Posted on

Een briljant beschreven rit naar het einde van de beschaving

Meestal zijn jonge mensen vol enthousiasme en hoop over het leven dat voor hen ligt. Zo niet Sid Lukkassen, die, geboren in 1987, in zijn boek ‘De democratie en haar media’ een scherpe blik toont voor de gebrekkige samenwerking tussen de kiezers en hun vertegenwoordigers in de huidige democratie. Het boek eindigt met de metafoor van de verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht. Vanaf het begin tot het einde werkt het boek naar deze metafoor toe.

Het is ook geen detective waarvan je de clou niet mag verraden; het is een boek dat vanuit filosofische grondslagen onderzoekt waarom de communicatie tussen burgers in de overheid en burgers buiten de overheid niet wil leiden tot het geluk dat volgens Aristoteles het uiteindelijke levensdoel is. 

De drie hoofddelen van het boek

Het boek is grofweg in te delen in 3 delen (hoewel ze niet volledig binnen de hoofdstukken zijn te scheiden): Het eerste deel omvat de eerste 3 hoofdstukken en behandelt meerdere filosofen, zoals Rousseau, Rosanvallon, Nida-Rümelin, Ortega y Gasset, Crouch, en Byung-Chul Han. Deze filosofen uit de 18e, 19e en 20e eeuw worden na en naast elkaar behandeld. Zonder de onvermijdelijke complexiteit te ontwijken maakt het boek veel duidelijk. Weliswaar zijn er beperkingen bij de oudere filosofen merkbaar – omdat hun wereld nou eenmaal scherp verschilt van de onze – maar tegelijk blijkt ook dat de kern van hun bevindingen in grote mate overeind blijft. De mens heeft nu immers wel meer mogelijkheden voor communicatie, maar is en blijft nog steeds mens. Het is hierom mogelijk om Plato en Rawls naast elkaar te zetten al zitten er 23 eeuwen tussen hun levens.

Het tweede deel omsluit de hoofdstukken 4 t/m 7: hierin ligt het accent, vanuit deze filosofische beschouwingen en vergelijkingen, op de praktische uitwerking van de hedendaagse communicatiemogelijkheden op de democratie van vandaag. Gelardeerd met herkenbare en actuele voorbeelden maken de filosofische inzichten duidelijk hoe democratie zich in de praktijk ontwikkelde tot een kakofonie van stemmen en meningen in deze 21e eeuw.

Tenslotte is er het laatste hoofdstuk waarin aan de hand van 19 stellingen een ultieme invulling wordt gegeven aan hetgeen in het tweede deel al was voorbereid en waarin ook de filosofische fundamenten uit het eerste deel feilloos verweven zijn. Hier heeft de filosoof zijn ivoren toren verlaten en bewijst hij dat alle wijsheid uit deze ivoren toren naadloos terugkomt in de wereld waarin wij – eenvoudige mensen – onze rijke samenleving overdacht en onomkeerbaar naar de verdoemenis helpen.

Kan een democratie de eigen bestaansvoorwaarden zeker stellen?

Om de rode draad in zijn boek te borgen onderzoekt Lukkassen twee vragen: “Is het mogelijk dat een liberaal-democratische samenleving moreel kapitaal als burgerdeugd en vrijheidsliefde kan garanderen” en de vraag of het mogelijk is “dat de representatieve democratie is gebaseerd op communicatieve voorwaarden die deze democratie zelf maar in beperkte mate kan waarborgen.”

Lukkassen wijst hierbij met name op het belang van een mate van Öffentlichkeit (of public sphere) om te garanderen dat op deze vragen een positief antwoord gegeven kan worden. Het boek onderbouwt vervolgens dat deze mate van Öffentlichkeit in meerdere opzichten ontbreekt, waardoor dit positieve antwoord onvermijdelijk uit moet blijven.

Soundbites bevorderen vluchtige conclusies

Zo wijst hij onder meer op de grote ophef in het Midden-Oosten over het boek De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Deze ophef draaide puur rond beeldvorming, aangezien dit boek in dat deel van de wereld niet te koop was en dus niet werd gelezen. Het is één van de vele voorbeelden van beeldcultuur in dit boek. Een vergelijkbaar punt maakt hij met het simulacrum: een kopie van een origineel dat nooit bestaan heeft. Hierdoor kan – ook in onze open democratie – een bestaand beeld worden vervormd door (of tot) een soundbite. En terwijl het origineel beschikbaar is om te beoordelen richt de massa zich op het beeld dat is geschapen door het verkorte (en vaak: verknipte) bericht.

Zo neemt Lukkassen ons mee in een samenspel tussen deliberatie en acceleratie. Overpeinzing en vluchtigheid. Doordachte studies en vluchtige conclusies. Een samenspel waarin de menselijke geest onverbiddelijk wordt doorgrond in haar fatale zucht naar onlogische keuzes.

Het meest opmerkelijke van het boek is echter dat Lukkassen met dit boek zijn eigen ongelijk bewijst. Waar hij in alle geledingen van het boek aantoont dat grondig, inhoudelijk onderzoek het aflegt tegen soundbites en andere vormen van Twitter-geweld, doet hij dat in de hoge mate van deskundigheid, eruditie en grondigheid. De kwaliteiten waarvan hij aantoont dat ze in onze wereld geen schijn van kans hebben om gehoord te worden. Daarbij ondersteunt hij de kracht van het boek door columns en podcasts (verspreid via Facebook en e-mail) waarin niet alleen eenzelfde grondigheid aanwezig is, maar zelfs de poging tot vluchtigheid ontbreekt terwijl deze gremia zich juist uitstekend lenen voor vluchtigheid.

Het boek kan ons juist redden van de ondergang

Juist hierdoor ben ik van mening dat dit boek een basis legt die uitdaagt om steeds opnieuw te bestuderen en doordenken en daarmee bijdraagt aan de kracht van de samenleving waar hij zoveel zorgen over heeft. Hoewel Lukkassen zelf ongetwijfeld zou tegenwerpen dat deze visies structureel worden vermeden bij de breder bekeken programma’s, zoals die van Pauw, Jinek, Humberto Tan en Matthijs van Nieuwkerk. En dat zelfs de kranten deze bevindingen mijden, omdat de boodschap niet past in een links-liberaal tsjakka-optimisme, noch in de inmiddels van links tot rechts gedeelde veronderstellingen van techno-hedonisme, de kneedbare persoonlijkheid en de maakbare samenleving. Kortom, Lukkassen zou er op wijzen dat zijn inzichten niet doordringen tot een politieke werkelijkheid die meer door baantjes, vriendjes en korte lijntjes met het bedrijfsleven wordt bepaald dan door ethische principes of een vorming die deels op cultuurhistorische kennis berust.

Nu moet de koper van het boek zich voorbereiden op een forse intellectuele inspanning – in het begin zet het boek de grondbegrippen en stellingen uiteen en leest daarna prettig weg. Deze inspanning is het zeker waard omdat de lezer wordt gestimuleerd c.q. gedwongen om een strakker beeld te krijgen van de opbouw van ons onbewuste besef van communicatieve mogelijkheden.

Conclusie: het boek helpt ons een kloof te overbruggen

Lukkassen legt scherp de vinger op de scheiding tussen de massa en de leiders van een staat. Leiders zijn in staat om de waarde van dit soort grondige studies te (h)erkennen; juist door de kracht ervan toe te passen in hun handelen kunnen zij de twitterende burger leiden naar een krachtige samenleving. Zo kan juist dit boek voorkomen dat onze samenleving eindigt in het doembeeld van een verloren beschaving gehuld in een spookachtig licht; een waarschuwing die Lukkassen ons vanaf de eerste bladzijde voorhoudt.

