Posted on

Polen heeft juridisch noch moreel recht op verdere herstelbetalingen van Duitsland

Eind juli kwam de Poolse regering met haar eigen interpretatie van solidariteit tussen EU-lidstaten op de proppen. Jaroslaw Kaczynski, leider van de regeringspartij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS), verklaarde in een radio-interview dat Duitsland zich aan zijn verantwoordelijk voor de Tweede Wereldoorlog zou onttrekken en dat er daarom over herstelbetalingen gesproken zou moeten worden. Inmiddels wordt een wetsvoorstel voorbereid om de schade te berekenen.

Kaczynski kondigde een “historisch tegenoffensief” van zijn land aan. “We hebben het hier over gigantische sommen en ook over het feit dat Duitsland jarenlang geweigerd heeft verantwoordelijkheid te nemen voor de Tweede Wereldoorlog”, aldus de partijleider in Warschau.

De Poolse leider staat binnen de EU niet alleen met zijn plannen. Ook Griekenland kwam in 2013 met de eis dat Duitsland alsnog herstelbetalingen zou doen vanwege de Tweede Wereldoorlog. Een groep ambtenaren van het ministerie van Financiën kreeg destijds de opdracht, de schade te berekenen van de Duitse bezetting van Griekenland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Terwijl Kaczynski de omvang van de eisen vooralsnog in het midden laat, becijferden de Grieken de grootte van hun nota op 108 miljard euro. Wat Duitsland tot dan toe reeds aan herstelbetalingen gedaan had werd niet meegerekend. Dat veranderde twee jaar later, toen de toenmalige Griekse minister van Justitie Nikos Paraskevopoulos verklaarde het oordeel van het Atheense grondwettelijk hof over te nemen, dat stelde dat Duitsland aan nakomelingen van slachtoffers van het nazi-bewind compensatie verschuldigd is. Wat reeds betaald was, zou men als “voorschot” beschouwen.

Nu is het niet ongebruikelijk en ook volkenrechtelijk gedekt, dat een land dat een oorlog begonnen is en verloren heeft de winnaar een financiële compensatie moet betalen. Zo werden in het geval van Duitsland het gehele buitenlandse vermogen, de handelsvloot en alle Duitse patenten in beslag genomen. Daarnaast werden op grote schaal aanspraken door de demontage van industriebedrijven afgedekt. En wat vooral Polen betreft: Duitsland moest zijn oostelijke territoria afstaan – grote aantallen Duitsers werden daarbijvan huis en haard verdreven, een verlies dat nauwelijks in geld is uit te drukken.

Bovendien vergaarden de Amerikaanse bezetters naar eigen opgave Duitse reparaties ter grootte van 500 miljoen Amerikaanse dollars, de Sovjet-Unie naar westerse schattingen 15 miljard. Waar het Kremlin per 1 januari 1954 echter van verdere vorderingen afzag, lieten de westerse mogendheden de mogelijkheid open met nieuwe te komen. Tussen de westerse mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland werd in het Londense Schuldenakkoord van 27 februari 1953 namelijk overeengekomen dat de kwestie van de Duitse oorlogsschulden pas bij een vredesakkoord aan de orde zou komen.

Duitsland, ook het herenigde Duitsland, heeft echter tot op de dag van vandaag formeel geen vredesakkoord. Het Twee-plus-Vier-verdrag (formeel: “Verdrag inzake de afsluitende regeling met betrekking tot Duitsland”), dat op 15 maart 1991 in werking is getreden, vervult echter effectief de functie van een vredesverdrag. Van herstelbetalingen is in dit akkoord geen sprake en daarmee is de zaak afgedaan. Daarbij wordt het verdrag gezien als een internationaal verdrag waarvan de uitwerking de ondertekenaars – BRD, DDR, VS, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Sovjet-Unie – overstijgt. Dit hangt ermee samen dat het verdrag een nieuwe politieke orde in Europa regelt. Zo worden ook Polen en Griekenland in de werkzaamheid van de overeenkomst betrokken en komen nieuwe eisen aan Duitsland uit deze landen juridisch op wankele voet te staan, vooral wat Polen aangaat.

Polen heeft namelijk reeds in 1953 in een verklaring afgezien van verdere betalingen uit Duitsland. Het land wilde daarmee, zo heette het destijds, “een verdere bijdrage aan de oplossing van de Duitse kwestie in de geest van democratie en vrede” leveren. Hierop werd door de Duitse regering naar aanleiding van de recente Poolse geluiden dan ook gewezen. Duitsland erkent politiek, moreel en financieel zijn historische verantwoordelijkheid, zo verklaarde de Duitse regering, maar de kwestie van herstelbetalingen is juridisch en politiek reeds afsluitend geregeld.

