Posted on

“Belasting is diefstal”

Het is ieders morele plicht zo weinig mogelijk belasting te betalen, vindt belastingadviseur Toine Manders.  “Er is geen principieel verschil tussen belasting en roof.”

‘De koning van de belastingontwijking’ wordt hij wel genoemd, of ‘belastingridder’ door het zakenblad Quote. Ruim twintig jaar hielp Toine Manders kleine en middelgrote ondernemers in Nederland met het behalen van fiscale voordelen in belastingparadijzen. In 2014 werd hij op Cyprus gearresteerd op verdenking van het leiden van een illegaal trustkantoor. Hij bracht drieënhalve maand door in voorlopige hechtenis. De HJC Group, waaronder het trustkantoor HJC Cyprus en het Haags Juristen College (HJC) in Den Haag, waaraan hij sinds 1994 verbonden was, hield op te bestaan. Na ruim vierenhalf jaar is het wachten nog steeds op een rechtszaak, en dus is er nog geen enkele schuld bewezen.

Met Nozick Consulting in Zoetermeer heeft Manders zijn werk weer opgepakt. Nog steeds helpt hij het midden- en kleinbedrijf met het zoeken naar ‘creatieve oplossingen die forse besparingen opleveren’.

Omdat Manders’ naam genoemd wordt in de Panama Papers werd hij vorig jaar verhoord door de Parlementaire Ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Fragmenten van zijn verhoor gingen viral op sociale media, en dan vooral het fragment waarin hij commissielid Renske Leijten van de SP de les las over de DDR-ideologie die hij bij haar meende te bespeuren.

Manders is meer dan een handige jongen die van belastingontwijking zijn beroep heeft weten te maken. Zijn werk is voor hem als een roeping. Als overtuigd libertariër streeft hij naar een zo klein mogelijke overheid en de afschaffing van alle belastingen. Om dit te bereiken, zet hij zich al sinds de jaren negentig in voor de Libertarische Partij (LP). Hij was voorzitter en politiek leider, en vertegenwoordigt de partij thans internationaal. Als vice-voorzitter geeft hij leiding aan de internationale koepel van libertarische partijen, the International Alliance of Libertarian Parties.

Een gesprek over onder meer postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, liberalen van de VVD die geen echte liberalen zijn, naamgenoot Toine Manders van 50Plus, de grijze draaischijftelefoon van de PTT, het Zwitserse bankgeheim, Amerikaanse robberbarons, de Europese Unie die belastingadviseurs dwingt ‘NSB’er’ te worden, de VS als ‘welfare-warfare-police state’ – en Nederlandse belastingambtenaren ‘zonder humor’en met ‘lange tenen’ die je zonder pardon in ‘een hok’ stoppen als je ze te slim af bent en de spot met ze drijft.

Belasting is diefstal. Hoezo? 

Je spreekt van diefstal als je eigendom je wordt afgenomen. Je spreekt van roof als dat gebeurt onder bedreiging van geweld. Er is geen verschil tussen belasting en roof. Want wat gebeurt er als de staat belasting heft? Dan wordt je eigendom van je afgenomen. Eerst krijg je een brief waarin je bevolen wordt geld af te staan, en als je daar niet op reageert, krijg je brieven die steeds dreigender worden. Als je dan nog steeds niet reageert, komt er iemand langs met het doel om spullen van je af te nemen. Als je die niet binnenlaat, dan komt hij terug met iemand die een pistool draagt of met twee mensen die een pistool dragen. Dan wordt er ingebroken in je huis en worden jouw spullen tegen jouw wil meegenomen. Als je je daar tegen verzet, ben je strafbaar en word je opgesloten in een hok. Als je probeert deze gang van zaken te voorkomen door geen aangifte te doen, dan ben je ook strafbaar, want op het niet doen van aangifte staat vier jaar gevangenisstraf. Dan kom je ook in een hok. Dat is dus hoe de staat aan haar geld komt.

U roept mensen op belasting te ontwijken, niet te ontduiken. Wat is het verschil? 

Belastingontduiking is het besparen van belasting door de wet te overtreden. Belastingontwijking is het besparen van belasting binnen de grenzen van de wet. Je maakt dan dus gebruik van de wettelijke mogelijkheden die er zijn. Denis Healey, voormalig Brits minister van Financiën, heeft gezegd: “Het verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking is de dikte van een gevangenismuur.” Ik heb die slogan vaak gebruikt tijdens mijn seminars. Maar inmiddels mogen we vaststellen dat ook als je wel degelijk binnen de grenzen van de wet blijft het toch kan gebeuren dat je aan de verkeerde kant van de gevangenismuur terecht komt. De staat heeft zich wat dat betreft een slechte verliezer getoond.

Voor u mag het verschil dan duidelijk zijn. Maar kennelijk zien het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) het anders. 

Dat zou betekenen dat er bij het OM en de FIOD hele eerlijke, nette, goed bedoelende mensen zijn, die oprecht dachten dat wat ik deed in strijd met de wet was. Maar ik denk niet dat dat zo is. Want er was geen bewijs en er is geen bewijs. We zijn na mijn ontvoering in januari 2014 inmiddels ruim vierenhalf jaar verder. Ze hebben tien FIOD-ambtenaren op een vliegtuig naar Cyprus gezet en alles platgelegd, computers, papieren, dossiers meegenomen, een aantal medewerkers als verdachten aangemerkt, zodat mensen bang werden en stopten met werken, en het bedrijf dezelfde dag nog werd gesloten. Ze hebben vierenhalf jaar de tijd gehad alle dossiers door te pluizen. Ze beschikken over alle cliëntengegevens, alle structuren die waren opgezet, verslagen van gesprekken die zijn gevoerd met meer dan tienduizend cliënten en potentiële cliënten. Maar tot de dag van vandaag is er nog steeds geen enkele cliënt en zelfs geen enkele potentiële client veroordeeld of überhaupt vervolgd voor belastingontduiking, witwassen of andere vergrijpen.

Velen zullen zeggen: het heffen van belastingen is volkomen legitiem, want zo hebben we het met elkaar afgesproken. Het is democratisch verankerd. Er is geen meerderheid in Tweede Kamer tegen belastingheffing.

Zo hebben we het met elkaar afgesproken? Dat hebben we helemaal niet zo met elkaar afgesproken. Ik heb die afspraak niet gemaakt. Kunt u zich herinneren die afspraak te hebben gemaakt? Het sociaal contract is een mythe, of beter gezegd, een leugen.

Het argument van de democratie, dat het democratisch is besloten, dat de meeste stemmen gelden, gaat ook niet op. Als je op straat twee rovers tegen het lijf loopt die zeggen: “We houden een verkiezing of je wel of niet beroofd moet worden”, en ze stemmen vervolgens met z’n tweeën voor, en jij stemt tegen, en ze zeggen dan: “Je hebt verloren, want de meeste stemmen gelden en we nemen nu jouw portemonnee af” – dan is het toch nog steeds niet gerechtvaardigd? En of die bende nu bestaat uit twee, tien, honderd of tien miljoen, het maakt voor het principe niets uit. Het principe is: Je mag niet iemands lichaam of eigendom schenden. Ieder mens heeft recht op zijn eigen lichaam en eigendom zolang hij geen inbreuk maakt op iemand anders lichaam of eigendom. De overheid schendt dat principe, op verschillende manieren, onder meer door belastingheffing en de militaire dienstplicht die nog steeds niet is afgeschaft. Ook al staat de meerderheid daar achter, dat maakt niet uit. Of iets democratisch besloten is, zegt helemaal niets over de rechtmatigheid van de daad.

Stel dat we in Nederland nog een stelsel hadden van referenda, en er zou een referendum worden gehouden over het belastingstelsel. Zou de meerderheid dan voor afschaffing stemmen?

Ik denk niet dat de meerderheid zou stemmen voor volledige afschaffing. Maar dat heeft een achtergrond.  De gemiddelde burger merkt weinig van hoge belastingdruk in Nederland. Dat komt doordat vrijwel alle belastingen worden geheven via de ondernemer, die dat maar moet doorberekenen in lagere lonen en hogere prijzen. Loonbelasting, sociale premies, BTW, accijnzen,  invoerrechten, enzovoort.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden een artikel las over de tien grootste ergernissen van de gemiddelde Nederlander. Bovenaan stonden de gemeentelijke belastingen. Ik was heel even verbaasd.  Maar toen viel het kwartje. Het is zo’n beetje de enige belasting die niet via de ondernemer wordt geheven, maar rechtstreeks bij de belastingbetaler zelf, waarbij hij jaarlijks een enveloppe aantreft op de deurmat, met daarin een brief waarin niet staat “U krijgt geld terug”, maar waarin staat “U moet geld overmaken”. Blijkbaar maakt dat een enorm psychologisch verschil.

