Posted on

Naoorlogse verzetshelden waarschuwen voor Baudet

De wanhoop slaat nu toch echt toe! Zelfbenoemd ‘weldenkend’ Nederland weet nu echt niet meer hoe ze Baudet moet stoppen. Ruim een week geleden werd er tijdens een antiracisme-demonstratie opgeroepen Baudet neer te schieten; het journaille en de intellectuele goegemeente was er als de kippen bij om deze moordoproep te bagatelliseren. Bijna dagelijks zitten ‘pratende hoofden’ in een van de vele talkshows te fulmineren tegen Baudet en het Forum voor Democratie. Opiniepagina’s van de dagbladen staan dag-in dag-uit vol met alarmerende schrijfsels over de filosoof-politicus en redactionele commentaren maken voortdurend hysterische vergelijkingen tussen de opkomst van Baudet en – natuurlijk – de jaren dertig van de vorige eeuw. Een al lang uitgerangeerde cabaretier schreeuwde onsamenhangende anti-Baudet kreten tijdens het herdenkingsmoment voor de slachtoffers van de aanslag in Utrecht bij de opening van het Boekenbal. Men zit kortom met de handen in het haar. Waarom wil het domme volk maar niet luisteren?!

“Volwassen politici”

Een laatste bedroevende bijdrage aan de dagelijkse stroom van anti-Baudet geluiden levert filosoof en Trouw-redacteur Leonie Breebaart. In het Letter&Geest-katern van 30 maart steekt ze al vanaf zin 1 met grof geschut van wal: “In de week voor de Maand van de Filosofie sloeg Thierry Baudet alle taboes aan diggelen die volwassen filosofen – en volwassen politici – proberen te respecteren, en die je kunt samenvatten als: doe niet of je een goddelijke ziener bent en hou je aan de feiten.”

Breebaart suggereert hier nogal wat in één zin. Baudet is geen volwassen filosoof en geen volwassen politicus, hij noemt zichzelf een ‘goddelijke ziener’ en hij houdt zich niet aan de feiten. Daarnaast verwijt de redacteur tussen neus en lippen door dat Baudet taboes doorbreekt. Laat het nu juist de generatie linkse journalisten zijn die er prat op gaat overal en nergens taboes te willen doorbreken! Maar Baudet, die schopt tegen het linkerbeen, verstoort het progressieve feestje.

Bodar op de korrel

Wie is Breebaart om vast te stellen wie wel volwassen is en wie niet? Welke criteria hanteert de filosoof/redacteur daarvoor? Op z’n minst mag je daarvan toch wel een verantwoording verwachten van iemand die zichzelf filosoof noemt? Maar de Trouw-redacteur suggereert heel geniepig dat Baudet, in tegenstelling tot zijn tegenstanders, een kind is. En kinderen hoef je niet serieus te nemen. Dat blijkt al uit de volgende alinea, waarin Breebaart Antoine Bodar, die zeldzaam moedig in Buitenhof het opnam voor Baudet, op de korrel neemt. De priester had de leider van het Forum vergeleken met een gymnasiast. Breebaart schampert daarover: “Ach ja, die goeie, ouwe puberteit, toen je grootse visies de wereld in slingerde in de hoop heel geleerd over te komen.” Nee, de redactie van Trouw is dat stadium allang ontgroeid. Daar werken alleen heel volwassenen mensen.

“Het land beschermen”

Want volgens Breebaart zelf behoort zij tot de groep mensen die het land beschermen, maar die Baudet wegzet als vijanden: “En dus dat degenen die ons in werkelijkheid beschermen tegen de macht van een leider – wetenschappers, journalisten, bestuurders – weggezet moeten worden als vijanden van het volk.” Het staat er echt. Wetenschappers, journalisten en bestuurders die “ons” moeten beschermen. Wat een gotspe, wat een eigendunk, wat een arrogantie!

(Non-)conformisme in de wetenschap

Wetenschappers die bijvoorbeeld werkzaam zijn bij een van de overheidsinstellingen, zoals een Planbureau, en die braaf opschrijven wat een ministerie wil horen. Wetenschappers die zo overtuigd zijn van hun eigen theorieën, dat ieder afwijkend geluid de mond wordt gesnoerd. Neem bijvoorbeeld promovendus Joris van Rossum van de VU in Amsterdam. In zijn proefschrift haalde Van Rossum, niet christelijk, de evolutietheorie van Darwin onderuit. Hij kon een baan in zijn vakgebied vergeten.

Gekochte journalisten

Journalisten die braaf op- of beter overschrijven wat een ministerie of inlichtingendienst hen voorkauwt. Udo Ulfkotte heeft dit overtuigend aangetoond in zijn boeken, zoals ‘Gekochte journalisten’ (Uitgeverij De Blauwe Tijger). Journalisten, die acht jaar lang hijgerig en kwijlend achter president Obama hebben aangehobbeld, maar die sinds 2016 Trump wegzetten als een levensgevaarlijk man. Trouw kopte op 31 maart nog: “Donald Trump regeert als een koning die geestelijk niet tegen zijn taak is opgewassen”. Alweer een kind, net als Baudet. Verslaggevers die twee jaar lang ongenuanceerd en kritiekloos berichten over Russische beïnvloeding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar vervolgens het Mueller-rapport – dat als conclusie heeft dat er geen enkel bewijs van beïnvloeding is – in twijfel trekken. En dat noemt zich kwaliteitsjournalistiek. Journalistiek als verdienmodel is een betere naam (Perscombinatie, salaris Van Nieuwkerk, etc.).

Reductio ad hitlerum

Bestuurders die hun sociale media-kanalen gebruiken voor het rondsturen van berichten waarin Baudet en het Forum voor Democratie een-op-een geassocieerd worden met het nationaal-socialisme. Als het Forum inderdaad de grootste partij van Nederland wordt, verwacht ik al snel ‘Baudet-vrije’ gemeenten. Want de bestuurders in dit land zijn echte verzetshelden.

Breebaart zingt in dat koor lustig mee. “Nieuw-rechtse bewegingen”, “extreem-rechtse Polen”, “omvolking”, “sterke leider”: de column van de redacteur grossiert in dit soort grove associaties en beschuldigingen. Beschermers? Tendentieuze rioolratten, die een klimaat creëren dat erger is dan dat van 2002. De demonisering neemt beangstigende vormen aan. Was het in 2002 nog ‘Stop de Hollandse Haider’, nu leest men zwart op wit of tussen de regels door ‘Stop de Hollandse Hitler’. De wanhoop van de linkse elite kent geen grenzen meer. Wie herinnert zich niet de schreeuwende Alexander Pechtold in De Balie in Amsterdam? Er hoeft maar een gek op te staan…

Posted on

Hollywood-activisme in het Interbellum. Hoe de Sovjet-Unie haar propagandamachine uitrolde en westerse beroemdheden voor zich won

[pullquote]“De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld.” – Karl Marx [i] [/pullquote]

Weinig mensen zullen Willi Münzenberg kennen. Deze mediamagnaat was een meester in de strijd om de politieke waarheid. Na te zijn vermoord door zijn oude werkgever, Stalin, is Münzenberg behendig uit de geschiedenis gelaten. Maar juist daarom is het van belang om zijn loopbaan als propagandist te onderzoeken.[ii] In dit artikel zal ik ingaan op de verregaande culturele invloed van Willi Münzenberg.

Het activisme van een groot aantal acteurs, auteurs en musici in onze tijd is algemeen bekend. Dit wordt veelal slechts als iets modieus gezien. Onschuldige goeddoenerij. Maar waarom is het überhaupt modieus? Lezen over Münzenberg opent een poort naar een vreemde en in nevelen gehulde geschiedenis. Het legt de machinekamer bloot waarmee de westerse intellectueel vanuit Moskou werd verleid. Deze machinekamer bestond uit een groot netwerk van uitgeverijen, filmproductiebedrijven en kranten. Maar het beheerste ook de levens van publieke intellectuelen en grote literaire schrijvers. Het was Wilhelm “Willi” Münzenberg die geknipt bleek om dit propaganda-apparaat te sturen.

