Posted on

“The Hague Invasion Act blijft gevaarlijk”

“Dreigementen gericht tegen het Internationaal Strafhof zijn dit keer veel serieuzer”, zegt William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof. “Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk.”

William Pace leidt de Coalitie voor het Internationaal Strafhof, een internationale koepel van meer dan 2500 maatschappelijke organisaties die pleiten voor een rechtvaardig, effectief en onafhankelijk Internationaal Strafhof. Hoewel het Strafhof wordt gesteund door maar liefst 123 lidstaten, inclusief alle landen in de Europese Unie, is het er niet in geslaagd om de Verenigde Staten, Rusland, China, India en Israël aan boord te krijgen. Sterker nog: sinds het Hof in 2002 van start ging, hebben de Verenigde Staten verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat er nooit een Amerikaan voor de rechter kan verschijnen in Den Haag. In 2002 riep het Amerikaanse Congres de Amerikaanse Service-Members’ Protection Act in het leven, die al snel de bijnaam ‘The Hague Invasion Act’, ‘Den Haag Invasiewet’ kreeg. De wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationaal Strafhof gevangen worden gehouden. Bovendien bedreigde de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur John Bolton in september 2018 het Strafhof met sancties en beloofde hij functionarissen van het Strafhof strafrechtelijk te zullen vervolgen – indien de rechtbank een onderzoek zou beginnen naar mogelijke oorlogsmisdaden begaan door Amerikaanse militairen en inlichtingendiensten tijdens de oorlog in Afghanistan. Hetzelfde lot zou het Strafhof treffen als het Israël of een andere Amerikaanse bondgenoot in het beklaagdenbankje zou plaatsen.

Meneer Pace, denkt u dat de aanklaagster van het Strafhof, Fatou Bensouda, toestemming zal krijgen van de rechters van het Strafhof om een ​​onderzoek in te stellen naar Amerikaanse betrokkenheid bij oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Afghanistan?

Ik denk dat het erg moeilijk zal zijn voor de rechters om geen toestemming te verlenen voor het Afghaanse onderzoek. Maar dat is slechts een mening op basis van alle misdaden tegen de menselijkheid en de oorlogsmisdaden die daar sinds 2002 hebben plaatsgevonden. Het zou uiterst vreemd zijn als een onderzoek naar de Taliban en IS niet werd toegestaan. Ik weet echter niet of de rechters het onderdeel van de extraordinary renditions daarin zullen opnemen.

(Met Extraordinary renditions wordt bedoeld: Amerikaanse ontvoeringen van personen in Afghanistan en hun buitengerechtelijke overdracht aan het militaire gevangenenkamp Guantanamo Bay en ‘black sites’, geheime gevangenissen van de CIA, met als doel de Amerikaanse wetten inzake ondervraging, detentie en foltering te omzeilen, EvdB)

Zullen misschien de rechters mevrouw Bensouda niet machtigen om de extraordinary renditions te onderzoeken uit vrees voor de recente dreigementen van John Bolton?

Ik weet niet of de rechters aandacht schenken aan de dreigementen van Bolton. Ik hoop dat ze dat niet doen. Maar ik denk wel dat Bolton alles zal doen waar hij mee weg kan komen. Hij is fanatiek tegen een Internationaal Strafhof en hij was een belangrijke architect van de The Hague Invasion Act.

Wat als mogelijke misdaden van Amerikanen niet worden onderzocht? Hoe zullen de Afrikaanse landen hierop reageren? Sommige hebben het Internationaal Strafhof ervan beschuldigd een instrument te zijn van westers imperialisme, alleen leiders van kleine, zwakke staten te straffen en misdaden van rijkere en machtiger staten te negeren.

Ik denk dat het voor de geloofwaardigheid van de rechtbank absoluut van belang is dat de aanklager en de rechters alle personen vervolgen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdaden waar het Hof bevoegd is, ongeacht de regio of nationaliteit van de beschuldigden. De VS, Rusland en Israël mogen dan weliswaar nog niet hebben geratificeerd, maar de rechtbank heeft niettemin rechtsbevoegdheid over misdaden begaan door Amerikaanse, Russische en Israëlische staatsburgers indien begaan op het grondgebied van landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Aangezien Afghanistan het Statuut heeft geratificeerd, heeft de rechtbank jurisdictie over alle misdaden begaan op Afghaans grondgebied, of het nu Afghaanse onderdanen of Amerikaanse staatsburgers zijn. Veel van de klachten van tegenstanders van het Strafhof in Afrika negeren dergelijke juridische implicaties van het Statuut van Rome. Nu Palestina geratificeerd heeft, kan de aanklager zowel vermeende Palestijnse misdaden onderzoeken als vermeende Israëlische misdaden. Georgiërs zijn van mening dat Rusland misdaden heeft begaan op hun grondgebied, en aangezien Georgië een verdragsstaat is, heeft het Hof rechtsmacht over vermeende misdaden van Russische staatsburgers op Georgisch grondgebied.

