbij dit een algemeen bekend verschijnsel is. Neem bijvoorbeeld vrouwen, er is altijd een meerderheid van vrouwen geweest in de samenleving, tot op de dag van vandaag horen we echter zelfs in West-Europa over vrouwen die worden achtergesteld op het werk. Zwarten zijn altijd een meerderheid geweest in Zuid-Afrika, toch werden ze decennia lang gediscrimineerd onder het apartheidsbewind.

Om tegen het christendom gericht vandalisme en discriminatie te begrijpen, moeten we eerst inzien dat de scheiding van kerk en staat in toenemende mate wordt geïnterpreteerd als de scheiding van kerk en samenleving. Het begrip ‘kerk’ wordt bovendien gelijkgesteld aan de clerus. Deze tendens neemt alleen maar toe en vind bijvoorbeeld ook zijn weg binnen de recent opkomende Piratenpartij.

Anti-clericale bewegingen hebben altijd bestaan in Europa en hebben lange tradities in veel samenlevingen, maar de gebeurtenissen van mei 1968 waren een belangrijke mijlpaal voor de huidige situatie. In mei ’68 protesteerden duizenden studenten tegen de regering van Charles de Gaulle en tegen de maatschappelijke status quo voor ‘een betere wereld’. Ze relden in de straten, blokkeerden de toegang tot universiteiten, hun leider Daniël Cohn-Bendit piste tegen de muur van de Sorbonne, ze staken de ingang van de Parijse aandelenbeurs in brand.

Deze ‘betere wereld’ betekende meer vrijheid in onderwijs, gezondheidszorg (legalisering van abortus en euthanasie), verdere stappen in de scheiding van kerk en staat, meer vrijheid in het leven van alledag (gedrag tussen kinderen en ouders, tussen leerlingen en leraren), seksualiteit (voor-huwelijkse sex) en de publieke zaak (geen militaire dienstplicht en geen doodstraf meer), minder ongelijkheid, bescherming van minderheden, bescherming van flora en fauna en ‘wereldvrede’.

Het is interessant dat, als continent, Europa het eerste christelijke continent is. Sinds de jaren ’60 wordt de rol van de christelijke godsdienst, van christelijke kerken echter zwakker, niet alleen omdat het uit de mode is, maar ook vanwege verbale en fysieke aanvallen op het christendom. We leven in een tijdperk van ‘dictatuur’ van de politieke correctheid. Hoe is het zo ver gekomen?

Er zijn veel methoden die hiertoe gebruikt zijn. Ik noem maar een paar voorbeelden uit verschillende landen:

  • EU-ambtenaren stelden een schoolagenda voor waarin feestdagen van alle godsdiensten waren opgenomen, behalve christelijke;
  • Extreem-linkse anarchistische groepen riepen op tot het in brand steken van kerken in Duitsland, ze werden uiteindelijk vrijgesproken;
  • In Frankrijk werden protestanten tegen een godslasterlijke theatervoorstelling gearresteerd door de politie;
  • Een lokale overheid organiseerde een tentoonstelling waarin christelijke persoonlijkheden werden gesodomiseerd;
  • Christelijke evenementen worden op televisie belachelijk gemaakt;
  • Missen worden verstoord door Holebi-activisten;
  • Religieuze symbolen (inclusief christelijke) worden uit scholen verbannen vanwege immigranten;
  • Religieuze websites worden gehackt;
  • Holebi-mars belastert het christendom;
  • Een verbod op het dragen van een kruisje op het werk en daaropvolgend ontslag van christelijke werknemers;
  • Bekende personen en parlementsleden die bedreigd worden, omdat zij publiekelijk hun steun uitspreken voor het traditionele huwelijk;
  • Stilzwijgen over discriminatie van christenen in Europa en in andere delen van de wereld;
  • Het opleggen van politiek-correcte maatregelen aan religieuze scholen.

