Posted on 1 Comment

In welke zin de islam wel degelijk het probleem is

Een ingezonden stuk van dr. Koenraad Elst, oriëntalist

Het onderstaande artikel is een zeer kort antwoord op de jongste islam-artikels van Sacha Vliegen, mooi opgesomd in zijn titelbewering dat “de islam het probleem niet is”. Maar het had evengoed een reactie kunnen zijn op één van de vele stukken die daarover dag na dag in De Volkskrant en de NRC, of De Standaard en De Morgen, verschijnen. Allemaal gaan zij uit van diezelfde basiszekerheid: de islam is het probleem niet, als het al niet de oplossing is. Terwijl in werkelijkheid de islam al veertien eeuwen een probleem is, zij het dat het nu voor ons acuter is kunnen worden door de verschijning van, inderdaad, een ander probleem.

Besluiten dat iets “het probleem niet is”, zou kunnen nadat je het onderzocht hebt, ook het beweerd problematische ervan, en dan na afweging ingezien hebt dat die verdenking niet vol te houden is. Aangaande de islam wordt het echter gezegd zonder enige kennis van zaken, vooraf, juist om het debat daarover de pas af te snijden, en dan het merendeel van je tekst te vullen met pedanterie over punten en komma’s, of met niets terzake doend sociologenjargon, om tenslotte wonderwel te concluderen dat “daaruit” de onschuld van de islam “blijkt”. Het is alles bijeen een erg hoogmoedige bedoening: islamkritiek wegwuiven als beneden je niveau, terwijl je in werkelijkheid nog nooit zelf tot op dat niveau geraakt bent. Ik daag al wie het islamprobleem ontkent of wegwuift, uit tot een tegensprekelijk debat daarover. Tot nu toe heeft geen enkele pleitbezorger van noch schouderophaler voor de islam die test doorstaan.

Egocentrisme
Stel, je bezoekt in het ziekenhuis je oude vader die daar aan zijn bed gekluisterd ligt en door het venster alleen een streepje blauwe hemel kan zien. Jij daarentegen kan door het venster de hele omgeving overschouwen. Hij vraagt jou om de boom daar aan de overkant van de straat te beschrijven: of hij al in bloei staat? Dat beloof jij te doen. En je begint met het venster te beschrijven waardoorheen de boom te zien is: het is van hout, gevernist, met zilverkleurige klink. Ja maar, zegt hij, beschrijf nu toch eens die boom! En jij kijkt in de aangewezen richting, maar nu begin je je bril te beschrijven waardoorheen jij de boom kan zien: een hip model, zwart montuur, enzovoort.

Irritant, niet? Wel, dat is hoe de verenigde islam-afschermers het islamdebat voeren. Er mag gezegd worden wat er wil, het mag over eender wat gaan, zolang het maar niet de islam betreft. Bij voorkeur gaat het over iets veel nabijers, zoals het kolonialisme, duizend jaar jonger dan de islam; of de discriminatie door die lelijke autochtonen, duizenden kilometers van Mekka; of het Amerikaans imperialisme, of de zionistische entiteit. De Ander, nochtans de heilige van het postmoderne wereldbeeld, mag wel in abstracto bezongen worden, maar mag in concreto niet echt Anders zijn; ons eigen waardenkader moet in het centrum blijven, niet alleen van onze maar zelfs ook (zo maken wij ons wijs) van hun wereld.

Geen boom daar in die oninteressante verte, je eigen lens is het ware middelpunt van het progressieve wereldbeeld. Bijvoorbeeld: de bewering van de goedmensen dat moslims arm zijn en alleen daarom geweld plegen, is niet alleen fout wat de beweegreden voor het geweld betreft (ze stelt eigenlijk arm gelijk met gewelddadig, foei!), maar het verraadt ook een hopeloos eurocentrisme. In sommige moslimwijken van onze grootsteden zou je een indruk van armoede kunnen opdoen, maar wie wat verder kijkt, tot in de Saoedische paleizen, zal de islam zeker niet met armoede vereenzelvigen. Onze progressieven zijn dorpers, provinciaaltjes die onder hun klokkentoren willen blijven en de wereld in dorperstermen trachten te begrijpen. Zij noemen zich wel kosmopolieten, alsof zij hun dorpje op de bonte wereld willen doen lijken; maar eigenlijk projecteren zij alleen hun eigen kneuterigheid op de wereld.