Wat als Fatou Bensouda niet gemachtigd wordt onderzoek te doen naar mogelijke misdaden van Amerikanen? Kan dit leiden tot een uittocht van Afrikaanse landen?

Er is veel meer steun voor het Strafhof in Afrika dan de academici en media ons willen doen geloven. Twee jaar geleden deden Kenia, Soedan en anderen een oproep aan de Afrikaanse landen zich massaal terug te trekken uit het Strafhof. Zestien regeringen in de Afrikaanse Unie hebben zich toen publiekelijk hiertegen uitgesproken. Ook zijn de meeste Afrikaanse regeringen erg afhankelijk van Amerikaanse hulp en handel. Ze zullen daarom de rechtbank niet snel bekritiseren als die besluit geen Amerikaanse leiders of zelfs soldaten te vervolgen. En het is verder interessant te zien dat de kritiek van de Afrikanen op de rechtbank vooral van invloed is geweest op de manier waarop er in het Westen wordt gekeken naar de rechtbank. In Zuid-Amerika en Azië is er nauwelijks iets veranderd in de opvattingen over het Strafhof.

Denkt u dat het Strafhof zich beschermd voelt door de Nederlandse regering en de Europese Commissie? Is het Strafhof tevreden over de manier waarop Den Haag en Brussel reageren op acties en verklaringen zoals die sinds 2002 uit Washington komen?

Zelfs met de huidige conservatieve regering en de huidige premier Rutte die Trump prijst, staat Nederland vierkant achter het Statuut van Rome en het Internationaal Strafhof. De Europese Unie heeft zich ook een fervent supporter getoond.

Steun uitspreken aan het Strafhof is één ding. Hebben bij uw weten Den Haag en Brussel zich ooit publiekelijk uitgesproken tegen verklaringen en acties van de VS gericht tegen het Strafhof?

Ze hebben zich grotendeels op de vlakte gehouden, waarschijnlijk uit berekening, omdat de The Hague Invasion Act werd aangenomen nog zo kort na de aanslagen van 11 september op de Verenigde Staten. De meeste regeringen waren toen niet bereid openlijk kritiek te uiten op de regering-Bush.

Meteen nadat Barack Obama tot president was verkozen, in 2009, heeft onze minister van Buitenlandse zaken Maxime Verhagen in het Amerikaanse Congres gepleit voor intrekking van de The Hague Invasion Act. Zonder succes.

Het Congres heeft een aantal bepalingen van de American Service Members’ Protection Act aangepast toen deze ten koste bleken te gaan van de militaire samenwerking met landen en van de Amerikaanse wapenverkopen, maar de The Hague Invasion-bepaling is toen inderdaad niet geschrapt.

Den Haag en Brussel steunen het Strafhof, maar ze hechten ook sterk aan goede betrekkingen met Washington. Zijn ze bereid om hun relatie met Washington op het spel te zetten voor de bescherming van het Strafhof?

Dat is één van de kwesties waarbij we goed de vinger aan de pols houden. We zien overal in de wereld een buitengewoon gevaarlijke verkwanseling van de principes van het multilateralisme. En het meest zorgelijk is dat sommige regeringen in West-Europa zich daarin mee laten slepen. Als afnemende steun voor multilateralisme zou leiden tot omstandigheden waarin regeringen bereid zouden zijn het Strafhof te offeren aan goede betrekkingen met de Verenigde Staten, dan zou dat een grote nederlaag betekenen voor de internationale rechtsorde.

Moeten Nederland en de EU de The Hague Invasion Act serieus nemen? In 2002 verklaarde de Amerikaanse ambassade in Den Haag dat de Amerikaanse regering zich geen omstandigheden kon voorstellen waarin de Verenigde Staten zouden besluiten om militaire actie te ondernemen tegen Nederland.

Het officiële standpunt van het Amerikaanse Congres, de The Hague Invasion Act, blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht. Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie. En ik denk dat dat precies is wat Bolton graag zou zien gebeuren. Hij zou de internationale gemeenschap er graag van overtuigen: “U hebt een fout gemaakt met de oprichting van het Strafhof en nu moet u de deuren sluiten. Als u dat niet doet, zullen we u net zo lang straffen totdat u dat wel doet.” Tijdens de regering-Bush waren er nog personen in het Witte Huis die Bolton een beetje in toom konden houden, zoals de ministers van Buitenlandse zaken Colin Powell en Condoleeza Rice. Nu heeft hij meneer Trump. Ik denk daarom dat we zijn dreigementen dit keer veel serieuzer moeten nemen.

Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

Libië: Slavenhandel bloeit op door migratie

Na een zes jaar voortdurend verval van de Libische staat, sinds de omverwerping van Muammar Khadaffi, komt de slavernij weer in zwang. Volgens informatie van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een instelling van de Verenigde Naties, wordt een toenemend aantal migranten, die Libië als doorgangsland naar Europa gebruiken, aan slavernij blootgesteld.

Vooral in het zuiden van Libië zouden regelrechte “slavenmarkten” zijn ontstaan, waar migranten worden overgeleverd aan dwangarbeid en seksuele uitbuiting. Giuseppe Loprete, IOM-missieleider in Niger, maakte als eerste melding van het bestaan van dergelijke markten. Maar eerder hadden enkele migranten al van dergelijke toestanden, vooral in het moeilijk toegankelijke zuiden van Libië, bericht.

De sfeer op deze markten wordt naar verluidt gekenmerkt door geweld, misbruik en uitbuiting. Zo meldden West-Afrikaanse migranten concreet, hoe ze in garages en parken van de zuid-Libische stad Sebha, waar bijna alle West-Afrikaanse migranten langs komen, voor 200 tot 300 dollar voor enkele maanden als slaaf verkocht werden, zo meldde  Othman Belbeisi, de OIM-missieleider in Libië.

De netwerken van slavenhouders, die tegelijk ook als mensensmokkelaars fungeren, zijn in de laatste tijd steeds machtiger geworden. Dat de EU halfslachtig grip probeert te krijgen op de mensensmokkel voor de Libische kust en in het noordwesten van het land, is daarbij van weinig betekenis.

De migranten worden op hun weg vanuit West-Afrika door Libië al in het zuiden van het land door gewapende bendes gevangengenomen en via hun netwerken naar de Middellandse Zee gesmokkeld. Vooral wanneer migranten inmiddels al hun geld uitgegeven hebben, zijn ze aan de mensensmokkelaars overgeleverd. Velen moeten door slavenarbeid het bedrag verdienen om naar Europa gesmokkeld te worden. Vooral voor vrouwen, die vaak zwanger zijn en kinderen bij zich hebben, is het rechteloze zuiden van Libië een ware hel van gedwongen prostitutie en kindermisbruik.

De bevindingen van OIM worden bevestigd door Marwa Mohamed, die voor Amnesty International verantwoordelijk is voor Libië. Het zuiden van Libië is een regio die door geen van de elkaar bestrijdende regeringen van Libië beheerst wordt en zodoende buiten iedere effectieve overheidscontrole valt. Ook internationale hulporganisaties dringen niet in dit gebied door.

Niet alleen migranten uit West-Afrika, maar ook de inheemse bevolking heeft te kampen met de plaag van verschillende milities en misdaadbendes. Het gemakkelijkste doelwit zijn echter de migranten, die voor de milities in deze regio een interessante bron vormen om hun voortbestaan te financieren.

Sinds diverse westerse landen het bewind van Muammar Khadaffi omver hebben geworpen, is Libië een vruchtbare bodem voor allerlei duistere zaken, een staat is er niet meer en vooral in de woestijngebieden van het zuiden heerst volstrekt wetteloosheid. Tegelijk is Libië nog altijd een open poort naar Europa.

Posted on

Como wordt het nieuwe Idomeni

Honderden Afrikaanse asielzoekers hebben hun kamp opgeslagen voor het treinstation van de Italiaanse grensstad Como, in de hoop van daaruit via Zwitserland verder te kunnen reizen naar Duitsland.

De Balkanroute is geleidelijk aan steeds verder afgesloten, maar intussen heeft het anarchische Libië zich tot de belangrijkste sluis naar Europa ontwikkeld, waarlangs honderdduizenden, overwegend zwarte Afrikanen, over de Middellandse Zee naar Europa komen. Van begin 2016 tot begin september zijn er reeds zo’n 120.000 over de Middellandse Zee in Italië aangekomen. In het hele jaar 2015 waren het iets meer dan 150.000.

In Italië dat zich ten gevolge van de economische crisis en de aardbeving in Toscane aan de grenzen van zijn belastbaarheid bevindt, zijn de opvanglocaties overvol. Het herverdelingsplan van de EU functioneert niet, de buurlanden sluiten hun grenzen af of bereiden zich daarop voor.

Vooral in het noorden van Italië waar het merendeel van de immigranten naartoe trekt, neemt de druk toe. Hoewel de overheid inmiddels meer doet om asielzoekers te verdelen over het land, is de opvang nog altijd een aangelegenheid van private instellingen zoals kerken en charitatieve organisaties. Integratie is wat de Italiaanse staat betreft geen thema, Italië hoopt van het asielprobleem af te komen doordat de asielzoekers verder trekken naar andere landen. Zo verblijven er al maanden enkele honderden immigranten in geïmproviseerde kampementen in parken en op veldjes in steden als Turijn en Milaan, in Como aan de Zwitserse grens en in Ventimiglia aan de Franse grens.

