Posted on

Met Pasen zijn de eigen tradities van de Sorben goed te zien

Wie in de Lausitz komt, ziet overal tweetalige plaats- en straatnaamborden. Hier leeft sinds 1000 jaar het volk van de Sorben, een etnische minderheid zonder eigen staat, tussen de Duitsers. En ze hebben zo hun eigen tradities. Met Pasen kun je dat goed zien, aan het Paasrijden bijvoorbeeld.

De heimat van de tegenwoordig rond de 60.000 Sorben zijn de Oberlausitz in het oosten van de deelstaat Saksen en de Niederlausitz in het zuidoosten van Brandenburg. In het eerstgenoemde gebied wonen zo’n 20.000 Niedersorben en in het laatstgenoemde zo’n 40.000 Obersorben. De Saksische Oberlausitz strekt zich uit tussen Kamenz, Bautzen, Weißwasser en Hoyerswerda. “Veneti” noemden Romeinse geschiedschrijvers de hen onbekende Slavische stammen, die zich vanaf de volksverhuizingen in Centraal- en Oost-Duitsland vestigden. Zo ontstond het begrip ‘Wenden’. Deze oudere term wordt soms in Brandenburg nog wel gebruikt om de Sorben mee aan te duiden.

Folklore

Hoewel het aandeel van de Sorben op het geheel van de bevolking in Brandenburg onder de een procent ligt, is de rijke folklore en mythologie van het volk breder bekend en geliefd. Met Pasen, het grootste christelijke feest, is het schenken van eieren een wijdverbreid gebruik. In de dorpen van de Lausitz worden al generaties op Goede Vrijdag in de gezinnen Paaseieren versierd, om ze op Paaszondag weg te geven.

Kunstige Paaseieren

Sorbische Paaseieren zijn ver buiten het land bekend als kunstwerkjes. Daarbij is het belangrijk de typisch Sorbische elementen en symbolen te gebruiken. Zo symboliseert de driehoek de drie-eenheid van God en cirkels en stippen de bescherming van mens en dier tegen boze geesten. Strepen symboliseren zonnestralen, die voor warmte, licht en het opbloeien van de natuur staan. Alle symbolen worden in geometrische, gestileerde of naturalistische ornamenten geschikt.

In de Lausitz zijn vier technieken voor het versieren van eieren overgeleverd. Bij de wasbatik-techniek wordt met eerst was aangebracht op het ei, waarin patronen aangebracht kunnen worden met een ganzenveer of iets dergelijks. De eieren worden vervolgens in een kleuroplossing gelegd, waardoor de kleur wordt aangebracht op de delen van het ei die niet bedekt zijn. Dit procedé kan tot wel zes maal herhaald worden. Aan het eind wordt de was verwarmd en met een doek verwijderd. Een andere techniek is het toevoegen van kleurstoffen aan de was, om die zo op het ei aan te brengen. Verder is er de krastechniek, waarbij sterk geverfde eieren met een scherp voorwerp bewerkt worden. Tot slot is er de etstechniek, waarbij met een stalen pennetje en etsvloeistof versieringen op een gekleurd ei aangebracht worden. Op de vele Paaseiermarkten in de Lausitz kan men niet alleen de prachtige resultaten zien, maar ook hoe de volkskunstenaars met inspanning en precisie deze fijne werkjes afleveren.

Sorbische Paaseierenversiering in Schleifen (foto: Dr. Bernd Gross)

Paasrijden

Een andere befaamde Paastraditie van de Sorben is het Paasrijden, dat uit voorchristelijke tijden stamt. Ritjes rond de velden moesten het jonge zaad voor misoogsten behoeden. Vandaag de dag wordt de traditie in alle katholieke Sorbische gemeenschappen in ere gehouden. Feestelijke ruiterprocessies trekken van en naar Bautzen, Ralbitz, Wittichenau, Crostwitz, Panschwitz-Kukkau, Radibor, Storcha, Nebelschütz en Ostro, om de opstanding des Heren te verkondigen.

 

In de dagen voor Pasen worden de paarden op de boerderijen klaar gemaakt, het hoofdstel opgepoetst en de manen en staart versierd met linten en bloemen. Met Pasen begeven de in feestelijke klederdracht gestoken Paasruiters zich dan op weg. Maar niet voordat de vrouw des huizes haar man met wijwater uitgezegend heeft met de woorden “Bože žohnowanje a dobry nawrót!” (Gods zegen en een goede terugkeer!). Na drie rondjes om het kerkhof en de kerk begeven de ruiters zich zingend en biddend naar de naburige dorpen.

 

Paasruiters in Ostritz (foto: Dr. Bernd Gross)

 

Paaseieren rollen

Niet onvermeld blijven mag het Walkowanje. Vroeger gingen de kinderen met de eieren die ze gekregen hadden naar het Paaseieren rollen. De 19e-eeuwse volkenkundigen beweerden dat men geloofde dat het gedijen van de gewassen bevorderd werd door de eieren over het veld en de dorsvloer te rollen. In ieder geval was het een leuk spel. Men rolde de eieren achter elkaar aan. Wie met zijn ei een ander ei raakte, mocht beide hebben. Vandaag de dag is dit gebruik opnieuw geliefd.

Paaswater

Oudere mensen uit de streek herinneren zich wellicht ook nog het Paaswater. Vroeg in de morgen gingen jonge, ongehuwde meisjes in klederdracht naar een rivier die in oost-west-richting stroomt om daar Paaswater uit te scheppen. Het bijgeloof was dat dit schoonheid en kracht zou verlenen en ziekten zou genezen. Belangrijk was daarbij om niet te praten, anders zou het water zijn kracht verliezen. Voor jonge jongens was het nu de uitdaging om van alles te proberen om de meisjes te laten schrikken, zodat ze een kreet zouden slaken.

Paaskleppers

In enkele katholieke dorpen van de Sorbische Lausitz zijn op Goede Vrijdag en Stille Zaterdag kinderen tussen de vier en veertien jaar oud met houten kleppers onderweg. Ze gaan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds door het dorp en bidden bij iedere kruising. Aangezien de kerkklokken zwijgen, is alleen hun harde geklepper te horen, waarmee ze de mensen oproepen tot het Angelus-gebed.

In sommige dorpen bestond ook het gebruik dat jonge meisjes zich in de Paasnacht verzamelen en zingend door de dorpsstraat trekken. Dit gebruik werd in 1993 weer in ere hersteld door de Schleifer Singefrauen in Rohne (Rowno in het Sorbisch), bij Weißwasser. Ze trekken in halfrouwdracht van huis tot huis en zingen geestelijke liederen.

Posted on

Avondland – Kardinaal Marx doet prinses Maxima na

De Duitse kardinaal Marx (normen est omen) smaakt de term “christelijk Avondland” niet. Tragisch, maar niet verrassend. De katholieke Kerk in Europa is al decennialang in dezelfde ideologische houdgreep als de rest van de Europese bestuurlijke elite en journalistiek.

Voorbeelden hiervan liggen voor het oprapen. Zo was er de Zweedse ambtenaar die ontkende dat er zoiets bestaat als de Zweedse cultuur en dichter bij huis hebben we prinses Maxima die zei dat “de Nederlander” niet bestaat. Nu hebben we dus ook de kardinaal die zegt dat het christelijke Avondland niet bestaat.

