Posted on

Identiteitspolitiek is neoliberale natte droom

“Het is wáár dat er in Nederland vele culturen leven. Maar de multiculturele samenleving als ideaal is mislukt. Er is nauwelijks integratie. Bevolkingsgroepen leven veelal gescheiden van elkaar. Kijk eens in het onderwijs: we hebben zwarte en witte scholen. In de steden hebben we zwarte en witte wijken. Kijk eens in het openbare leven. Je kunt nog zo mooi zeggen ‘we leven allemaal vrolijk met elkaar’, maar dat is gewoon niet waar.” Uitspraken van een (extreem)rechtse politicus? Nee, het zijn citaten uit het interview dat Marieke Hoogwout van Vrij Links had met Tweede Kamerlid Jasper van Dijk. De volksvertegenwoordiger van de SP sprak stevige woorden over de illusie van open grenzen, over de noodzaak van islamkritiek, en de race to the bottom door arbeidsmigratie.

Verontwaardiging

Er stak een storm van verontwaardiging op. De termen ‘racist’ en ‘fascist’ spatten van de schermen. Niet uit de hoek van rechtse partijen, maar juist vanuit het progressieve kamp. Van Dijk werd op sociale media met pek en veren besmeurd, op dezelfde dag dat SP-leider Lilian Marijnissen hetzelfde overkwam na haar uitspraak dat “arbeidsmigratie de lonen in Nederland onder druk zet”. Zelfbenoemde antifascisten briesten: “De SP vist in de bruine electorale vijver van de PVV en het Forum voor Democratie.”

Deze vertegenwoordigers van de zogeheten identiteitspolitiek – uit de bekende hoek van Bij1 en GroenLinks – laten hiermee zien dat ze niet links zijn in de klassieke zin, maar gewoon liberaal. Ze zeggen dat ze voor een inclusieve samenleving zijn, maar ze zijn helemaal niet inclusief maar eisen voortdurend erkenning. Erkenning van hun zogenaamde slachtofferschap. Hiermee past hun ideeëngoed naadloos in de postmoderne liberale orde, die stelt dat wat je overkomt je eigen schuld is, dat ziekte een keuze is, en dat als je niet mee kan komen je een loser bent. Het leeft van slachtofferschap en de race wie het ergste slachtoffer is, is nog lang niet gelopen.

Yippies werden yuppies

De propagandisten van identiteitspolitiek – de antiracisten, antifascisten, de inclusie-denkers, de genderadepten – krijgen vaak het stempel ‘cultuurmarxisme’. Maar dat is een slecht gekozen term, die geen recht doet aan de realiteit. Want het zijn helemaal geen marxisten, het zijn liberalen. De revolutionaire geest van de jaren zestig, waar tegenstanders de bron van het cultuurmarxisme leggen, werd namelijk al snel omgevormd in de geest van Veronica: lekker jezelf zijn, lekker doen waar je zin in hebt. Het revolutionaire vuur van Mao- en Castro-volgelingen doofde spoedig. Yippies werden Yuppies.

Jerry Rubin, een van de grondleggers van de protestbeweging die tijdens de presidentsverkiezingen van 1968 hun kandidaat presenteerden – Pigasus, een 66 kilo zwaar varken – stierf in 1994 als een multimiljonair. Zijn medestanders volgden vaak dezelfde weg, creëerden lucratieve universiteitsposten en betrokken luxe appartementen of statige herenhuizen. Ze waren studenten, afkomstig uit de middenklasse, en ze hebben geen enkel idee van wat er leeft in de arbeidersklasse; het klootjesvolk, het plebs.

Slachtofferschap

Vleesgeworden liberalen, die hun progressieve schuldbewustzijn afkopen met een veganistisch dieet, maar ondertussen wel die alternatieve wandelvakantie door Vietnam boeken. Ze grossieren in slachtofferschap. Daarin onderscheiden ze zich van klassieke marxisten. Die spreken namelijk niet over slachtofferschap, maar over macht. De legendarische uitspraak “Het maakt nogal uit wie over de zweep praat: het paard of de voerman!” was een klassieker in socialistische kringen. Zoals rechtse partijen (PVV, FvD, VVD) niet conservatief, maar liberaal zijn, zo zijn progressieve partijen (GroenLinks, D66, PVVD) niet links, maar liberaal.

De voorstanders van open grenzen en identiteitspolitiek verdedigen uiteindelijk de liberale politiek waar multinationals baat bij hebben. De strijd voor het klassieke huwelijk tussen man en vrouw werd in sommige staten in de Verenigde Staten niet verloren omdat een politieke meerderheid er tegen was, maar omdat het bedrijfsleven zich er tegen keerde. De grote bedrijven staan zich voor op inclusief personeelsbeleid en lopen voorop met de LHBT-kleuren.

Vandaar dat Jasper van Dijk stelt dat “het sprookje van de open grenzen de natte droom van het bedrijfsleven is”. Progressieve identiteitspolitiek is niet antikapitalistisch, maar is al tevreden met regenboogtompoezen en gender-neutrale rompertjes bij de HEMA. Daarmee lopen de politieke en ideologische scheidslijnen niet langer tussen links en rechts, maar tussen nationalisme en kosmopolitisme en tussen onderklasse en elite. Voor echte conservatieven biedt dit nieuwe onverwachte bondgenoten. En dat zou zomaar bijvoorbeeld de SP kunnen zijn.

Posted on

Bang voor rechts

Wat de Volkskrant vorig jaar zomer op papier deed, doet de VPRO dit voorjaar op beeld nog eens dunnetjes over. Het vrijzinnig progressief kartel ontdekt dat er iets beweegt in Europa. Tot verbijstering van het linkse journaille zeggen steeds meer Europese jongeren dat ze rechts zijn. En dat in het herdenkingsjaar van ‘1968’.

Zo zond de VPRO in haar documentaireserie Tegenlicht afgelopen zondag een portret uit van die rechtse jongeren in Duitsland en Oostenrijk. ‘Radicaal rechtse voorhoede‘ luidt de titel. De identitaire jeugd kwam in beeld en aan het woord in zo’n typische vrijzinnig-progressieve sfeerreportage. Sneeuw jaagt over de oneindige Midden-Europese vlakte. Een bus baant zich een weg over een eindeloze weg die in het witte niets verdwijnt. Verlaten dorpen, met een paar passanten die zich in de sneeuw buiten wagen. IJzig is de sfeer, winters, wit, wind. Maar binnen, in lokalen, is het warm en zitten veel jongeren aan het bier. Identitaire vlaggen hangen aan het plafond. Studenten bedrijfskunde, communicatie en geschiedenis leggen onomwonden uit waarom ze zich rechts noemen. Het wordt de gemiddelde kijker niet moeilijk gemaakt om zich 100 jaar terug in de tijd te wanen, toen Duitse jongeren samenkwamen in ‘bierkellers’. En buiten begroet een wat oudere man een geit. Sneeuwjachten huilen rond zijn statige woning. Het is Götz Kubitschek, uitgever en publicist, die door de documentairemaakster als spil in het nieuwrechtse en identitaire web wordt geplaatst.

Toch is het portret verrassend genuanceerder dan de makers pakweg 10 à 15 jaar geleden zouden hebben gemaakt. Op de Leipziger Buchmesse, waar Kubitschek en zijn vrouw hun boeken presenteerden, zien we wezenloze en inhoudsloze linkse jongeren leuzen scanderen en vechtpartijtjes uitlokken. De jongeren van Jungeuropa Verlag vertellen gewoon hun verhaal. “Ik vind het niks dat de focus steeds op de islam of de moslims ligt of die stomme vluchtelingen. Mijn focus ligt op het systeem. Het is de schuld van ons systeem en onze volledig mislukte politiek dat die mensen hier zijn uitgenodigd en hierheen gelokt en zomaar binnengelaten… We moeten dus de politiek bekritiseren die die mensen toeliet. Er moet een volledige herstructurering komen.”

