Posted on

Toeloop conservatieven binnen CDU na toetreding Hans-Georg Maaßen tot WerteUnion

Dat de voormalige directeur van de Duitse binnenlandse veiligheidsdienst Bundesverfassungsschutz Hans-Georg Maaßen en de bekende politicoloog Werner Patzelt lid zijn geworden van de WerteUnion, bezorgt CDU-partijleider Annegret Kramp-Karrenbauer slapeloze nachten. Sinds hun toetreden wint de pressiegroep, die CDU en CSU weer op een conservatieve koers wil brengen, binnen de partij snel aan leden en invloed.

Maaßen geldt als gedecideerd criticus van Angela Merkels immigratiebeleid. Eerder sloeg hij een aanbod om over te stappen naar de AfD af. Patzelt werd door de mainstream bekritiseert omdat hij als wetenschapper enkele keren op verzoek een rapport (een zogeheten Gutachten) had geschreven voor de AfD. Daarnaast sprak de politicoloog ook een paar keer op een AfD-congres.

De voorzitter van de Werte-Union, Alexander Mitsch stelde dat de toetreding van “twee zulke gerenommeerde conservatieve CDU-leden” tot de WerteUnion laat zien dat deze organisatie zich “ondanks alle weerstand” gevestigd heeft binnen de CDU en CSU.

Conservatief profiel

Terwijl de SPD zich weer links probeert te profileren, zou de CDU weer aantrekkelijker kunnen worden voor de kiezers door de voorstellen van de conservatieven binnen de partij serieus te nemen. Inmiddels is de Werte-Union met zo’n tweeduizend leden ruimschoots groot genoeg om zich om te vormen tot een zogenaamde basisbeweging binnen CDU/CSU, die zelf over het benodigde quorum van 500 leden beschikt om op partijcongressen voorstellen te kunnen doen. De WerteUnion zou bijvoorbeeld kunnen voorkomen dat er in de toekomst een coalitie met de Groenen gevormd wordt, zoals Kramp-Karrenbauer lijkt te willen. De WerteUnion zou het liefst centrumrechtse coalities met de FDP zien, zoals ten tijde van Helmut Kohl.

Factor om mee te rekenen

Met zo’n tweeduizend leden is de Werte-Union, in een tijd dat CDU en CSU massaal leden verloren hebben, uitgegroeid tot een factor die de partijleiding niet meer kan negeren. De door Merkel veroorzaakte immigratiechaos vanaf 2015 was voor Mitsch en anderen binnen de CDU een keerpunt. Ooit was hij “vanwege Helmut Kohls pleidooi voor een ‘geistig-moralische Wende'” lid geworden van de CDU. In de herfst van 2015 richtte hij met gelijkgestemden de groep ‘Adenauers Erben’ op, die in maart 2017 omgevormd werd tot de Werte-Union. In een ‘Conservatief Manifest’ riep de groep in april 2018 tot een fundamentele programmatische ommekeer op.

Ingrijpende veranderingen nodig

De lijst met punten waarop het beleid van CDU en CSU moet veranderen is lang. Het reikt van inperking van de immigratie tot belastingverlagingen, kapitaal-gedekte pensioenen, een offensief gezinsbeleid, meer realisme in het klimaat- en energiedebat tot inperking van het aantal periodes dat iemand bondskanselier kan zijn. Met partijleider Merkel, die iedere dialoog met critici weigert, was een nieuwe, conservatievere koers niet haalbaar. Nu Merkel geen partijleider meer is, benadrukt de WerteUnion echter dat de CDU sowieso niet meer vanuit het Kanzleramt gestuurd mag worden. De Unie van CDU en CSU moet volgens Mitsch “na jaren van opschuiven naar links onder Angela Merkel weer een duidelijk conservatief profiel krijgen”.

Prominenten

Waar het de conservatieven binnen CDU/CSU vooralsnog echter vrijwel aan ontbreekt, zijn gelijkgestemden op sleutelposities in Berlijn. De toetreding van de prominenten Maaßen en Patzelt zijn echter een plus voor het imago van de WerteUnion. Dit heeft dan ook een stroom nieuwe leden opgeleverd. Voor CDU-leider Annegret Kramp-Karrenbauer kon dit wel eens gevaarlijk worden. Ze kan de conservatieven binnen haar partij niet meer zonder risico negeren.

Posted on

Een stabiele Duitse regering, moet je dat wel willen?

Wordt het wat met de nieuwe grote coalitie in Duitsland? Dat weten we nog niet, na het ‘Jamaica’-fiasco is iedereen immers heel voorzichtig geworden. Eerst liepen er nu maar eens interne besprekingen binnen de partijen over de vraag of men aan pre-sonderingen mee zou doen, waarin voorgesondeerd wordt of men tot sonderingen bereid is, zo heet het in de media. Als dat goed gaat, gaan CDU/CSU en SPD dus tot sonderingsgesprekkken over, waarin gesondeerd moet worden of men tot onderhandelingen wil overgaan. Als ook dat lukt, beginnen de onderhandelingen over de vraag of men een coalitie wil vormen. En als die onderhandelingen klaar zijn, is er nog de partijbasis, die tenminste in het geval van de SPD ook nog om goedkeuring gevraagd wil worden.

Als alles goed is, betreedt dan op enig moment de Paashaas het toneel om zijn ei te leggen: het coalitieakkoord. Kan ook zijn dat het lieve dier veel te laat komt, met Pinksteren of zo. Maakt allemaal niet uit: Hoofdzaak is dat er uiteindelijk in Berlijn weer een “stabiele regering” zit, waarop per slot van rekening niet alleen Duitsland, maar heel Europa, wat zeg ik, de hele wereld handenwringend wacht.

Wat Duitsland aangaat, moet men zich toch enigszins verwonderen over het verlangen naar een “stabiele regering”. Wie de feiten in ogenschouw neemt, moet voor een regering met een al te comfortabele parlementaire meerderheid eerder vrezen dan er op hopen. Zo “stabiel” als in de afgelopen vier jaar was de regering van de Bondsrepubliek nog nooit. De coalitiefracties hadden meer dan drie kwart van de zetels in de Bondsdag. En dat tegenover een oppositie die nauwelijks weerwerk leverde. Als de oppositie eens zijn mond open deed, bijvoorbeeld in de asielkwestie, dan was het om steeds precies hetzelfde te eisen als de regering, maar dan nog gekker: Nog opener grenzen, nog minder “veilige landen van herkomst”, nog meer welkomscultuur.

De staatsbeurs puilde uit als nooit tevoren, de economie liep en de werkloosheid zonk, geen sociale onrust of catastrofes schudden het land op, om kort te gaan: De uitgangspositie voor de grote coalitie in 2013 was zo rond en glad als een babybipsje.

Asielchaos

Zo kan het niet langer, moet Merkel gedacht hebben en stichtte de grootste chaos sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. En dat niet alleen voor het moment, maar – geheel in lijn met de tijdsgeest – “duurzaam”. Want tienduizenden over de door de Duitse regering wagenwijd opengestelde grenzen binnenstromende vluchtelingen en tienduizenden die nog komen in het kader van gezinshereniging zullen de Duitsers nog generaties bezig houden.

Bestaat er soms een samenhang tussen een stabiele regeringsmeerderheid en chaos in het land? De geschiedenis van de Bondsrepubliek zegt ja: Geen kabinet moest het met minder parlementaire steun doen dan het allereerste. Met een meerderheid van één enkele stem beklom Adenauer in 1949 de Bondskanselierszetel. Na vier jaar suisde de uit de verwarde jaren direct na de oorlog gekropen staat door het Wirtschaftswunder naar de wereldtop. De stemming van de burgers van de Bondsrepubliek was vervuld van vreugde over het bereikte en bracht CDU/CSU in de beide volgende verkiezingen in 1953 en 1957 glanzende overwinningen.

