Posted on

Wie wil er, behalve ISIS, nog meer een oorlog tussen Amerika en Iran?

“Iran moet vrij zijn. De dictatuur moet vernietigd worden. Containment is appeasement en appeasement is overgave.”

Zo wijst onze Churchill, Newt Gingrich, terzake van Iran, het containmentbeleid van de hand. Een beleid dat ontwikkeld werd door George Kennan en uitgevoerd door negen Amerikaanse presidenten en dat leidde tot een overwinning zonder bloedvergieten in de Koude Oorlog.

Waarom is containment overgave? “Omdat vrijheid overal bedreigd wordt zolang deze dictatuur aan de macht blijft”, aldus Gingrich. Maar hoe wordt de vrijheid van Amerikanen bedreigd door een bewind met 3 procent van het Amerikaanse BBP en dat al bestaat sinds Jimmy Carter president was?

Gelukkig heeft Gingrich een leider gevonden om het Iraanse bewind omver te werpen en de vrijheid van de mensheid veilig te stellen. “In ons land was dat George Washington en … de markies de Lafayette. In Italië was het Garibaldi”, aldus Gingrich. Wie heeft hij gevonden, die zich kan meten met Washington en Garibaldi? Maryam Rajavi.

Wie is dat? De leider van de Nationale Verzetsraad van Iran of de Iraanse Volksmoedjahedien, die tegen de sjah waren, braken met de oude Ayatollah, samenspanden met Saddam Hoessein en tot 2012 door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als een terroristische organisatie beschouwd werden.

Op de conferentie van deze organisatie in Parijs eerder deze maand waar Gingrich sprak, en de spreekvergoeding was naar verluidt uitstekend, waren John Bolton en Rudy Giuliani ook te vinden. Giuliani sprak van de tweemaal verkozen president Hassan Rouhani als “een gewelddadige, wrede moordenaar” en stelde dat “de tijd gekomen is voor regime change.”

Ook Bolton deed een duit in het zakje: “Teheran is niet slechts een kernwapendreiging, het is niet slechts een terroristische dreiging, het is een conventioneel gevaar voor iedereen in de regio”. En derhalve “zou het omver werpen van het bewind van de moellahs in Teheran het officiële beleid van de Verenigde Staten van Amerika moeten zijn”. We zullen het samen vieren in Teheran in 2019, zo verzekerde Bolton zijn toehoorders van de Nationale Verzetsraad van Iran.

Succes! Maar zoals de New York Times gisteren stelde, drijft al deze praat, die overal in Washington weerklinkt, ons recht naar een oorlog. “Een patroon van provocatieve woorden, expliciete dreigementen en acties – van president Trump en enkele van zijn vooraanstaande medewerkers, alsmede van soennitische Arabische leiders en Amerikaanse activisten – voert spanningen op die kunnen leiden tot gewapend conflict met Iran.”

Is dat wat Amerika wil of nodig heeft – een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten, tegen een land dat drie keer zo groot is als Irak? Zouden, na Afghanistan, Irak, Libië, Syrië en Jemen, Amerika en de wereld gediend zijn met een oorlog met Iran die een soennitisch-sjiitische godsdienstoorlog in het hele Midden-Oosten zou kunnen ontketenen?

Bolton noemt Iran een “kernwapendreiging”. Maar in 2007 verklaarden alle Amerikaanse inlichtingendiensten met grote zekerheid dat Iran geen kernwapenprogramma had. Ze herhaalden dit in 2011. Onder de kerndeal heeft Iran bijna al zijn uranium geëxporteerd, is het land gestopt met verrijken tot 20 procent, heeft het duizenden centrifuges stilgelegd, beton in de kern van zijn zwaar water-reactor gegoten en staat het VN-inspecteurs toe om alle faciliteiten uit te kammen.

Zou Iran, ondanks dit alles, een geheim kernwapenprogramma runnen? Of is dit oorlogspropaganda die bedoeld is ons nog een oorlog in het Midden-Oosten in te slepen? Om de waarheid te achterhalen, zou de commissie Buitenlandse Zaken van de senaat de hoofden van de CIA en DIA en de Director of National Intelligence op moeten roepen, om in een publieke zitting te getuigen.

Men zegt ons dat we ook geplaagd worden door een sjiitische halve maan die opkomt en zich uitstrekt van Beiroet tot Damascus, Bagdad en Teheran. Maar wie heeft deze sjiitische halve maan tot stand gebracht? Het was George W. Bush die bevel gaf tot het omver werpen van het soennitische bewind van Saddam, waardoor Irak in handen kwam van zijn sjiitische meerderheid. Het was Israël wiens invasie en bezetting van Libanon van 1982 tot 2000 het sjiitische verzet voortbracht dat nu bekend staat als Hezbollah. En wat Bashar al Assad in Syrië aangaat, zijn vader stuurde troepen om zij aan zij met de Amerikanen te vechten in de Golfoorlog.

Het bewind van de ayatollahs, de Islamitische Revolutionaire Garde en de Basji-militie staan vijandig tegenover Amerika. Maar Iran wil geen oorlog met de Verenigde Staten – en met goede reden. Iran zou aan stukken geslagen worden als Irak, en zijn onvermijdelijke opkomst als het grootste en meest ontwikkelde land aan de Perzische Golf zou afgebroken worden.

Bovendien hebben we gemeenschappelijke belangen: Vrede in de Perzische Golf, waarvandaan Irans olie vloeit en waarzonder Iran niet kan groeien, zoals Rouhani beoogt, door Irans banden met Europa en de ontwikkelde wereld te verdiepen.

En we hebben gemeenschappelijke vijanden: ISIS, al Qaida en al de soennitische terroristen wiens wildste droom het is om hun Amerikaanse vijanden hun sjiitische vijanden te zien bevechten. Wie wil er nog meer een Amerikaanse oorlog met Iran, behalve ISIS?

Helaas is hun getal legio: Saoedi’s, Israëli’s, neocons en hun denktanks, websites en magazines, haviken in beide partijen op Capitol Hill, democratie-kruisvaarders en velen in het Pentagon die hun gram willen halen voor wat door Iran gesteunde sjiitische milities in Irak gedaan hebben.

President Trump neemt een sleutelpositie in. Als hij doet wat de oorlogspartij wil, zal dat zijn nalatenschap zijn, zoals de Irakoorlog de nalatenschap is van George W. Bush.

Posted on

“Voor Damascus is wat vandaag gebeurt een déja-vu”- Westerse interventies als wortel van conflicten in Midden-Oosten

Zo eenzijdig als de blik van de mainstream van de westerse politiek op het Midden-Oosten met zijn verschillende conflictgebieden is, zo manicheïsch is haar indeling daarvan in goede en kwade actoren. Goed zijn vooral diegenen die met dit manicheïsche wereldbeeld instemmen en de de opvatting van de westerse politiek bevestigen. Wie daarentegen een gedifferentieerd beeld van de situatie uitwerkt en de conflicten in hun veelkleurigheid probeert te vatten, wordt al snel bij de As van het Kwaad ingedeeld.