Zakelijk bekeken is Avondland een van de vele synoniemen van ons mooie continent Europa. Het woord “Europa” is mogelijk afgeleid van het woord “ereb”, dat “avond” betekent. Een meer etymologische verklaring is een vertaling van de term “Occident” van het Latijn “occidere” voor het ondergaan van de zon. Tegenover het Avondland staat het Morgenland, oftewel de “Oriënt”, het land van de opkomende zon.

Identiteitspolitiek

Maar deze zakelijke betekenis van het woord Avondland is niet de betekenis die aangevallen wordt. Want zegt kardinaal Marx: “Davon halte ich nicht viel, weil der Begriff vor allem ausgrenzend ist”. Zijn afkeer van de term moet dus worden begrepen in het kader van identiteitspolitiek. Ik ga kardinaal Marx natuurlijk niet overtuigen, maar voor de rest die het wil weten volgt er een kort geschiedenislesje.

Romeinse Rijk

In den beginne was er het Romeinse Rijk. Het Romeinse Rijk was woest en vol met intriges. Het gedrag van de Amerikaanse politiek, alle clowns daarin, Donald Trump, de volledige Republikeinse partij, de volledige Democratische partij, vallen in het niet vergeleken met de vulgariteit van de politiek van het Romeinse Rijk. Het Romeinse Rijk werd gekerstend en viel enige tijd later vanwege verschillende oorzaken uit elkaar.

Katholieke kerk

Ondertussen had de Katholieke kerk iets van het succes van het Romeinse Rijk (totdat het definitief mis ging) afgekeken en overgenomen. Behalve dat lag alles aan gruzelementen en zo rond het jaar 500 was het ontwikkelingsniveau van Europa zo ongeveer dat van Afrika. Maar met één duidelijk verschil. De Katholieke kerk had al wortel geschoten in Europa. Er waren verschillende kloosterordes die zich als een netwerk, beginnende rond het Middellandse Zeegebied, langzaam naar het noorden van continentaal Europa uitbreidden.

Kloosters

De kloosters hadden een zeer elementaire functie. Ze bewaarden de kennis over landbouw en pasten die zelf ook daadwerkelijk toe in hun nabije omgeving. Het beste voorbeeld hiervan is Duitsland. Duitsland was een groot bos- en moerasgebied voordat de kloosterorders hun intrede deden. Een zeer vruchtbare landmassa daarna.

Technologie

Na de landbouwfase kwam de langzame toename van technologie. Men moest vanuit een bijna absoluut nulpunt alles uitvinden. En veel dingen die we nu als primitief zien, zoals rudimentaire ijzersmelterijen en eenvoudige toepassingen van windenergie, werden toen onthaald als nieuwe technologie en door het netwerk van kloosterorders verspreid door heel Europa. Van noord tot zuid.

Wetenschap

De technologie werd vanzelfsprekend en er gebeurde bijna parallel iets anders. Men ging studeren in de kloosters. Steeds meer en meer. Niet enkel de elite kon studeren, zoals in de Klassieke Oudheid, maar ook en vooral de lokale middenstand. Vanuit de kloosters waarin gestudeerd werd groeiden vanzelf de universiteiten die we nu voor vanzelfsprekend aannemen. Wetenschap van elk denkbaar soort kon vanaf de Middeleeuwen, beginnend in Europa, enkel floreren omdat de Katholieke kerk deze basis heeft gelegd. Het christelijke geloof zelf rekende af met allerlei heidense praktijken, zodat de geestelijken in de kloosters onbevooroordeeld en ongehinderd door bijgeloof wetenschap konden bedrijven.

Zieken- en weeshuizen

Weer andere kloosterordes hielden zich bezig met goede doelen en het verzorgen van de zieken en wezen. Daaruit groeiden de ziekenhuizen die wij eveneens voor vanzelfsprekend aannemen. Allemaal vanuit een hecht netwerk van kloosters die zich specialiseerden in functies.

Expansie

Dit vormde de ruggengraat voor een tijdperk van Europese verovering van de wereld die na het jaar 1500 aanbrak. Een groot deel van de wereld buiten Europa kent de wortels van universiteiten en ziekenhuizen misschien niet, maar kopieerde ze wel en paste die met ongeveer hetzelfde succes toe.

Beschaving

Ondertussen kunnen we veilig tot de conclusie komen dat het christelijke Avondland wel degelijk bestaat en niet zoveel met identiteitspolitiek te maken heeft. Maar met instituties opbouwen en beschaving uitbreiden. Wie zegt “de term christelijk Avondland sluit mensen uit” zegt iets vergelijkbaars als “ziekenhuizen sluiten mensen uit” of “universiteiten zijn inherent racistisch” en dat is best tragisch. Ons Europa verdient ook daarom een moediger christendom.

Thomas E. Woods ~ De bouwmeesters van Europa. De geboorte van een beschaving uit de katholieke kerk

Posted on

‘Stille nacht’ – Hoe een Kerstlied een wereldhit werd

Een goed lied gaat de wereld over. En er is geen lied waarvoor dat meer geldt dan het kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’. Op 24 december precies 200 jaar geleden zette Franz Xaver Gruber de destijds twee jaar oude tekst van zijn vriend Joseph Mohr op muziek. Het werk werd nog diezelfde avond in Oberndorf bij Salzburg voor het eerst door hen opgevoerd.

Wat geen van beiden kon vermoeden: De toegankelijke melodie zou een wereldhit worden, die tot op heden in meer dan 300 talen en dialecten door zo’n 2,5 miljard mensen ieder jaar met Kerstmis gezongen wordt. Wereldberoemd werd het lied door Bing Crosby’s radio-uitzending in 1934: De opname werd de op twee na meest verkochte muziekplaat aller tijden. Sinds 2011 behoort ‘Stille nacht’ officieel tot het immateriële culturele erfgoed van de mensheid.

Film

De populaire stof inspireerde sinds 1910 de meest uiteenlopende regisseurs tot een hele reeks, niet allemaal even geslaagde, films. Zo eenvoudig als de melodie is, zo moeilijk laat ze zich cineastisch omzetten. In het jubileumjaar heeft de Oostenrijkse tv-zender Servus TV in samenwerking met de Duits-Franse tv-zender ARTE en de Bayrische Rundfunk een nieuwe poging ondernomen. Het is een mix geworden van een muziekfilm en een verhalende documentaire. Een film van 52 minuten, waarin ‘Stille nacht’ nu eens gezongen, dan weer instrumentaal of als achtergrondmuziek voorbijkomt, gezongen steeds in de moedertaal van de vertolker. De variaties op het lied worden geschikt verweven met kerstige blikken op de plaatsen die bepalend waren in het ontstaan en de verspreiding van het lied. Daaronder in de eerste plaats Salzburg, maar ook New York, Londen, Parijs en Jeruzalem. Internationale sterren uit klassieke en popmuziek komen voorbij. Zo presenteren Joss Stone, Kelly Clarkson, Rolando Villazón, Anggun, Lina Makhoul, de Wiener Sängerknaben en het Mozarteumorchester Salzburg exclusief hun eigen versies van ‘Stille nacht’.

Loopgraven

‘Stille nacht’ was door zijn tekst altijd al een lied van hoop en verwachtingsvol uitzien, maar door het gezamenlijk zingen ervan in de wederzijdse loopgraven en de aansluitende verbroedering onder de vijandelijke soldaten aan het Westfront in 1914, werd het lied nog sterker verbonden met het verlangen naar vrede onder de mensen.