Ook de verhouding met Athene is op dit punt eigenlijk al lang duidelijk. In het kader van haar omvattende Wiedergutmachungspolitik sloot de Duitse regering in de jaren tussen 1959 en 1964 met twaalf West-Europese regeringen akkoorden, waaronder ook Griekenland. Athene kreeg destijds 115 miljoen mark uit Bonn, wat naar huidige koopkracht een slordige halve miljard euro is. In de correspondentie over dit akkoord verklaarde de Griekse zijde dat daarmee “alle het voorwerp van dit verdrag vormende vragen [..] definitief geregeld” zijn, waarmee Athene van alle verdere eisen afzag. Nadat het Oostblok in 1990 uiteenviel, paste Duitsland dit beleid ook op Oost-Europese landen toe. In dit kader kreeg Polen meer dan 250 miljoen euro. Eén ding is zodoende duidelijk: De recente aanspraken van Griekenland en Polen op herstelbetalingen uit Duitsland ontberen een juridische grondslag.

De politieke werkelijkheid laat zich echter niet louter in juridische parameters vatten. Wat juridisch niet afdwingbaar is, is het soms psychologisch wel. Een schuld als de Duitse oorlogsschuld, verbonden met oorlogsmisdaden en de Holocaust, laat zich goed gebruiken als politiek drukmiddel. Het uitdrukken van een dergelijke schuld in financiële bedragen, komt al snel in de buurt van relativering van de Holocaust, met als implicatie dat de schuld nooit definitief afbetaald kan worden.

Warschau en Athene zouden er evenwel goed aan doen ook te bedenken welke schade ze zelf aanrichten met hun eisen. Waar de Europese integratie door haar voorstanders steeds is voorgesteld als een vredesproject, lijken Poolse en Griekse regeringen dit te interpreteren als een vrijbrief om Duitsland uitzichtloos te laten bloeden voor de schuld aan de Tweede Wereldoorlog. Dat komt de geloofwaardigheid van de notie van solidariteit tussen EU-lidstaten uiteindelijk niet ten goede.

Posted on

Adenauer, onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Wat een politiek leven! Het strekt zich uit van het keizerrijk, de republiek van Weimar, het nationaal-socialistisch bewind tot en met de Bondsrepubliek Duitsland. Steeds was Konrad Adenauer er bij. Op 19 april is het vijftig jaar geleden dat de eerste bondskanselier van Duitsland overleed.

Adenauer werd op 5 januari 1876 in Keulen geboren en zijn hele leven bleef zijn Rijnlandse herkomst zo duidelijk hoorbaar als zijn katholieke signatuur herkenbaar. Na zijn staatsexamen in de Rechten werkte hij als advocaat in Keulen. Als lid van de katholieke Zentrumspartei werd hij Beigeordneter (wethouder/schepen), vanaf 1909 Erster Beigeordneter (loco-burgemeester). Zo nam hij bij gelegenheid de honneurs waar voor de Oberbürgermeister, een oom van zijn echtgenote.

Burgemeester van Keulen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog legde Adenauer op het Voedingsdepartement opmerkenswaardige creativiteit aan de dag. Een door hem gebakken brood van rijst en maismeel liet hij als “Keuls brood” patenteren. Omdat zijn surrogaatstoffen weinig smakelijk waren, noemden de Keulenaren hem “Graupenauer”. Niettemin werd hij in 1917 door de gemeenteraad tot Oberbürgermeister gekozen. Een decreet van de koning van Pruisen maakte hem tot de jongste Oberbürgermeister van zijn tijd.

Adenauer als burgemeester van Keulen, in gesprek met rijksminister van Oorlog Wilhelm Groener, bij de tewaterlating op 1 mei 1928 van de kruiser ‘Köln’ in Wilhelmshaven (foto: Bundesarchiv)

Hij bekleedde dit ambt tot 1933 en na 1945 zou hij het nog enige tijd bekleden. Beduidend korter was zijn lidmaatschap van het Pruisische Herenhuis, waarvan hij uit hoofde van zijn ambt als Oberbürgermeister van Keulen zitting had. Het revolutiekabinet van SPD en USPD hief de Eerste Kamer van de Pruisische landdag in 1919 op. Dat schaadde de politieke loopbaan van Adenauer echter niet. Van 1920 tot 1930 was hij voorzitter van de Pruisische Staatsraad. Herhaaldelijk werd hij genoemd als kandidaat voor het ambt van rijkskanselier, ofschoon hij zich hard maakte voor een scheiding van Pruisen en een autonoom Rijnland.

