Posted on

Woede – een gevolg van angst?

Laatst werd in een artikel in het RD een uitspraak aangehaald van Beatrice de Graaf, professor en specialiste in het terrorisme. Tijdens een debat met Adriaan van Dis in de Jacobikerk te Utrecht zou ze hebben opgemerkt dat woede voortkomt uit angst. De uitspraak had blijkbaar indruk gemaakt – ze werd gebruikt als titel. Gegeven haar christelijke achtergrond, is het vreemd als ze deze uitspraak inderdaad gedaan heeft. Wellicht heeft de verslaggever iets niet goed begrepen of uit het verband gerukt.

Woede is geen dierlijke instinctieve reactie op gevaar en geen uiting van een pathologische angst voor een niet werkelijk bestaande bedreiging. Met andere woorden, het is geen gevolg van angst. Woede is een rationele reactie op een duidelijk onrecht, waar bovendien anderen geen of onvoldoende aandacht voor hebben. Woede trekt aandacht en wil onrecht bestrijden. De mens heeft het recht om tegenover veronachtzaamd onrecht woedend te zijn, of eigenlijk: hij heeft de plicht.

Over woede is door denkers in de klassieke oudheid en door christelijke schrijvers veel nagedacht. Het verband tussen verstand, emoties en moreel handelen heeft altijd gefascineerd. Woede is binnen het driftleven van de mens de extreme tegenpool van begeerte. Immers, begeerte kan ontaarden in een dwang om egocentrische lusten te bevredigen, terwijl woede kan verworden tot zelfdestructieve agressie. Overigens, die twee extremen versterken elkaar; overgevoelige sentimentaliteit en erotiek gaan vaak samen met wreedheid en gewelddadige tirannie.

De relatie tussen de rede en het driftleven is belangrijk, met name tussen de rede en de woede. De rede moet begeerten beheersen, die voortkomen uit de lichamelijke natuur van de mens, oftewel uit ‘het vlees’. Maar de woede komt voort uit de rede zélf, ze hoort bij een rationele conclusie, terwijl vervolgens de rede de uitingen van woede niet alleen moet controleren, maar ook moet richten. Met name Romeinse stoïcijnen en Roomse scholastieken hebben uitgebreid hierover nagedacht. Met name binnen het christendom raakt dit onderwerp ook de discussie over de rechtvaardige oorlog en de doodstraf.

Woede als zodanig is in eerste instantie geen object van politiek, maar van het persoonlijke morele leven en de vorming van een mens tot een verantwoordelijk handelend individu. Opvoeding is nodig voor een mens om rekenschap te kunnen afleggen voor zijn woorden en daden. Verstandelijke vorming én lichamelijke training zijn nodig om tot adequate en doeltreffende uitingen van woede te komen. Zelfbeheersing én doortastendheid moeten worden aangeleerd om de ‘juiste’ oftewel redelijke woede te doen ontstaan, proportioneel te houden en tot voltooiing te brengen.

Door haar nauwe band met de rede is de woede een toetssteen van de menselijke waardigheid. De woede kan een ultieme test zijn voor het natuurlijke vermogen van de mens om rekenschap af te leggen voor zijn daden. Woede roept ter verantwoording en is tegelijkertijd een antwoord. Ze getuigt van de waardigheid van de menselijke persoon en openbaart de noodzaak om rekenschap af te leggen, eventueel met inzet van eigen leven. Woede verwijst daarmee naar de onvermijdelijke en onontkoombare waarheden van het bestaan, die niet ontkend kunnen worden. Ze is de meest ‘transcendente’ drift.

Zo is te verklaren waarom de Kerk door de eeuwen heen nooit heeft willen ontkennen dat doodstraf de ziel tot het besef en de aanvaarding kan brengen dat ze rekenschap moet afleggen en de doodstraf kan ondergaan om haar waardigheid te herstellen. Dit standpunt komt dus voort uit de onverwoestbaarheid van de menselijke waardigheid, niet uit het ontkennen of uit de teloorgang daarvan (zoals de nieuwe versie van artikel 266 van de Katechismus van de Katholieke Kerk ten onrechte suggereert). Verder kan men ook inzien dat de uitspraak ‘religie is een oorzaak van oorlog’ niet klopt. Het is precies andersom: oorlog en collectieve oncontroleerbare uitingen van agressie hebben door de eeuwen heen vele zielen tot rede en religie gebracht. Oorlog is een oorzaak van religie. Juist in de areligieuze of antireligieuze conflicten van de laatste twee revolutionaire eeuwen, die miljoenen levens hebben geëist, bestaan veel voorbeelden van dit opmerkelijke verschijnsel.