Dat wil niet zeggen dat het een gedegen portret is dat documentairemaakster Britta Hosman heeft afgeleverd. Kubitschek, de Identitairen en het Forum voor Democratie worden in een adem genoemd. Alsof er geen inhoudelijke verschillen bestaan tussen deze drie vertegenwoordigers van ‘rechts’. Want zijn ze wel alle drie rechts? En vindt het hameren op “typisch Nederlandse waarden als het homohuwelijk” van Baudet c.s. wel instemming bij de Europese Identitairen? Hun focus is namelijk veel breder dan het door links zo verfoeide nationalisme. Zij spreken over een Europese heimat en Europese waarden die diametraal staan op de moderne liberale ideologie.

Maar gelukkig weet Britta Hosman de ware beweegredenen van al die rechtse jongeren. “Het overgrote deel zegt: ik ben bang voor de moderne tijd, ik weet niet hoe ik er mee om moet gaan,” zegt ze in een toelichting op haar documentaire. En met Freud zijn we dan weer terug bij de typisch linkse verklaring van alles wat in hun wereldbeeld niet past: “die mensen zijn gewoon bang”. En daarmee hoef je inhoudelijk niet op hun motivaties te reageren, hoef je inhoudelijk niet met hen in discussie te gaan. En zijn we weer terug bij de ijzige winterse beelden van de oneindige Midden-Europese vlakte, die vooral als doel hebben dat we toch wel bang moeten zijn voor al die bange jongeren…

Posted on

Blokfluit en curryworst – Duitse politici minachten hun eigen volk

Voorbij zijn de tijden dat prominente (West-)Duitse politici van zowel links als rechts een gezond patriottisme onderhielden. Met tenenkrommende uitingen laten regeringsleden van vandaag hun verstoorde verhouding tot de natie zien. Te midden van de immigratiechaos is dat een dodelijk gevaar voor Duitsland.

Ze hitst op en zet aan tot haat. Jutta Ditfurth (65), ooit medeoprichter van de Groenen en tegenwoordig voor een obscuur ecologisch splinterpartijtje gemeenteraadslid in Frankfurt, houdt zich niet in. Het racisme en de haat die ze op 13 oktober jongstleden van het spreekgestoelte in het Römer, het raadshuis van de financiële metropool, verbreidde, zal haar niet haar baan kosten. Ze zal niet van Facebook verbannen worden. Ze zal niet de hele verontwaardigingsmachinerie van de mainstream media over zich heen krijgen. Het gaat per slot van rekening maar om Duitsland. Sterven moet het, omdat dat geweldig zou zijn, zo citeert Jutta Ditfurth genoeglijk uit een lied van een punkband. Ze maakt geen geheim van haar sympathie voor dit soort hersenloze liedjes.

Wat gemeenteraadslid Ditfurth in alle openheid te beste geeft, zou bondskanselier Angela Merkel vanzelfsprekend nooit over de lippen komen. Haar houding tegenover de natie lijkt veeleer in een stadium aanbeland dat het midden houdt tussen onverschilligheid en minachting. Als het om geboren Duitsers gaat – autochtonen zouden we in Nederland zeggen, dan heeft Merkel het over “de mensen die hier al wat langer wonen” (in een interview in de prime time talkshow Anne Will op televisiekanaal ARD). In tegenstelling tot “hen die er nieuw bijgekomen zijn”, waarmee Merkel de heerscharen aan ‘asielzoekers’ die ze het land heeft binnengelaten bedoelt. Willekeuriger kan het niet.

En als de bondskanselier zich dan toch eens over culturele waarden en nationale identiteit uitlaat, is plaatsvervangende schaamte op zijn plaats. De zorg voor de uitbreiding van de islam in Duitsland moet men volgens Merkel beantwoorden met het in ere houden van christelijke tradities. Daar zit wat in, al kun je er natuurlijk niet mee volstaan. Maar op het buitengewone partijcongres van haar CDU waar ze deze uitspraak deed vulde ze dat vervolgens in met een oproep aan haar toehoorders om met Kerst vooral samen liedjes te zingen en blokfluit te spelen. “Ik meen dat volstrekt oprecht. Anders zouden we een stuk heimat kwijtraken.” Oprecht is ten aanzien hiervan slechts de indruk hoe vals en onecht de tonen van Merkels blokfluit-statement klinken.

Dat dergelijke tenenkrommende uitlatingen in de publieke sfeer vrijwel onverschillig geaccepteerd worden, ligt er misschien aan dat er naast en achter Merkel al te veel blokfluiten het zelfde deuntje blazen, zodat je oren er van gaan suizen. Toondoof van die aanhoudende blokfluiterij is de anti-Duitse klank een vanzelfsprekendheid geworden. Zo viel minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière in een discussie over integratie en nationale cultuur niets anders te binnen dan geroosterd varkensvlees en curryworst. Dergelijke lekkernijen zal men natuurlijk ondanks de instroom van islamitische immigranten ook in de toekomst kunnen blijven eten, zo verkondigde hij genereus.

Wat een mogelijke toekomstige regeringscollega van zijn geboorteland vindt, heeft hij ook reeds duidelijk gemaakt. Martin Schulz, die in januari afzwaait als voorzitter van het Europees Parlement en genoemd wordt voor de positie van minister van Buitenlandse Zaken, wil naar eigen zeggen ook in de toekomst de EU-belangen voorop stellen. De belangen van Duitsland lijken hem minder na aan het hart te liggen.

Samenvattend kunnen we zeggen dat, ook als CDU en SPD met het oog op de verkiezingscampagne weer enigszins uit elkaar drijven qua standpunten, ze toch nog altijd een zijn in hun verachting voor het Duitse volk. Vanuit de huidige praktijk is het haast niet voor te stellen dat Willy Brandt – toch bepaald geen nationalist – ooit als leider van de sociaaldemocraten aantrad met de leuze ‘Duitsers, we kunnen trots zijn op ons land’. Dat was in de campagne voor de verkiezingen van 1972, en de SPD behaalde met 45,8 procent van de stemmen haar beste verkiezingsresultaat ooit.

Met patriottisme laten zich verkiezingen winnen. Het is een kracht die mensen er toe aan kan zetten voorbij hun eigenbelang te zien en zich in dienst te stellen van een groter goed. Natuurlijk verschillen culturen in de keuze van uitingsvormen voor hun patriottisme, zo komt het Amerikaanse patriottisme Europeanen dikwijls pathetisch voor. Maar zonder een gezonde mate aan vaderlandsliefde gaat het ook niet.

Vraag je maar eens af hoe het een onderneming zal vergaan, waarvan de leidinggevenden zich niet met het bedrijf identificeren. Stel je voor dat de inkopers halfhartig over prijzen onderhandelen, dat het de personeelchefs om het even is wie er aangenomen wordt, en dat de productieleiders meer bezig zijn met de kwaliteit van hun stropdassen dan met die van de producten van de firma. Zo’n onderneming zou binnen de kortste keren een geval voor de curator zijn. Jutta Ditfurths fantasieën over het massaal verrekken van de Duitsers zijn er niet voor nodig, om het land massieve schade toe te brengen, de onverschilligheid en minachting van CDU en SPD kunnen daartoe meer dan volstaan.

Posted on

Goed als het woord allochtoon verdwijnt

Adviesorganen van de overheid hebben besloten om met onmiddellijke ingang het woord ‘allochtoon’ niet meer te gebruiken en een mediale storm van verontwaardiging ter rechterzijde was het gevolg. Het is echter helemaal geen verlies, maar het kan leiden tot een einde aan een tijdperk van semantische verwarring.