Van de komende grote coalitie, als die er komt, hoeven de Duitsers echter geen hoopvolle verwachtingen te hebben. Wat het verwerken van de asielvloed aangaat, heeft ze nu al de zeilen gestreken: De demissionaire minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière biedt uitreisplichtige buitenlanders tot 3000 euro aan, als ze naar hun land terugkeren. Let wel: Daarmee worden uitsluitend mensen aangesproken die noch een geldige reden om te vluchten noch om asiel aan te vragen hebben. Als ze die hadden, zouden ze voor geen geld terugkeren. Het gaat dus om mensen die zich volstrekt illegaal in Duitsland bevinden, die nu een premie moeten krijgen om zich in al hun grootmoedigheid aan het geldende recht te houden, omdat de staat niet in staat of bereid blijkt te zijn om zijn eigen wetten te handhaven. Dat is alsof je iemand een beloning in het vooruitzicht stelt voor het correct parkeren, in plaats van hem te beboeten voor het foutparkeren. Afgelopen januari waarschuwde de minister nog indringend: “Het vertrouwen in de democratische rechtsstaat kalft af!” Ja, hoe zou dat nou komen?

PIGS zien uit naar nieuwe Grote Coalitie

Maar we willen het niet te zwart inzien en een voorbeeld nemen aan het vertrouwen waarmee onze Zuid-Europese vrienden en partners uitzien naar een herhaling van de oude regeringscoalitie. “Europa” is per slot van rekening een van de “grote toekomstthema’s” waarmee Merkel & Schulz de aandacht van de asielellende af proberen te leiden. En er is inderdaad actie nodig in Europa. Zoals een rapport van de Europese Centrale Bank onthult, heeft de Euro niet zijn doel bereikt, namelijk de convergentie van de inkomensverhoudingen tussen de armere zuidelijke lidstaten en het rijkere noorden. Volgens het rapport gaat het de Duitsers daadwerkelijk al een stukje minder goed dan voorheen. Maar helaas is het niet genoeg, want de Italianen en Grieken zijn regelrecht gekelderd, de afstand is sinds de crisis zelfs toegenomen, aldus de auteurs van het rapport die dat “frappant” vinden.

Het medicijn heeft met andere woorden niet gewerkt. En wat doen we als een medicijn niet werkt? We nemen nog meer van dat spul, dat spreekt voor zich. Naast het idee van een Minister van Financiën voor de Eurozone, die Duits, Nederlands, Fins enz. belastinggeld naar andere landen moet sluizen, wordt steeds gelobbyd voor een Europees depositogarantiestelsel. Daarmee worden de reserves van solide Duitse enz. spaarbanken aansprakelijk gemaakt voor Italiaanse of Griekse faalbanken. Dat helpt vooral de regeringen daar, die hun bankroete geldhuizen dan niet meer van het eigen belastinggeld hoeven te “redden”, omdat daarvoor dan de Noord-Europese reserves klaar staan. Dat is niet alleen in het geval van het dreigende omvallen van een bank een uiterst elegante oplossing, maar doet ook al eerder de zon weer aangenaam schijnen op het zuiden: Want met de Duitse enz. zekerheid in de rug kunnen de faalbanken zich weer eens goed in de schulden steken. Bovendien kunnen ook de hongerige regering in Rome, Athene en dergelijke opnieuw veel eenvoudiger geld lenen, wanneer de last van mogelijke bankenreddingen van hun schouders genomen wordt. Voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker bereidt alvast een versoepeling van de schuldenregels voor, zodat dit ook mogelijk wordt.

Een lastige hindernis voor het vrolijk schulden maken op rekening en risico van andere volken heette tot voor kort Jeroen Dijsselbloem. De voormalige voorzitter van de Eurogroep van minister van Financiën had tijdens de Griekse crisis steeds weer aangedrongen op het zich houden aan de regels. Daarom werd hij dan ook hevig gehaat. Maar zoals we eerder deze week leerden, treedt nu de Portugese socialist Mário Centeno aan ter vervanging van Dijsselbloem. Met hem zullen de Grieken ongetwijfeld niet zoveel ergernis beleven als met die knakenpoetser uit Eindhoven, wanneer het gaat om het verdelen van de financiële koek, die vooral door Duitsland, Nederland en Oostenrijk gespekt word.

De ontwikkeling bij de Eurogroep vertoont parallellen met de successie aan het hoofd van de ECB. Daar begon het met de stabiliteitszuchtige Nederlander Wim Duisenberg, die een Europese D-Mark voor ogen stond. Op hem volgde de al duidelijk elastischer Fransman Jean-Claude Trichet en uiteindelijk de Italiaan Mario Draghi, die de zelfbedieningswinkel open gooide.

Op de vraag: “Wanneer is de Europese integratie voltooid?”, dringt zich dan ook steeds sterker het antwoord op: Wanneer we allemaal op het niveau van Sicilië zitten.

Posted on

Helmut Kohl wachtte steeds vasthoudend zijn moment af

Oud-bondskanselier Helmut Kohl is vrijdag op 87-jarige leeftijd overleden. Kohl wordt gezien als een van de meest invloedrijke en meest onderschatte politici uit de geschiedenis van de Bondsrepubliek Duitsland.

De Rooms-Katholieke Kohl werd in 1930 in Ludwigshafen, op de tegenoverliggende Rijnoever van Mannheim, geboren. Hij studeerde rechten, politicologie en geschiedenis en werd actief binnen de Christelijk Democratische Unie (CDU) in zijn deelstaat Rijnland-Palts, waar hij van 1963 tot ’69 fractievoorzitter in de Landdag was en vervolgens zeven jaar deelstaatpremier. Vanuit deze machtsbasis werd hij verkozen om in 1973 Rainer Barzel op te volgen als federaal partijvoorzitter.

Aanhouder wint

Hij werd door de CDU ook genomineerd als kandidaat-bondskanselier. De Beierse Christelijk Sociale Unie (CSU) gaf schoorvoetend toe. Met de nederlaag in de federale parlementsverkiezingen van 1976 leek Kohl voor buitenstaanders over zijn hoogtepunt heen. Hij was echter zo vasthoudend, dat hij in 1980 opnieuw door de CDU genomineerd werd als kandidaat-bondskanselier. Ditmaal werd hij echter gepasseerd, men besloot voor een meer charismatische, maar ook meer controverse oproepende, kandidaat te kiezen, in de persoon van de CSU-politicus Franz-Josef Strauß.

Dit zou echter een slechter resultaat opleveren dan in ’76. Maar Kohl was zo slim om de touwtjes in handen te houden als fractievoorzitter van de CDU/CSU in de Bondsdag. Toen de liberale FDP in de verleiding kwam om van coalitiepartner te wisselen, werd Kohl in ’82 alsnog bondskanselier. Begin ’83 won hij vervolgens een overtuigende verkiezingsoverwinning en in ’87 won hij opnieuw, met een iets kleinere meerderheid.

Geen expert in buitenlandse zaken

De hereniging van de beide Duitslanden en de Europese integratie zijn zaken waar men tegenwoordig als eerste aan denkt bij Kohl, maar hij was allerminst een expert in buitenlandse zaken. Kohl leunde in dezen aanvankelijk sterk op zijn minister van Buitenlandse Zaken, tevens vice-kanselier voor de FDP, Hans-Dietrich Genscher. Genscher zette onder Kohl zijn beleid van verzoening met het Sovjet-blok inclusief de DDR en het beleid van Europese integratie voort.

Helmut Kohl tijdens een ontmoeting van de Europese Raad in België, 1987, vergezeld door minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher (foto: Bundesarchiv)

Kohl werd lang als saai en boers gezien, bij diverse gelegenheden kwetste hij door onhandigheid buitenlandse gevoeligheden. Anders dan zijn voorganger Helmut Schmidt, sprak hij geen Engels. Hij ging steevast in Oostenrijk op vakantie en leek zijn provinciaalse imago haast bewust te cultiveren. Voor 1990 deed Kohl het maar matig in de populariteitspeilingen, hij lag fors achter op Genscher en op zijn rivalen voor het bondskanselierschap in de SPD.

In ’89-’90 kwam echter zijn politieke instinct weer aan de dag, toen hij het nationale sentiment naar de CDU wist toe te trekken. Zo werd hij in 1990 bondskanselier van een herenigd Duitsland. Na de Wiedervereinigung maakte Kohl zich internationaal vooral hard voor de Europese integratie, hij wilde daarbij naar eigen zeggen geen Duits Europa, maar een Europees Duitsland bewerkstelligen.