Zo ook de Duitse journalist en islamoloog Michael Lüders, die met ‘Wer den Wind sät’ en ‘Die den Sturm ernten’ twee met elkaar samenhangende boeken over de gevolgen van de westerse politiek in het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft uitgebracht. In het eerste boek, dat een iets algemenere scope heeft en twee jaar geleden voor het eerst verscheen, belicht Lüders eerst de omverwerping van de Iraanse premier Mohammed Mossadegh door de CIA, die hij als blauwdruk voor vergelijkbare operaties ziet: “De staatsgreep in 1953 laat een basismodel zien, dat de VS en hun bondgenoten nog altijd aanwenden bij een voorgenomen wisseling van regime: de demonisering van de tegenstander voorafgaand aan de eigenlijke operatie”, aldus Lüders. Zo wordt Mossadegh bijvoorbeeld in campagnes herhaaldelijk met Hitler vergeleken. Vergelijkbare formuleringen als in die campagnes steken later “bijna woord voor woord het zelfde” de kop op in campagnes tegen Saddam Hoessein, Moeammar Khadaffi of Bashar al-Assad.

Blow back

Deze eerste regime change is de haast ideaaltypische illustratie van een steeds terugkerende figuur bij Lüders, de ‘blow back’ van westerse politiek. Interventies in de islamitische wereld, moreel  opgeblazen als bevrijding of democratisering, in werkelijkheid echter uitdrukking van door belangen geleide machtspolitiek, zetten processen in gang die zich tegen de oorspronkelijke of voorgewende doelstellingen keren. In het geval van Iran had de interventie op de langere termijn de islamitische revolutie van 1979 tot gevolg.

Knap is ook Lüders portret van het conflict tussen Afghanistan en de Sovjet-Unie als kiem van Al Qaida en het ‘jihad-toerisme’, dat aanvankelijk door het Westen gestimuleerd werd. Ook het portret van ‘Islamitische Staat’ en zijn wortels in Saoedi-Arabië is, ondanks dat het relatief kort is, informatief en opnieuw een goede illustratie van de ‘blow back’ van westerse interventies.

‘Die den Sturm ernten’ concentreert zich op het conflict in Syrië, dat Lüders inleidt met een breder historisch vertoog. Uitgaande van de geleidelijke dekolonisatie en de emancipatie van Arabische naties, beschrijft Lüders hoe de westerse machten in dit proces hun belangen proberen door te zetten. Met de Verenigde Staten, die daarmee het prestige dat ze daarvoor als niet-koloniale macht in die regio hadden, verspeeld hebben, voorop. Met betrekking tot Syrië: “Zonder Syrisch gebied te doorkruisen, laat zich geen rendabele pijpleiding van de Perzische Golf of vanuit Irak naar de Middellandse Zee aanleggen.” En dat geldt al in 1956.

Bezorgd zien de Verenigde Staten en Groot-Brittannië hoe opeenvolgende Syrische machthebbers toenemend ondersteuning zoeken uit de Sovjet-Unie. En die laatsten registreren verontrust de westerse voorbereidingen voor ‘regime change’. Lüders vat de Britse, pas recent publiek geworden plannen samen: “Het [plan] voorzag er in met behulp van terreuraanslagen en het binnensluizen van geld en wapens een opstand van regeringstegenstanders te veroorzaken en vooral ontevreden stammen in het zuiden en oosten van Syrië te mobiliseren.”

Déja-vu

Het plan wordt voortijdig onthuld, de Amerikaanse ambassadeur het land uitgezet en Moskou dreigt met troepenopbouw aan de grens van Bulgarije (dan nog in het Warschaupact) met Turkije. De daaropvolgende consolidatie van een militaire dictatuur aan het hoofd waarvan Hafiz al-Assad zich in 1970 stelt, wordt begrijpelijkerwijs gekenmerkt door paranoia ten aanzien van westerse invloeden die het regime willen destabiliseren. “Voor Damascus is wat vandaag gebeurt een déja-vu.”

Lüders schildert enerzijds duidelijk het rücksichtslose optreden van de dictatuur, maar maakt anderzijds ook duidelijk dat de westerse perceptie, als zou de Syrische ‘oppositie’ het gehele Syrische volk of zelfs maar een wezenlijk deel van de bevolking vertegenwoordigen, simpelweg onjuist is. In vrije verkiezingen zouden de opstandelingen geen schijn van kans hebben op een overwinning. De manicheïsche indeling in goed en kwaad kan bovendien niet verder van de waarheid verwijderd zijn. De strijders van de oppositie houden in de schermutselingen net zo min rekening met mogelijke burgerslachtoffers als regeringstroepen, zo vat Lüders samen. “Beide zijden zijn vertrouwd met gruweldaden.”

Goede bedoelingen?

Lüders slaagt er weliswaar in te laten zien hoe de westerse interventiepolitiek onder leiding van de VS tot een destabilisatie van de regio geleid heeft. “Gechargeerd gezegd worden de Europeanen in de vluchtelingencrisis geconfronteerd met de brokken van een mislukt Amerikaans interventiebeleid, en betalen ze gewillig de prijs voor de machtsaanspraken van anderen.” Minder overtuigend werkt daarbij echter Lüders eenzijdige interpretatie als zou de ‘blow back’ louter een irrationele fout van dit beleid zijn.

Dat de Europeanen, Duitsland voorop, allang zelf voorwerp van een interventiebeleid zijn geworden, dat tot uitdrukking komt in de massale instroom van Midden-Oosterse en Afrikaanse immigranten, komt bij Lüders kennelijk niet op. Zo beklaagt hij de verdere opkomst van de radicale islam, omdat deze “niet in de laatste plaats een fontein van de jeugd is voor de rechts-populisten in Europa”. Desalniettemin bevat het boek genoeg waarmee ook ‘rechtspopulisten’ hun voordeel kunnen doen in de bestrijding van het schadelijke beleid van de gevestigde partijen.

Posted on

Noriega: van CIA-stroman tot Amerikaans gevangene

Manuel Noriega is niet meer. De ex-dictator van Panama overleed op 29 mei op 83-jarige leeftijd. Vorig jaar ontdekten artsen een hersentumor. In maart werd Noriega geopereerd en in een kunstmatige coma gebracht, waaruit hij niet meer is ontwaakt.

“Voor Saddam Hoessein was er Manuel Noriega”, schrijft The Guardian. De politieke carrière van de Panamese dictator vertoont grote overeenkomsten met die van de Irakese heerser. Alleen hun einde is anders: de een opgehangen, de ander overleden in een bed. Maar beiden genoten lang de steun van de Verenigde Staten. Totdat ze zich tegen hun beschermer keerden, die vervolgens met militaire overmacht een einde aan hun bewind maakte.

