Posted on

Syrië – Militaire toestand in het oosten stabiliseert

Assad, Syrië

De toestand in het oosten van Syrië lijkt zich stilaan te stabiliseren, met het Turkse leger die nu de grenssteden Tal Abyad en Ras al Ayn bezet, twee steden waar de PKK/YPG zowel politiek als militair relatief zwak stond. Een deel van de lokale bevolking is trouwens voor die PKK/YPG en de oorlog gevlucht naar Turkije en hoopt nu terug te keren. Ook veroverde Turkije een klein stuk van de autoweg M4 die vanuit de stad Aleppo oostwaarts loopt tot aan Irak en parallel met de Turkse grens. De M4 is cruciaal voor de bevoorrading.

Ondertussen is het Syrische leger diep doorgedrongen in dit door de PKK/YPG bezette gebied en heeft het nu de controle over de steden Qamishli, Tabqa, Rakka, Ayn al Arab/Kobani (1), Ayn Issa, Manbij en de provinciehoofdstad Hasaka.

Akkoord Damascus - SDF - 13 oktober 2019
De Engelse vertaling van het zondag gesloten akkoord van de PKK/YPG met de Syrische regering. De Furat rivier is de lokale naam voor de Eufraat. Cruciaal zijn de voorlaatste en laatste alinea van dit akkoord. Zonder het met zoveel woorden te zeggen betekent dit de totale overgave van de SDF/PKK/YPG aan het Syrische leger. Alleen de verovering van de provincie Idlib op al Qaida is voor Damascus nu nog een knelpunt. Een kwestie van maanden. De luchtmachten van Syrië en Rusland zijn de voorbije dagen hier trouwens druk bezig geweest.

Snelle opmars

Ook de grens tussen Syrië en Irak in het noorden tussen de steden Al Malkiyah/Semalka en Faysh Khaboer in Irak zal door het Syrische leger overgenomen worden. Dat is heel belangrijk want het was via deze aan de Khaboer-rivier liggende steden dat de VS haar troepen bevoorraadde en journalisten van o.m. de BBC, CNN en Rudi Vranckx in dat deel van Syrië raakten. Bij de ‘goeden’.

Toen het Syrische leger zondagnacht Qamishli overnam dienden trouwens alle journalisten in het holst van de nacht uit hun hotel te vertrekken. Zij waren er immers met toestemming van de PKK/YPG en dus in wezen illegaal. De overname van deze grenspost is zeer belangrijk daar Syrië nu al twee van de drie grote grensposten met Irak in bezit heeft. Wat de handel moet bevorderen.

Westerse journalisten waren illegaal in Syrië

Gezien de reputatie van veel van die journalisten zullen er voorlopig vanuit Syrië dan ook nog weinig westerse reportages gemaakt worden. Idlib is door de aanwezigheid van al Qaida voor hen te gevaarlijk en toestemming vragen aan Damascus om die regering dan onder de modder te bedelven zal niet meer zo vlot lukken. Damascus heeft op dat vlak met het westerse journaille immers genoeg ervaring opgedaan.

Alleen de toestand rond de iets zuidelijker bij de Iraakse grens gelegen plaats Shadadi is nog onzeker. Mogelijk zal het Syrische leger er de komende uren of dagen arriveren. De ontplooiing van dit leger verloopt zo te zien immers wel zeer snel.

Onderling afgesproken?

De indruk is ook dat de gevechten dus gestopt zijn en er alleen nog sprake is van schermutselingen terwijl het Amerikaanse leger zich nog steeds blijft terugtrekken. Heel waarschijnlijk zijn daar ook de olievelden rond Omran in het uiterste zuidoosten van deze regio bij inbegrepen en komen die terug in Syrische handen.

Alleen de zone van al Tanf aan de Iraakse grens blijft voorlopig nog door de VS bezet. Hier wacht men op de verdere ontruiming van het grote vluchtelingenkamp van Rukban waar tienduizenden vluchtelingen min of meer gevangen zaten. Volgens recente berichten zou echter al 75% van de bewoners na bemiddeling vertrokken zijn. Ook hier is het Amerikaanse vertrek vermoedelijk nakend.

Akkoord tussen PKK/YPG en Syrië

Intussen zijn ook de tekst van het akkoord tussen de PKK/YPG en Syrië bekend. Essentieel is dat het getekend is namens de SDF, de zogenaamde Syrian Democratic Forces. Dat is het overkoepelend orgaan waaronder theoretisch de PKK/YPG valt. Het vijgenblad waarachter de PKK/YPG schuil gaat. Het bestaat vooral uit enkele clans uit die woestijnachtige regio ten oosten van de Eufraat.

Noordoost Syrië - Militaire toestand - 1 - 14 oktober 2019
De militaire toestand maandag 14 oktober. De zwarte lijn is de M4, de weg van Aleppo naar de Iraakse grens, die op een plek in handen viel van het Turkse leger en haar bondgenoten, de salafisten van wat nu het Syrische Nationale Leger heet. Merk de snelheid op waarmee het Syrische leger in dit gebied oprukt. Zondagochtend zaten ze nog allen ten westen van de Eufraat. Het versterkt het vermoeden dat alles vooraf tussen alle partijen, behoudens de PKK/YPG en mogelijk de VS was afgesproken. Zo snel doe je een leger nu eenmaal niet oprukken.

Volgens dit akkoord zal de SDF voortaan het gezag van de Syrische overheid en haar leger erkennen. Het betekent het einde van het ‘paradijs’ Rojava als autonoom gebied met een eigen regering, leger en vlag. Het akkoord is uiteraard amper twee dagen oud en zal in de praktijk haar werkbaarheid nog moeten bewijzen. Het is bovendien weinig gedetailleerd. Maar tot heden is er nergens sprake van problemen tussen de SDF/PKK/YPG en het Syrische leger.