Kohls meisje

De politieke erfenis van Kohl is divers. De ‘geistig-moralische Wende’ waarvan hij in de jaren ’80 sprak, kreeg nooit gestalte. Er is de hereniging van Duitsland, die natuurlijk niet alleen zijn werk was, en de ‘bloeiende landschappen’ in de voormalige DDR die uitbleven. En er is de instemming met verdere Europese integratie, de weg naar de Euro en de vestiging van de Europese Centrale Bank in Frankfurt. Maar de nu nog meest bepalende erfenis is misschien wel Angela Merkel als dominante politieke persoonlijkheid in Europa. Net als Kohl werd Merkel, ‘Kohls meisje’, aanvankelijk schromelijk onderschat. Haar politieke instinct was nog sterker dan dat van haar politieke peetvader. Ze was ook meer rücksichtslos in het opzij schuiven van rivalen, zoals ook Kohl zelf heeft mogen ondervinden.

Later zou Kohl – overigens net als oud-bondskanseliers Helmut Schmidt en Gerhard Schröder – Merkel scherp bekritiseren over haar standpunt in de Eurocrisis, haar opstelling tegenover Rusland in de Oekraïnecrisis, en haar benadering van de immigratiecrisis. Hij bracht deze kritiek onder andere onder woorden in zijn boek Aus Sorge um Europa, naar aanleiding waarvan hij in de pers geciteerd werd met de woorden: “Die macht mir mein Europa kaputt.”

Posted on

Adenauer, onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Wat een politiek leven! Het strekt zich uit van het keizerrijk, de republiek van Weimar, het nationaal-socialistisch bewind tot en met de Bondsrepubliek Duitsland. Steeds was Konrad Adenauer er bij. Op 19 april is het vijftig jaar geleden dat de eerste bondskanselier van Duitsland overleed.

Adenauer werd op 5 januari 1876 in Keulen geboren en zijn hele leven bleef zijn Rijnlandse herkomst zo duidelijk hoorbaar als zijn katholieke signatuur herkenbaar. Na zijn staatsexamen in de Rechten werkte hij als advocaat in Keulen. Als lid van de katholieke Zentrumspartei werd hij Beigeordneter (wethouder/schepen), vanaf 1909 Erster Beigeordneter (loco-burgemeester). Zo nam hij bij gelegenheid de honneurs waar voor de Oberbürgermeister, een oom van zijn echtgenote.

Burgemeester van Keulen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog legde Adenauer op het Voedingsdepartement opmerkenswaardige creativiteit aan de dag. Een door hem gebakken brood van rijst en maismeel liet hij als “Keuls brood” patenteren. Omdat zijn surrogaatstoffen weinig smakelijk waren, noemden de Keulenaren hem “Graupenauer”. Niettemin werd hij in 1917 door de gemeenteraad tot Oberbürgermeister gekozen. Een decreet van de koning van Pruisen maakte hem tot de jongste Oberbürgermeister van zijn tijd.

Adenauer als burgemeester van Keulen, in gesprek met rijksminister van Oorlog Wilhelm Groener, bij de tewaterlating op 1 mei 1928 van de kruiser ‘Köln’ in Wilhelmshaven (foto: Bundesarchiv)

Hij bekleedde dit ambt tot 1933 en na 1945 zou hij het nog enige tijd bekleden. Beduidend korter was zijn lidmaatschap van het Pruisische Herenhuis, waarvan hij uit hoofde van zijn ambt als Oberbürgermeister van Keulen zitting had. Het revolutiekabinet van SPD en USPD hief de Eerste Kamer van de Pruisische landdag in 1919 op. Dat schaadde de politieke loopbaan van Adenauer echter niet. Van 1920 tot 1930 was hij voorzitter van de Pruisische Staatsraad. Herhaaldelijk werd hij genoemd als kandidaat voor het ambt van rijkskanselier, ofschoon hij zich hard maakte voor een scheiding van Pruisen en een autonoom Rijnland.

Koning van het Rijnland

Uiteindelijk bleef de “koning van het Rijnland” echter steeds burgervader van Keulen, van dat ambt was hij zeker. Minder bedachtzaam was hij toen hij zich in 1928 vergaloppeerde met speculatie in aandelen glanszijde. Toen zijn schulden in de openbaarheid dreigden te komen, leende hij een aandelenpakket en deponeerde het bij de Duitse Bank. Die stelde aansluitend dat Adenauers conto vereffend was. De episode schijnt kenmerkend te zijn voor de sluwheid van Adenauer.

Van vergelijkbare kwaliteit waren zijn eerste ‘conflicten’ met de nationaal-socialisten. Die hadden in 1931 Hakenkruisvlaggen aan de brug over de Rijn gehangen. Adenauer liet ze verwijderen. De daaropvolgende woede van de nazi’s wimpelde hij af. De actie was met de districtsleiding van de NSDAP afgesproken; er stond tegenover dat Adenauer het hijsen van de vlaggen voor de beurshallen, waar Hitler werd verwacht, toestond.

In 1934 wees Adenauer de nationaal-socialistische minister van Binnenlandse Zaken er op, dat hij daarmee tegen een decreet van de Pruisische SPD-minister van Binnenlandse Zaken was ingegaan. Dat was nadat Adenauer in 1933 het ambt van Oberbürgermeister van Keulen verloren had en in de abdij van Maria Laach onderdak had gevonden. De tijd tot het einde van de nazi-heerschappij zat Adenauer uit als gepensioneerde, hij werd keer op keer lastig gevallen door de nazi’s, maar financieel zat hij er droogjes bij en in de juridische strijd om schadeloosstelling had hij door de bank genomen succes.

In mei 1945 was hij weer terug. De Amerikanen zetten hem opnieuw als Oberbürgermeister van Keulen in, maar Keulen werd deel van de Britse bezettingszone en de Britten gooiden hem er weer uit. Hij zou zich niet genoeg voor de bevoorrading van de bevolking ingezet hebben.

Onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Als ambteloos burger concentreerde Adenauer zich nu op de opbouw van een politieke partij. In 1946 nam hij de leiding van de CDU in de Britse bezettingszone. Doelbewust bouwde hij zijn positie uit. Carlo Schmid (SPD) noemde hem “de eerste man van de te scheppen staat, nog voordat die bestaat”. En dat werd hij inderdaad. De Bondsdag koos Konrad Adenauer op 15 september 1949 als eerste bondskanselier van de pas opgerichte Bondsrepubliek Duitsland – met een meerderheid van slechts één stem, die van Adenauer. Dat was het begin van een lang tijdperk. Nog driemaal, namelijk in 1953, 1957 en 1961 werd hij herkozen, schijnbaar alternativlos in zijn tijd.

Het zwaartepunt van zijn kanselierschap lag voor Adenauer bij de internationale betrekkingen.

Het waren jaren van beslissende keuzes. Reeds voor zijn verkiezing had Adenauer Bonn als provisorische hoofdstad doorgedrukt. Uit electorale overwegingen zette hij zich er voor in dat West-Berlijn geen volwaardige deelstaat werd. Hoezeer Adenauer al het andere ondergeschikt maakte aan de politiek, blijkt bijvoorbeeld uit een voorgenomen bomaanslag tegen de bondskanselier in 1952. Afzender van de bom was de joodse ondergrondse organisatie Irgun, opdrachtgever zou de latere Israëlische premier Menachem Begin zijn geweest. De wezenlijke feiten kende men in Bonn. Ze werden echter geheim gehouden om antisemitische reacties te voorkomen.

Hoe dan ook was het buitenlandbeleid voor Adenauer het zwaartepunt van zijn kanselierschap. Van 1951 tot 1955 was hij zelfs tegelijk bondskanselier en minister van Buitenlandse Zaken. Nauwe banden met het Westen, in het bijzonder met de Verenigde Staten, en een verenigd Europa waren zijn voornaamste doelen. Mijlpalen hierin waren de oprichting van de Bundeswehr, de toetreding tot de NAVO, de erkenning als enige legitieme regering van Duitsland, het Duits-Franse Vriendschapsverdrag (beter bekend als Élysée-verdrag) en de verzoening met Israël.