Koning van het Rijnland

Uiteindelijk bleef de “koning van het Rijnland” echter steeds burgervader van Keulen, van dat ambt was hij zeker. Minder bedachtzaam was hij toen hij zich in 1928 vergaloppeerde met speculatie in aandelen glanszijde. Toen zijn schulden in de openbaarheid dreigden te komen, leende hij een aandelenpakket en deponeerde het bij de Duitse Bank. Die stelde aansluitend dat Adenauers conto vereffend was. De episode schijnt kenmerkend te zijn voor de sluwheid van Adenauer.

Van vergelijkbare kwaliteit waren zijn eerste ‘conflicten’ met de nationaal-socialisten. Die hadden in 1931 Hakenkruisvlaggen aan de brug over de Rijn gehangen. Adenauer liet ze verwijderen. De daaropvolgende woede van de nazi’s wimpelde hij af. De actie was met de districtsleiding van de NSDAP afgesproken; er stond tegenover dat Adenauer het hijsen van de vlaggen voor de beurshallen, waar Hitler werd verwacht, toestond.

In 1934 wees Adenauer de nationaal-socialistische minister van Binnenlandse Zaken er op, dat hij daarmee tegen een decreet van de Pruisische SPD-minister van Binnenlandse Zaken was ingegaan. Dat was nadat Adenauer in 1933 het ambt van Oberbürgermeister van Keulen verloren had en in de abdij van Maria Laach onderdak had gevonden. De tijd tot het einde van de nazi-heerschappij zat Adenauer uit als gepensioneerde, hij werd keer op keer lastig gevallen door de nazi’s, maar financieel zat hij er droogjes bij en in de juridische strijd om schadeloosstelling had hij door de bank genomen succes.

In mei 1945 was hij weer terug. De Amerikanen zetten hem opnieuw als Oberbürgermeister van Keulen in, maar Keulen werd deel van de Britse bezettingszone en de Britten gooiden hem er weer uit. Hij zou zich niet genoeg voor de bevoorrading van de bevolking ingezet hebben.

Onvermijdelijk leider van de Bondsrepubliek

Als ambteloos burger concentreerde Adenauer zich nu op de opbouw van een politieke partij. In 1946 nam hij de leiding van de CDU in de Britse bezettingszone. Doelbewust bouwde hij zijn positie uit. Carlo Schmid (SPD) noemde hem “de eerste man van de te scheppen staat, nog voordat die bestaat”. En dat werd hij inderdaad. De Bondsdag koos Konrad Adenauer op 15 september 1949 als eerste bondskanselier van de pas opgerichte Bondsrepubliek Duitsland – met een meerderheid van slechts één stem, die van Adenauer. Dat was het begin van een lang tijdperk. Nog driemaal, namelijk in 1953, 1957 en 1961 werd hij herkozen, schijnbaar alternativlos in zijn tijd.

Het zwaartepunt van zijn kanselierschap lag voor Adenauer bij de internationale betrekkingen.

Het waren jaren van beslissende keuzes. Reeds voor zijn verkiezing had Adenauer Bonn als provisorische hoofdstad doorgedrukt. Uit electorale overwegingen zette hij zich er voor in dat West-Berlijn geen volwaardige deelstaat werd. Hoezeer Adenauer al het andere ondergeschikt maakte aan de politiek, blijkt bijvoorbeeld uit een voorgenomen bomaanslag tegen de bondskanselier in 1952. Afzender van de bom was de joodse ondergrondse organisatie Irgun, opdrachtgever zou de latere Israëlische premier Menachem Begin zijn geweest. De wezenlijke feiten kende men in Bonn. Ze werden echter geheim gehouden om antisemitische reacties te voorkomen.

Hoe dan ook was het buitenlandbeleid voor Adenauer het zwaartepunt van zijn kanselierschap. Van 1951 tot 1955 was hij zelfs tegelijk bondskanselier en minister van Buitenlandse Zaken. Nauwe banden met het Westen, in het bijzonder met de Verenigde Staten, en een verenigd Europa waren zijn voornaamste doelen. Mijlpalen hierin waren de oprichting van de Bundeswehr, de toetreding tot de NAVO, de erkenning als enige legitieme regering van Duitsland, het Duits-Franse Vriendschapsverdrag (beter bekend als Élysée-verdrag) en de verzoening met Israël.