Bespeelde levens

Lillian Hellman, Dorothy Parker, Romain Rolland, Felix Frankfurter, Fernand Leger, Paul Eluard, Ella Winter, Elsa Triolet, Louis Aragon, Lincoln Steffens, André Malraux, Clara Malraux, André Gide, Ernest Hemingway, Sinclair Lewis: dat is slechts een greep uit de namen van de beeldbepalende kunstenaars die sympathie hadden voor het stalinisme. Literaire zwaargewichten, prijswinnaars en trendsetters in de jaren twintig en dertig van (West-) Europa en de VS. Zij werden allen, vrijwillig of onvrijwillig, verleid om ‘fellow-traveler’ van de communistische zaak te worden. Een haast schrijnend voorbeeld is dat van Romain Rolland, Frans schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. Sommige schrijvers werden enkel geschaduwd, maar Rolland’s leven werd direct gemanipuleerd. Maria Pavlova Khoudachova (dit is de Franse transliteratie, hierna wordt de naam steeds weergegeven in de Nederlandse transliteratie, nl. als Choedasjova, red.), een Russische prinses, was een sovjetspion die getraind was om het leven van Rolland te bespelen.[iii] Zij trouwde met hem, beïnvloedde zijn politiek en zijn werk en zou na zijn dood de literaire erfenis blijven manipuleren. Dit gebeurde allemaal zonder dat Rolland ooit de waarheid achter de bedoelingen van Choedasjova leerde kennen. Choedasjova was een succesvolle pion in Münzenbergs strategie om cultureel Europa te veroveren.

Wie was dan die man, die met het grootste gemak het denken van velen bespeelde? Willi Münzenberg, geboren in 1889 in Duitsland, groeide in armoede op. Als zoon van een barman raakte Willi al snel betrokken bij de arbeidersbeweging. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitgebroken was, was hij al een graaggeziene gast van Lenin. Münzenberg was op de radar van Trotski gekomen en werd al snel de organisatorisch talentvolle protegé van Karl Radek, een belangrijke spin in de communistische activiteiten in Duitsland. De eerste grote verdienste van Münzenberg, kwam in 1921. Lenin had hem in Moskou uitgenodigd en de taak gegeven om in het westen een inzamelingsactie voor de hongersnood in de Sovjet-Unie te beginnen.[iv] Deze grote propagandaslag liep onverwachts slecht uit, aangezien westerse filantropen en beroemdheden deze actie gebruikten om hun weelde en goedheid te bewijzen. Hoewel er grote bedragen binnenkwamen, kwam de westerse ‘PR’ het beste uit de verf, vergeleken met de armoedige Sovjet-Unie – het binnengehaalde geld was überhaupt van kleiner belang dan een propagandistische winst.

Moskou zag wel het organisatorische talent van Münzenberg. Maar de grootste slag die Moskou geslagen had, was dat zij wisten wat er bij de westerse culturele elite te halen viel. De bespeelbaarheid van hun trots en morele kompas kon gemakkelijk misbruikt worden. Münzenberg kreeg veel middelen tot zijn beschikking. Begin jaren twintig begon hij met het opzetten van zijn media-imperium. Dit deed hij door te beginnen met de aankoop van de distributierechten van vrijwel alle films in Duitsland. Deze bracht hij onder de hoede van een breed scala aan dummy corporations, waaronder de Aufbau, Industrie & Handels A.G.[v] Niet alleen Europa moest eraan geloven. De lange arm van Moskou reikte tot voorbij de Atlantische Oceaan: Münzenberg kreeg in 1925 de opdracht van de Komintern (de organisatie die gericht was op het internationaliseren van het communisme) om van de Amerikaanse communistische partij een propagandacentrale te maken.[vi] In de loop der jaren zou zijn greep hierop toenemen. Vele andere westerse socialistische organisaties stond hetzelfde lot te wachten.

De Publieke Opinie

Het is even interessant als ontluisterend om te zien hoe Münzenberg de onderstroom van de mainstream wist binnen te dringen. Hiervan twee voorbeelden: allereerst was er de Sacco-Vanzetti Case. Dit was een rechtszaak in Amerika tegen twee anarchistische Italianen die een dubbele moord zouden hebben gepleegd, waar de internationale pers lang over zou blijven schrijven. Münzenberg zette de Sacco-Vanzetti Case neer als racistisch gemotiveerd en bevestigde hiermee het idee dat Amerika geen land vol kansen, maar vol bekrompen vooroordelen was. Hiernaast werden er vele protestacties georkestreerd door de communistische partij en zou een inzamelingsactie een half miljoen opleveren – waarvan slechts 6.000 dollar bij Sacco en Vanzetti terecht zou komen.[vii]

Het tweede voorbeeld toont misschien wel Münzenbergs sluwste kant: Tussen 1928 en 1932 orkestreerde Münzenberg een vredesbeweging, die als voorbeeld geldt voor hoe de mythologie van progressieve gedachten wordt verspreid. Hiervoor zette hij The League Against War op. Het culmineerde in meerdere congressen voor vrede, waarbij iedere graad van links denken welkom was. Om de schijn op te houden, dat het geen communistisch georganiseerd congres was, werd de financiering goed verborgen gehouden. Opvallend hierbij is dat de agitatie zich richtte op de VS en moedwillig de opkomst van de nazi’s leek te negeren.[viii] Deze organisatie zou Münzenberg nog lang waardevol zijn en werd, nadat Hitler de macht greep, simpelweg omgedoopt van The League Against War tot The League Against War and Fascism.[ix]

Hoewel Münzenberg een succesvol verleidingsbedrijf draaiende hield, was er natuurlijk ook een verleidingsbereidheid vanuit de linkse intellectueel. Wat zochten zij, in hun toewijding aan het publiekelijk verdedigen van het stalinisme? In het boekje ‘Verre Paradijzen’, over het linkse politieke toerisme, staat:

De intellectuelen die zich in hun eigen maatschappij ontheemd voelden, zochten, in een poging om niet aan totale wanhoop ten prooi te vallen, een samenleving waarin hun idealen van eenheid, gelijkheid en harmonie wel verwezenlijkt leken. Hoe kritischer zij tegenover de maatschappij stonden die zij kenden, des te groter was hun behoefte aan een voorbeeld in de verte, een ver paradijs waar werd getoond hoe het beter kon.”[x]

Deze heimwee naar een onbestaande plek, moest ook verdedigd worden:

Uiteraard lokten de standpunten van de fellow-travelers in het Westen tegenspraak uit. In het publieke debat traden zij naast de communisten op als de belangrijkste peitbezorgers van de socialistische staten. Zij maakten daarbij gebruik van een vast repertoire argumenten waarmee ze de kritiek van hun tegenstanders pareerden. Verreweg de makkelijkste manier om hun critici te bestrijden bestond uit het verdacht maken van de bronnen waarop dezen hun betoog hadden gebaseerd. Het was voor de verdedigers van de Sovjet-Unie niet ongebruikelijk berichten over kampen in dat land af te doen als laster van de Amerikaanse geheime dienst.”[xi]

Nazi’s en communisten als stille kameraden

De antifascistische campagne en het vormen van ‘popular fronts’ waren manieren om jonge intellectuelen in het westen te werven voor de stalinistische zaak, met een als ‘moreel superieur’ gemaskeerd gedachtegoed (want alleen Stalin zou écht anti-Hitler zijn, wat progressieven aansprak).[xii] Maar waarom was Münzenberg dan, tot de machtsgreep van Hitler, niet geïnteresseerd in het bekritiseren van het fascisme? Het fascisme en het communisme waren immers aartsrivalen! Onder de oppervlakte lag de zaak ingewikkelder. Het zou de start van een samenwerking zijn die ook uiting vond in het beruchte Molotov-Ribbentroppact. De communisten hadden oog voor het antikapitalisme van Hitler en hoopten op een wending richting ‘sociaal-fascisme’. Zij konden het ook beter met elkaar vinden dan met de ‘burgerlijke’ liberalen en sociaal-democraten. Zo had Münzenberg veel contacten binnen de linkervleugel van de SA.[xiii]

Hoewel Münzenbergs leven en werk sterk veranderden na de machtsgreep van Hitler, bleef er geheim contact tussen de nazi’s en communisten. Münzenberg vluchtte in 1933 naar Parijs, kwam via een vriend van Sartre in bezit van een grote uitgeverij en begon met het creëren van een antifascistische beweging.[xiv] De boodschap – dat de Sovjet-Unie de ware en enige vijand was van het nazisme – overschreeuwde het stille feit dat de twee vijanden heimelijk samenwerkten.[xv]

Het Interbellum in Parijs

Na de rijksdagbrand was Münzenberg naar Parijs gevlucht. Een beschermheer van Münzenberg in het chique Parijs was Lucien Vogel. Zij kenden elkaar sinds de jaren ‘20. Vogel was een eigenaardige en opvallende smaakmaker en uitgever van tijdschriften, zowel in Berlijn, Parijs als later in de VS. Hij dacht al sinds 1926 na over manieren om socialisme via kunst in West-Europa salonfähig te maken. Twee bladen van hem zouden door Münzenberg gebruikt worden: Vu (dat zich bezighield met high-society) en Lu (een literair blad). Zijn landgoed (dat bekend stond als La Faisanderie, een 16e-eeuws jachtvertrek van Lodewijk XIV) was een constante verzamelplaats voor de links-modieuze bovenklasse in de jaren ‘20 en ‘30: intellectuelen, kunstenaars en spionnen uit de Sovjet-Unie.[xvi] In dit dromerige oord werden liefdes, vriendschappen en rivaliteiten geboren. Ook hier kon Münzenberg weer mensen vinden om om zijn vinger te winden.