Voor het oordeel van de publieke opinie bleef zijn grootste prestatie echter de terugkeer  van de krijgsgevangen uit de interneringskampen van de Sovjet-Unie. Adenauers bereidheid om ook mensen die ten tijde van het nazi-bewind een ambt hadden vervuld in overheidsdienst te nemen, kwam hem daarentegen naderhand op heftige kritiek te staan. Tegelijkertijd voer hij een stramme koers tegen communisten, dwong hij een verbod van de KPD af en eiste hij per ‘Adenauer-decreet’ trouw aan de grondwet van overheidsdienaren.

In 1961 werd Konrad Adenauer nog eenmaal als bondskanselier verkozen (foto: Bundesarchiv).

Zijn laatste verkiezing tot bondskanselier kon hij in 1961 alleen met de belofte veiligstellen, dat hij voor het einde van de zittingsperiode van de Bondsdag plaats zou maken voor een opvolger. Het publieke debat over de Spiegel-affaire, waarin journalisten van weekblad Der Spiegel met rechtsvervolging wegens landverraad te maken kregen, bespoedigden Adenauers afscheid van de regering. In 1963 trad hij af, de 87-jarige bondskanselier stond toen inmiddels bekend als ‘Der Alte’.

Tot het einde van zijn leven bleef hij politiek actief en strijdlustig. Zes dagen voor zijn dood verbreidde zich een prematuur bericht over zijn overlijden. Dit leidde tot wereldwijde betuigingen van deelneming. Adenauer zal er nota van hebben genomen. De eerste bondskanselier van Duitsland stierf op 19 april 1967 op de leeftijd van 91 jaar in zijn huis in Rhöndorf.

Posted on

Waarom Kaczynski’s waanbeeld Europese kernmacht niet opgaat

De uitlatingen van de Amerikaanse president Donald Trump over de NAVO houden de gemoederen bezig en plotseling wordt zelfs weer gediscussieerd over de vraag of Duitsland een eigen kernwapenpotentieel zou moeten bezitten. Dat idee is echter volstrekt irreëel.

Jaroslaw Kaczynski bekleedt weliswaar geen staatsambt, maar de leider van regeringspartij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS) geldt wel als de sterke man achter de schermen in Polen. Op wat hij zegt wordt ook in het buitenland acht geslagen.

Reeds lang mag hij graag voor vermeende Russische agressie waarschuwen en een sterkere aanwezigheid van de NAVO in zijn land eisen. Intussen is hem dat echter niet meer genoeg, hij droomt nu zelfs van een “supermacht Europa”.

In een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung zette de politieke leider, die als eurosceptisch geldt en onder andere bekend werd door anti-Duitse retoriek, uiteen dat hij het zou verwelkomen, als Europa zich als zelfstandige kernmacht met Rusland zou kunnen meten.

Kaczynski moest daarbij wel toegeven dat Europa daarvoor tot “enorme uitgaven” bereid zou moeten zijn. En zoals altijd wanneer er in Europa geld op tafel moet komen, werd daarmee ook nu de blik op Duitsland gevestigd.

Zelfs in het Verenigd Koninkrijk, waar men de Bondsrepubliek ook na decennia partnerschap in het Noord-Atlantisch bondgenootschap nog altijd met een zekere argwaan bekijkt, kan men zich in het licht van de momentele onzekerheden van het Amerikaanse beleid een kernmacht Duitsland voorstellen.

De reactie van Duitse politici, militairen en wetenschappers op deze impuls is evenwel overwegend negatief. Dat heeft niet alleen politieke en praktische redenen. De jurist Wolfgang Ischinger, voormalig Duits ambassadeur in Washington, staatssecretaris op het ministerie van Buitenlandse Zaken, en sinds 2008 directeur van de Münchner Sicherheitskonferenz, zegt duidelijk waarom het debat over een uitrusting van het Duitse leger met kernwapens een schijndebat is: “Het grijpen naar kernwapens zou voor Duitsland een ernstige schending van het internationaal recht zijn.”

Internationaal recht

Duitsland heeft zich er immers in diverse verdragen vastgelegd op het afzien van kernwapens. De eerste stap in deze richting nam de Bondsrepubliek bij het toetreden tot de West-Europese Unie (WEU) in 1954, toen ze verklaarde het bezit noch het beschikkingsrecht over kernwapens na te streven. Korte tijd later, bij het afsluiten van de Verdragen van Parijs bekrachtigde de Bondsrepubliek dit nog eens.

Vervolgens ondertekenden op 1 juli 1968 de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en het Verenigd Koninkrijk na zesenhalf jaar onderhandelen het Non-proliferatieverdrag. Dat verdrag legde vast welke landen kernmachten waren en welke niet en stond geen verandering van die situatie toe. Als 91e staat ondertekende op 28 november 1969 ook de Bondsrepubliek Duitsland dit verdrag. Daarin verplicht iedere ondertekenende niet-kernmacht zich ertoe, van niemand direct of indirect kernwapens of het beschikkingsrecht daarover aan te nemen en om ze ook zelf niet te vervaardigen of verwerven, en om geen ondersteuning te geven aan de vervaardiging van kernwapens. Het verdrag werd oorspronkelijk afgesloten voor een periode van 25 jaar, maar geldt sinds 1995 voor onbepaalde tijd. Vandaag de dag zijn 191 staten verdragspartij.

In het zogenaamde Twee-plus-Vier-verdrag bekrachtigden de regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek in 1990 “hun afzien van de vervaardiging en het bezit van en van het beschikkingsrecht over atoom-, biologische en chemische wapens. Zij verklaren dat ook het verenigde Duitsland zich aan deze verplichtingen houden zal. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen uit het Verdrag over de Non-proliferatie van Kernwapens [..] voor het verenigde Duitsland gelden.”

Een legaal Duits bezit van kernwapens is kortom niet mogelijk en een debat daarover overbodig. Toch is het niet voor het eerst dat er over gedacht wordt. Bondskanselier Konrad Adenauer droomde namelijk al van Duitsland als kernmacht.

Geheime overeenkomst

Hoewel Adenauer zeer geloofde in het Noord-Atlantische bondgenootschap, vertrouwde hij toch niet helemaal op de verzekering uit Washington dat iedere Russische agressie met een nucleaire tegenaanval beantwoord zou worden. In een kabinetszitting eind 1956 verklaarde hij dat het nodig was om tenminste over tactische kernwapens te beschikken.

Aangezien de Bondsrepubliek zich er in de Verdragen van Parijs internationaal-rechtelijk op had vastgelegd af te zien van kernwapens, moest hij in het geheim opereren. Hij vond daarbij steun in Parijs, waar men eveneens twijfelde aan de geloofwaardigheid van Washington.

Tijdens een ontmoeting in Adenauers privéwoning in november 1957 deed de Franse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Maurice Faure hem het aanbod om samen Frankrijk en Italië kernwapens te produceren. Nog geen week later ondertekenden de minister van Defensie van de Bondsrepubliek, Franz Josef Strauß, en zijn ambtsgenoten uit Frankrijk en Italië een geheim protocol over de samenwerking, waarbij de Duitse bijdrage als deelname aan een “Europees Instituut voor Raketten” verhuld werd.

In april 1958 ondertekenden de drie ministers van Buitenlandse Zaken het akkoord over het trilaterale bewapeningsprogramma. Er kwam echter niets van terecht. Want toen Charles de Gaulle enkele weken later premier werd, maakte hij meteen een eind aan de plannen. Hij wilde Frankrijk tot een zelfstandige grootmacht met eigen nucleaire slagkracht maken.

Nadat hun plannen om zich van het Amerikaanse kernwapenpotentieel onafhankelijk te maken mislukt waren, bleef Adenauer en Strauß niets anders over dan de ‘nuclear sharing‘, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Dit gaf (West-)Duitsland de mogelijkheid aan de planning voor de inzet en aan de consultaties over de vrijgave van kernwapens mee te werken. Bovendien verwierf de Duitse krijgsmacht eigen systemen waarmee Amerikaanse kernwapens ingezet konden worden.

Lees ook:

Posted on

John Gray: De EU is niet de wereld

Na de Brexit is Europa onherroepelijk veranderd, en het Verenigd Koninkrijk ook. Voor mij staat dit voor een nieuw begin, een kans voor het Verenigd Koninkrijk om zich te ontdoen van het blok aan haar been dat het falende Europese project geworden is en haar plaats in te nemen in de grotere wereld. Tegelijkertijd kunnen we ons voordeel doen met een sceptischer houding tegenover de politieke klasse, waarvan een groot deel het referendum zo ontzettend verkeerd had ingeschat.