Tenzij we aan de term een geheel andere betekenis geven, is het niet moeilijk in te zien dat woede in het geheel niet uit angst voortkomt. Angst en bangheid kunnen wel leiden tot tegennatuurlijke  irrationele karikaturen van woede, zoals agressie en vooral wreedheid. Ook onverschilligheid kan een verdekte vorm van angst zijn, een ultieme uiting van lafheid.

De stelling, dat woede een gevolg is van angst, kenmerkt een gedachtegoed dat zijn eigen uitgangspunten en hypotheses niet onderkent, oftewel een gesloten principeloos ‘paradigma’. Terwijl echte wetenschap altijd zijn eigen principes kritisch onderzoekt en toetst, en wijsheid altijd blijft vragen naar de ultieme zin van menselijk leven en sterven, doen en laten, en zelfs weten en niet weten, produceert een paradigma een totaal en volledig ideologisch geheel van conclusies die vaak verwarrend zijn en strijdig met elkaar. Om de chaos te vermijden en een eenheid te creëren moet dan dwang worden gebruikt – met name bureaucratische, immers het geschreven woord lijkt waarheden definitief en onomkeerbaar te maken, ook al zijn het leugens of absurditeiten.

Binnen het paradigma waarin woede uit angst voortkomt en niet uit de rede, is woede eerst een zonde, een verzet tegen de massa en de waarheid – een onrecht dat bestreden moet worden omdat ze het paradigma bedreigt. Dit vormde de basis van de totalitaire nationaalsocialistische (nazi-) staat en multinationale socialistische (sovjet-) staten van de 20e eeuw, die beide ontstonden als synthese, nadat als these en antithese het nationalisme en het internationale socialisme in de Eerste Wereldoorlog hun verleidelijkheid hadden verloren. Na de Tweede Wereldoorlog en de ineenstorting van het multinationale socialisme veertig jaar daarna was woede ineens geen schadelijke zonde meer, maar een zielige ziekte, een fobie.

Inderdaad, in het huidige ‘postideologische’ paradigma is woede en daarna de rede zélf een gebrek of een aandoening geworden. Ze moeten niet bestreden, maar genezen worden. De valse rechtvaardigheid heeft plaatsgemaakt voor een geperverteerde vorm van barmhartigheid. Alles wat aanspraak maakt op rationele argumenten mag worden vergeven en worden betiteld als fobie. Objectiviteit wordt als een kwetsende maar gelukkig geneesbare vorm van intolerantie beschouwd. Verantwoordelijkheid is dan irrelevant, volwassenheid en zelfstandigheid worden onnozele ideeën van een onvolwassen mensheid, of eventueel onnavolgbare idealen uit een mythisch verleden. Niemand hoeft nog volwassen te worden. De wereld wordt een universele buik waaruit niemand geboren hoeft te worden. Mensen verblijven en moeten blijven in een eeuwige kleuterschool, zonder fysiek geweld, maar bijeengehouden door een psychologische dwangmatigheid van commerciële verleidingen en ideologische indoctrinatie. Nog nooit in haar geschiedenis heeft de mensheid over middelen beschikt om zich in een dergelijke machtsstructuur op te sluiten. Het is nauwelijks mogelijk in deze tirannie een verworden patriarchaat te herkennen. De term matriarchaat lijkt me meer op z’n plaats.

Posted on

Wat is chaos? Een cultuur-filosofisch gesprek

Na eerder de vraag ‘Wat is cultuur?‘ uitgediept te hebben, voerden Wim van den Bergh van de Batavieren Podcast en uitgever en filosoof Tom Zwitser onlangs opnieuw een uitgebreid gesprek met elkaar. Nu vanuit de tegenovergestelde benadering: ‘Wat is chaos?’ Dit mede naar aanleiding van dingen die de Canadese hoogleraar psychologie en cultuurcriticus Jordan Peterson daar enige tijd geleden over zei op de conferentie van De Nederlandse Leeuw.