Om dit Kerstwonder nog eens na te vertellen, werd Robin Aristorenas met zijn team aan boord gehaald, die eerder onder andere voor de televisieserie Game of Thrones digitale effecten creëerde. De kijker wordt door de hele film geleid door toneelspeler Peter Simonischek, die de buitengewone geschiedenis van het lied simpelweg sprookjesachtig verteld.

https://www.arte.tv/de/videos/079462-000-A/stille-nacht/

Posted on

Sintgedoe en zeurpieterij

Het is net oktober en daar steken de zeurpieten hun kop al weer op, ze schreeuwen en krijsen moord en brand over vermeend racisme. Gewoon droevig om te zien hoe Nederlanders zichzelf naadloos in een wel-‘denkende’ hoek plaatsen en zichzelf daarmee tegelijk in de NIET-wetende categorie ordenen. Men denkt na, men praat na en kletst naar dat men verstand heeft.

WEL wetende mensen hebben zonder al te veel inspanning duizenden jaren oude kennis opgedaan en vegen het racismeverhaal dat er aan de haren wordt bijgetrokken finaal en radicaal van tafel. Onzingeklets van de bovenste plank, te vergelijken met de onzinverhalen die jarenlang de ronde deden dat 50.000 naamplaatjes van Mascotte-vloeitjes recht gaf op een gratis rolstoel (ja.. rook zoveel en je eindigt als wrak aan de zuurstof in een rolstoel) of nog infantieler, de toentertijd oerdegelijke kwaliteitsmeubelen van Oisterwijk die – dat wist men zeker – gevuld waren met beton, het is maar net wat je wilt geloven.

Historisch besef

Sinterklaas & Zwarte Piet mag niet is de giftige boodschap van een stel krijsende harpijen zonder enig historisch besef en kennis die met gif en venijn de ‘rechten’ van minderheden denken te verdedigen maar daarmee hun eigen en ook mijn eeuwenoude erfgoed te grabbel gooien. Het heeft niks met slavernij of racisme te maken en is hetzelfde broodje aap verhaal als dat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog van de aan het front gesneuvelde soldaten zeep, olie en munitie maakten, niets anders dan een gruwelijk sprookje.

Gelukkig heeft Nederland buiten de gesubsidieerde schreeuwers in de grote steden nog meer dan voldoende ruggengraat, zoals de blokkeer-Friezen onder aanvoering van Jenny Douwes die zich straks notabene voor het gerecht moeten verantwoorden. Helemaal van de pot gerukt! Net als de komende intocht waar een stel historisch debiele minkukels voor u heeft besloten dat er alleen roetveeg-pieten mogen deelnemen aan de Nationale intocht.

Mag ik bij deze een oproep aan ALLE zwarte pieten in Nederland doen om in vol tenue naar de intocht te komen en de Sint vanaf de kant hartelijk welkom te heten?!

Maancyclus

Voor wie tot zover meegelezen heeft, nog iets ter afsluiting van dit stukje: Noteer maar ergens in je agenda voor de volgende keer, want die zeurpieterij is nog lang niet afgelopen, zolang als die gesubsidieerde beroeps-zeikerds hun gang kunnen gaan (daarin gesteund door meekrijsers) zullen ze doorgaan. Waar we het over hebben is een oud, zelfs pre-christelijk maanfeest. Het is ook de maancyclus die door later ontstane religies als basis genomen is voor de eigen leer, bijvoorbeeld terug te vinden in het Jodendom en de Islam die volledig schatplichtig zijn aan de maan en haar verschijningen.

Even over de feesten die wij hier al eeuwen (en in steeds wisselende gedaanten) vieren: Sint Maarten (laatste maankwartier van de 12e maan) Sint Nicolaas (laatste volle maan van de 12e maan) Kerst & Nieuwjaar (laatste nieuwe maan van de 12e maan). Misschien moeten het islamitische Suikerfeest en de Hadj bij deze ook maar afgeschaft worden om zo maar een paar dingen te noemen, of het Joods of Islamitisch nieuwjaar, verdiep u er maar eens in, kijk naar de stand van de maan..

Posted on

Een sociogenese van het begrip geopolitiek

Eerder berichtte Novini reeds over het openingscongres van het nieuwe Geopolitiek Instituut Vlaanderen-Nederland (GIVN) in Leuven op 5 mei jongstleden. Eén van de sprekers op dit congres was de Nederlandse filosoof en uitgever (De Blauwe Tijger) Tom Zwitser.

Tom Zwitser ziet geopolitiek in essentie als een politiek van heimelijkheid en schetst de opkomst van de geopolitiek, samen met een cultuur en zedelijkheid van heimelijkheid, en het ontstaan van de natiestaat. De opkomst hiervan verloopt omgekeerd evenredig met de afname van publieke openbaarheid en burgerlijke vrijheden. Deze sociogenese is een eerherstel van grote denkers als Norbert Elias, Werner Sombart en Henri Pirenne.

Hieronder is zijn lezing terug te zien:

De boeken waarnaar verwezen wordt in de lezing zijn de proloog en het eerste deel van de ‘Oppervlaktes’-trilogie. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Uitgeverij De Blauwe Tijger:

https://www.facebook.com/geopolitiek.instituut/

Posted on

In deze Zwitserse streek viert men Oud en Nieuw met Klazen volgens Juliaanse kalender

De Juliaanse kalender loopt 13 dagen achter op onze Gregoriaanse kalender. In de Oosters-Orthodoxe kerken wordt deze kalender nog altijd aangehouden. Maar ook in Zwitserland laat de kalender in delen van het kanton Appenzell tot op de dag van vandaag zijn sporen na. Zodoende wordt daar met de Silversterchlaus pas op 13 januari de jaarwisseling gevierd.

Om vijf uur ’s morgens is de winternacht in het ommeland van Appenzell nog pikkedonker en krakend koud. Maar in sommige drinklokalen brandt al licht, want hier maken de zogenaamde Silvesterchläuse zich gereed. Iedere groep van deze gemaskerde Klazen (Nikolazen) bestaat uit vijf tot acht mannen. Een Schuppel wordt zo’n groep genoemd. Ze trekken vrouwenkleren aan met witte kanten schorten of kleurige fluwelen pofbroeken. Katoenen kappen worden omgebonden, witte handschoenen aangetrokken. Ten slotte moeten de grote koebellen en hoeden nog opgezet worden.

Op deze hoofdbedekking, zo groot als een wagenwiel, is het boerenleven in miniatuur verbeeld. Kleine uit hout gesneden figuurtjes zijn te zien aan de dagelijkse arbeid. De mannen dragen dikwijls hele weides in miniatuurformaat op hun hoofd. De Vorrolli, de aanvoerder van een Schuppel, draagt 13 bellen op zijn borst en rug en heeft zo’n grote hoofdversiering, dat hij nog slechts waggelend door de deur naar buiten kan.

Wanneer alles opgetuigd is, breekt de groep terwijl het nog donker is in ganzenpas op en gaat op weg naar de eerste boerderij. Voor de Chläuse wordt het een langer en inspannende dag, want de maskers, hoofdbedekking en bellen wegen bij elkaar zeker 30 kilo, en de weg van boerderij naar boerderij gaat berg op en berg af. Het is een lange weg naar het dorp in het dal.

Hier in Urnäsch, een klein dorp midden in het Zwitserse Appenzellerland, aan de voet van de Säntis, verloopt de tijd anders. Want terwijl overal elders het nieuwe jaar al twee weken oud is, wordt hier nog Silvester gevierd met een unieke traditie, die in het Hinterland van Appenzell Außerrhoden, oftewel in de gemeentes Urnäsch, Herisau, Hundwil, Stein, Waldstatt, Schwellbrunn en Schönengrund, de meest indrukwekkende wintertraditie is.