Er zijn echter velen die met een bang voorgevoel naar de toekomst kijken, zij vrezen dat de Brexit ons zal veranderen in een meer gesloten en teruggetrokken samenleving, dat we een vergeten hoekje zullen worden waar weinig gebeurt, afgesneden van de culturele rijkdom en economische levendigheid van de rest van de wereld. Een dergelijke zwarte kijk op de toekomst wordt gehuldigd door veel van de tegenstanders van de Brexit, voor hen is dat wat Brexit betekent.

Voor mij is er echter iets onwerkelijks, iets irrationeels en zelfs hysterisch aan deze reactie. De EU is niet de wereld, of het meest dynamische deel van de wereld. De EU is zelfs niet Europa. Het is alleen maar een specifieke set aan regelingen die over de afgelopen decennia opgebouwd zijn door een deel van de Europese landen. Een vertrek uit deze zelfingenomen en claustrofobische instelling is geen terugtrekking uit de wereld, het is eerder een terugkeer naar de wereld.

Misschien zullen weinigen het zich nog herinneren, maar vanaf het prille begin was het Europese project een middel om de macht van Europa opnieuw te vestigen in de wereld. Schrijvend in 1919, volgend op de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog, vroeg de Franse essayist en dichter Paul Valéry zich af: “Zal Europa worden wat het in werkelijkheid is, dat wil zeggen een klein voorgebergte aan het Aziatische continent? Of zal het blijven wat het lijkt te zijn, dat wil zeggen het uitverkoren deel van de aardkloot, de parel van de wereld, het brein van een groot lichaam?” Voor Valéry en menigeen die dacht zoals hij, destijds en later, had Europa de eerste wereldomspannende beschaving geschapen. Gebruik makend van hun superieure kennis en uitvindingen, hadden Europeanen hun dynamisme geprojecteerd naar immobiele culturen overal ter wereld. Het waren Europeanen die Afrika gekoloniseerd hadden en hun schepen naar China en Japan hadden gestuurd. Ook waren het Europeanen die de energieke beschaving gecreëerd hadden die was uitgegroeid tot de Verenigde Staten. Europa was de bron van de vooruitgang. De vraag in 1919 was of Europa de positie van wereldmeesterschap kon hernemen die het ooit gehad had.

Het Europese project begon op te doemen na wat wel Europa’s tweede burgeroorlog genoemd is, maar was niet louter een poging om de wonden van Europa te helen. Het was ook, in de optiek van veel van haar voorstanders, een manier om een tegenwicht te creëren tegen de Amerikaanse macht. Europa was in die jaren een braakland, zoals dat ook in 1919 voor grote delen ervan gegolden had. Internationaal stond het zwakker dan ooit. Vanuit het oosten werd Europa bedreigd door Rusland, terwijl het van de andere zijde van de Atlantische Oceaan uitgedaagd werd door de grote macht van Amerika. De taak waarvoor men zich gesteld zag was om Europa om te vormen tot een enkele staat, die zich kon meten met deze twee grote rivalen. Het nieuwe Europa zou een derde weg zijn tussen kapitalisme en socialisme in een supranationale staat die zich uitstrekte over het hele continent.

Na de conferentie van Jalta in februari 1945, werd Europa verdeeld in twee sferen, waarvan een, de oostelijke, gedomineerd werd door de Sovjet-Unie. Deze scheiding duurde bijna een halve eeuw. Maar toen de Sovjet-Unie instortte, grepen de hoeders van de Europese gedachte de kans aan die het einde van de Koude Oorlog bood. Ze zetten het project door van een supranationale staat die Europa weer een plaats als mondiale supermacht moest geven.

Wat mij betreft was dit altijd een naar binnen gekeerde visie. Andere culturen waren niet statisch tot de Europeanen kwamen kijken en de boel opschudden. Tot voor een paar eeuwen geleden waren India en China de meest innovatieve economieën ter wereld. De periode van Europese dominantie was kort. Tegen de laatste decennia van de 19e eeuw was Japan snel aan het industrialiseren, terwijl de meeste Europese economieën nog altijd op landbouw gebaseerd waren. In 1905, tijdens de Russisch-Japanse oorlog, in de Slag bij Tsushima, waar de Russische keizerlijke vloot verslagen werd door Japan, werd dat land het eerste niet-Europese land dat een beslissende militaire slag toebracht aan een Europese grootmacht. De betekenis van die gebeurtenis ging niet voorbij aan de leiders van anti-koloniale bewegingen zoals Sun Yat-sen in China en Jawaharlal Nehru in India, die het vierden als een overwinning voor de onafhankelijkheidszaak.

De Europese gedachte is nog altijd naar binnen gericht. Ik kan me goed herinneren dat ik enkele jaren geleden luisterde naar een Europese academicus, die een internationaal publiek vertelde dat het ongeveer een eeuw zou duren om een Europese regering tot stand te brengen. Ik hoorde het aan met ongeloof en enig vermaak. Stelde deze spreker zich nou voor dat de rest van de wereld zo’n honderd jaar zou afwachten hoe Europa een naar binnen gerichte obsessie najaagt?

In het midden van de 19e eeuw vreesde de liberale denker John Stuart Mill dat Engeland een soort China zou worden, een beschaving, zo schreef hij in zijn essay On liberty, die stationair was geworden. Als China nog vooruit gebracht zou worden, dan moest dat volgens Mill wel door buitenlanders gedaan worden. Met het oog op de tijd waarin hij schreef kunnen we de Victoriaanse wijsgeer zijn tunnelvisie misschien wel vergeven. Maar hoe kan ook maar iemand niet zien welk deel van de wereld nu stationair is?

Zij die vrezen dat de Brexit van het Verenigd Koninkrijk een stilstaand hoekje zal maken, hebben niet opgemerkt wat een backwater Europa al geworden is. Het Verenigd Koninkrijk kan er alleen maar op vooruit gaan als het zijn banden uitbreidt met regio’s wier economieën groeien, zoals China, India en Afrika. Politiek zit Europa muurvast in onoverkomelijke dilemma’s.

Hoewel het geruststellend zou zijn om te denken dat een Brexit hervorming [van de EU] zou stimuleren, is een meer plausibel scenario dat de EU zal versplinteren. In cultureel opzicht heeft Europa iets van zijn vitaliteit behouden, maar het kunnen toch alleen de meest provinciale tegenstanders van een Brexit zijn die denken dat een vertrek uit de EU het Verenigd Koninkrijk zou afsnijden van de belangrijke stromingen in de cultuur en de kunst. De werken van Michel Houellebecq en Bernardo Bertolucci zullen ons niet ontzegd worden, omdat de handelsvoorwaarden tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk enigszins veranderd zullen zijn.

Maar terwijl we een andere verhouding met Europa krijgen, krijgen we misschien ook betere toegang tot de culturen van het leeuwendeel van de wereld. Ik kan me moeilijk voorstellen dat het meer open staan voor de creatieve vitaliteit van India, China, Rusland, Japan, Afrika, het Midden-Oosten, Australazië en Noord- en Zuid-Amerika, een conditie van culturele armoede is.

Brexit zal niet betekenen dat we afgesneden zijn van de rest van de wereld, wel integendeel. Maar het Verenigd Koninkrijk zal er gewis fundamenteel door veranderd worden. En dat kon wel eens zijn waar de tegenstanders van Brexit zo bang voor zijn.

Het referendum staat voor een groot falen van de regerende klasse. Niet alleen had men er niet serieus bij stil gestaan dat de kiezers daadwerkelijk voor een Brexit zouden kunnen kiezen. Dat de kiezers de toegenomen fragiliteit van de Europese Unie zouden doorzien werd niet eens in overweging genomen. Toen de kiezers de koers die door zo’n groot deel van het establishment aanbevolen werd van de hand wezen, kon dat alleen maar uit irrationale motieven zijn. Vreemd genoeg zijn het nu niet de wereldvreemde politici die al zo lang aan de macht zijn die aangevallen worden, maar de gewone mensen die tegen hen stemden. Stompzinnig en bevooroordeeld zouden de onwetende massa’s de leiding van hun meer rationale meesters afgewezen hebben en een waanvoorstelling omhelsd hebben.