Ik voorspel dat er een belastingopstand zou uitbreken als belastingen die nu via de ondernemer worden geheven van het ene op het andere jaar rechtstreeks werden geheven bij de burger zelf. Mensen zouden razend en ziedend worden. Nederland heeft net als de VS haar bestaan te danken aan een belastingopstand. Nederlanders hebben een tachtigjarige oorlog gevoerd vanwege de tiende penning, die de Spaanse bezetter ons had opgelegd. Dat was een soort BTW van 10 procent.

Dus stel dat alle belastingen direct werden geheven bij de burger en er dan een referendum zou worden gehouden over belastingheffing, dan denk ik niet dat we meteen naar nul zouden gaan, maar wel dat de belastingdruk extreem veel lager zou worden dan deze nu is.  De meeste mensen denken dat belastingheffing een noodzakelijk kwaad is en dat we niet zonder kunnen.

Hoe verklaart u dat mensen denken dat we niet zonder belastingen kunnen?

Dat komt door al die met belastinggeld gesubsidieerde scholen, universiteiten en media. We zijn van generatie op generatie naar staatsscholen gegaan, met leraren die iedere maand een salaris krijgen van de overheid, en ons daarom van jongs af aan hebben geleerd dat we heel blij moeten zijn dat we leven in zo’n prachtig land als Nederland, waar we van de wieg tot aan het graf worden verzorgd, met gratis onderwijs, gezondheidszorg, wegen, enzovoort.  Zoals het spreekwoord zegt: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.” 

In dictaturen mogen docenten zich verheugen in de bijzondere belangstelling van de machthebbers. Als je te overheidskritisch bent dan word je in het gunstigste geval ontslagen, en in het slechtste geval beland je in een kamp of onder de grond. Dat heeft een reden: docenten hebben een grote invloed op de publieke opinie, en dat is omdat ze les geven aan jonge mensen. Zolang mensen jong zijn, zijn ze heel plooibaar. Daar gebruiken machthebbers de stok, hier de wortel, en dat werkt veel beter: onze docenten zijn true believers.

Dat er nog geen belastingopstand is uitgebroken, zal er ook mee te maken hebben dat de overheid haar inkomsten aanwendt voor voorzieningen waar iedereen van profiteert, zoals onderwijs, gezondheidszorg en een wegennet. 

De tegenprestatie die de overheid levert, rechtvaardigt nog niet dat ze belasting heft. Het is en het blijft roof. Als we het argument serieus nemen, van “Je krijgt er toch iets voor terug?”, dan zou de melkboer ook ongevraagd melk bij je op de stoep kunnen zetten, en je een gepeperde rekening kunnen sturen, en dan kunnen zeggen: “U moet betalen, want ik heb u melk geleverd.” Een betaling mag je verlangen op basis van een overeenkomst, of als je schade is berokkend. Je kunt niet zeggen: “Ik heb geld nodig, dus u moet mij betalen in ruil voor een tegenprestatie die ik u ongevraagd lever.”

Nederlanders die moeite hebben met de hoge belastingdruk, zou voor de voeten geworpen kunnen  worden: Er is niemand die je verplicht in Nederland te blijven. 

Ja, je mag toch weg? Dat is een drogreden waar de meeste mensen intrappen. Als we dat argument serieus nemen dan zou de maffia op Sicilië ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet protectiegeld te betalen? We dwingen je niet om hier te blijven wonen.” Of dan zouden inbrekers in mijn huis ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet dat we je spulletjes meenemen? Je hoeft hier niet te blijven. Je mag weg.” Het punt is hier echter: die inbrekers zijn niet de rechtmatige eigenaren van mijn huis. Dat ben ikzelf. Dus ik hoef niet weg. Zij moeten weg. Zij hebben niets te zoeken in mijn huis. Idem dito voor de maffia op Sicilië. Zij zijn niet de rechtmatige eigenaren van Sicilië. Dus als zij een winkelier bedreigen voor protectiegeld, hoeft die winkelier niet weg. Die maffiosi moeten weg, want die hebben niets te zoeken in die winkel.

Onze huizen en winkels bevinden zich wel op het grondgebied van de Staat der Nederlanden.

De impliciete aanname van dat argument is dat de staat rechtmatig eigenaar is van alle grond, en dus alle regels mag maken op haar grond die ze maar wil. Maar dat is niet zo. De staat is nooit op een rechtmatige manier aan grond gekomen. De staat is ontstaan door roversbendes die door een gebied trokken. Die vielen een dorp binnen, de mannen werden vermoord, de vrouwen werden verkracht, het dorp werd geplunderd en in brand gestoken, en dan gingen ze door naar het volgende dorp. Totdat ze tot het inzicht kwamen: “Eigenlijk zijn we stom bezig, want als je eenmaal zo’n dorp veroverd hebt, dan kun je het toch beter gewoon bezet houden in plaats van iedereen vermoorden.” En dan dus niet eenmalig plunderen, maar structureel plunderen. Bij iedere oogst een deel van de oogst opeisen, en iedere keer als er iets verdiend wordt afpersen. Zo is het feodalisme ontstaan. De roverhoofdman werd de koning en de koning gaf zichzelf het recht belasting te heffen. Hij delegeerde de belastingheffing aan de adel en de adel stuurde mensen met zwaarden langs bij het gepeupel om belasting te heffen. Zo is de staat ontstaan. Op basis van roof. Wat ik dus tegen inbrekers mag zeggen, “Ik ga niet weg, jullie moeten weg”,  zou ik ook tegen de staat moeten kunnen zeggen.

U stelt dat het niet alleen moreel verwerpelijk is dat mensen gedwongen worden belasting te betalen, maar ook dat belastingheffing schade toebrengt. 

Zo is dat. Veel geld wordt uitgegeven aan dingen die beter überhaupt niet gedaan zouden moeten worden, zoals het voeren van oorlogen, het doden van onschuldige mensen in andere landen. De overgrote meerderheid van de libertariërs is non-interventionalist. Zij vinden dat een leger alleen mag verdedigen. Zij zijn mordicus tegen wat Amerika doet: het spelen van politieman van de wereld, soldaten sturen naar andere landen om even orde op zaken te stellen, terwijl het dan meestal een chaos wordt, zoals we hebben gezien in Irak en Libië.

In eigen land brengt de staat productieve mensen schade toe. Hoe productiever mensen zijn, hoe zwaarder ze worden belast, hoe meer ze wordt afgepakt. Wat de staat ook doet is een enorm leger van ambtenaren inhuren die voortdurend bezig zijn met het verzinnen van nieuwe regels. Het maakt voor hun niet uit dat de regeldruk al veel te hoog is. Zij zijn er voor ingehuurd om die regels te maken, dus vinden ze altijd wel iets om nieuwe regels voor te maken. Het is ook een soort vicieuze cirkel. Stap één is: de staat veroorzaakt een probleem door interventie. Stap twee is: politici en hun ambtenaren gaan nadenken over de oplossing van dit probleem. Ze vinden altijd wel een oplossing en die is eigenlijk altijd dezelfde: er moeten nog meer regels komen, want er waren er toch nog te weinig. De staat moet nog meer ingrijpen, nog meer uitgeven en er moeten nog meer ambtenaren komen. Samengevat: geef ons meer geld, geef ons meer macht, en dan lossen wij het probleem voor u op.

Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de trend bijna altijd: een grotere overheid, meer regels, hogere staatsuitgaven, meer ambtenaren. Maar problemen worden daarmee helemaal niet opgelost, ze worden alleen maar erger. Een jaar lang word je dus schade toegebracht, je wordt als een kind behandeld, er word je van alles verboden en je wordt overal toe verplicht, en vervolgens moet je je meesters ook nog eens precies gaan vertellen wat je hebt verdiend, en plus minus de helft aan ze afstaan voor de wederdienst, de tegenprestatie die ze je hebben geleverd. De Amerikaanse libertariër Lysander Spooner zei: “Wat de staat doet is nog erger dan een struikrover die jou berooft. De struikrover laat je met rust nadat hij je heeft beroofd. Na de beroving ben  je weer vrij. Hij schrijft je niet de wet voor, vertelt je niet wat je wel en wat je niet moet doen.”

Welke problemen veroorzaakt de staat volgens u?

De overheid voert bijvoorbeeld maximumhuren en minimumlonen in, verklaart cao-lonen algemeen verbindend of stelt minimumprijzen voor melk en boter vast. Wat krijg je dan? Een verstoring van de markt. Vraag en aanbod raken uit balans. Want wat gebeurt er bij een minimumprijs voor melk en boter? Mensen gaan minder melk en boter gebruiken, maar de boeren gaan juist meer melk en boter produceren, want ze krijgen er een mooie hoge prijs voor. Met het gevolg dat er een boterberg en een melkplas ontstaan, en deze uiteindelijk gedumpt worden in de Derde Wereld.

