Posted on

Racisme is nieuws, zelfs als het geen racisme is

Deze week verspreidde de NOS een video van een ruzie in een vliegtuig. Een blanke man zou zich racistisch hebben uitgelaten tegen een zwarte medepassagier. Toen ik dit kreeg voorgeschoteld las ik alleen de titel en vroeg me direct af waarom dit zo breed werd uitgemeten. Waarom maakt de NOS een losstaand voorval zó groot? Zijn er niet voortdurend ruzies tussen passagiers in veel te krappe vliegtuigen? Waarom is er geen aandacht voor de systematische anti-blanke plaasmoorde in Zuid-Afrika? De vraag borrelde op, de vraag verstierf – ik swipete verder door het nieuws.

http://www.novini.nl/doelgerichte-eliminatie-blanke-boeren-zuid-afrika/

Later ving ik op dat de blanke man überhaupt niet ‘black’ zou hebben gezegd, maar ‘blasted’, en dat het dus een gevalletje nepnieuws was. Dit was voor mij de aanleiding om hier nog eens op metaniveau bij stil te staan. Wanneer is iets ‘nieuws’? Het komt voor dat ik een idee krijg en direct besluit dat dat idee nieuws is. Zo simpel kan het soms zijn. Natuurlijk niet zomaar elk idee – het moet wel een goed idee zijn. Gelukkig kan ik dat zelf goed afwegen. Maar u snapt mijn punt.

Priming

Ik bedoel dat iedere berichtgeving politieke implicaties heeft – puur door de themakeuze. Als leerlingen van alles leren over kolonialisme, nazisme en Nelson Mandela, maar niets over Joegoslavië, de late periode van het Romeinse Rijk en de Armeense genocide, dan hebben we het over priming. De leerling wordt klaargemaakt om informatie in te nemen die een politiek-correct wereldbeeld versterkt. Hij krijgt kennis over de meest duistere perioden in de historie van onze Europese voorvaderen, maar leert niets over hoe rijken en staten uiteenvallen bij ongecontroleerde migratiestromen en onvoldoende culturele samenhang.

Dit leidt tot de vraag of we het ‘vliegtuigfilmpje’ überhaupt moeten willen behandelen. Het is boeiend om stil te staan bij de voors en tegens. De grote vraag wat de NOS hiermee wil, is interessant voor zowel rechts als links. Want het probleem van de tegenwoordige tijd is dat elke situatie waarin (een lid van) een minderheid benadeeld wordt, waar er zelfs maar de schijn daarvan bestaat, per definitie als racistisch of discriminerend wordt neergezet. Voortdurend versterkt deze berichtgeving de suggestie dat onze maatschappij discriminerender is dan dat deze feitelijk is.

Wie de blanke doorsnee-inwoner van Nederland liefheeft, is nu gedwongen om deze priming casus voor casus te ontmantelen. Dit is ook voor links een groot probleem, want hierdoor blijft het debat over cultuurmarxistische issues gaan. Door überhaupt in te gaan op de casussen blijft het debat geconcentreerd op identity politics en niet op neem nu het hervormen van de huizenmarkt of de flexibilisering van arbeid. Ewald Engelen en de SP zullen mijn gelijk op dit punt moeten erkennen.

http://www.novini.nl/een-reeel-alternatief-voor-de-klassenstrijd-van-ewald-engelen/

De priming van de NOS is dus goed voor cultureel links en economisch rechts, en slecht voor economisch links en cultureel rechts. Dit sluit precies aan bij een analyse die ik al jaren uitdraag en die ik in mijn nieuwe boek Kerkgangers en Zuilenbouwers verder uitwerk. Namelijk dat het neoliberale grootkapitaal plus globalistische multinationals, de handen ineenslaan met cultuurmarxistische academici plus SJW-activisten. Zij trekken samen op tegen de middenklasse. De middenklasse wordt bejegend als cultureel achterblijfsel van het nationalisme, met haar tradities zoals Sinterklaas en Zwarte Piet. De middenklasse vangt tegelijk de economische klappen op van de globalisering, de massamigratie en de automatisering.

De identity politics van links houdt de middenklasse in morele zin gevangen in het defensief, terwijl haar economische belangen tegelijk worden weggespeeld in de globalisering. Alleen de bouw van een Nieuwe Zuil kan deze krab met twee scharen weerstand bieden.

Framing

Ondertussen is de kernzaak, of die man nu het woord ‘black’ of ‘blasted’ gebruikte en of het bericht van een racistisch incident dus wel of niet berust op nepnieuws, ondergesneeuwd door het emotionele geblaat daaromheen. Media als Twitter lenen zich niet voor genuanceerde analyses: toch wordt van sommige twitteraars ieder woord kapot geanalyseerd. Hoe dan ook versterkt dit emotionele geblaat identity politics – het voedt cultuurmarxisme en leidt de aandacht af van de alarmerende toestand van de middenklasse in Westerse landen.

Op zaterdag 8 december organiseer ik een Café Middag in Amersfoort. Hier zal mijn nieuwe boek worden gepresenteerd, Kerkgangers en Zuilenbouwers, dat mogelijk is gemaakt door een crowdfunding. Het boek bevat analyses over vrijheid en het belang van culturele samenhang. Ook komen ‘gewone’ mensen aan het woord die de vrijheid liefhebben en wegens hun mening worden uitgesloten. Bestel hier uw ticket.

Daarom is de video een uitstekende val van de NOS. Want zelfs als je de hele wereld weet te overtuigen dat de razende blanke man geen racist is, dan is hij alsnog een eikel, en wie een eikel verdedigt moet zelf ook wel een eikel zijn. Zo gaat dat in de beeldvorming. Maar wie stewardess is weet: passagiers vechten elkaar dagelijks de tent uit. Door dit asociale gedrag te framen als racisme is de toon weer gezet en zijn daar weer onderzoekjes uit te slepen voor academici van de linkse kerk, die zich warmen aan het dampende lijk van de Europese middenklasse.

Posted on

Inval Oekraïense geheime dienst bij Russische media rond opening Krimbrug

De Oekraïense veiligheidsdienst SBU heeft een inval gedaan in de Oekraïense kantoren van de Russische media RT en RIA Novosti. Ook is een journalist gearresteerd in zijn huis in Kiev. De inval vindt plaats op dezelfde dag dat de brug van het Russische vasteland naar de Krim wordt geopend.