Tijdens zijn militaire studie in Peru in de jaren vijftig werkte Noriega al voor de CIA. In 1967 kreeg hij een spionage- en contra-spionage training op de beruchte School of the Americas in Fort Gulick, Panama, en een cursus psychologische oorlogsvoering in Fort Bragg in North-Carolina, de grootste militaire basis van de wereld (en in de jaren tachtig het centrum van waaruit de militaire interventies in Midden-Amerika plaatsvonden). In 1968 pleegde kolonel Omar Torrijos in Panama een militaire coup. Onder zijn bewind maakte Noriega snel carrière. Torrijos kwam in 1981 om het leven bij een mysterieus vliegtuigongeluk. Volgens John Perkins, voormalig NSA-agent en auteur van Confessions of an economic hitman, een actie van de CIA. De geheime dienst zag met lede ogen aan dat Torrijos contact zocht met Japan voor een nieuw te graven kanaal door Panama.

Luitenant-generaal Tom Kelly, plv. chef-staf van het Amerikaanse leger, legt tijdens een persconferentie op 21 december 1989 uit wanneer men het Panamakanaal weer open denkt te kunnen hebben.

Na de dood van Torijos werd Manuel Noriega de facto leider van Panama. In 1983 promoveerde hij zichzelf tot generaal. De machthebbers in Washington en Langley konden de nieuwe leider goed gebruiken. In 1979 verdreven de linkse Sandinista’s de Amerikaanse stroman Somoza, wiens familie vanaf 1927 Nicaragua had geregeerd. De Amerikanen bekeken het nieuwe bewind in Managua met argusogen. Dankzij de decennia oude CIA-contacten van Noriega kon de CIA Panama gebruiken als uitvalsbasis om het linkse regime in Nicaragua te ondermijnen. Lang voor de publicatie van de Panama Papers werd het land al gebruikt als doorvoerhaven voor geld, drugs en militaire goederen voor de Contra’s, die door de Verenigde Staten werden gesteund om het bewind in Managua ten val te brengen.

Noriega valt in ongenade bij Amerikaanse broodheren

Eind jaren tachtig viel Noriega in ongenade bij zijn Amerikaanse broodheren. In de jaren zeventig was de Panamese dictator begonnen met het leggen van contacten met het Colombiaanse Medellín drugskartel. Deze gebruikte Panama om hun drugsgeld wit te wassen. Een federale rechtbank in Florida klaagde de Panamese dictator aan op grond van drugshandel en afpersing. De CIA haalde Noriega van de loonlijst.

Amerikaanse militairen rijden in pantservoertuigen door Panama-stad op 23 december 1989, de vierde dag van de Amerikaanse inval. Bij de aanval kwamen honderden burgers om het leven en werden 15.000 mensen dakloos.

Een serie van incidenten, die uiteindelijk leidde tot de dood van een Amerikaanse soldaat, was de aanleiding voor de regering van George H. Bush om militair in Panama in te grijpen. Op 20 december 1989 vielen Amerikaanse troepen – vooral militairen uit Fort Bragg – het land binnen. Op 3 januari 1990 gaf Noriega, die zich had verscholen in de diplomatieke missie van het Vaticaan, over. Hij werd als krijgsgevangene naar de Verenigde Staten overgebracht. In september 1992 werd hij in Miami veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar (later omgezet tot 30 jaar). De claim van verdediging dat Noriega jarenlang op de loonlijst van de CIA had gestaan, werd als irrelevant afgewezen. Gevangene nummer 38699-079 werd in 2010 uitgeleverd aan Frankrijk, waar hij werd veroordeeld voor witwassen van drugsgeld. In 2011 werd hij op verzoek van de Panamese regering overgebracht naar de El Renacer-gevangenis in Panama.

Oude bekende van Bush

Manuel Noriega op bezoek bij George H.W. Bush

De relatie tussen Noriega en de CIA, en dan specifiek die met directeur George H. Bush, is intrigerend. Noriega had als student al contacten met de Amerikaanse veiligheidsdienst. Tussen 1971 en 1986 leverde hij de CIA informatie over Fidel Castro. In 1976 bezocht hij George Bush in Washington.

De opvolger van Bush als hoofd van de CIA haalde Noriega van de loonlijst, maar toen George H. in 1980 vice-president werd, ontving de Panamese dictator al snel weer een riant salaris van de CIA. De contacten tussen Bush en Noriega stammen al uit een eerdere periode. George Herbert Walker Bush richtte in 1953 Zapata Petroleum in Texas op. Een onderdeel van het bedrijf werd als CIA-front gebruikt. Van hier uit werden contacten gelegd met een zekere Manuel Noriega, drugssmokkelaar en CIA-medewerker.

In 1976 zorgde Bush, als CIA-directeur, ervoor dat de Cubaan Felix Rodriguez buiten schot blijft in het onderzoek naar de moord in Washington op een Chileense, pro-Allende diplomaat. Rodriguez, die claimde Che Guevara te hebben vermoord, was daarvoor ook actief binnen Operatie Phoenix, waarin onder auspiciën van de CIA tonnen heroïne Zuid-Oost Azië binnen werden gesmokkeld om het Noord-Vietnamese bevrijdingsleger te destabiliseren.

Hetzelfde scenario werd in de jaren tachtig uitgevoerd in de oorlog tegen de Sandinisten in Nicaragua: importeren van drugs in ruil tegen wapens om die door te verkopen aan rebellen. Wederom met Rodriguez als spil en vice-president Bush op de achtergrond (twee jaar voordat Oliver North in 1984 de operatie overnam). Generaal Noriega was maar graag bereid zijn oude vrienden te helpen en stelde vliegvelden open voor het transport van drugs en wapens. Saillant detail: Noriega werd gevraagd dit te doen door agenten van de Mossad, de Israëlische veiligheidsdienst, die hem toegang tot het Witte Huis – lees George H.W. Bush – beloofden. Wellicht grootspraak van een dictator in het nauw, maar Noriega claimde dat hij “Bush bij zijn ballen had”. Reden genoeg om in 1989 eens en voor altijd af te rekenen met de onbetrouwbare Panamese leider, die de clandestiene drugsoperaties steeds vaker voor eigen gewin ging gebruiken. Het was Noriega’s oude vriend Bush die hem afzette en gevangen liet nemen.

In het wereldbeeld van de CIA zijn dictators nuttige idioten die braaf hun vuile werk moeten doen. Worden ze ongehoorzaam of gaan ze op eigen houtje zaken regelen, dan is Washington er snel bij om zich van hen te ontdoen. Dat overkwam al vele dictators, zoals Ngo Dinh Diem, Saddam Hoessein of Bashar al-Assad. En dus ook ‘Our man in Panama’, Manuel Noriega.