De wortels van deze traditie kent hier niemand meer precies, maar ze stamt in ieder geval van voor de invoering van de Gregoriaanse kalender. Toen de paus in 1582 de Gregoriaanse kalender, een aanpassing van de Juliaanse, afkondigde, waardoor oud en nieuw verschoof, besloten de gereformeerde Appenzellers (dus die in Außerrhoden) simpelweg tweemaal oud en nieuw te vieren: volgens de nieuwe kalender op 31 december, maar ook volgens de oude kalender op 13 januari.

Het is een bijzondere eer om een Schuppel te gast te krijgen. Eerst wordt er veel geluid gemaakt met de bellen en dan zetten ze hun Zäuerli in, een hoog mannengezang, dat ver door het dal weerklinkt en nog het meest lijkt op jodelen zonder woorden. De heer des huizes en zijn gezin luisteren aandachtig. Driemaal herhaalt zich het schouwspel van gezang en klokgelui, dan wensen de Chläuse stuk voor stuk met een stevige handdruk een goed nieuwjaar. Als dank krijgen ze glühwein, die ze met een strohalm door een gaatje in hun masker opdrinken. Bij deze gelegenheid wordt er ook onderhands een geldbiljet overhandigd.

Tegen de middag hebben de diverse Schuppels van Chläuse alle boerderijen gehad en naderen ze het dorp. Daar ziet men groepjes van huis tot huis trekken, ondertussen door veel toeschouwers gadegeslagen. De feestelijke stemming wordt steeds meer tot een volksfeest. Uiteindelijk komen de verschillende groepen bij elkaar, de mooie Chläuse wedijveren met de Schö-Wüschten en de Wüsten. De woeste klazen zijn waarschijnlijk de meest oorspronkelijke. Hun gezichten zijn achter vreeswekkende maskers verborgen en door hun bekleding lijken ze op wandelende bomen of struiken. Maar als ze hun klokken en koebellen luiden en beginnen te zingen, gaat van hen dezelfde fascinatie uit.

In de kostuums van de Schö-Wüschten zijn geen grenzen gesteld aan de fantasie. De kostuums bestaan wel steeds uit natuurlijk materiaal, hun gezichten verbergen ze achter dennenappelmaskers, de bekleding bestaat uit mos, schors en gevlochten materiaal.

’s Middags verplaatst het gedruis zich geleidelijk naar de herbergen en taveernes, waar de klazen tot ver na middernacht met de andere gasten drinken en feestvieren en van tijd tot tijd nog een Zäuerli ten beste geven.

Het museum in Urnäsch heeft een expositie over diverse lokale tradities, waaronder deze. Meer informatie is te vinden op www.museum-urnaesch.ch

Posted on

Een Europese Lente?

(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de website van het Katholiek Nieuwsblad)

Een golf van demonstraties gaat door Duitsland tegen de lakse immigratiewetgeving die het land kent.

Het kwam in de berichtgeving van het Katholiek Nieuwsblad al even ter sprake: de demonstranten noemen zichzelf Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes, oftewel ‘Vaderlandslievende Europeanen tegen de islamisering van het avondland’: Pegida. De demonstraties begonnen klein, met 350 demonstranten in oktober in Dresden. Maar nu zijn het er soms wel 15.000 per demonstratie, in verschillende steden. De mensen die meelopen met de Pegida-demonstraties willen dat de ruime immigratieregelingen worden beperkt en vinden dat de islamisering van Duitsland moet stoppen. Ook is de stelling populair dat de bestuurlijke klasse van Duitsland de gewone Duitser in de steek heeft gelaten met zijn zorgen over grootschalige immigratie.

‘Neonazi’s in streepjespak’

De tegenargumenten, in zoverre het dat zijn, lieten niet op zich wachten. De minister van Binnenlandse Zaken van Noord-Rijnland-Westfalen noemde de demonstranten Neonazis in Nadelstreifen (‘Neonazi’s in streepjespak’). Bondskanselier Angela Merkel riep op dat “mensen zich niet voor het karretje van extreemrechts moesten laten spannen”. Tenslotte wordt er bij elke Pediga-demonstratie standaard een tegendemonstratie georganiseerd door mensen die er rotsvast van overtuigd zijn dat ze strijden tegen een nieuw gezicht van het nationaalsocialisme.

Nieuwe stemmers

Hoe zijn we hier gekomen? Het gaat te ver hier en nu de oorzaak van de immigratieramp in detail te beschrijven, maar het is toch de moeite die even aan te raken. Kort gezegd komt het erop neer dat de grote hoeveelheden migranten op conto te schrijven zijn van de gehele mainstream politieke klasse. De liberalen hebben onder druk van het internationale grootkapitaal en de werkgeverslobby de wetgeving veranderd. De socialisten en sociaaldemocraten zochten nieuwe stemmers nadat door de emancipatie van de arbeider de steun van de blanke arbeider voor het marxisme niet meer vanzelf ging spreken. De christendemocraten hebben niet genoeg ruggengraat getoond en hebben op cruciale punten toegegeven aan beleid waar geen christen in Europa voordeel van heeft gehad en alleen maar nog meer nadeel van gaat ondervinden.

Buitenparlementaire acties

Onze bestuurders hebben ons dus inderdaad in de steek gelaten zoals Pegida stelt en zitten terecht met een ongemakkelijke discussie in hun maag. De scheldkanonnades van onder meer de minister van binnenlandse zaken van Noord-Rijnland-Westfalen kunnen onder meer hieruit verklaard worden. Tenslotte hebben journalisten, academici en bestuurders met elkaar een intellectuele sfeer binnen de bestuurlijke klasse gecreëerd die steeds minder en minder aansluiting vindt bij de doorsnee Vlaming, Nederlander, Duitser of Fransman. Waardoor buitenparlementaire acties, zoals demonstraties, steeds meer en meer voor de hand gaan liggen. Zoals die nu dus effectief plaatsvinden.

Kerstliederen zingen

Pegida’s laatste actie is het met 17.000 demonstraten zingen van christelijkekerstliederen tijdens een van de anti-immigratie demonstraties. Dat is zeer charmant, want Kerst gaat al te weinig over de geboorte van Christus en teveel over het kopen van grote hoeveelheden spullen die we eigenlijk niet nodig hebben.
Het huidige immigratiebeleid door heel Europa heen kon alleen tot stand komen in een klimaat van ernstige verwarring over wie wij zijn als Europeanen. Is identiteit en nationaliteit alleen maar een stukje papier dat wij een ‘paspoort; noemen? Of steekt er meer achter? In het heersende intellectuele klimaat is er alvast geen ruimte voor alles wat boven de ruwe materie uitstijgt.
Zonder een idee te hebben van waar je staat in de scheppingsorde kun je jezelf niet definiëren en daarmee ook niet verdedigen tegen iets als islamisering. Want de moslims hebben wel een concreet idee over wie zij zijn en waar ze staan in de orde der dingen. Dat is altijd krachtiger dan een mentaliteit waarin alles relatief en niets waar is.