Islam en agency
Wie moslims ernstig neemt, zoals wij islamcritici doen, erkent dat zij zelf agency hebben, dat zij zelf een eigen overtuiging hebben die niet tot westerse of andere uitwendige factoren te herleiden valt, en dat zij van daaruit kunnen handelen. De islam heeft van in het begin zelf aanvalsoorlogen gevoerd die niet de schuld waren van de ongelovigen, de joden of de nog niet bestaande kruisvaarders. Wat je verder aan de islam ook mag miszien, hij heeft zeker wel het vermogen om zelf iets op touw te zetten.

Daartegenover heb je dan de islamvrienden met hun talrijke vormen van verkettering van islamkritiek. Hun argumenten zijn van twee soorten. Enerzijds zijn er de aperte leugens, bijvoorbeeld dat Mohammed de eerste feminist en slavenbevrijder was, of dat alle religies even erg zijn, of dat al-Andaloes een voorbeeldige multiculturele staat was, of (zegt de paus: ) dat de djihaadstrijders “het maar voor het geld doen” en “de islam ook de liefde predikt”. Die leugens gaan we hier niet met een bespreking vereren. Anderzijds zijn er de talrijke verstrooiingstactieken, waarbij leugens over de islam vermeden worden door over andere zaken te beginnen, vaak waarheidsgetrouw, en vervolgens te doen alsof zij iets over de islam impliceren.

Meestal hebben die verstrooiingstactieken de vorm van het bij theologen bekende motto: “Er staat niet wat er staat.” Je ziet wel de islam, de terroristen roepen wel hoorbaar Allahoe Akbar, maar “in werkelijkheid” zit er iets anders achter. Je liegende ogen bedriegen je: het lijkt bijvoorbeeld zo evident dat de islam de beweegreden van de terroristen is, ze zeggen het tenslotte zelf, maar onze sociologen en media-duiders weten het beter dan zijzelf. Tenslotte maken je ogen je ook wijs dat de zon om de aarde draait, terwijl de gesofistikeerde verklaring luidt dat de aarde om de zon draait. Volgens dat model geldt het dus als heel geleerd om de evidentie van je ogen te ontkennen, en dat doen de islamvrienden dus met goed geweten.

Links zegt dat de “echte” beweegreden frustratie over het ervaren racisme is (alsof bv. de meeste Syrië-strijders niet uit moslimlanden komen waar zij de dominante groep zijn en van discriminatie geen last hebben), of armoede (alsof Osama Bin Laden geen miljardair was), of een hoogst persoonlijke mentale stoornis. Het gaat dan om “gekken” of, zoals David Cameron gezegd heeft, om “monsters”; en op de sociale media beweren velen van zowel links als rechts dat het om “idioten” gaat. Dure woorden om te verbergen dat men intellectueel te vadsig of te onbekwaam is om de meer ideologische beweegreden te ontleden.

Rechts zeggen onder meer de christelijke integristen en de Nouvelle Droite dat het allemaal door de teloorgang van de eigen traditie komt, wat dan een vragende leegte schept die de islam graag komt vullen. De nationalisten beweren dat het om vermomde etnische afrekeningen gaat, en beschouwen desgevraagd de islam als de natuurlijke religie van de woestijnbewoners, waar niets mee mis is zolang ze er maar mee in hun eigen land blijven. Allemaal, zowel links als rechts, willen ze het graag over nabije factoren hebben, grotendeels over de eigen wereld. Degenen die zich antiracist noemen, kunnen hier best eens beseffen dat juist zijzelf, in hun eigen terminologie, de “witte supremacisten” zijn. Volgens hen kan een Arabier of Turk onmogelijk zelf iets doen, er moet altijd een “witte” hand achter zitten. Rechts heeft daarvan zijn eigen variant: samenzweringstheorieën waarin moslimfanatici allemaal handpoppen van de CIA en het zionistisch wereldcomplot zijn.

Islamvrienden ten oorlog
De gemeenschappelijke noemer van de hele waaier aan islam-afschermende theorieën is misdirection, het afleiden van de aandacht naar een eigen favoriet thema, eender welk, maar vooral niet de islam. Een gevolg is dat men moedwillig blind blijft betreffende de eigen inhoud van de islam, een thema dat in artikels als die van een Rik Coolsaet, een Els Keytsmans of inderdaad een Sacha Vliegen dan ook volkomen buiten beeld blijft. Een ander gevolg is dat men hedendaagse feiten omtrent de moslimwereld maar heel wazig kan duiden in hun verhouding tot het islamprobleem.