Posted on

De ondervraging van Saddam Hoessein

Eind maart 2003 zet het Amerikaanse leger in het Midden-Oosten zich in beweging. Vanuit meerdere invalshoeken trekken zij Irak binnen. Het doel is het afzetten van Iraaks dictator Saddam Hoessein die dan al enkele decennia een terreurbeleid voert in zijn land. Daarnaast steunt hij radicale islamisten en heeft hij bijgedragen aan de aanslagen van 11 september. Uit angst dat hij zijn verborgen arsenaal van massavernietigingswapens inzet in toekomstige aanslagen besluit de VS om korte metten te maken met hem. Onderweg naar Bagdad zal het volk in massa de Amerikaanse troepen toejuichen waarna de VS een nieuw Irak zal oprichten. De Iraakse partners hiervoor zijn de Iraakse bannelingen die ondanks hun ballingschap een goed contact hebben kunnen houden met hun land en zo de VS perfect de situatie intern kunnen uitleggen. Saddam zelf vangen zal niet zo makkelijk zijn aangezien hij meerdere dubbelgangers gebruikt. Zo heeft de CIA kunnen vernemen uit meerdere betrouwbare bronnen, wier informatie na een nauwkeurig analyseproces is bevestigd. Met Saddam uit de weg zal gebouwd kunnen worden aan een pluralistisch en democratisch Irak, zonder sectaire of andere verschilpunten.

Realiteit

Zowat alles behalve de eerste twee zinnen van de vorige alinea klopt niet. Desondanks is praktisch alles destijds wel bevestigd door CIA bronnen.  De CIA, toen onder leiding van George Tenet, werkte in een atmosfeer van “Don’t dare to be wrong”. Waarbij wrong wordt bekeken als een mening aanhouden die niet past in het narratief dat de top wenst.  John Nixon is in die periode analist bij de CIA en ten tijde van de Amerikaanse inval in Irak is hij al enkele jaren zich aan het specialiseren in de persoon Saddam Hoessein. Op het moment van de inval is ook hij overtuigd dat Hoessein een verborgen arsenaal massavernietigingswapens heeft. Dit ondanks het feit dat de CIA dit soort dingen verneemt uit dezelfde onbetrouwbare bronnen die Hoessein een zware ziekte toeschrijven wanneer hij in de jaren daarvoor opmerkelijk vermagerd op televisie verschijnt. Later zou blijken dat hij enkel op dieet was. Volgens de CIA was hij, tevens vanwege die zware ziekte, gestopt met roken en rood vlees eten. In latere ondervragingen zal Saddam Hoessein hartelijk lachen om die beweringen. Hij was op dieet gegaan, maar stoppen met rood vlees eten? Daar was geen sprake van. Het stoppen met sigaren roken was nog belachelijker, hij rookte nog altijd vier sigaren per dag. En een ziekte? Meerdere mensen uit de inner circle rond hem zouden later zeggen dat hij voor zijn leeftijd (achter in de zestig) nog enorm fit was. Sterker nog: hij gaf jongere mannen vaak het nakijken.

Het zijn maar enkele dingen die John Nixon bijleert wanneer hij na de gevangenneming van Saddam Hoessein de man zelf moet ondervragen over zijn beleid. De ondervragingen zelf worden amper tot niet voorbereid aangezien hogerhand constant andere beslissingen neemt over wie hem zal ondervragen. In het begin krijgt hij te horen dat hij een week krijgt, daarna neemt de FBI het over. Na een week blijkt dit toch niet zo te zijn. Langzaam dringt het tot hem door dat de VS eigenlijk geen plan hadden voor na de inval in Irak. Men meende dat de Ba’ath-partij uit de macht ontzetten in volledigheid, zoals het ontslaan van het volledige Iraakse leger en de politiemacht, zou leiden tot een stabiel Irak. Vanuit de groene zone kon Nixon echter de explosies horen van het verzet tegen de Amerikaanse troepen. Saddam merkte er over op dat de Amerikanen geen idee hadden van hoe Irak werkt en verbaasde zich erover hoe weinig ze ook wisten van het gebied. Wanneer Nixon met Hoessein wilt spreken over de gebeurtenissen van de laatste honderd jaar in Irak wuift hij dat lachend weg. De laatste duizend jaar lijken hem veel meer relevant. En nog nuttiger zou het zijn als ze het zouden hebben over enkele millennia terug. Het is een feit dat Amerikanen dit verwijt wel eens vaker krijgen. Zo was er enkele jaren terug een Iraans diplomaat die tegen een Amerikaanse vertegenwoordiger zei dat de Amerikanen hun land op en al 300 jaar oud is. De Iraniërs zijn er echter al millennia, wat weten die Amerikanen nu van denken op lange termijn. Laat staan van verhoudingen die millennia oud zijn?

Saddam

Terug naar Saddam Hoessein. Wanneer Nixon hem voor het eerst ontmoet, verwacht hij een oude, gebroken man. Het tegendeel blijkt. Saddam wordt de kamer binnengebracht, stapt op zijn ondervragers toe en schudt hen flink de hand. Zijn natuurlijke charisma en kamer vullende aanwezigheid vallen direct op. De verrassingen stapelen zich de weken daarna op. Zo bleek dat Saddam Hoessein zich al enkele jaren nog amper bezighield met regeren en besturen. Hij had zich toegelegd op het schrijven en had kort voor de inval nog een manuscript gestuurd naar Tariq Aziz voor correctie en commentaren. Dat hij geen schrijfgerei kreeg (hij zou immers zelfmoord kunnen plegen met een pen…), ervoer hij als een marteling.

Nixon ging in op het beleid dat hij had gevoerd. Was hij een tiran geweest? Nee, een dictator wel zo bleek. Saddam Hoessein bleek geen totalitair systeem te hebben geleid, maar wel een sterk autoritair systeem. Wel was het zo dat er vaak actoren waren in Irak die handelden zonder zijn medeweten, maar die hij later wel moest goedkeuren om verdere problemen te vermijden. Tot de verbazing van Nixon bleek Hoessein niets dan goeds te zeggen te hebben over de Koerden. Zijn problemen waren met de extreemlinkse terroristen van de PKK e.d., maar niet met de Koerden als zodanig. De gifgasaanval op Halabja beweerde hij pas ontdekt te hebben na de feiten. Men zou kunnen denken dat Hoessein verantwoordelijkheid van zich afschuift, maar op andere momenten heeft hij geen probleem toe te geven dat hij een harde aanpak goedkeurde en leidde. Er valt effectief wel iets voor te zeggen. In de periode na de Iraaks-Iraanse oorlog, waar de VS beide kanten bleek te steunen tot algemene verbijstering in Bagdad, lag Irak in puin. Iran steunde Koerdische milities die tegen Bagdad streden en Saddam Hoessein had, vanuit eerdere ervaringen in het verleden, ervoor gekozen om kort en krachtig voorbeelden te stellen. De gifgasaanval in Halabja zou echter het persoonlijke initiatief zijn geweest van Ali Hassan al-Majid (“Ali Chemicali”). Waarbij Saddam Hoessein volhield dat er inderdaad burgers zijn gestorven, maar dat de meerderheid gewapende strijders waren.