Scheppingsorde

Het is dan ook geen toeval dat de plekken waar de agenda van het materialisme en secularisme het verst gevorderd is, tevens ook het sterkst geïslamiseerd zijn. Een voorbeeld dat meteen in het oog springt, is Frankrijk. Dat is in de greep van een zeer agressieve vorm van het secularisme en heeft tevens de grootste islamitische minderheid van Europa. Met allegevolgen van dien. Zover is het in Duitsland nog niet en ik denk dat in elk geval de Pegida-demonstranten dat graag zo willen houden. De mensen die deel uitmaken van de Pegida-demonstraties moeten daarom een volgende stap zetten, namelijk het bepleiten van de herkerstening van de maatschappij zodat wij als Europeanen onze plek in de scheppingsorde eerst weer terugvinden en daarna claimen. Pas met de herkerstening van ons prachtige continent zal de relativering van onze identiteit een halt toe geroepen kunnen worden. Daarmee zal een van de hoekstenen van de pro-immigratie lobby worden weggeslagen. Zover zijn de demonstranten helaas nog niet, maar hun demonstraties zijn pas een recent verschijnsel en houden grote afstand van het oude spook van het nationaalsocialisme. Dus er is zeker hoop dat de demonstraties zich in deze richting kunnen ontwikkelen.

Veilig voor islamisering

Hoe  nu verder? Of de demonstraties ook beantwoord worden door de politieke klasse is dus afwachten omdat er al zware woorden zijn uitgesproken, maar aan het enthousiasme van de demonstranten zal het niet liggen. Toch is hervorming van de lakse immigratiewetgeving zoals gezegd niet voldoende. Als we werkelijk veilig willen zijn voor islamisering moeten we ook afrekenen met de diepere oorzaken ervan. Namelijk met het enthousiasme waarmee de Pegida-demonstraten kerstliederen zingen moeten we ook weer gaan bidden. En naar de kerk gaan. En gans de samenleving weer herkerstenen om zo onze plek in de scheppingsorde terug te vinden. Zoals het klinkt in dat oude katholieke strijdlied Wij willen God:

‘Wij willen God in ’s lands bestieren,
In heel de gang der maatschappij!’

Posted on

Waarom Zwarte Piet zwart moet blijven

Is Zwarte Piet racistisch? Is hij recent? Een negentiende-eeuwse slaaf van de blanke Sinterklaas? Vragen die ons oude Sinterklaasfeest gedurende deze winterzonnewendeperiode lijken te verduisteren.

Mij was het altijd duidelijk dat Zwarte Piet niet racistisch of recent is. Voor mijn boek Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend? heb ik literatuuronderzoek gedaan en bronnen geraadpleegd die Sinterklaas noemen (o.a. Schrijnen [1915], Schwabe [1969], De Benoist [1996], Van der Ven, Van de Graft [1978], Grolman [1931] en Farwerck [1970]). De boeken presenteren een rijke wereld van oeroude volksgebruiken. Een aspect dat ze beschrijven is dat van de Europese sinterklaasmaskerades: ommegangen met zwart geschminkte en/of bebaarde sinterklaasbegeleiders, duivelse sinterklaasbegeleiders en allerlei sinterklaastypes.

Nicolaasmaskerades

Ons Sinterklaasfeest wordt ook bij de nicolaasmaskerades ingedeeld. Vroeger waren er allerlei nicolaasmaskerades te vinden in Nederland en België. Er waren ‘Zwarte Sinterklazen’, Klaas in wieve-goed (een onherkenbare travestiefiguur), Sintroms in witte lakens met zwarte Pieters, en op de Waddeneilanden vinden we nog steeds vreemd uitgedoste Klozems en Sundrums, die soms nog zwarte gezichten hebben. In het zestiende- tot en met negentiende-eeuwse Amsterdam waren er ook zwart geschminkte Sunderklazen die de buurten terroriseerden, op zoek naar stoute kinderen.

Duitse sinterklaasbegeleiders zijn donker bebaard, hebben vaak zwarte gezichten, dragen donkere kleren en heten Ruprecht. In de Franse Elzas heten deze figuren Hans Trapp, in Luxemburg Houseker, en in Zwitserland hebben we Schmutzli, die net als onze Zwarte Piet een plunjezak en een roe draagt. Evenals onze vroegere Piet spreekt Schmutzli gebrekkig. De Oostenrijkse Krampussen zijn niet altijd zwart, lijken op duivels en dragen vaak een mand in plaats van een zak, waarin stoute kindertjes gegooid worden. En ze jagen jonge mensen op. Elders heeft ook Sint-Maarten (11 November) zwarte begeleiders, en jagen gemaskerde jonge mannen rond 5 december jongeren op, om hun met roeden al petsend vruchtbaarheid te brengen.

Heidense oorsprong

Indien al deze volksgebruiken een gemeenschappelijke oorsprong hebben – en dat is volgens volkskundigen evident – is het aannemelijk dat de oorspronkelijke Sinterklaasbegeleiders er niet zo negroïde uitzagen als onze uit hen voortgekomen negentiende-eeuwse Afro-Piet. De Nederlandse Piet is in essentie dezelfde figuur als de andere sinterklaasbegeleiders. Zij dragen vaak een roe; zijn vaak zwart of donker geschminkt; rijden net als Sinterklaas vaak op een schimmel; dragen een zak; gooien vruchten en noten (in Nederland snoep en pepernoten); brengen geschenken en maken jonge mensen bang.

Volgens de bronnen duiden deze gebruiken op een heidens bezinksel. Sinterklaas en Zwarte Piet zijn hoogstwaarschijnlijk overblijfselen van de voorchristelijke Germaanse Wodancultus. Het volksgeloof stelt dat Sinterklaas op zijn schimmel over de daken kan vliegen (net als Wodan); hij is een rijzige figuur (net als Wodan); heeft een lange baard (net als Wodan); Sinterklaas en Piet komen ´s nachts door de schoorsteen bij de mensen op bezoek en bij de open haard leggen de mensen wat voer neer voor de schimmel gedurende het nachtelijke Klaasbezoek (dit duidt op een aloud hooioffer voor Wodan en zijn paard). De schoorsteen was voor het huis de verbinding met de andere wereld en Wodan en de gesneuvelden konden zo ´s nachts bij de mensen voedsel en offers komen halen.

Zwarte gezichten

Groepjes mannen – in de literatuur vaak mannenbonden genoemd – brachten hun gemeenschappen vruchtbaarheid en stonden in spiritueel contact met Wodans Wilde Heir. Dit was een dodenleger van gesneuvelde medestrijders die, als bewoners van de Onderwereld, zwarte gezichten hadden gekregen. Hun aanvoerder was Wodan. Tijdens riten dosten de mannen zich uit als hun gesneuvelde dierbaren dus maakten zij ook hun gezichten zwart.

De Kerk probeerde in de Middeleeuwen de hemelse legeraanvoerder Wodan door de heilige Nicolaas (en elders Sint-Maarten) te laten vervangen. Het volksgeloof bleek echter hardnekkig: de schimmel en de zwarte mannen bleven rondwaren. Dus werden Sint-Nicolaas en Sint-Maarten schimmelruiters en kregen de zwarte mannen de identiteit van de duivel, die ook als Piet of Pieter bekend stond.

Elders in Europa bleef men Piet met de duivel en duisternis vergelijken, maar in Nederland kreeg Piet halverwege de negentiende eeuw dit tropische uiterlijk. Kennelijk kon men deze zwarte schim, afkomstig van het heidense verleden, niet anders plaatsen. Dus vergeleken ze de zwarte Piet met een Moor – een voor die tijd prototypische neger, die in zeventiende-eeuwse kleren op veel plaatsen afgebeeld werd in boeken en op winkels.