Zo wordt, hier net als in talloze islamartikels, een band gelegd tussen de weerstand tegen de islam (elders “islamofobie” genoemd) en de invallen in of bombardementen op moslimlanden. Onder verstaan: zié je wel wat islamkritiek in de praktijk betekent. Zolang die kwakkel herhaald wordt, blijf ik de moeite doen om hem te weerleggen.

Zonder één uitzondering hebben alle politieke leiders die sinds 11 september 2001 geweld tegen moslimlanden bevolen hebben, de islam de hemel in geprezen. Geen woord islamkritiek is ooit over hun lippen gekomen. Volgens onze binnenlandminister Jan Jambon, wiens manschappen enkele djihaad-moslims hebben doodgeschoten en wiens regering aan de bombardementen tegen het Kalifaat deelneemt, is “islamkritiek het slechtst denkbare antwoord” op islamterreur. Al de betrokken politici hebben uitdrukkelijk verklaard niet tegen de islam te strijden. John Kerry heeft zelfs beweerd ervóór te strijden, tegen de zogenaamde IS-vertekenaars van de “ware, vredelievende islam”. Dat is dus: moslims gaan doden om de islam te verdedigen. Je ziet waar islamofilie toe leidt.

Waar ligt het probleem dan wél?
Anderzijds lezen we wel een positieve boodschap in Vliegens beschouwingen over het islamprobleem. Men moet die kwestie niet uit haar context los denken. Ze kan onze samenleving maar in gevaar brengen door enkele nieuwe ontwikkelingen bij onszelf die in de vorige eeuwen niet aan de orde waren.

De eerste daarvan is toch weer een uitwendige factor, namelijk de lijfelijke aanwezigheid van de islam in ons midden via miljoenen individuen die de islam aanhangen. Het is voor een groot deel via hen dat de islamterroristen hier kunnen toeslaan. Het moderne luchtverkeer is al voldoende voor enkele spectaculaire aanslagen als 9/11, maar aan het huidige permanente klimaat van terreur in West-Europa hebben plaatselijke subculturen van ingeplante moslims meegewerkt, zie Molenbeek. Die factor is niet de oorzaak van het islamprobleem maar wel een belangrijke bijdrager. Angela Merkel loog glashard toen ze beweerde dat “de terroristen de toevloed van vluchtelingen naar Europa willen stoppen”, alsof haar eigen open-grenzenbeleid een moedig gebaar tegen de terreur zou stellen. Integendeel, het Kalifaat kan zijn geluk niet op met zulk een onnozele geit die de sluizen openzet voor allerlei terreuragenten.

Een tweede factor heeft de eerste mogelijk gemaakt: de roes die van de Europese leiders bezit genomen heeft en die het gevolg is van zeventig jaar vrede en welvaart, alsmede van intense bewerking van de openbare mening door het cultuurmarxisme. Zij denken dat de wetmatigheden van de internationale mensenmaatschappij voor hen niet meer gelden, en dat zij zich beleidslijnen kunnen veroveren die doorheen de geschiedenis nochtans bewezen hebben, tot instabiliteit en burgeroorlog te leiden.

Maar zelfs die beide factoren zouden niet zo dramatisch zijn als de Europeanen hun koers zouden aanhouden. Onze voorouders leidden uit hun welkom voor een gegeven vreemdeling niet af dat heel diens familie dan moet meekomen. Zij waren niet xenofoob of anderszins ideologisch gestroomlijnd, maar hadden gewoon gezond verstand. Zij leidden uit gastvrijheid voor een uitheemse religie niet af dat die hier haar normen mag opleggen, van halaal vlees en het saboteren van lessen over de Armeense en de Joodse genocide, tot het verbod voor moslima’s om met ongelovigen te trouwen, tot zelfs de vrouwenbesnijdenis en nu meer en meer ook de veelwijverij. De inwijkelingen zouden de inheemse cultuur eerbiedigen als die zich deed eerbiedigen, en om te beginnen zichzelf eerbiedigde in plaats van zich weg te relativeren.