Waar die massavernietigingswapens nu waren? Opgeruimd, zoals door de VN bevolen uiteraard. De VN en VS bleven hameren op het uitleveren van documenten die hun bestaan en locatie moesten aangeven. Wat echter niet bestaat, kan niet worden uitgeleverd. Waarbij Hoessein fijntjes vermeldde dat na de Golfoorlog er algemene chaos heerste in Irak en er veel staatsgebouwen zijn vernietigd door rebellen. Nixon begon dan over het gerucht dat Irak zijn massavernietigingswapens naar Syrië had gebracht. Iets dat Hoessein al helemaal grotesk vond. Voor Assad had hij, net zoals voor koning Abdoellah van Jordanië, enkel minachting. Abdoellah was volgens hem een marionet van de Amerikanen en de zionisten en Assad een zwakkeling. Saddam Hoessein daarentegen was de grootste van alle Arabische heersers, hij moest immers de poort van de Arabische wereld beheersen tegen de Perzen. Hij zal consequent termen gebruiken die verwijzen naar Perzië en niet naar Iran, al is dat hetzelfde. Zijn woordkeuze ligt echter in het verlengde van zijn historisch perspectief. Hoessein zag zichzelf als iemand met een historische missie. Voor hem was Irak de grendel op de deur die een inval van de Perzen moest tegenhouden. En zolang Irak seculier werd geregeerd, met harde hand uiteraard, zou dat ook lukken. De intrede van “de tulband in de politiek” zou de Perzen echter de grendel van de deur doen schuiven. Voor Saddam was het revolutionaire sjiisme van Iran enkel het spiegelbeeld van het wahhabisme, dat hij evenzeer als een bedreiging zag. Hij doet dan ook vaak zijn beklag over hoe mensen het nationalisme opzijleggen voor religieuze conflicten die enkel een externe partij dienen. En ook hier heeft hij een punt. Tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog bestond het Iraakse leger voor het merendeel uit sjiieten die trouw hun plicht vervulden in het Iraakse leger. Voor religie in zijn Ba’ath-partij was Saddam Hoessein echter kleurenblind. Het kon hem niet schelen of iemand soenniet, sjiiet of christen was, men was allemaal Iraki. Al gebruikte hij bij momenten wel de verschillen in zijn eigen voordeel. Zo liet hij Sadiq al-Sadr, een machtige sjiitische ayatollah in Irak, vermoorden door een team onder leiding van een christen. Divide et impera, zo u wilt.

Aanklacht

Zoals u kunt lezen, is het boek niet enkel de ondervraging van Saddam Hoessein. Die later overigens meer gelyncht dan geëxecuteerd zou worden. Het is ook een aanklacht tegen de manier van opereren van de CIA, iets dat we in de jaren na de oorlog tegen Irak ook hebben mogen zien. Het  steunen van vermeende gematigde rebellen in Syrië, die later kinderen blijken te onthoofden. Het krampachtig vasthouden aan dat beleid omdat men niet wil of kan toegeven een fout gemaakt te hebben. Ronduit het durven om de nederlaag van islamisten te bestempelen als een humanitaire catastrofe. Beschuldigingen aan de Russen in zo’n mate dat het wel lijkt of Poetin met het knippen van zijn vingers even de Amerikaanse verkiezingen kan manipuleren. De CIA is een ranzig instituut geworden, een rotte plek in de Amerikaanse instellingen. Een reputatie die de CIA ook al redelijk snel na haar ontstaan heeft gekregen en die enkel bevestigd is in de jaren daarna. Nixon illustreert dit in de latere hoofdstukken ook nog met enkele voorbeelden en haalt zo hard uit naar de sfeer die er leeft bij de top van de CIA en het algemene gebrek aan kennis in alle regionen. Om één voorbeeld te noemen: nergens in de CIA was er ergens rekening gehouden met het feit dat als Saddam Hoessein verdreven werd, Iran zich actief zou gaan mengen in de Iraakse politiek. Sterker nog: de Amerikanen wisten hoegenaamd niets over de rol van de sjiitische islam in Irak.

Het is te hopen dat Trump de bezem door de CIA haalt. Al lijkt de rot ondertussen zodanig verspreid dat het misschien beter is de dienst op te doeken en opnieuw te beginnen.

Nawoord

Overigens nog interessant. John Nixon was verplicht het boek voor te leggen aan de afdeling censuur van de CIA. Het resultaat is dat soms halve pagina’s vervangen zijn door lange zwarte censuurbalken, waarbij het duidelijk is dat het heus niet enkel ging om namen of locaties.  De meest zwaar gecensureerde stukken staan tussen alinea’s over het einde van Saddam Hoessein zijn zonen (omgekomen in een vuurgevecht met Amerikaanse troepen) en over de Ba’ath-partij van Syrië. Dat op zich is al interessant.

N.a.v. John Nixon, Debriefing the President. The Interrogation of Saddam Hussein (Bantam Press: Ealing, 2016), hardcover, 256 pagina’s.

Posted on

Hoe Bill en Hillary Clinton hun politieke posities financieel uitmelken

In januari 2001 verliet Bill Clinton het Witte huis na zijn tweede ambtstermijn als Amerikaans president. Voor de buitenwereld een joviale, welbespraakte en charismatische man die links en rechts wel een bijverdienste er op nahield. Zijn vrouw, Hillary Rodham Clinton, werd bekeken als een sterke en onafhankelijke vrouw, die echter wel bij haar man bleef en hem zijn affaires vergaf.

Degenen die in de periode van de presidentiële termijn van Bill Clinton ook regelmatig in het Witte Huis vertoefden, vertellen echter een ander verhaal. Hillary Clinton komt over als een paranoïde machtswellusteling, Bill als een paranoïde polygamist. Zo lieten zij een nieuw telefooncircuit aanleggen zodat personeel eventueel niet zou kunnen meeluisteren via andere toestellen. Wanneer personeel de kamer betrad, maakten zij zich vlug uit de voeten of viel er snel een doodse stilte. Agenten van de staatsveiligheid werden met evenveel argwaan bekeken. Na het uitbreken van de affaire Lewinsky werd de paranoia nog erger en werd elk personeelslid of elke agent een potentiëel lek. Dingen die u trouwens niet in Clinton Cash zult lezen, maar in The Residence. Het boek is een verzameling van interviews die de schrijfster, Kate Andersen Brower, had met voormalige personeelsleden van het Witte Huis. Het boek geeft via korte anekdotes, aangezien de overgrote meerderheid van personeelsleden zich aan een morele zwijgplicht houdt, een inzicht in de mentaliteit van de Clintons.

The residenceEigenlijk waren zij parvenu’s. Idealistische progressievelingen die zich naar de top hebben kunnen knokken door Bill (echte naam: William) Clintons charisma en Hillary’s meedogenloos achter-de-schermen aansturen van haar man. Wanneer zij, tegen de verwachtingen in, het Witte Huis betreden, komen zij in een wereld terecht die voor hen vreemd is. In tegenstelling tot de Bush-dynastie zijn zij geen personeel gewend (George Bush senior was veruit de meest geliefde president onder het personeel) en ook geen echte grote macht. Clinton was gouverneur van Arkansas geweest, niet direct de meest bekende of flitsende Amerikaanse staat. Vanuit die functie zorgde hij voor lucratieve banden voor het advocatenkantoor waar Hilary voor werkte waardoor ze zich toen reeds aan de vetpotten van de macht laven konden. Waarmee we van The Residence zijn aangekomen bij het eigenlijke onderwerp: Clinton Cash, uit de pen van Peter Schweizer.