Op een bepaalde manier is het een begrijpelijke reactie. Er zijn irrationale krachten die een rol spelen in de politiek. Maar onze politieke klasse is veel irrationeler geweest dan de massa die hen al zo lang moet verdragen. Tegen al het bewijs van de jaren sinds de financiële crisis in, waarin de EU van de ene misslag naar de andere ging, zijn zij die ons regeerden er op blijven staan dat de EU te hervormen is.

Onheilspellend gerommel in de Europese politiek is afgeschreven als tekenen van achterlijkheid die vanzelf zullen verdwijnen als de nieuwe orde gevestigd wordt. Maar er is nu een domino-effect in werking getreden. Overal in Europa keren nationale regeringen of groeiende oppositiekrachten zich tegen onderdelen van de Europese integratie, bijvoorbeeld de herverdeling van vluchtelingen. Nationale regeringen hernemen langzaam maar zeker hun machtspositie.

De toenemende tekortkomingen van de EU zijn onderdeel van de bredere crisis van de globalisering. Terwijl het enerzijds de welvaart van veel mensen heeft doen toenemen heeft de mondiale markt anderzijds grote aantallen mensen in een positie van chronische ontbering en verarming geplaatst. Zij die in de steek gelaten zijn, hebben niet slechts minder geld te besteden, hun hele bestaan kan getekend zijn doordat ze van hun positie in de samenleving beroofd zijn. In sommige delen van de ontwikkelde wereld is de levensverwachting weer teruggevallen naar het niveau van ontwikkelingslanden. De armen onder ons zijn anders, ze sterven eerder dan de rest. In de tussentijd kunnen ze echter stemmen.

Brexit is de eerste in een reeks revoltes die in veel andere landen uit zullen breken. Het zijn niet alleen die groepen die verarmd zijn, die het slachtoffer zijn geworden van globalisering. Delen van de middenklasse hebben hun inkomens en vooruitzichten al decennia zien stagneren. De vrees die vat krijgt op deze mensen is ook onderdeel van wat achter de opkomst van Donald Trump zit. Met een gebrek aan uitzicht op een toekomst heeft men geen vertrouwen meer in mainstream-politici.

De gebruikelijke remedie is meer onderwijs. Maar zoals menigeen ondervonden heeft, is een universitaire graad dikwijls niet veel meer dan een paspoort naar een levenslange schuld, gekoppeld aan een eindeloze baanonzekerheid.

Stemmen uit het establishment stellen dat beperkingen aan handel en migratie deze situatie niet zullen veranderen, die voortvloeit uit technologische vooruitgang. Een gerobotiseerde economie komt op die grote aantallen arbeiders overtollig zal maken. Maar de ontwrichting die deze nieuwe technologieën gewrocht hebben, is versneld en vergroot door goedkope import en arbeidsmigranten die weinig kosten. De miljoenen die aan de scherpe kant van deze ontwikkelingen zitten, weten dat zij die hen tot nu geregeerd hebben niets anders te bieden hebben dan een zich nog verder verslechterende status quo. Het is niet geheel toevallig, dat de eerste duidelijke tekenen dat kiezers deze status quo zouden gaan verwerpen, in de vroege ochtenduren van 24 juni uit de steden van het post-industriële noorden van Engeland kwamen. Het was nooit realistisch om te denken dat de miljoenen verworpenen eindeloos zouden kunnen bestaan op een dieet van loze beloften. Vroeger of later moest er zich wel een politieke opstand voordoen. Hoe kan het dat zoveel politici en opiniemakers bezeten waren van zo’n absurde visie? Het antwoord is dat ze geloofden dat ze aan wat sommigen graag de goede kant van de geschiedenis noemen stonden. Welke moeilijkheden er misschien ook overwonnen moesten worden, de globalisering zou vanzelf op koers blijven met hen aan de leiding. Vandaag kunnen deze heersende klassen niet meer zo zeker zijn dat de geschiedenis aan hun kant staat. En toch blijven sommigen spreken en handelen alsof wat er gebeurt is niet meer is dan een incident en alles al snel weer zal gaan zo als voorheen. Zij die zichzelf als verlicht en vooruitstrevend beschouwen verkeren vandaag de dag in een staat van ontkenning.

Sommigen zeggen dat de Brexit nooit werkelijk voltrokken zal worden, anderen zeggen dat het Verenigd Koninkrijk voor een apocalyptische ramp staat. Dit zijn fantasieën, die verder verwijderd zijn van enige waarneembare werkelijkheid of realistisch voorstelbare toekomst dan de percepties van gewone mensen.

De grootste verandering die de Brexit op de kortere termijn teweeg zal brengen heeft betrekking op de manier waarop het Verenigd Koninkrijk bestuurd wordt. Iedere partij die weigert de boodschap van het referendum in acht te nemen heeft een zeer onzekere toekomst. Sommigen die claimen voor de 48 procent te spreken die tegen de Brexit stemden, zeggen dat ze ‘hun land terug willen’. Het is een vreemd bezitterige taal waarin ze hun boosheid en teleurstelling uitdrukken. Het Verenigd Koninkrijk is niet meer hún land dan het het land van de voorstanders van de Brexit is. Mij klinken deze klagerige protesten een beetje in de oren als die opmerking van de apocriefe hertogin in het Dorchester Hotel, die toen ze hoorde dat Labour de parlementsverkiezingen van 1945 gewonnen had, sputterde: “Het land zal het niet nemen!” Wat het referendum duidelijk heeft gemaakt, is dat er een meerderheid in het land is die niet langer van zins is gezag op vertrouwen te accepteren. Zij die terug verlangen naar de status quo van voor de referendumuitslag, zijn nostalgisch naar een verleden dat niet meer terug zal keren. Laten we de kans die we gekregen hebben aangrijpen en ons huis opbin een ruimere wereld.

Deze tekst is gebaseerd op een toespraak uit juli 2016.

Posted on

Historisch dieptepunt: CDU/CSU zakken onder 30% kiezersgunst

Bondskanselier Angela Merkels CDU en haar Beierse zusterpartij CSU boeten verder aan steun in. Volgens een actuele peiling zou minder dan 30% van de kiezers op de zogenaamde Unionsparteien stemmen.

De Union is volgens een peiling van INSA federaal door de symbolische grens van 30% van de kiezersgunst gezakt. Volgens de peiling zouden CDU en CSU samen slechts 29,5 procent van de stemmen krijgen als er komende zondag verkiezingen voor de Bondsdag gehouden zouden worden.

Dat is een afname van 0,5% ten opzichte van een week eerder, maar bovendien de laagste waarde die opiniepeiler INSA ooit gemeten heeft voor de Union. Andere peilers maten al in 2014 vergelijkbare waarden voor CDU en CSU.

Volgens de peiling zou de SPD op 22% van de stemmen komen, de socialistische partij Die Linke op 12% en de Groenen op 11%. De liberale FDP zou volgens de peiling met 6,5%, anders dan in de laatste Bondsdagverkiezingen, weer over de kiesdrempel komen. De nationaal-conservatieve AfD kan volgens de peiling op 15% van de stemmen rekenen en zou daarmee de op twee na grootste partij in de Bondsdag worden.

uitslagen-cdu-csu-in-bondsdagverkiezingenIn 2013 haalden CDU en CSU in de Bondsdagverkiezingen samen nog 41,5% van de stemmen.

Lees ook:

Posted on

Wie moet de hegemoon zijn in Europa?

De belangrijkste politieke vraag is de vraag naar de hegemonie. Wie is de hegemoon? Wie zet in een federatie, een verbond van staten, zijn ideeën door? Wie is er overheersend, heerst met andere woorden zonder te regeren ook daar, waar de nominale heerschappij aan anderen toekomt?

De hegemoon staat typisch gesproken aan het hoofd van een federatie. Koning Philippus II, de vader van Alexander de Grote, heerste in Macedonië, in de overige staten van de Korintische Bond was hij overheersend, als hegemoon resp. opperbevelhebber kon hij ze in de oorlog tegen de vijandelijke Perzen leiden.