N.a.v. Sid Lukkassen, De democratie en haar media (Groningen: De Blauwe Tijger, 2017) paperback met flappen, 400 pagina’s.

Posted on Leave a comment

EU als schoolklasje tegen nationalisme

Konrád_GyörgyHet onlangs in Duitse vertaling bij uitgeverij Suhrkamp verschenen essay ‘Europa und die Nationalstaaten’ van de Joods-Hongaarse publicist György Konrád (1933) gaat eigenlijk maar over één enkele natiestaat en wel de Hongaarse. Die ziet Konrád – en daarmee vertegenwoordigt hij een minderheidsstandpunt in Hongarije dat in West-Europa populairder is – onder de regering Orbán sinds 2010 op weg naar een autoritair geleide staat, “een postcommunistische, nationale autoritaire staat die in zekere zin in de buurt komt van neofascisme”. De twee-derde meerderheid van de regeringspartijen in het parlement zou tot een afschaffing van de pluralistische democratie en een machtsconcentratie op het hoogste niveau leiden. Politieke tegenstanders van de regering zouden als vijanden beschouwd worden en gunstelingen bevoordeeld. Extreem nationalisme en antisemitisme zouden zich weer breed maken.

Tegen deze duistere achtergrond ziet Konrád de sterren van de Europese Unie des te helderder stralen. Europa staat in zijn optiek voor matiging en on-ideologische nuchterheid, niet voor charismatische leiders, maar voor betrouwbare vaklieden, voor een cultuur van samenwerking, niet van nationalistische confrontatie. De staat die het voorrecht ten deel valt om lidstaat te worden van de Europese Unie, ziet hij dan ook een plaats “in een hogere klas in de school van de beschaving” toegewezen. Europa beteugelt de politieke passie van een ontketend, mythisch nationalisme: “De EU tempert het in ons verborgen onstuimige en brengt ons tot vergelijkend inzicht.” Politieke smeerpoetsen moeten echter buiten blijven of door “de rationaliteit van de federatie” weer op het pad van de politieke deugd terug gebracht worden. Een Europese interventie ter bescherming van de democratie wanneer die in een natiestaat bedreigd wordt is voor Konrád dan ook niet slechts legitiem, maar zelfs een plicht!

Wie bekend is met de loopbaan van Konrád, kan zijn zorgen omtrent wat hij ziet als een dreigende afbouw van rechtstatelijke checks and balances en gelijkschakeling van de media, zijn “angst voor een nieuwe tirannie” goed begrijpen: “Na mijn bevrijding uit de puinhopen van twee dictaturen kan ik bij mezelf naar geen van beide enige heimwee bespeuren.” Maar kan en moet Europa hier behulpzaam zijn? De vermeende “rationele controle van de staat door de EU” bewees zich zoals bekend in 2000, toen de deelname van de FPÖ aan de Oostenrijkse regering de EU-gemoederen deed oplaaien, als drieste en lompe inmenging door andere EU-lidstaten; over deze schandalige zaak rept Konrád met geen woord.

Hungary's Prime Minister Viktor Orban arrives at the European Commission headquarters in Brussels

Het is begrijpelijk en uit democratisch oogpunt lovenswaardig dat Konrád de nationale politieke elite “als herverdelende bureaucratieën met eigen belangen” wantrouwt en het misbruik van macht en geld door mensen in overheidsfuncties geselt. Maar loopt de Europese politieke elite niet hetzelfde gevaar? Werkt ook zij niet met mythen, probeert ook zij niet door inzet van fondsen te heersen en bureaucratisch uit te dijen? Zo kritisch als Konrád de natiestaten, in het bijzonder de Hongaarse, bejegent, zo idealistisch is zijn perceptie van de EU: “Kiezen voor Europa is kiezen voor argumenten en politieke oprechtheid, wat een scherp oordeel niet uitsluit. Europa betekent vandaag de dag de concurrentie van intelligentie en gedrag. Toenemende omzet van geestelijke en afnemende omzet van materiële goederen.” Spreekt hij hier werkelijk over de Europese Unie? Wat Europa tot eenheid vormt, daarin heeft de ‘antipolitieke’ estheet Konrád zeker gelijk, is zijn verscheidenheid in cultuur, “die eeuwen, millennia eerder ontstaan is dan de economisch-politieke eenheid van ons continent”. Voor het voortbestaan van deze cultuur is de Europese Unie echter, zoals hij toegeeft, “geen bestaansvoorwaarde”.

42371De Europese Unie is een ambitieus politiek project. Haar architectuur moet, om langer mee te kunnen en door Europese burgers aanvaard te worden, overeenkomen met “het gelaagde wezen van het Europese bewustzijn”. “Klaarblijkelijk begeert iedere nationale gemeenschap zelfbeschikking, autonomie, eigen instituties en een eigen natiestaat.” Maar de gelouterde natiestaat doet geen aanmatigende aanspraak op leiderschap meer, maar verstaat zich als deel van een grotere Europese gemeenschap, die zij onderhoudt. “Die op de vaderlandsliefde toegesneden stijl mogen we, die de vriendschappelijke gelijkwaardigheid van de vaderlanden voor vanzelfsprekend houdt.” Ook de Europese gemeenschap mag niet aan de arrogantie van de macht ten prooi vallen en haar soevereiniteitsaanspraak ongepast ten koste van de naties willen uitbreiden. Ook in dit opzicht moet men als Europeaan waakzaam blijven.

N.a.v. György Konrád, Europa und die Nationalstaaten, (Suhrkamp Verlag, Berlijn, 2013), 183 pp., €14,95.

Posted on Leave a comment

De staat van de Unie

Donderdag 7 maart jongstleden vond in de Tweede Kamer een debat plaats over de staat van de Europese Unie, waarbij ook diverse Nederlandse europarlementariërs zich tot de kamer richtten. Zo ook Peter van Dalen, europarlementariër voor de ChristenUnie (Europese Conservatieven en Hervormers, ECR). Hieronder zijn speech:

Hoe staat de Europese Unie ?

Mijn favoriete schrijver is Erich Maria Remarque. Zijn bekendste boek is “Im Westen nichts Neues”. Dit boek is door de nazi’s verbrand. Het boek bericht over een generatie die door de oorlog werd vernietigd. Èn het boek bericht over de generatie die ontkwam aan de granaten!

erich-maria-remarque-1898-1970-german-everettEr bleef immers ook een generatie in leven. Maar hoe? In een Europa zonder werk; een Europa met honger; een Europa vol vluchtelingen; een Europa waar het bezit van een paspoort het verschil maakte tussen leven en dood.

Dàt Europa kennen we niet meer. Daar mogen we God voor danken. Ons Europa is al meer dan 65 jaar verschoond van een grote oorlog. In ons Europa kunnen personen, goederen, diensten en kapitaal vrij reizen. In ons Europa werken we samen om te kunnen eten en in vrijheid te leven.

Maar ons Europa staat onder grote druk. We hebben een munt die ons de kop kan gaan kosten. Euroleiders als Draghi bedenken constructies die nauwelijks nog te begrijpen zijn. Schuldenbergen worden tot onvoorstelbare hoogten opgetast. En Van Rompuy, Barroso en Verhofstadt roepen: meer, méér Europa, dan komt alles goed.

Erich Maria Remarque wees in zijn béste boek op “Der schwarze Obelisk”. Een concentratiepunt van macht. In zijn tijd een concentratiepunt van donkere, zwarte macht.