Er is ook een enorme boete op lonen, op arbeid. Daardoor houden mensen zo weinig over. De staat zegt dan: “Jullie zijn zo zielig, jullie hebben zo weinig geld om van te leven, weet je wat? We voeren een minimumloon in en verklaren de cao-afspraken algemeen verbindend.” Het gevolg daarvan is niet alleen dat die mensen meer geld overhouden. Het gevolg is dat ze werkloos worden. Want op het moment dat iemand door de hoge belastingen het minimumloon niet kan waarmaken, een werknemer meer kost dan oplevert, dan wordt hij eenvoudig niet aangenomen.

Niet alleen overschotten, ook tekorten worden per definitie door de overheid veroorzaakt. Woningnood ontstaat doordat de staat maximumprijzen vaststelt. De wachtlijsten in de zorg ontstaan door maximumprijzen voor de zorg.

U heeft in een lezing gezegd: “Het komt voor dat de staat wel dingen doet die nuttig zijn.” Hoe moeten die dan worden betaald? Niet uit belastingheffing?

De staat besteedt ons belastinggeld inderdaad ook aan nuttige dingen, zoals zorg, onderwijs, politie, rechtspraak, infrastructuur, defensie en telecommunicatie. Maar ook daarmee moet ze ophouden. Juist omdat het veel te belangrijk is om aan de staat over te laten. Laat ik het voorbeeld geven van telecommunicatie. Want dat is een terrein waar de staat toevallig een stap terug heeft gedaan. Ze  heeft haar monopolie beëindigd. Telecommunicatie is begonnen als particulier initiatief. De telegraaf en telefoon zijn particuliere uitvindingen. Telecommunicatiebedrijven waren particulier en concurrerend. Op een gegeven moment heeft de staat het gemonopoliseerd en concurrentie verboden. Dat remde de innovatie. U herinnert zich waarschijnlijk de grijze draaischijftelefoon? Die is in de jaren ’50 ontworpen. Sinds de jaren ’60 moesten alle Nederlanders die een telefoon wilden er verplicht eentje huren van staatmonopolist PTT. Toen het monopolie werd opgeheven, in de jaren ’90, hadden we nog steeds diezelfde telefoon, maar we mochten eindelijk ook een andere telefoon gaan gebruiken. Sindsdien hebben we een enorme inhaalslag gezien op het vlak van innovatie. Nu hebben we telefoons die in feite computers zijn en die meer kunnen dan de computer waarmee mensen naar de maan gingen in 1969. De kosten zijn ook dramatisch gedaald. Vroeger toen het monopolie nog bestond, betaalde je drie gulden per minuut om naar Amerika te bellen en 19 gulden naar Afrika of Azië. Dus als je emigreerde ging je er van uit dat je nooit meer gebeld zou worden door je familie, want dat was te duur. Nu kun je voor 1, 2 of 3 eurocent per minuut de hele wereld bellen, vaak zelfs gratis met Skype en andere services.

Ook op andere terreinen ziet u graag dat de overheid zich volledig terugtrekt?

Telecommunicatie is een voorbeeld van iets waarbij mensen met eigen ogen hebben gezien dat het beter kan zonder staatsmonopolie. Maar toch trekken ze dan niet de conclusie dat het ook wel eens zou kunnen gelden voor zorg, onderwijs en infrastructuur. Terwijl daar precies hetzelfde voor geldt. Toen ik begin jaren ’90 pleitte voor het einde van het monopolie op de telecommunicatie zeiden mensen: “Dat kan helemaal niet. Want bellen doe je via een lijn onder de grond en je gaat dan toch niet twee, drie, vier lijnen naast elkaar leggen? Het is een natuurlijk monopolie, en dat moet dan wel een staatsmonopolie zijn, want als een particuliere organisatie een monopolie krijgt dan kunnen ze vragen wat ze willen en worden we allemaal straatarm.” Zo denkt men dus nog steeds over monopolies. Als ik pleit voor het afschaffen van het monopolie op zorg, onderwijs of infrastructuur, dan zeggen mensen: “Belachelijk, dat kan helemaal niet.”

Je kunt toch wel kiezen naar welke school je kinderen gaan, welk ziekenhuis jou behandelt of wie jouw zorgkosten verzekert?

Dat klopt. Er is een heel klein beetje keuzevrijheid. Nederland is ook zeker niet het ergste land ter wereld. Er is onderzoek gedaan naar het niveau van economische vrijheid in 160 verschillende landen, en Nederland staat meestal in de top 20. Als je kijkt naar persoonlijke vrijheid, staan we zelfs in de top 5. Begrijp me niet verkeerd: Nederland is ziek. Maar de meeste landen zijn nog veel zieker dan wij. Maar dat we minder ziek zijn is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Als je ziek bent wil je gezond worden.

In hoeverre kan de staat zich terugtrekken? Politie, leger en rechtspraak zijn moeilijk voorstelbaar zonder overheid en belastingbetalers.

Dat is inderdaad voor veel mensen heel moeilijk te begrijpen. Voor libertariërs zijn dat ook de laatste staatsmonopolies waarvan ze afscheid willen nemen. Toch zijn die monopolies al voor een deel verdwenen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de rechtspraak, dan zie je dat heel veel bedrijven arbitrage met elkaar afspreken. Ze leggen contractueel vast dat als ze een geschil met elkaar krijgen ze dat niet voorleggen aan de staatsrechter maar aan een arbitragecommissie. Waarom? Omdat een zaak winnen bij een staatsrechter heel veel meer tijd en geld kost dan een zaak verliezen bij een arbiter.

U bent kritisch over de Europese Unie. Hoe past dat binnen de libertarische filosofie?

Tot circa 1992 was er een ontwikkeling van het wegnemen van barrières, het verlagen en afschaffen van invoerrechten en invoerquota. De slogan was: ‘Vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, vrijheid van vestiging’. Dat waren stappen in de goede richting. Rond 1992 was dat project grotendeels afgerond, maar in plaats dat de eurocraten zeiden: “Stuur ons naar huis”, zeiden ze: “Nu gaan we de volgende fase in.” Eerst kregen we de economische eenwording, nu krijgen we de politieke eenwording. We gaan harmoniseren: een minimumtarief invoeren voor de BTW, een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting. Dan is er dus geen ontsnapping meer mogelijk. Dan is het niet meer mogelijk om met de voeten te stemmen door in België te gaan wonen. De Nederlandse overheid en andere overheden van EU-lidstaten kunnen dan op belastinggebied niet meer met elkaar concurreren in het voordeel van hun eigen burgers. Het is dan een soort kartel geworden van belasting heffende politici.

We leven in een wereld met zo’n tweehonderd staten. Niet zo lang geleden, na de Tweede Wereldoorlog, waren het er tachtig. Ik zie dat als een vooruitgang. Hoe meer staten, hoe kleiner het grondoppervlak. Ideaal zou zijn als de grootste staat Liechtenstein was. Dat is nu de kleinste staat ter wereld, met 35.000 inwoners, maar ook de rijkste, gecorrigeerd voor koopkracht. Miniatuurstaatjes zoals Liechtenstein, Monaco, Luxemburg, Andorra, San Marino, Singapore en in zekere zin ook Hong Kong hebben met elkaar gemeen dat ze het heel goed doen. Ze scoren zwaar bovengemiddeld in alle internationale vergelijkingen. De mensen daar zijn vrijer, hebben een hogere levensverwachting en een hoger welvaartsniveau. Hetzelfde zie je bij de belastingparadijzen: Bermuda, de Kaaiman-eilanden, Jersey, Guernsey, Isle of Man.

Zie ook de VS. De federale overheid was daar tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw extreem klein. Je had daardoor vijftig staten die hevig met elkaar concurreerden. Daarom groeiden ze zo snel, werden alle uitvindingen daar gedaan, vertrokken alle mensen met talent naar Amerika. Daarvan is weinig overgebleven. Ruim honderd jaar geleden kwam de omslag. Amerika ontwikkelde zich van waarschijnlijk het vrijste land ter wereld tot een welfare-warfare-police state.

Zwitserland is ook een goed voorbeeld. Dat land telt 26 kantons, die met elkaar kunnen concurreren omdat de federale overheid heel weinig macht heeft, al begint dat de laatste drie jaar helaas wel te veranderen. Er zijn in Zwitsersland nog steeds kantons zonder erfbelasting en schenkbelasting, of waarbij het tarief voor de inkomstenbelasting lager wordt naarmate je productiever bent. Daarom zijn de Zwitsers nog steeds het rijkste volk ter wereld. Niet als je kijkt naar het inkomen per hoofd, maar wel naar het vermogen per hoofd.

Hoe kan het dat ministaatjes vrijer en welvarender zijn? Ligt de oorzaak werkelijk in het geringe grondoppervlak?