Het woord ‘allochtoon’ werd in 1971 opgevoerd door de sociaaldemocratische feministe Hilda Verwey-Jonker om een einde te maken aan het gebruik van het woord ‘migrant’ of ‘gastarbeider’.  De nadruk kwam te liggen op de geboortegrond (allo = vreemd, chtoon = grond) – een allochtoon is geboren in het buitenland, maar is desalniettemin een Nederlands burger. Het haakt in op een argument dat je wel eens hoort in de trant van “ik ben ook maar toevallig in Nederland geboren”. Alsof kinderen door de ooievaar worden gebracht.

Het probleem met het wetenschappelijke gebruik van het woord allochtoon is dat het een veel bredere groep mensen omvat dan doorgaans wordt bedoeld. Zo is de koninklijke familie ook allochtoon, aangezien alle partners van de Nederlandse vorsten vanaf Koning Willem I uit het buitenland komen. Toch zal het bevreemding wekken bij mensen als dit wordt opgevoerd. Met allochtonen worden namelijk doorgaans migranten uit het verre buitenland bedoeld, zelfs al wonen zij reeds enkele generaties in Nederland, zoals bijvoorbeeld Surinamers. Zelfs de inwoners van de Antillen, die formeel gezien tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren, worden doorgaans beschouwd als allochtoon.

Het woord allochtoon is hierdoor net zo onbruikbaar als het woord integratie. Met integratie wordt in de volksmond aanpassing aan de Nederlandse cultuur bedoeld, maar dat hoeft het niet noodzakelijkerwijs te betekenen. Integratie kan ook betekenen dat er een afgebakende cultureel-religieuze groep woont die hier woont, maar niet volwaardig deelneemt aan het maatschappelijk leven vanwege een afwijkende cultureel-religieuze identiteit. In dat licht zou je sommige protestants-christelijke kerkgenootschappen ook ‘geïntegreerd‘ kunnen noemen, alsmede culturele minderheden zoals de Friezen met hun aparte taal.

Het gebruik van de woorden ‘allochtonen’ en ‘integratie’ hebben er toe geleid dat discussies over de positie van migranten en vreemde etnisch-culturele minderheden zijn verzand in vage begrippen die voor verschillende groepen verschillend worden uitgelegd. Het vertroebelt het debat over wie wij zijn als natie en over de toekomst van die natie. Aangezien ons politiek bestel is gebaseerd op de natiestaat, bijvoorbeeld op de veronderstelling dat we allemaal Nederlands spreken, is de komst van migranten uit vreemde culturen een uitdaging voor de natiestaat: welke eisen stellen we voor het verwerven van burgerschap, zoals de beheersing van de Nederlandse taal?

Het verdwijnen van het woord ‘allochtoon’ kan een zegen zijn, omdat het ook een einde kan maken aan het idee dat het enige verschil tussen een migrant en een Nederlander de geboortegrond is. De discussie kan zo eindelijk eens verschuiven naar de domeinen waar zich de meeste problemen voordoen, zoals de opleiding en tewerkstelling van migranten, en welke vreemde culturen we kunnen absorberen (en welke niet). Het woord allochtoon heeft er namelijk ook voor gezorgd dat alle migranten op één hoop werden geveegd, los van hun verblijfsstatus (gastarbeider, vluchteling, etc.) en afkomst (taal, cultuur en godsdienst). Daarom zeg ik: weg met het woord allochtoon en laat de discussie over (on)gewenste migratie beginnen!

Posted on

De islam is het probleem niet

Meegaan in het anti-islam discours staat in de weg van een kritische zelfreflectie van onze samenleving.

Voor velen is dit misschien al meteen vloeken in de kerk. De golf van gewelddadige incidenten en aanslagen volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Parijs, Brussel, Nice, München … één constante is telkens aanwezig: het is weer een moslim en de motieven zijn meestal geheel of gedeeltelijk religieus geïnspireerd. Volledig terecht komt dan de vraag bij veel mensen op of de islam de oorzaak is van deze golf van geweld. Ik ga geen moeite doen om de rol van de islam te ontkennen in al wat er gebeurt qua aanslagen in Europa en elders in de wereld. Dat de laatste jaren de meerderheid van de aanslagen gebeuren met een religieus motief valt ook niet te ontkennen. Dit telkens weer proberen te bestempelen als een alleenstaand geval, een lone wolf-verhaal, is alleen maar geloofwaardig als dit soort aanslagen daadwerkelijk een uitzondering zou zijn. Toch is het te simplistisch en zelfs contraproductief om het vijandsbeeld van de islam als uitgangspunt te nemen in je politieke visie.

Wat feitelijk al onjuist is, is de islam als één geheel te beschouwen. Net zoals in het christendom zijn de beschouwingen binnen de islam zeer divers. Daarvoor moeten we zelfs geen theologische discussie voeren, de chaos in grote delen van het Midden-Oosten spreekt daar boekdelen van, evenals de aanslag van een Iraniër op voornamelijk soennitische moslims in München. Niet alle moslims zijn aanhangers van het jihadisme, de meerderheid is er zelfs mede het slachtoffer van. Dat een significant gedeelte dit wel steunt, is een niet te ontkennen realiteit, maar daar kom ik later op terug.

Zelfreflectie

De voornaamste reden voor mij om niet mee te gaan in het anti-islam discours is dat dit in de weg staat van een kritische zelfreflectie van onze samenleving. ‘Het is die groep zijn schuld’ is meteen de schuld van onze eigen samenleving afschuiven. Het is een gemakkelijk verhaaltje om de oorzaken extern te leggen.

Bovendien is een ideologie op zich nooit gevaarlijk. Nu maakt u wellicht de vergelijking met de rampzalige jaren 30-40, wat nogal vaker gedaan wordt als het over een vijandsbeeld gaat. Het nationaalsocialisme is vandaag vrij onschadelijk als ideologie, omdat het weinig voedingsbodem heeft en de maatschappelijke omstandigheden zich er niet toe lenen om van een dergelijke ideologie ook een heersende ideologie te maken. Men kan gemakkelijk Mein Kampf in een boekenrek laten liggen, de meerderheid zal het eens vastnemen uit historisch perspectief. Maar bang zijn dat een significant deel van de bevolking daarin zou geloven is er niet. Waarom waren er geen islamitische aanslagen op ons territorium in de jaren 20, of in de jaren 60, of pakweg vorige eeuw? De vraag stellen wie of wat dit probleem heeft mogelijk gemaakt, is relevanter dan te zoeken naar de motieven van de daders.

De huidige golf van islamitisch geweld los bekijken van de grote migratiestromen en mislukte integratie van de afgelopen pakweg 40 jaar naar Europa zou al minstens even dom zijn als ontkennen dat de aanslagen gebeuren met een jihadistisch perspectief. Dat er telkens ook een verband is met een slechte justitie, zowel in België als Frankrijk valt evenzeer op. Als laatste hebben we ook de geopolitieke realiteit en instabiliteit in het Midden-Oosten, die meestal de veiligheid op eigen bodem niet ten goede komt.

Enkele decennia geleden, na de overwinning op het communisme bij de val van de muur, dacht een groot deel van de westerse bevolking dat de geschiedenis zijn eindpunt had bereikt. Althans de geschiedenis van de ideologieën. Een abstracte discussie over ideologie werd naar achter geschoven, en in de plaats werd het heel logisch om vanuit ons ‘superieur’ maatschappijbeeld de wereld te beschouwen. Politieke discussies werden discussies tussen centrumlinks of centrumrechts, maar een politieke partij of beweging die het politiek systeem zelf in vraag durfde te stellen werd weggezet met epithetons als ‘extreemlinks’ of nog beter ‘extreemrechts’. Het beleid werd bepaald vanuit het centrum, de ene keer wat meer toegevingen voor links, de andere keer voor een wat rechtser beleid.