De SBU bevestigt de inval en meldt dat er vandaag een briefing wordt gehouden over de activiteiten van massamedia die onder controle zouden staan van de Russische Federatie. In een verklaring schrijft de SBU:

“Medewerkers van de SBU hebben samen met de procureur van de Krim de activiteiten van de massamedia onthuld die worden geleid door de Russische Federatie. De overheidsorganen hebben vastgesteld dat zij werden gebruikt door de agressor als onderdeel van hybride oorlogsvoering tegen Oekraïne.”

RIA Novosti en RT melden dat er geen contact mogelijk is met hun journalisten. Er is bekent dat tenminste één journalist is gearresteerd door de SBU.

“Kiev heeft besloten wraak te nemen voor de Krimbrug. Ze deden een inval bij ons kantoor, onze medewerkers antwoorden niet op berichten, de site wordt niet geüpdatet, telefoons zijn geblokkeerd”, zo meldt de hoofdredacteur van Rossiya Segodnya en RT Margarita Simonyan.

Poetins woordvoerder Dmitry Peskov heeft al verklaard dat er in Rusland vergelijkbare maatregelen zullen worden genomen als in Oekraïne als er meer informatie bekend wordt. Hij voegde eraan toe dat Rusland energiek de belangen van de Russische massa media zal verdedigen.

Persvrijheid in Oekraïne

Het is niet de eerste keer dat er incidenten zijn rondom de pers in Oekraïne. Vorig jaar werden twee Spaanse journalisten vastgehouden, verhoord en uiteindelijk het land uitgezet vanwege het berichten over Oekraïense beschietingen van burgerdoelwitten in Donbass. Journalisten die via Rusland naar de Krim of naar Donbass zijn gereisd zijn ook niet meer welkom in Oekraïne vanwege het formeel illegaal oversteken van de Oekraïense grens. Daarnaast zijn er meerdere incidenten geweest met het uitzetten van Russische journalisten door Oekraïne.

Brug naar de Krim

Deze gebeurtenissen gebeuren op dezelfde dag dat de brug naar de Krim, over de straat van Kertsj wordt geopend. Dmitry Peskov meldde dat Poetin persoonlijk de brug opent. Daarmee is het vasteland van Rusland nu met de Krim verbonden.

Poetin opende vandaag de brug tussen de Krim en het Russische vasteland (foto: Kremlin).

De brug vervangt voor een deel de veerponten die nu naar de Krim varen. De brug maakt het verkeer tussen het Russische vasteland en de Krim eenvoudiger, minder tijdrovend en vergroot de transportcapaciteit. Vooral in de zomer wordt het verkeer opgehouden door de beperkte capaciteit van de ponten. Ook het vervoer van goederen kan zo sneller, zowel via het deel van de brug voor auto’s en vrachtwagens als door de nog te openen spoorbrug.

Posted on

Een interview over cultuur en (geo)politiek om eens goed voor te gaan zitten

De collega’s van de Batavierenpodcast hebben onlangs bij wijze van Kerstspecial Tom Zwitser van Uitgeverij De Blauwe Tijger geïnterviewd met als hoofdvraag ‘Wat is cultuur?’

Wim van den Bergh sprak met Tom Zwitser, auteur van ‘Permafrost’ en ‘Heerlijke platte wereld’ over de vraag wat cultuur nu eigenlijk is. Permafrost is het eerste deel van een trilogie over Oppervlaktes en biedt een filosofische kijk op geopolitiek. Heerlijke platte wereld is een proloog op deze trilogie en gaat over onder andere stedebouw, metafysica, liefde en godsdienst.

Beide boeken komen in het gesprek tussen Van den Bergh en Zwitser ter sprake, maar ook andere boeken, zoals ‘Orthodoxie‘ van G.K. Chesterton en ‘Levenslust en Doodsdrift‘ van Sid Lukkassen. In de loop van het gesprek ontstaat er een overzicht van wat er op cultureel vlak aan de hand is in onze samenleving en in de global village.

Cultuur moet daarbij niet opgevat worden alsof het alleen op de ‘cultuursector’ zou slaan, hoewel ook kunst ruim ter sprake komt in het gesprek. Het gaat echter ook om onze cultuur in bredere zin, om tradities, identiteit, cultuurgeschiedenis, cultuurrelativisme, cultuuroorlog, social engineering en om de culturele achtergronden van de (geo)politiek en de uitwerking van de (geo)politiek op de cultuur.

Steekwoorden in Zwitsers denken zijn massa en mobilisatie. Vroeger kwamen de meeste mensen nooit buiten de plaats, tegenwoordig gaan sommigen op vliegvakantie, welk effect heeft dat op (lokale) samenlevingen en op het wereldtoneel? Gevraagd naar de term cultuurmarxisme waarmee Sid Lukkassen recent stof deed opwaaien in weldenkend Nederland, geeft Zwitser een genuanceerd antwoord, maar spaart hij ook ‘rechts’ niet:

Rechts deinst er voor terug om de wortels van het cultuurmarxisme aan te pakken, namelijk de Verlichting zelf.

Het is een interview van ruim anderhalf uur, maar zeer de moeite waard om eens goed voor te gaan zitten.

Posted on

Ongemakkelijke waarheid: Groenen vliegen te veel

De door de Groenen gedomineerde regering van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg wil de CO2-uitstoot tegen 2040 tot bijna nul hebben gereduceerd. Een tussenbalans laat echter zien dat het personeel van de deelstaat te veel vliegt.

Sinds 2010, toen Baden-Württemberg nog een grote coalitie kende, is de uitstoot van broeikasgassen van de overheid in de deelstaat weliswaar met 30 procent teruggedrongen, maar dat is vooral te herleiden tot de overstap naar ‘groene stroom’.

Bij de dienstreizen ziet het plaatje er echter heel anders uit. Vooral reizen per vliegtuig zijn daarbij een groot probleem. Want personeel en politici van de deelstaat vliegen heel wat af. “De berekende uitstoot is van 26.967 ton CO2 in 2010 naar 41.028 ton CO2 in het jaar 2015 en daarmee met 52 procent gestegen”, aldus de tussenrapportage. Alleen de intercontinentale vluchten in 2015 zijn al goed voor 72,7 miljoen kilometers. Twee jaar daarvoor waren het nog slechts 55,4 miljoen kilometers. En dat terwijl de diensten voor iedere vliegkilometer een klimaatafdracht moeten betalen.