Van deze orde is ook de ineenstorting van de Europese demografie. De groei van de moslimbevolking zou minder vervaarlijk overkomen als de eigen bevolking nog groeide of minstens stabiel bleef. Omgekeerd: het lage geboortecijfer is verdedigbaar want de wereld raakt overbevolkt, maar dan volgt daaruit dat wij de overbevolkingsproblemen van landen zonder zulk verantwoordelijkheidsgevoel niet moeten gaan oplossen. Zijn staan erg op hun postkoloniale onafhankelijkheid en dienaangaande mogen wij hen op hun woord nemen: zorg zelf maar voor de gevolgen van jullie bevolkingsexplosie. De Lage Landen zijn overvol en dichtgeslibd, er is nergens inwijking voor nodig.

De beslissende en ergste factor tenslotte is de zelfhaat. Die maakt negatieve factoren noodlottiger dan nodig en vergiftigt zelfs factoren die op zich positief hadden moeten zijn. Zo zou de eigen ontkerkelijking ons juist sceptischer en ontoegankelijker voor de islam moeten maken (a contrario: de weinige overgebleven post-conciliaire christenen, zoals de paus, zijn juist dhimmi-schaapjes ten top), maar door de ingelepelde zelfhaat doen ook neo-vrijzinnigen onzalige toegevingen aan de islam. Het toenemende bevolkingsaandeel van de moslims, nu een negatieve factor, had door een nog steeds majoritaire, ongelovig geworden maar gezond gebleven inheemse gemeenschap gerust opgevangen en geassimileerd kunnen worden. Omdat die meerderheid zich echter schaamt voor zichzelf en zich allerlei schuldgevoelens heeft laten aanpraten, boezemt die voorlopig nog beperkte moslimminderheid hen bezorgdheid in.

Besluit
Het probleem van de westerlingen is niet dat zij het geloof verloren zijn, zoals Angela Merkel beweert. Dat is een goede en normale ontwikkeling, en in ieder geval het soort evolutie waar een vrije samenleving recht op heeft. Ook vanuit islamstandpunt maakt het weinig uit welke soort ongelovigen wij zijn: christenen of heidenen, of nog iets anders. Wij hebben immers in elk van die gevallen geen recht op het aardrijk noch op de hemel, want beide zijn aan moslims voorbehouden. De islam is uiteindelijk niets anders dan de grootheidswaan (specifieker: uitverkiezingswaan) van Mohammed, met anderhalf miljard figuranten die zijn spel meespelen. De verdiensten of schuld van de ongelovigen staan daar volkomen buiten.

Het probleem van de islam komt uit de islam zelf voort en heeft zich ongevraagd aan ons opgedrongen. De islam maakt daarbij, in zijn autonome agressie, gebruik van de zwakke punten in onze verdediging. Hij ziet dat zowel christenen als ongelovigen zich slecht verdedigen en ook niet gemotiveerd zijn om zich te verdedigen. Christenen zijn sentimenteel en masochistisch, ze denken dat het deugdzaam is, onnozel te zijn en zich te laten overrompelen. De meeste vrijzinnigen van tegenwoordig zijn te weinig gefocust, te hedonistisch, te onwetend omtrent elk religieus wereldbeeld en in het bijzonder het islamitische.

Er zijn dus twee problemen: een uitwendige islamdreiging en een inwendige beschavingscrisis in het Westen. Ter vergelijking: je kan maar Aids krijgen als je zelf “risicogedrag” vertoont én er een Aids-virus door de omgeving waart. Libertijnen uit vroegere generaties vertoonden ongetwijfeld volop risicogedrag, en toch kregen zijn geen Aids, want het virus bestond nog niet. (Ze kregen gebeurlijk wel andere ziekten, net zoals onze samenleving vóór het islamprobleem met andere kwalen te maken kreeg.) Omgekeerd zou de uitwendige dreiging van het virus geen gevaar betekenen voor wie zich er niet via risicogedrag aan blootstelt.

Wie vindt dat “de islam het probleem niet is”, heeft gelijk. Net als de gezworen celibatair die vindt dat “het Aids-virus het probleem niet is”. Voor hem is alle investering in Aids-onderzoek weggegooid geld: de ziekte zal hem toch niet treffen. Maar wij leven niet in een ideale wereld. Wij leven in een wereld waarin onze samenleving haar recht op verval, op zelfhaat, op verwarring door cultuurmarxisme, ten volle uitoefent, en daardoor wel kwetsbaar geworden is voor binnendringing door destructieve krachten. Zelfs zo’n onvolmaakte maatschappij als de onze heeft nochtans recht op overleving, en daarom moet ze tegen haar belagers beschermd worden. Zoals elke doeltreffende strategie begint die zelfverdediging door de belagers bij de naam te noemen. Eén ervan heet de islam.