Ook met het Turkse leger lijken er sinds maandag militair geen gevechten van enigerlei waarde meer plaats te vinden. Alleen het zogenaamde Syrische Nationale Leger, de salafisten van het vroegere Vrije Syrisch Leger, maken nog wat herrie maar die vormen sinds 2016 geen serieus probleem meer voor de Syrische overheid. Militair betekenen die weinig of niets.

Een stel dwazen

Wat in de massamedia een enorm probleem werd genoemd dat tot een heropleving van ISIS ging leiden is integendeel het omgekeerde. De Syrische overheid zal omdat ze meer middelen en ervaring heeft de gevangenkampen zowel op vlak van het sociale als de veiligheid beter beheren. Natuurlijk zullen vele ISIS-strijders en medeplichtigen de doodstraf riskeren. Maar dat is gezien het daar geleden leed onvermijdelijk.

510153779990181292_438052252
De grote winnaar van deze oorlog is de Syrische president Bashar al Assad en vooral de overgrote meerderheid der Syriërs. Naast dan de regeringen van Iran, Irak en Rusland. Ook de Libanese verzetsgroep Hezbollah behoort tot de winnaars. De verliezers zijn vooral Israël, de VS, de NAVO en de EU naast dan landen als Turkije, Saoedi-Arabië, Qatar, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten. Ook de westerse media leed een zeer zware nederlaag. Nog in 2012 beweerde een ‘journalist’ als Jorn De Cock van De Standaard in een studio van de VRT dat de dagen van Bashar al Assad geteld waren. En toen Bashar al Assad steeds maar bleef herhalen dat hij gans Syrië onder regeringscontrole ging brengen lachte men hem van The New York Times tot Le Monde, De Volkskrant en De Morgen uit. Het lachen is hen vergaan. En de EU? Dat is gewoon een oorlogszuchtige dwerg met reuzenallures. Kortom een stel dwazen. Moorddadig dat wel.

Ook in West-Europa was er in 1944 en ‘45 sprake van grote brutaliteiten tegen de met de Duitse bezetter collaborerende bewoners en waren er executies. Maar het in West-Europa geleden leed is peanuts in vergelijking met wat men in Syrië en Irak heeft ondergaan. Het Syrische gerecht zal zijn werk moeten doen. Het heeft er de capaciteiten voor.

EU slecht geplaatst om regering Syrië te bekritiseren

En de EU is om hier kritiek te leveren heel slecht geplaatst. Er zijn immers voldoende gevallen bekend van salafistische moordenaars die met medeweten van onze veiligheidsdiensten naar Syrië konden vertrekken. Ja, zij konden deze nuttige idioten ginds nu eenmaal goed gebruiken.

Maar met de Syrische regering kan men onderhandelen, en liefst nog vandaag, om zeker de kleine kinderen uit die hel te halen zodat die tenminste nog een toekomst de naam waard hebben. Maar ja, ook hier tonen de regeringen van de EU zich nog maar eens van hun slechtste kant en blijft men maar treuzelen. Tot het veel te laat is? Arm Europa.

Posted on

Strafhof zwicht voor intimidatie VS

Er komt geen strafrechtelijk onderzoek naar oorlogsmisdaden in Afghanistan. Tot genoegen van de VS, die al sinds 2002 bedreigingen uiten aan het adres van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Afrikaanse landen zien vermoeden bevestigd: Strafhof is neokoloniaal instrument.

De rechters van het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag hebben het verzoek afgewezen van de hoofdaanklaagster, de Gambiaanse Fatou Bensouda, om een strafrechtelijk onderzoek te beginnen naar misdaden begaan tijdens de oorlog in Afghanistan door de Taliban, het Afghaanse leger en de Amerikanen die in 2001 het land binnenvielen. Dit ondanks het feit dat ook de rechters aannemen dat er misdaden zijn gepleegd.

Vaagheid

De redenen die de rechters aanvoeren voor hun afwijzing van een strafrechtelijk onderzoek blinken uit in vaagheid. Zij voeren aan dat het voorbereidende onderzoek van Bensouda te lang heeft geduurd, dat “de politieke situatie inmiddels is veranderd” en dat ze verwachten dat betrokken partijen te weinig medewerking zullen verlenen.

Intimidatie

Het heeft er alle schijn van dat de rechters van het Strafhof gezwicht zijn voor intimidatie van de VS. De Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton van de regering Trump dreigde in september vorig jaar met strafmaatregelen mocht het Strafhof een strafrechtelijk onderzoek instellen naar de betrokkenheid van Amerikanen bij oorlogsmisdaden tijdens de oorlog in Afghanistan, of naar mogelijke misdaden van Israël of een andere bondgenoot. Personeel van het Strafhof zou door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen, Israëliërs of andere bondgenoten van de VS zou worden gestraft. “We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

The Hague Invasion Act

Aan die bedreiging van Bolton voorafgaand, in 2002, het jaar waarin het Strafhof haar deuren opende, namen de VS een wet aan, The American Service-Members’ Protection Act, bijgenaamd The Hague Invasion Act, die de Amerikaanse president machtigt met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationaal Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden.

http://www.novini.nl/eric-van-de-beek-bij-cafe-weltschmerz-over-the-hague-invasion-act/

Dat het niet bij bedreigingen blijft, maakten de VS begin april van dit jaar duidelijk door het visum van Bensouda in te trekken, zodat zij de VS niet meer inkomt. Dit terwijl op dat moment de rechters van het Strafhof nog geen besluit hadden genomen over haar verzoek een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Afrikaanse uittocht

Het besluit van de rechters kan grote gevolgen hebben voor de toekomst van het Strafhof, vooral wat betreft het lidmaatschap van Afrikaanse landen. De Afrikaanse Unie (AU) nam in januari 2017 een resolutie aan waarin staat dat Afrikaanse landen aandringen op forse hervorming bij het Strafhof, omdat ze anders massaal hun lidmaatschap opzeggen. De AU wil dat het Strafhof stopt met, wat zij noemt, “de dubbele standaard”. Het zijn tot nu toe alleen Afrikanen die door het Hof zijn vervolgd en veroordeeld.