Deelstaatminister voor Milieu Franz Untersteller (Groenen) wilde dit uiteraard niet aan de grote klok hangen. Maar daar zorgde dan de CDU-politicus Paul Nemeth voor. “Dat is een ontwikkeling die zowel vanuit ecologisch als ook vanuit economisch opzicht onacceptabel is”, aldus Nemeth tegenover de Stuttgarter Zeitung. In deze tijd is het ook nergens voor nodig, zo stelt de CDU-politicus in een brief aan Untersteller. Er zijn immers genoeg technische mogelijkheden voor teleconferenties en sommige reizen zouden ook met klimaatvriendelijker middelen afgelegd kunnen worden.

De minister reageerde daarop dat hij de vliegreizen wil terugdringen. Daartoe wil hij in ieder geval de klimaatafdracht verhogen. Met het geld uit die afdracht worden ontwikkelingshulpprojecten gericht op klimaatbescherming gefinancierd. Volgens Nemeth is dat echter niet meer dan het afkopen van schuldgevoel en geen geëigende manier om de wildgroei aan vliegreizen van het deelstaatbestuur tegen te gaan.

 

Posted on

Chinezen willen investeren in tunnel naar de Krim

In het kader van de zogenaamde Nieuwe Zijderoute investeren Chinese ondernemers op grote schaal in infrastructuurprojecten in Centraal- en Voor-Azië, Afrika en Europa. Nu hebben Chinese investeerders ook hun oog op de Krim laten vallen.

Concreet is er sprake van een zeetunnel door de Straat van Kertsj. Zo deelde de minister van Economische Ontwikkeling van de Krim, Andrej Melnikov mee.

“Een van de werkvoorstellen die te horen was, was interesse in de bouw van een tunnel parallel aan de brug. We zullen dat bespreken. Volgens de Chinese ondernemers kunnen ze ons daarvoor tamelijk goedkope technologieën aanbieden”, aldus Melnikov.

Elders op de Krim zijn Chinese bedrijven reeds betrokken bij de bouw van een van de nieuwe luchthavens van Simferopol, zo voegde de minister er nog aan toe.

Door de gespannen verhouding met Oekraïne is het momenteel zo dat autoverkeer tussen de Krim en het vasteland van Rusland vrijwel uitsluitend per veerboot verloopt. Er staan dan ook dagelijks files. Sinds 2016 wordt gebouwd aan een brug over de Straat van Kertsj. De Straat van Kertsj verbindt de Zee van Azov met de Zwarte Zee en scheidt de Krim van het vasteland van Rusland. De bouw van de brug heeft nog wat voeten in de aarde, omdat de bodem weinig stabiel is en de stroming vrij sterk.

Posted on

Eureka! De wiskundige analyse van nepnieuws

Sinds de recente Amerikaanse verkiezingen is de kritiek op de zogenaamde mainstream media doorgedrongen tot de mainstream zelf. Het is inmiddels mainstream om kritiek op de mainstream media te hebben. Maar toch is het voor de gemiddelde burger nog moeilijk te vatten dat hun vertrouwde 8 uur journaal en hun kwaliteitskrant hen op z’n minst gebrekkig en selectief informeren. En als je de keten van het nieuws volgt, dan is er inderdaad nergens een malafide schakel te vinden waar nieuws met opzet wordt vervalst of gestuurd.

En toch keren de gewone burgers, en vooral de jonge generaties, zich en masse af van de grote nieuwsmedia en informeren zich via sociale media, blogs en nieuwssites. Hoe komt dat? Waarom krijgen de nieuwsmedia het verwijt te liegen of in de zak van de gevestigde politiek en grote belangen te zitten?

Het heeft mij heel wat hoofdbrekens gekost, maar toen ik een tijd geleden op de Intensive Care met een arts bij een opgegeven patiënt stond, viel het kwartje. Die arts had in essentie dezelfde spreekstijl als het NOS journaal. In wiskundige termen uitgedrukt neemt een IC-arts in zijn verhaal de afgeleide functie van de werkelijke objectieve situatie. De situatie is dat de patiënt achteruitgaat richting een zekere dood. Maar als de achteruitgang langzaam gaat, dan spreekt de arts van een goede dag. Dus de snelheid waarmee de toestand verslechtert wordt de gemene deler in het verhaal van de arts, niet de feitelijke situatie zelf.

Datzelfde fenomeen hebben we in onze economie ook omarmd. De centrale grootheid van onze economie is de snelheid waarmee ons bezit en onze productie groeit; niet meer de aard en het wezen van het bezit en de productie zelf. In beide voornoemde voorbeelden dient deze transponering van ons spreken een belangrijk doel. Ons emotioneel ontkoppelen van de werkelijkheid. In het geval van de IC-arts ontkoppel je een patiënt van het continue besef van de naderende dood. In het geval van onze groei-economie ontkoppelen we ons van het gevoel van bedreiging, zinloosheid en schuld over onze welvaart, door ons louter te focussen op de groei ervan.

Ons hele politieke discours is hermetisch ingekaderd binnen de grenzen van de ‘economische realiteit’ (zelfs de fanatiekste idealisten laten zich binnen die grens terugfluiten). En dientengevolge is ook alle berichtgeving ingekaderd in het narratief van de economische groei. Dat narratief kent maar één grootheid: Groei. Groei is goed. Krimp is slecht. Alle politieke nieuws is uiteindelijk moreel in te delen tussen deze polen. Wie of wat onze economische groei bedreigt is slecht, wie het bevordert is goed. Het stelt een proces van onbegrensde groei voor als een neutrale status quo, terwijl het onder onze ogen alle natuurlijke grenzen en evenwichten oprekt en doorbreekt. Ecologische, sociale, morele en geografische. Alle objecten, mensen, naties of ideeën die daarbij in de weg liggen worden opgeblazen of opzijgeschoven.

Onze media vertellen net als de IC-arts een afgeleide vorm van de realiteit. Beide brengen een natuurlijke neiging tot consensus met zich mee. De familieleden van de patiënt beschuldigen de arts meestal niet van leugens, hoewel zowel de arts, de familie als de patiënt weten dat de zaak hopeloos is. We gunnen de geliefde een rustig en vredig heengaan en er is altijd het morfinekraantje wat hoger kan.

Net zo beschuldigen wij onze politici en economen meestal niet van leugens als ze ons de weg naar economische groei wijzen. hoewel we weten dat onbeperkte groei in een beperkte wereld niet mogelijk is. Want we gunnen onszelf (en onze kinderen) een stabiel groeiende welvaart, en gelukkig is er altijd het morele-superioriteitskraantje wat hoger kan om ons rustig en coöperatief te houden.

