Posted on

Naoorlogse verzetshelden waarschuwen voor Baudet

De wanhoop slaat nu toch echt toe! Zelfbenoemd ‘weldenkend’ Nederland weet nu echt niet meer hoe ze Baudet moet stoppen. Ruim een week geleden werd er tijdens een antiracisme-demonstratie opgeroepen Baudet neer te schieten; het journaille en de intellectuele goegemeente was er als de kippen bij om deze moordoproep te bagatelliseren. Bijna dagelijks zitten ‘pratende hoofden’ in een van de vele talkshows te fulmineren tegen Baudet en het Forum voor Democratie. Opiniepagina’s van de dagbladen staan dag-in dag-uit vol met alarmerende schrijfsels over de filosoof-politicus en redactionele commentaren maken voortdurend hysterische vergelijkingen tussen de opkomst van Baudet en – natuurlijk – de jaren dertig van de vorige eeuw. Een al lang uitgerangeerde cabaretier schreeuwde onsamenhangende anti-Baudet kreten tijdens het herdenkingsmoment voor de slachtoffers van de aanslag in Utrecht bij de opening van het Boekenbal. Men zit kortom met de handen in het haar. Waarom wil het domme volk maar niet luisteren?!

“Volwassen politici”

Een laatste bedroevende bijdrage aan de dagelijkse stroom van anti-Baudet geluiden levert filosoof en Trouw-redacteur Leonie Breebaart. In het Letter&Geest-katern van 30 maart steekt ze al vanaf zin 1 met grof geschut van wal: “In de week voor de Maand van de Filosofie sloeg Thierry Baudet alle taboes aan diggelen die volwassen filosofen – en volwassen politici – proberen te respecteren, en die je kunt samenvatten als: doe niet of je een goddelijke ziener bent en hou je aan de feiten.”

Breebaart suggereert hier nogal wat in één zin. Baudet is geen volwassen filosoof en geen volwassen politicus, hij noemt zichzelf een ‘goddelijke ziener’ en hij houdt zich niet aan de feiten. Daarnaast verwijt de redacteur tussen neus en lippen door dat Baudet taboes doorbreekt. Laat het nu juist de generatie linkse journalisten zijn die er prat op gaat overal en nergens taboes te willen doorbreken! Maar Baudet, die schopt tegen het linkerbeen, verstoort het progressieve feestje.

Bodar op de korrel

Wie is Breebaart om vast te stellen wie wel volwassen is en wie niet? Welke criteria hanteert de filosoof/redacteur daarvoor? Op z’n minst mag je daarvan toch wel een verantwoording verwachten van iemand die zichzelf filosoof noemt? Maar de Trouw-redacteur suggereert heel geniepig dat Baudet, in tegenstelling tot zijn tegenstanders, een kind is. En kinderen hoef je niet serieus te nemen. Dat blijkt al uit de volgende alinea, waarin Breebaart Antoine Bodar, die zeldzaam moedig in Buitenhof het opnam voor Baudet, op de korrel neemt. De priester had de leider van het Forum vergeleken met een gymnasiast. Breebaart schampert daarover: “Ach ja, die goeie, ouwe puberteit, toen je grootse visies de wereld in slingerde in de hoop heel geleerd over te komen.” Nee, de redactie van Trouw is dat stadium allang ontgroeid. Daar werken alleen heel volwassenen mensen.

“Het land beschermen”

Want volgens Breebaart zelf behoort zij tot de groep mensen die het land beschermen, maar die Baudet wegzet als vijanden: “En dus dat degenen die ons in werkelijkheid beschermen tegen de macht van een leider – wetenschappers, journalisten, bestuurders – weggezet moeten worden als vijanden van het volk.” Het staat er echt. Wetenschappers, journalisten en bestuurders die “ons” moeten beschermen. Wat een gotspe, wat een eigendunk, wat een arrogantie!

(Non-)conformisme in de wetenschap

Wetenschappers die bijvoorbeeld werkzaam zijn bij een van de overheidsinstellingen, zoals een Planbureau, en die braaf opschrijven wat een ministerie wil horen. Wetenschappers die zo overtuigd zijn van hun eigen theorieën, dat ieder afwijkend geluid de mond wordt gesnoerd. Neem bijvoorbeeld promovendus Joris van Rossum van de VU in Amsterdam. In zijn proefschrift haalde Van Rossum, niet christelijk, de evolutietheorie van Darwin onderuit. Hij kon een baan in zijn vakgebied vergeten.

Gekochte journalisten

Journalisten die braaf op- of beter overschrijven wat een ministerie of inlichtingendienst hen voorkauwt. Udo Ulfkotte heeft dit overtuigend aangetoond in zijn boeken, zoals ‘Gekochte journalisten’ (Uitgeverij De Blauwe Tijger). Journalisten, die acht jaar lang hijgerig en kwijlend achter president Obama hebben aangehobbeld, maar die sinds 2016 Trump wegzetten als een levensgevaarlijk man. Trouw kopte op 31 maart nog: “Donald Trump regeert als een koning die geestelijk niet tegen zijn taak is opgewassen”. Alweer een kind, net als Baudet. Verslaggevers die twee jaar lang ongenuanceerd en kritiekloos berichten over Russische beïnvloeding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar vervolgens het Mueller-rapport – dat als conclusie heeft dat er geen enkel bewijs van beïnvloeding is – in twijfel trekken. En dat noemt zich kwaliteitsjournalistiek. Journalistiek als verdienmodel is een betere naam (Perscombinatie, salaris Van Nieuwkerk, etc.).

Reductio ad hitlerum

Bestuurders die hun sociale media-kanalen gebruiken voor het rondsturen van berichten waarin Baudet en het Forum voor Democratie een-op-een geassocieerd worden met het nationaal-socialisme. Als het Forum inderdaad de grootste partij van Nederland wordt, verwacht ik al snel ‘Baudet-vrije’ gemeenten. Want de bestuurders in dit land zijn echte verzetshelden.

Breebaart zingt in dat koor lustig mee. “Nieuw-rechtse bewegingen”, “extreem-rechtse Polen”, “omvolking”, “sterke leider”: de column van de redacteur grossiert in dit soort grove associaties en beschuldigingen. Beschermers? Tendentieuze rioolratten, die een klimaat creëren dat erger is dan dat van 2002. De demonisering neemt beangstigende vormen aan. Was het in 2002 nog ‘Stop de Hollandse Haider’, nu leest men zwart op wit of tussen de regels door ‘Stop de Hollandse Hitler’. De wanhoop van de linkse elite kent geen grenzen meer. Wie herinnert zich niet de schreeuwende Alexander Pechtold in De Balie in Amsterdam? Er hoeft maar een gek op te staan…

Posted on

Voorjaarsstemming #GR2018

Het was deze week de eerste echte lenteweek van het jaar. Overal aan de weg staan narcissen en sneeuwklokjes die je toelachen. En daarnaast word je ook nog eens toegelachen door honderden lokale politici die overal op hun paasbest op de billboards staan. Prachtige koppen zitten ertussen. Ik bedoel, de kreten en slogans zijn totaal nietszeggend en inwisselbaar, dus ik kijk eigenlijk alleen naar de hoofden. Vinexpapa’s met maatpak en merkbril van de VVD, volkse en vadsige PvdA’ers met een wat bevoogdende blik en montere en opgeruimde boerenkoppen van het CDA. En daartussen allerlei naïef idealistisch jongvolk en een bont scala aan politieke opportunisten en excuustruzen die net te veel hun best doen om innemend en betrouwbaar te kijken.

Het mooie van die lokale verkiezingen is dat er in de kleinere dorpen en steden nog van die mensen op de posters staan waaraan je meteen ziet dat het lokale zwaargewichten zijn. Meestal van CDA, SGP of iets lokaals. Mensen van het midden die er voor de hele gemeente zitten. Niet voor een bepaald deel van de bevolking, niet voor een bepaald belang, of een ideologie. Nee, gewoon ‘Vriezenveen vooruit’, ‘Samen Sterk’, of nog beter: Stem Kees van Dalen! Want op een paar uitzonderingen na kan iedereen wel met Kees overweg. En Kees met iedereen. Dat vind ik nou mooie politiek. En ik heb geluk, want in het pittoreske Houten hebben wij een (CDA)lijsttrekker met zo’n charismatische kop.

Ik heb de vorige keer wat anders gestemd, ik ben ook nergens lid van en krijg helaas van niemand wat betaald. Maar wij hebben er hier echt één op de borden. Nota bene in een forensenstad pur sang. Ongetwijfeld is hij van te voren goed opgepoetst en achteraf nog wat gefotoshopt, maar kijk nou zelf eens. Een glimmende bourgondische lach van oor tot oor. Niet zo’n zelfvoldaan ons-kent-ons VVD-lachje, of zo’n zure groenlinkse grimas. Nee, gewoon een opgewekt en monter smoelwerk. Een Lubberiaanse wenkbrauwpartij die laag boven de ogen blijft, wat betekent dat er ook een degelijke en waakzame gereformeerde van binnen zit. Zodat ik redelijk gerust kan zijn dat mijn zuurverdiende belastinggeld niet in allerlei idealistische proefballonnen verdwijnt. Iemand die, wat de linkse zwevers en de rechtse schreeuwers allemaal weer overhoop willen gaan halen, zorgt dat al die dingen eerst eens heel erg lang en rustig worden bekeken. En die na afloop van de vergadering met iedereen gemoedelijk een biertje kan gaan pakken. Kijk, zo lang er nog zulke koppen op de borden staan is nog niet alles verloren in dit land, denk ik dan maar. Ik ga in ieder geval op Kees stemmen.

Posted on

Bespiegelingen in Washington

Capitool Washington

Zo doordacht en systematisch de internationale, seculiere homobeweging is georganiseerd, zo onbeholpen en ongestructureerd zijn de internationale netwerken van christenen die actief zijn in het publieke domein. Zo heeft het COC een internationaal vertakt netwerk, dat planmatig lobbyt bij de VN, de OVSE, de Raad van Europa, maar ook bij het Amerikaanse Congres en de Afrikaanse Commissie. Daar steken christelijke netwerken mager bij af. Sterker: hier laten zij veel kansen onbenut.

Wie even de moeite neemt om op zoek te gaan naar de talloze doorwrochte rapporten van Amerikaanse, christelijke denktanks staat versteld van de informatie die hier ligt opgeslagen op het terrein van het huwelijk, gezin, levensbescherming, etc. Nog verbazingwekkender is het, dat bijvoorbeeld Europese christenpolitici hier nauwelijks uit putten. Eigenlijk is dit pas goed tot mij doorgedrongen toen christenpolitici in Nederland en andere Europese landen werden gedwongen te debatteren over de consequenties van adoptie door homoparen. In de VS is hierover veel materiaal beschikbaar, wat door ons nauwelijks ontsloten en benut wordt.

Hoewel de mogelijkheden voor kennisuitwisseling en persoonlijk contact vandaag groter zijn ooit, krijg je de indruk dat leidende christenen uit het negentiende-eeuwse Reveil serieuzer gebruik maakten van hun contacten met buitenlandse geestverwanten dan wij.
Ook binnen de boezem van de SGP is deze tekortkoming gesignaleerd. Om die reden is in het laatste jaarplan van deze partij opgenomen, dat er een grondige inventarisatie moet komen van bestaande relevante internationale christelijke netwerken. Vervolgens dient bezien te worden hoe aan deze netwerken vruchtbaar kan worden deelgenomen.

Verbinding
Gelukkig hoeven we niet helemaal bij nul te beginnen. Het ‘Transatlantic Christian Council’ (TCC) wil Europese en Amerikaanse christenen en conservatieven verbinden in een netwerk met als doel het overheidsbeleid in christelijk-conservatieve zin te beïnvloeden. In dat licht organiseerde zij onlangs in Washington een congres waarbij politici en leiders van denktanks uit vele landen met elkaar nadenken over de vrijheid van godsdienst in samenlevingen die steeds meer worden gedomineerd door seculiere meerderheidsopvattingen. Nog belangrijker dan deze bezinning zijn echter de concrete voornemens om de vele christelijke denktanks in zowel de VS als in Europa te verenigen in een trans-Atlantisch netwerk. Het ideaal is om vanuit het christelijk geloof en vanuit christelijke waarden en deugden het maatschappelijk middenveld weer vitaal te maken en zo de westerse cultuur opnieuw te voorzien van een moreel fundament. Een fundament dat het liberalisme nimmer kan bieden.

[note color=”#F4FDFF”] Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden met een internationale focus: Volg Novini!

[/note]

Zonder twijfel een verreikend streven. Het zal niet meevallen in deze streng geseculariseerde tijd. ‘Er is enkel de strijd om te heroveren wat verloren ging, gevonden werd, en weer verloren, telkens opnieuw; en nu in omstandigheden, die ongunstig lijken’ (T.S. Eliot).
De SGP vindt het de moeite waard om haar steentje hieraan bij te dragen. Het zou goed zijn als het CDA, dat opnieuw het maatschappelijk middenveld lijkt te hebben ontdekt, maar ook de ChristenUnie deze handschoen zouden oppakken. Zo ligt het voor de hand dat de wetenschappelijke bureaus van de christelijke partijen gaan participeren in dit netwerk en hun agenda’s op elkaar afstemmen. Maar ik zie ook kansen voor de Kamerfracties. Een doordachte en succesvolle motie op het terrein van het gezin, zou niet alleen zijn werk kunnen doen in de Tweede Kamer, maar ook in de Amerikaanse politiek. Laten we profiteren van elkaars creativiteit en kennis delen. Op hoop van zegen!