“De vraag wat chaos precies is”, aldus Zwitser “is heel interessant, want niemand heeft daar direct een beeld bij. Hooguit zou je kunnen zeggen: chaos is een gefragmenteerde orde of datgene wat eerst ordelijk in elkaar zat, maar versplinterd is of kapot is. En dat ervaar je als chaos. Maar chaos zelf? Wat kan chaos nou zelf zijn? Dat is eigenlijk veel lastiger.”

Het gesprek van zo’n anderhalf uur is hier te bekijken:

Tom Zwitser ~ Heerlijke platte wereld

 

Posted on

Vuurwerk is niet leuk

Een van mijn grootste angsten is dat secularisatie niet alleen geloof en kerk aantast, maar ook de alledaagse dingen in het leven. Geloof het of niet, maar de discussie over vuurwerk is door en door geseculariseerd en keert zich tegen het diep menselijke aspect van de beleving van Oud en Nieuw. De argumenten tegen vuurwerk slaan wat mij betreft de plank mis, omdat weinig mensen in deze tijd kunnen peilen waarom er eigenlijk vuurwerk juist op dat punt in de tijd wordt afgestoken. Mensen die betogen tegen vuurwerk afsteken veronderstellen een lineaire tijdsdimensie, met andere woorden een geseculariseerde, platte tijd die niks anders is dan de voortgaande opsomming seconden, minuten, uren, zonder onderling verschil.

Dit blijkt vooral uit de argumenten die worden gebruikt, vuurwerk zorgt voor overlast, het is geldverspilling, slecht voor het milieu en huisdier. Zelfs christenen betogen dat vuurwerk afsteken een teken is van slecht rentmeesterschap, en dus zonde. Ook de jaarlijkse gewonden door ongelukken met vuurwerk worden aangedragen. Kortom, laat vuurwerk achterwege of laat het afsteken door professionals op een afgezonderd terrein, maar zorg er in vredesnaam voor dat Oud en Nieuw leuk is voor zoveel mogelijk mensen. Alsof Oud en Nieuw een moment is als ieder ander.

Het idee van vuurwerk is juist dat het past bij Oud en Nieuw omdat dit tijdstip een kwalitatief andere tijd is. Het tapt in een diepere tijdsdimensie, die niet zozeer chronologisch iets uitmaakt, maar wel de kwaliteit van het huidige moment verandert.

Nieuwjaarsduik bij Scheveningen (foto: Alexander Fritze)

En op zo’n moment breekt er een chaos door die alle orde en gevestigde regels op losse schroeven zet. De normale gang van zaken geldt niet meer, nu zijn er andere verhoudingen en regels. De straten zijn chaotisch met veel volk en overal wordt geknald. In de breuklijn van de kalender dringt een diepere tijd door, een tijd van overgang van de ene status naar een andere status, een liminale tijd. Dit wortelt diep in de menselijke tijdsbeleving, het is een fout om te denken dat deze chaos en plotselinge speling in alledaagse regels slechts fungeert als een soort veiligheidsventiel. Het komt voort uit de beleving dat tijd meer is dan het ene inwisselbare moment na het andere inwisselbare moment. Het moment van Oud en Nieuw is speciaal  en er is niets passender bij het moment om vuurwerk af te steken. Daarom is het fout om te betogen dat Oud en Nieuw, en in het bijzonder, vuurwerk afsteken leuk moet zijn voor ieder moment. Vuurwerk is niet leuk, het is chaotisch, gevaarlijk, ondermijnend.

In zijn boek A Secular Age behandelt Charles Taylor dit soort tijden, voornamelijk bij de viering van Carnaval. Daarin breekt de anti-orde sterker en duidelijker door. Naar analogie kunnen we ook deze liminale en chaotische tijdsperiodes terug herkennen in ontgroeningen bij studentenverenigingen, zelfs de examenstunt op een middelbare school wordt in een nieuw licht gezet door het besef van een diepere tijd. Oud en Nieuw met het bijbehorende vuurwerk valt ook onder dit soort tijden van een andere orde, juist omdat zo duidelijk wordt waar het fout gaat. Menselijk welzijn is de enige waarde die geldt, er is niks wat er tegenover staat en menselijk welzijn overstijgt. Het is te zien in de utilistische argumenten tegen vuurwerk. Vuurwerk moet leuk en ongevaarlijk zijn. Vuurwerk is niet leuk en het is niet ongevaarlijk. Het hoort bij een tijd van chaos die de bestaande orde onder een bedreigende spanning zet. Wie betoogt dat vuurwerk leuk en ongevaarlijk moet zijn  is bezig met domesticerende secularisering van de mens in zijn alledaagse leven.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on Leave a comment