Op geopolitiek vlak moest en zou heel de wereld ons model van democratische waarden aanvaarden en respecteren. Als gevolg hebben we heel wat ‘dictators’ gedestabiliseerd, en landen in burgeroorlog gestort. Op vlak van justitie zijn we zodanig beginnen te geloven in de goedheid van de mens dat we meestal veel te laat komen om te voorkomen dat recidivisten telkens weer gewelddadiger toeslaan.

Als we met een kritische zelfreflectie naar ons huidig politiek systeem kijken, kunnen we niet anders dan vaststellen dat de aanslagen een aantal van deze steunpilaren en gevoeligheden onder druk plaatsten. Is het dan geen schuldig verzuim van onze politici en intellectuelen die de oorzaken van de problemen hebben gezien en laten groeien?

Vrije migratie onder druk

Op vlak van migratie is er al jaren de kritiek te horen dat dit in grote getallen negatief zou zijn op vlak van onder meer veiligheid, maar tot op vandaag doet men een aardige poging om dit gelijk te stellen met xenofobie en racisme. Het cordon sanitaire is trouwens nog steeds aan de macht en het lijkt voor velen ondenkbaar dat Vlaams Belang of Front National zou meedoen aan het beleid omwille van die reden. Dit is onlogisch aangezien stilaan meer en meer mensen toch dezelfde argumenten beginnen over te nemen. Echter is het logisch als we ermee rekening houden dat vrije migratie één van de pijlers is van ons huidig politiek systeem.

Naast de migratiediscussie is een discussie over integratie vandaag relevant. De migratie van de afgelopen decennia is ook niet meer weg te denken. Wat moet een Syriër, Afghaan of een Chinees eens hij het recht heeft om zich te vestigen, en hoe zit het met de tweede en derde en zelfs vierde generatie? De migratiecrisis is niet ontstaan sinds het conflict in Syrië. We hebben vandaag zeker zoveel problemen met nakomelingen van migranten, die hier zijn opgegroeid. Een groot gedeelte van de derde en vierde generatie nakomelingen van de tweede migratiegolf zitten met een serieuze identiteitscrisis. Velen voelen zich geroepen om een heilige jihad te gaan vechten in Syrië, Lybië of Irak of keren zich rechtstreeks tegen de samenleving waarin ze alle rechten krijgen van volwaardige burgers, anderen houden zich dan maar bezig met kleine of grote straatcriminaliteit. Het ene ligt vaak in het verlengde van het andere. De meeste integratieproblemen lijken zich alweer te stellen met moslims.

Als we moslims hun geloof laten gebruiken om zich niet te integreren in onze samenleving, wil dat zoveel zeggen als dat we zelf accepteren dat onze cultuur geen alternatief is voor hun cultuur. Als we vandaag kijken naar de binnenlandse rellen na de mislukte staatsgreep in Turkije, kunnen we het resultaat zien van ‘onze Turken’ die na drie of vier generaties nog steeds onze belangen en onze gemeenschappelijke toekomst niet erkennen boven die van hun afkomst. Dit is een rechtstreeks gevolg van onze aanvaarding van groepen die hier komen migreren en hun eigen collectief bewustzijn niet vereenzelvigen met het land waarin ze terechtkomen. De dubbele nationaliteit die nog steeds in Belgische wetgeving mogelijk is, is een tekenend voorbeeld dat op vlak van integratie niets is veranderd. Hoe kan het ook zijn dat een politieagent, een leraar of een ambtenaar nu aan twee naties trouw kan zijn?

Onveiligheid en justitie

De Witte Mars door Brussel in oktober 1996 is een nooit geziene gebeurtenis. Op dat moment kwamen er een paar honderdduizend mensen op straat om een rechtvaardige justitie te eisen. Vandaag stellen we vast dat justitie op dat vlak nog steeds een even grote puinhoop is. Hoe kan het zijn dat figuren die met zware oorlogswapens op politieagenten schieten niet beter worden opgevolgd? Of dat ondanks zoveel inlichtingen over gevaarlijke individuen zij niet eerder worden tegengehouden? Meestal blijkt daags na de aanslagen dat ze al op zijn minst ‘gekend waren door het gerecht’. We doen er echter niets mee.

Hoe kan het dat we er niet in slagen illegale wapenhandel te verhinderen, ondanks zo’n strenge blik op legale wapens? Volautomatische vuurwapens zijn zelfs toevallig te vinden in de parkjes in Brussel, althans als we bepaalde verklaringen mogen geloven. De werving van terreurgroepen als IS, loopt niet enkel via de moskeeën maar via gevangenissen. Men zou denken dat we een grote concentratie van criminelen die in gevangenschap worden genomen omwille van de veiligheid van de samenleving dan toch beter in het oog houden? We stellen telkens opnieuw vast dat justitie en de veiligheidsdiensten er zijn om achteraf naar motieven te zoeken.

Geopolitieke verschuivingen

De Arabische lente was ogenschijnlijk de eindelijke verwestering en democratisering van het Midden-Oosten. Echter stellen we nu vast dat daar ofwel nieuwe dictaturen zich hebben gevestigd, in het beste geval, ofwel er nog steeds een burgeroorlog is. Het Westen blijft zich vasthouden aan een verzameling rebellengroepen steunen die ogenschijnlijk rondlopen met de naam ‘democratische militie’, maar in de praktijk ofwel meteen worden weggevaagd en hun nieuw wapentuig geleverd door ons in handen valt van IS of Al Nusra, ofwel zelf overlopen naar IS of Al Nusra.  Diezelfde strategie van destabilisering blijven we steevast volhouden als het de agenda van de Verenigde Staten uitkomt. Is het nu nog niet duidelijk geworden dat instabiliteit in die regio’s dan onze veiligheid evenzeer in gevaar brengt, of dit net weer meer grote migratiestromen met zich meebrengt? Dan zwijgen we nog maar over de humanitaire ramp die we voor de regio’s in kwestie veroorzaken. Toch blijven we als NAVO-bondgenoten trouw aan de VS-strategie, en gaan we met een paar F-16’s nog maar eens in de weg lopen in Syrië en Irak. Frankrijk en België worden op hun eigen grondgebied aangevallen door hier opgegroeide moslims en het enige wat onze leiders weten te verzinnen is: ‘We gaan ISIS bombarderen in Syrië in Irak’. Met andere woorden: we gaan ginder nog meer bommen gooien – maar hier willen we vooral niets veranderen. Er is geen grondrecht op een eenzijdige oorlog, maar dat hebben onze ministers van Defensie nog steeds niet door.

Er is trouwens wel wat aan de hand, als je de machtsverhoudingen wereldwijd bekijkt. Bij de aanslagen van 2001 op het WTC was er één baas op wereldschaal, één oppermachtige natie op militair vlak, de Verenigde Staten. Zij hadden zoveel militaire middelen ter beschikking om de war on terror aan te vatten. Er was gewoon geen geloofwaardig alternatief. De grote vijand van de Koude Oorlog had het communisme achterwege gelaten en zolang een Boris Jeltsin en een paar corrupte oligarchen aan de macht bleven, was er geen zorg voor concurrentie. Vandaag is die situatie lichtjes anders. Het Midden-Oosten pikt de bemoeienissen niet meer van de VS. Als de VS er al eens in slagen om een staatshoofd aan de macht te krijgen, bijt die de hand die hem wist te voeden. Elders kiezen ze resoluut van een antiwesterse koers. Rusland is terug een wereldmacht. Met een sterke leider als Poetin weten we sinds Oekraïne, maar eigenlijk al eerder sinds Georgië in 2006, dat we hem beter niet te veel kunnen treiteren. Rusland heeft ook één voordeel, ze zijn van het communisme af. Dit wil echter nog niet zeggen dat ze het het liberalisme zomaar aanvaarden, al kunnen we hier nog veel verder over uitweiden. We zullen dan nog maar zwijgen over China, die de afgelopen decennia de sterkste groei kende op economisch vlak. De groeilanden zijn ook niet van plan zich braafjes aan de leiband te laten houden door de VS. Hoewel er ook positieve elementen te melden zijn aan het Amerikaanse (economische) herstel, zal het zich moeten neerleggen met het feit dat het niet de alleenheerser meer is op zowel economisch als geopolitiek vlak.