Christofobie
Het congres dat werd georganiseerd door het TCC was inhoudelijk zeer de moeite waard. Zowel in de VS als in Europa zijn seculiere politici en media laks als het gaat om het aan de kaak stellen van christenvervolging in grote delen van de wereld. Dit werd door zowel Europese (Rocco Buttiglione) als door Amerikaanse politici (Frank Wolf, lid van het US-Congress) in stevige bewoordingen vastgesteld tijdens het congres. Zij spraken zelfs van christianofobie.
Ik vroeg Buttiglione waar die christianofobie van seculieren toch vandaan komt. Zijn antwoord was: ze schamen zich voor ons. Ze kunnen zich gewoon niet voorstellen dat christenen zo dom zijn om zich te laten discrimineren en vervolgen vanwege hun geloof. Ze begrijpen daar niets van en ze vinden het gênant om daarvoor openlijk op te komen.

Dit vond ik verrassend. Het impliceert dat christenen nog beter moeten uitleggen wat geloof voor hen omvat en dat het hun leven doortrekt. Ze zullen moeten kunnen uitleggen wat het betekent dat Christus hun leven ís. Nu weet ik wel dat we hiermee de weerstand tegen christenen niet helemaal wegnemen. Zoals Christus werd gehaat, zullen Zijn volgelingen worden gehaat. Maar verantwoording afleggen van je geloof blijft geboden.

Beoefening
Zoals gezegd zijn er initiatieven om leidende christenen uit de VS en Europa in een netwerk bijeen te brengen en krachten te bundelen. Het is niet goed als dit een westers onderonsje blijft. In Azië en Afrika groeit het christendom. Wat kunnen wij van hen leren als het gaat om de confrontatie met andersdenkenden? Waarin slagen zij waar wij falen? De relatief jonge kerken in Afrika en Azië kennen meer lenigheid en flexibiliteit ten opzichte van de omringende cultuur dan de oude, gevestigde kerken in Europa. Maar er moet méér van hen te leren zijn.

Een vervolgvraag is hoe christenpolitici het meest effectief opkomen voor de vrijheid van christenen. Amerikaanse christenpolitici strijden voluit voor vrijheid voor ieder geloof: islam, hindoeïsme, christendom, etc. Dit vind ik lastig. Moet de overheid geen onderscheid maken tussen verschillende godsdiensten? Mag zij – als dienares van God – waarheid en leugen over één kam scheren? Of mogen christenpolitici in het publieke domein voluit de godsdienstvrijheid van een ieder verdedigen en de waarheidsclaim aan het domein van de kerk overlaten? Dit zal een worsteling blijven en ik hoop dat we die worsteling nooit helemaal passeren.

Sprekend over de rol van religie in het publieke leven blijft één ding voorop staan. Christenen moeten voorkomen dat bespiegeling het wint van beoefening. We hebben mensen nodig die het onder een kopje koffie over de liefde van Christus kunnen hebben. Daar kan geen Kamerzetel van CDA, CU of SGP tegenop.

Posted on

Terugkeer tot orde: Van een losgeslagen economie naar een organische christelijke samenleving – Waar we geweest zijn, hoe we hier zijn aanbeland en waar het naartoe moet

Onlangs sprak de Amerikaanse publicist John Horvat in diverse steden in de Lage Landen, waaronder Brussel, Amsterdam en Gent over zijn boek Return to Order. Hieronder volgt de tekst van zijn toespraak (vertaling: Jonathan van Tongeren).

John HorvatDames en heren, laat ik beginnen met te zeggen hoe vereerd ik ben om hier te mogen zijn en met u wat overwegingen te delen over een onderwerp dat voor ons allen een voorwerp van bezorgdheid is. Dat onderwerp is de hedendaagse crisis die we zo ongeveer overal om ons heen zien. Er is de crisis in de Kerk, crisis in het onderwijs of crisis in het gezin.

Maar waar ik het vandaag over zou willen hebben is een bijzonder ernstig onderdeel van de algemene crisis, namelijk de crisis in de economie. Het is geen geheim dat de wereldeconomie in problemen verkeert. Zaken werken niet zoals ze zouden moeten werken. Overal zien we overmatige schuld, falend leiderschap en fiscale onverantwoordelijkheid. Men heeft het gevoel overweldigd en uitgeput te worden door de crisis – het staat in geen verhouding tot onze middelen. En voor velen is het niet precies duidelijk hoe we hier mee om zouden moeten gaan. Wat is de oorzaak van deze crisis? Waar strijden we precies voor? Waar zoeken we onze oplossingen?

Dit zijn vragen die besproken worden in het boek ‘Return to Order. From a Frenzied Economy to an Organic Christian Society – Where We’ve Been, How We Got Here and Where We Need to Go’ (Terugkeer tot orde: Van een losgeslagen economie naar een organische christelijke samenleving – Waar we geweest zijn, hoe we hier zijn aanbeland en waar het naartoe moet). Het is een boek over economie. Het is een boek over morele waarden. Wat meer is, het is een boek over economie én morele waarden. Want dat is wat we nodig hebben om zowel onze maatschappij als onze economie weer op de juiste koers te krijgen.

Laat ik, bij wijze van toelichting, vermelden dat ik dit onderwerp voor het eerst begon te onderzoeken in 1986. Ik raakte betrokken toen de oprichter van de eerste afdeling van Tradition Family Property (TFP), de Braziliaanse TFP, prof. Plinio Corrêa de Oliveira mij en vijf of zes andere Amerikanen uitnodigde mee te doen in een studiegroep over economie, die hij pragmatisch ‘de Amerikaanse Werkgroep’ noemde.

Prof. De Oliveira meende dat Amerika en het Westen op zekere dag een grote economische crisis zouden ondergaan ten gevolge van een losgeslagen economie. Hij zei dat we moesten onderzoeken hoe christelijke beschaving omging met economische vraagstukken; we zouden een katholiek antwoord moeten ontwikkelen. Zodoende hebben we ons in de Amerikaanse Werkgroep in de loop van de jaren zo nu en dan met deze kwesties bezig gehouden. En in de laatste zes of zeven jaar hebben we ons aan een intens studieprogramma gewijd. En het resultaat is een boek dat uitlicht waar het in onze economie en onze maatschappij verkeerd is gegaan. Belangrijker nog, het boek wijst in de richting van echte oplossingen gebaseerd op christelijke principes. In de loop van deze toespraak zou ik dan ook drie dingen willen doen. Ten eerste wil ik bespreken waar het verkeerd is gegaan in onze economie door de wortel van de huidige socio-economische crisis te analyseren. Ten tweede wil ik oplossingen bespreken door te bezien wat voor maatschappij we ons zouden moeten wensen. Ten slotte wil ik uitleggen hoe we naar een terugkeer tot orde toe zouden kunnen werken.

Wat de crisis aangaat, laat ik beginnen met te zeggen dat ik denk dat ons probleem ten diepste een geestelijk probleem is. Het gaat niet slechts om werkloosheid. Het gaat niet slechts om begrotingstekorten of het beleid van de centrale bank. Het is ook niet slechts goddeloosheid en immoraliteit. Dit zijn allemaal symptomen van agitatie diep binnenin de ziel van de moderne mens. We verkeren niet slechts in onze huidige staat doordat deze problemen hun intrede hebben gemaakt in onze levens maar bovenal doordat morele waarden er aan onttrokken zijn. Mijn stelling is dat economische instabiliteit niet zomaar ontstaat; we veroorzaken het wanneer we ons ontdoen van morele waarden, instituties en gebruiken. Een immorele maatschappij komt niet zomaar uit de lucht vallen, we laten deze ontstaan wanneer we ons losmaken van onze christelijke wortels en onze vitale tradities. Wanneer we deze zaken verliezen, zetten we zelf de deur open die het een vijandige cultuur toelaat om binnen te vallen, doordat moraal en economie ondermijnd worden. We zetten zelf het proces in gang waardoor we onze vrijheden kwijt raken, de economie begint te rafelen en het geloof van mensen vernietigd wordt. Mijn stelling is dat de wortel van wat er met onze economie en onze maatschappij aan de hand is in een socio-economische oorzaak gelegen is. Ik herleid het tot onze cultuur van onmiddellijke bevrediging – wat we onze feesteconomie zouden kunnen noemen.

Losgeslagen onmatigheid
Denk er maar eens over na. Mensen laten het geloof niet achter zich omdat ze gemarteld en vervolgd worden (momenteel althans niet). Nee, mensen laten het geloof achter zich omdat ze worden opgenomen door een cultuur die hen ieder denkbaar pleziert op elk denkbaar moment biedt en de indruk wekt dat iedereen het doet. We hebben geen een-kind beleid dat mensen dwingt abortussen te ondergaan, maar de algemene opvatting van mensen is dat als je een kind krijgt, je niet aan het feest mee kunt doen. In mijn boek noem ik deze drang tot onmiddellijke bevrediging ‘losgeslagen onmatigheid’ (LO). Losgeslagen onmatigheid is een roekeloze en rusteloze geest in bepaalde sectoren van de moderne economie die ons ertoe brengt legitieme beperkingen af te werpen en alle verlangens te bevredigen. Het schept een economie en een samenleving die losgeslagen en uit balans zijn. Vergis u niet, ik heb het niet over hebzucht of algemeen voorkomende ambitie; die zijn er altijd geweest en daar weet de vrije markt raad mee. Ik heb het niet over gewone ondernemingszin, die hebben we nodig. Nee, dit is iets dat mensen er toe brengt het hele idee van matiging te verachten en geestelijke, religieuze, morele en culturele waarden, die normaal dienen om de economische activiteit te ordenen en te matigen, bespotten. Je kunt deze LO aan het werk zien in losgeslagen markten en nieuwerwetse investeringsinstrumenten en hoog-risico derivaten die overal in de financiële wereld te vinden zijn. Je kunt het zien in speculatieve luchtbellen – zoals de ‘sub prime’-hypotheekcrisis van 2008. Of in de omvangrijke schuld. Het is een haast irrationele factor die de toon zet voor grote delen van de zakenwereld en uiteindelijk vrije markten vernietigd.

Maar waar u en ik de effecten van deze losgeslagen onmatigheid het meeste zien is in onze dagelijkse levens – in onze losgeslagen levensstijl. Onze gehaaste en hectische agenda’s. Onmiddellijke bevrediging is aan de orde van de dag. We moeten alles nu hebben, meteen, ongeacht de gevolgen. Het moet de laatste en de beste versie zijn; het moet nieuw en verbeterd zijn, 5.0, 6.0 of zelfs 7.0. Consumenten worden aangemoedigd om veel meer uit te geven dan hun middelen toelaten met een muisklik of een simpele beweging met een creditcard. Ik zag laatst een voorbeeld van LO in de Wall Street Journal waar ze het hadden over hoe men zijn CV op Twitter kan presenteren, ze gaven tips hoe je je hele leven kon terugbrengen tot een Tweet van 140 tekens.

Politici mengen zich in de losgeslagen onmatigheid door met roekeloze overgave uit te geven. Centrale banken gebruiken allerlei trucs om de effecten van losgeslagen markten te milderen. We verwachten allemaal van onze overheden dat ze als gouvernantes van laatste toevlucht optreden en al onze misstappen compenseren wanneer het fout loopt en dan hopen we maar dat het probleem vanzelf weg gaat. Maar de waanzin gaat gewoon verder.

Om een vergelijking te maken, zouden we kunnen zeggen dat een vrije markteconomie als een heel gezond en robuust menselijk lichaam is. Het is in staat hard te werken en een enorme rijkdom te genereren. Maar er is ook een drug genaamd LO die binnendringt in de vaten van dit gezonde lichaam en vernieling aanricht in zijn systemen. Het kan zelfs de spieren stimuleren nog harder te werken en het lichaam hyperactief maken. Maar het schept een enorme onbalans die er dikwijls toe leidt dat het hele systeem vastloopt.

Crisis is de norm, niet de uitzondering
Dit losgeslagen systeem en zijn constante vastlopen tekenen de geschiedenis van de moderne economieën. Naarmate de tijd vordert worden de krachs steeds groter en gevaarlijker. Nouriel Roubini en Stephen Mihn beweren in hun boek Crisis Economics dat in dit systeem “crises de norm zijn, niet de uitzondering. Dat wil nog niet zeggen dat alle crises het zelfde zijn. Verre van: de details kunnen van ramp tot ramp verschillen en crises kunnen hun oorsprong vinden in uiteenlopende problemen in verschillende sectoren van de economie.” Maar in het algemeen zijn crises de norm. Zoals Mervyn King, de vorige directeur van de Bank of England, in 2010 opmerkte: “Bankencrises zijn endemisch aan de markteconomie die sinds de Industriële Revolutie is ontstaan. De woorden ‘bankieren’ en ‘crises’ zijn vanzelfsprekende bedgenoten.”

Feesteconomie
De moderne economie heeft deze crises en krachs lange tijd overleeft. Maar nu neemt het probleem monstrueuze proporties aan. Ons probleem is dat deze drug van losgeslagen onmatigheid onze robuuste economie ondermijnt en nu domineert; het zet de toon. Het verscheurt onze economie en onze maatschappij. Het erodeert ons geloof. We hebben delen van onze economie omgevormd tot een feesteconomie die nooit op lijkt te houden; we hebben hele volksstammen met creditcards uitgerust met steeds toenemende bestedingslimieten en maandelijkse betalingen. Het verrast me niet dat we ons genoodzaakt zien tot het inbrengen van gigantische hoeveelheden kapitaal en tot ‘quantitative easing’ (kwantitatieve geldverruiming) in onze losgeslagen markten, alleen maar om het feestje gaande te houden.