De morele crisis van de consumptiemaatschappij

De beelden van plunderende en rellende bevolkingsgroepen in de straten van Londen, Birmingham en andere steden van Engeland, deden Europa even op haar fundamenten schudden. Hoe is het mogelijk dat in een welvarende staat als Engeland, dat zich bevindt in het hart van de westerse, vrije democratieën het zo uit de hand kan lopen? Één ding is glashelder; de westerse wereld is, ondanks haar liberale verworvenheden, zoals gelijkheid en (economische) vrijheid, verwikkeld in een morele crisis.

Geweldsexplosie
De vlam sloeg in de pan toen een agent de 29-jarige Mark Duggan, vader van vier kinderen, doodschoot. Een vreedzaam protest in de Londense wijk Tottenham tegen het politiegeweld escaleerde in een geweldsuitbarsting, waarbij honderden jongeren hun frustratie botvierden op de politie. Al snel verspreidden de rellen zich naar andere wijken van Londen; spoedig daarna ook naar de grote steden Birmingham en Manchester. Het eindresultaat bestond uit vijf slachtoffers en een schadepost van miljoenen euro’s.

De vraag hoe het zo uit de hand heeft kunnen lopen in Engeland wordt verschillend beantwoord. In de meeste reacties die volgden op de gebeurtenissen in Engeland wordt duidelijk dat de rellen dit keer niet afgedaan kunnen worden als protest van een gewelddadige minderheid of kansloze onderklasse. In de straten van Londen stonden geen protesterende immigranten die opkwamen voor hun politieke rechten, of werkelozen die maatschappelijk gezien in een uitzichtloze situatie verkeerden. Er was dan ook geen sprake van vernielingen aan overheidsgebouwen of politiek bolwerken. De relschoppers, of beter gezegd plunderaars, in Londen hadden het gemunt op winkels en commerciële instellingen. Met grof geweld werden winkels opengebroken en de nieuwste elektronische gadgets gestolen.

‘A broken society’
Vrij breed is men er van overtuigd dat we hier niet te maken hebben met een plotselinge uitbarsting van geweld, maar dat er een dieperliggend probleem ten grondslag ligt aan de rellen van afgelopen zomer. Dat de schrik er goed in zat blijkt wel uit de reactie van premier – Cameron, die voortijdig terugkwam van vakantie en sprak over een diep moreel verval van de samenleving. De conservatieve Cameron legde schuld voor de rellen vooral bij de burgers en hun gebrek aan persoonlijke verantwoordelijkheid. Hij typeerde de Engelse samenleving als een ‘broken society’, die gekenmerkt wordt door ‘onverantwoordelijkheid, egoïsme, kinderen zonder vaders, scholen zonder discipline, beloning zonder inspanning en rechten zonder verantwoordelijkheden’.[1] De sociaal democratische voorman Ed Miliband legde de zere vinger juist bij de grote kloof tussen arm en rijk. Volgens hem speelt die de Engelse samenleving parten.

Voorop moet gesteld worden dat er geen eenduidige verklaringen te geven zijn voor de rellen en de sociale onrust in Engeland. De groepen burgers die betrokken waren bij de rellen zijn te divers om enkel te spreken van een sociaal conflict, zoals de socialisten menen. Tegelijkertijd moeten we constateren dat het al langer broeide in de buitenwijken van Londen. Bij een relatief klein gedeelte van de Engelse bevolking heerst grote armoede. De Britse psychiater Theodore Dalrymple, die veel met deze groep in aanraking komt, spreekt zelfs over een onderklasse.[2] Het probleem is dat deze onderklasse slechte huisvesting heeft en dikwijls werkeloos thuis zit. Bovendien leeft deze groep samen in sterk geürbaniseerde gebieden. Zo telt alleen de stad Londen al de helft van het aantal inwoners in Nederland.[3]