Peter Schweizer

De schrijver van het boek Clinton Cash is te situeren aan de rechterkant van het Amerikaanse politieke spectrum. Waarmee niet gezegd is dat hij zich enkel richt op de Democratische Partij (DNC) hondstrouw is aan de Republikeinse Partij (GOP: Grand Old Party) en corruptie daar met de mantel der liefde bedekt. Zo werd zijn onderzoekswerk naar corruptie gebruikt voor de documentaire Insiders:  the road to the STOCK act, waarin de onethische beursactiviteiten van politici werden aangeklaagd. Door voorkennis, verkregen door deelname aan gesloten commissies, konden zij bepaalde beursbewegingen voorspellen en daarop speculeren. Benoemingen tot die commissies konden gebeuren door betalingen aan machtige figuren binnen zowel de DNC als de GOP. Op basis daarvan zijn snelle politieke hervormingen gebeurd die, in theorie, dit onmogelijk zou moeten maken.

Op dit moment is Peter Schweizer een schrijver voor Breitbart News en voorzitter van het Goverment Accountability Institute (GAI). Daarvoor heeft hij geadviseerd in het schrijven van toespraken voor George W. Bush en diende hij als adviseur voor Sarah Palin tijdens haar kort bestaan als potentiële vice-presidente.

The Clinton Foundation

De Clinton Foundation werd in 2001 opgericht, kort na het vertrek van Bill Clinton uit het Witte Huis. Hillary Clinton schreef over die periode dat ze platzak waren. Al is dat een grove overdrijving, we mogen de kosten van het verblijf van het Witte Huis niet onderschatten. In tegenstelling tot de Europese vetpotten die klaar staan voor de top van het establishment, is dit in de Verenigde Staten veel minder het geval. Zo betalen presidenten en hun gezin zelf voor de maaltijden die zij nuttigen en de boodschappen die gedaan dienen te worden. Voor een lid van de Bush-dynastie is dit geen probleem, voor twee parvenu’s met dochter uit Arkansas zal het toch krapper zijn geweest. De Clinton Foundation was in het begin opgebouwd rond de persoon Bill Clinton die door het geven van lezingen geld zou inzamelen voor de Clinton Foundation. Die zou op haar beurt dit dan schenken aan goede doelen. In de praktijk waren die goede doelen Bill en Hillary Clinton.

Het boek “Clinton Cash” zegt niet luid en duidelijk dat de Clinton Foundation een middel tot corruptie was, maar duidt op verdachte overeenkomsten en gedragingen van donoren. Net als Peter Schweizers onderzoek naar onethische beursactiviteiten zegt het niet duidelijk “Er is een misdaad begaan”, maar legt het patronen bloot. Dit doet het door zich te richten op 7 punten, naast de bedenkingen die Obama zelf al had bij zijn aantreden als president. Beginnen doen we echter met de oprichting van de Clinton Foundation zelf.

De oprichting van de Clinton Foundation

In juni 1999, anderhalf jaar voor het einde van zijn presidentstermijn, zat Bill Clinton samen met zijn chief fundraiser en veertig CEO’s in La Grenouille (Manhattan). Hier gaf Bill Clinton zijn visie op de op te richten Clinton Foundation waarbij Hillary een belangrijke rol zou spelen. Volgens de New York Times als volgt te omschrijven: “an important role in shaping both the foundation’s organization and the scope of its work”. Karen Tramontano, eerste personeelschef van de Clinton Foundation, merkte snel dat de Clinton Foundation de facto rond Hillary zou draaien met Bill als uithangbord. Nog voor de officiële oprichting was er achter al controverse rond machtige zakenmensen en Bill Clintons daden als president in zijn laatste maanden.

In september 1999 gaf Clinton opdracht aan zijn regering om reguleringen van bier, wijn en sterke drank niet door te voeren. Deze reguleringen waren erop gericht om minderjarigen van de fles te houden. Desondanks annuleerde Clinton deze. Een maand later stortte Anheuser-Busch Companies (een drankconcern) de eerste van vijf betalingen van in totaal USD 1.000.000 voor de bouw van de William J. Clinton Presidential Library and Museum. In augustus 1999 liet het ministerie van justitie weten dat William A. Brandt Jr., een bankroete advocaat en fundraiser voor Clinton die verdacht werd van meewerken aan corruptie, vrij van vervolging zou worden verklaard. Drie maanden eerder zorgde hij voor een bijdrage van USD 1.000.000 aan de Clinton Library. Tevens in 1999 keurde Clinton een verandering aan Medicare (onderdeel van de Amerikaanse sociale zekerheid) aan. Hierbij zouden betaalde hospitaalkosten toch mee vergoed worden. Het kwam goed uit voor dr. Richard Machado Gonzalez en diens advocaat Miguel Lausell. Die eerste was eigenaar van een privaat ziekenhuis dat goed zou boeren bij het doorvoeren hiervan. Acht maanden voor deze wijziging stortte advocaat Lausell USD 1.000.000 voor de Clinton Library. Twee maanden voor de wijziging stortte dr. Machado USD 1.000.000.

Kers op de taart was echter Marc Rich. Een zakenman in olie en kredietverstrekker die gezocht werd voor een waslijst aan feiten en de VS ontvlucht was. Zijn zakelijke belangen omvatten o.a. Fidel Castro, Muammar Khadaffi en ayatollah Khomeini. Zo had Rich olie verhandeld met Iran toen dat verboden was. Meer dan USD 48 miljoen aan belastingen was hij de Amerikaanse staat verschuldigd en hij werd geconfronteerd met de mogelijkheid van 325 jaar gevangenis. Hij stond dan ook op de Most Wanted List van de FBI. Op zijn laatste dag als president verleende Bill Clinton de man echter gratie. Dit vond plaats kort nadat de ex-vrouw van Mar Rich USD 100.000 aan de campagne voor de verkiezing van Hilary tot senator in 2000 had gestort, USD 450.000 aan de Clinton Library en USD 1.000.000 aan de DNC. Na zijn presidentschap zou Bill Clinton met de Clinton Foundation echter pas echt beginnen met het bijeen harken van geld. Tussen 2001 en 2012 bracht hij voor de Clinton Foundation USD 105,5 miljoen binnen aan lezingen en verzorgde hij honderden miljoenen dollars aan donaties voor de Clinton Foundation.

CEO van de Clinton Foundation was in het begin Bruce Lindsey die daarvoor belangrijke functies bekleedde in het Witte Huis onder Clinton. Een ander belangrijk bestuurslid doorheen de jaren was onder andere Doug Band. Hij is een professor aan de New York University en bestuurslid bij Coca-Cola. Voor hij zich bezighield met de Clinton Foundation hielp hij meerdere staatshoofden wereldwijd de overgang weer te maken van het politieke naar het private leven. Hij zou dit netwerk omzetten voor de Clinton Foundation naar het Clinton Global Intiative dat tegelijkertijd met VN-bijeenkomsten plaatsvindt. Hier zijn reeds meer dan 150 staatshoofden, 20 Nobelprijswinnaars en honderden voorname CEO’s samengekomen onder deze paraplu. Bilderberg lijkt er haast een dwerg bij. Doug Band is echter ook belangrijk vanwege zijn functie als onderhandelaar met Obama.