Niet naïef

Om terug te komen op mijn inleiding, ik ben verre van naïef en zal niet ontkennen dat het ‘toch weer eens moslims’ zijn. Maar ik ben evenmin naïef om te vergeten dat de oorzaken van dit probleem liggen bij het beleid dat we al jaren volgen, en onze politici die pertinent weigeren dit aan te passen. Ik laat me dan ook niet voor de kar spannen om hen te ontzien van dit schuldig verzuim.

Ons huidig politiek systeem staat onder druk. Als we ons beleid niet dringend een grote wending geven in een andere richting, blijven we achter de feiten aanlopen. Dan zijn nog meer aanslagen het gevolg en dreigen we definitief te verzanden in een burgeroorlog. We hebben nu vooral een kritische zelfreflectie nodig en zeker ook een ander beleid.

Een halt aan de grote migratie influx, een andere en minder naïeve visie op integratie, een kordate en strenge justitie en een geopolitiek gebaseerd op nationale soevereiniteit. Dit is niet waar we nu mee bezig zijn en met de oorzaak van de problemen kortweg bij ‘de islam’ te leggen zijn we onszelf aan het ontslaan van de plicht om hier ook daadwerkelijk iets aan te wijzigen. Voor mij moet er geen genade zijn voor de jihadisten die in de naam van de islam hier aanslagen willen komen plegen of dit willen faciliteren. Maar evenmin genade voor de politici, intellectuelen en mediagroepen die dit probleem veroorzaken en nog steeds weigeren om de fout op zijn minst gedeeltelijk bij zichzelf te leggen.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op Doorbraak.be

Posted on

De nieuwe Britse buitenlandpolitiek

Door Thierry Meyssan, vertaling Harry Prins

De westerse media blijven de boodschap herhalen: door de Europese Unie te verlaten hebben de Britten zichzelf geïsoleerd van de rest van de wereld en zullen ze een oplossing moeten vinden voor de verschrikkelijke economische gevolgen. En toch kan de val van het Britse pond een voordeel zijn voor het Gemenebest, dat een veel grotere familie is dan de Unie en aanwezig is op alle zes continenten. Geroemd om haar pragmatisme kan de City snel het internationale centrum worden voor de yuan en de Chinese munt in het hart van de Unie plaatsen.

De Verenigde Staten blijven onzeker over hun vermogen om de Europese Unie actief te laten deelnemen in de NAVO en de wil van het Verenigd Koninkrijk om de militaire alliantie die zij samen sinds 1941 hebben opgebouwd – met als doel de wereld te overheersen – voort te zetten. Ondanks de beschuldigingen van Europese leiders isoleert de Brexit het Verenigd Koninkrijk niet, maar maakt deze het mogelijk dat zij zich wendt tot het Gemenebest en banden met China en Rusland creëert.

Europeanen in de NAVO dwingen

De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk waren van plan om bij de leden van de Europese Unie aan te dringen om tijdens de Top in Warschau (8 en 9 juli) een uitbreiding van het militaire budget van 2%  bekend te maken. Daarnaast waren er plannen tot het aannemen van een strategie om troepen bij de Russische grens te stationeren, inclusief het oprichten van een gezamenlijke NAVO-EU logistieke eenheid, die het gemeenschappelijk gebruik van helikopters, schepen, drones en satellieten mogelijk moet maken.

Tot nu leverde het Verenigd Koninkrijk de belangrijkste bijdrage in de Unie wat betreft defensie; bijna 15% van het defensiebudget van de EU. Daarnaast gaf het leiding aan Operatie Atalanta, die bescherming biedt aan maritieme transporten voor de kust van de Hoorn van Afrika, en stelde het haar schepen ter beschikking op de Middellandse Zee. Tenslotte was het plan dat het Verenigd Koninkrijk troepen zou leveren voor de nog op te richten gevechtseenheden van de EU. Met de Brexit zijn al deze afspraken van nul en generlei waarde.

Voor Washington is nu de vraag of Londen bereid is haar rechtstreekse belang in de NAVO – waarvoor het de op een na grootste bijdrage levert – te vergroten, ter compensatie voor de rol die ze speelde in de EU – maar zonder daarbij enig direct voordeel terug te krijgen. Hoewel Michael Fallon, de huidige Britse minister van Defensie, beloofd heeft niet de gezamenlijke inzet van NAVO en EU te  verzwakken, ziet niemand een reden waarom Londen akkoord zal gaan met het plaatsen van troepen onder buitenlands bevel.

Het resultaat is nu dat Washington vraagtekens zet bij het Britse verlangen om de militaire alliantie die zij sinds 1941 hebben opgebouwd voor te zetten. Natuurlijk mogen we niet de mogelijkheid uitsluiten dat de Brexit een Britse truc is om opnieuw te onderhandelen over hun ‘speciale relatie’ met ‘de Amerikanen’ in het voordeel van de Britten. Het is echter waarschijnlijker dat Londen hoopt haar relaties met Beijing en Moskou uit te breiden zonder de eerder genoemde voordelen van de alliantie met Washington op te geven.

De Angelsaksische geheime diensten

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, en zelfs voordat de Verenigde Staten gingen deelnemen aan de strijd, sloot Washington een pact met het Verenigd Koninkrijk. De details hiervan zijn terug te vinden in het Atlantic Charter [1]. Het riep beide landen op zich te verenigen om vrije zeevaart en uitbreiding van vrije handel te garanderen.

Deze alliantie werd verwezenlijkt in de ‘Five Eyes’ overeenkomst, die de basis vormt voor de samenwerking tussen 17 geheime diensten van 5 verschillende landen (de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, plus drie andere leden van het Gemenebest – Australië, Canada en Nieuw-Zeeland).

De documenten die Edward Snowden onthulde laten zien dat het Echelon-netwerk in haar huidige vorm “een supranationale inlichtingendienst” vormt, “die onafhankelijk is van de deelnemende landen”. Op deze manier heeft ‘Five Eyes’ mensen als de secretaris-generaal van de Verenigde Naties of de Duitse kanselier kunnen bespioneren en tegelijkertijd grootschalig bespioneren van hun eigen burgers kunnen uitvoeren.

Op gelijke wijze stichtten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in 1948 een tweede supranationale dienst, de Office of Special Projects, die leiding gaf aan de ‘stay-behind’ netwerken van de NAVO, tegenwoordig bekend onder de naam Gladio.

Professor Daniele Ganser heeft onthuld dat deze dienst een aantal staatsgrepen en terroristische aanslagen in Europa heeft uitgevoerd [2]. We gingen er eerst van uit dat de ‘strategie van de spanning’ erop gericht was om op democratische wijze te voorkomen dat communisten aan de macht zouden komen in Europa. Maar al snel werd duidelijk dat het doel vooral was de angst voor het communisme te vergroten en daarmee Angelsaksische militaire bescherming te rechtvaardigen. Nieuwe vrijgegeven documenten laten zien dat deze methode ook buiten Europa bestaat en werkzaam is in de Arabische wereld [3].

In 1982 creëerden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië tenslotte een derde supranationale dienst, waarvan de nep-NGO’s – de National Endowment for Democracy en haar vier dochterondernemingen, ACILS, CIPE, NDI en IRI – het zichtbare deel vormen [4]. Het is gespecialiseerd in het organiseren van staatsgrepen verhuld als ‘revoluties’.

Hoewel er een aanzienlijke hoeveelheid literatuur is over deze drie programma’s, weten we niets over de supranationale diensten die de controle hierover hebben.