Posted on

Kroniek van instabiliteit: de Belgische politiek sinds 1999

Voor vele buitenstaanders is de Belgische politiek een eigenaardig gegeven. Een federale staat, waarbij de federale regering desondanks geen hiërarchische superioriteit kent tegenover de deelstaten. Waar de bevoegdheden niet in hun geheel verdeeld zijn over de deelgemeenschappen, waardoor wetgeving over hetzelfde onderwerp op elk niveau kan verschillen. Desondanks is het toch ook geen confederale staat en pleit de grootste partij van Vlaanderen, de N-VA, voor een confederaal systeem met uitzicht op een onafhankelijk Vlaanderen. Daarnaast heb je nog het Vlaams Belang dat pleit voor een directe opdeling van België en ook een sterk anti-islam discours heeft. Beiden pleiten wel om na onafhankelijkheid een voorkeursband op te bouwen met Nederland. Nederland, dat in de beweging achter beide partijen regelmatig vermeld wordt als “het verloren vaderland”.

In het boek “De wissel van de macht” schrijf journalist Marc Van de Looverbosch de kroniek neer van de vorige 17 jaar aan partijpolitiek. De verkiezingen van 1999 kenden immers een politieke aardverschuiving die we vandaag nog voelen. Dé staatspartij sinds mensenheugenis, de Christelijke Volkspartij (CVP, later CD&V), wordt van de macht gedreven door een coalitie van liberalen, socialisten en groenen. De Vlaams-nationalisten, een unieke toevoeging aan de partijpolitiek in dit surrealistische land, zijn verdeeld over het Vlaams Belang en de Volksunie (cfr. supra) die samen net een goede 15% van de stemmen halen.

De Vlaams-nationalisten

Zonder in te diep detail in te gaan op de Belgische/Vlaamse politiek, dat vereist immers enkele boeken, kan men stellen dat, net als in Nederland, een politieke aardverschuiving plaatsvond in de stervensjaren van paars. Waar Nederland Pim Fortuyn kende en vandaag Geert Wilders, wordt België nog altijd gespleten door de strijd tussen Vlaanderen en een Franstalige elite. Zelfs in katholieke pro-life kringen kan men deze spanning voelen waarbij een Franstalige elite zich cultureel superieur vindt aan de Nederlandstaligen. In België wordt dit de Vlaams-Waalse tegenstelling genoemd omdat Wallonië ook Franstalig is en opgejut wordt tegen Vlaanderen door deze elite (en gemakshalve zal ik het in deze boekbespreking ook zo noemen).

Toen Paars-groen in 1999 aan de macht kwam, kende Vlaanderen één georganiseerde uitgesproken rechtse Vlaams-nationalistische partij: het Vlaams Blok. Zij haalden bij de verkiezingen in 1999 15 zetels in het federale (Belgische) parlement. Daarnaast had je nog de Volksunie in kartel met het progressieve ID. In zijn beginjaren was de Volksunie dé partij geweest voor de Vlaams-nationalisten die zich, na collaboratie in WOII, terug politiek verenigden. Het Vlaams Blok scheurde zich daaruit af na het federaliseren van België. In 1999 was de Volksunie een partijtje geworden van 8 federale zetels. In de jaren daarna zou zij uiteenspatten waarbij de leden zich over alle andere politieke partijen verspreidden. Van het uitgesproken rechtse Vlaams Blok tot en met het extreem-linkse Groen. Daarnaast zagen nog twee partijen het licht op de ruïnes van de Volksunie: SPIRIT (Sociaal Progressief Internationaal Regionalistisch Integraal-democratisch Toekomstgericht) en de N-VA (Nieuw-Vlaamse Alliantie). In 2003 kwam de N-VA voor het eerst op en slaagde ze erin om enkel in de provincie West-Vlaanderen 5% te halen. In 2014 zou ze over gans Vlaanderen 32,5% halen en 33 zetels. Een opmars ongezien in de geschiedenis van Vlaanderen.