In de jaren ‘30 was het in Parijs een komen en gaan van mensen en bezigheden. De vele gevluchte communisten vonden elkaar snel en creëerden een eigen biotoop. Vreemde wandelafspraken en ontmoetingen met sovjetspionnen waren aan de orde van de dag. Begin maart 1933 bracht een koerier uit Moskou opdracht om de World Committee for the Relief of the Victims of German Fascism op te richten. In tegenstelling tot de vredesorganisatie werd het een kleine organisatie, niet gericht op het grote ‘softe’ publiek. Het werd opgericht door Gibarti; een belangrijke, maar mysterieuze medewerker van Münzenberg, waarvan erg weinig bekend is. Het richtte zich op zeer geheime en fijnmazige taken, zoals het voeden van desinformatie richting Churchill.[xvii] Het mag duidelijk zijn dat Münzenberg in staat was tot aan de zon te reiken, als hij deze nodig had voor zijn cultuurpolitiek.

Het einde van Münzenberg

Het mystificeren van de geschiedenis en het verspreiden van onwaarheden is alomtegenwoordig in de Sovjetgeschiedenis. Zo is het algemeen bekend dat in onmin geraakten uit foto’s gewist werden. Ook het samenwerken met ‘oncommunistische’ krachten was niet voor de geschiedenisboeken bedoeld. Zowel de samenwerking met de nazi’s, als met het keizerlijk-burgerlijke Duitsland, leverden geen fraaie propaganda op. Zelfs de geboorte van het sovjetparadijs kon niet plaatsvinden, zonder steun van de Duitsers. Perry Pierik onthuld in zijn biografie over Ludendorff  hoe intensief Duitsland samenwerkte met de revolutionairen. De Duitsers beschouwden de revolutionairen slechts als huurlingen, die de strijd in het oosten konden verlichten.[xviii] Na de revolutie werd iedere verbinding tussen de Russen en Duitsers uit de geschiedenis gehouden, waaronder de mysterieuze Israel Helphand, die de gehele reis had gecoördineerd maar achteraf ook uit de geschiedenis is gewist.

Münzenberg stond hetzelfde lot te wachten. Tegen de tijd dat de oorlog was begonnen, in 1940, was Münzenberg in onmin geraakt bij Stalin. Hij werd achtervolgd door zowel de Russische NKVD als de Duitse SD. Toen zijn situatie te onzeker werd, ging hij op de vlucht richting Zuid-Frankrijk. In oktober 1940 vonden twee jagers hem, opgeknoopt aan een boom. Hoewel het nooit bewezen is, wijst alles erop dat Münzenberg door de NKVD is ingehaald.[xix] Münzenberg was uitgespeeld; bekneld geraakt tussen de totalitaire scharnieren van de geschiedenis.

Dit artikel is onderdeel van een reeks over de cultuurstrijd die de Sovjet-Unie voerde, ten tijde van de Koude Oorlog. Deze artikelen worden bewaard om in boekvorm te verschijnen. Eerder in deze reeks verscheen De rampzalige gevolgen van communistische infiltratie in de Derde Wereld, geschreven door dr. Perry Pierik.


[i] Marx, K. Het Communistisch Manifest. (1848). P 2.
[ii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. (1995).
[iii] Ibid. P 21-22.
[iv] Ibid. P 24.
[v] Ibid. P. 27.
[vi] Ibid. P 30.
[vii] Ibid. P 31-35.
[viii] Ibid. P 38-42.
[ix] Ibid. P 64-65.
[x] Aarsbergen, A. Verre Paradijzen, Linkse Intellectuelen op Excursie naar de Sovjet-Unie, Cuba en China. (1988). P 16.
[xi] Ibid. P 21.
[xii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 59-61.
[xiii] Ibid. P 41.
[xiv] Ibid. P 62-63.
[xv] Ibid. P 53-54.
[xvi] Ibid. P 69-72.
[xvii] Ibid. P 65.
[xviii] Pierik, P. Erich Ludendorff, Biografie. (2017). P 195-198.
[xix] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 309-310.

Posted on

Geheime diplomatie: Oostenrijkse politici offerden Zuid-Tirol voor Europese integratie

Het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van het Italiaanse fascisme gaven Zuid-Tirol weer hoop. Eindelijk, zo hoopte men, zou Zuid-Tirol weer met Noord- en Oost-Tirol verenigd worden. Het liep echter anders.

De historicus en publicist Helmut Golowitsch heeft hier een lijvig boek aan gewijd, waarin hij de lezer van de tijd direct na de oorlog naar het jaar 1966, waarin de conservatieve ÖVP onder bondskanselier Josef Klaus zonder coalitiepartners kon regeren. Bijzondere aandacht gaat uit naar de stille diplomatie tussen de Italiaanse regeringspartij Democrazia Cristiana (DC) en de Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP). Het boek is het eerste deel in een nieuwe reeks over de geschiedenis van Zuid-Tirol. Het tweede deel wordt binnenkort verwacht en zal over de periode van 1966 tot 1969 gaan, waarin volgens de titel de Oostenrijkse en Italiaanse christendemocraten de kwestie Zuid-Tirol begroeven.

De auteur begint zijn uiteenzettingen met het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het spanningsveld tussen Oost en West ontstonden in 1947 de Nouvelles Équipes Internationales (NEI), een Europese christendemocratische koepelorganisatie, waarin ook Oostenrijk en Italië vertegenwoordigd waren en politici van de Italiaanse DC en Oostenrijkse ÖVP directe contacten konden onderhouden.

In het kader van deze samenwerking kwam het tot geheime toegevingen van enkele ÖVP-politici, die publiekelijk weliswaar stelden dat Zuid-Tirol hen na aan het hart lag, maar achter gesloten deuren aan de Italiaanse christendemocraten bevestigden dat Zuid-Tirol bij Italië kon blijven. In de optiek van bepaalde ÖVP-functionarissen in Wenen was de kwestie Zuid-Tirol vooral een hypotheek die de relatie met Italië onnodig belastte. In het bijzonder verstoorden ze de onderhandelingen over de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Economische Gemeenschap. In dit opzicht werd de deelstaatorganisatie van de ÖVP in Tirol, die zich bijzonder verbonden voelde met Zuid-Tirol, bewust genegeerd.

Juist in deze voor Zuid-Tirol bepalende jaren bemiddelde Rudolf Moser, een ondernemer uit Karinthië met uitstekende contacten met Italiaanse christendemocratische leiders, als onofficiële diplomaat tussen Wenen en Rome, zodat hij al snel de éminence grise van het Oostenrijkse Italië-beleid werd. Moser was een goede jeugdvriend van Leopold Figl, die van 1945 tot 1953 bondskanselier van Oostenrijk was en van 1953 tot 1959 minister van Buitenlandse Zaken. Onder de dekmantel van zijn zakenactiviteiten, kon Moser uit het zicht van de pers en de officiële diplomatieke kanalen het contact onderhouden tussen bondskanselier Figl en premier Alcide De Gasperi. Terwijl de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Karl Gruber op de Parijse Vredesconferentie van 1946 slecht onderhandelde en voortijdig een volksraadpleging in Zuid-Tirol – zijn troefkaart – uit handen gaf, had Rudolf Moser in Rome een geheime ontmoeting met De Gasperi om over de heropening van het goederenverkeer en een verdieping van de christendemocratische vriendschap tussen Wenen en Rome te spreken. De kwestie Zuid-Tirol liet zich in deze context eerder door autonomie voor de regio binnen Italië oplossen dan door hereniging met Oostenrijk.