Aan dit patroon is tot op de dag van vandaag niet veel veranderd. Waar zich ook maar staten aan elkaar verbinden, drukt een van deze staten zijn stempel op de federatie, doortrekt haar met zijn politieke idee zoals de Macedonische koningen de Korinthische Bond met hun militaristische koningscultus. Waar de hegemoon ontbreekt, waar de federatie geen externe vijand erkent, daar storten zich de individuele staten al snel militair op elkaar.

De Vrede van Westfalen maakt in 1648 een einde aan de Dertigjarige Oorlog. Ze beëindigde ook de hegemonie van de Rooms-Duitse keizer over Europa en luidde het tijdperk van het interstatelijke volkenrecht (Ius Publicum Europaeum) in. In die tijd ontstonden soevereine Europese staten, wier soevereiniteit vooral in het ‘ius ad bellum’ bestond, in het recht om elkaar de oorlog te verklaren. En daarvan maakten ze ook rijkelijk gebruik. De volgende anderhalve eeuw zouden als de tijd van de Kabinettskriege de geschiedenisboeken in gaan. Europa was destijds verenigd in de vijandschap van de staten die er deel van uitmaakten.

Na de Franse Revolutie deden twee staatsmannen een poging Europa weer hegemoniaal te verenigen. Napoleon kroonde zich tot keizer van de Fransen en voerde voor het idee van het burgerlijk recht, de Code Civil of Code Napoléon, een Europese oorlog, waarin het Heilige Rooms Rijk definitief verslagen werd. Bismarck verenigde Zuid- en Noord-Duitsland in het teken van de Pruisische discipline en schiep een Europees systeem van evenwicht rondom het Duitse Rijk. Maar zowel Frankrijk als Duitsland faalden in hun streven naar hegemonie. Hun politieke ideeën bleken zwakker dan de rivaliteit van de Europese naties.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog schetste de volkenrechtsgeleerde Carl Schmitt een nieuwe hegemoniale ordening voor Europa in zijn brochure Völkerrechtliche Großraumordnung mit Interventionsverbot für raumfremde Mächte. Schmitt stelde zich een ordening van de Europese wereldregio (Großraum) voor naar het voorbeeld van de Monroedoctrine, waarin de Verenigde Staten van Amerika als hegemoon van het Amerikaanse continent werden vastgelegd. De hegemoon in de wereldregio noemde hij ‘rijk’: “Rijken in deze zin zijn de leidende en dragende machten, wier politieke idee in een bepaalde wereldregio uitstralen en die voor deze wereldregio de interventies van regiovreemde machten in beginsel uitsluiten.”

Met het ‘rijk’ bedoelde Schmitt het Duitse Rijk, met de ‘regiovreemde machten’ in de eerste plaats de Verenigde Staten, die hun wereldregio in de Eerste Wereldoorlog verlaten hadden en met hun politieke idee, de volken over de hele wereld naar Amerikaans voorbeeld in een smeltkroes samen te smelten, ver naar Europa uitstraalden. Tegenover de unipolaire voorstelling van de wereld, zoals die in het manifest destiny, de ‘geopenbaarde bestemming’ van de VS, tot uitdrukking kwam, bracht Schmitt een multipolaire orde naar voren, zoals die voor het Duitse Rijk met zijn agressieve rassenideologie natuurlijk niet in overweging kwam. De theorie van de volkenrechtsgeleerde uit het Sauerland heeft hun tijd echter ver overleefd.

In Schmitts Großraumordnung bestaat de wereld uit meerdere wereldregio’s, die wederom uit vele volkeren bestaan. Maar alleen het rijk, dat de wereldregio met zijn politieke idee doortrekt, heeft statelijke functie, is soeverein, beslist over oorlog en vrede.

Na de Tweede Wereldoorlog vormden de gefaalde hegemoniale machten Duitsland en Frankrijk het zich verenigende Europa slechts retorisch. Katholieken als Jean Monnet of Konrad Adenauer verkochten het nieuwe Europa als hernieuwing van het Heilige Roomse Rijk, als wedergeboorte van het Frankische Rijk en dergelijks meer. Maar hegemoon waren de Verenigde Staten, die met de NAVO het politiek bepalende bondgenootschap geschapen hadden. De Amerikaanse president, opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten, kon de Europese staten even zeer verbinden tot vijandschap ten opzichte van Rusland als Philippus II van Macedonië de Korinthiërs en Thraciërs tegen de Perzen. De opperbevelhebber van het strategische NAVO-commando Europa was steeds een Amerikaanse generaal of admiraal.

Op de vraag, of de Europese Unie een Großraum is in de zin van Carl Schmitt, antwoordde de publicist en Schmitt-leerling Günter Maschke vijf jaar geleden in een interview: “Nee. Waarom? Er is geen homogeniteit van de federatie, er is geen eensgezindheid over de vijand, er is geen werkelijk politiek project. ‘Europa’ is een systeem geworden, – en dat is het bepalende punt -, dat gehoorzaamheid verlangt, zonder bescherming te bieden. Dat moet mislukken.” De EU wordt door een hegemoon gedomineerd, die buiten de wereldregio ligt, door een ‘regiovreemde macht’. Duitsland overheerst niet, het oefent met haar grote economische kracht alleen economische aanzuiging uit, die het niet kan kanaliseren, omdat het politiek onmachtig is.

Duitsland is (economisch) sterk genoeg om voor de kredieten aan diep in de schulden stekende staten in het zuiden borg te staan. Het is echter niet sterk genoeg om hervormingen in deze staten af te dwingen, laat staan om aan de nietbijstandsclausule voor schuldenstaten vast te houden, die in het Verdrag van de Europese Unie is opgenomen. Duitsland is sterk genoeg om met sociale voorzieningen illegale immigranten aan te lokken. Het is echter te zwak om zijn grenzen te verdedigen of om deze immigranten over andere EU-lidstaten te verdelen, laat staan om aan Dublin II vast te houden, volgens welke verordening dat land voor een asielzoeker verantwoordelijk is, waar hij voor het eerst geregistreerd is.

Europa doet zich als Großraum voor, maar is het niet, omdat het geen eigen hegemoon heeft. Tegen het ontkleden van macht van de natiestaten maakt zich recent op het gehele continent weerstand breed. Nationale partijen verlangen een ‘Europa der vaderlanden’, dat een statenbond moet zijn in plaats van een bondsstaat. Zo zag Charles de Gaulle zijn alternatieve visie van een verenigd Europa, die hij ook het ‘Europa der staten’ noemde, een Europa bevrijd van de hegemonie van de Verenigde Staten van Amerika.

Maar opgepast, in de statenbond komt de vraag naar de hegemonie nog dringender op tafel als in de bondsstaat. In de statenbond verlangen de individuele staten soevereiniteit, dat omvat mede het recht op oorlog en vrede. Het tijdperk van de natiestaten was geen tijd van vrede, en de soevereiniteit is een havik en geen duif.

Maar een staat moet de soevereiniteit wel gewassen zijn, hij moet economisch sterk zijn, schuldenloos, en zijn elites moeten in een geest van politieke verantwoording gevormd zijn. Zwakke staten kunnen nooit soeverein zijn, omdat de voorwaarden daartoe ontbreken. Zouden ze niettemin het recht of oorlog en vrede moeten hebben? Moeten kleine staten het recht hebben op hun territorium de troepen van regiovreemde machten te laten stationeren. Moet pak ‘m beet Albanië in een Europa der vaderlanden in staat zijn zich met de VS te alliëren? En zo nee, wie moet het dan verhinderen, wanneer het toch soeverein over zijn lot beschikt?

De Pax Americana was voor Europa een pijnlijke episode. Ze heeft de Europese volken van hun eigen aard berooft en het continent tot een aanhangsel van de westerse hegemoon verlaagd. Ze heeft de jammerlijkste klasse politici voortgebracht die het continent ooit gezien heeft. Maar de Pax Americana heeft ook zeventig jaar lang verhinderd dat de Europese kernstaten tegen elkaar oorlog voerden. Ze heeft in het bijzonder de rivaliteit tussen Duitsland en Frankrijk geneutraliseerd, door vijandschap jegens het oosten te mobiliseren.