Stel je voor dat de wereld zou bestaan uit honderd miljoen miniatuurstaatjes. Dan wordt het makkelijker voor mensen om met hun voeten te stemmen. Als ze ontevreden zijn over de regel- en lastendruk waar ze wonen, dan is het makkelijk verhuizen naar een ander miniatuurstaatje een paar kilometer verderop waar de regel- en lastendruk lager is.

Mensen zien wel in dat concurrentie tussen bedrijven goed is, maar niet dat concurrentie tussen staten nog veel belangrijker is. Als staten met elkaar moeten concurreren dan is dat een rem op de macht van de politici. Concurrentie zorgt ervoor dat ze gedwongen worden hun tarieven en regeldruk te verlagen, om talenten en kapitaal te lokken in plaats van die te verjagen. Europa heeft in zevenhonderd jaar tijd een enorme voorspong gekregen op de rest van de wereld. De laatste tientallen jaren beginnen we die voorsprong in rap tempo te verliezen aan de Aziatische Tijgers Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. Hoe kan dat? Omdat Europa een lappendeken was van miniatuurstaatjes. Zo bestond Duitsland uit dertig staten. Italië uit een stuk of tien. Die concurreerden met elkaar.

U beschouwt de vrije markt als oplossing. Is daar nu juist geen overheid voor nodig? Om bijvoorbeeld kartelvorming en monopolievorming tegen te gaan?

De staat is juist zelf de übermonopolist en überkartelvormer. Als je kijkt hoe monopolies zijn ontstaan: de koning verkocht aan een handlanger een alleenrecht. Hij zei dan: “Vanaf  nu ben jij de enige die nog zout of peper mag importeren in mijn land. Alle concurrenten sluit ik voor je op in de gevangenis, maar je moet wel betalen voor dat alleenrecht.” Monopolies kunnen alleen maar ontstaan of standhouden door overheidsinterventie. Op de vrije markt zijn monopolies onmogelijk.

Op de vrije markt is het zo dat als een bedrijf binnen een bepaalde regio een gigantisch marktaandeel verovert, dat alleen maar kan door heel erg efficiënt te zijn en voor een lage prijs te werken. Want in iedere sector heb je een optimaal aantal aanbieders. We hebben bijvoorbeeld miljoenen bakkers in de wereld en we hebben maar tientallen autofabrikanten. Dat is omdat het miljarden kost om een auto te ontwikkelen. Voor een brood is heel wat minder geld nodig. Je kunt dus niet a priori zeggen: “Er moeten minimaal zoveel aanbieders zijn van een product.” Wat de optimale grootte is, is nu juist iets wat op de markt zal blijken. De consument wil een zo goed mogelijke auto of een zo goed mogelijk brood tegen een zo laag mogelijke prijs. De producenten gaan proberen marktaandeel te veroveren door te innoveren, door een steeds betere auto te bouwen tegen een zo laag mogelijke prijs. Of neem computers. Die worden steeds beter en steeds goedkoper. Omdat je daarmee je marktaandeel kunt behouden, vergroten of voorkomen dat het kleiner wordt.

Op een markt die werkelijk helemaal vrij is, kan een computerfabrikant alle andere computerfabrikanten opkopen en vervolgens de prijs flink omhoog gooien en de kwaliteit laten versloffen omdat hij met niemand meer hoeft te concurreren.

Ik ken die drogreden. Dat is een marxistische mythe. Je kunt alleen maar steeds groter worden door steeds efficiënter te worden. Als je te groot wordt en daardoor minder efficiënt wordt, en je kostprijs juist omhoog gaat omdat je bureaucratisch bent geworden, dan zul je juist marktaandeel gaan verliezen, want er zijn dan namelijk concurrenten die marktaandeel van je afsnoepen. Zelfs al zou je een natuurlijk monopolie hebben verworven, waardoor je de enige aanbieder bent geworden, bijvoorbeeld in het geval van een dorp dat zo klein is geworden dat maar één bakker de meest efficiënte oplossing is en twee bakkers niet efficiënt zouden zijn, dan betekent dat niet dat je daarvan misbruik zou kunnen maken. Want als je dat zou proberen te doen, dan is er altijd de latent aanwezige concurrentie. Want stel dat je een monopolie hebt bereikt en je denkt dat je de prijzen flink kunt verhogen en er met de pet naar kunt gooien, dan kom je er snel achter dat het zo niet werkt in de vrije markt. Want zodra je misbruik gaat maken van je monopoliepositie door een slechte service te leveren of een slecht product te bieden tegen een te hoge prijs, dan zul je merken dat er opeens een nieuwe bakker komt die marktaandeel van jou gaat afsnoepen.

Marxisten zullen dan tegenwerpen dat monopolisten nieuwe toetreders uit de markt kunnen drukken voordat ze in staat zijn geweest marktaandeel af te snoepen. Maar als bakker kun je eerst eens even offertes sturen aan alle grote klanten en zeggen: “Ik beloof dat ik een jaar lang brood zal leveren om acht uur ’s ochtends, voor deze prijs en van deze kwaliteit, maar dat doe ik pas als honderd mensen hebben getekend, eerder begin ik er niet aan.” Als dan honderd mensen hebben getekend heb je een gegarandeerde afzetmarkt, en de bakker die tot twaalf uur bleef liggen, en die zijn broden tien keer zo duur had gemaakt, zal er achter komen dat hij ten onder gaat. Want zelfs al zou hij zijn leven beteren, dan is hij te laat, want die ander heeft al zijn honderd getekende offertes liggen.

Vaak, als gewaarschuwd wordt voor monopolievorming, wordt gewezen naar personen als Rockefeller en Vanderbildt, die in het Amerika van de 19de eeuw kapitaal maakten. Ze zijn afgeschilderd als robber barons. Maar wat blijkt nou? Ze waren voortdurend bezig prijzen te verlagen. Doordat ze innoveerden, konden ze efficiënter werken, en daardoor konden ze prijzen verlagen en dat deden ze ook. Daardoor veroverden ze een groot marktaandeel en daardoor konden ze het ook behouden. Het klopt dus niet dat ze op een gemene manier marktaandeel hadden veroverd.

Amerikaanse spoorwegbedrijven hebben jarenlang hun prijzen moeten verlagen. Op een gegeven moment waren ze dat zo beu dat ze gingen lobbyen bij de federale overheid om een instantie op te zetten die de prijzen moest gaan reguleren. Dat was onder het mom van ‘in het belang van de consument’, want, zo zeiden, ze: “Het is toch belachelijk dat een pakketje versturen van New York naar Chicago goedkoper is dan een pakketje van New York naar Cleveland,dat veel dichterbij is?” De verklaring voor dat prijsverschil was echter dat er moordende concurrentie was op de spoorlijnen die van New York naar Chicago liepen. Toen die regulerende instantie er eenmaal was, gingen de prijzen omhoog.

Hetzelfde is gebeurd met de luchtvaartindustrie, die is de overheid ook gaan reguleren. Dat is onder president Jimmy Carter afgeschaft, met het gevolg dat vliegen opeens veel goedkoper werd. In Europa is dat ook gebeurd. Met het Open Skies Agreement is vliegen veel goedkoper geworden. In mijn kindertijd was vliegen nog iets voor rijke mensen. Nu vlieg je voor een paar tientjes naar de Middellandse Zee.

Over het vraagstuk van de staat en de vrije markt staan libertariërs en marxisten lijnrecht tegenover elkaar. Maar van een discussie lijkt het niet te komen.

Marxisten zijn inderdaad de tegenpool. Ik heb lang geleden een keer een debat gehad met een SP’er, maar die had het marxisme eigenlijk al afgezworen.

In Nederland zijn het de VVD en de SP die gezien worden als elkaars tegenpolen. 

Illustratief voor her verschil tussen die partijen vind ik het debat dat ze met elkaar voerden over de inkomstenbelasting. In 2012 was het marginale tarief voor de inkomstenbelasting 52 procent. De SP wilde het tarief verhogen naar 60 procent en de VVD wilde het verlagen naar 51 procent. Dat is dus marge waarbinnen de discussie in Nederland zich afspeelt. Wij staan als LP zover af van de status quo dat je er voor ons geen marxist bij hoeft te halen om een beetje vuurwerk te brengen in een discussie.

Er is een andere Toine Manders. Van de partij 50Plus. Die is erg verdrietig dat hij soms verward wordt met u. Hij heeft verklaard u asociaal te vinden.

Dat mag hij vinden. Ik vind het  jammer dat ik soms met hem verward word. Hij heeft laten zien een opportunist te zijn. Toen de VVD hem geen derde termijn gunde als europarlementariër stapte hij meteen over naar 50Plus. Ik ken hem verder niet. Ik heb me nooit in hem verdiept. Iemand die is overgestapt van de VVD naar de LP heeft hem ooit uitgenodigd om met mij in debat te gaan over liberalisme. Toen zei hij dat hij dat misschien nog wel eens wilde, maar voorlopig zeker niet.

