Posted on

Obama legitimeert drone-aanvallen – Nergens zo veel oorlogstaal als waar men zelf niet weet wat oorlog is

Aan puin geschoten steden, met de grond gelijk gemaakte scholen en ziekenhuizen, gefolterde en geëxecuteerde gevangenen, ontploffende autobommen. Lange rijen vluchtelingen, hun huizen kapot gebombardeerd, strompelend langs een weg die nergens naartoe leidt met hun schamele resterende bezittingen op hun rug. Sprekende foto’s en filmbeelden uit het Midden-Oosten, Azië, Afrika, laten steeds weer de keerzijde van de ‘Nieuwe Wereldorde’ zien, het mondiale systeem onder Amerikaanse leiding, dat president George H.W. Bush in 1991 voorspiegelde.

Ze laten ook de enorme kloof in perceptie zien tussen grote delen van de wereld en het Westen, meer in het bijzonder de Verenigde Staten. De Verenigde Staten op wier territorium zich als sinds Pancho Villa in 1916 Nieuw-Mexico binnenviel, geen vreemde mogendheid meer vertoond heeft. Amerika kent noch begrijpt de realiteit van oorlog, wat de oorlogszuchtige taal van presidentskandidaten en andere politici niet ongevaarlijker maar wel absurder maakt. Intussen wordt er ook nu weer stevig op de oorlogstrom geslagen, terwijl het Pentagon onlangs bekend maakte dat de Verenigde Staten zoveel mensen gebombardeerd hebben op zoveel verschillende plaatsen dat men van lieverlee door de voorraad heen raakt.

In reactie op een toenemende roep om enige verantwoording, heeft president Barack Obama toegezegd meer openheid te geven over de drone-oorlogen die de VS op dit moment in tenminste zeven landen voeren. Door deze en gene is al niet geringe kritiek geuit op de drone-missies, vanwege het ontbreken van een juridisch kader. De regering stelt echter de drone-missies gerechtvaardigd worden door de Autorisatie voor het Gebruik van Militair Geweld uit 2001, die de strijdkrachten carte blanche geeft om ‘aan Al Qaida gelieerde terroristen’ met alle beschikbare middelen te achtervolgen en uit te schakelen. De bijkomende drone-aanvallen door de CIA zijn ‘geheime acties’ die gelegaliseerd worden door presidentiële ‘bevindingen’ en zowel de inlichtingendiensten als de strijdkrachten laten zich naar verluidt leiden door het principe dat de VS het gezag heeft een ‘dreigende’ terrorist tot doelwit te maken, wanneer het de overheid ter plaatse aan de middelen of de wil ontbreekt om dat zelf te doen.

Berichtgeving in de Amerikaanse media suggereert dat er binnenkort een rapport van het Witte Huis uitkomt over de aantallen burgers die sinds 2009 door drone-aanvallen om het leven zijn gebracht, maar zoals wel vaker zit het ‘m in de details. De Amerikaanse overheid probeert te laten zien dat het aantal burgerslachtoffers minimaal is, hoewel men waarschijnlijk niet zover zal gaan als CIA-directeur John Brennan die stelde dat de aanvallen van zijn dienst “geen burgers” gedood hadden. Men zal het aantal burgerslachtoffers dat uit het rapport naar voren komt, tot een minimum reduceren door zowel ‘oorlogszones’ in Afghanistan, Syrië en Irak als ‘clandestiene’ operaties van de CIA buiten beschouwing te laten. Alleen Libië, Somalië, Jemen en mogelijk Pakistan zullen meegenomen worden in de statistieken.

Het rapport zal ook zijn eigen definities van wat een terrorist of strijder mag heten manipuleren. En het zal sommige aanvallen die anders niet uit te leggen zouden zijn, als ‘zelfverdediging’ met het oog op andere Amerikaanse operaties interpreteren. De richtlijnen voor het afvuren van Hellfire-raketten door drones zijn enigermate subjectief geweest, zo werd bijvoorbeeld iedere man van weerbare leeftijd met een wapen zonder meer als terrorist aangemerkt waarmee zij in aanmerking kwamen voor eliminatie. Het dragen van een wapen is in tribale samenlevingen als in Afghanistan en Pakistan echter allerminst ongebruikelijk voor mannen en hoeft helemaal niet te wijzen op betrokkenheid bij een terroristische organisatie. In andere gevallen zal een tribale samenkomst waar naar verluidt enkele vermeende terroristen aanwezig zijn voor honderd procent als terroristisch beschouwd worden, ook al heeft degene die de drone bestuurt geen idee wie de andere mensen zijn in de groep waarin de al of niet duidelijk geïdentificeerde vermeende terroristen zich bevinden.