Voor het oordeel van de publieke opinie bleef zijn grootste prestatie echter de terugkeer  van de krijgsgevangen uit de interneringskampen van de Sovjet-Unie. Adenauers bereidheid om ook mensen die ten tijde van het nazi-bewind een ambt hadden vervuld in overheidsdienst te nemen, kwam hem daarentegen naderhand op heftige kritiek te staan. Tegelijkertijd voer hij een stramme koers tegen communisten, dwong hij een verbod van de KPD af en eiste hij per ‘Adenauer-decreet’ trouw aan de grondwet van overheidsdienaren.

In 1961 werd Konrad Adenauer nog eenmaal als bondskanselier verkozen (foto: Bundesarchiv).

Zijn laatste verkiezing tot bondskanselier kon hij in 1961 alleen met de belofte veiligstellen, dat hij voor het einde van de zittingsperiode van de Bondsdag plaats zou maken voor een opvolger. Het publieke debat over de Spiegel-affaire, waarin journalisten van weekblad Der Spiegel met rechtsvervolging wegens landverraad te maken kregen, bespoedigden Adenauers afscheid van de regering. In 1963 trad hij af, de 87-jarige bondskanselier stond toen inmiddels bekend als ‘Der Alte’.

Tot het einde van zijn leven bleef hij politiek actief en strijdlustig. Zes dagen voor zijn dood verbreidde zich een prematuur bericht over zijn overlijden. Dit leidde tot wereldwijde betuigingen van deelneming. Adenauer zal er nota van hebben genomen. De eerste bondskanselier van Duitsland stierf op 19 april 1967 op de leeftijd van 91 jaar in zijn huis in Rhöndorf.

Posted on

Poolse regeringspartij wil Duitse verleden van Breslau wegmoffelen

Breslau (in het Pools Wroclaw) is dit jaar de Culturele Hoofdstad van Europa en presenteert in dat kader ook haar Duitse cultureel erfgoed en geschiedenis. Dat is echter tegen het zere been van de gemeenteraadsfractie van de nationaal-conservatieve partij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS).

“Duitsland moet eens en voor altijd het verlies van Breslau aanvaarden”, zo schrijft de fractie opgewonden aan de burgemeester. De nationaal-conservatieven storen zich er onder andere aan dat er aan het raadhuis van de stad geen Poolse vlaggen wapperen, die zou bij Duitse toeristen tot “verkeerde conclusies” kunnen leiden, zo vreest PiS. Als het aan de fractie ligt, worden de  uit Breslau afkomstige ontvangers van de Nobelprijs ook niet langer als ereburgers van de stad geëerd, dat zijn namelijk stuk voor stuk Duitsers. Ook moet de straat die naar Wilhelm Grapow (zeg: Grapoo), de architect van het negentiende-eeuwse hoofdstation, vernoemd is, hernoemd worden, want ook dat was een Duitser. De Poolse minister voor Cultuur en Nationaal Erfgoed wil op zijn beurt de Breslauer Opera omdopen tot Nationale Opera.

Aan het raadhuis van Breslau hangen tot ergernis van de PiS-gemeenteraadsleden geen Poolse vlaggen.
Aan het raadhuis van Breslau hangen tot ergernis van de PiS-gemeenteraadsleden geen Poolse vlaggen.

Rafal Dutkiewicz, de onafhankelijke burgemeester van Breslau, heeft weinig op met de verzoeken van de PiS-fractie. Het Duitse erfgoed is een belangrijke toeristentrekker.

563px-Curzon_line_en.svgBreslau is de belangrijkste stad van Silezië en was de hoofdstad van de Pruisische provincie Neder-Silezië. In 1871 was Breslau na Berlijn en Hamburg de derde stad van Duitsland. Met zo’n 633.000 inwoners is het momenteel de vierde stad van Polen. Silezië hoorde bij Duitsland tot het na de Tweede Wereldoorlog door de Conferentie van Potsdam aan Polen werd toebedeeld. Het overgrote deel van de Duitse bevolking werd verdreven, alleen uit Neder-Silezië werden al zo’n 1,7 miljoen Duitsers verdreven. In de gebieden die Duitsland aan Polen verloor, werden Polen uit de gebieden die na de oorlog aan de Litouwse, Wit-Russische en Oekraïense Sovjet-republieken toevielen gevestigd. Dat kon echter niet verhinderen dat de gebieden nog enkele decennia sterk onderbevolkt zouden zijn. In Silezië bevindt zich nog altijd een concentratie van de kleine Duitse minderheid in Polen. Ook identificeert een deel van de inwoners zichzelf niet als Pool, maar als Sileziër.