In 2014 heeft de LP niet meegedaan aan Europese verkiezingen. Deel van de reden was dat ik achter de tralies zat. Ze hebben mij opgesloten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Dat was in januari 2014. In maart waren de gemeenteraadsverkiezingen en in mei de Europese verkiezingen. Even leek het erop dat twee mensen die Toine Manders heetten, zouden meedoen, ik namens de LP en hij namens 50Plus, maar daar is het dus niet van gekomen. 

Hoe plaatst u de LP in het links-rechts spectrum? De retoriek van anti-belasting en vrije markt zal velen uit de VVD-achterban aanspreken. Het idee van non-interventie de SP-achterban. De LP is ook voor het vrije verkeer van personen, het openstellen van de grenzen. Daar zal de GroenLinks-achterban van smullen.

Nolan-diagram

David Nolan, één van de oprichters van de Amerikaanse Libertarian Party, heeft gezegd: het politieke spectrum is geen links-rechts lijn. Het is tweedimensionaal. Op de linker-as heb je persoonlijke vrijheid en op de rechter-as economische vrijheid.

Mensen die links zijn, progressief of liberal, zoals ze dat in Amerika noemen, hechten weinig waarde aan economische vrijheid, maar ze zijn wel voor persoonlijke vrijheden. Ze zijn voor vrijheid van meningsuiting en godsdienst, voor een liberaler beleid op het gebied van drugs, prostitutie, pornografie en abortus.

Rechts, of conservatief, is de tegenpool. Zij willen meer economische vrijheid en dus een kleinere overheid als het gaat om de economie. Ze zijn voor lagere belastingen, minder regels, privaat eigendom, het tegengaan van staatsmonopolies. Maar als het gaat om persoonlijke vrijheid is het net andersom. Dan vinden ze dat de staat hard moet optreden tegen drugs, prostitutie, pornografie, godslastering, majesteitsschennis en het verbranden van de nationale vlag. Vaak ook zijn ze voor de militaire dienstplicht.

Helemaal onderin vinden we de communisten en fascisten. Die hechten aan geen enkele vrijheid enige waarde. Het individu moet volledig onderworpen zijn aan de staat. Als er mensen zijn die denken dat fascisten voor economische vrijheid zijn, een soort kapitalisten zijn, dan zeg ik: “Niets is minder waar.” In zowel fascistisch Italië als in Duitsland had de staat een enorme dikke vinger in de economische pap. Grootgrondbezitters of fabrieken werden niet onteigend, maar werden wel voor het karretje van de staat gespannen. Het was een geleide economie. De staat schreef voor wat die bedrijven moesten doen. Zo moesten ze zich voornamelijk inzetten voor de oorlogsindustrie.

Het centrum zien mensen als het toppunt van beschaving. Dan ben je gematigd, geen extremist, niet radicaal. Maar zoals je ziet, grenst het midden aan de communisten en fascisten. Dus zo mooi is dat midden helemaal niet. Voor het midden geldt dat er geen enkele vrijheid is die ze echt belangrijk vinden. Conservatieven zijn in elk geval nog voor een vrije markt, en liberals zijn tenminste nog voor persoonlijke vrijheden. Mensen die echt progressief, echt liberal zijn, zijn ook anti-oorlog. Dat veranderde in Amerika toen Barack Obama tot president werd gekozen. Toen vergaten ze ineens al hun anti-oorlogsideeën. Sindsdien zijn er niet zoveel echte liberals meer. De Democratische Partij in de VS is heel erg opgeschoven naar het centrum. Ze vinden geen enkele vrijheid nog echt belangrijk.

Bovenin het politieke spectrum vind je, wat we in Nederland noemen, de liberalen. De echte liberalen willen zowel meer economische als persoonlijke vrijheid.  Ze hechten aan beide vrijheden veel belang. Wat niet wegneemt dat er veel mensen zijn die zich liberaal noemen maar het niet echt zijn, omdat ze bijvoorbeeld voor een streng drugsbeleid zijn. Bij de VVD zie je dat ze zijn opgeschoven naar rechts-conservatief. Zo moet je voor de bescherming van de rechten van verdachten niet bij de VVD zijn, en ook niet voor een liberaal migratiebeleid. De VVD is dus maar tot op zekere hoogte wat de partij zegt te zijn: liberaal. Ze zitten op het grensvlak rechts-conservatief,  centrum en liberaal.

Waar vind je nou de libertariërs? Helemaal bovenin. Wij zijn heel erg liberaal, want wij willen 100 procent economische en persoonlijke vrijheid.

De liberale VVD-achterban zul je niet aanspreken met het openstellen van de grenzen. De achterban van die partij is heel erg gekant tegen immigratie.

De meeste libertariërs zeggen: “We zijn voor open grenzen, maar we erkennen tegelijk dat dit niet werkt in combinatie met het uitdelen van gratis geld, zorg, onderwijs en huizen aan immigranten. Dat zou in een libertarische samenleving niet kunnen.” Als je kijkt naar geschiedenis van de VS: tot in de jaren ’20 waren er nauwelijks immigratiebeperkingen. Er gingen mensen heen vaak zonder enige opleiding, soms zelfs analfabeten, maar niet om hun hand op te houden, maar om zichzelf productief te maken, een bestaan op te bouwen. Vaak met succes. Hun kinderen waren vaak veel welvarender dan zijzelf. Het was in een tijd dat de overheid extreem klein was, met name de federale overheid, die toen nog geen inkomstenbelasting mocht heffen. 

U heeft op BNR Nieuwsradio geadverteerd met de slogan ‘Belasting is diefstal’. Daar kwam in 2008 een einde aan. Waarom was dat?

Een anonieme persoon heeft een klacht ingediend omdat het spotje in strijd zou zijn met het goed fatsoen. De Reclame Code Commissie deed toen BNR de aanbeveling het spotje niet meer uit te zenden. Dat is Orwelliaanse newspeak voor censuur, want de Commissie pretendeert dat er sprake is van zelfregulering, dat media die reclame uitzenden zichzelf normen willen opleggen en zich daarom aansluiten bij de stichting Reclame Code. Maar de werkelijkheid is anders. De Mediawet verplicht zendgemachtigden lid te worden, en daarmee aanbevelingen te volgen. Het zijn dus geen aanbevelingen maar censuur. Alle zendgemachtigden houden zich er aan, want willen hun zendmachtiging niet verliezen.

We zijn in beroep gegaan tegen de aanbeveling. Ik heb bij het college van beroep betoogd dat de slogan niet in strijd kan zijn met het fatsoen, immers: de waarheid mag gezegd worden. Tot mijn verbazing werd de aanbeveling van Reclame Code vernietigd, omdat de commissie vond dat de slogan niet in strijd was met het fatsoen. Maar er kwam een andere aanbeveling voor in de plaats: de aanbeveling de slogan niet uit te zenden omdat deze in strijd zou zijn met de waarheid, want belasting is geen diefstal, en reclameslogans mogen niet in strijd zijn met de waarheid.

Hoe verklaart u dat u wel bent aangepakt, en niet de trustkantoren die multinationals nog steeds behulpzaam zijn met belastingontwijking in het buitenland?

Ik kan niet kijken in de hoofden van de FIOD- en OM-mensen. Ik kan alleen raden wat ze motiveert. Maar over het algemeen is het zo dat trustkantoren niet etaleren dat ze zich bezighouden met belastingontwijking. Op hun websites kom je het woord ‘belastingontwijking’ niet tegen. Überhaupt kom je daar weinig tegen over fiscaliteit. Ik daarentegen was altijd erg recht voor zijn raap. Ik gebruikte wel het woord ‘belastingontwijking’ op onze website en in brochures. Ik deed er zelfs nog een schepje bovenop met de slogan ‘Belasting is diefstal’. In interviews maakte ik ook geen geheim van mijn gedachtegoed. Ik zei dingen als: ‘De overheid is een criminele organisatie’, ‘Belasting is gelegitimeerde roof’, ‘De ondernemer is een onderdrukte minderheid’, ‘Belastingontwijking is een moreel recht en een morele plicht’. Dat vonden ze bij de fiscus ongetwijfeld niet leuk om te horen. Belastingambtenaren zijn meestal mensen zonder humor, met een goed geheugen en lange tenen. Als je daar eenmaal op getrapt hebt, dan vergeten ze dat niet. Ik waande mij veilig, want ik dacht: “Ik houd mij aan de regels, zij moeten dat ook doen, en dus zullen ze het wel doen.” Achteraf concludeer ik dat ik te naïef ben geweest. Zelfs ik heb mij nog vergist in de ongelooflijke slechtheid van de staat.