Het document zal waarschijnlijk ook dubieuze aannames over de doelwitten van de aanvallen bevatten, wie tussen de regels door leest zal ernstige twijfel hebben aan de zogenaamde precisieaanvallen die door middel van drones uitgevoerd worden. Maar het verleden leert dat alles aan de aandacht onttrokken zal worden door de bespreking van juridische aspecten van het gebruik van drones en dat men de menselijke tragedies, die zich op de grond afspelen doordat de Amerikaanse regering het voordeel van de twijfel krijgt wanneer een doelwit niet in een duidelijke categorie valt, weg zal wuiven of simpelweg zal negeren.

Er zit evident een politieke bedoeling achter het rapport, namelijk het institutionaliseren van het proces van het wereldwijd inzetten van drones voor dodelijke aanvallen per presidentieel fiat. Obama heeft de drone in zijn hart gesloten als zijn favoriete wapen tegen terroristen. Hij heeft al honderden aanvallen gesanctioneerd, wat een gigantische uitbreiding van de inzet van drones is, ten opzichte van zijn ambtsvoorganger George W. Bush, die in zijn acht jaar in het Witte Huis minder dan vijftig maal een drone-aanval goedkeurde. Het ligt in de lijn der verwachting dat Obama het proces voor het selecteren en doden van doelwitten per decreet zal formaliseren voor het einde van zijn ambtstermijn.

Drone-aanvallen of niet, Amerikanen zouden sowieso ontsteld moeten zijn over het aantal mensen dat hun overheid direct of indirect om het leven heeft gebracht sinds het begin van de ‘Oorlog tegen Terreur’ bijna vijftien jaar geleden. Zeker aangezien Amerika gedurende die periode niet echt in staat van oorlog is geweest met wie dan ook – en waarschijnlijk zouden de meeste Amerikanen ook ontsteld zijn als ze het wisten. Vergeet niet dat er veel manieren zijn om om het leven te komen. De voormalige minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright stelde in een beruchte uitspraak dat de dood van 500.000 Irakese kinderen ten gevolge van sancties in de jaren ’90 die de import van medicijnen en voedsel beperkten “het waard” was. Recenter zijn er nog tien- of honderdduizenden om het leven gekomen in grot stromen vluchtelingen. Het vereist geen kogel of granaatscherf om ten gevolge van oorlogsgeweld om het leven te komen.

Schattingen van de dodentallen ten gevolge van de Amerikaanse invasies in Afghanistan en Irak zijn op best goed geïnformeerde gokken en variëren sterk naar gelang wat men wel of niet mee in beschouwing neemt. Is uithongering ten gevolge van onderbroken voedselvoorziening of dood door een ziekte die behandeld had kunnen worden als het ziekenhuis niet vernietigd was, de verantwoordelijkheid van de VS? Daar is wel een zaak voor op te zetten.

Hoe het ook zij, het optellen van het uiteindelijke aantal doden komt uiteindelijk neer op een exercitie die niet plaats had hoeven vinden als de militaire actie niet had plaats gevonden. Overheden zullen altijd proberen de getallen laag te houden en zullen oorzakelijke verbanden van de hand wijzen, terwijl andere waarnemers misschien het tegenovergestelde zullen doen.

Een rapport uit maart 2015 van de Nobelprijs-winnende organisatie ‘Physician for Social Responsibility’ (PSR, Artsen voor Maatschappelijke Verantwoordelijkheid) wijst er op dat er aanzienlijke, moedwillige bagatellisering plaats vindt van de werkelijke gevolgen van de door Amerika geleide reactie op het terrorisme. Het rapport stelde dat in de eerste tien jaar na de aanslagen van elf september alleen in Irak, Afghanistan en Pakistan al meer dan 1,3 miljoen mensen gedood werden in het kader van de zogenaamde ‘Global War on Terror’. Een jaar later kan men bij elkaar optellen dat de aantallen in die landen nog verder zijn toegenomen, en verder Syrië, Libië, Somalië en Jemen aan de slachting toevoegen, zodat men in redelijkheid mag vermoeden dat het huidige lopende totaal boven de 2 miljoen slachtoffers uitstijgt. Sommige anderen schattingen gaan uit van eerder 4 miljoen. Het rapport van de PSR benadrukt dat hun inschatting van het dodental ‘behoudend’ is en gebaseerd op de meest betrouwbare bronnen, wat er op wijst dat er ook grote aantallen doden gemelden zijn die niet bevestigd konden worden.