Het verrast me niet dat onder deze omstandigheden het menselijke element, zo essentieel voor het behoorlijk functioneren van de maatschappij en de economie, is afgenomen. In deze context wordt geld de voornaamste overweging; het heerst. Moderne economische activiteit wordt kil en onpersoonlijk, mechanisch en star. Het wordt vol van onmenselijke regels en regelgeving in een ijdele poging de onmatigheid in te snoeren, waarbij men een parallelle regelgevende onmatigheid creëert. Om een voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk te geven, het handboek regelgeving van de Britse Autoriteit Financiële Diensten (FSA) telt tien hoofdstukken. Het hoofdstuk ‘Prudentiële Normen’ is onderverdeeld in elf subhoofdstukken. Het subhoofdstuk ‘Prudentiëel Bronnenboek voor Banken, Vastgoedmaatschappijen en Investeringsfirma’s’ bestaat uit veertien sub-subhoofdstukken. Het sub-subhoofdstuk ‘Martkrisico’ is onderverdeeld in elf sub-sub-subhoofdstukken. Het sub-sub-subhoofdstuk over ‘Rentepercentage PRR’ heeft zesenzestig paragrafen. Dit boek van 1,1 miljoen paragrafen wordt door de FSA vaak omschreven als “lichte regelgeving op basis van beginselen.” Ik ben er zeker van dat we zonder moeite andere voorbeelden zouden kunnen vinden in Washington of Den Haag of in Brussel bij de bureaucraten van de Europese Unie.

Sociaal kapitaal
In Return to Order zet ik uiteen dat de huidige ‘feesteconomie’ onhoudbaar is. En ik sta niet alleen in die inschatting; er zijn letterlijk honderden boeken die hetzelfde zeggen. We hebben ons sociale kapitaal – dat gevonden wordt in familie, gemeenschap en geloof en dat normaliter de economie onderhoudt en in evenwicht houdt – uitgeput. Losgeslagen onmatigheid neemt proporties van meerdere triljoenen euro’s aan, proporties die onze mogelijkheid er mee om te gaan te boven gaan. Voor wie het wil zien, koersen we een storm in.

Er valt over te steggelen wanneer het feest zal stoppen of wat de eerst volgende grote krach zal ontladen. Maar ik maak me sterk dat het niet de vraag is of het feest zal stoppen maar veeleer wanneer het zal stoppen en waar we vervolgens naartoe gaan. Ons probleem is dat we het feestje moeten verstoren… voor het te laat is. Als het u er om te doen is het feestje gaande te houden, dan is RTO niets voor u. Dan kan ik u werkelijk niet helpen. Als u dat wilt, ga dan vooral uw gang, blijf vooral lenen en ruim geld in de markt inbrengen en de dag van de afrekening voor u uit schuiven.

Wat kunnen we doen?
Maar als u een terugkeer tot orde wilt, laten we dan kijken naar manieren om de economie te bevrijden van de slavernij van losgeslagen onmatigheid, zodat de economie opnieuw vrij kan zijn. Laten we kijken naar oplossingen die ons zullen voeren van een losgeslagen economie naar wat ik een organische christelijke samenleving noem. Laten we het hebben over het soort samenleving dat we nodig hebben en dat we tot stand willen brengen als het feest uit is. Dit brengt me bij het tweede deel van mij toespraak, wat is het katholieke antwoord? Waar liggen de oplossingen? Eén van de vragen die me dikwijls gesteld wordt is die naar oplossingen: Wat we kunnen we doen om dit alles tegen te gaan? Is het wel mogelijk gezien de omvang ervan? Wat kunnen we concreet doen? Vertel me hoe en wel snel, ik heb niet veel tijd.

Ik kan wel invoelen dat mensen dat vragen. Praktische economische problemen vragen om praktische economische oplossingen. Maar wanneer mensen me vragen wat we kunnen doen om de crisis te bestrijden, reageer ik met een vraag: Waar wil je naartoe? Maar al te vaak weten we waar we niet naartoe willen – we willen geen socialisme, geen overregulering. We willen niet dat de staat zich op grote schaal in de schulden steekt om ‘de economie te stimuleren’. Maar soms is het onduidelijk waar we wel naartoe willen. Zodat, wanneer we ineens in de positie zouden geraken om zaken te veranderen, we geen positief programma te bieden zouden hebben. De vraag die ons nu dan ook echt zouden moeten stellen is: Wat voor samenleving hebben we nodig wanneer het feest uit is?

Waar willen we naartoe?
Het is deze belangrijke vraag waarop het boek Return to Order poogt een antwoord te geven. Het stelt vast dat wat er in onze postmoderne economie vernietigd wordt een kader van oriëntatie gevende beginselen is dat we orde noemen. Russell Kirk heeft dat goed verwoord, toen hij zei: “Orde is de eerste behoefte van de ziel.” Zonder orde kan men niet vrij zijn, vervolgt Kirk. Vrijheid, gerechtigheid, recht en deugd zijn alle uiterst belangrijk maar orde is de eerste en meest basale behoefte.

Zonder dit kader dat orde biedt, kunnen belangrijke instituten als de familie, de gemeenschap en de Kerk niet als natuurlijk remmen werken, die de effecten van losgeslagen onmatigheid temperen en het beoefenen van de deugd faciliteren. Het antwoord op onze vraag is dan ook simpel. We willen terug keren naar een kader van orde.

citaat Russell Kirk

We hebben dus orde nodig… maar niet om het even welke orde. Er zijn allerlei mensen die hun eigen orde voorstaan: socialistische ordes, ecologische ordes, neofascistische ordes en vele anderen die orde beloven, maar tirannie brengen. Dat is waarom we moeten terúgkeren naar orde. We hoeven geen orde uit te vinden. Het bestaat al, het is niet nieuws. Het is een maatschappelijke orde die voortvloeit uit onze menselijke natuur zelf, geldig is voor alle tijden en alle volken. Het is een maatschappelijke orde die niet wordt opgelegd of door wetten in het leven wordt geroepen, maar een orde die altijd boven komt drijven wanneer mensen zich voornemen zich te verenigen in een zoeken naar het gemeenschappelijk goede. Het is stevig gegrond in de beginselen van het natuurrecht, de tien geboden en geworteld in sociale instituties als de familie, de gemeenschap en het geloof. En hoewel het op iedereen van toepassing is, is de Kerk de beste en meest betrouwbare hoeder van deze orde.

Organische christelijke samenleving
Ons voorstel is dan ook eenvoudig en direct. De beste uitdrukking van deze orde vinden we in wat we noemen een organische christelijke samenleving – dezelfde orde waaronder de christenheid opkwam. Deze organische christelijke samenleving is een terugkeer naar onze verre wortels. Het is waar we vandaan komen. Het is een samenleving die historisch gevonden werd in de christenheid. Het gaat er niet om dat we terugkeer naar het verleden, maar dat we terugkeren naar het samenstel van ordenende principes dat onze zo veel van de instituties gebracht heeft die nu vervagen – de rechtsstaat, vertegenwoordigende regering, het traditionele gezin en subsidiariteit.

Het is een organische orde, dat wil zeggen een zeer flexibele samenleving die eerder doet denken aan een menselijk lichaam dan een machine met inwisselbare onderdelen. De organische samenleving en de bijbehorende economie zijn een verfrissend contrast met de moderne maatschappij. Het is geen systeem, maar als een familie, vol vitaliteit en spontaniteit, nuance en betekenis, poëzie en passie. In een organische samenleving heerst de eer, niet het geld.

Het is een christelijke orde. Wat we willen is ook een christelijke samenleving, want wanneer een organische orde christelijk is, vermenigvuldigt dat de mogelijkheden van ons handelen, omdat we God en zijn genade betrekken. Dit maakt het eenvoudiger om de deugd te beoefenen – vooral de kardinale deugden van verstandigheid, rechtvaardigheid, zielskracht en gematigdheid – en legt de fundering voor ware vooruitgang en welvaart.

De economische leer van de Kerk
In RTO heb ik ernaar gestreefd deze vergeten orde, die in de christenheid bestond, te beschrijven. Het is mijn bedoeling uit te leggen hoe in het verleden, onder de invloed van de leer van de Kerk, problemen vergelijkbaar met de onze werden opgelost en hoe wij hetzelfde zouden kunnen doen.

Zoals prof. Plinio Corrêa de Oliveira mij aanried, heb ik mij vooral op de economie geconcentreerd door de leer van de Kerk in deze zaken te schetsen. Ik heb ernaar gestreefd te beschrijven hoe een christelijke organische samenleving en de bijbehorende economie er uit zien. Ik moet toegeven dat ik, toen ik begon te onderzoeken wat de Kerk leert ten aanzien van de economie, verbaasd werd door wat ik vond. Ik had nooit gedacht dat ik oplossingen zou vinden die van een dergelijke wijsheid en gezond verstand getuigen.

Natuurlijk stonden de zaken er destijds wat anders voor. Om maar één ding te noemen: economen waren heiligen – Sint Antoninus (van Florence, red.), Sint Bernardinus van Sienna, Sint Thomas (van Aquino, red.), Sint Bonaventura en anderen. Er was ook de economische School van Salamanca die onder haar leden enkele geleerde en deugdzame lieden telde. De economische leer van de Kerk is verweven met haar morele leer – maar deze oplossingen zijn ook verrassend efficiënt, economisch steekhoudend en leiden tot welvaart. Tijdens mijn onderzoek vond ik bijvoorbeeld beschrijvingen van de economische effecten van het sacrament van de biecht. Ik vond de reële theorie van de juiste prijs, die evenwicht kan geven aan markten. Er zijn allerlei auteurs die de rustgevende effecten uiteenzetten van de passie van de Kerk voor gerechtigheid en haar nadruk op ware menslievendheid. Wanneer je al deze zaken bijeen neemt, kun je een algemeen beeld krijgen van waar we naartoe moeten.

We hebben allemaal vage noties van deze organische christelijke samenleving. Restanten van familie, eer en geloof overleven maar deze restanten alleen zijn niet genoeg om het tij te keren van gebroken gezinnen, versplinterde gemeenschappen en lege kerken waardoor ons sociale landschap geteisterd wordt. We hebben dringend een terugkeer naar en een herleving van deze orde nodig. Dit is waar we naartoe moeten, omdat het nergens anders naartoe kan, behalve wanorde. Aan hen die vragen hoe we kunnen terugkeren tot orde, zeg ik: laten we eerst overeenkomen waar we naartoe moeten – naar een organische christelijke samenleving. Als we daar over uit, zullen we verrast zijn hoeveel eenvoudiger het is daar naartoe te bewegen.

Hoe keren we terug naar orde?
Dat brengt ons bij het laatste punt: Hoe keren we terug naar orde? Iemand zal misschien tegenwerpen dat we weliswaar overeen kunnen komen dat deze organische christelijke samenleving een mooi idee is, maar dat het onder de gegeven omstandigheden niet realistisch is. Hoe geraken we daar? Je kunt niet maar even Ben Bernanke, Janet Yellen of Christine Lagarde (respectievelijk president en vicepresident van het Federal Reserve System en directeur van het Internationaal Monetair Fonds, red.) opbellen en zeggen: Stop met al die kwantitatieve geldverruimingsonzin en laten we beginnen een organische christelijke samenleving te bouwen.

Ze zullen zeker niet luisteren. Wat we echter wel kunnen doen is het publiek waarschuwen dat de huidige economische situatie van losgeslagen onmatigheid onhoudbaar is. We kunnen als de passagier op een cruiseschip zijn dat door moeizame wateren vaart en het feest uit verklaren. We kunnen al het mogelijke doen om de rampzalige effecten op de maatschappij te verminderen. En als het feestgedruis wegsterft, kunnen we een organische christelijke samenleving presenteren als reëel alternatief – in feite een alternatief dat veel reëler is dan de socialistische, ecologische en anarchistische alternatieven die andere voorstellen. Het is een alternatief dat een aantoonbare verdienste heeft en dat mag wel eens onderkend worden.

‘Als het feest uit is’ willen we niet met lege handen achterblijven. We hoeven echter niet te wachten tot het feest uit is. Het boek reikt genoeg aan dat je zou kunnen doen om naar een terugkeer tot orde dichterbij te brengen. We kunnen ons nu al voorbereiden op de soort samenleving die we nodig hebben en tot stand willen brengen als het feest uit is. Ik moet u echter waarschuwen dat het een vermoeiende afmattende oorlog tegen een doodscultuur en tegen onmiddellijke bevrediging inhoudt. Er zijn geen onmiddellijk afdwingbare oplossingen in deze cultuuroorlog, er is geen app die je kunt downloaden. Er is slechts bloed, zweet en tranen, zoals dat geldt voor ieder conflict.

Ik zou dan ook vijf dingen op willen sommen die u zou kunnen doen. Het eerste advies dat ik kan geven is dit:

1. Identificeer en bestrijdt het probleem
Vlucht er niet van weg. Geconfronteerd met de crisis, moeten we de verleiding weerstaan om ons af te zonderen, om te vluchten naar de een of andere afgelegen plaats en de rest van de wereld af te schrijven.

De crisis is zo wijd verbreid dat je er niet aan kunt ontsnappen. Maak je geen illusies, het bereikt je hoe dan ook, of het nu door middel van overheidshandelen is of middels de media of je iPhone. Velen van u die kinderen hebben weten dat ondanks uw uitmuntende inzet om uw kinderen af te schermen van zovele slechte dingen, er geen manier is om alles buiten te houden. Op een zeker moment moet je ze leren om de cultuur te bestrijden. Op enig moment moeten we deze strijd omarmen, dat is het kruis dat we vandaag de dag moeten dragen.

Niemand kan zich vandaag de dag volledig afzonderen en dat zouden we ook niet moeten willen. De aanval is onze beste verdediging. Het is nu de tijd om te vechten voor de Kerk, niet om haar achter te laten. Dit geldt in het bijzonder aangaande de diverse fronten in de strijd om de doodscultuur.

Ik heb er in RTO naar gestreefd het probleem te identificeren en suggesties te doen voor een oplossing. Prof. Plinio Corrêa de Oliveira adviseerde mij bij het schrijven van het boek en gaf aan dat het stellen van de juiste vragen de helft van de oplossing in zich draagt. Ik zou zeggen dat het identificeren van het probleem en het zoeken naar oplossingen in de juiste richting de helft van de omstandigheden voor een overwinning schept.