Ik trek de parallel met “ein weisser Obelisk”. Een concentratiepunt van witte macht in Brussel. Op het oog liefelijk en aantrekkelijk. Maar toch: geconcentreerde macht.

Hamvraag is dan: “Waar is de tegenmacht?” Ik zeg u: zéér zeker níet in het Europese Parlement. Daar lopen de grote fracties als duffe schapen achter die witte macht aan. Ze willen niets liever dan hun dorst lessen bij die macht.

Ik richt mij tot dìt parlement. En op de Kamer aan de overzijde. Wees die tegenmacht!  Gebruik die gele- en oranje kaart procedure. Wees kritisch!

En tegen dit Kabinet zeg ik: draag David Cameron voor de Karelsprijs voor! Dat zeg ik niet omdat ik met zijn partijgenoten in één en dezelfde Europese fractie zit. Ik zeg dit omdat Cameron de juiste vragen stelt. Hij vraagt: hoe staat de unie? Wat moet Brussel doen, wat kan Brussel minder doen, wat doen de hoofdsteden zelf? En hij geeft antwoord op die vragen.

Waarom zijn die vragen en antwoorden nodig? Om die witte obelisk van tegenmacht te voorzien, en om burgers weer te betrekken bij Europa. Opdat burgers zien dat Europa een zegen kan zijn, en geen vloek wordt! Ja dàn stáát de unie!

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on Leave a comment

Democratisering en sociaal-economische ontwikkeling in Latijns-Amerika: kansen voor een sociale dialoog

De sociale en democratische uitdagingen waar Latijns-Amerika voor staat – in sommige landen meer dan andere – zijn ongekend groot. Gekenmerkt door steeds groter wordende politieke instabiliteit, steeds intensere internationale competitie in het kader van de globalisering, toenemende sociale ongelijkheid en geweld, en de daarmee gepaarde sociale onrust, lijkt de sociale dialoog een absolute noodzaak.

In veel Latijns-Amerikaanse landen kan er vanaf de jaren ’90 dan ook een trend worden waargenomen van institutionalisering van de sociale dialoog. Veel beleidsmakers zien de ontwikkeling daarvan als de volgende stap in het democratiseringsproces, nadat hervormingen tijdens de jaren ’80 zich vooral hadden gericht op mensenrechten en kiesstelsels.

De bevordering van de sociale dialoog, gezien als instrument tot sociaal-economische ontwikkeling, staat ook steeds meer in de belangstelling van nationale en internationale beleidsmakers en is verworden tot een vast onderdeel van veel ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s.

Ook op internationaal niveau is er groeiende belangstelling voor dit onderwerp, zoals de recente activiteiten van het United Nations Department of Economic and Social Affairs (UNDESA) aantonen (1). De bevordering van de sociale dialoog wordt eveneens nadrukkelijk genoemd als onderdeel van de samenwerking tussen Europa en Latijns-Amerika in de “Verklaring van Lima”, op de vijfde top tussen regeringsleiders van beide continenten in mei 2008.

Wat zijn de kansen voor de verwezenlijking van de sociale dialoog in Latijns-Amerika? Welke factoren binnen de bestaande politieke en sociaal-economische context verhinderen dit? Waarom is de sociale dialoog noodzakelijk? Om antwoord te geven op deze vragen zal de politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika worden behandeld, waaruit de noodzaak van de sociale dialoog blijkt. Na de bestaande vormen van de sociale dialoog te hebben geanalyseerd, zal gekeken worden naar de manier waarop de sociale dialoog aangepast kan worden aan de Latijns-Amerikaanse context. Tegen die achtergrond zullen een paar afsluitende opmerkingen worden gemaakt over de kansen en mogelijkheden voor de sociale dialoog in Latijns-Amerika.

Politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika

De politieke inrichting van Latijns-Amerika wordt gekenmerkt door een opmerkelijke homogeniteit. Bestaande uit een twintigtal landen doen veel politieke trends zich in het hele continent vrijwel gelijktijdig voor: tijdens de jaren ’80 maken 13 landen de overgang van een autoritair regime naar democratie. Dit kan worden verklaard door het zogenoemde “convergentie-effect” (2) dat te maken heeft met een gemeenschappelijke historische en culturele achtergrond en het feit dat het continent beïnvloed wordt door dezelfde internationale economische en politieke ontwikkelingen.

Omdat politieke ontwikkelingen in Latijns-Amerika in veel opzichten erg vergelijkbaar zijn met West-Europa maar tegelijkertijd ook vaak veel intenser of gewelddadiger lijken, kan het continent worden getypeerd als het “Verre Westen.” (3)

De balans van twee decennia democratie is dat hoewel in veel landen de democratische overgang heeft kunnen zorgen voor de consolidering van een electorale democratie, deze nog veel kwalitatieve elementen ontbeert zoals het respect van democratisch pluralisme, politieke accountability en een effectieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de politieke besluitvorming.

Deze situatie, aangevuld met de tegenvallende sociaal-economische resultaten, verklaart de grote sociale ontevredenheid met de democratie die in veel landen bestaat en een hoge mate van politieke instabiliteit ten gevolge heeft gehad. De meest in het oog springende voorbeelden hiervan zijn de 12 presidenten die als gevolg van sociale mobilisaties zijn afgezet en de opkomst van linkse en populistische regeringen in een tiental landen (4).

De meest recente afgezette president, ditmaal door een militaire coup, was President Manuel Zelaya in Honduras. De paradox van Latijns-Amerika lijkt te zijn dat de over de laatste twee en drie decennia aanhoudende economische groei gepaard is gegaan met de vergroting van de inkomstenongelijkheid. Het grote contrast tussen arm en rijk – zowel binnen de landen als tussen de landen – is een voedingsbodem voor sociale onvrede en potentieel zeer explosieve situaties, met name wanneer dit ook een contrast is tussen etnische bevolkingsgroepen. Veel van de huidige politieke instabiliteit en sociale conflictsituaties is af te leiden uit deze schrijnende ongelijkheden.

De noodzaak voor de bevordering van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

Tegen dit kader, dat genuanceerd moet worden afhankelijk van de specifieke landgebonden context, moet Latijns-Amerika zoeken naar de institutionele mechanismen om tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen in het politieke systeem.

Politieke systemen zijn een interactie tussen regeringen, de parlementaire oppositie en de extraparlementaire oppositie (het maatschappelijk middenveld); een spel van een grote verscheidenheid van actoren, in een vaak ondoorzichtig proces, met constant veranderende machtsverhoudingen, de formatie van veranderende sociale en politieke coalities en schuivende draagvlakken (5).

Er komt heel veel af op het continent dat nog steeds op zoek is naar de formule om alle tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen. In het democratiseringsproces van Latijns-Amerika – dat in veel landen al ver op gang is maar in andere landen iets lijkt te haperen – is een sociale dialoog nuttig om in de eerste plaats de sociale vrede te waarborgen en in de tweede plaats een bijdrage te kunnen leveren aan de bevordering van goed bestuur en economische ontwikkeling.

Het algemene verlies van het vertrouwen in democratische instituties is het kader waarin het maatschappelijk middenveld en met name sociale bewegingen opkomen. De steun voor de democratie, zoals blijkt uit de enquêtes van de Latinobarómetro (6), is ongekend laag. In landen als Paraguay, El Salvador, Ecuador of Peru geeft minder dan 50% van de bevolking aan nog vertrouwen te hebben in de democratie. Er bestaat dus een verband tussen het verlies aan legitimiteit van met name de politieke partijen en de empowerment van het maatschappelijk middenveld. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de Piqueteros-beweging in Argentinië, de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (‘Beweging van Plattelandswerkers Zonder Grond’, red.) in Brazilie of de schoolmeestersbeweging FRENADESO in Panama.