Vrijwel alle dit jaar in Italië aangelande immigranten zijn zwarte Afrikanen die nauwelijks aanspraak hebben op een vluchtelingenstatus of asiel. Aangevoerd wordt de lijst door Nigerianen, gevolgd door Eritreeërs, Gambianen en Ivorianen.

Anders dan vorig jaar is Oostenrijk er op voorbereid dat in Italië alle dammen breken en duizenden Afrikanen over de Brennerpas naar Tirol komen. Binnen een paar uur kan het grensmanagement aan de Brennerpas geactiveerd worden, wat wil zeggen dat de hekken opgetrokken worden. De migrantenstromen zoeken dan ook een weg via Zwitserland en Frankrijk. In Ventimiglia aan de Côte d’Azur en in Como aan de grens met Zwitserland, beide bekende toeristenoorden, heerst dan ook al maanden een noodtoestand. De chaotische toestanden daar doen denken aan Idomeni in Griekenland of aan Calais. Sinds de aanslag in Nice afgelopen juli, controleert de Franse politie de niet ver van de havenstad gelegen grens nog sterker.

In het Italiaanse Como, met de trein slechts minuten verwijderd van het Zwitserse Chiasso, hebben inmiddels honderden immigranten zonder toestemming hun kamp opgeslagen in een park voor het treinstation. Sinds mei vangen Zwitserse grenswachten in Chiasso dagelijks honderden tot soms wel duizend immigranten af die illegaal de grens proberen over te steken. Ze weten nochtans kennelijk niet iedereen te vatten, want in het Duitse district Konstanz – één van de vijf Duitse districten die aan Zwitserland grenzen – komen maandelijks zo’n 300 à 600 illegale immigranten via Zwitserland binnen, aldus de lokale bestuurder Frank Hämmerle (CDU), de tendens is dat het er geleidelijk meer worden.

Volgens het Zwitserse Staatssecretariaat voor Migratie (SEM) zijn tussen januari en juli van dit jaar zo’n vijfduizend in Zwitserland geregistreerde asielzoekers simpelweg verdwenen. In Konstanz bestaat zodoende de verdenking dat inmiddels ook de Zwitsers wel eens een oogje toeknijpen en asielzoekers verder laten trekken naar Duitsland. De meesten van de Afrikanen willen dan ook niet in Zwitserland blijven, maar verder trekken naar het noorden, vooral naar Duitsland. Veel van de migranten hebben daar namelijk reeds verwanten. Als de druk te hoog wordt in Chiasso, moet het leger ingezet worden, zo stelt intussen federaal parlementslid Petra Gössi, partijleider van de liberale FDP.

De Alpenrepubliek zelf heeft aan aantrekkingskracht voor asielzoekers ingeboet. Dat komt door een nieuwe strategie waarbij eerst de minst kansrijke aanvragen behandeld worden, zodat zij die geen recht op asiel blijken te hebben sneller uitgezet kunnen worden. De kansrijkere asielaanvragers hebben zodoende een extra prikkel om verder te trekken naar Duitsland.

De kern van het probleem ligt evenwel in Italië. Momenteel brengen alle Franse, Britse, Duitse en andere schepen in het kader van de EU- en Frontex-operaties op de Middellandse Zee de ‘bootvluchtelingen’ die ze oppikken naar Italiaanse havens. Als de aanstroom echter aanhoudt dan barst de opvang in Italië uit zijn voegen. Als Italië daarop weigert de asielzoekers nog langer op te nemen of te registreren, gaat de asielcrisis in Europa een nieuwe fase in.

Lees ook:

Posted on Leave a comment

Afrikanistiek en koloniale geschiedenis

Afrikanistiek, de studie betreffende het Afrikaanse continent, is jong. De vroegste studies die op schrift gesteld zijn en die vandaag als studiemateriaal gebruikt kunnen worden, dateren van 1880. De archeologische vondsten en overleveringen laten veel ruimte over voor vrije interpretatie. De grote leemten in studiestof maken dat deze discipline gemakkelijk door ideologische stromingen wordt opgeslokt. Aangezien in Zwart Afrika veelal schriftloze volkeren leefden, en er weinig of geen archeologische vondsten van gebruiksvoorwerpen of woningen te vinden zijn, maken de leemten daarom in verreweg de meeste studies plaats voor onwetenschappelijke beweringen. Deze beweringen, waar aan historische feiten voorbij wordt gegaan ten gunste van subjectieve interpretaties waarin de ‘goede’ en ‘slechte’ rollen in het verhaal van tevoren al worden vastgesteld, vindt men terug in het debat rondom de kolonisatie. « Kolonisatie » staat daarom gelijk aan uitbuiting, onrecht en slavernij.