Vandaag de dag zijn de kernstaten gedepolitiseerd, hun regeringen niet in staat om de grenzen naar buiten tegen illegale immigratie te beschermen, noch om de burgers voor geweld binnen die grenzen te beschermen. Ze eisen gehoorzaamheid zonder bescherming. Oost-Europese staten zoals Hongarije, Tsjechië en Slowakije zouden er misschien toe bereid zijn, maar zijn niet sterk genoeg, om zich als hegemoon over heel Europa op te werpen. De vraag blijft zodoende boven de markt hangen, wiens politieke idee op Europa af moet stralen, wanneer het Brusselse juk eenmaal afgeschud is.

Misschien beantwoordt de vraag, wie het Europa der vaderlanden verenigt, zich in de toekomst wel vanzelf. De grondtrekken van een multipolaire wereldorde, bestaande uit cultureel afgebakende wereldregio’s, heeft Alexander Doegin in zijn boek Konflikte der Zukunft. Die Rückkehr der Geopolitik indrukwekkend neergezet. Wanneer de landen van Europa de vrije hand hebben hun orde weer tot stand te brengen, kan hij er plotseling zijn, de politieke idee die op het continent afstraalt en haar nieuwe vorm verleent.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Duitse editie van Katehon.com

Lees ook de recensie van Kisoudis’ meest recente boek Goldgrund Eurasien op Novini.

Posted on

Speculatie over vertrek Merkel neemt toe

Zowel in de unie van CDU en CSU als bij coalitiepartner SPD nemen de verbittering, woede en vertwijfeling toe. Dat zou al deze zomer tot beslissingen kunnen leiden, zo speculeren kenners van de politieke scène in Berlijn.

Dat zou in ieder geval een meevaller voor journalisten zijn. Het zomerreces is normaal gesproken een nieuwsarme tijd met vooral komkommernieuws, maar dat zou komende zomer wel eens anders kunnen zijn. Zowel tussen als binnen de drie coalitiepartijen tieren wantrouwen, woede en regelrechte vertwijfeling welig. De vooruitzichten van de regering zien er dan ook bepaald niet rooskleurig uit.

Intussen is deze stemming ook overgeslagen op de kiezers. Volgens een recente peiling wil 64% van de kiezers niet dat Angela Merkel in 2017 nog eens kandidaat is voor het bondskanselierschap. De regeringspartijen behalen in de peiling samen nog zo’n 50% van de stemmen, terwijl bij de verkiezingen in 2013 nog 67% was. Het zijn dramatische cijfers, zowel voor de coalitiepartijen als voor de bondskanselier.

Merkels onenigheid met de CSU is reeds berucht. Kenners van de Berlijnse politieke scène constateren echter ook een steeds grotere kloof tussen de CDU-leider en de parlementsleden van haar eigen partij, waar de vervreemding door herhaalde solo-acties van de bondskanselier alleen maar toeneemt. Merkel gedraagt zich verheven, zo is onder CDU-politici in de wandelgangen van de bondsdag en het Adenauerhuis (het partijbureau van de CDU) te vernemen. Ze vermijdt de dialoog en laat eigen mensen voor een dichte deur staan.

Ouwe rotten in de CDU raden de bondskanselier reeds aan nog komende zomer vrijwillig op te stappen als bondskanselier. Daarna kon het wel eens ras te laat zijn om nog uit eigen beweging en met opgeheven hoofd te vertrekken. De regering zal immers onvermijdelijk met nieuwe tegenslagen te maken krijgen, die de stemming zouden kunnen doen escaleren.

De asielcrisis kan op ieder moment weer oplaaien. In de zomer staat ook opnieuw een besluit over miljarden voor Griekenland op de rol, waarbij iedere keer de kans bestaat dat minder parlementsleden de regering daarin volgen. Kort na de zomer op 4 september vinden dan verkiezingen plaats voor de landdag van Mecklenburg-Voorpommeren en twee weken later in Berlijn, waar CDU en SPD opnieuw een electorale klap zullen moeten incasseren. Hoe het middenkader van de partijen op wéér een nederlaag zal reageren, valt niet te voorzien.

In de SPD bereikt de berusting over de hopeloze situatie van de eigen partij reeds bizarre hoogten. Waar de positie van kandidaat voor het bondskanselierschap ooit fel begeerd was, wordt deze in de aanloop naar 2017 als een gifbeker gemeden. Dat de SPD het bondskanselierschap niet in de wacht zal slepen is dermate voorzienbaar dat niemand Sigmar Gabriel zijn positie wil ontnemen.

Merkel gedraagt zich als zoveel regeringsleiders die na hun tweede herverkiezing het contact met de basis en met de werkelijkheid verliezen, zo heet het. Ook Adenauer en Kohl werden hun partij in deze fase eerder tot last, zo ook de legendaire Margaret Thatcher. Zodoende zou het einde van het tijdperk Merkel – eerder al voorspeld, maar nooit gekomen – nu toch nabij kunnen zijn.

Posted on 1 Comment

Het schizofrene van de Duitse kiezers

Vele waarnemers hebben er al naar gegist, hoe het komt dat de zogenaamd ‘alternatiefloze’ koers van de Bondsregering inzake de euroredding nog geen massiever protest uitlokt. De meerderheid van de Duitsers staat afwijzend tegenover deze politiek en de Euro, dit bevestigen alle peilingen. Tegelijkertijd stijgt in de peilingen schizofreen genoeg ook de steun voor Bondskanselier Angela Merkel, die zich onlangs op het partijcongres van de CDU met 98% van de stemmen tot partijleider herkiezen liet. Afgezien van Die Linke nemen de burgers echter geen parlementaire, burgerlijke oppositie tegen deze politiek waar.

Intussen tekenen zich evenwel in steeds scherpere contouren de gevolgen van de euroreddingspolitiek voor de belastingbetalende middeninkomens af: De rente voor spaarvermogen tendeert naar nul en wordt overstegen door de inflatie, die op fluwelen voetjes appeltjes voor de dorst opvreet. Levensverzekeraars stellen dezer dagen hernieuwd hun beloften van rendement verder naar beneden bij.

De meerderheid van de Duitsers staat afwijzend tegenover Merkels euroreddingspolitiek, toch stijgt ze in de peilingen.

Alternatieven worden doodgezwegen
Voor burgers die hun onroerend goedfinanciering met bijeengespaarde levensverzekeringen afgedekt hebben, dreigen nu groeiende dekkingsgaten. Recent concretiseerde minister van Financiën Wolfgang Schäuble de gevolgen van de reddingspolitiek, doordat hij nieuwe financiële weldaden afwees onder verwijzing naar de toenemende Euro-aansprakelijkheidsrisico’s.

Het aanhoudende fatalisme van de Duitsers is derhalve verbluffend. Het ontbreekt echter ook gewoon aan georganiseerde weerstand. De gevestigde media hebben de rijen vrijwel gesloten in hun deelname aan de aanhoudende oproepen van de Euro-nomenclatuur. Over partijpolitieke alternatieven wordt op zijn best weifelend bericht, als ze al niet helemaal doodgezwegen worden.

De Freie Wähler moeten een keuze maken
De Freie Wähler, een extraparlementaire partij die lokaal en in de bondsstaat Beieren vertegenwoordigd is, heeft te kampen met deze omstandigheden. Die partij presenteert zich nu ook voor de Bondsdagverkiezingen met Stephan Wehrhahn als lijsttrekker. Wehrhahn is een kleinzoon van de eerste bondskanselier van de Bondsrepubliek Duitsland Konrad Adenauer en verliet de CDU uit teleurstelling over de euroredding. Het initiatief ‘Verkiezinsgalternatief 2013‘ verzamelt prominente Duitsers om voor de Freie Wähler bredere groepen van de bevolking te mobiliseren.

Aangezien de Freie Wähler kort voor de bondsdagverkiezingen echter ook de terugkeer in de Beierse landdag moeten bevechten, staan ze voor een dilemma: Moeten ze hun terugkeer in de landdag op het spel zetten om in de bondsdag te kunnen komen? De nervositeit is in ieder geval groot. De druk om dit in overweging te nemen tot aan volledige willekeur ook. Dit blijkt ook uit interne conflicten, evenals uit de avances die Aiwanger in Beieren maakt om na de verkiezingen eventueel met de SPD en de Groenen een regeringscoalitie te maken.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van Junge Freiheit