2. Terugtrekken uit de feesteconomie
Zo dikwijls hoor ik mensen zeggen: Wat kan ik in mijn eentje doen? De tegenstander beheerst de media, de universiteiten en de banken, heeft dit en dat. Wij beheersen niets. Er is werkelijk niets aan te doen.

Ik zou zeggen dat dat niet helemaal waar is. Er is één ding dat je wel beheerst: jezelf. Waarom beginnen we daar niet? Trek je dus terug uit de feesteconomie.
Let op: Ik zeg dus niet, zoals zoveel mensen zeggen, dat je je terug zou moeten trekken uit de maatschappij, geen gebruik meer moet maken van het elektriciteitsnet of jezelf moet onderdompelen in franciscaanse armoede.

Nee, blijf in de maatschappij, hou je baan, trek je slechts terug uit de feesteconomie. Ik sprak eerder over losgeslagen onmatigheid. We nemen allemaal deel aan onze cultuur van onmiddellijke bevrediging. We kunnen allemaal naar ons eigen persoonlijke leven kijken en zaken veranderen. We kunnen de deur dicht trekken die onze vijandige cultuur toelaat binnen te komen in onze levens en wanorde te scheppen. Dit betekent breken met bepaalde gewoontes en levensstijlen. Bijvoorbeeld meer besteden dan we te besteden hebben of aan modegrillen, onverstandige of zelfs roekeloze investeringen doen, offeren op het altaar van de snelheid met gejaagde agenda’s en levens vol stress, de onmatigheid van technologische hebbedingetjes onze levens en gedachten laten beheersen, geld belangrijker vinden dan familie, gemeenschap en religie.

Je hebt de controle over jezelf. Doe tenminste dit. Een van de dankbare dingen aan het schrijven van RTO is te horen van mensen die het deel over losgeslagen onmatigheid hebben gelezen en me vertellen dat ze hun levens als gevolg daarvan veranderd hebben.

3. We moeten intermediaire lichamen regenereren
We zijn niet alleen. We behoren allemaal tot intermediaire lichamen, verenigingen en gemeenschappen. Ieder van ons kan verenigingen waarbij hij aangesloten is beïnvloeden.

We moeten die intermediaire lichamen regenereren die de beste verdedigingslinie vormen tegen onze vijandige cultuur en onmatige economie. Niemand kan stand houden in een ‘gevecht van mij tegen de wereld’. We moeten de handen in een slaan met anderen die ook naar een terugkeer tot orde verlangen.

Het eerste intermediaire lichaam is het gezin. De beste maatregel die men kan nemen is om zijn gezinsleven op orde te brengen en iedere gelegenheid om het gezin te verdedigen in de publieke ruimte aan te grijpen. Dat houdt in dat we de strijd aangaan voor deze belangrijkste christelijke institutie. Geen ander instituut kan het gezin, dat ons in staat stelt te overleven in onze moderne wereld, vervangen. Familie is een krachtig, efficiënt en warm sociaal zekerheidsnet en kan in veel van de diensten voorzien die door de koude, afstandelijke moderne staat zijn geüsurpeerd. Het is een natuurlijke leerschool van matigheid in een wereld van losgeslagen onmatigheid. In tijden van crisis wendt men zich natuurlijkerwijs naar de familie.

Het zelfde kan in mindere mate gezegd worden van gemeenschappen en andere associaties. De gemeenschap is een belangrijke verdedigingslinie die we moeten proberen te ontwikkelen. Dit kan uitgebreid worden naar andere hechte verbanden, zoals parochies, pro-lifegroepen of culturele gezelschappen, die hun eigen gemeenschapsleven vormen. Een organische christelijke samenleving is een in hoge mate verbonden samenleving vol met verbanden en relaties. Het is het tegendeel van onze massamaatschappij die hechte gemeenschap ontmoedigt en extreem individualisme stimuleert.

4. We moeten goede katholieken zijn
Ik heb bewust de Kerk apart van de andere verbanden genoemd, omdat ze bijzonder is. Als je iets wilt doen met het oog op de huidige crisis, wees dan een goede katholiek. Het is de belangrijkste van alle middelen die tot onze beschikking staan. We moeten dan ook ons geestelijke leven op orde brengen.

Het is ook de meest praktische stap om door te voeren. De Kerk voorziet ons van zo veel. Als we matigheid willen praktiseren te midden van de overweldigende verleiding om onmatig te zijn, hebben we Gods genade en de sacramenten nodig om ons deel te krijgen aan het goddelijke leven van God en ons te versterken boven onze menselijke natuur uit. Het stelt ons in staat tot die heroïsche heiligheid die we bij de heiligen aantreffen.

We hebben de enorme kracht van het gebed, die is als een scepter die we kunnen gebruiken om God te vragen om wat we nodig hebben. We kunnen onze toevlucht nemen tot Onze Lieve Vrouwe, die ons in alle omstandigheden als een ware moeder zal helpen.

De Kerk als organisatie is ook een krachtige voorvechter. Ze heeft een heiligende invloed op de samenleving, die de teloorgang van een natie kan voorkomen. De Kerk heeft altijd haar stelling betrokken tegen de ketterijen en misvattingen van iedere tijd – de martelaren getuigen hier van.

We moeten dus goede katholieken zijn. Te denken dat we de storm kunnen doorstaan zonder de hulp van de Kerk is onszelf het krachtigste dat we hebben ontzeggen.

5. We hebben leiderschap en representatieve karakters nodig
Ik heb leiderschap tot het laatst bewaard omdat het een cruciaal ingrediënt is. We moeten zijn wat sommige sociologen representatieve karakters noemen – mensen die het woord nemen, mensen waar je naar op kunt zien, mensen die wat anderen nodig hebben in actie om kunnen zetten. Ze brengen mensen bij elkaar en zetten de toon.

Het probleem is dat echt leiderschap moeilijk is. Een leider is niet iemand die zegt: Hier ben ik, volg mij. Nee, een leider is iemand die het respect van de mensen om hem heen verdient. Mensen willen hem volgen, omdat hij het welzijn van anderen op zich neemt. Het is vol van verantwoordelijkheid en lijden. Het is veel gemakkelijker om mee te deinen op de golven van het leven. Het is ook makkelijker om je met je eigen zaken te bemoeien. Er heerst een ‘ik wil geen held zijn’-mentaliteit.

Wat de zaken nog beroerder maakt, is het feit dat de moderne cultuur het idee van representatieve karakters ontmoedigt en valse en onrepresentatieve karakters naar voren schuift met haar filmsterren en jet set-figuren. Wij moeten het tegenovergestelde doen. Iedereen hier kan iemand zijn waar anderen naar opzien, al is het maar in je eigen gezin. Je hoeft geen medaille te behalen. Maar je moet je wel inzetten.

We willen niet een enkele charismatische leider – dat is de weg van de minste weerstand die vaak verkeerd afloopt. Wat we nodig hebben is om een cultuur van helden te doen herleven op alle niveaus van de samenleving. We zouden dus moeten denken over concrete manieren waarop we werkelijk representatieve figuren kunnen zijn voor hen die naar ons opzien (hetzij in ons gezin, ons bedrijf, onze parochie, onze gemeenschap). Dit zou ons er toe brengen manieren te ontdekken om plichtsbesef, verantwoordelijkheid en zelfopoffering te omarmen. Op deze manier kunnen we opnieuw een sterk en betrouwbaar sociaal weefsel weven en terugkeren tot orde.

Er is iets interessants aan leiderschap. Al de andere dingen die ik genoemd heb – gezin, gemeenschap, intermediaire verbanden – hebben tijd nodig om te groeien, generaties zelfs. Zo vaak heb ik mensen al horen zeggen: “In mijn generatie zal het niet lukken dit te keren.” Maar met goede leiders en helden is het anders. Er is geen groot aantal van nodig en het vraagt geen lange tijd. Wanneer zij het strijdperk betreden, zeggen de sociologen, hebben leiders de capaciteit om dingen vrij snel te keren. Ik ben er zeker van dat u wel gevallen kent van een zakenman die een bedrijf weer op de rails heeft gezet, of een pastoor die een parochie weer op orde gebracht heeft of zelfs een sportcoach die van een team dat er slecht voor staat een landelijke kampioen maakte.

Daarom is het belangrijk dat we een heldencultuur genereren, want een terugkeer tot orde gaat niet vanzelf gebeuren. Mensen moeten betrokken worden. We hebben deze heldencultuur nodig om dingen gedaan te krijgen en ze snel gedaan te krijgen.

Resumerend
Dit zijn enkele ideeën ontleend aan mijn boek, waarvan ik hoop dat het uw begrip zal vergroten van de reden waarom we in crisis verkeren en dat het uwe overtuiging zal versterken dat er een katholiek antwoord is. Om samen te vatten wat er gezegd is: Wat ik gepoogd heb te doen met deze toespraak is twee vragen te beantwoorden: Waarom verkeren we in crisis? Wat voor samenleving hebben we nodig en willen we hebben wanneer het feest uit is?

We hebben twee hoofdpunten gezien. Het eerste is dat we in de huidige situatie verkeren, doordat we een cultuur van onmatigheid omarmd hebben, wat ik losgeslagen onmatigheid noem en wat zo veel van de morele, culturele en religieuze waarden heeft geërodeerd, die we zo hard nodig hebben om weer deugdzame en welvarende mensen te worden.

Ten tweede waar we naartoe moeten. We moeten terugkeren tot orde. We hoeven geen orde uit te vinden. Het is een sociale orde die voortkomt uit onze menselijke natuur zelf, geldig is in alle tijden en voor alle volken, maar met de Kerk als haar beste en meest betrouwbare hoeder. We zagen hoe de beste uitdrukking van deze orde wordt gevonden in wat we een organische christelijke samenleving noemen – dezelfde orde die de christenheid op deed komen.

Tenslotte keken we naar een aantal zaken die we nu vast kunnen doen om de terugkeer tot orde te bespoedigen en ons voor te bereiden op het soort samenleving dat we nodig hebben en tot stand willen brengen als het feest uit is.

Ik kan me zo voorstellen dat er nog altijd sommigen onder u zijn die sceptisch staan tegenover het idee van een terugkeer tot orde. Het is moeilijk om je voor te stellen hoe zoiets zou kunnen lukken. Als ik u met een laatste gedachte achter zou kunnen laten, dan deze: Een terugkeer tot orde is niet alleen nodig, maar ook mogelijk.

Een terugkeer tot orde is mogelijk omdat onze idealen aantrekkelijk zijn. Wat we ons moeten herinneren is dat onze (katholieke, conservatieve) positie naar zijn aard constructief is. De (seculiere) linkse agenda is daarentegen naar zijn aard destructief, omdat het de moraliteit en de autoriteit ondermijnt. We hoeven slechts de progressieve kloosters, die in rap tempo tot bejaardenhuizen worden, te vergelijken met bloeiende traditionele ordes die uit hun voegen barsten van alle jonge mensen.

Omdat links er naar neigt de structuren te vernietigen die de samenleving bij elkaar houden, vernietigt links naarmate de tijd vordert en het verval toeneemt ook de structuren die haar eigen organisaties en denken dragen. Occupy Wall Street was bijvoorbeeld zo’n anarchische organisatie dat er uiteindelijk niets van te maken was en letterlijk uit elkaar viel.

Naarmate de toestand verergert, ziet ons perspectief er steeds beter uit dan dat van hun, aangezien het een kracht tot stabiliteit en zekerheid is. Dit is waar te nemen in allerhande conservatieve reacties overal ter wereld. Een bijzonder sterk bewijs hiervan is het aantal jonge mensen dat zich nu engageert in de strijd tegen abortus. We zien het ook in verbazingwekkende bekeringsverhalen of de toename in het aantal roepingen. Zo was het tien of twintig jaar geleden niet. We moeten onze lijn houden.

Een andere reden waarom ik geloof dat een terugkeer tot orde mogelijk is, is dat de christelijke idealen die een terugkeer tot orde motiveren zeer krachtig zijn… wanneer ze op de juiste wijze en zonder verontschuldigingen gebracht worden. Een organische christelijke samenleving is vol van enorm krachtige concepten die tot de verbeelding spreken en mensen tot sublieme staaltjes en werken gebracht hebben. Deze zelfde idealen weerklonken te midden van de puinhopen van het Romeinse Rijk, bekeerden de barbaren en vestigden beschavingen. Ze hebben steeds mensen tot inkeer gebracht wanneer ze op het verkeerde spoor zaten.

Wat ik in RTO gepoogd heb te doen is deze krachtige concepten te beschrijven. Ik presenteer idealen als de weg van het kruis, de passie voor gerechtigheid, onze zoektocht naar het goede, ware en schone en een waarachtig gevoel van eer. Ik stel dat deze concepten ons nog altijd kunnen brengen tot vergelijkbare prestaties te midden van de huidige crisis. Bovendien stel ik dat de kracht en de aantrekkingskracht van onze christelijke idealen zodanig is, dat we ons er van nature toe keren, omdat ze zo goed passen bij onze menselijke natuur, we worden er toe aangetrokken wanneer wanorde heerst.

Deze christelijke orde, geïnspireerd door deze idealen, is waar je van nature naar neigt. En ik zou deze gedachte nog iets verder willen ontwikkelen, niet alleen worden mensen van nature aangetrokken tot deze organische christelijke orde, maar, te midden van de huidige chaos, worden mensen op dit moment aangetrokken tot deze orde. Naarmate de dingen erger worden, zullen meer en meer mensen bij zichzelf te rade gaan en zoeken naar een orde waarvan zij voelen dat die er moet zijn en misschien terug kan keren.