Zo zou de oorsprong van de mensheid in Afrika liggen, de technische (en daarmee de economische) achterstand te wijten zijn aan de “Eerste Wereldlanden” die de bodemschatten leeggeroofd zouden hebben. De oorzaak van de bloederige stammenoorlogen zou bij de kolonisten liggen, die het land hebben afgepakt, de slavenhandel ontwikkeld en na de onafhankelijkheid grenzen hebben achtergelaten die niet overeenkomen met de etnische kaart van Afrika.

Oorspronkelijke bewoners van Afrika
Falilou Diallo schreef in 1987 wat de laatste decennia op de meeste scholen in ons land wordt aangenomen en onderwezen: “Alle wetenschappelijke studies bewijzen dat de eerste bewoners van Zuid-Afrika zwart waren. Sinds vele duizenden jaren bevolken Zuid-Afrikaanse negers, Australopithecus, zuidelijk Afrika.” (Le Soleil, 4 februari 1987)

De wetenschap die uitgaat van de evolutietheorie geeft echter aan dat de Australopithecus leefde in een tijd dat de rassenvorming nog niet was begonnen (deze zou pas tegen 100.000 v. Chr. Begonnen zijn). Hoewel er veel verwantschappen aan te wijzen zijn tussen de Australopithecus en de Homo Erectus, die ook buiten Afrika is gevonden, heeft niemand tot nu toe kunnen bewijzen dat de Homo Erectus van de Australopithecus afstamt. De bewering van Falilou Diallo stuit op een ander probleem, namelijk door de oorspronkelijke afrikaan als zwarte voor te stellen.

Vijf- tot tienduizend jaar geleden werd Subsaharisch Afrika bevolkt door 4 dominerende rassen: de zwarte voorouders van de Bantoevolken in de omgeving van Nigeria en de Nijl-Sahariërs, tevens zwart van huidskleur, woonachtig in de streek rond Nubië. De twee andere volkeren zijn niet-negroïde en noemen wij Pygmeeën, die het gehele gebied van de Kongo bevolkten en de Khoisan, die heel Oost- en zuidelijk Afrika bevolkten. Door archeologische vondsten kennen wij de aanwezigheid van zwarte West-Afrikanen vanaf 15.000 v. Chr. Pas tegen 10.000 v. Chr. vinden wij ook sporen van deze bevolking in Nigeria.

De zwarte West-Afrikaanse en Nubische negerbevolking koloniseerde gaandeweg Oost- en zuidelijk Afrika waardoor de oorspronkelijke bewoners werden gedecimeerd of van hun oorspronkelijke leefomgeving werden beroofd en zich moesten terugtrekken in onherbergzame plaatsen zoals de Pygmeeën in de tropische wouden. Naast de Pygmeeën en Khoisan hebben enkele stammen zich in leven weten te houden in oost- en zuidelijk Afrika. De autochtone bewoners van Bambouk (Senegal/Mali) zijn in de negentiende eeuw door de Fulbe afgeslacht. De oudste bevolking van West-Afrika zijn de Bassari, die hun cultuur hebben weten te behouden, maar vanwege de gemengde huwelijken niet meer als autonoom ras worden onderscheiden van de Zwarten uit hun regio.De Toucouleur (Senegal/Mauritanië/Mali) danken hun overleving tevens aan de vermenging met de Peulen en bestaan als volk slechts sinds de tiende, elfde eeuw. Het is pas vanaf de vijftiende, zestiende eeuw dat een gevestigde, georganiseerde cultuur van zwarte volkeren in West-Afrika en elders ontstaat.

In Zuid-Afrika bestaat tot vandaag de dag een etnische groep, die door de blanke kolonisten “Hottentotten” werden genoemd en vandaag bekend staan als de San (Bosjesmannen) en de Khoi. Oorspronkelijk houden deze volken geen verband met de zwarte bevolking die rond de zestiende eeuw in Zuid-Afrika aankwam. Deze oorspronkelijke bewoners kozen soms de kant van de blanke boeren, soms die van de zwarte overheersers, met als resultaat dat velen in de gevechten tussen blanke en zwarte kolonisten sneuvelden. Vandaag leven er nog slechts enkele duizenden San.