Kamer-1978-2014

Het boek heeft als onderwerp deze ongeziene opmars, maar slaagt er nooit echt in om deze opmars te duiden. De N-VA ontstaat uit de Volksunie, de N-VA gaat even in kartel met de christendemocraten, het kartel spat uit elkaar en opeens zijn ze de grootste partij. Geen analyse van het waarom, de verschuiving in de geesten naar het Vlaams-nationalistische discours en dat duidelijk omdat het inzicht daarin ontbreekt. Er is geen regel geschreven over de interne dynamiek van de Vlaamse Beweging, die wel effectief een rol speelt in de mentaliteit van bepaalde keuzes van partijpolitieke toppers. Zo vermeldt de schrijver dat N-VA kopstuk, en momenteel Minister van Binnenlandse Zaken, Jan Jambon naar de partijpolitiek overstapt vanuit de Vlaamse Volksbeweging. Wat die beweging wil, wat ze doet, dat blijft ver in het ongewisse.

Inzicht in de geest van een journalist

Voor wie de geschiedenis wil lezen van wat er in Vlaanderen op partijpolitiek vlak gebeurd is de laatste 17 jaar is dit boek een goede opfrisser met enkele leuke anekdotes. Tegelijkertijd, en op dat vlak misschien zelfs interessanter, geeft het een inzicht in de leefwereld van een journalist voor de traditionele media.  De kennis van het intern functioneren van het CD&V[1], en in mindere mate de SP.a[2] en VLD[3], lijkt goed Marc Van de Looverbosch goed te kennen. Of toch althans bij de vorige generatie “staatsdragenden”. Vanaf het moment dat een nieuwe generatie politici verschijnt gaat zijn kennis er op achteruit. Zijn afkeer van het Vlaams Belang druipt van de pagina’s en zijn stuk over de interne crisis in die partij had hij dan ook beter terloops vermeld dan het éénzijdige verhaal dat er nu instaat. De reden daarvoor, los van ideologische afkeer, is dezelfde reden als waarom hij amper iets schrijft over interne werking bij Groen of de N-VA: hij kent en begrijpt die partijen en interne krachten niet.

Men ziet het in de opbouw van het boek zelf. Twee derde van het boek gaat diep in op interne partijpolitieke twisten van de staatspartijen. De “getuigen”, politici die hij aan het woord laat, dateren ook allemaal uit deze periode op twee uitzonderingen: Yves Leterme (CD&V) en Bart De Wever (N-VA). Zodra de N-VA aan zijn opmars begint, en het Vlaams Belang een diepe crisis ingaat, worden de anekdotes korter en minder sappig. Slaagt de journalist er niet in om door te dringen in het netwerk van de politici die dan aan de macht komen? Of zit hij, wat ik vermoed, zodanig verstard in zijn eigen kringen dat hij gewoon geen enkele manier kent om in de geest en achtergrond van die politici te kruipen? Bij een overwinning van het Vlaams Blok in het verleden riep een VRT-journalist ooit verbaasd uit “Maar vanwaar komen die Vlaams Blok kiezers? Ik ken er geen enkele!”

Vooral dat laatste is interessant met betrekking tot enerzijds journalisten en anderzijds alles dat een band heeft met de Vlaamse Beweging en/of bewegingen en organisaties die niet traditioneel staatsdragend zijn (ook de groene beweging valt hier onder). Journalisten begrijpen ze niet, gaan af op wat anderen erover schrijven (hun tegenstanders dus) en geloven dan ook dat de karikatuur de werkelijkheid is. Al zijn er ondertussen meer journalisten bijgekomen met banden in de groene beweging, het aantal dat nog meer een minimum interesse toont in de gedachtewereld van de Vlaamse Beweging is nog steeds minimaal. Meerdere keren wordt in het boek dan ook duidelijk dat traditionele journalisten en politici functioneren in een ons-kent-ons-sfeer waarbij zij regelmatig met elkaar op restaurant gaan, bij elkaar thuis afspreken en zich reuze amuseren met elkaar in spelletjes allerhande. Waarbij telkens natuurlijk de drank ook rijkelijk vloeit. Nieuwe partijen worden door deze journalisten dan ook als indringers gezien.