Na het nader bekijken van veel van de 620 verzamelde gevallen, scheen het me toe dat het om een systematisch proces gaat en iemand er achter moet zitten. Welnu, volgens de OIDCE zitten er 3 groepen achter deze gevallen: radicale Holebi-organisaties, radicale feministen en radicale secularisten. De OIDCE verdeeld de zaken in haar rapport over 2011 over de volgende categorieën:

I- Gevallen van discriminatie

-Vrijheid van godsdienst (19)

-Vrijheid van meningsuiting (12)

-Vrijheid van geweten (12)

-Anti-christelijk handelen ingegeven door discriminerende wetten gebaseerd op gelijkheid (10)

II- Intolerantie

-Verdringing uit het openbare leven (14)

-Daden tegen religieuze symbolen (19)

-Laster (18)

III- Handelen ingegeven door haat

Een parlementair rapport in het Verenigd Koninkrijk gaf aan dat de staat tekort schiet in het beschermen van de rechten van christenen, of het nu gaat om de rechten van de meerderheid op het werk of om andere zaken. Veel deskundigen concludeerden dat christenen niet van zich laten horen. Algemeen directeur van de BBC Mark Thompson stelde dat het christendom met veel minder fijngevoeligheid behandeld wordt dan andere godsdiensten omdat het bredere schouders heeft.

Het echte probleem is de lijdzaamheid van christenen in het openbare leven en het geringe zelfbewustzijn in het spreken over het christelijk geloof en de christelijke identiteit, deels vanuit angst daar op aangevallen te worden en deels door succesvolle negatieve campagnes tegen de kerk (bijvoorbeeld inzake pedofilie, geheimen van het Vaticaan, de rol van de Kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog enzovoort) en tegen mensen en instituten verbonden aan oude tradities of oude aristocratische/nationale/christelijke elites.

De mainstream media en contemporaine kunst vallen deze het meest aan. De traditionele kerken (katholieken, lutheranen, calvinisten) zijn verzwakt en nieuwe religieuze stromingen komen op in de samenleving (evangelischen, islamieten, boeddhisten). Dit gaat niet zonder moeilijkheden omdat religie onderdeel is van de persoonlijke maar ook van de nationale identiteit en de meeste mensen zich hiervan bewust zijn.

We kunnen zien dat de generatie van mei ’68 er in is geslaagd veel van zijn claims heeft weten te realiseren, maar de effecten zijn, in samenspel met andere factoren, catastrofaal:

Europa heeft de meest vergrijsde (Duitsland, Zwitserland) bevolking en de bevolking met de laagste vruchtbaarheidsgraad (Tsjechië, Bulgarije) ter wereld. Tientallen miljoenen abortussen zijn uitgevoerd. Het bevolkingsaantal neemt af ook al is er immigratie. Meer en meer kinderen worden geboren zonder dat de ouders getrouwd zijn (Hongarije, Frankrijk). En de meeste huwelijken eindigen in scheiding (63% in Zweden).

Een hedonistische samenleving gebaseerd op consumptie in de meeste stedelijke gebieden in Europa en een zeer groot deel van de huishoudens dat lijdt onder schulden, de consumptie is lange tijd groter geweest dan de inkomsten. En onze regeringen hebben de economische crisis waar we nu in verkeren niet voorkomen.

Onze taak als jonge christenen is om onze stem te laten horen ten aanzien van belangrijke onderwerpen die betrekking hebben op het alledaagse leven van mensen. We moeten duidelijk maken wat de voordelen zijn van tradities, van het traditionele gezin, van de traditionele samenleving, van familiebedrijven enzovoort. De mensen moeten het belang beseffen van de godsdienst en van de historische rol van de clerus. Zelfs die mensen die geen praktiserend christen zijn hebben er recht op te weten wat religie werkelijk betekent.

Vrijheden zijn wat ons betreft iets anders dan politieke correctheid.

De staten in het Westen slagen er niet in de rechten van christenen te beschermen omdat ze onder druk staan van kleine maar goed georganiseerde lobbygroepen van secularisten en minderheden en het is onze taak om onze stem te laten horen voor de zwijgende meerderheid. We moeten het goede voorbeeld geven aan de samenleving en zelf lobbygroepen vormen om op te komen voor hen die ‘bang‘ zijn om hun gezichtspunt te uiten. Het zal een lange slag zijn, maar het is de moeite waard.