Nadat wij in 2001 waren begonnen met het aanbieden van HJC-trustdiensten, vanaf een nieuw kantoor op Cyprus, kwam er in 2004 een wet Toezicht Trustkantoren, maar die gold alleen voor trustkantoren met een zetel in Nederland. Daar viel dus HJC in Cyprus niet onder. De fiscus kon dus de informatie over mijn cliënten niet zomaar bemachtigen. Dat vonden ze waarschijnlijk heel vervelend. Dus hebben ze als oplossing bedacht: zware beschuldigingen uiten, ons een criminele organisatie noemen, zodat de overheid in Cyprus meewerkte, en ze alsnog de cliëntgegevens konden bemachtigen. 

U heeft, na uw aanvaring met de Nederlandse staat, een nieuw begin gemaakt met Nozick Consulting in Zoetermeer. Is dat een voortzetting van dezelfde activiteiten onder een andere naam?

Het is een belastingadvieskantoor voor de kleine- en middelgrote ondernemer, dat met name gericht is op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ondanks de reparatiewetgeving is het ons gelukt een nieuw product te ontwikkelen voor de kleine ondernemer, waarbij alle rechtspersonen van de bedrijfsstructuur zich in Nederland bevinden.

Het ontwijken van belasting via het buitenland is niet langer iets dat u uw cliënten adviseert?

Buitenlandse structuren bieden nog steeds een groter voordeel, maar de kosten zijn ook hoger. Als je een Nederlandse structuur kiest is het voordeel iets minder groot, maar de kosten zijn een stuk lager. Er komen steeds meer regels om belastingontwijking tegen te gaan. Die maken het niet onmogelijk, maar wel lastiger en duurder, waardoor het omslagpunt, de minimale winst die je moet behalen, hoger komt te liggen. Zodat de kleinste ondernemer afvalt. Alleen de grote en middelgrote ondernemers kunnen nu nog belasting ontwijken. Ik vind dat een treurige ontwikkeling.

Hoe kijkt u aan tegen de afschaffing van de dividendbelasting? Het zijn niet de kleintjes die daarvan profiteren.

Ik ben voor afschaffing van alle belastingen, dus ook voor die op dividend. Niet alleen om principiële, morele redenen, maar ook om pragmatische redenen. De dividendbelasting is een boete op investeren. Als een buitenlandse investeerder investeert in een Nederlands bedrijf, dan krijgt hij daar een boete voor, in de vorm dus van dividendbelasting. Engeland legt die boete niet op. Dus als je kunt kiezen als buitenlandse investeerder tussen investeren in een Engels bedrijf zonder boete en een Nederlands bedrijf met boete, dan zul je eerder kiezen voor het Engelse bedrijf. Dus als je die boete afschaft dan is dat natuurlijk gunstig voor het investeringsklimaat. Het aantrekken van buitenlands kapitaal is goed de voor de economische groei en de levensstandaard. Dus uiteraard ben ik daar voor.

Als je op korte termijn kijkt, zeg je misschien: “Die buitenlandse investeerders, die voordeel genieten van de afschaffing van de Nederlandse belasting op dividend, wat hebben wij daar mee te maken? We willen wat goed is voor het Nederlandse volk.” Dat is kortzichtig. Want dat buitenlandse kapitaal draagt juist bij aan onze levensstandaard.

De Nederlandse belastingbetaler ziet het als onrechtvaardig dat buitenlandse investeerders geen belasting hoeven te betalen.

Dat begrijp ik, en ik zou ook heel graag zien dat de belasting voor iedereen wordt verlaagd, niet alleen voor buitenlandse investeerders. Maar we moeten voorkomen dat we worden uitgespeeld tegen elkaar. Het is beter te zeggen: “Elke belastingverlaging is een stap in de goede richting, dus laten we ons niet verzetten tegen welke belastingverlaging dan ook.”

Ik ben het er verder niet mee eens dat in het geval van de afschaffing van de dividendbelasting een beperkte groep daar van profiteert, want als het investeringsklimaat verbetert dan profiteert uiteindelijk iedereen daar van in Nederland. Meer kapitaal betekent: meer machines, automatisering, innovatie en efficiency. Dat zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit en dus hogere lonen en een hogere levensstandaard. Werknemers kunnen zo steeds meer presteren in steeds minder tijd. De reden dat we niet meer zestig uur in de week werken, maar nog maar 35 uur is dat de arbeidsproductiviteit zo hard is gestegen doordat er meer kapitaal is gevormd als gevolg van een grotere economische vrijheid.

Hoe verklaart u dat de Nederlandse regering alleen buitenlandse investeerders belastingvoordeel gunt? De schatkist loopt er miljarden mee mis.

Kleine ondernemers hebben geen lobby. Grote bedrijven huren lobbyisten in en maken politieke vriendjes. Als een politicus geen politicus meer is, zoals Wim Kok, dan wordt hij commissaris bij Shell of een ander beursgenoteerd bedrijf. Gerhard Schröder tekende een contract met Gazprom, meteen nadat hij als politicus was uitgerangeerd. Dick Cheney, was minister van defensie onder Bush senior, en aansluitend CEO bij Halliburton, de grote defense contractor. Toen Bush junior werd gekozen, werd Cheney vice-president en ging hij lobbyen  om oorlog in Irak te voeren, waar Halliburton uiteindelijk een fortuin mee heeft gemaakt.

De overheid is een soort doping. Als je doping legaliseert heb je als sporter geen kans meer zonder doping. Zo ook met de overheid. Als je een groot bedrijf hebt, en je hebt een overheid die je kan maken of breken, die je subsidies kan geven of niet, die je privileges kan geven of niet – dan ga je dus lobbyen. Want als jij niet lobbyt en de concurrent wel, dan ga je uiteindelijk ten onder. Je moet vriendjes maken. Microsoft heeft heel lang niet gelobbyd, totdat ze miljardenclaim kregen wegens monopolievorming. Sindsdien zijn ze maar gaan lobbyen.

Wat ook speelt: grote bedrijven laten zich sterk leiden door regeldruk en lastendruk. Ze kunnen makkelijk met hun voeten stemmen, en zeggen: “We gaan ergens anders een nieuwe fabriek plaatsen of een nieuw hoofdkantoor.” Dus hebben politici er belang bij grote bedrijven te lokken, en niet te verjagen. Als je kijkt welke belasting is er verlaagd de afgelopen tientallen jaren, dan was dat met name de vennootschapsbelasting, van gemiddeld 48 procent in 1980 in de OESO-landen naar nu gemiddeld zo’n 23 procent. Nederland gaat deze belasting verlagen van marginaal 25 naar 21 procent. Niet zo lang geleden was dat nog 35 procent. Het is zelfs 45 procent geweest onder premier Joop den Uyl.

Nu blijkt Shell al een voorschot te hebben genomen op de afschaffing van de dividendbelasting. Het bedrijf heeft jarenlang geen belasting afgedragen. Met toestemming van de Belastingdienst. Hoe ziet u dat?

Shell heeft gedaan wat iedereen in Nederland mag doen: Je mag als belastingbetaler om een ruling vragen. Als je een brief schrijft met de vraag of jouw interpretatie van de belastingwetgeving juist is, dan is de belastinginspecteur verplicht daar antwoord op te geven. Hij hoort rechtszekerheid te verschaffen.

Shell had vroeger zowel in Nederland als Engeland een hoofdkantoor. In Engeland was geen dividendbelasting, in Nederland was die er wel. Ze wilden fuseren. Als ze dat hadden gedaan zonder afspraak met de fiscus te maken, dan zou dat betekenen dat investeerders in Shell Engeland door de fusie geconfronteerd zouden worden met de Nederlandse boete. Dan was de fusie niet doorgegaan. Dan hadden de aandeelhouders van de Engelse vestiging gezegd: “Dan maar geen fusie.” De Shell-top is toen naar de fiscus gestapt met het verhaal dat ze wilden fuseren en het hoofdkantoor in Nederland wilden vestigen. Shell heeft waarschijnlijk gezegd dat ze een mogelijkheid zagen de dividendbelasting te ontwijken en gevraagd om een handtekening als bevestiging dat de fiscus die structuur accepteerde en niet achteraf zou proberen die onderuit te halen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de oplossing die Shell had bedacht een illegale of strafbare oplossing was. Waarschijnlijk paste de oplossing binnen de grenzen van de wet.

Het probleem met rulings is wel vaak: Als je een structuur hebt die over de landsgrenzen heen gaat, als je Nederlandse belasting ontwijkt door inkomsten in het buitenland te laten vallen of vermogen in het buitenland op te bouwen, en je wilt daar een ruling over, dan krijg je die niet als kleine ondernemer. Dan zeggen ze: “Dat is fiscale grensverkenning. Daar werken we niet aan mee.” Als een multinational dezelfde ruling vraagt, dan krijgen ze wel een ruling. Maar zoals ik al zei: we hebben een nieuw product ontwikkeld, dat we binnen de Nederlandse grenzen houden, en dan kun je ook als kleine ondernemer vragen om duidelijkheid.

De postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, hoe ziet u die? De Nederlandse staat en de Nederlandse burger lijken daar niet echt wijzer van te worden.

Natuurlijk zou het geweldig zijn als Nederland een belastingparadijs was voor iedereen niet alleen voor doorstroomvennootschappen in het buitenland. Maar de Nederlandse staat en de Nederlandse burger worden er wel degelijk wijzer van. Trustkantoren in Nederland besturen ongeveer 10.000 doorstroomvennootschappen. Daarnaast heb je ook nog doorstroomvennootschappen die geen trustkantoor nodig hebben, en eigen personeel inzetten. Er gaat in die doorstroomvennootschappen ongeveer 10.000 miljard euro per jaar om. Daar wordt weinig belasting over afgedragen, maar toch evengoed nog een paar miljard per jaar. Want er zijn heel veel advocaten, belastingadviseurs, accountants en notarissen en trustkantoormedewerkers die daar een hele goede boterham aan verdienen, en daar belasting over betalen. De doorstroomvennootschappen mogen zo’n 99 procent van de winst aftrekken op de doorstroming. Maar ze moeten dus ook een percentage achterlaten in Nederland.

Wat de postbusfirma’s bijdragen aan de Nederlandse economie en aan belastinginkomsten opleveren is uitgerekend door een vereniging van trustkantoren, dus je kunt je afvragen wat ervan klopt, maar mijn punt is: Ook al zou de Nederlandse overheid er helemaal niks aan overhouden, dan moeten we het nog steeds toejuichen. Want de private sector heeft er wel baat bij, en niet alleen in Nederland, juist ook in het buitenland. Er zijn heel veel landen waar bedrijven meer overhouden, en dat betekent dat er minder geld wordt uitgegeven aan schadelijke zaken door politici en ambtenaren zoals het bombarderen van onschuldige mensen, het maken van steeds meer hinderlijke wet- en regelgeving en het ondernemen van vrijheidsondermijnende activiteiten. In plaats daarvan wordt het geld geïnvesteerd in innovatie, waardoor de levensstandaard stijgt, de levensverwachting stijgt en de economie groeit.

Omdat uw naam genoemd werd in de Panama Papers bent u afgelopen jaar verhoord door de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Hoe heeft u dat ervaren? 

Het was voor mij leerzaam te kijken naar de belastingambtenaren die door de commissie werden geïnterviewd. De frustratie droop er van af toen ze het hadden over de rechtsbescherming van de belastingbetaler. Hun frustratie was dat ze vaak niet wisten om te gaan met mensen die ze ervan verdachten gebruik te maken van mooie belastingconstructies. Dan stelden ze een vragenbrief op en in plaats van dat de belastingplichtige netjes antwoordde, huurde hij een slimme adviseur in die een antwoordbrief schreef, waarin hij nauwelijks antwoord gaf en tegenvragen stelde, zoals: “Op welke wetgeving baseert u zich? Op grond waarvan bent u van mening dat mijn cliënt deze vragen moet beantwoorden?” Kortom, ze zijn zwaar gefrustreerd over de rechtsbescherming van de belastingbetaler, en dat ze dus niet alles weten.

De fiscus wil daarom een uitholling van de rechtsbescherming van belastingbetalers. Ze willen een meldingsplicht, die inmiddels al is ingevoerd op het niveau van de EU. Belastingadviseurs moeten voortaan constructies aanmelden, een soort NSB’ers worden. Ze moeten hun eigen klanten gaan aanmelden bij de overheid. Ze moeten de fiscus vertellen: “Wij hebben een belastingadvies uitgebracht en daardoor gaat mijn cliënt een bepaald belastingvoordeel genieten.” Zodat de fiscus je cliënt kan gaan lastig vallen om te kijken of ze er toch niet wat meer uit kunnen persen. Doe je dat niet, dan ben je strafbaar.

U noemde net de EU die gezorgd heeft voor een meldingsplicht. U sprak eerder over een EU-kartel van belastingheffende politici. Hoe is dat buiten de EU?

Ook op mondiaal niveau gaan we in de richting van een kartel. Er zijn inmiddels honderd landen, die een verdrag hebben getekend met elkaar om automatisch informatie uit te wisselen, dus niet op verzoek of op verdenking van belastingontduiking of een ander strafbaar feit. Tot die landen behoren ook China en Venezuela. De mensen die daar wonen wordt dus de mogelijkheid ontnomen hun vermogen verborgen te houden voor door en door corrupte overheden. Het is een herhaling van de jaren ’30. Sommige Duitse joden hadden toen hun vermogen in Zwitserland geparkeerd uit angst dat het hun afgenomen zou worden. Dat het Zwitserse bankgeheim werd ingevoerd in 1934 is geen toeval. Dat kwam doordat een aantal Zwitserse bankmedewerkers hun Duitse-joodse cliënten hadden verraden, die gegevens hadden verkocht aan de Duitse overheid. Met die joden is het slecht afgelopen. In Duitsland stond de doodstraf op belastingontduiking. De verraden cliënten van die Zwitserse bank werden dan ook ter dood veroordeeld. Dat was voor de Zwitserse overheid in 1934 reden om te zeggen: “Dit nooit meer. We gaan een bankgeheim invoeren.” Het werd toen strafbaar voor Zwitserse bankmedewerkers gegevens van cliënten te delen met derden. Dat is dus het inmiddels verguisde Zwitserse bankgeheim.

Privacy is in een kwaad daglicht gesteld. Zo van: “Als je niks te verbergen hebt, dan heb je niks te vrezen.” Maar dat is volledig onterecht. Wij hebben in West-Europa toevallig de laatste zeventig jaar een stukje beschaving opgebouwd, dat overheden niet zo maar kunnen doen wat ze willen. Daardoor zijn we een beetje naïef geworden. De overheid is onze beste vriend. Maar er zijn nog steeds heel veel mensen in de wereld voor wie geldt dat de overheid helemaal niet hun beste vriend is. Maar juist de grootste vijand.

De overheid moet je zien als de parasitaire klasse, die ons leegzuigt, een bal aan ons been is. Ze zorgt ervoor dat we korter leven. Als je kijkt naar de levensverwachting in de veertig landen met de meeste economische vrijheid, daar worden mensen gemiddeld tachtig jaar. In de veertig landen waar mensen de minste economische vrijheid hebben, worden ze gemiddeld zestig jaar. De overheden stelen in die landen dus gewoon 20 jaar van een mensenleven. Lees het boek Death By Government van Rudolph Rummel. In de twintigste eeuw zijn er naar schatting zo’n kwart miljard mensen vermoord door hun eigen overheden. Dan heb ik het nog niet eens over de mensen die zijn gesneuveld in oorlogen als gevolg van overheden die met elkaar strijd voeren. Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot zijn bij elkaar opgeteld alleen al goed voor zo’n 150 miljoen moorden op eigen burgers.

Het is dus niet zo gek dat er zoveel mensen zijn die hun eigen overheid niet vertrouwen en verborgen proberen te houden dat ze iets hebben gespaard of opgebouwd, omdat je jezelf anders tot doelwit maakt. In landen met corrupte regimes waar de economie aan de grond zit, zijn het meestal succesvolle minderheden die als eersten worden gepakt. In Duitsland waren dat de joden en in Indonesië de Chinezen.

Posted on

Hervormingen op Cuba: beetje privé-eigendom, beetje marktwerking

Een grondwetsherziening, een beetje meer privé-eigendom en het homohuwelijk. De socialistische republiek Cuba zet de eerste stappen naar verandering.

Maandag 13 augustus viert de eilandstaat de verjaardag van de overleden revolutieleider Fidel Castro en ter gelegenheid daarvan is het de bedoeling dat de burgers actief en bewust participeren in het uitwerken van een nieuwe grondwet, zo verklaarde president Miguel Díaz-Canel na een zitting van het parlement vorige week. Kort daarvoor had in de hoofdstad Havana het Cubaanse parlement de weg vrijgemaakt voor een grondwetshervorming. De huidige grondwet stamt uit 1976 en ontwikkelde het land onder Castro’s leiding tot een communistische staat.

Aan het einde van het hervormingsproces zijn de burgers aan zet. Ze moeten, nadat ze tot medio november over het door het parlement voorgestelde ontwerp hebben kunnen discussiëren, zich in een referendum over het ontwerp uitspreken. Het begrip communisme komt in het ontwerp niet meer voor, in plaats daarvan is sprake van een “modern socialisme”. De Communistische Partij van Cuba (PCC) blijft in het grondwetsontwerp echter de enige toegestane partij van het land.