Toen Barack Obama president werd was hij goed op de hoogte van de mogelijke controverse rond de Clinton Foundation. Voordat hij Hillary tot Secretary of State (minister van buitenlandse zaken) wou benoemen, werd er onderhandeld over een MOU (Memorandum of Understanding). Daarvoor had senator John Kerry reeds gezegd dat er het gevaar was dat buitenlandse overheden en andere entiteiten zouden kunnen denken dat zij beslissingen van Hillary Clinton als Secretary of State kunnen beïnvloeden via de Clinton Foundation. Obama zag dit ook goed in en eiste daarom een MOU. Hierin eiste hij transparantie met betrekking tot de Clinton Foundation. Bill en Hillary Clinton moesten elke lezing die zij zouden geven eerst ethisch laten doorlichten voor zij enige betaling zouden aanvaarden. Ook de donoren aan de Clinton Foundation moesten bekend gemaakt worden. Zij hielden zich hier af en toe aan. Zo vermeldde de Clinton Foundation geen schenking van USD 500.000 van de Algerijnse overheid, zogezegd voor steun na de aardbeving in Haïti. Deze schenking vond plaats in 2010 en werd pas bekend gemaakt in 2015. Tevens moest de Clinton Foundation stoppen met het aannemen van donaties van buitenlandse donoren (private personen of overheden). Wat geen groot succes was, gezien de persoon van Gulnora Karimova.

Gulnora is de oudste dochter van de president van Oezbekistan. Haar vader wordt omringd met verhalen dat hij zijn politieke tegenstanders zou hebben laten koken. Desondanks is het niet haar vader, maar zij die de eerste plaats bezit als meest gehate persoon in het land. Zij wou een mode- en juwelenketen voet aan de grond doen krijgen in Europa en Amerika. Volgens een diplomatiek bericht, gelekt via Wikileaks, wou zij dit doen door een goede relatie op te bouwen met Bill Clinton. Hoe deed zij dit? Zij zorgde voor een fundraiser in Monaco voor de Clinton Foundation, poseerde daar met Bill Clinton en al snel stond zij bekend als een vriend van Bill Clinton. Of zij hier effectief iets mee gedaan zou krijgen is onbekend aangezien zij in 2013 door haar vader onder huisarrest werd geplaatst. Zij toonde echter wel wat meerdere niet-Amerikaanse oligarchen en andere belanghebbenden wisten: de Clinton Foundation is een weg naar de gunst van de Clintons. Men kan dat naïef noemen in het beste geval, maar dat is geen adjectief dat door tegenstanders of bondgenoten voor de Clintons wordt gebruikt…

Amerikaans uranium voor de Russen

De schrijver gaat in op enkele opvallende patronen waarbij donaties en beslissingen van Hillary Clinton samenvallen. Ook merkt de schrijver op dat Bill Clinton steeds grotere vergoedingen krijgt naargelang de beslissingen die Hillary kan nemen groter worden. Het zou teveel tijd kosten, en niet passen in een boekbespreking, om heel het boek hier samen te vatten. Toch is het interessant om dieper in te gaan op één specifiek punt, gezien de Amerikaanse hysterie over het land de laatste tijd: de Russen.

In 2008, terwijl Hilary Clinton een eerste poging deed om de presidentskandidate te worden van de DNC, verweet ze Poetin geen ziel te hebben. Waarop Poetin reageerde dat een staatshoofd toch op z’n minst een hoofd zou moeten hebben. Presidente werd ze niet, maar haar baan als Secretary of State vanaf januari 2009 hield toch regelmatige contacten in met die zielloze Poetin. In 2005 was Bill Clinton reeds naar Kazachstan gereisd. Zogezegd om te spreken over de rol van de Clinton Foundation in de strijd tegen AIDS. In zijn kielzog was echter Canadees zakenman Frank Giustra meegereisd. Al is kielzog weinig gezegd aangezien Bill Clinton en Frank Giustra samen naar Kazachstan vlogen in een vliegtuig van Giustra. In 2006 zou Giustra tegen de New Yorker dan ook duidelijk zeggen: “All of my chips, almost, are on Bill Clinton. He’s a brand, a worldwide brand, and he can do things and ask for things that no one else can”. Reeds in 1987 hadden de twee gemeenschappelijke belangen. Beiden waren verbonden aan mijnbouwondernemer Jean-Raymond Boulle. Clinton stond toe aan Boulle om een diamantmijn te openen in een staatspark en zorgde ervoor dat dit openging in 1987. Deze contacten waren geregeld via tussenpersoon Jim Blair, die later Hillary zou helpen om USD 1.000 aan beursproducten om te zetten in  USD 100.000. Ook Giustra was als mijnondernemer hieraan verbonden.

Na Bill Clintons bezoek aan Kazachstan, waar hij de president prees voor zijn inzet voor mensenrechten, ondanks zijn zeer autoritair regime, werd een bedrijf van Giustra gekozen om concessies met betrekking tot mijnbouw van uranium, uit te baten. Dit bedrijf was UrAsia Energy en had niet de minste ervaring in deze sector. Desondanks slaagde die erin om bedrijven met véél meer ervaring opzij te duwen. Deze concessies werden vervolgen overgegeven aan offshore constructies waar Giustra later van zou zeggen dat hij zelf niet wist wie eigenlijk de concessies in handen had. Uiteindelijk zou een bedrijf met de naam Uranium One een controlerend aantal aandelen van UrAsia Energy opkopen. Dit zou de basis vormen voor een opmerkelijk besluit van Hillary Clinton als Secretary of State.

Hillary Clinton pleitte als Secretary of State voor een “reset” van de Amerikaans-Russische relaties. Moskou was tevreden met de keuze voor Clinton als Secretary of State. Zij zagen haar als iemand die een evenwichtige visie bood op de Amerikaanse relaties met Rusland. Op hetzelfde moment hadden de Russen plannen om hun aandeel op de wereldmarkt voor kernenergie uit te breiden. Zo wilden zij vanaf 2006 USD 10 miljard uitgeven om de Russische jaarlijkse uraniumproductie op te drijven met 600%. Poetin, destijds afgestudeerd met een studie naar energiebevoorrading als geopolitiek wapen, noemde dit één van zijn prioriteiten. Alles wat betrekking heeft tot kernenergie in Rusland is in handen van Rosatom (het Russische staatsagenschap voor nucleaire energie). Zij zijn ook actief in Noord-Korea, Iran, Venezuela en Myanmar. Een staatsagentschap dat duidelijk past in Poetins geopolitieke visie op energiebevoorrading. In juni 2009 kocht Rosatom 17% van Uranium One. Op dat moment produceerde Uranium One bijna 3 ton uranium per jaar. Uranium One breidde ook sterk uit in de VS. In 2010 had het 61 lopende of geplande projecten in Wyoming. Daarnaast bezat het ook concessies in Utah, Texas en South Dakota. Tegen 2015 werd verwacht dat Uranium One de helft van de Amerikaanse uraniumproductie in handen zou hebben. Wat goed paste in de plannen van Rosatom dat erop mikte om zoveel mogelijk buitenlandse uraniumreserves in handen te krijgen. Waarbij het Kremlin voor het nodige geld zou zorgen.