Discrepantie
De grote vraag is of dergelijke rellen ook kunnen ontstaan in Nederland. Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) meent dat het zo’n vaart niet zal lopen, hoewel hij het ook weer niet uitsluit. Zijns inziens heeft het Verenigd Koninkrijk te maken met een aantal structurele sociale problemen, die niet of in geringe mate van toepassing zijn op Nederland. Deskundigen wijzen erop dat de verzorgingsstaat in Nederland een factor van betekenis is in het voorkomen dergelijke rellen. Het Nederlandse stelsel heeft namelijk een nivellerende werking. Met andere woorden, de kloof tussen rijk en arm is relatief klein.[4]

Hoewel Nederland dus niet te maken heeft met ernstige, structurele sociale problemen, heerst er wel degelijk onrust. In een opiniërende bijdrage in het Reformatorisch Dagblad wijzen twee onderzoekers op de discrepantie in het beleid van het huidige kabinet. Enerzijds wordt de bal vooral gekaatst naar de bevolking; dikwijls spreekt de overheid haar afschuw uit over morele misstanden, die vooral het gevolg zouden zijn van een te grote overheid. Anderzijds worden, in het kader van een kleine overheid, de handen van de samenleving afgehouden en komt de nadruk te liggen op eigen verantwoordelijkheid. Tegelijk geeft het kabinet een statement door repressief op te treden. In de woorden van de auteurs: ‘de democratische bewijslast wordt omgekeerd: niet de overheid ziet zichzelf genoodzaakt haar beleid te verantwoorden, maar legt de burger langs de morele meetlat.’[5] Deze politieke houding heeft consequenties. Als het in de praktijk immers bij gesproken woorden blijft en de daadwerkelijke misstanden uiteindelijk niet worden aangepakt, veroorzaakt dat onbegrip bij de burger.

De les die hieruit te leren valt, is dat burgerschap een tweerichtingsverkeer is. Van elke burger mag tenminste verwacht worden dat hij anderen niet tot last is. Nog liever zien wij burgers die zelf de verantwoordelijkheid nemen voor hun medemens die, op welke manier dan ook, buiten de boot dreigt te vallen. Tegelijk heeft de overheid de taak daartoe de juiste kaders te bieden. Dit kan eenvoudig door te wijzen op de rechten en plichten van haar onderdanen.[6]

De waarde van het gezin
Laten we terugkeren naar de casus-Engeland. Het probleem van Engeland, en impliciet ook van Nederland, gaat namelijk veel dieper. De hebzucht die tijdens de Engelse rellen duidelijk zichtbaar was, gaat de midden- en bovenklasse niet voorbij. Hebben we hier eigenlijk niet te maken met een zieke moraal? In de huidige consumptiemaatschappij staan individualisme en zelfontplooiing hoog in het vaandel. De wrange vruchten zijn egoïsme en nihilisme. Veel burgers zien alleen hun rechten en verzaken hun plichten. Oplossingen om (mogelijke) misstanden te voorkomen mogen daarom niet alleen gezocht worden in ‘meer banen, meer ontmoetingsplaatsen voor jongeren en meer jongerenwerkers’. De eerste hobbel die genomen moet worden, is van morele aard. Het onderscheid tussen goed en kwaad kan niet gedegradeerd worden tot een persoonlijke keuze, maar is ons door God Zelf aangereikt. Het morele tekort op de maatschappelijke balans moet daarom omgeslagen worden.[7] Concreet dient de politiek daarom de geborgenheid van het gezin te benadrukken en actief burgerschap te stimuleren.

Er wordt weleens lacherig over gedaan, maar het gezin is nog altijd de hoeksteen van de samenleving. In het gezin wordt het individu zowel moreel als sociaal gevormd. Het blijkt dat, waar liefde en geborgenheid in een gezin centraal staan, de leden voor zichzelf en tot elkaar beter tot hun recht komen.[8] In het natuurlijke gezin ligt de verantwoordelijkheid echter niet alleen bij de moeder, maar heeft de vader eveneens een taak. Ten onrechte wordt de positie van de vader vaak ondergewaardeerd. Man en vrouw vullen elkaar namelijk aan in een gezin; beiden zijn nodig. Een kind is gebaat bij het geduld van moeder, maar ook bij de duidelijkheid van vader.[9] Het toenemend aantal scheidingen en ontwrichte gezinnen verdient daarom de aandacht van de politiek. Een gezinsvriendelijk beleid is één van de nuttige kaders die de overheid kan bieden om kinderen in een veilige, vertrouwde omgeving te doen opgroeien. Een minister van Jeugd en Gezin, die oog heeft voor het belang van het gezin, is daarom geen overbodige luxe.