Dit alles gebeurde met medeweten van bondskanselier Figl, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Gruber noch de deelstaat-ÖVP in Tirol ervan op de hoogte waren. De ervaren politicus De Gasperi wist deze overduidelijk zwakke onderhandelingspositie van de Oostenrijkers uit te buiten, waardoor het tot het Gruber-De Gasperi-akkoord kwam, dat Zuid-Tirol alleen een zwakke schijnautonomie toekende, wat in de daarop volgende jaren tot toenemende spanningen zou leiden.

Rudolf Moser zette zijn heimelijke paradiplomatieke activiteiten voort en organiseerde geheime persoonlijke ontmoetingen tussen premier De Gasperi en bondskanselier Figl: in augustus 1951 in een herberg aan de Karerpas in Zuid-Tirol en een tweede in augustus 1952 in Mosers huis in Karinthië. Van beide gesprekken zijn geen notulen, maar zo merkt de auteur op, vanaf dit moment is er geen merkbaar engagement van de Oostenrijkse regering voor Zuid-Tirol meer. Ook van deze gesprekken waren Noord- noch Zuid-Tiroolse politici op de hoogte.

In 1953 verloor Figl weliswaar het kanselierschap aan zijn partijgenoot Julius Raab, hij werd echter minister van Buitenlandse Zaken, waardoor Moser achter de schermen verder kon gaan de Oostenrijks-Italiaanse relatie te onderhouden en de eisen van Zuid-Tirol te torpederen. Pas toen in 1959 de sociaaldemocraat Bruno Kreisky minister van Buitenlandse Zaken werd, ging de Oostenrijkse federale regering zich weer actief inzetten voor het afgescheiden landsdeel en werd de kwestie Zuid-Tirol bij de Verenigde Naties ter tafel gebracht, wat de basis zou leggen voor de verdere onderhandelingen. Een nieuwe dramatische keer in het Oostenrijkse Zuid-Tirol-beleid kwam er in 1966, toen de ÖVP een absolute meerderheid behaalde in de federale parlementsverkiezingen en Kreisky werd afgelost als minister van Buitenlandse Zaken.

Door een toeval kreeg Golowitsch toegang tot het privé-archief van Rudolf Moser. Na deze stukken bestudeerd en wetenschappelijk verwerkt te hebben, droeg hij de originele documenten over aan het Oostenrijkse Staatsarchief en kopieën aan het Tiroler Landesarchiv. Zodoende is zijn werk niet alleen verifieerbaar, maar biedt het ook voor historici veel tot nog toe onbekend bronnenmateriaal.

De auteur weet met zijn boek zowel voor historici als geïnteresseerde leken boeiend te schrijven. De documenten uit Mosers privé-archief weet hij goed te verweven in een geheel uit achtergrondinformatie, krantenberichten, getuigenverklaringen en andere bronnen, zodat zijn boek ook zonder gedetailleerde voorkennis gelezen kan worden. Waar Wenen tot nog toe als betrouwbare partner van Zuid-Tirol gold, moet de rol van enkele leidende ÖVP-politici naar aanleiding van dit boek heel anders getaxeerd worden.

N.a.v. Helmut Golowitsch, Südtirol – Opfer für das westliche Bündnis. Wie sich die österreichische Politik ein unliebsames Problem vom Hals schaffte (Leopol Stocker Verlag, Graz, 2017), gebonden, 607 pagina’s.

Posted on

De machtigen hebben het moeilijk met de democratie

De gebeurtenissen tuimelen over elkaar heen. ‘Het’ is gebeurt, in Berlijn lopen ze radeloos door elkaar.  Jakob Augstein van het weekblad Der Spiegel geeft woorden aan de hijgende paniek: “Nazi’s in de Bondsdag”! Wie heeft die gekozen? De vroegere hoofdredacteur van het weekblad Focus, Helmut Markwort verried al voor de verkiezingen dat hij persoonlijk niemand kent die op de AfD stemt en ook niemand die iemand kent die op de ‘Blauwen’ wil stemmen.

Helmut Markwort is een bedaagde man, een typische FDP-aanhanger, laat zich met andere woorden niet zo snel onrustig maken. De gebeurtenis van 24 september hoefde hem dan ook bij lange na niet dermate van zijn stuk te brengen als bijvoorbeeld een Augstein. Markworts citaat geeft echter wel duidelijkheid over hoe ver de ‘media-elite’ van de Bondsrepubliek zich verwijderd heeft van een toch niet gering deel van de bevolking – hij kent zelfs niemand die er eentje kent, alsof ze op verschillende continenten wonen.

De Hitler-kaart

Wat de auteur van Der Spiegel diep moet ergeren, is de voorzienbare ervaring dat zijn rammelende charge nergens toe leidt. Nog niet zo lang geleden kon hij met het Nazi-etiket angst en beven verbreiden onder AfD-aanhangers. Decennia lang deinsden Duitsers terug, wanneer iemand ze met Hitlerij in verband bracht. De Israëlische schrijver en regisseur Ephraim Kishon heeft dit Duitse spelletje decennia geleden al eens uit de doeken gedaan: Wie onder Duitsers een debat wil ‘winnen’, die hoeft alleen maar op het juiste moment met een zo verontwaardigd mogelijke oogopslag “Hitler!” te roepen, en de opponent  heeft geen schijn van kans meer.

Dit Duitse spel werkte zo goed, dat steeds meer mensen er aan mee wilden doen. Ten slotte hitlerde het bij iedere nog zo banale gelegenheid: Het noemen van bepaalde cijfers uit de criminaliteitsstatistieken, het aanhalen van niet-vreedzame soera’s uit de koran, de verwijzing naar wettelijke regelingen met betrekking tot grenscontroles en dergelijke was al genoeg om de bruine troefkaart op de neus te krijgen.

De AfD heeft men jarenlang met de kaart om de oren geslagen. Iedereen speelde mee: de gevestigde partijen en de staats- en concernmedia, de kerken en vakbonden, scharen van ‘prominenten’ en wie niet al. Eigenlijk hadden de alternatieve onruststokers al lang zo dood als een pier moeten zijn. Maar dat zijn ze niet, in tegendeel, zoals we sinds afgelopen zondag zwart op wit hebben. De nazikaart is zo vaak getrokken dat ze haar effect verloren heeft. Ze schrikt niet meer af, ze irriteert hooguit nog.

Israël als Duitse staatsraison

Dat bleek bijvoorbeeld begin deze week. Toen stelde AfD-leider Alexander Gauland de scherpe vraag, wat Merkels uitspraak van enkele jaren geleden, dat Israëls veiligheid en bestaansrecht onderdeel van de Duitse staatsraison zouden zijn, in de praktijk eigenlijk waard is. Of de Duitsers überhaupt bereid zouden zijn ten oorlog te trekken wanneer de (latent bedreigde) Joodse staat het doelwit van militaire agressie zou worden. Gauland heeft daar begrijpelijkerwijs zo zijn twijfels over.

Maar Volker Beck, Groenen-politicus en voorzitter van de Israël-delegatie van de scheidende Bondsdag, begon meteen te ouwehoeren over “NPD” en “antisemitisch”. En dat terwijl Gauland alleen maar de pertinente vraag opwierp, of de hoogdravende toezegging aan Israël een serieuze belofte van concrete bijstand voorstelt of slechts een betekenisloos kletspraatje – waarmee hij kennelijk de vinger op de zeer plek van de kletsmajoors gelegd heeft. Dus haalden de kleinzerige getroffenen hun nazikaart weer voor de dag, maar bereikten daarmee geen noemenswaardig effect. Alweer ernaast!

Controleverlies

Dit verlies aan controle is nog het meest choquerende aspect ervan voor het establishment. Men was eraan gewend geraakt de Duitsers met behulp van hun angst en hun slechte geweten naar believen door de manege te kunnen drijven. Maar op enig moment is het allemaal te doorzichtig geworden. Maar als de mensen het spel eenmaal doorzien, kunnen de oplichters wel inpakken.

Merkels minister van Algemene Zaken Peter Altmaier had kort voor de verkiezingen nog maar eens alles gegeven en de burgers die naar een stem op de AfD neigden opgeroepen thuis te blijven. De boodschap: Wie niet voor ons is, is niet alleen tegen ons, maar moet het beste maar helemaal niet meer aan de democratie deelnemen. Uit de woorden van Altmaier sprak een typerende combinatie van vertwijfeling en arrogantie. We kregen even een blik op wat je het ‘democratiebegrip’ van de machtigen zou kunnen noemen. Dat democratiebegrip lijkt te draaien om het beginsel: Democratie is, als wij de macht houden. Voor een bepaald deel van de Duitsers klinkt dat als: Het moet er democratisch uitzien, maar we moeten alles in de hand hebben. Dat kent dit deel van de Duitsers nog ergens van, wat het bijzondere succes van de AfD in de oostelijke deelstaten verklaarbaar maakt.