Zijn de zwarte pieten dus negentiende-eeuws? Ze zijn veel ouder. En de kritiek dan, die zegt dat Zwarte Piet een negentiende-eeuwse slaaf uit Afrika is? Die zegt meer over de beweerders dan over de geschiedenis.

Rassenreductionistische kritiek

De kritiek op Piet is weliswaar modern, maar de argumenten tegen hem zijn bekrompen, oppervlakkig, rassenreductionistisch en getuigen van uitvergrote postkoloniale frustraties. Inderdaad, Zwarte Piet is niet zwart van de schoorsteen. Maar zijn ondergeschiktheid aan Sinterklaas is evenmin ingegeven door racisme. Sommigen stellen aanpassing voor door Piet slechts enkele zwarte roetvegen op het blanke gezicht te geven. Een slechte oplossing voor dit beweerde racisme, want de Zwarte-Pietspelers zouden herkend worden en dus zou de eeuwenoude nicolaasmaskerade daarmee opgedoekt zijn. Kinderen zouden van hun geloof vallen als ze zien wie Piet speelt.

Wat mij betreft blijft Zwarte Piet zoals hij is. Wel zouden de reclamebureaus die hem als soort Moriaantje portretteren, hem met wat minder negroïde uiterlijkheden uit kunnen dossen (geen rode lippen, minder kroezende krullen) en kunnen Zwarte Piet-spelers hem zonder Surinaams accent opvoeren. Maar hij moet wel zwart blijven. Zonder een zwarte Zwarte Piet zouden wij breken met een traditie van vele, vele eeuwen. En laat ons dit feest vrijwaren van moderne, multiculturele frustraties en het in al zijn onbeholpenheid aan onze kinderen overdragen.


zwarte pietOp 8 november 2013 verschijnt bij Uitgeverij Aspekt het boek van Marcel Bas, getiteld Zwarte Piet: discriminerend of fascinerend?. Het draagt als ondertitel Een pleidooi voor de zwarte Zwarte Piet.  Hierin wordt de Zwarte Piet-kritiek besproken en weerlegd vanuit een oneigentijds perspectief. Er worden parallellen getrokken met winterzonnewendegebruiken, er komen critici alsook volkskundigen uit het binnen- en buitenland aan bod,  de Zwarte Piet-kritiek wordt er weerlegd, en er wordt gezocht naar de oorsprong van de knechtstatus van Piet.

ISBN: 9789461534095
http://www.roepstem.net/zwarte-piet-discriminerend-of-fascinerend.html

Posted on Leave a comment

Afrikanistiek en koloniale geschiedenis

Afrikanistiek, de studie betreffende het Afrikaanse continent, is jong. De vroegste studies die op schrift gesteld zijn en die vandaag als studiemateriaal gebruikt kunnen worden, dateren van 1880. De archeologische vondsten en overleveringen laten veel ruimte over voor vrije interpretatie. De grote leemten in studiestof maken dat deze discipline gemakkelijk door ideologische stromingen wordt opgeslokt. Aangezien in Zwart Afrika veelal schriftloze volkeren leefden, en er weinig of geen archeologische vondsten van gebruiksvoorwerpen of woningen te vinden zijn, maken de leemten daarom in verreweg de meeste studies plaats voor onwetenschappelijke beweringen. Deze beweringen, waar aan historische feiten voorbij wordt gegaan ten gunste van subjectieve interpretaties waarin de ‘goede’ en ‘slechte’ rollen in het verhaal van tevoren al worden vastgesteld, vindt men terug in het debat rondom de kolonisatie. « Kolonisatie » staat daarom gelijk aan uitbuiting, onrecht en slavernij.

Zo zou de oorsprong van de mensheid in Afrika liggen, de technische (en daarmee de economische) achterstand te wijten zijn aan de “Eerste Wereldlanden” die de bodemschatten leeggeroofd zouden hebben. De oorzaak van de bloederige stammenoorlogen zou bij de kolonisten liggen, die het land hebben afgepakt, de slavenhandel ontwikkeld en na de onafhankelijkheid grenzen hebben achtergelaten die niet overeenkomen met de etnische kaart van Afrika.

Oorspronkelijke bewoners van Afrika
Falilou Diallo schreef in 1987 wat de laatste decennia op de meeste scholen in ons land wordt aangenomen en onderwezen: “Alle wetenschappelijke studies bewijzen dat de eerste bewoners van Zuid-Afrika zwart waren. Sinds vele duizenden jaren bevolken Zuid-Afrikaanse negers, Australopithecus, zuidelijk Afrika.” (Le Soleil, 4 februari 1987)

De wetenschap die uitgaat van de evolutietheorie geeft echter aan dat de Australopithecus leefde in een tijd dat de rassenvorming nog niet was begonnen (deze zou pas tegen 100.000 v. Chr. Begonnen zijn). Hoewel er veel verwantschappen aan te wijzen zijn tussen de Australopithecus en de Homo Erectus, die ook buiten Afrika is gevonden, heeft niemand tot nu toe kunnen bewijzen dat de Homo Erectus van de Australopithecus afstamt. De bewering van Falilou Diallo stuit op een ander probleem, namelijk door de oorspronkelijke afrikaan als zwarte voor te stellen.

Vijf- tot tienduizend jaar geleden werd Subsaharisch Afrika bevolkt door 4 dominerende rassen: de zwarte voorouders van de Bantoevolken in de omgeving van Nigeria en de Nijl-Sahariërs, tevens zwart van huidskleur, woonachtig in de streek rond Nubië. De twee andere volkeren zijn niet-negroïde en noemen wij Pygmeeën, die het gehele gebied van de Kongo bevolkten en de Khoisan, die heel Oost- en zuidelijk Afrika bevolkten. Door archeologische vondsten kennen wij de aanwezigheid van zwarte West-Afrikanen vanaf 15.000 v. Chr. Pas tegen 10.000 v. Chr. vinden wij ook sporen van deze bevolking in Nigeria.

De zwarte West-Afrikaanse en Nubische negerbevolking koloniseerde gaandeweg Oost- en zuidelijk Afrika waardoor de oorspronkelijke bewoners werden gedecimeerd of van hun oorspronkelijke leefomgeving werden beroofd en zich moesten terugtrekken in onherbergzame plaatsen zoals de Pygmeeën in de tropische wouden. Naast de Pygmeeën en Khoisan hebben enkele stammen zich in leven weten te houden in oost- en zuidelijk Afrika. De autochtone bewoners van Bambouk (Senegal/Mali) zijn in de negentiende eeuw door de Fulbe afgeslacht. De oudste bevolking van West-Afrika zijn de Bassari, die hun cultuur hebben weten te behouden, maar vanwege de gemengde huwelijken niet meer als autonoom ras worden onderscheiden van de Zwarten uit hun regio.De Toucouleur (Senegal/Mauritanië/Mali) danken hun overleving tevens aan de vermenging met de Peulen en bestaan als volk slechts sinds de tiende, elfde eeuw. Het is pas vanaf de vijftiende, zestiende eeuw dat een gevestigde, georganiseerde cultuur van zwarte volkeren in West-Afrika en elders ontstaat.

In Zuid-Afrika bestaat tot vandaag de dag een etnische groep, die door de blanke kolonisten “Hottentotten” werden genoemd en vandaag bekend staan als de San (Bosjesmannen) en de Khoi. Oorspronkelijk houden deze volken geen verband met de zwarte bevolking die rond de zestiende eeuw in Zuid-Afrika aankwam. Deze oorspronkelijke bewoners kozen soms de kant van de blanke boeren, soms die van de zwarte overheersers, met als resultaat dat velen in de gevechten tussen blanke en zwarte kolonisten sneuvelden. Vandaag leven er nog slechts enkele duizenden San.