Deze vrij plotselinge opkomst van de “sociale sector” dient evenwel in goede banen te worden geleid. De toename van sociale conflicten, ook wel aangeduid als “de democratie van de straat”, is zorgwekkend omdat het de zwakheid illustreert van de democratische instituties om alle sociale vragen en eisen te kanaliseren en van de onmacht van de politieke partijen om te voldoen aan de verwachtingen van de bevolking. De aanhoudende sociale onlusten in Bolivia, met als hoogtepunt oktober 2003 toen de zittende President Gonzalo Sánchez de Lozada werd gedwongen tot aftreden door het volk, is hier een voorbeeld van.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn nog ver verwijderd van een bestuursvorm die in staat is sociale conflicten te absorberen en onvertegenwoordigde segmenten van de samenleving door middel van overlegmechanismen deel te laten nemen aan het politieke proces. Er moeten creatieve instituties worden ingesteld om op een verantwoorde manier met het grote aantal eisen vanuit de samenleving om te gaan en een open dialoog te voeren met deze organisaties.

De groeiende complexiteit van de huidige samenleving – ook de Latijns-Amerikaanse – en de diversificatie van de eisen van de bevolking geeft de noodzaak aan voor een verdere ontwikkeling en institutionalisering van de sociale dialoog. De sociale dialoog dient op een zodanige manier te worden ingericht dat de regering op de juiste manier kan reageren op de vragen en zorgen van de samenleving.

Bestaande vormen van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog in Latijns-Amerika is niet afwezig maar neemt andere vormen aan dan in Nederland. De institutionele kaders voor de participatie van het maatschappelijk middenveld in de politieke besluitvorming zijn zeer divers en hebben variërende resultaten. Ondanks de verschillen tussen de afzonderlijke landen zijn er een aantal algemene patronen te ontdekken die Latijns-Amerika als geheel karakteriseren.

Een typologisch onderscheid kan gemaakt worden tussen meerdere niveaus van institutionalisering van de sociale dialoog: (a) nationale dialogen en consultatieprocessen op ad hoc basis en (b) geïnstitutionaliseerde overlegplatformen. De nationale dialogen en consultatieprocessen worden in de regel door de Presidenten geconvoceerd rond een specifiek onderwerp in een bepaalde context, afhankelijk van de behoeften van het moment, vaak als antwoord op hevige sociale mobilisaties. Dit was het geval in Panama in 2002 toen de regering een grootschalige consultatie bijeenriep om draagvlak te vinden voor een omstreden onderwijswet.

Kerkelijke vertegenwoordigers vervullen een belangrijke rol in de bemiddeling tussen de verschillende organisaties die deelnemen aan dergelijke processen. Korte tijd na parlementaire verkiezingen, als presidenten weinig parlementaire steun of een instabiele parlementaire meerderheid hebben, worden ook vaak consultatieprocessen georganiseerd. Het doel van deze consultaties voor de President is dan om zich te verzekeren van de steun van de extraparlementaire oppositie om zo de onderhandelingen met het parlement te vergemakkelijken. Voorbeelden hiervan zijn de Concertación Nacional van President Miguel Ángel Rodríguez in Costa Rica 1998, de Plan Visión de País in Guatemala in 2006 en Visión de México in 2001. Enkele consultatieprocessen richten zich nadrukkelijk op de lange termijn en hebben tot doel een breedgedragen ontwikkelingsstrategie te formuleren. Visión 2020, in 1998, in Panama was zo’n proces waaraan NGO’s, politieke partijen, internationale organisaties en kerken aan mee hebben gedaan, met als doel te reflecteren op de toekomst van het land na de teruggave van het Panama-kanaal in 2000. In Peru stelden de politieke partijen en de belangrijkste sociaal-economische actoren in 2002 een “strategische agenda voor de eenentwintigste eeuw” op, met als doel de regeerbaarheid van het land te herstellen na de autoritaire regeringsperiode van President Fujimori.

De bestaande consultatieprocessen richten zich echter vooral op de korte termijn en beperken zich in dat opzicht vaak alleen tot conflictbeheersing of maken deel uit van instrumentele strategieën voor regeringen om politieke schade te beperken. Het is van groot belang voor de Latijns-Amerikaanse politieke en sociale actoren boven de visie van conjuncturele sociale pacten uit te stijgen om een duurzame sociale dialoog te bevorderen, draagvlak te generen voor belangrijke hervormingen en een gemeenschappelijke ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn vast te stellen om zo meer continuïteit van het regeringsbeleid te garanderen.

De analyse van de in het verleden gevoerde dialogen laat ook zien dat niet alleen de coördinatie tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld maar het interne organisatieniveau van deze organisaties voor een groot deel hun politieke invloed bepaald. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de sociale actoren. Dit is ook de reden dat met name werkgeversorganisaties, maar ook de media en de kerken, vaak veel dominanter zijn dan andere organisaties van het maatschappelijk middenveld.

De zwakte van de NGO’s en de vakbeweging verklaart de gedeeltelijke mislukking van veel consultatieprocessen, zoals bijvoorbeeld in de Dominicaanse Republiek (Diálogo Nacional, 1997) of in Honduras (Concertación Nacional, 1990), waarvan de politieke doorwerking zeer beperkt was. De instelling van sociaal-economische raden in Latijns-Amerika is een trend van het laatste decennium. Achtereenvolgens stelden Nicaragua (1999), Mexico (2000), Peru (2001), Brazilië (2003) en de Dominicaanse Republiek (2005) een sociaal-economische raad in. De MERCOSUR stelde eveneens in 1994 een adviesraad in, naar het voorbeeld van het European Economic and Social Council (EESC).

Deze raden zijn allen, met enige kenmerkende institutionele verschillen, sterk geïnspireerd op Europese raden. In alle gevallen gaat het om adviesorganen voor de Uitvoerende en Wetgevende Macht met een representatieve vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld met permanent benoemde leden. Gangbare kenmerken zijn dat de regering lid en voorzitter van de Raad is, er meestal geen onafhankelijke geledingen zijn en dat de thematiek van de Raad vaak breder is dan alleen sociaal-economische vraagstukken.

Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.
Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.

Desondanks is de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog – met uitzondering van Brazilië en Peru – in weinig landen operationeel. Bestaande adviesraden blijken in de praktijk slechts beperkt te functioneren. In het geval van met name Mexico en Venezuela (waar sinds 1946 een adviesraad bestaat) komt de raad zelden bijeen. In Nicaragua staat de Consejo de Planificación Económica y Social (CONPES) volledig onder controle van de sandinistische regeringspartij FSLN. Pogingen in Costa Rica, Bolivia en Chili hebben geen resultaten opgeleverd. Bij de eerste twee landen was de Nederlandse SER overigens betrokken. In deze landen lijkt het binnen de huidige politieke machtsverhoudingen onwaarschijnlijk dat er op de korte termijn een sociaal-economische adviesraad wordt ingesteld. Huidige initiatieven in o.a. Guatemala, Colombia en Honduras lijken hoopvol maar lopen het risico stuk te lopen op de politisering van de publieke sector, sterk gepolariseerde verhoudingen en de zwakte van de sociaal-economische actoren.

De sociale dialoog exporteren naar de Latijns-Amerikaanse context

Omdat de sociale dialoog geen modeloplossingen biedt, dient de inrichting hiervan aan te worden gepast aan de eigen historische en culturele context van het continent en de specifieke landen, met aandacht voor de bestaande machtsverhoudingen, de samenstelling van het maatschappelijk middenveld, het institutionele kader en de heersende politieke cultuur.