Een morele crisis
Na de economische crisis zijn het nu de rellen in Engeland die onze moderne maatschappij een spiegel voorhouden. Wat beide crises met elkaar gemeen hebben is de hang naar materialisme, zonder morele verplichtingen en verantwoordelijkheden. Ze zijn tekenend voor de morele crisis waarin onze consumptiemaatschappij zich bevindt.

In de moderne westerse cultuur ligt de nadruk op wat iemand bezit en niet op hoe iemand leeft. Geluk wordt meestal in verband gebracht met materieel gewin en genot. Het is de consumptiemaatschappij die de jongeren steeds meer ‘musthaves’ opdringt. Het roept ons dagelijks toe: ‘koop en geniet! Het goede leven kan op aarde bereikt worden’. Morele waarden en normen lijken hieraan ondergeschikt te zijn gemaakt. Het probleem van onze liberale samenleving is het uitgangspunt dat ieder vrij is om zijn of haar eigen geluk na te streven. Niettemin moeten al die individuen samen een samenleving vormen.[10] Wat als er geen hogere moraal is die de samenleving bindt? Waarschijnlijk staat het ergste ons dan nog te wachten. Terecht noemt Theodore Dalrymple de rellen ‘symptomatisch voor een maatschappij die snel uiteenvalt, voor een volk dat geen leiders en geen volgelingen telt, maar enkel nog egoïsten.’[11]

Het volstaat daarom niet om de relschoppers weg te zetten als criminelen. Wij maken zelf eveneens onderdeel uit van een cultuur van hebzucht en afgunst, die in beweging blijft door een onverzadigbare hang naar materialisme. De Engelse theoloog en apologeet C.S. Lewis laat in een van zijn belangrijkste werken zien waar de rotte plek zit in onze samenleving, namelijk in de hoogmoed en de afgunst. In onze competitiesamenleving, waarin we het altijd beter moeten doen dan de ander. Lewis merkt dan ook scherp op: ‘De Hoogmoed beleeft geen plezier aan het hebben van iets, maar aan het hebben van meer dan een ander’.[12] Helaas wordt ons dat ook nu nog met de paplepel in gegoten.

Gert-Jan van Panhuis MA & Johan van de Worp BA

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het studieblad Zicht. Het magazine  van het wetenschappelijk instituut van de SGP. http://www.wi.sgp.nl/Home/HomeNieuws_6030/16155.wlid


[1] G. Drosterij en R. Peeters, ‘Burger in de beklaagdenbank’, Reformatorisch Dagblad, 24 september 2011.

[2] Voor een uitgebreide analyse over de Engelse onderklasse, zie Theodore Dalrymple, Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse instandhoudt. Zijn stelling luidt in het kort dat het bestaan van de onderklasse eerder een keuze is dan een vorm van determinisme.

[3] De Volkskrant, ‘Britse rellen zullen niet snel overslaan naar Nederland’, 10 augustus 2011.

[4] Ibidem.

[5] G. Drosterij en R. Peeters, ‘Burger in de beklaagdenbank’, Reformatorisch Dagblad, 24 september 2011.

[6] Kernideeën, Politiek-filosofische uitgangspunten voor de SGP-jongeren (z.p., z. j.), p. 25.

[7] Jan Schippers, ‘Morele moed gevraagd’, De Banier.

[8] Partijprogramma SGP, verkiezingen 2010.

[9] G. de Jong, ‘Vaderschap heft geen status’. Interview met Rob  De Oogs september 2011.

[10] A.Th.van deursen, De geest is meer dan het lichaam. Opstellen over geschiedenis en cultuur (Amsterdam 2010) 230.

[11]Volkskrant, ‘Theodore Dalrymple: ‘Rellen Engeland zijn het loon van laf leiderschap’,12 augustus 2011

[12] C.S.Lewis, Onversneden christendom (Kampen 2002) 125.