Overal ter wereld vinden we mensen die zoeken naar authenticiteit en orde. Ik zeg niet dat het een meerderheid van de mensen is – maar de geschiedenis wordt nooit bepaald door meerderheden, ze wordt bepaald door bevlogen minderheden die een grote invloed uitoefenen over de meerderheid. En er zijn aanzienlijke minderheden met grote passie en moed die durven hun mond open te doen en de cultuur uit te dagen. We moeten bakens zijn voor hen die zoeken.

Ter bemoediging
Om af te sluiten zou ik u een klein verhaaltje willen vertellen. Ons werk onder studenten, TFP Student Action, is veelvuldig betrokken geweest in het debat over het ‘homohuwelijk’ in Amerika. Ze gaan naar de meest liberale gebieden en voeren campagne rond dit vraagstuk. We worden vaak aangevallen maar verrassend genoeg worden we vaker gesteund. Op een keer gingen ze naar de Bronx (een wijk van New York, red.), waar ze bij een drukke verkeersader stonden en begroet werden door allerlei uitingen van steun, automobilisten claxonneerden, riepen steunbetuigingen en staken hun duim op. Een man zag ons, parkeerde zijn auto en kwam naar ons toe. Hij zei: “Ik wou kijken of ik het goed gezien had – jullie zijn vóór het traditionele huwelijk. Ik zag zoveel mensen hun steun betuigen dat ik het niet kon geloven. Ik dacht dat ik de enige in de Bronx was die tegen het ‘homohuwelijk’ was. Nu zie ik dat er duizenden zijn.”

Onze taak is dan ook om bakens van orde in een wereld van wanorde te zijn. We hebben heel krachtige principes. Soms is alles wat er nodig is een vonkje en je hebt een miljoen mensen op de Champs-Elysées staan om het traditionele huwelijk te verdedigen … in 2013. Een levendige pro-life-houding kan ineens en onverwacht tienduizenden op de been brengen in de straten van Brussel, Parijs, Madrid of Rome … in 2013. De organisatie ‘Nul Abortus’ hield in Spanje demonstraties in 46 steden. Mensen waren in staat bijna twee miljoen handtekeningen te verzamelen om het ‘Een van ons’-initiatief te ondersteunen (een Europees burgerinitiatief voor de beschermwaardigheid van embryo’s, red.). Of het brengt jongeren in Kroatië er toe 600.000 handtekeningen te verzamelen ter verdediging van het traditionele huwelijk. Ik heb met bewondering naar deze Europese initiatieven gekeken. Zulke inzet versterkt mijn geloof dat een terugkeer tot orde mogelijk is als we doen wat we moeten doen.

Maar deze visie zal alleen krachtig en aantrekkelijk zijn in zoverre we trouw blijven aan onze principes. We kunnen onze waarden niet aanlengen om tegemoet te komen aan de politiek-correcte tijden. Op een zeer categorische en Spaanse manier, heet de Spaanse pro-life-campagne nul abortus, niet vijftig procent abortus. De Fransen deden niet onder voor de Spanjaarden en erkenden de universele aantrekkingskracht van het huwelijk, riepen derhalve een manif pour tous (manifestatie voor allen, red.) uit, niet een manifestatie voor enkelen. Als we de weg van de minste weerstand kiezen, zullen we falen.

RTO coverEr is nog een laatste reden waarom ik denk dat een terugkeer tot orde mogelijk is en voor mij is dat de meest overtuigende: we kunnen rekenen op de hulp van God en Zijn genade. Ik zeg nog maar eens dat onze situatie is als die van de verloren zoon. Als je het verhaal van de verloren zoon leest, zul je zien dat hij het geld van zijn vader nam en uitgaf aan de losgeslagen onmatigheid van spelen en feesten. De verloren zoon kwam niet tot inkeer door een moreel probleem, maar door een economisch probleem – 1. Zijn geld was op en hij had geen manier om in zijn onderhoud te voorzien. 2. Een grote hongersnood teisterde het land. Het was toen dat de verloren zoon zich zijn vergissing realiseerde en terug verlangde naar het huis van zijn vader. Hij stond op en ging terug naar de vader.

In het verhaal van de verloren zoon weten we dat de zoon naar zijn vader verlangde. Maar we vergeten dat de vader nog veel meer naar zijn zoon verlangde. De vader keek al uit naar zijn zoon toen hij kwam en rende hem tegemoet. We mogen er van overtuigd zijn dat God verlangt naar onze grote terugkeer naar huis, veel meer dan wij dat doen. En wanneer hij ziet dat wij ons inzetten daarvoor, zal Hij niet onderdoen in zijn gulheid en zal Hij wat wij ondernemen gunstig gezind zijn. Aan de zorg van de vader mogen we de moederlijke genegenheid toevoegen van een moeder die ook intens het beste met ons voor heeft. Onze Gezegende Moeder is een voorvechter van onze zaak.

Het is mijn hoop dat, te midden van persoonlijk economische problemen en de economische crisis die onze landen bedreigd, het boek Return to Order mag dienen tot opwekking van een verlangen naar het huis van de vader en u er toe mag brengen op te staan en u met anderen aaneen te sluiten om de cultuur te veranderen en tot de vader en omarming van de moeder te komen. Het is mijn hoop dat u aan deze krachtige een aansprekende ideeën vast zult houden die ons oproepen dat te doen wat natuurlijk is – terugkeren naar huis.


N.a.v. John Horvat II, Return to Order. Where We’ve Been, How We Got Here and Where We Need to Go (York, PA: York Press, 2013), 380 p, harde kaft met stofomslag, ISBN: 978-0-9882148-0-4, 20,99 euro.

Posted on Leave a comment

Democratisering en sociaal-economische ontwikkeling in Latijns-Amerika: kansen voor een sociale dialoog

De sociale en democratische uitdagingen waar Latijns-Amerika voor staat – in sommige landen meer dan andere – zijn ongekend groot. Gekenmerkt door steeds groter wordende politieke instabiliteit, steeds intensere internationale competitie in het kader van de globalisering, toenemende sociale ongelijkheid en geweld, en de daarmee gepaarde sociale onrust, lijkt de sociale dialoog een absolute noodzaak.

In veel Latijns-Amerikaanse landen kan er vanaf de jaren ’90 dan ook een trend worden waargenomen van institutionalisering van de sociale dialoog. Veel beleidsmakers zien de ontwikkeling daarvan als de volgende stap in het democratiseringsproces, nadat hervormingen tijdens de jaren ’80 zich vooral hadden gericht op mensenrechten en kiesstelsels.

De bevordering van de sociale dialoog, gezien als instrument tot sociaal-economische ontwikkeling, staat ook steeds meer in de belangstelling van nationale en internationale beleidsmakers en is verworden tot een vast onderdeel van veel ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s.

Ook op internationaal niveau is er groeiende belangstelling voor dit onderwerp, zoals de recente activiteiten van het United Nations Department of Economic and Social Affairs (UNDESA) aantonen (1). De bevordering van de sociale dialoog wordt eveneens nadrukkelijk genoemd als onderdeel van de samenwerking tussen Europa en Latijns-Amerika in de “Verklaring van Lima”, op de vijfde top tussen regeringsleiders van beide continenten in mei 2008.

Wat zijn de kansen voor de verwezenlijking van de sociale dialoog in Latijns-Amerika? Welke factoren binnen de bestaande politieke en sociaal-economische context verhinderen dit? Waarom is de sociale dialoog noodzakelijk? Om antwoord te geven op deze vragen zal de politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika worden behandeld, waaruit de noodzaak van de sociale dialoog blijkt. Na de bestaande vormen van de sociale dialoog te hebben geanalyseerd, zal gekeken worden naar de manier waarop de sociale dialoog aangepast kan worden aan de Latijns-Amerikaanse context. Tegen die achtergrond zullen een paar afsluitende opmerkingen worden gemaakt over de kansen en mogelijkheden voor de sociale dialoog in Latijns-Amerika.

Politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika

De politieke inrichting van Latijns-Amerika wordt gekenmerkt door een opmerkelijke homogeniteit. Bestaande uit een twintigtal landen doen veel politieke trends zich in het hele continent vrijwel gelijktijdig voor: tijdens de jaren ’80 maken 13 landen de overgang van een autoritair regime naar democratie. Dit kan worden verklaard door het zogenoemde “convergentie-effect” (2) dat te maken heeft met een gemeenschappelijke historische en culturele achtergrond en het feit dat het continent beïnvloed wordt door dezelfde internationale economische en politieke ontwikkelingen.

Omdat politieke ontwikkelingen in Latijns-Amerika in veel opzichten erg vergelijkbaar zijn met West-Europa maar tegelijkertijd ook vaak veel intenser of gewelddadiger lijken, kan het continent worden getypeerd als het “Verre Westen.” (3)

De balans van twee decennia democratie is dat hoewel in veel landen de democratische overgang heeft kunnen zorgen voor de consolidering van een electorale democratie, deze nog veel kwalitatieve elementen ontbeert zoals het respect van democratisch pluralisme, politieke accountability en een effectieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de politieke besluitvorming.

Deze situatie, aangevuld met de tegenvallende sociaal-economische resultaten, verklaart de grote sociale ontevredenheid met de democratie die in veel landen bestaat en een hoge mate van politieke instabiliteit ten gevolge heeft gehad. De meest in het oog springende voorbeelden hiervan zijn de 12 presidenten die als gevolg van sociale mobilisaties zijn afgezet en de opkomst van linkse en populistische regeringen in een tiental landen (4).

De meest recente afgezette president, ditmaal door een militaire coup, was President Manuel Zelaya in Honduras. De paradox van Latijns-Amerika lijkt te zijn dat de over de laatste twee en drie decennia aanhoudende economische groei gepaard is gegaan met de vergroting van de inkomstenongelijkheid. Het grote contrast tussen arm en rijk – zowel binnen de landen als tussen de landen – is een voedingsbodem voor sociale onvrede en potentieel zeer explosieve situaties, met name wanneer dit ook een contrast is tussen etnische bevolkingsgroepen. Veel van de huidige politieke instabiliteit en sociale conflictsituaties is af te leiden uit deze schrijnende ongelijkheden.

De noodzaak voor de bevordering van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

Tegen dit kader, dat genuanceerd moet worden afhankelijk van de specifieke landgebonden context, moet Latijns-Amerika zoeken naar de institutionele mechanismen om tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen in het politieke systeem.

Politieke systemen zijn een interactie tussen regeringen, de parlementaire oppositie en de extraparlementaire oppositie (het maatschappelijk middenveld); een spel van een grote verscheidenheid van actoren, in een vaak ondoorzichtig proces, met constant veranderende machtsverhoudingen, de formatie van veranderende sociale en politieke coalities en schuivende draagvlakken (5).

Er komt heel veel af op het continent dat nog steeds op zoek is naar de formule om alle tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen. In het democratiseringsproces van Latijns-Amerika – dat in veel landen al ver op gang is maar in andere landen iets lijkt te haperen – is een sociale dialoog nuttig om in de eerste plaats de sociale vrede te waarborgen en in de tweede plaats een bijdrage te kunnen leveren aan de bevordering van goed bestuur en economische ontwikkeling.

Het algemene verlies van het vertrouwen in democratische instituties is het kader waarin het maatschappelijk middenveld en met name sociale bewegingen opkomen. De steun voor de democratie, zoals blijkt uit de enquêtes van de Latinobarómetro (6), is ongekend laag. In landen als Paraguay, El Salvador, Ecuador of Peru geeft minder dan 50% van de bevolking aan nog vertrouwen te hebben in de democratie. Er bestaat dus een verband tussen het verlies aan legitimiteit van met name de politieke partijen en de empowerment van het maatschappelijk middenveld. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de Piqueteros-beweging in Argentinië, de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (‘Beweging van Plattelandswerkers Zonder Grond’, red.) in Brazilie of de schoolmeestersbeweging FRENADESO in Panama.

Deze vrij plotselinge opkomst van de “sociale sector” dient evenwel in goede banen te worden geleid. De toename van sociale conflicten, ook wel aangeduid als “de democratie van de straat”, is zorgwekkend omdat het de zwakheid illustreert van de democratische instituties om alle sociale vragen en eisen te kanaliseren en van de onmacht van de politieke partijen om te voldoen aan de verwachtingen van de bevolking. De aanhoudende sociale onlusten in Bolivia, met als hoogtepunt oktober 2003 toen de zittende President Gonzalo Sánchez de Lozada werd gedwongen tot aftreden door het volk, is hier een voorbeeld van.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn nog ver verwijderd van een bestuursvorm die in staat is sociale conflicten te absorberen en onvertegenwoordigde segmenten van de samenleving door middel van overlegmechanismen deel te laten nemen aan het politieke proces. Er moeten creatieve instituties worden ingesteld om op een verantwoorde manier met het grote aantal eisen vanuit de samenleving om te gaan en een open dialoog te voeren met deze organisaties.

De groeiende complexiteit van de huidige samenleving – ook de Latijns-Amerikaanse – en de diversificatie van de eisen van de bevolking geeft de noodzaak aan voor een verdere ontwikkeling en institutionalisering van de sociale dialoog. De sociale dialoog dient op een zodanige manier te worden ingericht dat de regering op de juiste manier kan reageren op de vragen en zorgen van de samenleving.

Bestaande vormen van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog in Latijns-Amerika is niet afwezig maar neemt andere vormen aan dan in Nederland. De institutionele kaders voor de participatie van het maatschappelijk middenveld in de politieke besluitvorming zijn zeer divers en hebben variërende resultaten. Ondanks de verschillen tussen de afzonderlijke landen zijn er een aantal algemene patronen te ontdekken die Latijns-Amerika als geheel karakteriseren.