De ‘speciale relatie’

De Verenigde Staten, die hun onafhankelijkheid uitriepen door zich af te scheiden van het koninkrijk, verzoende zich pas eind 19e eeuw met het Verenigd Koninkrijk (de Great Rapprochement). De twee staten vormden een alliantie tijdens de Spaanse oorlog op Cuba, en daarna voor het gebruik maken van hun koloniale handelsposten in China – in andere woorden, toen Washington haar imperialistische roeping ontdekte. In 1992 werd er een trans-Atlantische club opgericht, de Pilgrim Society, waarmee hun hernieuwde vriendschap werd bevestigd. De Engelse koning is traditiegetrouw voorzitter van de club.

De verzoening werd in 1917 verzegeld met het gemeenschappelijke project voor de oprichting van een Joodse staat in Palestina [5], en met de deelname van de Verenigde Staten naast Engeland aan de oorlog. Sindsdien hebben beide staten verschillende militaire middelen gedeeld, waaronder later de atoombom. Toen echter het Gemenebest werd opgericht, weigerde de Verenigde Staten toe te treden, omdat ze zich gelijkwaardig voelde aan Londen.

Ondanks een aantal onenigheden – de Britse aanval op Egypte (Suez-kanaal) of tegen Argentinië (de Falkland-oorlog), of opnieuw tijdens de Amerikaanse invasie van Grenada – hebben de twee machten elkaar altijd gesteund.

Het koninkrijk financierde de start van Obama’s verkiezingscampagne in 2008, door omvangrijke giften via de Iraaks-Britse wapenhandelaar Nadhmi Auchi. Tijdens zijn eerste periode was een groot aantal van de medewerkers van de nieuwe president in het geheim lid van de Pilgrim Society. De Amerikaanse afdeling daarvan werd voorgezeten door Timothy Geithner. Maar president Obama maakte zich los van de groep, waardoor het koninkrijk het idee kreeg dat het geen waar kreeg voor haar geld. De verhouding verslechterde door de aanval op David Cameron in The Atlantic [6], en het bezoek van de Obama’s aan koningin Elizabeth II vanwege haar verjaardag heelde de wonden niet.

Premiers van de Gemenebestlanden in 1944, vlnr: Mackenzie-King (Canada), Jan Smuts (Zuid-Afrika), Winston Churchill, Peter Fraser (Nieuw-Zeeland, John Curtin (Australië).
Premiers van de Gemenebestlanden in 1944, vlnr: Mackenzie-King (Canada), Jan Smuts (Zuid-Afrika), Winston Churchill, Peter Fraser (Nieuw-Zeeland, John Curtin (Australië).

Het Gemenebest

Door zich los te maken van de Europese Unie en zich te verwijderen van de Verenigde Staten heeft het Verenigd Koninkrijk zich op geen enkele wijze geïsoleerd, maar kan het opnieuw de joker trekken, het Gemenebest.

Men is geheel vergeten dat in 1936 Winston Churchill met het voorstel kwam om de huidige landen van de Europese Unie in het Gemenebest op te nemen. Zijn plan werd verhinderd door de politieke spanning en de wereldoorlog. Pas na de geallieerde overwinning kwam dezelfde Churchill met het idee tot de vorming van de ‘Verenigde Staten van Europa’ [7] en riep hij de Conferentie van de Europese Beweging in Den Haag bijeen [8].

Het Gemenebest is een organisatie van 53 lidstaten, gegrondvest op Engelse waarden – raciale gelijkheid, rechtsstaat, mensenrechten vanuit ‘nationaal belang’. Het moedigt echter ook zakenrelaties en sportieve vaardigheden aan. Daarnaast wisselt ze deskundigen op allerlei terreinen uit.

Koningin Elizabeth II, staatshoofd van 16 van de lidstaten, is het hoofd van het Gemenebest (eerder een keuze dan een erfelijke titel).

Wat willen de Britten?

Volgens Londen is het de Verenigde Staten die de ‘speciale relatie’ verstoord heeft, door toe te geven aan de buitensporigheid (overmoed) van een unipolaire wereld en door hun eigen buitenlandse en economische beleid uit te voeren. Terwijl ze niet langer de belangrijkste economische en conventioneel-militaire macht in de wereld zijn.

Van hieruit gezien is het in het belang van het Verenigd Koninkrijk te stoppen met het ‘alles op één kaart zetten’. Ze moet de gemeenschappelijke doelen die ze deelt met Washington behouden, vertrouwen op het Gemenebest, en nieuwe betrekkingen met Beijing en Msokou aangaan, rechtstreeks of via de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SSO).

Op de dag van de Brexit stemde de SSO in met de toetreding van twee leden van het Gemenebest, India en Pakistan, terwijl daarvoor nog nooit een Gemenebestland lid was geweest [9].

Hoewel we niets weten van de contacten die het Verenigd Koninkrijk al met Rusland moet hebben gelegd, valt de toenadering tot China op.

Afgelopen maart kondigde de London Stock Exchange, die de beurs van de City en van Milaan beheert, het plan aan om tot een fusie met de Deutsche Börse te komen. De Deutsche Börse beheert de beurs van Frankfurt, het verrekenkantoor van Clearstream en Eurex. Het was de bedoeling dat de twee instellingen hierover direct na het Brexit referendum een besluit zouden nemen. Deze aankondiging is des te opmerkelijk, omdat de Europese regelgeving formeel zo’n handeling verbiedt, omdat het een ‘monopolie’ creëert. Het lijkt erop dat het besluit van de twee instellingen al anticipeerde op het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

Bovendien heeft de London Stock Exchange een overeenkomst aangekondigd met de China Foreign Exchange Trade System (CFETS), en werd zij in juni de eerste aandelenbeurs ter wereld waar Chinese staatsobligaties werden verhandeld. Alle onderdelen waren gereed om de City om te vormen tot een Chinees Paard van Troje in de Europese Unie, ten koste van de Amerikaanse heerschappij.


Noten

[1] “The Atlantic Charter”, by Franklin Delano Roosevelt, Winston Churchill, Voltaire Network, 14 August 1941.

[2] Nato’s Secret Armies: Operation Gladio and Terrorism in Western Europe, Daniele Ganser, Cass, London, 2004.

[3] America’s Great Game: The CIA’s Secret Arabists and the Shaping of the Modern Middle East, Hugh Wilford, Basic Books, 2013.

[4] “The networks of “democratic” interference”, by Thierry Meyssan, Voltaire Network, 22 January 2004; « Национальный фонд демократии — игровая площадка ЦРУ] », Тьерри Мейсан, Однако (Российская Федерация) , Сеть Вольтер, 6 октября 2010.

[5] “Who is the Enemy?”, by Thierry Meyssan, Translation Roger Lagassé, Voltaire Network, 4 August 2014.

[6] “The Obama Doctrine”, by Jeffrey Goldberg, The Atlantic (USA) , Voltaire Network, 10 March 2016.

[7] “Winston Churchill speaking in Zurich on the United States of Europe”, by Winston Churchill, Voltaire Network, 19 September 1946.

[8] « Histoire secrète de l’Union européenne », par Thierry Meyssan, Réseau Voltaire, 28 juin 2004.

[9] “Brexit coincides with India’s and Pakistan’s entry into the SCO”, by Alfredo Jalife-Rahme, Translation Anoosha Boralessa, La Jornada (Mexico) , Voltaire Network, 2 July 2016.

Bron: http://www.voltairenet.org/article192722.html

Posted on

Immigratiekritiek van links

Dresden/Bochum – Grootschalige demonstraties tegen islamisering in diverse Duitse steden – Hooligans gegen Salafisten (HoGeSa), PEGIDA – trekken veel media-aandacht en leidden al tot de gebruikelijke pogingen deze als extreem-rechts weg te zetten. Wie echter denkt dat er in Duitsland alleen immigratiekritiek van rechts is, vergist zich.