Eén Afrikaans land, Burundi, heeft zijn lidmaatschap al opgezegd; Zuid-Afrika en Gambia kondigden afgelopen jaar aan uit het Strafhof te stappen. De president van Namibië, Hage Geingob, heeft verklaard dat zijn land alleen lid blijft als de VS ook lid worden. Het recente besluit van het Hof een machtig westers land als de VS te ontzien, zal daarom veel Afrikaanse en andere niet-westerse landen in hun vermoeden bevestigen dat het Hof een neokoloniaal instrument is van westerse landen en mogelijk resulteren in een massale opzegging van lidmaatschappen.

Statuut van Rome

Er zijn op dit moment 122 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd , en daarmee lid zijn van het Strafhof. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. Belangrijke landen als de VS, Rusland, China, Israël en India zijn geen lid. Toch kunnen ook burgers van die landen door het Strafhof worden vervolgd als zij hun misdaden hebben begaan in één van de landen die wel zijn aangesloten bij het Hof. Zo kan het Hof wel onderzoek doen naar oorlogsmisdaden van Amerikanen begaan in Afghanistan, dat lid is van het Hof, en niet in Irak, dat geen lid is.

CIA’s ‘black sites’

Een aantal misdaden van Amerikanen begaan in Irak, zoals in de Abu Graib-gevangenis, is bestraft in de VS, al bleven de hogere echelons en politiek verantwoordelijken buiten schot. Misdaden begaan door Amerikanen in Afghanistan zijn echter, op één uitzondering na, onbestraft gebleven. Ene David Passaro, een burger die was ingehuurd door de CIA, en die een Afghaanse man, genaamd Abdul Walid, doodsloeg, is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Ook John C. Kiriakou, een CIA-officier, belandde achter de tralies; niet omdat hij zich schuldig had gemaakt aan een oorlogsmisdaad of een misdaad tegen de menselijkheid, maar omdat hij als klokkenluider de wereld deelgenoot had gemaakt van de manier waarop de CIA verdachten doorgaans verhoort: door ze met hun hoofd onder water te houden, het zogeheten waterboarding.

De onwil of onkunde van de Amerikaanse justitie om degelijk onderzoek te doen naar Amerikaanse verdachten van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Afghanistan en ze strafrechtelijk te vervolgen en te veroordelen, heeft er toe geleid dat het Internationaal Strafhof in actie kwam. In 2006 startte de voorganger van Bensouda een vooronderzoek naar misdaden begaan tijdens de oorlog in Afghanistan. In 2016 presenteerde Bensouda het resultaat. Zij verdenkt tenminste 61 Amerikaanse militairen en 27 CIA’ers van marteling, wrede behandeling, aantasting van de menselijke waardigheid en verkrachting. Die verdachte CIA’ers waren overigens niet alleen actief in Afghanistan, maar ook in geheime centra in Polen, Roemenië en Litouwen, de zogeheten CIA black sites, waar ze verdachte Afghanen verhoorden. Bensouda voegt daar aan toe dat het niet om geïsoleerde gevallen lijkt te gaan , maar dat ze onderdeel uitmaakten van een verhoormethode die van bovenaf was opgelegd.

VS dreigen opnieuw

De Amerikaanse regering heeft haar tevredenheid geuit over het besluit van de rechters van het Strafhof af te zien van strafrechtelijk onderzoek naar Amerikanen in Afghanistan en de CIA-blacksites in EU-landen. President Trump bracht een officiële verklaring uit waarin hij het besluit “een enorme internationale overwinning” noemde en nog eens dreigde dat iedereen die Amerikaanse of Israëlische functionarissen wil vervolgen een ‘robuuste’ reactie kan verwachten.

Bensouda heeft echter aangegeven het er niet bij te laten zitten. Zij zegt te broeden op een juridische reactie. Waarschijnlijk zal dit zijn: heropening van het vooronderzoek, zoals eerder gebeurd is in het geval van Britse betrokkenheid bij oorlogsmisdaden in Irak. De rechters gaven Bensouda geen toestemming een strafrechtelijk onderzoek hiernaar in te stellen, waarna Bensouda het vooronderzoek heropende. Bensouda weet zich gesterkt door mensenrechtenorganisaties als Amnesty International. Die laatste liet in een verklaring weten dat het Strafhof “is gezwicht voor Amerikaanse pesterijen en dreigementen” en “op schokkende wijze slachtoffers in de steek heeft gelaten”. Het besluit van de rechters zal, volgens Amnesty, “de geloofwaardigheid van het Hof nog verder aantasten.”

Nieuwe vuurproef

Intussen wacht Bensouda en de rechters van het Hof een nieuwe vuurproef. Bensouda leidt sinds 2015 een vooronderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden van Palestijnen en Israeliërs tijdens het 51-dagen durende conflict rond Gaza in 2014. Hoewel Israël geen lid is van het Strafhof, kan het Hof wel onderzoek doen naar mogelijke oorlogsmisdaden van Israël begaan op Palestijns grondgebied, omdat Palestina wel lid is. Gezien de dreigende woorden van Bolton in september vorig jaar, waarin hij met name Israël noemde als bondgenoot van de VS die met rust gelaten moest worden, kan het personeel van het Internationaal Strafhof opnieuw zijn borst natmaken.