Er kunnen drie hoofdkenmerken van de Latijns-Amerikaanse politieke systemen worden aangegeven die sterk afwijken van de Nederlandse overlegeconomie. Deze algemene kenmerken dienen de institutionele keuzes voor de inrichting van de sociale dialoog in Latijns-Amerika te bepalen. In de eerste plaats zijn Latijns-Amerikaanse landen, in tegenstelling tot Nederland, geen parlementaire democratieën maar hebben presidentiële regimes. Een belangrijke eigenschap van deze presidentiële regimes is dat ze in de meeste gevallen gekoppeld zijn aan kiesstelsels van Evenredige Vertegenwoordiging. Hierdoor komt het zeer regelmatig voor dat regeringen geen parlementaire meerderheid hebben, wat de regeerbaarheid ernstig bemoeilijkt. Vanwege het ontbreken van een consensuscultuur en de vergaande politieke polarisering kan dit zelden worden verholpen worden door coalitieregeringen.

In de tweede plaats is het maatschappelijk middenveld minder overzichtelijk gestructureerd en ook breder qua thematiek. Stil gestaan dient te worden bij de recente empowerment van het maatschappelijk middenveld en de grote mobilisatiecapaciteit van movimientos sociales (sociale bewegingen: losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen). Daarnaast is de organisatie van de economie ook erg verschillend, met een grote informele sector. Vanwege de extreme verdeeldheid van het maatschappelijk middenveld is een “klassieke” inrichting van de sociale dialoog met werkgevers en werknemers niet levensvatbaar. Nagedacht zal moeten worden over de legitimiteit en representativiteit van het maatschappelijk middenveld.

Ook zal gekeken moeten worden naar manieren om de adversariale – op conflict gerichte – houding van maatschappelijke organisaties te doorbreken. In de derde plaats is er een totaal verschillende politieke cultuur. Latijns-Amerikaanse landen zijn “meerderheidsdemocratieën” (7). Er bestaat een specifieke Latijns-Amerikaanse policy making style (8) die vooral de continuïteit van het regeringsbeleid op de lange termijn niet ten goede komt. Dit impliceert ook de afwezigheid van een politiek onafhankelijk ambtenarenapparaat.

De toekomst van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog maakt het mogelijk voor het maatschappelijk middenveld om deel uit te maken van belangrijke hervormingsprocessen. Het maatschappelijk middenveld beperkt zich niet tot het voeren van een oppositiestrijd tegen de institutionele politieke machten, maar maakt deel uit van alle fases van het public policy-proces dankzij formele en informele institutionele mechanismen en wordt een volwaardige speler in een inclusieve en plurale sociale democratie.

De weg die Latijns-Amerika heeft ingeslagen voor de ontplooiing van de sociale dialoog is nog lang, vooral wanneer een aantal fundamentele voorwaarden voor succes ontbreken. De sociale dialoog kan alleen functioneren als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan, waarvan de versterking van de capaciteit van met name de vakbeweging en van onafhankelijke publieke onderzoeksinstellingen de belangrijkste zijn. Toch is een eerste stap gezet in de richting van een sociale democratie in Latijns-Amerika.

De sociale dialoog moet in geen geval het primaat van de politiek ondermijnen, waarbij een sociaal-economische raad het parlement vervangt, zoals President Evo Morales van Bolivia of oppositieleider Ottón Solís in Costa Rica van de Partido Acción Ciudadana voor ogen hebben. De verbreding van de participatie van het maatschappelijk middenveld in het public policy-proces is echter op zijn plaats.

De vraag naar meer sociale dialoog is tegelijkertijd het gevolg van de zwakte van politieke partijen en de intrinsieke beperkingen van de representatieve democratie evenals een mogelijk antwoord daarop. De sociale dialoog dient niet top-down te worden ingesteld maar kan pas succesvol zijn als het ingebed is in het sociaal-economisch leven en in de politieke cultuur. Zo zal er meer aandacht besteed moeten worden aan de sociale dialoog op sector- en bedrijfsniveau.

Sociaal-economische raden zijn niet de enige vorm van geïnstitutionaliseerde sociale dialoog. Voor elk afzonderlijk land zal de precieze vormgeving van de sociale dialoog verder moeten worden uitgewerkt afhankelijk van de samenstelling van het maatschappelijk middenveld en de institutionele tradities. Het is noodzakelijk de sociale dialoog te “tropicaliseren.” Voor collectieve onderhandeling kan gedacht worden aan een eenvoudig onderhandelingsplatform naar het model van de Nederlandse Stichting van de Arbeid. Voor sociaal-economische advisering moeten er keuzes gemaakt worden over o.a. de samenstelling (en de criteria daarvoor, vooral voor de benoeming van onafhankelijke leden), doelstellingen, thematiek, methodologie, interne organisatie en politieke autonomie en financiering. In dit kader is het relevant nader te kijken naar het functioneren van de meer succesvolle adviesraden in Brazilië en Peru.

De institutionalisering van de sociale dialoog biedt overigens geen garantie voor een daadwerkelijke doorwerking van de aanbevelingen van het maatschappelijk middenveld in het politieke besluitvormingsproces. Een zekere mate van institutionalisering is noodzakelijk om legitimiteit te geven aan de sociale dialoog. Te veel institutionalisering brengt echter het risico met zich mee van machtsmanipulatie vanuit de regering. Om coöptatie van het maatschappelijk middenveld te voorkomen, zeker in die gebieden waar populistische tendensen bestaan is het van belang de autonomie en onafhankelijkheid van de sociale actoren ten opzichte van de regering te garanderen. In de institutionele kaders moeten voldoende waarborgen ingebouwd worden om manipulatie van het maatschappelijk middenveld door middel van corporatistische structuren te voorkomen.

Tot slot is politieke wil van alle kanten (regering, parlementaire oppositie en extraparlementaire oppositie) een vereiste. De weerstand van de regering van President Arias in Costa Rica tegen de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog heeft de instelling van een sociaal-economische raad op de korte termijn zeer onwaarschijnlijk gemaakt. Ook is een constructieve opstelling in de onderhandelingen. Dit vraagt om een cultuurverandering die een breuk met de ideologische polarisering en de op confrontatie gerichte politieke cultuur impliceert. Van de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog moeten geen wonderen worden verwacht.

De sociale dialoog moet gezien worden als een middel om tot goed economisch beleid te komen en niet als een doel op zich. De sociale dialoog is nodig om maatschappelijk draagvlak te genereren voor het regeringsbeleid en beleid te maken dat gericht is op continuïteit op de lange termijn. Overheidsbeleid moet boven regeringsbeleid komen te staan. Daarnaast kan de sociale dialoog voorzien in de noodzaak kanalen te openen en te versterken om de participatie van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken en ordelijk te laten verlopen en sociale conflicten te voorkomen.