Oorzaken van de Afrikaanse achterstand
De droogte in noordelijk Afrika begon ongeveer twaalf eeuwen geleden en bracht de Sahara tot stand. Hiermee ontstond een klimaatbreuk en een culturele grens in Afrika: ten noorden van de Sahara ontwikkelde zich een rijke beschaving die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de rijke cultuur van het Middellandse Zeegebied. Ten zuiden van de Sahara raakte Afrika geïsoleerd, vergeten en zelfs onbekend voor de rest van de wereld, tot de mosliminvasie enerzijds en de kolonisatie anderzijds. Ten zuiden van het Marokkaanse Mogador heeft de archeologie nog nooit iets gevonden waaruit een invloed van het Middellandse zeegebied blijkt. Slechts de Nijlstreek, de Rode Zee en de Oost-Afrikaanse kuststreek waren reeds in de vijftiende eeuw v. Chr. bekend. Het is juist via deze streek dat de zwarten, rond het begin van onze jaartelling naar zuidelijk Afrika trokken. De oude Grieken en de Romeinen kenden het bestaan van zwarten. Deze waren echter afkomstig van de Nijlstreek Nubië.

De enige nijverheid die men buiten Noord-Afrika met de opkomst van de Islam kan ontdekken zijn de handelssteden zoals Essouk (Tadmakka) en Audoghast, die gesticht waren door (blanke) Berbers, die zwarten aanstelden voor het bestuur. Resultaat van dit isolement en klimaat is naast een culturele achterstand vooral een hopeloze achterstand in de basisbehoeften. Subsaharisch Afrika moest tot de kolonisatie wachten om het gebruik van vee voor landbouw, het wiel en de katrol te leren. Rond het begin van onze jaartelling was de primitieve landbouw in tweederde van subsaharisch Afrika onbekend. Landbouw in Afrika bleef tot die tijd beperkt tot Egypte, het huidige Libië en de noordelijke Sahara. De gewassen die daar werden verbouwd waren niet opgewassen tegen het subsaharische klimaat. Rond 2000 v. Chr. begon men in West-Afrika met het verbouwen van eigen producten. Tot die tijd voedde men zich door verzamelen en kleinschalige veehouderij.

IJzertijd in Afrika
De koper- en bronstijd zijn aan Afrika voorbij gegaan. De steentijd werd opgevolgd door de ijzertijd, doordat Egypte rond de zevende eeuw v. Chr., Axoum (Ethiopië) rond de eerste eeuw v. Chr. en Carthago rond 800 v. Chr. ijzerwerktuigen in omloop brachten. In de streek rondom het Victoriameer begon de ijzertijd tegen 300 v. Chr, in Midden-Afrika tussen 300 en 500 na Chr. en in zuidelijk Afrika tussen 500 en 1100 na Chr.

Rond 2000 v. Chr. trokken zwarte Bantoestammen richting het westen en verbreidden zo de zwarte bevolking over het grootste deel van het continent. Hun kennis van landbouw en metallurgie maakten dat zij een grote voorsprong hadden op de autochtone bevolking van Oost- en zuidelijk Afrika en een dominante positie konden innemen. De trek naar het zuiden van de Bantoe moet niet vroeger dan de tweede eeuw v. Chr. hebben plaatsgevonden.

Khoisanmannen op jacht in Angola.

Lange tijd werd zonder bewijs aangenomen dat de ijzertijd dankzij de Bantoes het licht zag in Afrika. Velen blijven vasthouden aan deze theorie die wetenschappelijk gewoonweg niet hard te maken is en zelfs tegenstrijdig is met de gegevens die nu voorhanden zijn. Men nam de ontwikkeling van landbouw en metallurgie (tussen 500 en 1100 in zuidelijk Afrika) als bewijs van aanwezigheid van Bantoevolkeren en gaf daarmee aan dat de Bantoevolkeren lang voor de komst van de blanken Zuid-Afrika bevolkten. Het enige dat wij met zekerheid over de bevolking van Zuid-Afrika kunnen zeggen is dat er mensen boven de Oranjerivier hebben geleefd vanaf de ijzertijd (vierde, vijfde eeuw) en dat de Nederlandse kolonisten zich in de Kaapprovincie vestigden vanaf 1652. Archeologisch onderzoek wijst echter uit dat er in Zuid-Afrika twee “ijzertijden” hebben plaatsgevonden. De tweede, die rond de twaalfde eeuw ontstaat, gaat samen met nieuwe smeedtechnieken en houdt verband met landbouw. Naar alle waarschijnlijkheid is deze Tweede IJzertijd aan de komst van Bantoevolken toe te schrijven. Deze twee periodes bleven echter beperkt tot het oostelijk deel van Zuid-Afrika, ten oosten van de Visrivier en ten noorden van de Oranjerivier. Aan de rest van Zuid-Afrika is die ijzertijd voorbij gegaan. Deze Tweede IJzertijd duurt ongeveer zes eeuwen. De huizen die in die periode werden gebouwd waren van gedroogde modder. Vanaf het einde van de zestiende eeuw begon men stenen huizen te bouwen. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn essentieel voor de geschiedenis van zuidelijk Afrika, omdat de volken rond die tijd zich in rijkjes en stammen met hiërarchie beginnen te organiseren.