Hoe diep de misvatting van de machtigen in de Bondsrepubliek over democratie gaat, blijkt ook wel uit de commentaren op de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Met de nodige Schadenfreude volgen de Duitse toonaangevende media, hoe de Amerikaanse president Donald Trump met een weerspannig parlement te maken heeft. Hoe de volksvertegenwoordigers hem tot onderhandelingen en compromissen dwingen en initiatieven van hun president soms ook compleet op de klippen laten lopen. “Trump faalt in Congres” jubelen Duitse redacties dan en duiden het als zwakte van de Amerikaanse president, waarvan de Duitse bondskanselier zich positief zou onderscheiden door haar sterkte en de steun die zij geniet. Dat moet dan het bewijs ervoor zijn dat de Duitse democratie momenteel veel beter zou functioneren dan de Amerikaanse. Hetzelfde enthousiasme bij Duitse commentatoren wanneer Trump door een hoge rechter wordt teruggefloten.

Checks and balances

De Amerikanen noemen dat checks and balances, maar de Duitsers weten natuurlijk wel beter. Wat de superieure Teutoonse democraten kennelijk echter over het hoofd zien, is dat het hierbij om niets anders gaat dan gepraktiseerde machtendeling. Wel zo democratisch niet waar: Dat het parlement bestaande uit gekozen volksvertegenwoordigers de regering streng controleert en dat de rechterlijke macht beide organen, zowel de regering als de volksvertegenwoordiging in de smiezen houdt, zodat alles wat ze doen zich wel binnen het kader van de wet voltrekt.

Maar hoe werkte dat in Duitsland in de afgelopen jaren? Het parlement ‘controleert’ de regering? Het leek meer op het tegendeel: Zo zwaaide in de grootste coalitiefractie een trouwe volgeling van de Bondskanselier genaamd Volker Kauder de knoet over een roedel volgzame fractiesoldaten, die in onderdanige trouw stram in het gelid bleven. Zo kon Merkel met een knip van haar vingers de wetten over grenscontroles en inreizen buiten werking stellen – uit het parlement noch uit een andere staatsinstelling klonk hoorbaar verzet, hooguit op straat. De burgers die het waagden daar te protesteren, kregen echter de ‘vierde macht’, in de gedaante van de ‘onafhankelijke’ staatsmedia, over zich heen, die gretig de Hitler-kaart trokken. Tegen dit web van een alles omspannende almacht kwam niets op niemand van het officiële Duitsland op. Machtendeling? ‘Check and balances’? Vergeet het maar!

Uit dit machtsgevoel lijkt de Bondskanselier nog altijd haar rust te putten. Als je ziet met welke vanzelfsprekendheid ze aan haar ambt kleeft, dan kun je er de indruk aan overhouden dat Merkel, na twaalf jaar aan de regering, er diep in haar hart aan twijfelt dat het zogenaamde volk – Merkel spreekt liever van “de mensen die hier al wat langer wonen” – überhaupt nog het morele recht heeft zich over haar Bondskanselierschap uit te spreken.

Posted on

Een originele oorlogsfilm

De film Dunkirk is op het moment van schrijven in sommige bioscopen al niet meer te zien, maar het is toch de moeite waard even stil te staan bij deze verfilming over een van de grootste nederlagen van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.

Laten we meteen tot de kern komen. De film is een meesterwerk. Het grootste deel van de film bestaat uit 3 verhalen. Een soldaat die een week op het strand van Duinkerken doorbrengt. Een piloot van een Spitfire-jachtvliegtuig en een burger die met zijn plezierjacht het kanaal oversteekt. Deze drie verhalen vinden elkaar tijdens het sluitstuk van de film die toch zeker origineel te noemen is.

Wat ook origineel te noemen is, zeker gezien de veelheid aan films over de Tweede Wereldoorlog, is dat de geallieerde soldaten geen onoverwinnelijke superhelden zijn. En de weinige Duitse soldaten geen baby-etende monsters. Dat klinkt allemaal erg logisch, maar in te veel andere films worden deze evidenties niet zo in beeld gebracht. De regisseur Christopher Nolan heeft ervoor gekozen de strijd neutraal in beeld te brengen. Er zijn geen swastika’s te zien en geen gratuite beelden van gewonde soldaten. De stuka’s maken hun specifieke angstaanjagende geluid en schepen zinken als ze geraakt worden door torpedo’s of bommen. Er is duidelijk actief geprobeerd een waarheidsgetrouw verhaal te vertellen.

De muziek is gedaan door Hans Zimmer die eerder de filmmuziek voor Gladiator componeerde en zich daarbij liet inspireren door Richard Wagner. Die invloed van klassieke muziek is ook in deze film te horen. De muziek is naast al het andere moois in deze film ook een pluspunt. Op momenten is de muziek angstaanjagender dan in menig horrorfilm die ik heb gezien en op de juiste momenten is de muziek mooi en dromerig en faalt nooit in het begeleiden van de toon van de scene.

Het strand waar de 400.000 soldaten bivakkeren wordt naarmate de film vordert steeds meer gevuld met dode lichamen en als de vloed opkomt spoelen er nog meer lijken – afkomstig van getorpedeerde en gebombardeerde schepen – aan. Aangevuld met de muziek van Hans Zimmer wordt er een claustrofobische sfeer op de open ruimte van het strand gecreëerd.

Het beeld van een verslagen leger dat uit de lucht steeds weer onder vuur wordt genomen door nietsontziende aanvallen van stuka’s en de Heinkel bommenwerpers die meedogenloos Britse schepen tot zinken brengen projecteert Christopher Nolan vakkundig op ons netvlies. De bedrukte sfeer van nederlaag, van paniek en het gevoel van noodzaak om het strand van Duinkerken te verlaten is zo dik dat het bijna tastbaar is.

De personages worden naamloos opgevoerd en we leren ze op voornamen en wat oppervlakkige kernmerken na niet echt kennen. Maar dat is niet erg. Deze film gaat over een naamloze massa en ik vind de keuze om niet te veel persoonlijke verhalen te verfilmen ook terecht en passen bij de algemene Untergangsstimmung.

De film illustreert natuurlijk een nederlaag en in die zin is er geen “happy end”. Maar vlak voordat de aftiteling getoond wordt worden we getrakteerd op de legendarische “we shall never surrender”-speech van Winston Churchill. Verwoord door een naamloze soldaat en wederom gezet op de prachtige, dromerige muziek van Hans Zimmer.

In november te zien op DVD. Aanrader.

Posted on

“Gelukkig is er in Amerika meer rapaille dan in Duitsland!”

De Amerikaanse historicus en filosoof Paul Gottfried geldt als vooraanstaand denker in de paleoconservatieve beweging en als eerste die de term ‘alternative right’ (alternatief rechts) gebruikte, voordat Alt Right een merknaam werd. De nu 76-jarige professor uit Elizabethtown, Pennsylvania, is al decennia een centrale figuur op rechts in Amerika, tussen libertariërs en conservatieven. Hij is of was goed bevriend met belangrijke actoren als Richard Nixon, Pat Buchanan, Murray Rothbard en Hans-Hermann Hoppe, waarbij het hem er steeds om te doen was oud rechts en nieuw rechts, libertariërs en conservatieven bij elkaar te brengen in oppositie tegen het oorlogshitsende, neoconservatieve establishment dat de Republikeinse partij in zijn greep heeft. Minder bekend is zijn liefde voor Duitsland. Novini sprak met hem – in het Duits, daar stond Gottfried op – over de toekomst van Amerika, Duitsland en Europa.

Over ruim anderhalve maand kiezen de Duitsers de leden van de Bondsdag. U volgt de situatie vanuit Amerika op de voet, niet waar?

Ja, diep bedrukt en met weinig hoop kijk ik naar de situatie in Duitsland. Ik betreur het dat een patriottische partij er nog ver van verwijderd is het roer over te nemen.

U doelt op de AfD?