[box type=”download” border=”full”]Petri – De Sociale Dialoog in Latijns-Amerika nader beschouwd[/box]


(1) Het UNDESA organiseerde op 24 en 25 juli 2008 een internationale Expert Group Meeting in Wenen met als doel informatie uit te wisselen over participatie en sociale dialoogmechanismen.
(2) Olivier Dabène, La région Amérique latine. Interdépendance et changement politique, Paris: Presses de Sciences Po, 1997.
(3) Alain Rouquié, Amérique latine: introduction à l’Extrême-Occident, Paris: Editions du Seuil, 1987
(4) Buve, Raymond, ‘Is er één grote Links Golf in Latijns-Amerika?’, in: Internationale Spectator, Jaargang 61, nr 2, februari 2007
(5) Dennis P. Petri & Jean-Paul Vargas, Efectividad Parlamentaria, San José: Ministerio de Asuntos Exteriores y de Cooperación de España, 2008
(6) Latinobarómetro. Opinión Pública Latinoamericana. Zie website: http://www.latinobarometro.org/.
(7) Arend Lijphart, Democracy in plural society. A comparative exploration, New Haven: Yale University Press, 1977
(8) Albert Hirschman, Journeys towards progress. Studies of economic policy-making in Latin America, Boulder: Westview Press, 1963

Posted on Leave a comment

Oosterse Orthodoxie, mensenrechten en Europese integratie

Recentelijk is een gezamenlijke leerstoel van de Vrije Universiteit en de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam voor Orthodoxie en Vredesopbouw in Europa ingesteld, met Alfons Brüning als bijzonder hoogleraar. Koos van der Tang interviewde hem voor Novini.

Wat is uw achtergrond? Ik ben een geboren Duitser, sinds 2005 werkzaam aan de Radboud Universiteit. Ik ben in Berlijn gepromoveerd als kerkhistoricus en heb voordat ik naar Nijmegen kwam twee jaar aan de Universiteit van Münster gewerkt. De laatste jaren ben ik mij qua onderzoek meer gaan begeven op het vlak van religious studies. Wat mij bijzonder interesseert is het grensgebied, de scheidslijnen en ontmoetingen tussen het Latijns en Oosters christendom. Specifiek heb ik mij gericht op de kerken van Oekraïne, Wit-Rusland, Litouwen en Rusland. Maar dit gaat zich nu met de leerstoel uitbreiden naar alle relevante kerken. Mijn onderwijs binnen de minor Oosters Christendom omvat de spiritualiteit en de kerk in de periode van Paulus tot de laatste paus. Deze minor kan rekenen op een tiental studenten waarvan het voor de meesten een inleiding is tot een wereld die voor hen tot dan toe onbekend was.

Voor mij zijn niet alleen de historische ontwikkelingen maar vooral ook de reflectie op deze ontwikkelingen relevant gezien het feit dat culturele uitwisselingen een belangrijke rol speelt bij zowel het tot stand komen van vrede als van geweld tussen verschillende groeperingen. In WOII hebben we hiervan verschillende gezien tussen nationale en religieuze groeperingen. De vraag rijst wanneer resulteren deze ‘cultural encounters’ nu in vrede en wanneer leiden ze tot conflicten? En verder, wat is de rol van kerken en dan met name kerkleiders hierin. Onder welke voorwaarden spelen ze een positieve dan wel negatieve rol met betrekking tot het komen tot vreedzame oplossingen van onderlinge verschillen.

Waarom komen de stichting Instituut voor Oosters Christendom, de stichting VredesWetenschappen met deze leerstoel? Met de toetreding van landen als Roemenië en Bulgarije tot de Europese Unie in 2007 zijn miljoenen oosters-orthodoxe christenen onderdeel geworden van de europese integratie. In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat er een bepaalde spanning bestaat tussen de opvattingen van oosters-orthodoxe kerken en de Europese integratie van grondgebied. Met deze leerstoel wordt beoogd meer inzicht te krijgen in dit proces. Hoe zit het bijvoorbeeld met de identificatie van kerken en de nationale geschiedenis, denk hierbij aan de conflicten tussen de Bosniakken en Serven. In de periode dat dit conflict speelde is er onderzoek gedaan naar de rol van kerken en kerkleiders. De oosters-orthodoxe kerken vormen geen monolithisch blok maar zijn losser georganiseerd en veelkleuriger dan de Rooms Katholieke Kerk. Waarom doen ze aan vrede en wanneer aan conflict, wat zijn hun belangen en leidende motieven? Die vragen verdienen nader onderzoek.

Wat zijn de wensen en doelen wat u betreft en wat gaat er concreet gebeuren? Het komende halfjaar ga ik uitzoeken welke mensen in de universitaire wereld zich bezighouden met de verhouding tussen het orthodox christendom en de mensenrechten, de orthodoxe kerk in Roemenië, de orthodoxe kerk in Griekenland en de onderzoekers in Moskou die de ontwikkelingen van het patriarchaat aldaar onder de loep nemen. Om dit concreet vorm te geven zullen ook congressen georganiseerd gaan worden om de uitwisseling van kennis op dit terrein te faciliteren. Het doel van deze leerstoel is de Oosters Orthodoxe kerk en de conceptie van mensenrechten nader te onderzoeken.

De kritiek op de mensenrechten zoals geformuleerd door Abraham Kuyper lijkt op een aantal punten zeer sterk op kritiekpunten van oosters-orthodoxe leiders nu.

Wat is de relevantie van dit onderzoeksgebied? De Verklaring van Universele Rechten van de Mens is veel en soms zelfs in zijn geheel bekritiseerd door bepaalde kerkleiders. Het beeld wat bij deze mensen leeft is dat de mensenrechten voortkomen uit de radicale ideeën van de Verlichting uit West-Europa en dat is iets wat in Rusland zo niet heeft plaatsgevonden. Vanwege deze principiële maar ook andere specifieke punten verklaren veel kerkleiders de mensenrechten dan ook als ‘voor ons niet van toepassing’. In augustus 2008 formuleerde de Russisch-Orthodoxe Kerk haar eigen ‘leer van de Russisch-Orthodoxe Kerk over vrijheid, waardigheid en de rechten van de mens’. Dat klinkt anders dan maar is niet perse strijdig met westerse idealen. Het probleem wat zij hebben met de mensenrechten zit niet zozeer in de tegenstelling oost en west maar in de religieuze (katholiek, orthodox, protestants) versus de seculiere benadering. Volgens vele orthodoxen is het proces van aanvaarding van de mensenrechten gekenmerkt door de Franse Revolutie, welke zij beoordelen als antiklerikaal en dus verdacht, de Onafhankelijkheidsverklaring van Amerika, die zij zien als voornamelijk gebaseerd op een protestants idee, en de uiteindelijke universele verklaring door de Verenigde Naties die als voornamelijk westers en seculier beschouwd wordt.

Desondanks zijn de westerse kerken door een lang proces over het algemeen gekomen tot aanvaarding dan wel een steunende houding ten opzichte van de mensenrechten. Overigens, de kritiek op de mensenrechten zoals geformuleerd door bijvoorbeeld Abraham Kuyper lijkt op een aantal punten zeer sterk op kritiekpunten van oosters-orthodoxe leiders nu. In het stuk uit 2008 vraagt de Russisch orthodoxe kerk zich bijvoorbeeld af over welke vrijheid en welke rechten het moet gaan en vooral: waarop deze dan gefundeerd zijn, op het geschapen zijn door God of op een individualistische toepassing van een gelijkheidsbeginsel als zijnde een filosofische natuurwet. Maar ook, als er rechten zijn moeten daar plichten tegenover staan en waardoor wordt de vrijheid dan beperkt? Door het territorium van anderen of zijn er ook nog Goddelijke geboden? Zo ja hebben die dan nog enige betekenis voor de seculiere wetgeving? Sommigen argumenteren dan dat dit onmogelijk is gezien de verschillen tussen religies, wat de een vindt geldt mogelijk niet voor de ander. Anderen zijn van mening dat de seculiere democratie is gebaseerd op culturele verworvenheden en een bepaalde verdeling van macht en een discussiecultuur kent die haar oorsprong heeft in de christelijke opvoeding. Orthodoxen stellen dus de vraag naar de aard van de vrijheid, gaat het over autonoom beslissingen nemen of gaat het over vrij zijn van de zonde? Met andere woorden is het vrijheid voor iets, zelfstandig morele beslissingen nemen, of is het vrijheid van iets, het kwaad of de zonde.