Slavenhandel
Om de slavernij in Afrika te kunnen begrijpen is het nodig het ontstaan hiervan in herinnering te brengen. Terwijl de slavenhandel ontstond na de komst van de moslim- en Europese kolonisten wijst alles er op dat deze op suggestie van de Afrikaners zelf is ontstaan.

Nooit hebben de Westerlingen vrije Afrikanen gevangen genomen met het oog op de slavenhandel. Van oudsher werden de overwonnen vijanden tijdens de stammenoorlogen door de Afrikaners zelf in slavernij weggevoerd. Het koninkrijk Dahomey jaagde zo in het binnenland actief op mensen die zij als slaven konden verkopen. Koning Tegbessou leverde zo in 1750 9000 slaven per jaar, hetgeen hem meer opleverde dan de scheepsreders van Liverpool of Nantes. Voor de Europeanen was het tot 1795 verboden zich buiten het kustgebied te begeven. Zo had « vrijheidsstrijder » Samory Toeré een grootschalig slavennetwerk opgezet.

Vanaf de dertiende eeuw waren de moslims voornamelijk geïnteresseerd in vrouwen en jonge jongens. In de loop van de negentiende eeuw trachtten de Engelse kolonisten de slavenhandel in Oost-Afrika, die voornamelijk in handen was van Arabieren, door middel van het Verdrag van Hamerton, drastisch te verminderen. Tot afschaffing werd éénzijdig, namelijk van Europees-Amerikaanse zijde, besloten, zonder de mening van de Afrikanen of de Arabieren te raadplegen. Arabische karavanen met slaven waren in Libië tot 1929 bekend. Mauritanië heeft de slavernij in de twintigste eeuw vier maal moeten verbieden. In Soedan was het de kolonisatie die een eind maakte aan de slavenhandel. Met de onafhankelijkheid bloeide deze echter weer op.

In Soedan komt ook tegenwoordig nog slavernij voor.

Toen de slavenhandel werd verboden, zagen de Westerse mogendheden geen belang meer in verdere contacten met subsaharisch Afrika. Deze werd aan het begin van de 19e eeuw zelfs als een blok aan het been gezien, die de economie in het thuisland belemmerde. Dat Europa zich niet geheel terugtrok, was om humanitaire redenen: het Britse Lagerhuis verbood in 1807 de slavenhandel en in 1833 de slavernij als zodanig en stuurde schepen die illegale slavenhandel onderschepten.

Deze andere kant van de kolonisatie wordt door Derde Wereldideologen maar al te graag verzwegen. Hun beweringen gaan echter nog verder. Zo zou de slavenhandel één van de oorzaken zijn van de honger in Afrika. Het verdwijnen van de nodige mankracht zou de mislukking in de landbouw verklaren. De feiten spreken deze bewering echter zonder meer tegen. De komst van de Portugese kolonisten brachten juist rijke, snelgroeiende producten met zich mee, die de arme gewassen overbodig maakten en de lokale bevolking tot voeding kon strekken.

De onderverdeling van koloniaal Afrika vond echter pas tussen 1885 en 1900 plaats en duurde tot de onafhankelijkheid van deze landen, zestig of zeventig jaar later. Tot het einde van de 19e eeuw hadden de Westerse mogendheden geen enkele hand in de Afrikaanse landen zelf, maar bleef hun werkveld beperkt tot enkele kuststeden die de handel met de Afrikaanse volkeren mogelijk maakte.

Kolonisatie als Verlichtingsideaal
Onder de verschillende kolonisatiemethoden neemt de Franse een bijzondere plaats in. De Engelse kolonisatie ging doorgaans uit van segregatie. En terwijl de Portugezen mestizaje (vermenging van Portugezen en inboorlingen, red.) invoerden, gingen de Fransen uit van een Verlichtingsideaal. Slechts enkele jaren na de Franse Revolutie zagen veel Fransen het kolonialisme als opdracht om de primitieve volkeren te beschaven. Frankrijk had geen enkel economisch belang bij het koloniseren: slavernij was afgeschaft en rietsuiker was inmiddels vervangen door suikerbieten die op eigen bodem werden verbouwd.

Jules Ferry, de oprichter van het openbaar onderwijs in Frankrijk, verklaarde openlijk aan Jean Jaurès dat zijn politieke doeleinde was: een « mensheid zonder God en koning » op te bouwen. Tegen de koningsgezinde partijen van het parlement en Clémenceau, die waarschuwde dat het kolonialisme tot verarming van zowel Frankrijk als Afrika zou leiden, zette Jules Ferry die minister-president werd, de kolonisatiepolitiek op touw. « Frankrijk, het Vaderland van de Rechten van de Mens, moest de kruistocht voor de vrijheid van de primitieve volkeren aanvoeren ».