Het is betreurenswaardig dat de AfD er niet in slaagt haar interne conflicten op te lossen. Bovendien probeert de gematigde, door Frauke Petry aangestuurde vleugel de media een antifascistisch getuigschrift af te geven, wat evident strategische onzin is. Ondanks deze voorbehouden, zou ik als ik Duitser was op de AfD stemmen. Het is de enige partij die geschikt en bereid is om het immigratievraagstuk ter hand te nemen.

U heeft eens gezegd dat Duitsland en grote delen van Europa toch al “verloren” zijn.

Ja, aan de lange termijnvooruitzichten van een op afkomst en cultuur gebaseerde Duitse natie moet ik helaas twijfelen. Het lage geboortecijfer van de autochtone Duitsers maakt me even sceptisch als de zelfkastijding die de Duitsers door hun politieke en mediale elites opgelegd wordt. Daarbij komt de kadaverdiscipline waarmee het Duitse electoraat het anti-Duitse establishment volgt.

Als tot 200.000 Duitsers per jaar het land de rug toekeren, is binnen de volgende zes generaties een krimp van de autochtone bevolking te verwachten van 64 naar 11 miljoen. Het in Duitsland als staatsgodsdienst hoogtij vierende nationaal-masochisme zal er voor zorgen dat de Duitsers een minderheid in eigen land worden.

Het cruciale thema van onze tijd is in veler ogen de immigratie. Het ligt echter in de aard van de zaak, dat niet allen die zich aansluiten bij het verzet tegen de massamigratie, het over alle kwesties eens zijn. 

Desalniettemin moet het mogelijk zijn om, bijvoorbeeld met politiek-economisch andersdenkenden, een gelegenheidscoalitie te sluiten om samen tegen een acute dreiging op te treden. Het moet er nu om gaan Duitsland te redden van de uitwissing van zijn cultuur.

Ziet u in Europa of het Westen in het algemeen bewegingen op personen, waarop rechts in Duitsland zich kan oriënteren?

Zo voor de vuist weg: Viktor Orbán.

Welke opstelling staat u voor ten aanzien van de Europese Unie?

Frontale oppositie. De EU is tot een anti-nationaal, anti-vrijheids-, multicultureel en anti-christelijk gedrocht geworden. De globalisten hebben een verdere vervanging van de Europese naties voor en beschikken met de EU over het middel hiertoe.

Als een oppositiebeweging kans van slagen wil hebben, moet ze steeds twee zaken bij elkaar houden: verstand en gevoel. In de VS kan men op het patriottische, vrijheidsgezinde erfgoed van de Founding Fathers teruggrijpen en het debat zo in een voor de rechtse oppositie gunstige gevoelsrichting sturen. Welke gebeurtenissen, tijdperken of personen ziet u in de Duitse geschiedenis die libertariërs of conservatieven voor dergelijke doeleinden kunnen gebruiken?

Het schijnt me toe dat de Duitsers een liberale traditie hebben, maar geen libertarische. Ik wijs er op dat de gevormde burgerij in de 19e eeuw zijn liberale opvattingen in evenwicht wilde brengen met de nationale eenwording. Al waren dit dan de laatste decennia van het klassieke liberalisme in Duitsland, toch zou het zeer misplaatst zijn om de Duitsers een liberaal erfgoed te willen ontzeggen. In vergelijking met de tegenwoordige antifascistische semidictatuur in Duitsland en andere westerse landen laat het Duitse keizerrijk een voorbeeldige constitutionele rechtstatelijkheid zien.

Komen we te spreken over de situatie in uw land, de Verenigde Staten. Ook daar is de samenleving uiterst gepolariseerd, zoals men recent aan rellen in Berkeley, Californië kon zien. Sterke mediale waarneming geniet hierbij ook de zogeheten Alt Right-beweging, waarvan gezegd wordt dat u er de naamgever van bent.

De term komt van mij, maar de beweging heeft zich inmiddels ver verwijderd van mijn ideeën. Wat echter blijft, is de vaststelling dat het oude Republikeinse establishment, dat wil zeggen de neoconservatieven, nauwelijks nog in staat is, zichzelf als echte oppositie tegen de Democraten te verkopen. De doorsnee leeftijd van de kijkers van Fox News nadert de zestig al. De meeste lezers van bladen als de National Review en Weekly Standard zijn minstens even grijs en onnozel.

Tegenwoordig associeert men de jonge Alt Right-beweging echter veeleer met personen als Richard Spencer. Hoe heeft zich de politieke oriëntatie van de beweging in de afgelopen jaren veranderd?

Tot eind vorig jaar identificeerden zich ettelijke groepen met het koepelbegrip Alt Right, een zeer breed spectrum. Toen de alliantie van linkse media en gutmenschen vervolgens veel drukte maakte over het begrip Alt Right, liepen de gematigden weg. Vervolgens namen diegenen die het in de eerste plaats om “blanke identiteit” gaat, met Richard Spencer voorop, dit al grotendeels versmalde begrip voor zichzelf in beslag.

De drievoudige presidentskandidaat Patrick J. Buchanan stelde met zijn meest recente boek (Suicide of a Superpower) de provocatieve vraag of Amerika kan overleven tot 2025 of voordien uiteen zal vallen. Hoe ziet u de politieke, economische en demografische toekomst van de Verenigde Staten?

Ik moet toegeven dat ik net als Pat een multiculturele, door een ‘diepe staat’ geleide, toekomst van Amerika voor me zie. Wat ons echter van de volkomen heropgevoede Duitsers onderscheidt, is de aanwezigheid van zogenaamd rapaille (Gottfried gebruikt hier het Duitse woord ‘Pack’, dat SPD-minister Sigmar Gabriel gebruikte met betrekking tot deelnemers van Pegida, WB), dat nog altijd voor de burgerlijke normaliteit en het christelijke fatsoen wil strijden. Bij ons ligt het aandeel van de bevolking dat uit deze onbuigzamen bestaat net als in Frankrijk rond de 40 à 45 procent. Dat ook uit dit bevolkingsdeel stemmen opkomen voor meer staatsingrijpen, is te betreuren, maar niet te veranderen.

Als u de Duitsers nog een raad kon geven, wat zou dat dan zijn?

Verwerk de verwerking van het verleden! Wees trots op jullie erfgoed! En krijg meer kinderen!

Posted on

Bier als motor van de geschiedenis

De Finse historici Mika Rissanen en Juha Tavanainen hebben een zwak voor eigenzinnige geschiedenisboeken. Met hun boek over sport in de oudheid wonnen ze de grootste non-fictieboekenprijs van Finland. Een nog interessanter thema behandelt het voorliggende boek Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Geschiedenis van Europa in vierentwintig bieren).

Wat heeft bier met geschiedenis te maken, vraag je je misschien af, maar aan dit gebrek aan kennis komen de auteurs tegemoet met interessante teksten. Al in 4000 voor Christus schilderden de Soemeriërs het bierdrinken. Uit deze tijd stammen ook de oudst bekende recepten voor het maken van bier.

De vroege christenheid volgde echter het voorbeeld van de Heilige Schrift en dronk wijn. De oudst bekende vermelding van het drinken van bier in Europa stamt uit de 7e eeuw voor Christus. Lang gold bier als drank van weinig verfijnde barbaren. Wijndrinkers keken neer op bierdrinkers.

Niettemin speelde bier bij belangrijke politieke beslissingen en sociale omwentelingen een rol. Omdat water lang als vervuild en zodoende riskant gold en bier een hoge voedingswaarde had, triomfeerde het gerstenat. Zo drink Martin Luther in Erfurt graag bier in kroegen. Peter de Grote importeerde uit Engeland het recept voor Porter-bier, dat hij bij de havenarbeiders in Londen gesmaakt had. Catharina de Grote, eveneens een liefhebber van bier, liet Duitse brouwers naar Rusland komen.

De problematiek van het transporteren van bier bespoedigde de uitbouw van nieuwe spoortrajecten in de 19e eeuw. Bier speelde een rol van de Noordpoolexpeditie van Fridtjof Nansen. Bij de legendarische Kerstviering in 1914 dronken Britse en Duitse soldaten bier. En er was tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs een bierslag om Engeland. Zelfs bij de Tour de France verfristen zich de sporters met het gerstenat, dat hen de kracht gaf om de Alpen te overwinnen. En Adolf Hitler hield zijn toespraken in bierkelders in München.

Op ieder hoofdstuk volgt informatie over de beschreven biersoort. Aan de hand van 24 biersoorten leert de lezer zo tussen neus en lippen door veel wetenswaardigs uit de Europese geschiedenis. Onverwacht onderhoudende en aan te bevelen lectuur!