Posted on

VS bekommeren zich niet om mensenrechten in bezet Syrië

Op dit ogenblik bezet de VS, vooral via haar luchtmacht, een groot deel van Syrië. Ze creëerde er zonder toestemming van wie ook – zelfs het Amerikaanse parlement stemde er niet over – een zone met vliegverbod voor andere dan Amerikaanse vliegtuigen. Haar bondgenoten (vazalstaten) zoals België zijn er wel welkom. Het gebied is grotendeels woestijn maar het bevat ook een serie olievelden en het oostelijke deel van de vruchtbare vallei van de Eufraat. Belangrijk is ook dat de VS daarbij een aantal vluchtelingenkampen en steden de facto bezet.

Waarbij de VS de nodige hulp krijgt van de PKK/YPG, de Koerdische links-nationalistische groep. Want zonder voetvolk kan een luchtmacht niet veel aanrichten. Maar bij dat bezet gebied horen dus ook enkele steden en vooral vluchtelingenkampen. En een bezettende mogendheid heeft daarbij de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het leven daar. Dat is internationaal recht.

Internationaal recht

Maar de VS zou de VS niet zijn als ze die plicht niet ronduit aan haar laars zou lappen. Van enige hulp bij de heropbouw van de stad Rakka bijvoorbeeld, in de middeleeuwen ooit de hoofdstad van de regio, is er helemaal geen sprake.

 

De stad Rakka na de strijd tussen ISIS en de alliantie geleid door de VS. Die mogen van onze media steden vernielen. Helpen bij de wederopbouw hoeft dan niet eens.

De mensen daar moeten zich maar behelpen met de meest primitieve middelen mogelijk. Lijken blijven liggen met overal nog steeds de door IS en andere terreurgroepen voorheen gelegde mijnen. Die maken het leven er gevaarlijk en belemmeren de terugkeer der inwoners.

Al Tanf

En dan is er het vluchtelingenkamp van Rukban in de door de VS bezette zone van Al Tanf, een grensplaats op de cruciale autoweg van Damascus naar Bagdad in Irak. En die is van levensbelang voor beide landen. De Amerikaanse troepen daar ontbreekt het voor zover bekend aan niets. De tienduizenden vluchtelingen enkele kilometers verder hebben daarentegen amper iets.

http://www.novini.nl/amerikanen-hinderen-hulp-aan-vluchtelingen-in-zuidoost-syrie/

Het kamp is bezet door jihadistische bondgenoten van de VS, veelal smokkelbendes die zo flink geld verdienen aan de miserie van die mensen in Rukban. Waarom zorgt de VS niet voor een adequate bevoorrading in voedsel en voor de nodige medische zorg zoals hun soldaten wat verder die wel krijgen? Mensenrechten versie Washington en natuurlijk een groot schandaal.

Vluchtelingenkampen

Hetzelfde met de toestand in het vluchtelingenkamp van al Hol gelegen op een dertig kilometer van de provinciale hoofdstad Hasaka en niet ver van de Iraakse grens. Vluchtelingen, inclusief zwangere vrouwen en kleine kinderen, en krijgsgevangenen die soms al zwaar ziek of gewond zijn worden in simpele vrachtwagens naar al Hol gevoerd. Met doden onderweg.

Het is een kamp waar straks tegen de 100.000 mensen dicht bij elkaar opgepakt zitten, zowel leden van ISIS als hun slachtoffers. Een mooie mix. Het gevolg is dat veel mensen en kleine kinderen onderweg naar al Hol stierven.

Geen dollarcent

Men had miljarden dollars over voor het verjagen van de vroegere vrienden van ISIS en het vernielen van steden als Rakka, maar een Amerikaanse dollarcent voor hulp aan die mensen is er niet bij. Trump vroeg dan maar geld in Saoedi-Arabië. Maar die toonden zelfs op papier geen enkele interesse.

Typerend is dat de Amerikaanse president Donald Trump stelde dat de landen van de EU hun in al Hol gevangen zittende mensen, inclusief de harde kern van ISIS, moeten terugnemen. Tot vrij snel nadien een dame afkomstig uit de VS dat ook vroeg en op een neen botste bij diezelfde Trump.

Het vluchtelingenkamp van al Hol. Van enige officiële hulp vanuit de VS of de EU blijkt er geen sprake te zijn. Mensenrechtenbeleid heet dat.

 

EU-landen medeschuldig

Ook de EU, en België, zijn hier schuldig. Naast de hulp aan de oorlog tegen Syrië en steun aan die terreurgroepen bombardeerde ons land mee in Syrië. Echter zonder toestemming van ons parlement, de VN of de Syrische regering. Als dat geen oorlogsmisdaden zijn. Maar ook voor Brussel is bombarderen dus geen enkel probleem, helpen echter wordt gewoon verboden.

Israëlische bombardementen

In wezen is dit een luguber spel waarbij de gewone mens zoals steeds pasmunt is in de strijd om macht. Israël en de VS verloren de oorlog om Syrië dat zich traag aan het heropbouwen is en Israël is woedend. Sinds ze de nederlaag zag aankomen begon Israël met het regelmatig bombarderen van Syrië. Provocaties om zo een algemene regionale oorlog uit te lokken en hopend zo toch nog een overwinning in de wacht te slepen?