In een taalgebruik dat in zijn tijd ontvankelijk werd gezien verklaarde Jules Ferry in 28 juli 1885 : « De superieure rassen hebben rechten ten aanzien van de inferieure rassen maar ook een plicht: om deze te beschaven. De Spanjaarden hebben gefaald door de slavenhandel in Centraal-Amerika in te voeren. Het superieure ras verovert niet voor eigenbelang, maar om de zwakke te beschaven en tot haar niveau op te voeden. »

Leon Blum, de linkse politicus van het Front Populaire verklaarde: « De superieure rassen hebben het recht en de plicht om de rassen die hun niveau nog niet hebben bereikt tot de vooruitgang te roepen aan de hand van wetenschap en industrie. » Ook Emile Zola, altijd begaan met de arbeiders, verklaarde ten opzichte van Algerije dat dit land toebehoort aan hen die er werk van maken.

Albert Bayet, voorzitter van de Liga van Mensenrechten, verklaarde in 1931 dat de kolonisatie rechtvaardig is omdat deze de boodschap van de « illustere voorouders van 1789 » met zich meedraagt. « Rechten van de mens te doen kennen is geen imperialisme, maar een broederlijke taak. »

Victor Schoelcher, vermaarde abolitionist schonk de medaille van de « Société anti-esclavagiste » aan generaal Galliéni, die met harde hand de oude cultuur van Madagascar met wortel en tak uitroeide, maar de slavernij afschafte.

De tegenstanders van dit ideaal vond men in de eerste plaats onder de koningsgezinde partijen maar ook bij de republikeinse nationalisten Maurice Barrès en Paul Deroulède. Zij zagen het verlies van Elzas en Lotharingen als belangrijker en het koloniseren, zeker als verlichtingsideaal, als een kostbare verspilling die de investering niet waard was.Rond 1890 kwam aan dit tegengeluid een einde, toen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zich over de slavernijproblematiek gingen buigen. Mgr. Lavigerie verklaarde in 1888, dat het kolonialisme noodzakelijk was om de slavenhandel, die op dit moment hele volkeren dreigde te vernietigen, een halt toe te roepen. Vanaf dit moment steunden ook de kerk en conservatieve krachten de kolonisatie.

Het is verleidelijk om in deze houding een invloed van het Eerste Vaticaans Concilie te zien. Door de onfeilbaarheid van de Paus uit te roepen werd de universaliteit van de jurisdictie van Rome en daarmee van haar boodschap benadrukt. Het Patriarchaat van Alexandrië, onder wie het Afrikaanse werelddeel sinds de eerste eeuw viel, heeft zich nooit in de Afrikaanse stammenproblematiek willen mengen, ondanks hun aanwezigheid in Oost-Afrika, waar de meeste slaven vandaan kwamen. Het verklaart echter niet het belangrijke aandeel dat de protestanten hebben gehad in de koloniale geschiedenis, die doorgaans meer van privé-initiatieven uitgingen. Het resultaat van de religieuze inmenging in de Afrikaanse culturen is op zuiver politiek vlak desastreus te noemen: Burundi, voor 90% christelijk, kent sinds 1972 meer dan 2 miljoen doden. Landen waarin de christenen in de meerderheid zijn: Rwanda, Oeganda, Kongo, Liberia, Sierra Leone, de Ivoorkust, zijn tonelen waar christenen elkaar onderling uitmoorden. De oppervlakkige kerstening van deze volkeren heeft de etnische verschillen niet weten te overbruggen.

Balans
Voor de balans die Lugan opmaakt betreffende Afrika verwijzen wij de lezer naar zijn werken, waarin hij met veel feiten- en vakkennis de volgende stellingen onderbouwt: zo zouden de westerse landen meer kwijt dan rijk geweest zijn aan de Afrikaanse kolonies. De westerse investeringen in infrastructuur, vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn kolossaal. Terwijl slechts enkelen zich hebben weten te verrijken in deze korte tijd, heeft het aan de westerse landen vooral geld gekost.

De kolonisatie had een eind gemaakt aan vele stammenoorlogen, epidemieën, slavernij en zelfvoorzienende landbouw mogelijk gemaakt. Bij de onafhankelijkheid welden sommige van deze rampzalige gebeurtenissen weer op, maar de nataliteit is daardoor explosief toegenomen. De onafhankelijkheid heeft de verstedelijking tevens verregaand doorgezet en de ontwikkelingshulp geeft het Afrikaanse achterland geen kans om zelfvoorzienende landbouw weer op te pakken.

Bronnen:
Bernard Lugan:

  • Afrique, l’histoire à l’endroit, Perrin, 1989
  • Afrique, de la colonisation philantropique à la reconolisation humanitaire, Bartillat, 1995
  • Pour en finir avec la colonisation, Editions du Rocher, 2006