Eind 2009 was Hillary Clinton verwikkeld in onderhandelingen met Rusland over het toestaan van commerciële handelingen tussen Amerikaanse en Russische bedrijven m.b.t. nucleaire projecten (waaronder de productie van uranium). In mei 2010 werd een regeringsvoorstel aangenomen in het Amerikaanse congres dat commerciële handelingen m.b.t. nucleaire projecten met Russische bedrijven werden toegestaan. Enkele weken later kondigde Rosatom aan dat zij 52% van Uranium One zouden kopen, waardoor zij uiteindelijk de helft van de Amerikaanse uraniumproductie in handen van het Kremlin kregen.

Een slimme zet van de Russen die niet verwacht werd door Washington? Enkele transacties doen anders vermoeden. Bestuursraadvoorzitter van Uranium One Ian Telfer was een donor van de Clinton Foundation en vanaf 2009 zorgde hij via een Canadees bedrijf voor een instroom van USD 2,35 miljoen naar de Clinton Foundation. Dit deed hij door meerdere donaties aan het Clinton Giustra Sustainable Growth Intitiave (een samenwerking tussen Bill Clinton en, jawel, Frank Giustra) dat op zijn beurt alles doorstortte naar de Clinton Foundation. Deze donaties werden niet meegedeeld door de Clinton Foundation, ondanks het MOU met president Obama. Uranium One nam ook twee financiële adviseurs onder de arm, Robert Disbrow en Paul Reynolds. Ook zei doneerden miljoenen aan de Clinton Foundation. Een belangrijke aandeelhouder van Uranium One was US Global Investor Funds wiens CEO Frank Holmes was. Frank Holmes was, u raadt het al, een donor van de Clinton Foundation en tevens adviseur m.b.t. grondstoffenhandel in ontwikkelingslanden. Endeavour Financial, een bedrijf van Giustra, begleide deze overname. CEO van Endeavour Financial was Eric Nonancs. Nonancs was senior adviser bij de Clinton Foundation en had daarvoor als buitenlandexpert gediend onder Bill Clinton.

De overname werd goedgekeurd door het Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS) op 22 oktober 2010. Had Hillary Clinton vanuit haar functie bezwaar aangetekend, was dit op het bureau van de president beland en waarschijnlijk afgevoerd. Kort hierna kreeg een klein Canadees bedrijf, Salida Capital, een anonieme donatie van USD 3,3 miljoen voor goede doelen. USD 780.220 hiervan ging in 2010 naar de Clinton Foundation. In totaal zou tussen 2010 en 2012 Salida Capital USD 2,6 miljoen naar de Clinton Foundation sturen. Op 21 mei 2010 sprak Bill Clinton ook voor Salida Capital in Canada en kreeg in ruil een vorstelijke vergoeding. Waarom is dit belangrijk? Omdat Salida Capital verschijnt in een jaarverslag van Rosatom als een dochterbedrijf van dit Russische staatsbedrijf. Ook kort na het goedkeuren van de overname werd Bill Clinton uitgenodigd om in Moskou te komen spreken. Vergoeding; USD 500.000 betaald door organisator RenCap (Renaissance Capital). RenCap heeft zijn zetel in Cyprus en staat bekend als een mantelorganisatie van de Russische FSB. Uitvoerend directeur van RenCap is Yuri Kobaladze, met 32 jaar ervaring in KGB en SVR. Morgen een zielloos man, vandaag goed om zaken mee te doen.

Conclusie

clinton-cash-coverHet boek geeft een uitgebreid overzicht van enkele stinkende potjes van de Clinton Foundation. Men mag nooit vergeten dat het uit Amerikaans perspectief geschreven is. De deal met Rusland, die ik hierboven heb uitgelicht, is daar een deal met een aartsvijand. Daarnaast heeft men nog deals die Afrikaanse warlords ten goede komen, het ondersteunen van de Indiase kernwapenlobby, gesjoemel met centen bestemd voor het herbouwen van Haïti, etc… Zodra Hillary Clinton beslissingen kan nemen, verschijnen grote bedragen voor lezingen van Bill Clinton of grote spontane donaties direct aan de Clinton Foundation. De auteur is eerlijk en slim genoeg om er meerdere malen op te wijzen dat hij geen directe bewijzen aanreikt. Hij duidt echter wel op patronen die een verdachte correlatie tonen tussen donaties en belangrijke beslissingen door Hilary genomen.

Men kan sommige dingen toeval noemen of een naïef vertrouwen van Hillary Clinton dat de Russen opeens vanuit een filantropische visie aan geopolitiek gaan doen. Naïviteit is echter geen rode lijn die men doorheen haar leven kan trekken. Telkens zijn er steeds toevalligheden die allen samen een andere rode lijn aanwijzen: een cynische drang naar het vergroten van macht. Een progressief gedreven vrouw die macht wou verwerven om zichzelf te bewijzen en om haar progressieve agenda uit te voeren. Doorheen de jaren is dit gemuteerd naar het gebruiken van een progressieve agenda om macht te verwerven.

Wie dit cynische manipulatieve gedrag van Clinton wil zien, hoeft enkel maar te kijken naar haar keuze voor running mate. Tim Kaine was voorzitter van de DNC van 2009 tot 2011. Hij gaf deze functie op nadat hij, niet met volle zin, had besloten campagne te voeren voor het ambt van senator. Het leek alsof hij plotseling een stap opzij deed waarbij men zich kon afvragen welke prijs hij hiervoor had gevraagd. In zijn functie als voorzitter van de DNC werd hij opgevolgd door Debbie Wasserman Schultz. Daarvoor was zij één van de topfiguren in de campagne van 2008 van Hillary Clinton om presidentskandidate te worden. Debbie Wasserman Schultz werd tot aftreden gedwongen in 2016 en direct opgenomen in de campagne van Hilary Clinton. In 2016 werd het ook duidelijk voor welke prijs Tim Kaine was afgetreden als voorzitter van de DNC. Op 27 juli 2016 werd hij gekozen tot kandidaat vice-president voor Hillary Clinton.

En zo doet Hillary Clinton denken aan de serie House of Cards. U mag het passende Frank Underwood-citaat zelf kiezen: “When money is coming your way, you don’t ask questions.”, “For those of us climbing to the top of the food chain, there can be no mercy. There is but one rule: hunt or be hunted”, “Don’t let a little dirt stop you”. Of gezien de situatie is misschien Claire Underwood beter gepast: “Am I really the sort of enemy you want to make?