Oorzaken van de Afrikaanse achterstand
De droogte in noordelijk Afrika begon ongeveer twaalf eeuwen geleden en bracht de Sahara tot stand. Hiermee ontstond een klimaatbreuk en een culturele grens in Afrika: ten noorden van de Sahara ontwikkelde zich een rijke beschaving die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de rijke cultuur van het Middellandse Zeegebied. Ten zuiden van de Sahara raakte Afrika geïsoleerd, vergeten en zelfs onbekend voor de rest van de wereld, tot de mosliminvasie enerzijds en de kolonisatie anderzijds. Ten zuiden van het Marokkaanse Mogador heeft de archeologie nog nooit iets gevonden waaruit een invloed van het Middellandse zeegebied blijkt. Slechts de Nijlstreek, de Rode Zee en de Oost-Afrikaanse kuststreek waren reeds in de vijftiende eeuw v. Chr. bekend. Het is juist via deze streek dat de zwarten, rond het begin van onze jaartelling naar zuidelijk Afrika trokken. De oude Grieken en de Romeinen kenden het bestaan van zwarten. Deze waren echter afkomstig van de Nijlstreek Nubië.

De enige nijverheid die men buiten Noord-Afrika met de opkomst van de Islam kan ontdekken zijn de handelssteden zoals Essouk (Tadmakka) en Audoghast, die gesticht waren door (blanke) Berbers, die zwarten aanstelden voor het bestuur. Resultaat van dit isolement en klimaat is naast een culturele achterstand vooral een hopeloze achterstand in de basisbehoeften. Subsaharisch Afrika moest tot de kolonisatie wachten om het gebruik van vee voor landbouw, het wiel en de katrol te leren. Rond het begin van onze jaartelling was de primitieve landbouw in tweederde van subsaharisch Afrika onbekend. Landbouw in Afrika bleef tot die tijd beperkt tot Egypte, het huidige Libië en de noordelijke Sahara. De gewassen die daar werden verbouwd waren niet opgewassen tegen het subsaharische klimaat. Rond 2000 v. Chr. begon men in West-Afrika met het verbouwen van eigen producten. Tot die tijd voedde men zich door verzamelen en kleinschalige veehouderij.

IJzertijd in Afrika
De koper- en bronstijd zijn aan Afrika voorbij gegaan. De steentijd werd opgevolgd door de ijzertijd, doordat Egypte rond de zevende eeuw v. Chr., Axoum (Ethiopië) rond de eerste eeuw v. Chr. en Carthago rond 800 v. Chr. ijzerwerktuigen in omloop brachten. In de streek rondom het Victoriameer begon de ijzertijd tegen 300 v. Chr, in Midden-Afrika tussen 300 en 500 na Chr. en in zuidelijk Afrika tussen 500 en 1100 na Chr.

Rond 2000 v. Chr. trokken zwarte Bantoestammen richting het westen en verbreidden zo de zwarte bevolking over het grootste deel van het continent. Hun kennis van landbouw en metallurgie maakten dat zij een grote voorsprong hadden op de autochtone bevolking van Oost- en zuidelijk Afrika en een dominante positie konden innemen. De trek naar het zuiden van de Bantoe moet niet vroeger dan de tweede eeuw v. Chr. hebben plaatsgevonden.

Khoisanmannen op jacht in Angola.

Lange tijd werd zonder bewijs aangenomen dat de ijzertijd dankzij de Bantoes het licht zag in Afrika. Velen blijven vasthouden aan deze theorie die wetenschappelijk gewoonweg niet hard te maken is en zelfs tegenstrijdig is met de gegevens die nu voorhanden zijn. Men nam de ontwikkeling van landbouw en metallurgie (tussen 500 en 1100 in zuidelijk Afrika) als bewijs van aanwezigheid van Bantoevolkeren en gaf daarmee aan dat de Bantoevolkeren lang voor de komst van de blanken Zuid-Afrika bevolkten. Het enige dat wij met zekerheid over de bevolking van Zuid-Afrika kunnen zeggen is dat er mensen boven de Oranjerivier hebben geleefd vanaf de ijzertijd (vierde, vijfde eeuw) en dat de Nederlandse kolonisten zich in de Kaapprovincie vestigden vanaf 1652. Archeologisch onderzoek wijst echter uit dat er in Zuid-Afrika twee “ijzertijden” hebben plaatsgevonden. De tweede, die rond de twaalfde eeuw ontstaat, gaat samen met nieuwe smeedtechnieken en houdt verband met landbouw. Naar alle waarschijnlijkheid is deze Tweede IJzertijd aan de komst van Bantoevolken toe te schrijven. Deze twee periodes bleven echter beperkt tot het oostelijk deel van Zuid-Afrika, ten oosten van de Visrivier en ten noorden van de Oranjerivier. Aan de rest van Zuid-Afrika is die ijzertijd voorbij gegaan. Deze Tweede IJzertijd duurt ongeveer zes eeuwen. De huizen die in die periode werden gebouwd waren van gedroogde modder. Vanaf het einde van de zestiende eeuw begon men stenen huizen te bouwen. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn essentieel voor de geschiedenis van zuidelijk Afrika, omdat de volken rond die tijd zich in rijkjes en stammen met hiërarchie beginnen te organiseren.

Slavenhandel
Om de slavernij in Afrika te kunnen begrijpen is het nodig het ontstaan hiervan in herinnering te brengen. Terwijl de slavenhandel ontstond na de komst van de moslim- en Europese kolonisten wijst alles er op dat deze op suggestie van de Afrikaners zelf is ontstaan.

Nooit hebben de Westerlingen vrije Afrikanen gevangen genomen met het oog op de slavenhandel. Van oudsher werden de overwonnen vijanden tijdens de stammenoorlogen door de Afrikaners zelf in slavernij weggevoerd. Het koninkrijk Dahomey jaagde zo in het binnenland actief op mensen die zij als slaven konden verkopen. Koning Tegbessou leverde zo in 1750 9000 slaven per jaar, hetgeen hem meer opleverde dan de scheepsreders van Liverpool of Nantes. Voor de Europeanen was het tot 1795 verboden zich buiten het kustgebied te begeven. Zo had « vrijheidsstrijder » Samory Toeré een grootschalig slavennetwerk opgezet.

Vanaf de dertiende eeuw waren de moslims voornamelijk geïnteresseerd in vrouwen en jonge jongens. In de loop van de negentiende eeuw trachtten de Engelse kolonisten de slavenhandel in Oost-Afrika, die voornamelijk in handen was van Arabieren, door middel van het Verdrag van Hamerton, drastisch te verminderen. Tot afschaffing werd éénzijdig, namelijk van Europees-Amerikaanse zijde, besloten, zonder de mening van de Afrikanen of de Arabieren te raadplegen. Arabische karavanen met slaven waren in Libië tot 1929 bekend. Mauritanië heeft de slavernij in de twintigste eeuw vier maal moeten verbieden. In Soedan was het de kolonisatie die een eind maakte aan de slavenhandel. Met de onafhankelijkheid bloeide deze echter weer op.

In Soedan komt ook tegenwoordig nog slavernij voor.