Geen echte terugtrekking

En dus is Trump onder druk van delen van zijn entourage en de zionistische lobby verder gegaan met het pesten van dat land. En zo komt er geen echte troepenterugtrekking zoals eerst afgesproken. De dag dat de VS zich terugtrekt uit de door haar bezette gebieden zou ook dit deel van Syrië kunnen herademen en het eveneens gedaan zijn met van honger en ontbering stervende kinderen. Maar ja, dan kan men geen druk meer uitoefenen.

http://www.novini.nl/toch-meer-amerikaanse-militairen-in-syrie/

Koerdisch vuil spel

Daarbij spelen de Koerdische links-nationalistische groepen PKK/YPG een heel vuil spel. In de hoop toch over dit gebied te kunnen blijven heersen collaboreren zij verder met de bezetters. Daar valt als steeds geld uit te halen. Kijk maar naar België tijdens de twee wereldoorlogen of naar andere voorbeelden uit de geschiedenis.

Dat het lijden van de mensen zo niet stopt kan hun klaarblijkelijk niet schelen. Het is geen toeval dat er in Rakka van enige hulp voor de wederopbouw vanwege ook de PKK/YPG geen sprake lijkt. De winst gemaakt met de verkoop van de door hun gestolen Syrische olie gaat zo te zien elders heen.

Troepen en supporters van de PKK/YPG. Zoals steeds dreigen de collaborateurs ook hier aan het kortste eind te zullen trekken. De vraag is alleen wanneer de VS hen zal laten vallen.

Maar als zij verstandig zijn dan zouden zij de samenwerking met de VS reeds lang gestopt hebben. Uit de analyse van augustus 2012 van de toestand in Syrië van de Amerikaanse militaire Veiligheidsdienst DIA blijkt trouwens dat de VS de provincie Hasaka, het zogenaamde thuisland van de Syrische Koerden, bestemden voor ISIS. Voor de YPG/PKK was er niets gepland. Washington had voor hen gewoon een flinke portie salafistische terreur voorzien. Zo gaat dat.

Na Mosoel ook Erbil

Pas toen ISIS en Aboe Bakr al Baghdadi, na de verovering in juni 2014 van de Iraakse stad Mosoel, dacht ook Erbil, de hoofdstad van de Iraakse Koerden van de clan Barzani, te moeten aanvallen, wijzigde de VS haar beleid. Men liet Baghdadi en zijn bende als een baksteen vallen en trok de kaart van de PKK/YPG. Zeker toen eind september 2015 de Russische luchtmacht in Syrië arriveerde.

Die Koerdische links-nationalisten zouden toch moeten weten wat hier aan de hand is. Zij zijn immers gewoon huurlingen en een tweedehands pasmunt. Vraag het eens in die vluchtelingenkampen waar het lijden ook op de rekening van de PKK/YPG kan geschreven worden.

Ze kunnen hun licht anders ook eens opsteken bij notoire figuren uit het recente verleden zoals de staatshoofden Hosni Moebarak uit Egypte, de Vietnamees Nguyen Van Thieu, de Irakees Saddam Hoessein, de Sjah van Iran en zoveel meer.

Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on

Donetsk, Loegansk en Oekraïne wisselen gevangenen uit

Deze week hebben de Volksrepublieken Donetsk en Loegansk gevangen uitgeruild met Oekraïne. In totaal zijn 73 krijgsgevangen naar Oekraïne teruggekeerd en ongeveer 230 krijgsgevangenen zijn teruggekeerd naar de volksrepublieken. Met deze eerste gevangenenruil is een grote stap gemaakt in het uitvoeren van het Minsk II-akkoord.

Hiermee valt de ruil van gevangenen lager uit dan gepland. Oorspronkelijk zouden 74 gevangenen terugkeren naar Oekraïne en 306 gevangenen terugkeren naar de volksrepublieken. Het verschil wordt volgens Kiev ten dele verklaard doordat Oekraïne eerder al een deel van de gevangenen zou hebben vrijgelaten omdat zij hun straf uit hadden gezeten, een ander deel zou niet terug willen keren. Er is echter minstens een geval bekend van een gevangene die vlak voor de ruil niet terug kon keren naar Donbass. Ook zijn 15 Russische staatsburgers niet uitgeleverd omdat deze als drukmiddel worden gebruikt om ‘Oekraïense burgers uit Russische gevangenissen te krijgen’.

De gevangenenruil is een grote stap in het uitvoeren van het Minsk II-verdrag, waarin onder anderen af is gesproken dat alle gevangenen van de oorlog onderling moeten worden uitgewisseld. Over de uitruil van gevangenen is het afgelopen jaar weinig beweging geweest. De laatste ruil heeft plaats gevonden in december 2016.

Het ruilen van de gevangen wordt bemoeilijkt doordat Kiev en de volksrepublieken het moeilijk eens worden over een lijst van gevangenen. Ondanks dat Minsk stelt dat alle gevangenen van een kant moeten worden geruild voor alle gevangenen van de andere kant, kunnen de partijen het slecht eens worden over wie tot de gevangenen behoren. Dit komt doordat gevangen door Kiev worden geoormerkt als ‘terrorist’ of ‘saboteur’ in plaats van als krijgsgevangenen.

Woensdag kondigden Alexander Zakharchenko en Leonid Pasechnik (respectievelijk leider van de Volksrepubliek Donetsk en Loegansk) al een amnestie voor de gevangen aan. Kiev heeft tot nu toe geen amnestie verleend aan gevangen van de volksrepublieken omdat zij van mening is dat eerst verkiezingen plaats moeten vinden in de volksrepublieken.

De gevangenenruil wordt voltrokken in een periode waarin de spanningen in Oost-Oekraïne opnieuw lijken toe te nemen. Eerder kondigde Canada aan wapens te zullen leveren aan Oekraïne. De Russische Federatie trok daarop haar militaire waarnemers terug uit de Minsk-contactgroep die het staakt-het-vuren controleert. Kort daarna kwamen de VS met de mededeling dat er Javelin anti-tanksystemen en geweren zouden worden geleverd.