Complicerende factor hierbij is dat het begrip ‘zonde’ in den brede niet veel bekendheid geniet omdat het een lastig begrip is voor een seculier persoon, want het heeft voor deze persoon geen betekenis. Veelal is men ook niet meer bekend met de herkomst, het is niet legalistisch dus het heeft geen duidelijke plaats in het discours. Orthodoxen vertrekken echter voor hun mens- opvatting vanuit de natuur van de mens en beschouwen de zonde niet zozeer als schuld en misdrijf maar als geestelijke ziekte waarvan men genezen dient te worden. Overigens kennen oosters-orthodoxe christenen het begrip erfzonde niet, hebben zij een wat positiever mensbeeld en zijn zij gericht op het vinden van genade voor de dood, iets waar de seculiere mens volgens hen de ogen voor sluit. De waardigheid van de mens sneeuwt onder door passies en verslavingen zoals bijvoorbeeld bij Hitler en Stalin die bepaald geen waardige en naar Gods evenbeeld levende mensen waren. De menselijke waardigheid zichtbaar maken vereist namelijk een bepaalde levenswijze. Opvattingen over hoe dat dan precies eruit moet zien kunnen schuren met de mensenrechten of met de opvattingen van seculieren die in een staat leven waar de oosters-orthodoxe kerk veel invloed heeft en in een aantal landen bijvoorbeeld ook veel zendtijd heeft op televisie. Dit leidt tot een tegenstelling die naar mijn idee allesbehalve noodzakelijk is. Bepaalde NGO’s bekritiseren dat laatste als een ‘clericalisering’ van de maatschappij waaraan zij niets menen te hebben. De geestelijkheid is echter ook op internet zeer aanwezig en presenteert zich veelvuldig in de media om te lobbyen voor hun standpunten om zo het overheidsbeleid te beïnvloeden.

Ondanks de verscheidenheid wordt vaak gesproken over het patriarchaat van Moskou als toon-aangevend. Wat zijn de onderlinge verhoudingen tussen de oosters-orthodoxe kerken? De kerken van Bulgarije, Roemenië, Servië, het oosten van Polen en dergelijke nemen een geïnteresseerd luisterende houding aan maar niet kritiekloos. Er is sprake van een theologische concurrentie tussen bijvoorbeeld theologen uit Griekenland en Rusland. Aanspraak op de leidende rol door Moskou gezien het grootste aantal leden wordt niet altijd positief ontvangen, men benadrukt graag de eigenheid en zelfstandigheid. Dit laatste geldt zeker voor de Roemeens-Orthodoxe Kerk die op Europees vlak een actieve rol vervult. De Roemeense patriarch kan vrij zeggen dat hij wat positiever staat tegenover de mensenrechten, toch probeert het patriarchaat in Moskou hier ietwat invloed op uit te oefenen.

De nationale patriarchen kennen sinds het eind van de 19e eeuw een onafhankelijke jurisdictie met als leidend idee het nationaal orthodox christendom. De kerkleiders komen regelmatig bijeen maar kennen geen paus-bisschop verhouding. Moskou het derde Rome noemen is dan ook geen politieke constructie maar puur theologisch en echatologisch, Rome was ook niet het centrum van de macht maar van de geestelijk christelijke wereld. Na de oorlog in de Krim werd Moskou nogal eens het derde Rome genoemd maar dat is tegenwoordig niet echt een issue meer. De patriarch spreekt echter nog wel over een bepaald ‘canoniek territorium’ van de Russische kerk (min of meer het territorium van de voormalige Sovjet-Unie) maar dan als zijnde een gebied waar zich historisch gezien een bepaalde vorm van christendom heeft ontwikkeld. Geopolitieke aanspraken spelen zijdelings wel een rol.

Veel kerkleiders hebben, met name in Roemenië, samengewerkt met de staat en hebben dus een diffuse rol gespeeld.

Wat is de visie van de oosters-orthodoxe kerk op de relatie tussen Rusland en Europa? Geopolitiek heeft men op een zeker moment het onderscheid gemaakt tussen Rusland, Europa en Islam. De conclusie was toen dat Rusland een aparte cultuur is, het idee van het derde Rome is erbij getrokken omdat het zo uitkwam niet omdat het zo bedoeld was. Wat dat betreft denken kerkleiders meer in verschillende werelddelen en civilisaties en dus niet alleen politiek, dit zorgt wel voor spanningen. Bijvoorbeeld in Moldavië dat in een omstreden grensgebied met Rusland de republiek Transnistrië kent. In dit gebied zijn zowel de Roemeens-Orthodoxe als de Russisch-Orthodoxe Kerk gevestigd. De patriarch van Rusland hield een toespraak waarin hij het gebied rekent tot de invloedsfeer van de Russisch-Orthodoxen, niet om hiermee de zelfstandigheid van de staat Moldavië te bestrijden maar wel om aan te geven dat de russischtalige mensen in Moldavië in principe onder de invloedssfeer van de Russisch-Orthodoxe Kerk vallen. Sommige mensen in Moldavië vinden vervolgens dat deze patriarch er niets te zoeken heeft en daar kunnen dan weer conflicten over ontstaan hoewel die doorgaans minder scherp zijn dan het lijkt.

Er zijn dus verschillen tussen de visie ten opzichte van Europa en daarmee ook tussen de maatschappelijke betekenis die de nationaal orthodox-christelijke kerken hebben? Inderdaad, neem Griekenland, Roemenie en Oekraïne. Griekenland is al sinds 1981 bij de EU en heeft sindsdien dus op het gebied van wetgeving een integratieproces doorlopen waarmee ook de invloed van de mensenrechten groter is dan in beide andere landen. Alle oosters-orthodoxe kerken hebben hun eigen vertegenwoordigers in Brussel, zonder een overkoepelende organisatie. Wel bestaat er een overkoepelende organisatie van Europese kerken, de Conferentie van Europese kerken behalve de Rooms Katholieke. Griekenland is dus zonder communistische verleden al dertig jaar gericht op de EU, vergelijk dat dan met Roemenië dat pas in de 21e eeuw bij de EU kwam en tot en met 1989 geregeerd werd door het dictatoriale bewind van Ceaucescu.

Veel kerkleiders hebben, met name in Roemenië, samengewerkt met de staat en hebben dus een diffuse rol gespeeld. Van pure onderdrukking van de kerken was wel vaak sprake maar niet overal. Tijdelijke samenwerking was min of meer de tendens. Van de kant van de staat betekende het geven van een reguliere structuur en functie aan de kerk vooral een middel van controle. Dit betekende niet dat priesters ook voor de geheime dienst werkten maar dat de kerk als zodanig wel onder leiding van de staat stond. Dit maakt het lastig waardoor een simpel zwart-wit slachtoffer-en-misdadigerverdeling geen rechtvaardigingsgrond heeft. Dit verleden speelt de Roemeens-Orthodoxe Kerk echter nog steeds parten, men weet niet goed hoe men er mee moet omgaan. Veel huidige kerkleiders hebben in hun jonge jaren onder censuur en observatie van al dan niet in de openbaarheid opererende staatsagenten hun opleiding genoten en dit maakt hen verdacht in de ogen van de gewone gelovigen. Men is dan ook nu nog huiverig voor elke vorm van samenwerking met de staat en de kerk is in algemene zin gesloten met betrekking tot deze problematiek. Bepaalde mensenrechtenorganisaties dringen aan op openbaarmaking van wie welke rol heeft gespeeld in de communistische periode en of zij dan moreel gezien wel het recht hebben om momenteel kerkleider te zijn. Mij zijn geen gevallen bekend van ontslag op basis van het verleden, veel priesters zijn dan ook van de nieuwe generatie en hogere kerkleiders blijven doorgaans hooggehouden, toch bestaat hierover binnen de kerk nog een bepaalde onzekerheid.