Gevestigde linkse partijen als de Groenen en de Linkspartei zijn grote voorstanders van massa-immigratie. Er zijn op links echter ook andere geluiden en dan gaat het niet slechts om praktische kritiek, zoals die ook wel bij Nederlandse sociaaldemocraten te horen is wanneer dat opportuun is, maar om principiële kritiek.

Graffiti op een muur van het kantoor van de Duitse immigratiedienst in Berlijn.
Graffiti op een muur van het kantoor van de Duitse immigratiedienst in Berlijn.

Een artikel in het socialistische blad ‘Die Rote Fahne’ maakt duidelijk hoezeer een groot deel van de linkervleugel zich verwijderd heeft van wat ooit als politiek in de traditie van Marx, Lenin en Mao gold. Onder de titel ‘No Border, No Nation – De nieuwe marketing van het imperialisme’ presenteert de publicist Stephan Steins een opmerkelijke analyse van het huidige immigratie- en asielbeleid.

Zo vestigt de hoofdredacteur van het weekblad er de aandacht op hoe professioneel in de media de massa-immigratie toegejuicht wordt: “Vagebonden uit Afrika bivakkeren in Berlijn voor de Brandenburger Tor, [..] Mensen, die geen woord Duits spreken, zitten voor professioneel gemaakte spandoeken in de Duitse taal. Wie heeft deze mensen naar de Duitse hoofdstad gebracht? Wie organiseert ze, formuleert hun eisen, rust ze uit met duur promotiemateriaal en zet ze mediaal in scene?” Stein draait er niet om heen: “De volken van Europa moeten emotioneel geconditioneerd worden voor hun eigen etnocide.” De auteur wijst er op dat achter het propageren van massa-immigratie keiharde economische belangen schuilgaan. “Massa-immigratie en buitenlandse overheersing van de Europese republieken en cultuurruimte dienen het imperialisme op meerdere vlakken. Op de korte termijn is er het arbeidspotentieel uit lage-lonen-landen. Op de middellange termijn wordt de culturele, sociale en in het kielzog daarvan politieke desintegratie van de historische verworvenheid van de burgerlijke democratische republiek geforceerd.”

Afgezien van bepaalde accenten of woordkeuzen, zullen veel rechtse critici van het huidige immigratiebeleid in Duitsland maar ook elders in West-Europa de beschreven gevolgen in de zin van een maatschappelijke desintegratie herkennen. Opmerkelijk is ook de beschrijving van het verloop van de stigmatisering van hen die kritiek hierop uiten. “Hen die het zelfbestemmingsrecht van de volken verdedigen, wordt door de imperiale hegemonie weldra racisme aangewreven.”

Het is geen toeval dat dergelijke geluiden bij de Groenen noch bij de Linkspartei te horen zijn, ideologisch bevinden die partijen zich beide in het vaarwater van de ‘kritische theorie’ van de Frankfurter Schule. Ze gaan voor cultuurrevolutie in plaats van marxistische klassenstrijd. Groeperingen buiten die partijen zien zich daarentegen als voortzetter van de traditie van linkse grootheden als Karl Marx en Vladimir Lenin – onbeschroomd beroept men zich ook op Jozef Stalin en Mao Tse-toeng, die niet krampachtig met het woord natie omsprongen. Bij Mao, die voor veel West-Duitse communistische groeperingen een belangrijk oriëntatiepunt was, heette het bijvoorbeeld uitdrukkelijk: “De nationale strijd is uiteindelijk een klassenstrijd.”

Posted on 1 Comment

De kaart van het Midden-Oosten verandert, maar Amerika heeft er niets verloren

Het is wel het driemaal beloofde land genoemd. Dat stuk land ten noorden van Mekka en Medina en ten zuiden van Anatolië, tussen de Middellandse Zee en de Perzische Golf. In 1915 – het jaar van de slag bij Gallipoli, die de minister van de Marine Winston Churchill tot aftreden dwong – verplichtten de Britten zich met het McMahon-akkoord tot de onafhankelijkheid van deze gebieden onder Arabisch bewind, om zo de steun van de Arabieren te krijgen in hun oorlog tegen de Ottomaanse Turken. Het was hiervoor, dat Lawrence of Arabia en de Arabieren vochten. In november 1917, een maand voordat generaal Allenby zijn leger Jeruzalem in leidde, verklaarde Lord Balfour echter in een brief aan baron Rothschild dat de Britse regering nu gunstig aankeek tegen de creatie van een nationaal thuisland voor het Joodse volk in deze zelfde gebieden.

Tussen deze tegenstrijdige toezeggingen was er in 1916 een geheime overeenkomst gesloten tussen de Britse en Franse diplomaten Mark Sykes en François Georges-Picot. Met de stilzwijgende instemming van het tsaristische Rusland, dat Constantinopel beloofd was, werden de landen onderverdeeld en onder Brits of Franse bewind geplaatst. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon. De Britten Trans-Jordanië, Palestina en Irak inclusief Koeweit.

Vladimir Lenin ontdekte het Sykes-Picot verdrag in de archieven van de tsaar en publiceerde het, zodat de wereld kon zien wat er in de Eerste Wereldoorlog echt gespeeld had. Het bleek onmogelijk om Sykes-Picot te verzoenen met de verklaring van de Amerikaanse president Woodrow Wilson dat hij en de geallieerden – het Britse, Franse, Italiaanse en Japanse imperium – allen vochten om ‘de wereld veilig te maken voor de democratie’. De imperialistische hypocrisie stond in haar hemd. Wilsons idealistische Veertien Punten, begin 1918 aangekondigd, waren er op gericht dit goed te maken. Het was echter de implementatie van Sykes-Picot, waaruit zoveel Arabische vijandigheid en haat voort zou komen en waaruit het hedendaagse Midden-Oosten te voorschijn kwam.

Negen decennia later lijkt het er op dat de kaart van het Midden-Oosten zoals die na Sykes-Picot ontstaan is aan herziening toe is en dat een nieuwe kaart opdoemt, wier grenzen in bloed getrokken worden, in lijn met wat H.G. Wells de ‘natuurlijke grenzen’ van de mensheid noemde. “Er is een natuurlijke en noodzakelijke politieke kaart van de wereld, die” zo schreef Wells, deze kunstmatige staten “overstijgt” en deze natuurlijke kaart van de mensheid zou naties gevestigd zien op basis van taal, cultuur, confessie, ras en stam. De natuurlijke kaart van het Midden-Oosten roert zich.

Al Nusra Front

Syrië is aan het uiteenvallen, met sjiitische alawieten die tegen soennieten vechten, christenen die zich aan de zijde van Damascus scharen, druzen die verdeeld zijn en Koerden die azen op een kans om uit te breken en zich te verenigen met hun volksgenoten in Turkije, Irak en Iran. Hun droom: een Koerdistaanse natiestaat geworteld in een gezamenlijke etnische identiteit. Het sjiitische Hezbollah beheerst het zuiden van Libanon en steunt samen met het sjiitische Iran het door sjiieten geleide leger en bewind van Bashar Assad. Samen creëren ze een sub-staat van Damascus tot Homs tot aan de Middellandse Zee. Het oosten en noorden van Syrië verliest men mogelijk definitief aan de soennitische rebellen en het Al-Nusra-front, een bondgenoot van Al Qaida. Het sektarische conflict breidt zich nu uit naar Libanon. Ook Irak lijkt langzaam uiteen te vallen. De Koerdische enclave in het noorden gedraagt zich als een onafhankelijke staat en sluit oliedeals met Ankara. Tegelijk steunt de soennitische West-Irakese deelstaat Anbar de soennitische rebellen aan de andere kant van de grens in Syrië. En het sjiitische bewind in Bagdad wordt getergd door soennitische terreur die de sektarische burgeroorlog van 2006-2007 weleens kon doen heropleven, ditmaal echter zonder de Amerikaanse militairen van generaal Petraeus om het geweld te temperen. Het soennitische Turkije biedt onderdak aan 15 miljoen Koerden en de 15 miljoen sjiieten. En de rol van de Turkse premier als schakel tussen wapenleveranties uit Qatar en Saoedi-Arabië en de soennitische rebellen in Syrië wordt door zijn eigen bevolking niet op prijs gesteld. Doordat ze de sjiitische halve maan – Hezbollah in Libanon, het Syrië van Assad, het Irak van Noeri al-Maliki en het Iran van de ayatollahs – in gevaar zien door het mogelijke verlies van de Syrische schakel, lijken Teheran en Hezbollah bereid grotere risico’s te nemen in de Syrische oorlog dan de soennitische coalitie van Saoedi’s, Qatari’s en Turken. Wie waagt, wint.