Een typologisch onderscheid kan gemaakt worden tussen meerdere niveaus van institutionalisering van de sociale dialoog: (a) nationale dialogen en consultatieprocessen op ad hoc basis en (b) geïnstitutionaliseerde overlegplatformen. De nationale dialogen en consultatieprocessen worden in de regel door de Presidenten geconvoceerd rond een specifiek onderwerp in een bepaalde context, afhankelijk van de behoeften van het moment, vaak als antwoord op hevige sociale mobilisaties. Dit was het geval in Panama in 2002 toen de regering een grootschalige consultatie bijeenriep om draagvlak te vinden voor een omstreden onderwijswet.

Kerkelijke vertegenwoordigers vervullen een belangrijke rol in de bemiddeling tussen de verschillende organisaties die deelnemen aan dergelijke processen. Korte tijd na parlementaire verkiezingen, als presidenten weinig parlementaire steun of een instabiele parlementaire meerderheid hebben, worden ook vaak consultatieprocessen georganiseerd. Het doel van deze consultaties voor de President is dan om zich te verzekeren van de steun van de extraparlementaire oppositie om zo de onderhandelingen met het parlement te vergemakkelijken. Voorbeelden hiervan zijn de Concertación Nacional van President Miguel Ángel Rodríguez in Costa Rica 1998, de Plan Visión de País in Guatemala in 2006 en Visión de México in 2001. Enkele consultatieprocessen richten zich nadrukkelijk op de lange termijn en hebben tot doel een breedgedragen ontwikkelingsstrategie te formuleren. Visión 2020, in 1998, in Panama was zo’n proces waaraan NGO’s, politieke partijen, internationale organisaties en kerken aan mee hebben gedaan, met als doel te reflecteren op de toekomst van het land na de teruggave van het Panama-kanaal in 2000. In Peru stelden de politieke partijen en de belangrijkste sociaal-economische actoren in 2002 een “strategische agenda voor de eenentwintigste eeuw” op, met als doel de regeerbaarheid van het land te herstellen na de autoritaire regeringsperiode van President Fujimori.

De bestaande consultatieprocessen richten zich echter vooral op de korte termijn en beperken zich in dat opzicht vaak alleen tot conflictbeheersing of maken deel uit van instrumentele strategieën voor regeringen om politieke schade te beperken. Het is van groot belang voor de Latijns-Amerikaanse politieke en sociale actoren boven de visie van conjuncturele sociale pacten uit te stijgen om een duurzame sociale dialoog te bevorderen, draagvlak te generen voor belangrijke hervormingen en een gemeenschappelijke ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn vast te stellen om zo meer continuïteit van het regeringsbeleid te garanderen.

De analyse van de in het verleden gevoerde dialogen laat ook zien dat niet alleen de coördinatie tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld maar het interne organisatieniveau van deze organisaties voor een groot deel hun politieke invloed bepaald. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de sociale actoren. Dit is ook de reden dat met name werkgeversorganisaties, maar ook de media en de kerken, vaak veel dominanter zijn dan andere organisaties van het maatschappelijk middenveld.

De zwakte van de NGO’s en de vakbeweging verklaart de gedeeltelijke mislukking van veel consultatieprocessen, zoals bijvoorbeeld in de Dominicaanse Republiek (Diálogo Nacional, 1997) of in Honduras (Concertación Nacional, 1990), waarvan de politieke doorwerking zeer beperkt was. De instelling van sociaal-economische raden in Latijns-Amerika is een trend van het laatste decennium. Achtereenvolgens stelden Nicaragua (1999), Mexico (2000), Peru (2001), Brazilië (2003) en de Dominicaanse Republiek (2005) een sociaal-economische raad in. De MERCOSUR stelde eveneens in 1994 een adviesraad in, naar het voorbeeld van het European Economic and Social Council (EESC).

Deze raden zijn allen, met enige kenmerkende institutionele verschillen, sterk geïnspireerd op Europese raden. In alle gevallen gaat het om adviesorganen voor de Uitvoerende en Wetgevende Macht met een representatieve vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld met permanent benoemde leden. Gangbare kenmerken zijn dat de regering lid en voorzitter van de Raad is, er meestal geen onafhankelijke geledingen zijn en dat de thematiek van de Raad vaak breder is dan alleen sociaal-economische vraagstukken.

Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.
Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.

Desondanks is de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog – met uitzondering van Brazilië en Peru – in weinig landen operationeel. Bestaande adviesraden blijken in de praktijk slechts beperkt te functioneren. In het geval van met name Mexico en Venezuela (waar sinds 1946 een adviesraad bestaat) komt de raad zelden bijeen. In Nicaragua staat de Consejo de Planificación Económica y Social (CONPES) volledig onder controle van de sandinistische regeringspartij FSLN. Pogingen in Costa Rica, Bolivia en Chili hebben geen resultaten opgeleverd. Bij de eerste twee landen was de Nederlandse SER overigens betrokken. In deze landen lijkt het binnen de huidige politieke machtsverhoudingen onwaarschijnlijk dat er op de korte termijn een sociaal-economische adviesraad wordt ingesteld. Huidige initiatieven in o.a. Guatemala, Colombia en Honduras lijken hoopvol maar lopen het risico stuk te lopen op de politisering van de publieke sector, sterk gepolariseerde verhoudingen en de zwakte van de sociaal-economische actoren.

De sociale dialoog exporteren naar de Latijns-Amerikaanse context

Omdat de sociale dialoog geen modeloplossingen biedt, dient de inrichting hiervan aan te worden gepast aan de eigen historische en culturele context van het continent en de specifieke landen, met aandacht voor de bestaande machtsverhoudingen, de samenstelling van het maatschappelijk middenveld, het institutionele kader en de heersende politieke cultuur.

Er kunnen drie hoofdkenmerken van de Latijns-Amerikaanse politieke systemen worden aangegeven die sterk afwijken van de Nederlandse overlegeconomie. Deze algemene kenmerken dienen de institutionele keuzes voor de inrichting van de sociale dialoog in Latijns-Amerika te bepalen. In de eerste plaats zijn Latijns-Amerikaanse landen, in tegenstelling tot Nederland, geen parlementaire democratieën maar hebben presidentiële regimes. Een belangrijke eigenschap van deze presidentiële regimes is dat ze in de meeste gevallen gekoppeld zijn aan kiesstelsels van Evenredige Vertegenwoordiging. Hierdoor komt het zeer regelmatig voor dat regeringen geen parlementaire meerderheid hebben, wat de regeerbaarheid ernstig bemoeilijkt. Vanwege het ontbreken van een consensuscultuur en de vergaande politieke polarisering kan dit zelden worden verholpen worden door coalitieregeringen.

In de tweede plaats is het maatschappelijk middenveld minder overzichtelijk gestructureerd en ook breder qua thematiek. Stil gestaan dient te worden bij de recente empowerment van het maatschappelijk middenveld en de grote mobilisatiecapaciteit van movimientos sociales (sociale bewegingen: losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen). Daarnaast is de organisatie van de economie ook erg verschillend, met een grote informele sector. Vanwege de extreme verdeeldheid van het maatschappelijk middenveld is een “klassieke” inrichting van de sociale dialoog met werkgevers en werknemers niet levensvatbaar. Nagedacht zal moeten worden over de legitimiteit en representativiteit van het maatschappelijk middenveld.

Ook zal gekeken moeten worden naar manieren om de adversariale – op conflict gerichte – houding van maatschappelijke organisaties te doorbreken. In de derde plaats is er een totaal verschillende politieke cultuur. Latijns-Amerikaanse landen zijn “meerderheidsdemocratieën” (7). Er bestaat een specifieke Latijns-Amerikaanse policy making style (8) die vooral de continuïteit van het regeringsbeleid op de lange termijn niet ten goede komt. Dit impliceert ook de afwezigheid van een politiek onafhankelijk ambtenarenapparaat.

De toekomst van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog maakt het mogelijk voor het maatschappelijk middenveld om deel uit te maken van belangrijke hervormingsprocessen. Het maatschappelijk middenveld beperkt zich niet tot het voeren van een oppositiestrijd tegen de institutionele politieke machten, maar maakt deel uit van alle fases van het public policy-proces dankzij formele en informele institutionele mechanismen en wordt een volwaardige speler in een inclusieve en plurale sociale democratie.

De weg die Latijns-Amerika heeft ingeslagen voor de ontplooiing van de sociale dialoog is nog lang, vooral wanneer een aantal fundamentele voorwaarden voor succes ontbreken. De sociale dialoog kan alleen functioneren als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan, waarvan de versterking van de capaciteit van met name de vakbeweging en van onafhankelijke publieke onderzoeksinstellingen de belangrijkste zijn. Toch is een eerste stap gezet in de richting van een sociale democratie in Latijns-Amerika.

De sociale dialoog moet in geen geval het primaat van de politiek ondermijnen, waarbij een sociaal-economische raad het parlement vervangt, zoals President Evo Morales van Bolivia of oppositieleider Ottón Solís in Costa Rica van de Partido Acción Ciudadana voor ogen hebben. De verbreding van de participatie van het maatschappelijk middenveld in het public policy-proces is echter op zijn plaats.

De vraag naar meer sociale dialoog is tegelijkertijd het gevolg van de zwakte van politieke partijen en de intrinsieke beperkingen van de representatieve democratie evenals een mogelijk antwoord daarop. De sociale dialoog dient niet top-down te worden ingesteld maar kan pas succesvol zijn als het ingebed is in het sociaal-economisch leven en in de politieke cultuur. Zo zal er meer aandacht besteed moeten worden aan de sociale dialoog op sector- en bedrijfsniveau.

Sociaal-economische raden zijn niet de enige vorm van geïnstitutionaliseerde sociale dialoog. Voor elk afzonderlijk land zal de precieze vormgeving van de sociale dialoog verder moeten worden uitgewerkt afhankelijk van de samenstelling van het maatschappelijk middenveld en de institutionele tradities. Het is noodzakelijk de sociale dialoog te “tropicaliseren.” Voor collectieve onderhandeling kan gedacht worden aan een eenvoudig onderhandelingsplatform naar het model van de Nederlandse Stichting van de Arbeid. Voor sociaal-economische advisering moeten er keuzes gemaakt worden over o.a. de samenstelling (en de criteria daarvoor, vooral voor de benoeming van onafhankelijke leden), doelstellingen, thematiek, methodologie, interne organisatie en politieke autonomie en financiering. In dit kader is het relevant nader te kijken naar het functioneren van de meer succesvolle adviesraden in Brazilië en Peru.

De institutionalisering van de sociale dialoog biedt overigens geen garantie voor een daadwerkelijke doorwerking van de aanbevelingen van het maatschappelijk middenveld in het politieke besluitvormingsproces. Een zekere mate van institutionalisering is noodzakelijk om legitimiteit te geven aan de sociale dialoog. Te veel institutionalisering brengt echter het risico met zich mee van machtsmanipulatie vanuit de regering. Om coöptatie van het maatschappelijk middenveld te voorkomen, zeker in die gebieden waar populistische tendensen bestaan is het van belang de autonomie en onafhankelijkheid van de sociale actoren ten opzichte van de regering te garanderen. In de institutionele kaders moeten voldoende waarborgen ingebouwd worden om manipulatie van het maatschappelijk middenveld door middel van corporatistische structuren te voorkomen.

Tot slot is politieke wil van alle kanten (regering, parlementaire oppositie en extraparlementaire oppositie) een vereiste. De weerstand van de regering van President Arias in Costa Rica tegen de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog heeft de instelling van een sociaal-economische raad op de korte termijn zeer onwaarschijnlijk gemaakt. Ook is een constructieve opstelling in de onderhandelingen. Dit vraagt om een cultuurverandering die een breuk met de ideologische polarisering en de op confrontatie gerichte politieke cultuur impliceert. Van de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog moeten geen wonderen worden verwacht.

De sociale dialoog moet gezien worden als een middel om tot goed economisch beleid te komen en niet als een doel op zich. De sociale dialoog is nodig om maatschappelijk draagvlak te genereren voor het regeringsbeleid en beleid te maken dat gericht is op continuïteit op de lange termijn. Overheidsbeleid moet boven regeringsbeleid komen te staan. Daarnaast kan de sociale dialoog voorzien in de noodzaak kanalen te openen en te versterken om de participatie van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken en ordelijk te laten verlopen en sociale conflicten te voorkomen.

[box type=”download” border=”full”]Petri – De Sociale Dialoog in Latijns-Amerika nader beschouwd[/box]


(1) Het UNDESA organiseerde op 24 en 25 juli 2008 een internationale Expert Group Meeting in Wenen met als doel informatie uit te wisselen over participatie en sociale dialoogmechanismen.
(2) Olivier Dabène, La région Amérique latine. Interdépendance et changement politique, Paris: Presses de Sciences Po, 1997.
(3) Alain Rouquié, Amérique latine: introduction à l’Extrême-Occident, Paris: Editions du Seuil, 1987
(4) Buve, Raymond, ‘Is er één grote Links Golf in Latijns-Amerika?’, in: Internationale Spectator, Jaargang 61, nr 2, februari 2007
(5) Dennis P. Petri & Jean-Paul Vargas, Efectividad Parlamentaria, San José: Ministerio de Asuntos Exteriores y de Cooperación de España, 2008
(6) Latinobarómetro. Opinión Pública Latinoamericana. Zie website: http://www.latinobarometro.org/.
(7) Arend Lijphart, Democracy in plural society. A comparative exploration, New Haven: Yale University Press, 1977
(8) Albert Hirschman, Journeys towards progress. Studies of economic policy-making in Latin America, Boulder: Westview Press, 1963

Posted on Leave a comment

De publieke rol van protestantse kerken in Latijns-Amerika

In Latijns-Amerika heeft de Katholieke kerk een zwaar stempel gedrukt op alle lagen van de samenleving. Door de eeuwen heen zijn veel maatschappelijke ontwikkelingen (stromingen, instanties, normen en waarden) sterk bepaald door de richting die daaraan werd gegeven door rooms-katholieke geestelijken.