Novini interviewde de vertegenwoordiger van de LNR voor de gevangenenruil, Olga Kobtseva in juli.

Posted on

“Oorlog heeft geen menselijk gezicht”

Beschietingen over en weer in Oost-Oekraïne trekken veel aandacht. Veel onbekender zijn de problemen waarmee de lokale bevolking zich geconfronteerd ziet. Novini sprak afgelopen zomer met Olga Kobtseva, vertegenwoordiger voor de Humanitaire Subgroep van de Contactgroep van Minsk II. Kobtseva vertegenwoordigt de Volksrepubliek Loegansk.

In dit interview vertelt Kobtseva over een aantal problemen die in de westerse wereld maar weinig bekend  zijn: de stroef lopende gevangenenruil tussen Oekraïne en de zelfuitgeroepen Volksrepublieken Loegansk en Donetsk. Ook het niet uitbetalen van pensioenen en het afsluiten van de watervoorziening komen in het gesprek aan bod.

Posted on

Noriega: van CIA-stroman tot Amerikaans gevangene

Manuel Noriega is niet meer. De ex-dictator van Panama overleed op 29 mei op 83-jarige leeftijd. Vorig jaar ontdekten artsen een hersentumor. In maart werd Noriega geopereerd en in een kunstmatige coma gebracht, waaruit hij niet meer is ontwaakt.

“Voor Saddam Hoessein was er Manuel Noriega”, schrijft The Guardian. De politieke carrière van de Panamese dictator vertoont grote overeenkomsten met die van de Irakese heerser. Alleen hun einde is anders: de een opgehangen, de ander overleden in een bed. Maar beiden genoten lang de steun van de Verenigde Staten. Totdat ze zich tegen hun beschermer keerden, die vervolgens met militaire overmacht een einde aan hun bewind maakte.

Tijdens zijn militaire studie in Peru in de jaren vijftig werkte Noriega al voor de CIA. In 1967 kreeg hij een spionage- en contra-spionage training op de beruchte School of the Americas in Fort Gulick, Panama, en een cursus psychologische oorlogsvoering in Fort Bragg in North-Carolina, de grootste militaire basis van de wereld (en in de jaren tachtig het centrum van waaruit de militaire interventies in Midden-Amerika plaatsvonden). In 1968 pleegde kolonel Omar Torrijos in Panama een militaire coup. Onder zijn bewind maakte Noriega snel carrière. Torrijos kwam in 1981 om het leven bij een mysterieus vliegtuigongeluk. Volgens John Perkins, voormalig NSA-agent en auteur van Confessions of an economic hitman, een actie van de CIA. De geheime dienst zag met lede ogen aan dat Torrijos contact zocht met Japan voor een nieuw te graven kanaal door Panama.

Luitenant-generaal Tom Kelly, plv. chef-staf van het Amerikaanse leger, legt tijdens een persconferentie op 21 december 1989 uit wanneer men het Panamakanaal weer open denkt te kunnen hebben.

Na de dood van Torijos werd Manuel Noriega de facto leider van Panama. In 1983 promoveerde hij zichzelf tot generaal. De machthebbers in Washington en Langley konden de nieuwe leider goed gebruiken. In 1979 verdreven de linkse Sandinista’s de Amerikaanse stroman Somoza, wiens familie vanaf 1927 Nicaragua had geregeerd. De Amerikanen bekeken het nieuwe bewind in Managua met argusogen. Dankzij de decennia oude CIA-contacten van Noriega kon de CIA Panama gebruiken als uitvalsbasis om het linkse regime in Nicaragua te ondermijnen. Lang voor de publicatie van de Panama Papers werd het land al gebruikt als doorvoerhaven voor geld, drugs en militaire goederen voor de Contra’s, die door de Verenigde Staten werden gesteund om het bewind in Managua ten val te brengen.

Noriega valt in ongenade bij Amerikaanse broodheren

Eind jaren tachtig viel Noriega in ongenade bij zijn Amerikaanse broodheren. In de jaren zeventig was de Panamese dictator begonnen met het leggen van contacten met het Colombiaanse Medellín drugskartel. Deze gebruikte Panama om hun drugsgeld wit te wassen. Een federale rechtbank in Florida klaagde de Panamese dictator aan op grond van drugshandel en afpersing. De CIA haalde Noriega van de loonlijst.

Amerikaanse militairen rijden in pantservoertuigen door Panama-stad op 23 december 1989, de vierde dag van de Amerikaanse inval. Bij de aanval kwamen honderden burgers om het leven en werden 15.000 mensen dakloos.

Een serie van incidenten, die uiteindelijk leidde tot de dood van een Amerikaanse soldaat, was de aanleiding voor de regering van George H. Bush om militair in Panama in te grijpen. Op 20 december 1989 vielen Amerikaanse troepen – vooral militairen uit Fort Bragg – het land binnen. Op 3 januari 1990 gaf Noriega, die zich had verscholen in de diplomatieke missie van het Vaticaan, over. Hij werd als krijgsgevangene naar de Verenigde Staten overgebracht. In september 1992 werd hij in Miami veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar (later omgezet tot 30 jaar). De claim van verdediging dat Noriega jarenlang op de loonlijst van de CIA had gestaan, werd als irrelevant afgewezen. Gevangene nummer 38699-079 werd in 2010 uitgeleverd aan Frankrijk, waar hij werd veroordeeld voor witwassen van drugsgeld. In 2011 werd hij op verzoek van de Panamese regering overgebracht naar de El Renacer-gevangenis in Panama.