De conclusie van deze redenering is dat je in een samenleving die beheerst wordt door idealisme, of dat nu socialistisch, liberalistisch of fascistisch is, progressief of regressief, je altijd van overheidswege wordt blootgesteld aan nep-nieuws. Het nieuws beschrijft niet meer de fysieke, organische werkelijkheid zelf, maar de snelheid waarmee onze werkelijkheid een fictief ideaal benaderd. En de wereldvisie van populisten, die we geneigd zijn als onrealistisch te beschouwen is daarentegen vaak een uitdrukking van het verlangen het politieke idealisme (de linkse kerk bijvoorbeeld) te verlaten, en terug te keren naar pragmatisch realisme.

Posted on

Régis Debray: Zonder-grensisme is imperialistische afleidingsmanoeuvre

Dat het de volkeren der aarde beter zou vergaan, als men van de ene op de andere dag de grenzen op zou heffen, is een “dom idee”. Dat schrijft Régis Debray in zijn Lof der grenzen, dat al in 2010 in het Frans verscheen, dus nog voor de huidige ‘refugees welcome’-waan.

De onconventionele linkse filosoof, ooit adviseur van president François Mitterand, heeft natuurlijk gelijk met deze vaststelling. Je zou aan kunnen vullen dat dit idee niet alleen uitgesproken naïef is, maar tegelijk ook uitgesproken West-Europees. Want buiten West-Europa vindt dit ‘zonder-grensisme’ (Debray) nauwelijks aanhang. En waarom ook?

Deze ideologie verwerpt het bestaan van autonoom handelende staten en naties als zodanig, negeert de realiteit van gegroeide structuren, loochent het bestaan van ‘binnen’ en ‘buiten’ en stelt zich een ‘borderless world’ voor.

Debray laat zien dat deze voorstelling van een grenzeloze wereld een messiaans karakter draagt: Nationale, culturele en normatief bepaalde grenzen moeten opgeblazen worden, om het definitieve “huwelijk met de global market place” te voltrekken.

Hij schildert het ‘zonder-grensisme’ dan ook als economistisch, absolutistisch en imperialistisch, als humanitair verklede afleidingsmanoeuvre. De historische grenzen schildert hij daarentegen als cultuurscheppend, waardebevorderend en als “tegengif tegen de onverschilligheid”, als “bescherming van het levende”.

De korte filosofische omzwerving door de geschiedenis van de betekenis van grenzen is van een aantrekkelijk literair niveau, in haar argumentatie overtuigend en informatief. Voor conservatieve of rechtse lezers zal er wellicht weinig verrassends in staan, maar voor Debrays radicaal-linkse achterban is dat anders. Van links horen we een dergelijke lofzang op grenzen immers nagenoeg nooit.

N.a.v. Régis Debray, Éloge des frontières (Parijs: Gallimard, 2010), paperback.

Posted on

John Gray: De EU is niet de wereld

Na de Brexit is Europa onherroepelijk veranderd, en het Verenigd Koninkrijk ook. Voor mij staat dit voor een nieuw begin, een kans voor het Verenigd Koninkrijk om zich te ontdoen van het blok aan haar been dat het falende Europese project geworden is en haar plaats in te nemen in de grotere wereld. Tegelijkertijd kunnen we ons voordeel doen met een sceptischer houding tegenover de politieke klasse, waarvan een groot deel het referendum zo ontzettend verkeerd had ingeschat.

Er zijn echter velen die met een bang voorgevoel naar de toekomst kijken, zij vrezen dat de Brexit ons zal veranderen in een meer gesloten en teruggetrokken samenleving, dat we een vergeten hoekje zullen worden waar weinig gebeurt, afgesneden van de culturele rijkdom en economische levendigheid van de rest van de wereld. Een dergelijke zwarte kijk op de toekomst wordt gehuldigd door veel van de tegenstanders van de Brexit, voor hen is dat wat Brexit betekent.

Voor mij is er echter iets onwerkelijks, iets irrationeels en zelfs hysterisch aan deze reactie. De EU is niet de wereld, of het meest dynamische deel van de wereld. De EU is zelfs niet Europa. Het is alleen maar een specifieke set aan regelingen die over de afgelopen decennia opgebouwd zijn door een deel van de Europese landen. Een vertrek uit deze zelfingenomen en claustrofobische instelling is geen terugtrekking uit de wereld, het is eerder een terugkeer naar de wereld.

Misschien zullen weinigen het zich nog herinneren, maar vanaf het prille begin was het Europese project een middel om de macht van Europa opnieuw te vestigen in de wereld. Schrijvend in 1919, volgend op de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog, vroeg de Franse essayist en dichter Paul Valéry zich af: “Zal Europa worden wat het in werkelijkheid is, dat wil zeggen een klein voorgebergte aan het Aziatische continent? Of zal het blijven wat het lijkt te zijn, dat wil zeggen het uitverkoren deel van de aardkloot, de parel van de wereld, het brein van een groot lichaam?” Voor Valéry en menigeen die dacht zoals hij, destijds en later, had Europa de eerste wereldomspannende beschaving geschapen. Gebruik makend van hun superieure kennis en uitvindingen, hadden Europeanen hun dynamisme geprojecteerd naar immobiele culturen overal ter wereld. Het waren Europeanen die Afrika gekoloniseerd hadden en hun schepen naar China en Japan hadden gestuurd. Ook waren het Europeanen die de energieke beschaving gecreëerd hadden die was uitgegroeid tot de Verenigde Staten. Europa was de bron van de vooruitgang. De vraag in 1919 was of Europa de positie van wereldmeesterschap kon hernemen die het ooit gehad had.

Het Europese project begon op te doemen na wat wel Europa’s tweede burgeroorlog genoemd is, maar was niet louter een poging om de wonden van Europa te helen. Het was ook, in de optiek van veel van haar voorstanders, een manier om een tegenwicht te creëren tegen de Amerikaanse macht. Europa was in die jaren een braakland, zoals dat ook in 1919 voor grote delen ervan gegolden had. Internationaal stond het zwakker dan ooit. Vanuit het oosten werd Europa bedreigd door Rusland, terwijl het van de andere zijde van de Atlantische Oceaan uitgedaagd werd door de grote macht van Amerika. De taak waarvoor men zich gesteld zag was om Europa om te vormen tot een enkele staat, die zich kon meten met deze twee grote rivalen. Het nieuwe Europa zou een derde weg zijn tussen kapitalisme en socialisme in een supranationale staat die zich uitstrekte over het hele continent.