N.a.v. Mika Rissanen/Juha Tahvanainen, Die Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Eichborn
Verlag: Köln, 2016), gebonden, 352 pagina’s.

Posted on

Adenauer, onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Wat een politiek leven! Het strekt zich uit van het keizerrijk, de republiek van Weimar, het nationaal-socialistisch bewind tot en met de Bondsrepubliek Duitsland. Steeds was Konrad Adenauer er bij. Op 19 april is het vijftig jaar geleden dat de eerste bondskanselier van Duitsland overleed.

Adenauer werd op 5 januari 1876 in Keulen geboren en zijn hele leven bleef zijn Rijnlandse herkomst zo duidelijk hoorbaar als zijn katholieke signatuur herkenbaar. Na zijn staatsexamen in de Rechten werkte hij als advocaat in Keulen. Als lid van de katholieke Zentrumspartei werd hij Beigeordneter (wethouder/schepen), vanaf 1909 Erster Beigeordneter (loco-burgemeester). Zo nam hij bij gelegenheid de honneurs waar voor de Oberbürgermeister, een oom van zijn echtgenote.

Burgemeester van Keulen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog legde Adenauer op het Voedingsdepartement opmerkenswaardige creativiteit aan de dag. Een door hem gebakken brood van rijst en maismeel liet hij als “Keuls brood” patenteren. Omdat zijn surrogaatstoffen weinig smakelijk waren, noemden de Keulenaren hem “Graupenauer”. Niettemin werd hij in 1917 door de gemeenteraad tot Oberbürgermeister gekozen. Een decreet van de koning van Pruisen maakte hem tot de jongste Oberbürgermeister van zijn tijd.

Adenauer als burgemeester van Keulen, in gesprek met rijksminister van Oorlog Wilhelm Groener, bij de tewaterlating op 1 mei 1928 van de kruiser ‘Köln’ in Wilhelmshaven (foto: Bundesarchiv)

Hij bekleedde dit ambt tot 1933 en na 1945 zou hij het nog enige tijd bekleden. Beduidend korter was zijn lidmaatschap van het Pruisische Herenhuis, waarvan hij uit hoofde van zijn ambt als Oberbürgermeister van Keulen zitting had. Het revolutiekabinet van SPD en USPD hief de Eerste Kamer van de Pruisische landdag in 1919 op. Dat schaadde de politieke loopbaan van Adenauer echter niet. Van 1920 tot 1930 was hij voorzitter van de Pruisische Staatsraad. Herhaaldelijk werd hij genoemd als kandidaat voor het ambt van rijkskanselier, ofschoon hij zich hard maakte voor een scheiding van Pruisen en een autonoom Rijnland.

Koning van het Rijnland

Uiteindelijk bleef de “koning van het Rijnland” echter steeds burgervader van Keulen, van dat ambt was hij zeker. Minder bedachtzaam was hij toen hij zich in 1928 vergaloppeerde met speculatie in aandelen glanszijde. Toen zijn schulden in de openbaarheid dreigden te komen, leende hij een aandelenpakket en deponeerde het bij de Duitse Bank. Die stelde aansluitend dat Adenauers conto vereffend was. De episode schijnt kenmerkend te zijn voor de sluwheid van Adenauer.

Van vergelijkbare kwaliteit waren zijn eerste ‘conflicten’ met de nationaal-socialisten. Die hadden in 1931 Hakenkruisvlaggen aan de brug over de Rijn gehangen. Adenauer liet ze verwijderen. De daaropvolgende woede van de nazi’s wimpelde hij af. De actie was met de districtsleiding van de NSDAP afgesproken; er stond tegenover dat Adenauer het hijsen van de vlaggen voor de beurshallen, waar Hitler werd verwacht, toestond.

In 1934 wees Adenauer de nationaal-socialistische minister van Binnenlandse Zaken er op, dat hij daarmee tegen een decreet van de Pruisische SPD-minister van Binnenlandse Zaken was ingegaan. Dat was nadat Adenauer in 1933 het ambt van Oberbürgermeister van Keulen verloren had en in de abdij van Maria Laach onderdak had gevonden. De tijd tot het einde van de nazi-heerschappij zat Adenauer uit als gepensioneerde, hij werd keer op keer lastig gevallen door de nazi’s, maar financieel zat hij er droogjes bij en in de juridische strijd om schadeloosstelling had hij door de bank genomen succes.

In mei 1945 was hij weer terug. De Amerikanen zetten hem opnieuw als Oberbürgermeister van Keulen in, maar Keulen werd deel van de Britse bezettingszone en de Britten gooiden hem er weer uit. Hij zou zich niet genoeg voor de bevoorrading van de bevolking ingezet hebben.

Onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Als ambteloos burger concentreerde Adenauer zich nu op de opbouw van een politieke partij. In 1946 nam hij de leiding van de CDU in de Britse bezettingszone. Doelbewust bouwde hij zijn positie uit. Carlo Schmid (SPD) noemde hem “de eerste man van de te scheppen staat, nog voordat die bestaat”. En dat werd hij inderdaad. De Bondsdag koos Konrad Adenauer op 15 september 1949 als eerste bondskanselier van de pas opgerichte Bondsrepubliek Duitsland – met een meerderheid van slechts één stem, die van Adenauer. Dat was het begin van een lang tijdperk. Nog driemaal, namelijk in 1953, 1957 en 1961 werd hij herkozen, schijnbaar alternativlos in zijn tijd.

Het zwaartepunt van zijn kanselierschap lag voor Adenauer bij de internationale betrekkingen.

Het waren jaren van beslissende keuzes. Reeds voor zijn verkiezing had Adenauer Bonn als provisorische hoofdstad doorgedrukt. Uit electorale overwegingen zette hij zich er voor in dat West-Berlijn geen volwaardige deelstaat werd. Hoezeer Adenauer al het andere ondergeschikt maakte aan de politiek, blijkt bijvoorbeeld uit een voorgenomen bomaanslag tegen de bondskanselier in 1952. Afzender van de bom was de joodse ondergrondse organisatie Irgun, opdrachtgever zou de latere Israëlische premier Menachem Begin zijn geweest. De wezenlijke feiten kende men in Bonn. Ze werden echter geheim gehouden om antisemitische reacties te voorkomen.

Hoe dan ook was het buitenlandbeleid voor Adenauer het zwaartepunt van zijn kanselierschap. Van 1951 tot 1955 was hij zelfs tegelijk bondskanselier en minister van Buitenlandse Zaken. Nauwe banden met het Westen, in het bijzonder met de Verenigde Staten, en een verenigd Europa waren zijn voornaamste doelen. Mijlpalen hierin waren de oprichting van de Bundeswehr, de toetreding tot de NAVO, de erkenning als enige legitieme regering van Duitsland, het Duits-Franse Vriendschapsverdrag (beter bekend als Élysée-verdrag) en de verzoening met Israël.

Voor het oordeel van de publieke opinie bleef zijn grootste prestatie echter de terugkeer  van de krijgsgevangen uit de interneringskampen van de Sovjet-Unie. Adenauers bereidheid om ook mensen die ten tijde van het nazi-bewind een ambt hadden vervuld in overheidsdienst te nemen, kwam hem daarentegen naderhand op heftige kritiek te staan. Tegelijkertijd voer hij een stramme koers tegen communisten, dwong hij een verbod van de KPD af en eiste hij per ‘Adenauer-decreet’ trouw aan de grondwet van overheidsdienaren.

In 1961 werd Konrad Adenauer nog eenmaal als bondskanselier verkozen (foto: Bundesarchiv).

Zijn laatste verkiezing tot bondskanselier kon hij in 1961 alleen met de belofte veiligstellen, dat hij voor het einde van de zittingsperiode van de Bondsdag plaats zou maken voor een opvolger. Het publieke debat over de Spiegel-affaire, waarin journalisten van weekblad Der Spiegel met rechtsvervolging wegens landverraad te maken kregen, bespoedigden Adenauers afscheid van de regering. In 1963 trad hij af, de 87-jarige bondskanselier stond toen inmiddels bekend als ‘Der Alte’.

Tot het einde van zijn leven bleef hij politiek actief en strijdlustig. Zes dagen voor zijn dood verbreidde zich een prematuur bericht over zijn overlijden. Dit leidde tot wereldwijde betuigingen van deelneming. Adenauer zal er nota van hebben genomen. De eerste bondskanselier van Duitsland stierf op 19 april 1967 op de leeftijd van 91 jaar in zijn huis in Rhöndorf.