Toen de slavenhandel werd verboden, zagen de Westerse mogendheden geen belang meer in verdere contacten met subsaharisch Afrika. Deze werd aan het begin van de 19e eeuw zelfs als een blok aan het been gezien, die de economie in het thuisland belemmerde. Dat Europa zich niet geheel terugtrok, was om humanitaire redenen: het Britse Lagerhuis verbood in 1807 de slavenhandel en in 1833 de slavernij als zodanig en stuurde schepen die illegale slavenhandel onderschepten.

Deze andere kant van de kolonisatie wordt door Derde Wereldideologen maar al te graag verzwegen. Hun beweringen gaan echter nog verder. Zo zou de slavenhandel één van de oorzaken zijn van de honger in Afrika. Het verdwijnen van de nodige mankracht zou de mislukking in de landbouw verklaren. De feiten spreken deze bewering echter zonder meer tegen. De komst van de Portugese kolonisten brachten juist rijke, snelgroeiende producten met zich mee, die de arme gewassen overbodig maakten en de lokale bevolking tot voeding kon strekken.

De onderverdeling van koloniaal Afrika vond echter pas tussen 1885 en 1900 plaats en duurde tot de onafhankelijkheid van deze landen, zestig of zeventig jaar later. Tot het einde van de 19e eeuw hadden de Westerse mogendheden geen enkele hand in de Afrikaanse landen zelf, maar bleef hun werkveld beperkt tot enkele kuststeden die de handel met de Afrikaanse volkeren mogelijk maakte.

Kolonisatie als Verlichtingsideaal
Onder de verschillende kolonisatiemethoden neemt de Franse een bijzondere plaats in. De Engelse kolonisatie ging doorgaans uit van segregatie. En terwijl de Portugezen mestizaje (vermenging van Portugezen en inboorlingen, red.) invoerden, gingen de Fransen uit van een Verlichtingsideaal. Slechts enkele jaren na de Franse Revolutie zagen veel Fransen het kolonialisme als opdracht om de primitieve volkeren te beschaven. Frankrijk had geen enkel economisch belang bij het koloniseren: slavernij was afgeschaft en rietsuiker was inmiddels vervangen door suikerbieten die op eigen bodem werden verbouwd.

Jules Ferry, de oprichter van het openbaar onderwijs in Frankrijk, verklaarde openlijk aan Jean Jaurès dat zijn politieke doeleinde was: een « mensheid zonder God en koning » op te bouwen. Tegen de koningsgezinde partijen van het parlement en Clémenceau, die waarschuwde dat het kolonialisme tot verarming van zowel Frankrijk als Afrika zou leiden, zette Jules Ferry die minister-president werd, de kolonisatiepolitiek op touw. « Frankrijk, het Vaderland van de Rechten van de Mens, moest de kruistocht voor de vrijheid van de primitieve volkeren aanvoeren ».

In een taalgebruik dat in zijn tijd ontvankelijk werd gezien verklaarde Jules Ferry in 28 juli 1885 : « De superieure rassen hebben rechten ten aanzien van de inferieure rassen maar ook een plicht: om deze te beschaven. De Spanjaarden hebben gefaald door de slavenhandel in Centraal-Amerika in te voeren. Het superieure ras verovert niet voor eigenbelang, maar om de zwakke te beschaven en tot haar niveau op te voeden. »

Leon Blum, de linkse politicus van het Front Populaire verklaarde: « De superieure rassen hebben het recht en de plicht om de rassen die hun niveau nog niet hebben bereikt tot de vooruitgang te roepen aan de hand van wetenschap en industrie. » Ook Emile Zola, altijd begaan met de arbeiders, verklaarde ten opzichte van Algerije dat dit land toebehoort aan hen die er werk van maken.

Albert Bayet, voorzitter van de Liga van Mensenrechten, verklaarde in 1931 dat de kolonisatie rechtvaardig is omdat deze de boodschap van de « illustere voorouders van 1789 » met zich meedraagt. « Rechten van de mens te doen kennen is geen imperialisme, maar een broederlijke taak. »

Victor Schoelcher, vermaarde abolitionist schonk de medaille van de « Société anti-esclavagiste » aan generaal Galliéni, die met harde hand de oude cultuur van Madagascar met wortel en tak uitroeide, maar de slavernij afschafte.

De tegenstanders van dit ideaal vond men in de eerste plaats onder de koningsgezinde partijen maar ook bij de republikeinse nationalisten Maurice Barrès en Paul Deroulède. Zij zagen het verlies van Elzas en Lotharingen als belangrijker en het koloniseren, zeker als verlichtingsideaal, als een kostbare verspilling die de investering niet waard was.Rond 1890 kwam aan dit tegengeluid een einde, toen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zich over de slavernijproblematiek gingen buigen. Mgr. Lavigerie verklaarde in 1888, dat het kolonialisme noodzakelijk was om de slavenhandel, die op dit moment hele volkeren dreigde te vernietigen, een halt toe te roepen. Vanaf dit moment steunden ook de kerk en conservatieve krachten de kolonisatie.

Het is verleidelijk om in deze houding een invloed van het Eerste Vaticaans Concilie te zien. Door de onfeilbaarheid van de Paus uit te roepen werd de universaliteit van de jurisdictie van Rome en daarmee van haar boodschap benadrukt. Het Patriarchaat van Alexandrië, onder wie het Afrikaanse werelddeel sinds de eerste eeuw viel, heeft zich nooit in de Afrikaanse stammenproblematiek willen mengen, ondanks hun aanwezigheid in Oost-Afrika, waar de meeste slaven vandaan kwamen. Het verklaart echter niet het belangrijke aandeel dat de protestanten hebben gehad in de koloniale geschiedenis, die doorgaans meer van privé-initiatieven uitgingen. Het resultaat van de religieuze inmenging in de Afrikaanse culturen is op zuiver politiek vlak desastreus te noemen: Burundi, voor 90% christelijk, kent sinds 1972 meer dan 2 miljoen doden. Landen waarin de christenen in de meerderheid zijn: Rwanda, Oeganda, Kongo, Liberia, Sierra Leone, de Ivoorkust, zijn tonelen waar christenen elkaar onderling uitmoorden. De oppervlakkige kerstening van deze volkeren heeft de etnische verschillen niet weten te overbruggen.

Balans
Voor de balans die Lugan opmaakt betreffende Afrika verwijzen wij de lezer naar zijn werken, waarin hij met veel feiten- en vakkennis de volgende stellingen onderbouwt: zo zouden de westerse landen meer kwijt dan rijk geweest zijn aan de Afrikaanse kolonies. De westerse investeringen in infrastructuur, vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn kolossaal. Terwijl slechts enkelen zich hebben weten te verrijken in deze korte tijd, heeft het aan de westerse landen vooral geld gekost.

De kolonisatie had een eind gemaakt aan vele stammenoorlogen, epidemieën, slavernij en zelfvoorzienende landbouw mogelijk gemaakt. Bij de onafhankelijkheid welden sommige van deze rampzalige gebeurtenissen weer op, maar de nataliteit is daardoor explosief toegenomen. De onafhankelijkheid heeft de verstedelijking tevens verregaand doorgezet en de ontwikkelingshulp geeft het Afrikaanse achterland geen kans om zelfvoorzienende landbouw weer op te pakken.

Bronnen:
Bernard Lugan:

  • Afrique, l’histoire à l’endroit, Perrin, 1989
  • Afrique, de la colonisation philantropique à la reconolisation humanitaire, Bartillat, 1995
  • Pour en finir avec la colonisation, Editions du Rocher, 2006