Oude bekende van Bush

Manuel Noriega op bezoek bij George H.W. Bush

De relatie tussen Noriega en de CIA, en dan specifiek die met directeur George H. Bush, is intrigerend. Noriega had als student al contacten met de Amerikaanse veiligheidsdienst. Tussen 1971 en 1986 leverde hij de CIA informatie over Fidel Castro. In 1976 bezocht hij George Bush in Washington.

De opvolger van Bush als hoofd van de CIA haalde Noriega van de loonlijst, maar toen George H. in 1980 vice-president werd, ontving de Panamese dictator al snel weer een riant salaris van de CIA. De contacten tussen Bush en Noriega stammen al uit een eerdere periode. George Herbert Walker Bush richtte in 1953 Zapata Petroleum in Texas op. Een onderdeel van het bedrijf werd als CIA-front gebruikt. Van hier uit werden contacten gelegd met een zekere Manuel Noriega, drugssmokkelaar en CIA-medewerker.

In 1976 zorgde Bush, als CIA-directeur, ervoor dat de Cubaan Felix Rodriguez buiten schot blijft in het onderzoek naar de moord in Washington op een Chileense, pro-Allende diplomaat. Rodriguez, die claimde Che Guevara te hebben vermoord, was daarvoor ook actief binnen Operatie Phoenix, waarin onder auspiciën van de CIA tonnen heroïne Zuid-Oost Azië binnen werden gesmokkeld om het Noord-Vietnamese bevrijdingsleger te destabiliseren.

Hetzelfde scenario werd in de jaren tachtig uitgevoerd in de oorlog tegen de Sandinisten in Nicaragua: importeren van drugs in ruil tegen wapens om die door te verkopen aan rebellen. Wederom met Rodriguez als spil en vice-president Bush op de achtergrond (twee jaar voordat Oliver North in 1984 de operatie overnam). Generaal Noriega was maar graag bereid zijn oude vrienden te helpen en stelde vliegvelden open voor het transport van drugs en wapens. Saillant detail: Noriega werd gevraagd dit te doen door agenten van de Mossad, de Israëlische veiligheidsdienst, die hem toegang tot het Witte Huis – lees George H.W. Bush – beloofden. Wellicht grootspraak van een dictator in het nauw, maar Noriega claimde dat hij “Bush bij zijn ballen had”. Reden genoeg om in 1989 eens en voor altijd af te rekenen met de onbetrouwbare Panamese leider, die de clandestiene drugsoperaties steeds vaker voor eigen gewin ging gebruiken. Het was Noriega’s oude vriend Bush die hem afzette en gevangen liet nemen.

In het wereldbeeld van de CIA zijn dictators nuttige idioten die braaf hun vuile werk moeten doen. Worden ze ongehoorzaam of gaan ze op eigen houtje zaken regelen, dan is Washington er snel bij om zich van hen te ontdoen. Dat overkwam al vele dictators, zoals Ngo Dinh Diem, Saddam Hoessein of Bashar al-Assad. En dus ook ‘Our man in Panama’, Manuel Noriega.

Posted on

Adenauer, onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Wat een politiek leven! Het strekt zich uit van het keizerrijk, de republiek van Weimar, het nationaal-socialistisch bewind tot en met de Bondsrepubliek Duitsland. Steeds was Konrad Adenauer er bij. Op 19 april is het vijftig jaar geleden dat de eerste bondskanselier van Duitsland overleed.

Adenauer werd op 5 januari 1876 in Keulen geboren en zijn hele leven bleef zijn Rijnlandse herkomst zo duidelijk hoorbaar als zijn katholieke signatuur herkenbaar. Na zijn staatsexamen in de Rechten werkte hij als advocaat in Keulen. Als lid van de katholieke Zentrumspartei werd hij Beigeordneter (wethouder/schepen), vanaf 1909 Erster Beigeordneter (loco-burgemeester). Zo nam hij bij gelegenheid de honneurs waar voor de Oberbürgermeister, een oom van zijn echtgenote.

Burgemeester van Keulen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog legde Adenauer op het Voedingsdepartement opmerkenswaardige creativiteit aan de dag. Een door hem gebakken brood van rijst en maismeel liet hij als “Keuls brood” patenteren. Omdat zijn surrogaatstoffen weinig smakelijk waren, noemden de Keulenaren hem “Graupenauer”. Niettemin werd hij in 1917 door de gemeenteraad tot Oberbürgermeister gekozen. Een decreet van de koning van Pruisen maakte hem tot de jongste Oberbürgermeister van zijn tijd.

Adenauer als burgemeester van Keulen, in gesprek met rijksminister van Oorlog Wilhelm Groener, bij de tewaterlating op 1 mei 1928 van de kruiser ‘Köln’ in Wilhelmshaven (foto: Bundesarchiv)

Hij bekleedde dit ambt tot 1933 en na 1945 zou hij het nog enige tijd bekleden. Beduidend korter was zijn lidmaatschap van het Pruisische Herenhuis, waarvan hij uit hoofde van zijn ambt als Oberbürgermeister van Keulen zitting had. Het revolutiekabinet van SPD en USPD hief de Eerste Kamer van de Pruisische landdag in 1919 op. Dat schaadde de politieke loopbaan van Adenauer echter niet. Van 1920 tot 1930 was hij voorzitter van de Pruisische Staatsraad. Herhaaldelijk werd hij genoemd als kandidaat voor het ambt van rijkskanselier, ofschoon hij zich hard maakte voor een scheiding van Pruisen en een autonoom Rijnland.