Wat maakt de kerkelijke situatie in Oekraïne anders dan in de andere landen? Oekraïne, ook een voormalig sovjetland kent een gedeelde Orthodoxe kerk. De Oekraïense Grieks-Katholieke Kerk die onder de jurisdictie van de paus valt maar de liturgie volgens de byzantijnse stijl viert en drie takken van de Orthodoxe kerk. Deze tweedeling ontstond begin jaren ’90 toen een bisschop zich afscheidde van het patriarchaat van Kiev waar vervolgens veel uit ballingschap terugkerende Oekraïners uit de Verenigde Staten zich bij aansloten. De verdeeldheid van de orthodoxe kerk in Oekraïne doet de kerk in de ogen van veel gelovigen krediet verliezen waardoor het beïnvloeden van het maatschappelijke debat een lastige klus is vergeleken met de kerken van Griekenland en Roemenië die wel een eenheid vormen. Opmerkelijk is verder dat sinds 2010 de machthebbers in Oekraïne bezig zijn invloed uit te oefenen op de Grieks-Katholieken omdat zij meer westerse neigingen vertonen en minder op het Russische denken gericht zijn. Hierbij worden stevige termen als nationalisme en fascisme gebruikt om hen zwart te maken terwijl het inhoudelijk nergens op gebaseerd is. Door deze spanningen zijn er wel grote verschillen merkbaar tussen wat kerkleiders in een gesprek onder vier ogen zeggen en wat zij in een openbare bijeenkomst te berde brengen en treden zij ook niet gezamenlijk op in het openbaar terwijl men elkaar achter de schermen wel regelmatig ontmoet.

Orthodoxe kerken onderling komen weinig tot elkaar om tot afstemming of een gezamenlijk geluid te komen.

Wat is de verhouding tussen de orthodoxe kerken en de protestantse? Zowel orthodoxen als protestanten hebben de Europese ‘Charta Oecumenica’ ondertekend en zijn met elkaar in gesprek via de Conferentie van Europese kerken. De relaties tussen de kerken zijn momenteel onderwerp van onderzoek want de structuren en invloedssferen zijn niet duidelijk. Bekend is dat er veel bilaterale consultaties zijn tussen de Russisch-Orthodoxe Kerk en de Katholieke Kerk in Duitsland, de protestantse kerk in Finland en hun Russische buren, enzovoorts. Orthodoxe kerken onderling komen echter weinig tot elkaar om tot afstemming of een gezamenlijk geluid te komen. Griekse en Armeense priesters gaan bijvoorbeeld niet samen iets overleggen of bezoeken afleggen, zij zijn vooral bezig met zichzelf. Geen concurrentie maar wel afstand, tegelijkertijd probeert men wel banden met kerken in de diaspora te versterken.

Wat kunt u zeggen over het karakter van geloven in de oosters-orthodoxe kerken? Allereerst bestaan er net als in West-Europa veel verschillen tussen individuele gelovigen, sommige zijn heel serieus bezig met de moraal en anderen leven er meer los van. In peilingen in Roemenië noemt bijvoorbeeld 80% zich orthodox, als er echter gevraagd wordt naar het kerkbezoek en Bijbellezen dan geldt dat 5% van de ondervraagden dat tenminste twee keer per maand doet. Tegelijkertijd is trouwen en kinderen dopen nog wel bij de overgrote meerderheid in gebruik vanwege de schoonheid en traditie. Orthodoxen geven in het algemeen minder om theorie, het moment van ervaring is zeer belangrijk. Ook hier ligt echter een verschil: een protestant die van ervaring spreekt doelt daarmee op zijn ervaring van de ontmoeting met God, een orthodoxe bedoelt de liturgie, de gezangen en de ontmoeting met een icoon. Het zijn dus andere ervaringen die een orthodoxe gelovige bindt aan de kerk. Ook wordt veel belang gehecht aan praten over de invloed die het heeft op je dagelijks leven maar op een minder praktische wijze dan protestanten dat doen. Waar bij protestanten de verhouding tot de medemens een meer centrale plaats heeft, heeft de oosters-orthodoxe het meer over devotie, vroomheid en religiositeit. Bovendien is een soort eschatologisch bewustzijn sterk aanwezig, met andere woorden, men denkt meer dan in het Westen over het laatste oordeel en de eigen dood die men vreest in zonde te ontmoeten.

Wat is de maatschappelijke status van het lid zijn van de orthodoxe kerk? Bepaalde studies zeggen dat het in Griekenland een rol speelt of je orthodox bent of niet. In Roemenië wordt er echter weer weinig belang aan gehecht. Wat Rusland betreft is er geen systematisch onderzoek naar gedaan maar het lijkt alsof bij verkiezingen een succesvol kandidaat religieus of zelfs orthodox moet zijn. In de voormalig communistische landen kan het voorkomen dat bedrijven die op zoek zijn naar werknemers wel kijken of men religieus is in algemene zin omdat men aanneemt dat iemand met een religieuze achtergrond betrouwbaarder is. In West-Europa spelen dat soort zaken geen rol meer, of je nu vier keer getrouwd bent is bijvoorbeeld niet van belang terwijl dat in Oost-Europese landen veel minder gewaardeerd wordt. Verder wordt van mensen die een openbare functie vervullen veelal verwacht dat ze religieus en het liefst orthodox zijn met het oog op het hooghouden van een bepaald nationaal besef.

Afrondend, welke rol ziet u voor uzelf, wat zijn uw doelen? Begonnen met de invalshoek theologie en mensen-rechten hebben wij zowel theorie als praktijk besproken. De positie ten aanzien van de mensenrechten zal veranderen, maar langzaam. Momenteel zijn de meeste westerse christelijke kerken voorstanders van de mensenrechten en zijn vele christenen actief binnen mensenrechtenorganisaties. Dat laatste geldt ook voor individuele Orthodoxe gelovigen maar samenwerking op publiek niveau bestaat gewoon niet. Dat is eigenlijk jammer, met name in een land als Rusland waar nog steeds veel zaken beter kunnen zou het goed zijn de kerk als bondgenoot te hebben. Ik heb geen illusies dat ik de patriarch binnenkort daarvan kan overtuigen, wel wil ik proberen hindernissen weg te werken. Hoe dit precies vorm-gegeven gaat worden is nog lastig te zeggen, we zijn nu bezig de contacten te verstevigen en uit te breiden om een beeld te kunnen vormen van waar het terrein nog braak ligt en verder onderzoek nodig is.

prof. dr. Alfons Brüning
Alfons Brüning (1967) is kerkhistoricus met een focus op Orthodoxe kerken in Oost-Europa, met name die van Rusland, Oekraïne en Roemenië. Na zijn promotie in Berlijn was hij tussen 2003 en 2005 wetenschappelijk medewerker aan de leerstoel Oecumene en Vredesonderzoek van de Universiteit Münster in Duitsland. Sinds 2005 is hij wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC) aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn onderzoek gaat hij zich onder meer richten op vredes- en conflictvraagstukken langs de grens tussen Westers en Oosters Christendom en de verhouding tussen de seculiere westerse en de religieuze oosters-christelijke benadering van
mensenrechten.