Na de conferentie van Jalta in februari 1945, werd Europa verdeeld in twee sferen, waarvan een, de oostelijke, gedomineerd werd door de Sovjet-Unie. Deze scheiding duurde bijna een halve eeuw. Maar toen de Sovjet-Unie instortte, grepen de hoeders van de Europese gedachte de kans aan die het einde van de Koude Oorlog bood. Ze zetten het project door van een supranationale staat die Europa weer een plaats als mondiale supermacht moest geven.

Wat mij betreft was dit altijd een naar binnen gekeerde visie. Andere culturen waren niet statisch tot de Europeanen kwamen kijken en de boel opschudden. Tot voor een paar eeuwen geleden waren India en China de meest innovatieve economieën ter wereld. De periode van Europese dominantie was kort. Tegen de laatste decennia van de 19e eeuw was Japan snel aan het industrialiseren, terwijl de meeste Europese economieën nog altijd op landbouw gebaseerd waren. In 1905, tijdens de Russisch-Japanse oorlog, in de Slag bij Tsushima, waar de Russische keizerlijke vloot verslagen werd door Japan, werd dat land het eerste niet-Europese land dat een beslissende militaire slag toebracht aan een Europese grootmacht. De betekenis van die gebeurtenis ging niet voorbij aan de leiders van anti-koloniale bewegingen zoals Sun Yat-sen in China en Jawaharlal Nehru in India, die het vierden als een overwinning voor de onafhankelijkheidszaak.

De Europese gedachte is nog altijd naar binnen gericht. Ik kan me goed herinneren dat ik enkele jaren geleden luisterde naar een Europese academicus, die een internationaal publiek vertelde dat het ongeveer een eeuw zou duren om een Europese regering tot stand te brengen. Ik hoorde het aan met ongeloof en enig vermaak. Stelde deze spreker zich nou voor dat de rest van de wereld zo’n honderd jaar zou afwachten hoe Europa een naar binnen gerichte obsessie najaagt?

In het midden van de 19e eeuw vreesde de liberale denker John Stuart Mill dat Engeland een soort China zou worden, een beschaving, zo schreef hij in zijn essay On liberty, die stationair was geworden. Als China nog vooruit gebracht zou worden, dan moest dat volgens Mill wel door buitenlanders gedaan worden. Met het oog op de tijd waarin hij schreef kunnen we de Victoriaanse wijsgeer zijn tunnelvisie misschien wel vergeven. Maar hoe kan ook maar iemand niet zien welk deel van de wereld nu stationair is?

Zij die vrezen dat de Brexit van het Verenigd Koninkrijk een stilstaand hoekje zal maken, hebben niet opgemerkt wat een backwater Europa al geworden is. Het Verenigd Koninkrijk kan er alleen maar op vooruit gaan als het zijn banden uitbreidt met regio’s wier economieën groeien, zoals China, India en Afrika. Politiek zit Europa muurvast in onoverkomelijke dilemma’s.

Hoewel het geruststellend zou zijn om te denken dat een Brexit hervorming [van de EU] zou stimuleren, is een meer plausibel scenario dat de EU zal versplinteren. In cultureel opzicht heeft Europa iets van zijn vitaliteit behouden, maar het kunnen toch alleen de meest provinciale tegenstanders van een Brexit zijn die denken dat een vertrek uit de EU het Verenigd Koninkrijk zou afsnijden van de belangrijke stromingen in de cultuur en de kunst. De werken van Michel Houellebecq en Bernardo Bertolucci zullen ons niet ontzegd worden, omdat de handelsvoorwaarden tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk enigszins veranderd zullen zijn.

Maar terwijl we een andere verhouding met Europa krijgen, krijgen we misschien ook betere toegang tot de culturen van het leeuwendeel van de wereld. Ik kan me moeilijk voorstellen dat het meer open staan voor de creatieve vitaliteit van India, China, Rusland, Japan, Afrika, het Midden-Oosten, Australazië en Noord- en Zuid-Amerika, een conditie van culturele armoede is.

Brexit zal niet betekenen dat we afgesneden zijn van de rest van de wereld, wel integendeel. Maar het Verenigd Koninkrijk zal er gewis fundamenteel door veranderd worden. En dat kon wel eens zijn waar de tegenstanders van Brexit zo bang voor zijn.

Het referendum staat voor een groot falen van de regerende klasse. Niet alleen had men er niet serieus bij stil gestaan dat de kiezers daadwerkelijk voor een Brexit zouden kunnen kiezen. Dat de kiezers de toegenomen fragiliteit van de Europese Unie zouden doorzien werd niet eens in overweging genomen. Toen de kiezers de koers die door zo’n groot deel van het establishment aanbevolen werd van de hand wezen, kon dat alleen maar uit irrationale motieven zijn. Vreemd genoeg zijn het nu niet de wereldvreemde politici die al zo lang aan de macht zijn die aangevallen worden, maar de gewone mensen die tegen hen stemden. Stompzinnig en bevooroordeeld zouden de onwetende massa’s de leiding van hun meer rationale meesters afgewezen hebben en een waanvoorstelling omhelsd hebben.

Op een bepaalde manier is het een begrijpelijke reactie. Er zijn irrationale krachten die een rol spelen in de politiek. Maar onze politieke klasse is veel irrationeler geweest dan de massa die hen al zo lang moet verdragen. Tegen al het bewijs van de jaren sinds de financiële crisis in, waarin de EU van de ene misslag naar de andere ging, zijn zij die ons regeerden er op blijven staan dat de EU te hervormen is.

Onheilspellend gerommel in de Europese politiek is afgeschreven als tekenen van achterlijkheid die vanzelf zullen verdwijnen als de nieuwe orde gevestigd wordt. Maar er is nu een domino-effect in werking getreden. Overal in Europa keren nationale regeringen of groeiende oppositiekrachten zich tegen onderdelen van de Europese integratie, bijvoorbeeld de herverdeling van vluchtelingen. Nationale regeringen hernemen langzaam maar zeker hun machtspositie.

De toenemende tekortkomingen van de EU zijn onderdeel van de bredere crisis van de globalisering. Terwijl het enerzijds de welvaart van veel mensen heeft doen toenemen heeft de mondiale markt anderzijds grote aantallen mensen in een positie van chronische ontbering en verarming geplaatst. Zij die in de steek gelaten zijn, hebben niet slechts minder geld te besteden, hun hele bestaan kan getekend zijn doordat ze van hun positie in de samenleving beroofd zijn. In sommige delen van de ontwikkelde wereld is de levensverwachting weer teruggevallen naar het niveau van ontwikkelingslanden. De armen onder ons zijn anders, ze sterven eerder dan de rest. In de tussentijd kunnen ze echter stemmen.