Ook als we George W. Bush en Barack Obama niet als massamoordenaars in de zin van Pol Pot of Stalin beschouwen, leert deze kwestie wel dat het leiden van wat in naam een democratie is, geen beletsel is voor het grotendeels lukraak uithalen zonder de gevolgen voor de bevolking in de landen in kwestie in overweging te nemen. Amerika, dat democratische voorbeeld voor de wereld, ziet zich nu gereduceerd tot het uitbrengen van rapporten om de lijn te ondersteunen dat er toch heus niet zoveel burgerslachtoffers zijn gevallen ten gevolge van drone-aanvallen in landen waarmee Amerika niet in oorlog is, maar die wel plaats kunnen vinden door middel van een dubieuze, mogelijk zelfs ongrondwettelijke, machtiging door het Congres.

In de afgelopen vijftien jaar heeft dit moordproces post kunnen vatten en men staat nu aan de vooravond van de formele institutionalisering ervan. De volgende president, Clinton of Trump, zal in staat meer van hetzelfde te doen, aangezien de procedures in kwestie ‘volstrekt legaal’ zijn en het er dik in zit dat ze binnenkort door een presidentieel decreet geautoriseerd worden. Die 2 miljoen, 4 miljoen of later misschien wel 6 miljoen, zullen uiteindelijk, zoals Stalin zei, geen tragedie zijn, maar slechts een statistiek.

Dit artikel is oorspronkelijk in het Engels verschenen bij het tijdschrift The American Conservative.

Posted on

Toenadering tussen kernmachten India en Pakistan terwijl alles op scherp staat

India en Pakistan verkeren sinds hun oprichting in augustus 1947 in vijandschap met elkaar. Beide staten beschikken over talrijke tactische en strategische kernwapens. Deze combinatie bergt het gevaar van een nucleair conflict in zich, maar zou ook islamitische terroristen in de hand kunnen spelen.

Terwijl de wereldpers in de afgelopen jaren vooral aandacht had voor militaire investeringen van landen als Rusland en China, heeft India in alle stilte een indrukwekkend arsenaal van de meest uiteenlopende wapens opgebouwd. Zo beschikt New-Delhi nu onder andere over 10.500 pantservoertuigen, 2600 vliegtuigen en helikopters, 2400 stukken geschut en raketwerpers en een kleine 200 oorlogsschepen – waaronder de meest moderne schepen van eigen makelij.

Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de 'Cold Start'-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo'n USD 50 miljard.
Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de ‘Cold Start’-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo’n USD 50 miljard.

Deze krijgsmacht kan ingezet worden in het kader van de ‘Cold Start’-doctrine, die een reactie op herhaalde terreuracties van Pakistaanse extremisten inhoudt. Deze doctrine gaat uit van een situatie waarin India niet alleen aangevallen wordt door reguliere Pakistaanse troepen, maar ook met grootschalige aanvallen van islamitische rebellen te maken krijgt, waarachter dan de Pakistaanse geheime dienst zou zitten. Een dergelijk offensief zou binnen 48 uur door tegenaanvallen van meerdere tegelijk oprukkende contingenten beantwoordt moeten worden.

Door het uitlekken van deze doctrine voelde Pakistan zich op zijn beurt bedreigd, waarop de Pakistaanse legerleiding dan ook tegenwierp dat wanneer India daadwerkelijk het islamitische buurland binnen zou vallen, men haar gevechtseenheden met inzet van tactische kernwapens zou vernietigen.

