Posted on

“In gelul kun je niet wonen”. Het naïeve ideaal van een gemeenschappelijk huis

Bas Heijne, columnist en schrijver, is een scherp observator van sociale ontwikkelingen in ons land. In NRC Handelsblad schrijft hij wekelijks een lezenswaardige column over vooral de eigenaardigheden in stad en platteland. Heijne, net geen babyboomer, ziet namelijk overal tegenstellingen. Tussen stedelingen en dorpelingen, tussen hoog en laag opgeleid, tussen rijk en arm, tussen kosmopolitisme en nationalisme, tussen gevestigden en buitenstaanders (zoals Norbert Elias dat in de vorige eeuw zo treffend omschreef).

Onlangs verscheen van de Amsterdammer een klein boekje over de ‘erfenis van Gandhi, King en Mandela’, met als titel Wereldverbeteraars. Heijne onderzoekt in dit essay wat de idealen van de drie genoemde leiders kunnen betekenen voor onze huidige tijd. Een tijd die Heijne, in navolging van de Britse schrijver Pankaj Mishra, labelt als één vol van ressentiment, van groepsdenken, van woede, van tegenstellingen. Filosofisch duiden beide essayisten ons tijdsgewricht als een reactie op en afkeer van het Verlichtingsdenken. Mishra ziet “een zekere spanning en tegenspraak in het idee van de emancipatie van het individu”, het gelijkheidsideaal van de Verlichting. Want hoe los je de spanning op tussen de emancipatie van individuen en het vormen van een gemeenschap? Een spanning die volgens de auteurs de afgelopen eeuwen alleen maar is toegenomen, nu het Verlichtingsideaal universeel is geworden en iedereen modern is.

Die vaststelling is een handige zet van beide auteurs. Deels klopt het natuurlijk. We kennen allemaal de fameuze ‘Kloof van Lessing’, die stelt dat wij, moderne mensen, nooit meer kunnen denken als iemand die bijvoorbeeld in de Middeleeuwen leefde. De premoderne denkwereld is voorgoed afgesloten. En als we in de stoel van de tandarts liggen prijzen we de technologische vooruitgang. Maar aan de andere kant kunnen de auteurs door hun vaststelling voorbijgaan aan het feit dat er groepen mensen zijn die helemaal geen boodschap hebben aan het moderne denken. Die voor hun doeleinden handig gebruik maken van alle technologische middelen die de moderniteit biedt, zoals vliegtuigen, internet, smartphones en ingrediënten voor verwoestende bommen, maar in hun denken diametraal tegenover het Verlichtingsdenken staan. Een paradox die de Britse auteur V.S. Naipaul in zijn reisboeken over het Midden-Oosten en India al eerder constateerde.

Want hoe definieer je modern? Als een filosofisch denkraam van waaruit het individu de wereld beschouwt? Of als een maatschappij die technologische vooruitgang omarmt? Maar Heijne gaat, in navolging van collega Mishra, voorbij aan deze vraag, en stelt unverfroren dat de tegenstelling – alweer! – gaat tussen het geëmancipeerde individu en de gemeenschap. En hij trekt vervolgens de conclusie dat de moderne (!) reactie hierop “terugvallen op een groepsidentiteit” is. Heijne gebruikt zelfs het ‘verdachte’ woord “identitaire groep” om deze, in zijn ogen, slechte ontwikkeling te duiden. Want je opsluiten in een eigen groep betekent je afsluiten van de wereld. En dat is slecht, aldus Heijne.

De essayist noemt ze niet bij naam en het is aan de lezer om deze zelf in te vullen: de identitaire groep. Bij een progressief schrijver als Heijne denk je dan al snel aan ‘boze, blanke burgers’. Maar de kosmopolitische bewoner van de grachtengordel behoort net zo goed tot een identitaire groep. Net als de salafistische moslim. Net als de zwarte, politiek bewuste migrant uit Afrika. Maar door het bewust gebruik van het woord ‘identitair’ framet Heijne de besloten groep tot één die zich voor de lezer al snel beweegt in het rechtse, nationalistische en conservatieve kamp. Dagblad Trouw, dat een voorpublicatie van het boekje van Heijne afgelopen zaterdag plaatste, doet daar nog een schepje bovenop en plaatst bij het stuk alleen foto’s van woedende burgers bij een inspraakavond over een te vestigen azc. Lekkere hapklare brokken voor de progressieve lezer.

Gandhi, hier met de latere Pakistaanse leider Jinnah, kon zijn ideaal van een gemeenschappelijk huis in eigen land niet waar maken.