Brexit is de eerste in een reeks revoltes die in veel andere landen uit zullen breken. Het zijn niet alleen die groepen die verarmd zijn, die het slachtoffer zijn geworden van globalisering. Delen van de middenklasse hebben hun inkomens en vooruitzichten al decennia zien stagneren. De vrees die vat krijgt op deze mensen is ook onderdeel van wat achter de opkomst van Donald Trump zit. Met een gebrek aan uitzicht op een toekomst heeft men geen vertrouwen meer in mainstream-politici.

De gebruikelijke remedie is meer onderwijs. Maar zoals menigeen ondervonden heeft, is een universitaire graad dikwijls niet veel meer dan een paspoort naar een levenslange schuld, gekoppeld aan een eindeloze baanonzekerheid.

Stemmen uit het establishment stellen dat beperkingen aan handel en migratie deze situatie niet zullen veranderen, die voortvloeit uit technologische vooruitgang. Een gerobotiseerde economie komt op die grote aantallen arbeiders overtollig zal maken. Maar de ontwrichting die deze nieuwe technologieën gewrocht hebben, is versneld en vergroot door goedkope import en arbeidsmigranten die weinig kosten. De miljoenen die aan de scherpe kant van deze ontwikkelingen zitten, weten dat zij die hen tot nu geregeerd hebben niets anders te bieden hebben dan een zich nog verder verslechterende status quo. Het is niet geheel toevallig, dat de eerste duidelijke tekenen dat kiezers deze status quo zouden gaan verwerpen, in de vroege ochtenduren van 24 juni uit de steden van het post-industriële noorden van Engeland kwamen. Het was nooit realistisch om te denken dat de miljoenen verworpenen eindeloos zouden kunnen bestaan op een dieet van loze beloften. Vroeger of later moest er zich wel een politieke opstand voordoen. Hoe kan het dat zoveel politici en opiniemakers bezeten waren van zo’n absurde visie? Het antwoord is dat ze geloofden dat ze aan wat sommigen graag de goede kant van de geschiedenis noemen stonden. Welke moeilijkheden er misschien ook overwonnen moesten worden, de globalisering zou vanzelf op koers blijven met hen aan de leiding. Vandaag kunnen deze heersende klassen niet meer zo zeker zijn dat de geschiedenis aan hun kant staat. En toch blijven sommigen spreken en handelen alsof wat er gebeurt is niet meer is dan een incident en alles al snel weer zal gaan zo als voorheen. Zij die zichzelf als verlicht en vooruitstrevend beschouwen verkeren vandaag de dag in een staat van ontkenning.

Sommigen zeggen dat de Brexit nooit werkelijk voltrokken zal worden, anderen zeggen dat het Verenigd Koninkrijk voor een apocalyptische ramp staat. Dit zijn fantasieën, die verder verwijderd zijn van enige waarneembare werkelijkheid of realistisch voorstelbare toekomst dan de percepties van gewone mensen.

De grootste verandering die de Brexit op de kortere termijn teweeg zal brengen heeft betrekking op de manier waarop het Verenigd Koninkrijk bestuurd wordt. Iedere partij die weigert de boodschap van het referendum in acht te nemen heeft een zeer onzekere toekomst. Sommigen die claimen voor de 48 procent te spreken die tegen de Brexit stemden, zeggen dat ze ‘hun land terug willen’. Het is een vreemd bezitterige taal waarin ze hun boosheid en teleurstelling uitdrukken. Het Verenigd Koninkrijk is niet meer hún land dan het het land van de voorstanders van de Brexit is. Mij klinken deze klagerige protesten een beetje in de oren als die opmerking van de apocriefe hertogin in het Dorchester Hotel, die toen ze hoorde dat Labour de parlementsverkiezingen van 1945 gewonnen had, sputterde: “Het land zal het niet nemen!” Wat het referendum duidelijk heeft gemaakt, is dat er een meerderheid in het land is die niet langer van zins is gezag op vertrouwen te accepteren. Zij die terug verlangen naar de status quo van voor de referendumuitslag, zijn nostalgisch naar een verleden dat niet meer terug zal keren. Laten we de kans die we gekregen hebben aangrijpen en ons huis opbin een ruimere wereld.

Deze tekst is gebaseerd op een toespraak uit juli 2016.

Posted on

De metropool als panacee

Planoloog Zef Hemel heeft recentelijk zijn ideeën in een nieuw boek opgeschreven: “De toekomst van de stad[i]”, hierin pleit hij voor metropoolvorming in Nederland. Hemel stelt zich m.n. tegenover de planologen en beleidsmakers, die het principe van de “concentrische” Randstad voorstaan – een slierterige reeks van dorpjes en stadjes – en het zogenaamde groeikernenbeleid – het actief stimuleren van industrie en werkgelegenheid in provinciale stadsgebieden. Hemel vindt juist dat de natuurlijke metropoolvorming ruim baan gegeven moet worden. Het is wereldwijd de tendens voor mensen van het platteland om naar de stad te trekken voor werk en kansen.

Hemel stelt zichzelf de vraag: waarom houdt de overheid deze metropoolvorming eigenlijk tegen? In vrijwel alle landen zijn een aantal grote steden uitgegroeid tot metropolen (ondanks aanvankelijke scepsis) en zij plukken daar nu de vruchten van. Hemel noemt daarvoor een aantal redenen: angst voor armoede en opstanden enerzijds, en leegloop van de rurale gebieden anderzijds. Hemel vindt deze houding onbegrijpelijk, omdat de stad juist rijkdom creëert (a.g.v. complexiteit van de stad zelf); steden tolerantie en kosmopolitisme aanwakkeren; en mensen gewoon vrij moeten kunnen kiezen. Daarnaast is deze angst ondertussen achterhaald, aangezien vele metropolen hebben aangetoond dat zij niet alleen levensvatbaar zijn, maar fraaie successen.