Dat is een gevaarlijke, zelfs suïcidale strategie, die twee dodelijke risico’s inhoudt. Ten eerste zou de inzet van dergelijke kleine springkoppen – in 1999 ingevoerd door generaal Pervez Musharaf, die later president zou worden –  wier explosieve kracht hoogstens een tiende van de Hiroshima-bom bedraagt, tot nucleaire besmetting van grote delen van Pakistan leiden. Naar inschatting van de Indiase deskundige Jaganath Sankaran, werkzaam voor het Amerikaanse Center for International and Security Studies, zou Pakistan om de Indiase strijdkrachten werkelijk tegen te houden ook grotere kernwapens in moeten zetten, waarbij dan onvermijdelijk ook honderdduizenden Pakistaanse burgers om zouden komen.

Ten tweede zijn er de veiligheidsproblemen, die nu al, in vredestijd, voor algemene onrust zorgen. Een groot aantal, decentraal opgeslagen kleinere kernwapens is immers moeilijker te bewaken als een paar grote – zeker aangezien er geen veiligheidscodes nodig zijn om de wapens op scherp te zetten, zoals het geval is bij de Amerikaanse en Russische kernwapens.

Het zou voor islamitische terroristen dus al interessant zijn om één nucleair wapendepot te bestormen. Dat zou verder vergemakkelijkt kunnen worden door het feit dat een deel van de Pakistaanse militairen sympathiseert met de Taliban en andere jihadistische groeperingen.

Hoe dan ook hebben de beide landen zich met hun respectievelijke plannen in een bedreigende situatie gemanoeuvreerd. En dat verklaart dan weer de toenaderingspogingen in de afgelopen maanden tussen de twee aartsvijanden. Zo vond op 25 december een buitengewoon harmonieuze ontmoeting plaats tussen de Indiase regeringsleider Narendra Modi en zijn Pakistaanse ambtsgenoot Nawaz Sharif. Die ontmoeting werd dan ook al snel gevolgd door een aanslag van de islamitische terreurmilitie Jaish-e Mohammed op de Indiase luchtmachtbasis Pathankot. De islamisten hebben immers belang bij het voortbestaan van de spanningen op het Indisch subcontinent.

De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.
De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.

Tussen 1947 en 1999  voerden India en Pakistan vier oorlogen met elkaar. Driemaal ging het daarbij om het bezit van de betwiste regio Kasjmir in de Himalaya, en eenmaal om de onafhankelijkheid van het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh. In India zetten daarnaast aanslagen van Pakistaanse terroristen kwaad bloed. Zo pleegde Jaish-e Mohammed op 13 december 2001 een aanslag op het Indiase parlement waarbij 14 mensen omkwamen en pleegde Lashkar-e Taiba in november 2008 een aanslag in Mumbai (Bombay) waarbij 174 doden en 239 gewonden vielen. Op basis van de militaire precisie waarmee vooral die laatste aanslag werd uitgevoerd en uitspraken van gevangengenomen terroristen, acht men in India de betrokkenheid van de Pakistaanse geheime dienst ISI waarschijnlijk. De ISI ontkent iedere betrokkenheid en wijst daarentegen op steun van de Indiase geheime dienst R&AW aan separatisten in de Pakistaanse zuid-westelijke provincie Beloetsjistan en betrokkenheid bij aanslagen op Pakistaans grondgebied.

Midden jaren ’60 wees de Indiase premier Lal Bahradur Shastri kernwapens nog als immoreel van de hand. Maar onder premier Indira Gandhi, dochter van Nehru, voltrok zich een koerswissel. Zo vond op 18 mei 1974 de eerste Indiase kernproef plaats. Dit bracht de Pakistaanse regeringsleider Zulfikar Ali Bhutto er toe ook naar kernwapenbezit te streven, wat in de loop van de jaren ’90 werkelijkheid werd.

Beide landen breidden in de afgelopen jaren hun kernwapenarsenaal steeds uit, zodat India nu over 110 springkoppen beschikt en Pakistan naar schatting over 150. Pakistan heeft bovendien nog dermate grote voorraden hoog verrijkt uranium en plutonium, dat het voor de hand ligt dat het land zijn arsenaal nog uit wil breiden. Ook nu beschikken de beide landen echter al over een groter kernwapenarsenaal dan het naburige China. Beide landen ontwikkelden ook diverse raketten om de kernkoppen af te leveren. Zo beschikt India over raketten die vanuit India op iedere plaats in Pakistan afgevuurd kunnen worden en vanaf onderzeeërs. Pakistan onderscheidt zich vooral door de tactische kernwapens, waartegen grondtroepen praktisch weerloos zijn.