Sinds begin 20e eeuw is er een flinke influx geweest van protestantse zendelingen voornamelijk uit Engeland en de Verenigde Staten, waardoor velen tot bekering kwamen en zich afkeerden van de ‘moederkerk’. Hierdoor ontstond een nieuwe sterke christelijke beweging die z’n tehuis vond in Pinkster- en Evangelische kerken.

Schattingen geven aan dat protestantse kerken, afhankelijk van het land een kwart tot de helft van de totale bevolking uitmaken (in Guatemala zegt zelfs 60% van de bevolking protestants te zijn). Hiermee is de groep evangelische christenen een maatschappelijke en politieke factor van belang geworden, die zich steeds meer roert in het publieke debat.

De Amerikaanse historicus James Kennedy analyseert in zijn boek Stad op een berg de rol die religie speelt in Nederland in de vormgeving van maatschappelijke instellingen en ideeën. In Latijns-Amerika spelen de protestantse kerken in de huidige postkatholieke tijd een steeds grotere rol, in een omgeving van groeiend secularisme. Na de strijd van protestantse kerken om dezelfde rechten als de Katholieke kerk, lijken deze zich nu te richten op andere maatschappelijke onderwerpen, als antwoord op de groeiende invloed die het secularisme op de samenleving heeft.

Tot voor kort was het Katholieke geloof de staatsgodsdienst van de meeste Latijns-Amerikaanse landen. Deze staatsgodsdienst impliceerde bijzondere rechten voor de Katholieke kerk. Costa Rica is het enige land in Latijns-Amerika waar de Katholieke Kerk nog de staatskerk is. Het enige andere land in de regio waar dat nog zo was, Bolivia, heeft in 2009 een nieuwe grondwet aangenomen, waardoor in dat land er geen officiële godsdienst meer is.

In Costa Rica strijdt nu een gelegenheidscoalitie van protestantse en humanistische (seculiere) organisaties voor de afschaffing van de bevoorrechte status van de Katholieke kerk en voor gelijke rechten voor alle godsdiensten. Hoewel het al lang niet meer zo is dat de Katholieke Kerk privileges heeft waardoor protestantse christenen achtergesteld worden, wordt dat door velen echter wel zo ervaren. Hierdoor ontstaat de vreemde situatie waarin zowel secularisten als protestanten strijden om Costa Rica een godsdienst-neutrale staat te maken.

De invloed van de secularisering van de samenleving is sterk zichtbaar. Voor de secularisten is het afbreken van de positie van de Katholieke Kerk een stap in het uitbannen van alle vormen van religie in het publieke domein. Protestanten beseffen nog te weinig dat ze hun pijlen niet moeten richten op de Katholieke Kerk, maar samen op moeten trekken tegen het groeiende secularisme.

De bevordering van liberale wetgeving zoals de invoering van het homohuwelijk in een aantal Latijns-Amerikaanse landen zijn het resultaat van de druk die secularisten hebben uitgeoefend. Het homohuwelijk is sinds kort mogelijk in Argentinië en in de deelstaat Mexico. Op korte termijn wordt verwacht dat het parlement van Uruguay een besluit zal nemen die het homohuwelijk mogelijk zal maken. Wetvoorstellen met dezelfde strekking zijn in behandeling in diverse landen. In Costa Rica is een poging om over dit onderwerp een referendum te houden door de Raad van State tegengehouden. De beslissing hierover ligt nu bij het Costaricaanse parlement.

Als antwoord op de aanhoudende criminaliteit in zijn land, poogde de Salvadoreense presidente Mauricio Funes in 2010 Bijbellezen op scholen verplicht te stellen. Vanwege grote maatschappelijke weerstand is dit wetsvoorstel daarna ingetrokken. Zie artikel “Meer nodig dan Bijbellezen in El Salvador”.

Ook oefenen veel maatschappelijke organisaties, ondersteund door internationale ontwikkelingsorganisaties en VN-instellingen, druk uit op de politiek om de mogelijkheden voor abortus te vergroten en IVF-behandeling versneld te legaliseren.

De Latijns-Amerikaanse kerken reageren wel op deze ontwikkelingen, maar nog steeds onvoldoende. Door middel van onderzoek en training hoopt de Stichting Platform voor Christelijke Politiek een bijdrage te leveren om de publieke rol van de kerken in Latijns-Amerika naar een hoger niveau te tillen.

Posted on 3 Comments

Poetins filosofie

Het paradoxale ‘liberaal-conservatisme’ met een sterke staat

Stel je voor dat je een lesboek over de Amerikaanse geschiedenis zou opslaan en niets zou tegenkomen over Thomas Paine, Benjamin Franklin of Thomas Jefferson. Dit is zo ongeveer de situatie voor iedereen in het Westen die iets probeert te begrijpen van het hedendaagse Rusland. De standaard lesboeken vermelden nagenoeg niets over de conservatieve ideeën die momenteel het politieke speelveld domineren. De Sovjet-Unie onderdrukte uiteraard krachtig de belangrijkste rechtse denkers gedurende het grootste deel van de vorige eeuw, maar zelfs nu het niet langer als een misdaad wordt beschouwd wanneer Russen hun boeken lezen, blijft het Westen deze denkers negeren.

Daar is een reden voor. Historici zijn geneigd tot een teleologische focus. Ze hebben een bepalend eindpunt – de telos – en willen uitleggen hoe we daar gekomen zijn. Informatie die niet bijdraagt aan deze uitleg wordt genegeerd. In het geval van Rusland was de telos ettelijke decennia het communisme. Iedereen wilde begrijpen wat het was en waarom het er in geslaagd was de macht te grijpen. Studies van de Russische intellectuele geschiedenis concentreerden zich begrijpelijkerwijs dan ook vooral op de ontwikkeling van liberaal en socialistisch denken. Russisch conservatisme daarentegen, werd beschouwd als een historisch dood lopend spoor en het bestuderen niet waard.

Het gevolg daarvan is, dat Westerse commentatoren – die het aan enige kennis van Ruslands conservatieve erfgoed ontbreekt – heden ten dage niet in staat zijn de Russische regering in de juiste intellectuele context te plaatsen.

Analyses van Poetin neigen ernaar de nadruk te leggen op zijn verleden bij de KGB en schilderen hem als iemand die er op gebrand is democratische vrijheden te onderdrukken. Zoals de vermoordde journalist Anna Politkovskaja het stelde, Poetin “is er niet in geslaagd zijn herkomst te ontstijgen en te stoppen zich te gedragen als een luitenant-kolonel in de Sovjet KGB. Hij is nog altijd bezig om zijn vrijheidslievende landgenoten in de pas te laten lopen; hij volhardt in het vermorzelen van de vrijheid, net zoals hij dat eerder in zijn loopbaan deed.” Voor velen in het Westen is daarmee alles gezegd.

In feite staat Poetin, in tegenstelling tot het hierboven beschreven gezichtspunt, in een lange Russische traditie  van ‘liberaal-conservatisme’.  De moderne Russische auteur A.V. Vasilenko omschreef deze school van denken als volgt: “Een sterke staat is nodig, niet in de plaats van liberale hervorming, maar om die mogelijk te maken. Zonder een sterke staat zijn liberale hervormingen onmogelijk.” Dit is de basis van wat de Britse academicus Richard Sakwa “een unieke synthese van liberalisme en conservatisme” noemt en belichaamd wordt door Poetins bewind.

Boris Tsjitsjerin (1828-1904) is wellicht de grondlegger van deze ideologie. Volgens de historicus Richard Pipes, huldigde hij enerzijds “Manchester liberalisme [het klassiek-liberalisme van de Manchester School red.] en burgerrechten, en steunde hij tegelijkertijd de autocratie.” “De Russische liberaal” zo schreef Tsjitsjerin, “reist op een aantal verheven woorden: vrijheid, openheid, publieke opinie… die hij als grenzeloos interpreteert. … Hij acht derhalve de meest elementaire concepten, zoals gehoorzaamheid aan de wet of de noodzaak voor politie en bureaucratie, reeds de producten van een ongehoord despotisme.” “De extreme ontwikkeling van de vrijheid, inherent aan democratie,” zo stelde hij, “leidt onvermijdelijk tot de instorting van het organisme van de staat. Om dit tegen te gaan, is het nodig om sterk gezag te hebben.”

Een andere belangrijke figuur was de filosoof Vladimir Solovjov (1853-1900). Solovjov geloofde dat christelijke liefde, belichaamd in de Kerk, de opperste politieke waarde was en tot uiting kwam in politieke en economische regelingen die de waardigheid en rechten van individuen respecteerden. Zodoende was Solovjov, terwijl hij een nauwe band tussen kerk en staat steunde, een tegenstander van de doodstraf en ging hij tekeer tegen het officiële antisemitisme. Hij was wat alleen omschreven kan worden als een ‘liberale theocraat’.

Nog een andere centrale persoonlijkheid in de annalen van het Russische liberaal-conservatisme was Pjotr Struve 1870-1944). Oorspronkelijk een marxist, schreef Struve het eerste manifesto van de Russische Sociaal Democratische Arbeiders Partij (de voorloper van de Communistische Partij), maar uiteindelijk zwoer hij het marxisme af en in ballingschap in de jaren ’20 werd hij een prominente supporter van het oudste overlevende lid van de Russische koninklijke familie. Struve maakte deze opmerkelijke transformatie door zonder ooit de kern van zijn liberale overtuigingen aan te passen.

Wellicht het belangrijkste werk in de liberaal-conservatieve canon is een bundel uit 1909 getiteld Vechi (Bakens), dat in 2009  door een Russische regeringsfunctionaris  als “ons boek” werd aangeduid. Het bestaat uit een reeks scherpe aanklachten van de Russische intelligentsia door prominente liberalen zoals Pjotr Struve, Nikolaj Berdjajev en Sergej Boelgakov, wier weerzin gewekt was door de anarchie van de revolutie van 1905. Vechi beweerde dat de intelligentsia zich zelf had afgesneden van het Russische volk door slaafs Westerse ideeën te kopiëren en Russische te negeren en dat het geen respect had voor het recht. De auteurs concludeerden dat het fundament van de regering een sterk rechtssysteem moet zijn.

Poetin zelf lijkt vooral twee tijdgenoten van de auteurs van Vechi te bewonderen, Pjotr Stolypin (1862-1911), premier van Rusland van 1906 tot 1911, en de filosoof Ivan Iljin (1883-1954).

Stolypin nam het roer over als premier te midden van de revolutie en deinsde er niet voor terug extreem geweld te gebruiken om die te onderdrukken. Zoveel radicalen werden verhangen dat de strop bekend kwam te staan als ‘Stolypins das’. Tegelijkertijd streefde hij liberale hervormingen na in de sociale en economische sfeer, hij werd vooral bekend door het doorvoeren van hervormingen om grond aan boeren in bezit te geven, met als doel een samenleving gebaseerd op privaat eigendom te creëren.

Net als Stolypin heeft Poetin gewerkt aan de verankering van het eigendomsrecht en de liberalisering van de economie.

Poetin leidt een comité dat de realisatie van een monument voor Stolypin in Moskou beoogt. Hij heeft Stolypin “een ware patriot en een wijs politicus” genoemd, die “inzag dat zowel alle soorten van radicaal sentiment als aarzeling en weigering noodzakelijke hervormingen door te voeren, gevaarlijk waren voor het land, en dat alleen een sterke en effectieve regering vertrouwende op zakelijk en burgerlijk initiatief van miljoenen progressieve ontwikkeling zou kunnen veilig stellen.” Zoals een commentator opmerkte, “Poetin had over zichzelf kunnen spreken.”

Voor wat Iljin betreft, hij begon zijn intellectuele loopbaan als een student van Hegel. Door Lenin in 1922 uitgewezen uit de Sovjet-Unie, verhuisde hij naar Berlijn. Anderhalf decennium later, toen hij zijn baan verloor omdat hij niet wilde doceren in overeenstemming met Nazi-voorschriften, ontvluchtte hij ook Duitsland  en leefde de rest van zijn leven in Zwitserland.

Poetin haalt Iljin geregeld aan in zijn schrijfsels en toespraken. In 2005 speelde hij een rol in de terugkeer van Iljins stoffelijk overschot naar Rusland en zijn herbegrafenis in Moskou, met veel vertoon omkleed. Later betaalde hij persoonlijk voor een nieuwe grafzerk voor Iljin.

Net als Stolypin en de bijdragers aan Vechi, geloofde Iljin dat de bron van Ruslands problemen een onvoldoende ontwikkeld ‘rechtsbesef’ (правосознание) was. Gezien dit gegeven, was democratie geen gepaste regeringsvorm. Hij schreef  “aan het hoofd van de staat moet er een enkele wil zijn.” Rusland had een “verenigde en sterke staatsmacht, dictatoriaal in de scope van zijn bevoegdheden” nodig. Tegelijkertijd moesten er duidelijk grenzen aan deze bevoegdheden zijn. De heerser moet de steun van de bevolking hebben; staatsorganen moeten verantwoording afleggen; het beginsel van de legaliteit moet bewaard blijven en alle personen moeten gelijk zijn voor de wet. Vrijheid van geweten, meningsuiting en vergadering moeten gegarandeerd zijn. Privaat eigendom moet sacrosanct zijn. Iljin geloofde dat de staat het opperste gezag moest hebben op die terreinen waar zij competent is, maar geheel buiten die terreinen moest blijven waar ze niet competent is, zoals het privéleven en godsdienst. Totalitarisme, zo stelde hij, is “goddeloos”.