Welvaartcreatie

Het is tegenwoordig bekend[ii] dat ondernemerschap en innovaties achterblijven in vergelijking met vroeger. Elk decennium nemen de groeicijfers verder af en sinds de financiële crisis lijkt de groei praktisch tot stilstand te komen. Economische groei kan gerealiseerd worden door bestaande sectoren verder door te laten groeien, maar de meeste economische groei wordt gerealiseerd door A) nieuwe economische sectoren aan te boren of B) bestaande economische sectoren in een positie te plaatsen waar nieuwe groei mogelijk is. Te denken[iii] valt aan;

  • maatregelen om intellectuele eigendomsrechten verder in te perken (patenten hinderen innovatie)[iv];
  • overheidsgeld te spenderen aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (vergroot kansen op nieuwe ontdekking nieuwe groeigebieden[v]; en
  • burgers beter te scholen voor de arbeidsmarkt van de toekomst[vi].

Ergo, Hemel snijdt een uitstekend punt aan als hij daarnaast ook de stad zelf als welvaart creërend systeem kenmerkt. In de stad zullen deze economische hervormingen het snelste leiden tot uitvindingen en ondernemerschap. Robert Gordon[vii] noemde recentelijk “zes tegenwinden”, die de groei uit de Amerikaanse economie halen en tot stagnatie leiden; demografische krimp, achterblijvende resultaten in het onderwijs, ongelijkheid, globalisering, klimaatverandering en de enorme hoeveelheid schulden van zowel overheid als privé-huishoudens. Deze problemen plagen Europa, in meer of mindere mate, op dezelfde wijze. Steden kunnen de kosten van klimaatverandering beter dragen via schaalvoordelen door slimmer en goedkoper te werken; ongelijkheid en (negatieve effecten van) globalisering beter tegengaan, omdat steden meer werkgelegenheid creëren.

Kortom: urbanisatie is een welvaartsmotor, die met het oog op de toekomst aangewend moet worden. Economische groei is namelijk nodig; overheidsfinanciën (en –verplichtingen) zijn gebouwd op de verwachting van toekomstige groei[viii]. Als metropoolvorming economische groei kan aandrijven, dan zou beleid dat metropoolvorming tegenwerkt herzien moeten worden. Hemel staat daarom een relatief libertarische handelswijze voor; laat de mensen – alle mensen – maar naar de stad komen en zo ontstaan er vanzelf nieuwe ondernemingen, ideeën, levensstijlen, diensten, etc.

Migratie naar de stad

Voor Hemel lijkt elke stad in feite dezelfde stad, en elke stadsgemeenschap inwisselbaar – met cultuur slechts als een van de vele modes, die het stadsbeeld aandoen. Hemel lijkt te denken, dat het eindpunt van een metropool per definitie een resultaat oplevert van het niveau Londen[ix], Parijs, Tokyo of New York. Maar dat zou onjuist zijn: Djakarta, Mumbai, Lagos, Caïro en Mexico City zijn al decennia metropolen, maar leveren geen noemenswaardige bedrijven, entertainment, toeristische attracties of Nobelprijswinnaars op. Het is dus zeker niet noodzakelijk het geval, dat vrije metropoolvorming tot successen leidt.

Deze week berichtte het blad Nature nog, dat er bijvoorbeeld gigantische metropoolvorming in Afrika[x] gaande is, maar dat de armoede daarmee niet lijkt te verdwijnen. Het trieste antwoord is natuurlijk, dat de metropool niet los te zien is van de mensen, die er wonen. En zo geldt het eigenlijk voor vrijwel alle steden buiten Oost-Azië (Japan, Singapore, Zuid-Korea, Taiwan, China), de Westerse landen en de oliestaten[xi]. Welk derde wereldland heeft er een eerste wereldstad, laat staan eerste wereldmetropool? Er zijn natuurlijk zat derdewereldmigranten in OECD-steden, en hun bijdrage mag niet gemarginaliseerd worden, maar zij hebben die steden niet groot gemaakt. Ze zijn vooral afgekomen op de grootsheid, die er al was.

Denkt Hemel werkelijk dat bijvoorbeeld Franse banlieus probleemwijken zouden worden genoemd, als er geen Marokkanen en Senegalezen, maar Polen en Chinezen zouden wonen? Hemel lijkt te denken van wel, omdat hij denkt dat deze wijken falen, als gevolg van verkeerd overheidsbeleid. Dit is waarschijnlijk onwaar – en dat weet Hemel best. Derde wereldmigranten hebben immers vergelijkbare problemen in verschillende landen. Desondanks, Afrikaanse bootvluchtelingen en Syrische vluchtelingen zijn allemaal van harte welkom in de stad van Hemel; hij ziet hij deze armen migranten als “de middenklasse van de toekomst” van de stad. Op basis van uiteenlopende statistieken, verzameld voor elk denkbare sociale pathologie – van criminaliteit tot overgewicht en van schooluitval tot alcoholisme – kan nu al voorspeld worden, dat deze mensen niet de middenklasse van de toekomst zullen vormen. Vrije migratie vanuit de derde wereld naar de metropool leidt juist tot aanzienlijke problemen.

Hemel zal ongetwijfeld tegenwerpen, dat de heilzame werking van de stad migratieproblematiek juist zal verlichten, in plaats van verzwaren; maar zelfs als hij gelijk heeft, dan is het zeer de vraag of de reeds gevestigde stedelingen dat offer willen dragen. Voorlopig onderzoek heeft aangetoond dat derde wereldmigratie in combinatie met de huidige sociale organisatie van Nederland zeer kostbaar is, i.e. zelfs verarmend[xii] werkt voor de gemiddelde Nederlander. Nu is de vraag of dat ook in Hemels voorstel dezelfde resultaten zou opleveren, maar de voorlopige analyses en geschiedschrijving zijn niet bemoedigend. Het lijkt heilzaam beleid als steden wat kritischer zijn op het type migranten dat ze aan wensen aan te trekken.

Amsterdam, de juiste keuze?

Wat genoeglijk is aan Hemels stellingname, is dat hij echt durft te kiezen. Hij stelt dat de overheid voor Amsterdam moet kiezen en dat dit ten koste zal gaan van andere steden, m.n. provinciesteden. Hemel wil dat de overheid afstapt van allerlei lokale bebouwing en infrastructuur en vol inzet op Amsterdam. Hij bekent kleur. In Nederland is zo’n houding vloeken in de kerk. Zowel nivellering als de provincie zijn politiek gezien heilige koeien, en zeker in een tijd van Brexit, “populisme”, e.d. is het lastig te verdedigen om veel geld te investeren in de toch al rijke stad. De provincie zal zeker verontwaardigd zijn als ze voor hun gevoel nog meer worden achtergesteld. (En, gezien het gedraai rondom de gasboringen in Groningen, is dat natuurlijk begrijpelijk en terecht.) Hemel heeft waarschijnlijk gelijk, dat Amsterdam de meest logische kandidaat voor de te vormen Nederlandse metropool is. Rotterdam heeft de haven en Den Haag de regering, maar Amsterdam heeft al het andere wat een metropool een metropool maakt[xiii]. Wie daaraan twijfelt, moet eens kijken waar toeristen en young professionals het liefst vertoeven.