Posted on

Nederland was niet neutraal in de Tweede Wereldoorlog

Nadat Engeland en Frankrijk op 3 september 1939 aan Duitsland de oorlog hadden verklaard, werd het Nederlandse volk door de toenmalige regering middels een proclamatie in de Staatscourant wijsgemaakt dat Nederland strikt neutraal zou blijven.

staatscourant nederland blijft neutraal

Maar vanaf dat moment begon een intensieve samenwerking tussen de Britse Secret Intelligence Service (SIS) en de Nederlandse geheime dienst GSIII onder leiding van generaal-majoor J.W. van Oorschot. De Britse geheime dienst opereerde destijds uit een pand aan de Haagse Nieuwe Parklaan en Van Oorschot, die overigens getrouwd was met een Engelse vrouw, stond daar bekend als agent 969.  In 1938 had hij ook al eens een hoge Britse onderscheiding gekregen.

hoofdkwartier britse geheime dienst den haag

onderscheiding generaal van oorschot

Bij de Duitsers kwam de samenwerking tussen de Britse en Nederlandse geheime dienst pas goed aan het licht door het zogeheten ‘Venlo-incident’ in de nacht van 8 op 9 november 1939.

venlo-incident

Tevens waren er contacten tussen de Nederlandse opperbevelhebber generaal Winkelman en de geallieerden. Hoewel de politiek zei te volharden in de ‘beproefde neutraliteit’ droeg Winkelman desondanks zijn attachés op contacten te leggen met de toekomstige bondgenoten. Vooral Frankrijk werd benaderd. Op 24 maart 1940 – dus ruim 6 weken voor de Duitse inval in Nederland – schreef Winkelman een memorandum aangaande de samenwerking tussen de Nederlandse, Belgische, Engelse en Franse legers.

memorandum winkelman

En de marineleiding nam het intussen ook al niet zo nauw met de neutraliteit en voerde in het diepste geheim, besprekingen in Londen. Die geheime contacten waren gelegd door de chef van de marinestaf en tegelijk bevelhebber der zeestrijdkrachten, vice-admiraal J. Th. Fürstner. Hij zorgde er onder meer voor dat sommige marine-eenheden in de Nederlandse wateren begin 1940 een verzegelde envelop aan boord kregen met daarin speciale zeekaarten voor de evacuatieroutes naar Engeland, alsook gegevens over het herkenningssein van de Britse marine. Voorts bereidde Fürstner via de marine-attaché in Londen, luitenant-ter-zee eerste klasse A. de Booy, een directe radioverbinding voor tussen de marinestaf in Den Haag en de Admirality in Londen en regelde hij alvast het verschepen van de Nederlandse goudreserve naar Engeland, onder escorte van Britse oorlogsschepen. Al deze contacten hadden destijds de instemming van de ministers Van Kleffens (Buitenlandse Zaken) en Dijxhoorn (Defensie).

Zelfs oud-premier Colijn voerde in maart 1940 besprekingen met leden van het Britse oorlogskabinet, terwijl Engeland al een half jaar in oorlog was met Duitsland. In het ‘neutrale’ Nederland werd over dit bezoek zelfs helemaal niet geheimzinnig gedaan. Het stond in alle kranten.

Colijn te Londen

Hieronder een document uit het Franse archief. Het betreft een brief van de Franse generaal Maurice Gamelin aan de toenmalige Franse minister van Oorlog Édouard Daladier d.d. 9 april 1940 over een plan voor een aanval op het Duitse Roergebied via België en Nederland. Het plan dateert dus één maand voor de Duitse inval in Nederland. In de brief staat onder meer te lezen: “Het binnenrukken in BELGIË is de beste voorbereiding voor ons binnenrukken in NEDERLAND, waarvoor het de eerste stap is”.

detail brief Gamelin

brief Gamelin

Aangezien de Franse aanval op het Duitse Roergebied dus ook over Nederlands grondgebied zou lopen, had de Nederlandse legerleiding aan de Fransen belangrijke informatie verstrekt voor hun gemotoriseerde eenheden. Dit betrof de exacte gegevens met betrekking tot de Nederlandse tankstations en tegoedbonnen waarmee ze konden tanken.
Nadat de Duitse geheime dienst door het decoderen van berichten op 6 en 7 mei 1940 tussen Londen en Parijs tot de slotsom was gekomen dat er hoogst waarschijnlijk ieder ogenblik een aanval via Nederland en België op het Duitse Roergebied te verwachten was, besloot de Duitse legerleiding de geallieerden voor te zijn door op 10 mei 1940 tot de aanval over te gaan. Hierbij moet opgemerkt worden dat op dat moment behalve de Franse divisies inmiddels ook al 10 Britse divisies van in totaal 394.000 man aan de Frans-Belgische grens lagen.
Op 10 mei 1940, om 06:00 uur in de ochtend, werd de Duitse oorlogsverklaring door de Duitse gezant Graf Zech von Burkensroda aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens overhandigd met de volgende inhoud: “Wij hebben onweerlegbare bewijzen voor een onmiddellijk dreigende inval van Frankrijk en Engeland in België, Nederland en Luxemburg, die met medeweten van Nederland en België sinds lang was voorbereid, met het doel op het Roergebied een aanval te doen”.

Duitse gezant

Uiteindelijk moest in 1969 ook onze rijksgeschiedschrijver Loe de Jong schoorvoetend toegeven “dat Nederland niet zo neutraal was geweest”.

Loe de Jong 1 Loe de Jong 2 Loe de Jong 3

Oorspronkelijk verschenen op gerard1945.wordpress.com

Posted on

Asielcrisis: Hongarije kan geen goed doen

Het systeem van ‘Dublin’ en ‘Schengen’ berust op de aanname dat de perifere lidstaten van de Europese Unie de grensbewaking waarnemen. Landen zoals Griekenland en Italië doen dat al lang niet meer, maar daar hoor je politici in de rest van de Europese Unie niet over. Hongarije komt daarentegen zijn verplichting na door aan de EU-buitengrens met Servië een hek te bouwen.

Hongarije heeft te maken met een grote stroom aan ‘asielzoekers’ uit de veilige herkomstlanden op de westelijke Balkan, en daarnaast van mensen die eerst in Griekenland zijn aangekomen, maar daar noch in Hongarije willen blijven maar door willen reizen naar Duitsland of andere verzorgingsstaten.

Hongarije handelt dus in het belang landen als Duitsland, Zweden of Nederland, maar dat is voor veel politici en media in West-Europa van geen belang of op zijn minst ondergeschikt aan een nieuwe gelegenheid om de conservatieve Hongaarse regering weer eens te kielhalen, ditmaal vanwege ‘xenofobie’.

De Hongaren vroegen zich dan ook af waarom ze de immigrantenstroom – in het belang van Duitsland – nog af zouden weren als ze daarom door Duitse politici en media alleen maar beschimpt worden. Het lag dan ook voor de hand dat Hongarije haar grens opende, niet voor wie er in wilde, maar voor wie verder wilde trekken. Hongarije deed daarmee niets anders dan wat Griekenland en Italië al veel langer deden en nog steeds doen. En toch kwam dit Hongarije ook weer op kritiek te staan in Duitsland.

Dat het voor Hongarije geen optie is om wel ‘asielzoekers’ binnen te laten, maar ze niet verder te laten trekken, mag inmiddels wel duidelijk zijn. Hongarije heeft de ‘asielzoekers’ weinig te bieden, ze willen bovendien helemaal niet in Hongarije blijven.

De Hongaarse premier Viktor Orbán wijst er terecht op dat de uitspraken van Duitse politici en media, dat iedereen welkom is, en wat dies meer zij, een voortdurend aanzuigende werking zullen hebben. De prognose voor het aantal asielaanvragen in Duitsland – die inmiddels al meerdere keren verdubbeld is – zal steeds weer naar boven bijgesteld moeten worden.

Duitse politici en media negeren intussen de evidente sociale problemen die de opvang, laat staan de uiteindelijke integratie van zulke grote aantallen mensen met zich meebrengt. Duitsland heft zich langzaam maar gestaag op (Sarrazin) en als Duitsland zich opgeheven heeft, is daarmee ook de schuld die nog altijd zo allesbepalend is in het wereldbeeld van de Duitse politiek-mediale klasse opgeheven.