Tegenover deze groepen plaatst de auteur het gedachtegoed van Gandhi, King en Mandela (in een vervolg op dit boekje zal ongetwijfeld die andere heilige van progressief seculier Nederland worden bijgevoegd, Obama). Volgens Gandhi is onze identiteit als een huis, waar vele mensen van diverse afkomst samen kunnen leven. De tragiek van de Indiase geweldloze activist is natuurlijk dat zijn eigen geboorteland dat idee niet kon waarmaken. Net zo goed als de erfenis van Martin Luther King ten onder ging in het geweld van Black Power en de Regenboognatie van Nelson Mandela een nachtmerrie van moord en corruptie is geworden. De idealisten die Heijne laat opdraven om zijn ideeën over de toekomst van Nederland en de wereld daarbuiten vorm te geven, laten tegelijk zien hoe naïef zijn wereldbeeld is. Want wat doe je als je imaginaire huis wordt overvallen, volstroomt met mensen die bezit nemen van alles dat je lief is? Die je huis in de brand steken en proberen op te blazen? Die geen boodschap hebben aan de huisregels? Praat maar eens met mensen in een gemiddelde volkswijk, Bas, voordat je een doorwrocht intellectueel essay schrijft. Het is toch opmerkelijk dat iedereen een groep mag vormen, behalve autochtone Nederlanders buiten de Amsterdamse grachtengordel.

Ironisch is dat een paar pagina’s na de voorpublicatie uit het boekje van Heijne Trouw een recensie plaatst van het boek Het Huis van de Regering (what’s in a name?). Dat gebouw werd door de Sovjet-autoriteiten tien jaar na de revolutie gebouwd om de voorhoede van de communisten te huisvesten. “De appartementen werden het thuis van burgers met verdiensten voor de revolutie, staats- en partijfunctionarissen, militairen, geleerden, modelarbeiders en andere zorgvuldig geselecteerden met hun gezinnen.” Weer tien jaar later waren veel van die gezinnen verdwenen, slachtoffers van de zuiveringen onder Stalin. Daarna kwam de oorlog met nazi-Duitsland, die ook het leven eiste van een groot aantal bewoners. De utopische grootheidswaanzin van de bouw van zo’n huis laat zien waar de idealen van de Verlichting, van de moderniteit, toe leiden: controle, terreur, moord. Niet toevallig begon de politieke Verlichting met dit drietal. En de dromen van dat andere drietal, die uit de titel van het boekje van Heijne, leidden eveneens tot dezelfde nachtmerrie.

Want de ideeën van de drie wereldverbeteraars zijn niet alleen grenzeloos naïef in een wereld waar macht en het streven daarnaar leidend zijn, ze leiden ook tot gruwelijke ongelukken. “In gelul kun je niet wonen”, zei de laatste echte arbeider in de sociaaldemocratische beweging ooit. Dat weten ze buiten de Amsterdamse ring, dat weten ze in de voormalige Sovjetunie, en dat beseft Bas Heijne binnenkort hopelijk ook.

Posted on

Toenadering tussen kernmachten India en Pakistan terwijl alles op scherp staat

India en Pakistan verkeren sinds hun oprichting in augustus 1947 in vijandschap met elkaar. Beide staten beschikken over talrijke tactische en strategische kernwapens. Deze combinatie bergt het gevaar van een nucleair conflict in zich, maar zou ook islamitische terroristen in de hand kunnen spelen.

Terwijl de wereldpers in de afgelopen jaren vooral aandacht had voor militaire investeringen van landen als Rusland en China, heeft India in alle stilte een indrukwekkend arsenaal van de meest uiteenlopende wapens opgebouwd. Zo beschikt New-Delhi nu onder andere over 10.500 pantservoertuigen, 2600 vliegtuigen en helikopters, 2400 stukken geschut en raketwerpers en een kleine 200 oorlogsschepen – waaronder de meest moderne schepen van eigen makelij.

Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de 'Cold Start'-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo'n USD 50 miljard.
Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de ‘Cold Start’-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo’n USD 50 miljard.

Deze krijgsmacht kan ingezet worden in het kader van de ‘Cold Start’-doctrine, die een reactie op herhaalde terreuracties van Pakistaanse extremisten inhoudt. Deze doctrine gaat uit van een situatie waarin India niet alleen aangevallen wordt door reguliere Pakistaanse troepen, maar ook met grootschalige aanvallen van islamitische rebellen te maken krijgt, waarachter dan de Pakistaanse geheime dienst zou zitten. Een dergelijk offensief zou binnen 48 uur door tegenaanvallen van meerdere tegelijk oprukkende contingenten beantwoordt moeten worden.

Door het uitlekken van deze doctrine voelde Pakistan zich op zijn beurt bedreigd, waarop de Pakistaanse legerleiding dan ook tegenwierp dat wanneer India daadwerkelijk het islamitische buurland binnen zou vallen, men haar gevechtseenheden met inzet van tactische kernwapens zou vernietigen.