Als geheel heeft Hemel een onderhoudend, leesbaar boek geschreven, dat duidelijk als doel heeft om de beleidsmakers van zijn geliefde Amsterdam wakker te schudden – opdat ze nu eindelijk de stad eens ruimte geven om te groeien. Hemel verdient daarvoor volle steun. Amsterdam heeft gigantisch veel potentie en er is zeker dubbel zoveel animo om in Amsterdam te wonen dan er ruimte is. Dat laatste komt waarschijnlijk niet voort uit stupiditeit en irrationele angsten voor groei, maar is meer het effect van bewust gelobby van allerlei belangengroepen – belangengroepen, die zelf profiteren van de honger naar Amsterdamse woonruimte.

Allereerst, de Amsterdamse woningbouw is al sinds jaar en dag een politieke speelbal van gevestigde (vaak linkse) politieke partijen[xiv]; zij willen het percentage sociale woningbouw zo hoog mogelijk houden. Dit percentage zit ver boven het landelijke gemiddelde en kan ook niet verdedigd worden met speciale argumenten – het is gewoon een middel om lage inkomens binnen de stad te houden en zo stemvee te garanderen. Er is geen reden waarom deze huishoudens met lage inkomens op een A-locatie zouden moeten wonen. Sociale woningbouw kan ook aan de rand van Amsterdam.

Ten tweede, er lijkt steeds maar zeer beperkte gelegenheid voor de bouw van nieuwe woningen en flats. Dat is vreemd, omdat er juist zoveel vraag naar deze woongelegenheid is. De gemiddelde woningprijs in Amsterdam ligt sinds juli ‘16 boven de 3 ton[xv], binnen “de ring” dus nog hoger. De gebrekkige hoeveelheid nieuwbouw staat in schril contrast met de vraag: slechts 8000 woningen in 2015 en 6500 in 2016. Het Amsterdamse stadsbestuur zou wat meer ambitie en urgentie mogen tonen voor deze uitdaging. Waarom dat nog niet het geval is, blijft onduidelijk. Hemel had wat meer op deze problematiek mogen ingaan. Voor de lezer is dat nu een open vraag.

toekomst_van_de_stad_een_pleidooi_voor_de_metropool_zef_hemel_500Ten slotte, Amsterdammers zijn zelf nogal voorzichtig met hun eigen stad en dat is goed te begrijpen. Wat niet goed te begrijpen is, zijn Amsterdammers die: opeisen, dat de omgeving rondom Amsterdam groen (en onbewoond) moet blijven; er geen infrastructuur mag worden bijgebouwd, vanwege korenwolven of zeldzame vleermuizen; er niet boven drie verdiepingen gebouwd mag worden, vanwege uitzicht; etc., etc. Op die manier houden ze namelijk andere mensen tegen, die graag in deze metropoolregio zouden wonen. Er is genoeg groen in Nederland, waar liefhebbers kunnen vertoeven. Overigens, mag het deelbelang van Amsterdammers meer wegen dan het hoofdbelang van anderen om in een metropoolregio te wonen waar ze betere banen kunnen vinden en hogere salarissen zullen bedingen? Dat lijkt ethisch onverdedigbaar. Als Amsterdammers toch voor zichzelf wensen te kiezen, dan is dat uiteindelijk ook een keuze voor de rest van het land om een andere locatie voor metropoolvorming te kiezen. Amsterdammers moeten en mogen dan niet verbaasd zijn, dat er wordt ingezet op de Rotterdam-Den Haag regio of agglomeratie Utrecht.

N.a.v. Zef Hemel, De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool (Amsterdam University Press, 2016), paperback, 274 p.


[i] http://nl.aup.nl/books/9789462982468-de-toekomst-van-de-stad.html

[ii] http://www.vox.com/2016/8/1/12131216/theories-gdp-growth-slow

[iii] Zodra groene energie en fracken volwassen – zowel schoon als goedkoper dan de alternatieven – economische sectoren zijn, zullen deze sectoren ook veel economische groei opleveren. De VS loopt voorop met fracken; China met groene energie.

[iv] Stephan Kinsella – Against intellectual property

[v] Mariana Mazzucato – The entrepreneurial state

[vi] Er is een slechte afstemming tussen geleerde skills op school en de arbeidsmarkt. Studenten met zogenaamde STEM-opleidingen of vakdiploma’s voor technische beroepen leveren meer inkomen op. Er is een groeiende literatuur, die stelt dat meer en meer beroepsgroepen last hebben van automatisering en “technological unemployment”; Andrew McAfee & Erik Brynjolffson – The second machine age; Tyler Cowen – The great stagnation; Tyler Cowen – Average is over; Martin Ford – Rise of the robots; etc., etc.

[vii] Robert J. Gordon – The rise and fall of American growth; http://www.nber.org/papers/w18315

[viii] http://www.telegraaf.nl/dft/goeroes/rick-willem/24019891/__Voor_groei_en_welvaart_hebben_we_robots_nodig__.html

[ix] http://mori-m-foundation.or.jp/pdf/gpci2015_release_en.pdf

[x] http://www.nature.com/news/where-to-put-the-next-billion-people-1.20669

https://www.youtube.com/watch?v=lpQTni1wF0E

[xi] Het is allerminst zeker dat Dubai, Abu Dhabi en Riyad hun rijkdom zullen behouden, als er een echt alternatief voor fossiele brandstoffen is. Deze steden drijven op geïmporteerde kennis en arbeid en worden vrijwel volledig – en zeer riant, v.w.b. kennis – bekostigd met de olie- en gasinkomsten.

[xii] https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/immigration-and-dutch-economy.pdf (blz. 59 e.v.); Pieter Lakeman – Binnen zonder kloppen

[xiii] https://fd.nl/blogs/1126992/maak-amsterdam-inderdaad-twee-keer-zo-groot

[xiv] http://www.elsevier.nl/politiek/news/2014/02/de-slag-om-amsterdam-pvda-dreigt-almacht-in-hoofdstad-kwijt-te-raken-1471510W/

[xv] http://www.parool.nl/amsterdam/gemiddelde-woningprijs-amsterdam-voor-het-eerst-boven-de-3-ton~a4334622/

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.