Koning van het Rijnland

Uiteindelijk bleef de “koning van het Rijnland” echter steeds burgervader van Keulen, van dat ambt was hij zeker. Minder bedachtzaam was hij toen hij zich in 1928 vergaloppeerde met speculatie in aandelen glanszijde. Toen zijn schulden in de openbaarheid dreigden te komen, leende hij een aandelenpakket en deponeerde het bij de Duitse Bank. Die stelde aansluitend dat Adenauers conto vereffend was. De episode schijnt kenmerkend te zijn voor de sluwheid van Adenauer.

Van vergelijkbare kwaliteit waren zijn eerste ‘conflicten’ met de nationaal-socialisten. Die hadden in 1931 Hakenkruisvlaggen aan de brug over de Rijn gehangen. Adenauer liet ze verwijderen. De daaropvolgende woede van de nazi’s wimpelde hij af. De actie was met de districtsleiding van de NSDAP afgesproken; er stond tegenover dat Adenauer het hijsen van de vlaggen voor de beurshallen, waar Hitler werd verwacht, toestond.

In 1934 wees Adenauer de nationaal-socialistische minister van Binnenlandse Zaken er op, dat hij daarmee tegen een decreet van de Pruisische SPD-minister van Binnenlandse Zaken was ingegaan. Dat was nadat Adenauer in 1933 het ambt van Oberbürgermeister van Keulen verloren had en in de abdij van Maria Laach onderdak had gevonden. De tijd tot het einde van de nazi-heerschappij zat Adenauer uit als gepensioneerde, hij werd keer op keer lastig gevallen door de nazi’s, maar financieel zat hij er droogjes bij en in de juridische strijd om schadeloosstelling had hij door de bank genomen succes.

In mei 1945 was hij weer terug. De Amerikanen zetten hem opnieuw als Oberbürgermeister van Keulen in, maar Keulen werd deel van de Britse bezettingszone en de Britten gooiden hem er weer uit. Hij zou zich niet genoeg voor de bevoorrading van de bevolking ingezet hebben.

Onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Als ambteloos burger concentreerde Adenauer zich nu op de opbouw van een politieke partij. In 1946 nam hij de leiding van de CDU in de Britse bezettingszone. Doelbewust bouwde hij zijn positie uit. Carlo Schmid (SPD) noemde hem “de eerste man van de te scheppen staat, nog voordat die bestaat”. En dat werd hij inderdaad. De Bondsdag koos Konrad Adenauer op 15 september 1949 als eerste bondskanselier van de pas opgerichte Bondsrepubliek Duitsland – met een meerderheid van slechts één stem, die van Adenauer. Dat was het begin van een lang tijdperk. Nog driemaal, namelijk in 1953, 1957 en 1961 werd hij herkozen, schijnbaar alternativlos in zijn tijd.

Het zwaartepunt van zijn kanselierschap lag voor Adenauer bij de internationale betrekkingen.

Het waren jaren van beslissende keuzes. Reeds voor zijn verkiezing had Adenauer Bonn als provisorische hoofdstad doorgedrukt. Uit electorale overwegingen zette hij zich er voor in dat West-Berlijn geen volwaardige deelstaat werd. Hoezeer Adenauer al het andere ondergeschikt maakte aan de politiek, blijkt bijvoorbeeld uit een voorgenomen bomaanslag tegen de bondskanselier in 1952. Afzender van de bom was de joodse ondergrondse organisatie Irgun, opdrachtgever zou de latere Israëlische premier Menachem Begin zijn geweest. De wezenlijke feiten kende men in Bonn. Ze werden echter geheim gehouden om antisemitische reacties te voorkomen.

Hoe dan ook was het buitenlandbeleid voor Adenauer het zwaartepunt van zijn kanselierschap. Van 1951 tot 1955 was hij zelfs tegelijk bondskanselier en minister van Buitenlandse Zaken. Nauwe banden met het Westen, in het bijzonder met de Verenigde Staten, en een verenigd Europa waren zijn voornaamste doelen. Mijlpalen hierin waren de oprichting van de Bundeswehr, de toetreding tot de NAVO, de erkenning als enige legitieme regering van Duitsland, het Duits-Franse Vriendschapsverdrag (beter bekend als Élysée-verdrag) en de verzoening met Israël.

Voor het oordeel van de publieke opinie bleef zijn grootste prestatie echter de terugkeer  van de krijgsgevangen uit de interneringskampen van de Sovjet-Unie. Adenauers bereidheid om ook mensen die ten tijde van het nazi-bewind een ambt hadden vervuld in overheidsdienst te nemen, kwam hem daarentegen naderhand op heftige kritiek te staan. Tegelijkertijd voer hij een stramme koers tegen communisten, dwong hij een verbod van de KPD af en eiste hij per ‘Adenauer-decreet’ trouw aan de grondwet van overheidsdienaren.

In 1961 werd Konrad Adenauer nog eenmaal als bondskanselier verkozen (foto: Bundesarchiv).

Zijn laatste verkiezing tot bondskanselier kon hij in 1961 alleen met de belofte veiligstellen, dat hij voor het einde van de zittingsperiode van de Bondsdag plaats zou maken voor een opvolger. Het publieke debat over de Spiegel-affaire, waarin journalisten van weekblad Der Spiegel met rechtsvervolging wegens landverraad te maken kregen, bespoedigden Adenauers afscheid van de regering. In 1963 trad hij af, de 87-jarige bondskanselier stond toen inmiddels bekend als ‘Der Alte’.

Tot het einde van zijn leven bleef hij politiek actief en strijdlustig. Zes dagen voor zijn dood verbreidde zich een prematuur bericht over zijn overlijden. Dit leidde tot wereldwijde betuigingen van deelneming. Adenauer zal er nota van hebben genomen. De eerste bondskanselier van Duitsland stierf op 19 april 1967 op de leeftijd van 91 jaar in zijn huis in Rhöndorf.