Hoewel de Turken een 400.000 man sterk leger met NAVO-uitrusting hebben, een bevolking drie keer zo groot als die van Syrië en een economie die twaalf keer zo groot is, en ze naast Israël, de sterkste staat in de regio zijn, lijkt het erop dat ze hopen dat de Amerikanen hun problemen voor ze oplossen. Het is in president Obama te prijzen dat hij het aandringen op interventie van de neoconservatieven en liberalen weerstaat, die ons opnieuw in een eindeloze oorlog zouden storten. Amerika heeft immers geen vitaal belang bij het omverwerpen van Assad. Veertig jaar konden we met hem en zijn vader leven. En wat heeft onze interventie in Libië om Muammar Gadaffi omver te werpen opgeleverd, behalve een failed state, een afschuwelijke aanslag op onze diplomatieke missie in Benghazi en uitwaaiering van Al Qaida in Mali en Niger? Waarom zouden Amerikaanse soldaten moeten sterven voor een overwinning van de soennieten in Syrië? In het gunstigste geval leidt dit tot een regering van de Moslimbroederschap in Damascus, net als in Caïro. In het ongunstigste geval creëren we zo een bevoorrecht toevluchtsoord voor die bondgenoot van Al Qaida die Al Nusra heet. Terwijl de grenzen van Sykes-Picot verdwijnen en de staten die door de cartografen van Parijs in 1919-1920 gemaakt werden uiteenvallen, breekt er wellicht een islamitische variant op de Dertigjarige Oorlog uit in het driemaal beloofde land. Dit is echter niet Amerika’s oorlog en dat moet het ook niet worden.

Posted on Leave a comment

EU als schoolklasje tegen nationalisme

Konrád_GyörgyHet onlangs in Duitse vertaling bij uitgeverij Suhrkamp verschenen essay ‘Europa und die Nationalstaaten’ van de Joods-Hongaarse publicist György Konrád (1933) gaat eigenlijk maar over één enkele natiestaat en wel de Hongaarse. Die ziet Konrád – en daarmee vertegenwoordigt hij een minderheidsstandpunt in Hongarije dat in West-Europa populairder is – onder de regering Orbán sinds 2010 op weg naar een autoritair geleide staat, “een postcommunistische, nationale autoritaire staat die in zekere zin in de buurt komt van neofascisme”. De twee-derde meerderheid van de regeringspartijen in het parlement zou tot een afschaffing van de pluralistische democratie en een machtsconcentratie op het hoogste niveau leiden. Politieke tegenstanders van de regering zouden als vijanden beschouwd worden en gunstelingen bevoordeeld. Extreem nationalisme en antisemitisme zouden zich weer breed maken.

Tegen deze duistere achtergrond ziet Konrád de sterren van de Europese Unie des te helderder stralen. Europa staat in zijn optiek voor matiging en on-ideologische nuchterheid, niet voor charismatische leiders, maar voor betrouwbare vaklieden, voor een cultuur van samenwerking, niet van nationalistische confrontatie. De staat die het voorrecht ten deel valt om lidstaat te worden van de Europese Unie, ziet hij dan ook een plaats “in een hogere klas in de school van de beschaving” toegewezen. Europa beteugelt de politieke passie van een ontketend, mythisch nationalisme: “De EU tempert het in ons verborgen onstuimige en brengt ons tot vergelijkend inzicht.” Politieke smeerpoetsen moeten echter buiten blijven of door “de rationaliteit van de federatie” weer op het pad van de politieke deugd terug gebracht worden. Een Europese interventie ter bescherming van de democratie wanneer die in een natiestaat bedreigd wordt is voor Konrád dan ook niet slechts legitiem, maar zelfs een plicht!

Wie bekend is met de loopbaan van Konrád, kan zijn zorgen omtrent wat hij ziet als een dreigende afbouw van rechtstatelijke checks and balances en gelijkschakeling van de media, zijn “angst voor een nieuwe tirannie” goed begrijpen: “Na mijn bevrijding uit de puinhopen van twee dictaturen kan ik bij mezelf naar geen van beide enige heimwee bespeuren.” Maar kan en moet Europa hier behulpzaam zijn? De vermeende “rationele controle van de staat door de EU” bewees zich zoals bekend in 2000, toen de deelname van de FPÖ aan de Oostenrijkse regering de EU-gemoederen deed oplaaien, als drieste en lompe inmenging door andere EU-lidstaten; over deze schandalige zaak rept Konrád met geen woord.

Hungary's Prime Minister Viktor Orban arrives at the European Commission headquarters in Brussels

Het is begrijpelijk en uit democratisch oogpunt lovenswaardig dat Konrád de nationale politieke elite “als herverdelende bureaucratieën met eigen belangen” wantrouwt en het misbruik van macht en geld door mensen in overheidsfuncties geselt. Maar loopt de Europese politieke elite niet hetzelfde gevaar? Werkt ook zij niet met mythen, probeert ook zij niet door inzet van fondsen te heersen en bureaucratisch uit te dijen? Zo kritisch als Konrád de natiestaten, in het bijzonder de Hongaarse, bejegent, zo idealistisch is zijn perceptie van de EU: “Kiezen voor Europa is kiezen voor argumenten en politieke oprechtheid, wat een scherp oordeel niet uitsluit. Europa betekent vandaag de dag de concurrentie van intelligentie en gedrag. Toenemende omzet van geestelijke en afnemende omzet van materiële goederen.” Spreekt hij hier werkelijk over de Europese Unie? Wat Europa tot eenheid vormt, daarin heeft de ‘antipolitieke’ estheet Konrád zeker gelijk, is zijn verscheidenheid in cultuur, “die eeuwen, millennia eerder ontstaan is dan de economisch-politieke eenheid van ons continent”. Voor het voortbestaan van deze cultuur is de Europese Unie echter, zoals hij toegeeft, “geen bestaansvoorwaarde”.

42371De Europese Unie is een ambitieus politiek project. Haar architectuur moet, om langer mee te kunnen en door Europese burgers aanvaard te worden, overeenkomen met “het gelaagde wezen van het Europese bewustzijn”. “Klaarblijkelijk begeert iedere nationale gemeenschap zelfbeschikking, autonomie, eigen instituties en een eigen natiestaat.” Maar de gelouterde natiestaat doet geen aanmatigende aanspraak op leiderschap meer, maar verstaat zich als deel van een grotere Europese gemeenschap, die zij onderhoudt. “Die op de vaderlandsliefde toegesneden stijl mogen we, die de vriendschappelijke gelijkwaardigheid van de vaderlanden voor vanzelfsprekend houdt.” Ook de Europese gemeenschap mag niet aan de arrogantie van de macht ten prooi vallen en haar soevereiniteitsaanspraak ongepast ten koste van de naties willen uitbreiden. Ook in dit opzicht moet men als Europeaan waakzaam blijven.

N.a.v. György Konrád, Europa und die Nationalstaaten, (Suhrkamp Verlag, Berlijn, 2013), 183 pp., €14,95.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.