De realiteit van Poetins Rusland sluit vrij nauw aan op dit liberaal-conservatieve model. Poetin heeft bijvoorbeeld, net als Stolypin, belangrijke stappen ondernomen om het eigendomsrecht te verankeren, alsmede om de economie te liberaliseren. In januari schreef Poetin dat “de motor van de groei in het initiatief van de bevolking moet en zal liggen. We zijn gedoodverfd te verliezen als we ons enkel verlaten op de besluiten van ambtenaren en een beperkt aantal grote investeerders en staatsbedrijven. … Ruslands groei in de komende jaren staat gelijk aan de uitbreiding van vrijheden voor een ieder van ons.” Poetin en Dmitri Medvedev hebben een reeks van liberaal denkende ministers van financiën aangesteld, die gewerkt hebben aan het terug brengen van de regeldruk voor kleine ondernemingen. Vooruitgang op dit vlak is fragmentarisch maar tastbaar, zoals ook de recente toelating van Rusland tot de Wereld Handels Organisatie (WTO) laat zien. Westerse beschouwers neigen er naar dit over het hoofd te zien en in plaats daarvan de focus te leggen op het negatieve, zoals het terug brengen onder staatscontrole van de belangrijkste spelers in de energiesector.

Net als de liberaal-conservatieven heeft Poetin de nadruk gelegd op wat hij ‘de dictatuur der wet’ noemt. Westerse commentatoren hebben de voortdurende misbruiken in de rechtspraak veroordeeld. Maar zoals William Partlett van de Brookings Institution opmerkt, “Poetin heeft veel meer aandacht besteed aan hervorming van het recht dan zijn voorganger … en heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt in het bij de tijd brengen van het tegenstrijdige Russische rechtssysteem. … Voorts staat hij verrassend open voor de implementatie van mensenrechtennormen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in Russische rechtszalen.”

Onder de Poetin-doctrine van ‘soevereine democratie’ is de staat beperkt; ze streeft er niet naar ieder aspect van het leven te beheersen. Het ziet vrijheid terdege als essentieel voor sociale en economische vooruitgang. Maar waar de staat wel optreedt, moet ze soeverein zijn – krachtig, verenigd en vrij van de invloed van buitenlandse machten. In de ogen van Westerse critici was Poetins besluit in zijn eerste termijn als president om de bevoegdheden van de regionale gouverneurs te beperken een directe aanval op de democratie. Voor Poetin was dit echter een cruciale stap om een einde te maken aan de praktijk dat regio’s ongehoorzaam waren de federale wet en om de ‘eenheid van recht’ in de natie te herstellen.

Liberaal-conservatisme ligt ook ten grondslag aan Poetins houding ten opzichte van het maatschappelijk middenveld. James Richter van Bates College stelt: “de regering Poetin was een veel consistentere voorvechter van het maatschappelijk middenveld dan het Kremlin onder Jeltsin, ofschoon ze probeerde het concept voor haar eigen doeleinden bij te stellen.” Sinds 2004 heeft de Russische regering op alle bestuursniveaus  ‘publieke kamers’ opgezet, die moeten dienen als een forum waarin maatschappelijke organisaties en staatsorganen samen kunnen werken. Deelnemers hebben genereuze publieke financiering ontvangen. Tegelijkertijd betwijfelen sommigen in het Westen de waarde van deze kamers omdat ze er op ingericht zijn het maatschappelijk middenveld te helpen met de staat samen te werken en niet om haar uit te dagen.

Russische liberaal-conservatieven waren nooit democraten in Westerse zin en het is niet verwonderlijk dat velen hier hun ideologie verwerpen. Richard Pipes beschouwt Tsjitsjerins filosofie als een “abstracte en onrealistische doctrine.” Het idee dat de krachtige staat “de burgerrechten zou kunnen respecteren was eenvoudigweg quixotisch.” Op een vergelijkbare wijze kan Iljins visie van een beperkte, op het recht gebaseerde en verantwoording afleggende dictatuur naïef onpraktisch lijken.

Maar het punt van dit betoog is niet of liberaal-conservatisme de juiste keuze is voor Rusland. De kwestie is veeleer dat wij in het Westen er niet in slagen deze ideologie als zodanig te herkennen. Poetin heeft een heldere visie van een sterke, gecentraliseerde, op het recht gebaseerde regering met duidelijk bepaalde en beperkte competenties, consistent met inheems Russische scholen van denken. Onze betrekkingen met Rusland zouden fors verbeteren als we deze realiteit zouden erkennen en ons daartoe zouden verhouden in plaats van aan te slaan op irrelevante karikaturen van een politiestaat.

__________

Met toestemming overgenomen. Copyright 2012 TheAmericanConservative.com.
Vertaling: Jonathan van Tongeren

Posted on 1 Comment

De banden van Georgië met Europa

Ik zal mijn bespreking van de banden van Georgië met Europa beginnen met een korte geschiedenis van Georgiës streven opgenomen te worden in de Europese Unie, daarna zal ik bespreken waar Georgië nu staat op haar weg naar integratie in de EU. Ik zal schetsen wat Georgië op deze weg al bereikt heeft en ik zal ook alle problemen en uitdagingen bespreken die we als natie nog bij de kop zullen moeten nemen en tot slot zal ik het beleid bespreken dat wij, als verantwoordelijk en gouvernementeel ingestelde oppositiepartij, voorstaan.

Afbeelding van koning David Aghmashenebeli (“de bouwer”) in een klooster

Reeds in de 12e en 13e eeuw, tijdens het bewind van koning David Agmashenebeli en koningin Tamar, vochten Georgische krijgers zij aan zij met Europese ridders in de kruistochten om het heilige Jeruzalem te bevrijden. Het is een historisch feit dat Georgië in die tijd intensieve contacten onderhield met de Franse, Duitse en Engelse koningshuizen van die tijd, vooral aangaande gemeenschappelijke belangen in het Midden-Oosten.

In de 18e eeuw poogden Georgische koningen de hulp van Europa in te roepen, toen Georgië op de rand van oorlog verkeerde, doordat de Perzische en Ottomaanse rijken een enorme druk op haar grenzen uitoefenden. De Georgische koning Vakhtang VI zond de bekende Georgische denker en publiek figuur Sulkhan Saba Orbeliani naar Frankrijk en Italië om Europese hulp te zoeken in de strijd om het behoud van de Georgische soevereiniteit en de christelijke godsdienst.

Toen Georgië in 1918 zijn onafhankelijkheid van Rusland herwon, was Duitsland het eerste Europese land dat Georgië als een onafhankelijke staat erkende en diplomatieke banden met haar aanging, al snel gevolgd door Frankrijk en andere Europese landen.

In ons tijdperk ontstonden de banden van de Europese Unie en Georgië in 1992, vlak nadat Georgië zijn soevereiniteit had herwonnen in het kielzog van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.  De EU was een van de eerste entiteiten die Georgië assisteerden in de moeilijke jaren van transitie. De Europese Commissie opende haar delegatie naar Georgië in Tbilisi in 1995. De banden werden vooral aangehaald na de Rozenrevolutie in 2003, toen de EU opnieuw zijn toezegging bevestigde Georgië te ondersteunen in haar streven naar economische, sociale en politieke hervormingen.

De hoeksteen van de banden tussen de EU en Georgië is de Partnership and Cooperation Agreement (PCA), waarover in 1996 onderhandelingen werden afgesloten en dat in 1999 van kracht werd, aanvankelijk voor een periode van tien jaar en nadien automatisch verlengd wordt op jaarbasis. De PCA voorziet in samenwerking in een brede waaier van beleidsterreinen, zoals politieke dialoog, handels-, investerings-, economische, parlementaire en culturele samenwerking.

In 2003-2004 stelde de Europese Commissie een nieuw buitenlands beleid voor de EU voor – het ‘European Neighbourhood Policy’ (ENP) – met als doel te voorkomen dat er nieuwe scheidslijnen zouden ontstaan tussen de nieuwe EU-lidstaten in Centraal en Oost-Europa en hun buurlanden en in plaats daarvan de welvarendheid, stabiliteit en veiligheid van alle betrokkenen te versterken. Dat ook Georgië hierin betrokken werd, was een belangrijke stap voorwaarts in de verhoudingen tussen Georgië en de EU. In november 2006 werd een zogenaamd ‘EU-Georgia ENP Action Plan’ aangenomen. Het actieplan is een politiek document dat de strategische doelen van de samenwerking tussen Georgië en de EU uiteenzet. Het beslaat een tijdvak van vijf jaar. De uitvoering van het plan draagt bij aan het vervullen van de voorwaarden van het PCA, aan het versterken van banden in nieuwe gebieden van samenwerking en ondersteunt de doelstelling van Georgië om verder geïntegreerd te worden in Europese economische en sociale structuren.

In december 2005 wees de EU Georgië het zogenaamde General System of Preferences + (GSP+) toe, dit werd uitgebreid in 2008.  Het GSP+ voorziet in een niet-wederkerige tariefreductie op onbelaste toegang tot Georgische export naar de EU.

Tot de oorlog tussen Georgië en Rusland in 2008, was de EU de grootste donor in Abchazië en Zuid-Ossetië. Na de oorlog in augustus werd in oktober 2008 de European Union Monitoring Mission (EUMM) in Georgië geïnitieerd in overeenstemming met de voorzieningen van de overeenkomsten tussen Moskou en Tbilisi waarin de EU bemiddeld had.

In het voorjaar van 2009 lanceerde de EU het Eastern Partnership met als doel politieke en sociaaleconomische hervormingen in Georgië, alsmede in Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne te ondersteunen. Het Eastern Partnership voorziet sterkere politieke betrokkenheid bij de EU, namelijk het vooruitzicht van een nieuwe generatie van associatieovereenkomsten en verreikende integratie in de Europese economie met diepe en omvattende vrijhandelsverdragen.

Bij de lancering van het Eastern Partnership in mei 2009 nam de top van Praag het voorstel over om een Civil Society Forum tot stand te brengen. In een gezamenlijke verklaring “nodigt [de top] de Europese Commissie uit werkvormen te ontwikkelen en voor te stellen voor het tot stand brengen van een Civil Society Forum van het Eastern Partnership”.  In reactie hierop lanceerde de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlands en Veiligheidsbeleid, tevens vicevoorzitter van de Europese Commissie, Catherine Ashton, de onderhandelingen voor een associatieverdrag tussen de EU en Georgië in Batumi op 15 juli 2010.

President Micheil Saakasjvili en Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton bij de gelegenheid van de sluiting van het associatieverdrag

Sinds 2004 houdt de EU een scherp oog op de vooruitgang van Georgië in termen van de vervulling van EU-aanbevelingen. Het National Indicative Programme laat zien waar Georgië belangrijke vooruitgang geboekt heeft en op welke terreinen nog grote uitdagingen liggen.

Vooruitgang 2007-2010:

  • Hervormingen voor een effectieve overheid en uitvoerende instanties
  • Hervormingen van de politie
  • Verbetering van de uitvoering van verkiezingen
  • Grondwetsherziening
  • Hervormingen in handel en zakenleven
  • Bestrijding van administratieve corruptie
  • Bestrijding van criminaliteit

 

Problemen blijven bestaan op het gebied van:

  • Democratie, pluralisme in politiek en media
  • Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht
  • Mededings- en anti-monopoliedienst
  • Arbeidswet en arbeidsrechten
  • Sociaal en gezondheidszorgbeleid voor werkenden
  • Armoedebestrijding
  • Corruptie onder de elite en transparantie van publieke uitgaven
  • Agrarische ontwikkeling

Is de huidige Georgische regering in staat en bereid om deze uitdagingen het hoofd te bieden? Mijn antwoord is dat zij slechts ten dele in staat is en slechts ten dele bereid is om hervormingen door te voeren die zullen bijdragen aan de oplossing van hierboven genoemde problemen. Ze zijn bereid zolang de hervorming hun eigen macht niet in gevaar brengt. Als een oplossing van een bepaald probleem haar macht zal verminderen, zal de regerende partij daar simpelweg niet op aansturen. Dit verklaart waarom we nog steeds ernstige problemen hebben met pluralisme in politiek en media, met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en wetgeving op het gebied van mededinging en monopolie. Als de regeringspartij meer pluralisme in media en politiek toe zou laten, verkleint ze haar kans de volgende verkiezingen te winnen. Als de rechterlijke macht onafhankelijker zou zijn, zou dat veel Georgiërs aanmoedigen de overheid aan te klagen inzake eigendomsrechten, mensenrechten et cetera. Een sterke autoriteit op het gebied van mededinging en de bijbehorende wetgeving zouden veel monopolies van Georgische politici in de zakenwereld ongedaan maken. Als het midden- en kleinbedrijf goed ontwikkeld is, met gedegen arbeidswetgeving, zal dat Georgische burgers economisch zekerder maken en minder afhankelijk van de overheid.

Er is al met al nog een lange weg te gaan en verder hervormingen zijn nodig. De zittende regering heeft echter noch de capaciteiten noch de wil om al deze hervormingen door te voeren. Wij christendemocraten geloven dat wij de politieke partij zijn die in staat is deze problemen op te lossen, wat Georgië zal helpen verdere stappen naar Europese integratie te zetten. Wij zien de problemen scherp en bereiden ons terdege voor om die op te lossen met gedegen en realistische programma’s voor economische ontwikkeling, decentralisatie van de macht, gezondheidszorg en sociale bescherming, landbouwhervormingen enzovoorts. Dit ligt niet alleen in lijn met de verwachtingen van de EU, maar ontwikkelen we ook in samenwerking met onze christendemocratische partnerpartijen in Europa.

Ik weet niet hoe lang het zal duren om Georgië deel uit te laten maken van de grotere Europese familie. Zal het een decennium zijn, of twee? Maar ik ben er stellig van overtuigd dat ons land er uiteindelijk zal komen en dat haar politieke systeem, haar economie en haar samenleving voordeel zullen hebben van dit proces en dat Georgië een belangrijke bijdrage aan Europa te leveren heeft.

Vertaling: Jonathan van Tongeren