Dat is een gevaarlijke, zelfs suïcidale strategie, die twee dodelijke risico’s inhoudt. Ten eerste zou de inzet van dergelijke kleine springkoppen – in 1999 ingevoerd door generaal Pervez Musharaf, die later president zou worden –  wier explosieve kracht hoogstens een tiende van de Hiroshima-bom bedraagt, tot nucleaire besmetting van grote delen van Pakistan leiden. Naar inschatting van de Indiase deskundige Jaganath Sankaran, werkzaam voor het Amerikaanse Center for International and Security Studies, zou Pakistan om de Indiase strijdkrachten werkelijk tegen te houden ook grotere kernwapens in moeten zetten, waarbij dan onvermijdelijk ook honderdduizenden Pakistaanse burgers om zouden komen.

Ten tweede zijn er de veiligheidsproblemen, die nu al, in vredestijd, voor algemene onrust zorgen. Een groot aantal, decentraal opgeslagen kleinere kernwapens is immers moeilijker te bewaken als een paar grote – zeker aangezien er geen veiligheidscodes nodig zijn om de wapens op scherp te zetten, zoals het geval is bij de Amerikaanse en Russische kernwapens.

Het zou voor islamitische terroristen dus al interessant zijn om één nucleair wapendepot te bestormen. Dat zou verder vergemakkelijkt kunnen worden door het feit dat een deel van de Pakistaanse militairen sympathiseert met de Taliban en andere jihadistische groeperingen.

Hoe dan ook hebben de beide landen zich met hun respectievelijke plannen in een bedreigende situatie gemanoeuvreerd. En dat verklaart dan weer de toenaderingspogingen in de afgelopen maanden tussen de twee aartsvijanden. Zo vond op 25 december een buitengewoon harmonieuze ontmoeting plaats tussen de Indiase regeringsleider Narendra Modi en zijn Pakistaanse ambtsgenoot Nawaz Sharif. Die ontmoeting werd dan ook al snel gevolgd door een aanslag van de islamitische terreurmilitie Jaish-e Mohammed op de Indiase luchtmachtbasis Pathankot. De islamisten hebben immers belang bij het voortbestaan van de spanningen op het Indisch subcontinent.

De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.
De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.

Tussen 1947 en 1999  voerden India en Pakistan vier oorlogen met elkaar. Driemaal ging het daarbij om het bezit van de betwiste regio Kasjmir in de Himalaya, en eenmaal om de onafhankelijkheid van het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh. In India zetten daarnaast aanslagen van Pakistaanse terroristen kwaad bloed. Zo pleegde Jaish-e Mohammed op 13 december 2001 een aanslag op het Indiase parlement waarbij 14 mensen omkwamen en pleegde Lashkar-e Taiba in november 2008 een aanslag in Mumbai (Bombay) waarbij 174 doden en 239 gewonden vielen. Op basis van de militaire precisie waarmee vooral die laatste aanslag werd uitgevoerd en uitspraken van gevangengenomen terroristen, acht men in India de betrokkenheid van de Pakistaanse geheime dienst ISI waarschijnlijk. De ISI ontkent iedere betrokkenheid en wijst daarentegen op steun van de Indiase geheime dienst R&AW aan separatisten in de Pakistaanse zuid-westelijke provincie Beloetsjistan en betrokkenheid bij aanslagen op Pakistaans grondgebied.

Midden jaren ’60 wees de Indiase premier Lal Bahradur Shastri kernwapens nog als immoreel van de hand. Maar onder premier Indira Gandhi, dochter van Nehru, voltrok zich een koerswissel. Zo vond op 18 mei 1974 de eerste Indiase kernproef plaats. Dit bracht de Pakistaanse regeringsleider Zulfikar Ali Bhutto er toe ook naar kernwapenbezit te streven, wat in de loop van de jaren ’90 werkelijkheid werd.

Beide landen breidden in de afgelopen jaren hun kernwapenarsenaal steeds uit, zodat India nu over 110 springkoppen beschikt en Pakistan naar schatting over 150. Pakistan heeft bovendien nog dermate grote voorraden hoog verrijkt uranium en plutonium, dat het voor de hand ligt dat het land zijn arsenaal nog uit wil breiden. Ook nu beschikken de beide landen echter al over een groter kernwapenarsenaal dan het naburige China. Beide landen ontwikkelden ook diverse raketten om de kernkoppen af te leveren. Zo beschikt India over raketten die vanuit India op iedere plaats in Pakistan afgevuurd kunnen worden en vanaf onderzeeërs. Pakistan onderscheidt zich vooral door de tactische kernwapens, waartegen grondtroepen praktisch weerloos zijn.