Sappige anekdotes

Nochtans kan ik wel enkele leuke dingen vertellen zonder ooit journalist te zijn geweest. Toen Yves Leterme zijn eerste, gefaalde, poging waagde om een regering te vormen, wou hij dit zakelijk aanpakken. Op tafel tijdens de besprekingen stond water en culinair was er niet veel te verwachten. Waarop de excellenties de kamers afschuimden op zoek naar voedsel. Zeker de liberale politici, die naar traditie niet meer in staat waren tot constructief onderhandelen na de middag wegens een onderlinge competitie sterke drank gieten, blonken hier in uit. Uiteindelijk vond men ergens diepvriespizza’s die men dan nog met de autosleutels van een excellentie heeft moeten snijden. Tot ze het genoeg vonden en de onderhandelingen ronduit platlegden zodat er deftig gegeten en gedronken kon worden (onder dat laatste werd geen frisdrank, maar de betere whisky gerekend).

Of die keer dat voormalig Europees president Herman Van Rompuy bijna België had opgeblazen. Zijn zoon, die bijna lid was geworden van de Nationalistische Studentenvereniging NSV!, had voor hem enkele teksten afgedrukt over separatisme. Vlamingen en Franstaligen vergaderden apart en in één van de pauzes haalde Van Rompuy deze bundel papieren boven. Niet om de boel op te blazen, maar om te tonen hoe zelfs zijn zoon meegesleept werd. Hij las er enkele stukken uit voor ter illustratie. Niet geweten bij de Vlaamse onderhandelaars was dat er een Franstalige politicus op dat moment aan het rondwandelen was en net dit stuk opving. In een draf liep hij terug naar de Franstalige kant om daar met het nodige drama aan te kondigen dat de Vlamingen de boel gingen opblazen. Een probleem dat overigens sneller uitgeklaard was dan de catering.

Conclusie

Desondanks een lovenswaardig boek. Politiek-historisch gezien om de grote gebeurtenissen (vanuit een puur partijpolitiek kader) te herlezen. Sociologisch om het isolement van journalisten te zien die het merendeel van de tijd niet van slechte wil zijn, maar gewoon niet begrijpen hoe bepaalde niet-staatsdragende bewegingen denken. Die tevens zodanig persoonlijk verbonden zijn met politici dat zij elke nieuwe partij te ver verwijderd van deze denkwereld als een vijandig element zien.

LooverboschOok een interessant gegeven is dat dit een boek is met de nadruk op de Belgische federale politiek. Desondanks zou je vaak denken dat die politiek bestaat uit Vlaamse partijen met af en toe een Franstalige die uit het niets opduikt. Ook gesprekken met andere journalisten die genoemd worden, tonen aan dat de denk- en leefwereld van Vlamingen en Franstaligen volledig gescheiden verlopen. Ministers van Franstalige partijen duiken op, waarbij zelfs de journalist in kwestie moet toegeven dat hij geen idee heeft waar die opeens vandaan komen. Franstalige journalisten die aan hun Vlaamse collega’s moeten gaan vragen wat de politieke eisen van de Vlaamse partijen nu eigenlijk zijn. Vlaamse politici en Franstalige politici die via tussenpersonen aan elkaars contactgegevens moeten komen. Partijvoorzitters van “zusterpartijen” die met elkaar niet meer door één deur kunnen. Zo kan je de relatie tussen de Nederlandstalige en Franstalige christendemocraten vergelijken als die tussen een olifant en een walvis. Er zal in het verleden wel iets gemeenschappelijks zijn, maar hun leefwerelden en eigenheden zijn volledig veranderd.

Een aanrader voor wie wil zien wat er in België gebeurd is sinds Paars in de context van de traditionele partijen en een beetje die nieuwe partij, de N-VA. Verwacht echter geen diepgaande analyse of inzicht in het hoe en het waarom hiervan. Veel verder dan “de mensen zijn Paars beu” krijg je helaas niet.

N.a.v: Marc van de Looverbosch, De wissel van de macht. Kroniek van een Wetstraatwatcher (Tielt: Lannoo, 2015) paperback, 520 pagina’s.

__________

[1] De christendemocraten. In Nederland het CDA.

[2] De sociaaldemocraten. In Nederland de PvdA. In Vlaanderen is er ook een PVDA, maar die is vergelijkbaar met de Nederlandse SP. Kwestie om in één taalgebied toch een Babylonische spraakverwarring te kunnen hebben.

[3] De liberaal-democraten. In Nederland de VVD.