Momenteel is Miguel Díaz-Canel als voorzitter van de staatsraad staatshoofd van Cuba en als voorzitter van de ministerraad tevens regeringsleider. Deze machtsconcentratie moet in de toekomst teruggeschroefd worden. Daarvoor moet het in 1976 afgeschafte ambt van premier opnieuw ingevoerd worden en wordt het nieuwe ambt van ‘president van de republiek’ gescheiden van het voorzitterschap van de staatsraad. De staatsraad, een 31 leden tellend orgaan van het parlement, dat tussen de spaarzame zittingen van het parlement de wetgevende macht uitoefent, moet in de toekomst door de parlementsvoorzitter geleid worden. Het staatshoofd verliest niet alleen bevoegdheden, hij moet in de toekomst bij zijn aantreden ook jonger dan 60 jaar oud zijn en mag maximaal tien jaar in het ambt blijven.

Niet alleen voor de politiek zijn veranderingen voorzien, maar ook voor de economie, zij het met mate. Zo duikt in het nieuwe grondwetsontwerp voor het eerst het begrip privé-eigendom op. Daarnaast wil men het land openen voor buitenlandse investeringen, die als belangrijke factor voor economische groei gezien worden. De secretaris van de staatsraad, Homero Acosta, zei volgens Cubaanse media, dat het “socialistische model” – met de leidende rol van de communistische partij en een door de staat geleide economie – weliswaar in beginsel behouden blijft, maar dat veranderingen nodig zijn. De samenleving en economie zijn veranderd, aldus Acosta, en dit moet nu ook in de grondwet zichtbaar worden.

De wijzigingsvoorstellen werden uitgewerkt door een commissie rond oud-president Raúl Castro, die tien jaar geleden zijn broer Fidel opvolgde en het land op een voorzichtige openingskoers zette. Hoewel hij sinds dit jaar geen staats- en regeringsleider meer is, blijft Castro als eerste secretaris van de enige politieke partij nog altijd een centrale figuur in het politieke gebeuren.

In Cuba zal er geen kapitalisme komen “en ook geen toegevingen aan hen die al op duizend verschillende manieren geprobeerd hebben ons van onze historische waarden van de revolutie af te brengen”, zo verklaarde zijn opvolger echter waarschuwend. Binnenlandse media ondersteunen Díaz-Canel en haastten zich te benadrukken dat de nieuwe grondwet er niet toe zal leiden “dat het teken van McDonalds op de pleinen van Havana zal verschijnen”.

De veranderingen in de economische sector worden vooral veroorzaakt door de toenemende vraag die samenhangt met het groeiende toerisme. Ondanks de aantrekkelijke situering en het klimaat van het eiland, gelden binnenlandse hotels op het eiland als onderbezet, omdat ze zich niet kunnen meten aan internationale standaarden

Circa 591.000 van de goed elf miljoen inwoners van Cuba werken in de private sector, die 13 procent van de economische prestaties uitmaakt. Acosta benadrukte dan ook dat men de rol van de markt niet langer kan negeren en privé-eigendom een plaats heeft in het economische systeem van Cuba. “Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen erkend worden, maar de staat moet in staat blijven de leiding en controle over de economie te houden”, zo voegde hij eraan toe.

Op sociaal gebied sprak het Cubaanse parlement zich er voor uit het huwelijk niet meer als een “vrijwillige verbintenis tussen een man en een vrouw” te definiëren, maar als “vrijwillige verbintenis tussen twee personen”. Als drijvende kracht achter het mogelijk maken van het homohuwelijk geldt Mariela Castro, die zich als parlementslid al langer hiervoor inzet. De dochter van Raúl Castro is hierom binnen het machtscentrum van de communistische partij zeer omstreden. Ten tijde van het bewind van haar oom werden openlijke homoseksuelen nog naar heropvoedingskampen gestuurd en geweerd uit de staatsdienst, zodat ze praktisch geen werk konden krijgen. Of dit onderdeel van de grondwetswijziging het uiteindelijk haalt is nog maar de vraag, gezien de op dit vlak eerder conservatieve stemming op Cuba.

Aan het einde van het nu begonnen hervormingsproces is het immers de bedoeling dat de burgers zich uitspreken. De staatsgetrouwe media op Cuba hebben er geen twijfel over dat het volk uiteindelijk “in overgrote meerderheid zijn goede leiders zal volgen”.

Posted on

Daniël Maes: “Westen zal blijven proberen Syrië te onderwerpen”

Eerder berichtte Novini reeds over het openingscongres van het nieuwe Geopolitiek Instituut Vlaanderen-Nederland (GIVN) in Leuven op 5 mei jongstleden en gaven we de lezing van de Nederlandse filosoof en uitgever Tom Zwitser door. Een andere spreker op dit congres was pater Daniël Maes, die uit eigen ervaringen in Syrië verslag kon doen. Bij Uitgeverij De Blauwe Tijger verscheen eerder het eerste en onlangs het tweede deel van zijn Syrisch Oorlogsdagboek, nu samen met korting verkrijgbaar.

Ook van zijn lezing in Leuven is een opname gemaakt, die hieronder te bekijken is:

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on 7 Comments

Waarom is Roemenië niet rijk?

Het is verbazingwekkend om te bemerken dat naar schatting tussen de 4 en 8 miljoen Roemenen het land hebben verlaten. President Traian Basescu heeft het aantal zelfs op 12 miljoen geschat. En dit voor een land met een bevolking van 22 miljoen, wat betekent dat tussen de 18 en 36% van de bevolking het land verlaten heeft. Waar zou ik dat aantal nu mee kunnen vergelijken? Denk hier maar aan: In Ierland, tussen 1845 en 1852, stierven één miljoen mensen en nog één miljoen emigreerden, op een totaal van 8 miljoen mensen, oftewel 25% van de bevolking. Maar Ierland was een onderdrukt land, bezet door buitenlanders en verkeerde middenin een grote nationale tragedie, de Ierse hongersnood, ook wel bekend als ‘Potato Famine’ (aardappelhongersnood). Ik wil maar zeggen, het soort emigratie dat we in Roemenië zien, zouden we normaliter associëren met oorlog, hongersnood en onderdrukking.

Maar er lijkt geen grote tragedie te zijn in Roemenië die zoveel van haar kinderen ertoe gebracht heeft het land te ontvluchten, noch is er in dit land van vruchtbare akkers en vaardige boeren enige sprake van hongersnood. Sterker nog,  het heeft er alle schijn van dat niet de onderdrukking, maar het eind van de onderdrukking de exodus in gang heeft gezet. Zodoende kunnen we ons afvragen, “Waarom betekende vrijheid voor Roemenië voor zoveel van haar kinderen de vrijheid om Roemenië te verlaten? Waarom betekende ‘een beter leven’ voor zoveel Roemenen een leven buiten Roemenië?”

Het is verleidelijk om te antwoorden, dat Roemenië een arm land is, maar de volgende vraag is dan: “Waarom is Roemenië niet rijk?” Als we een arme samenleving zien, kunnen we ons afvragen of hun armoede natuurlijk is. Misschien heeft God dat land, net als de uitgestrekte Sahara, niet gezegend met de gaven waar rijkdom vanaf hangt. Als we echter een land als Roemenië beschouwen, dan zien we vruchtbare hoogvlakten en valleien, groene weiden, rivieren vol vis, bergen rijk aan mineralen. We zien een land met grote natuurlijke rijkdom, met al het denkbare waarmee een liefdevolle God een volk zou kunnen zegenen.  Het probleem kan dus niet bij God liggen. Het moet derhalve wel bij de mens liggen. Als de mensen de boer een slaaf van de bankier hebben gemaakt, kunnen de mensen het probleem oplossen. Als een natie  in de schuld is komen te staan van buitenlandse mogendheden, kan ze haar eigen vrijheid hervinden. Ze kan werkelijk vrije markten tot stand brengen, en niet het kapitalistische schijnbeeld daarvan; ze kan werkelijk vrije mensen voort brengen, en niet de mythische ‘homo economicus’ of ‘homo sovieticus’; ze kan waarachtige burgers voortbrengen, die in echte families en echte steden leven gebaseerd op echte rijkdom, niet financiële rijkdom. En ze kan dit alles doen, als ze het echt wil. Er is niets dat een dergelijke natie in de weg staat, behalve zijzelf.  Wat weerhoudt Roemenië er dan van – en wel dermate dat zovelen menen het land te moeten verlaten om serveerster te worden in Italië of aardbeienplukker in Spanje?

“Als we een land als Roemenië beschouwen, zien we vruchtbare hoogvlakten en valleien, groene weiden, rivieren vol vis, bergen rijk aan mineralen.”

Staat u mij toe om te suggereren dat wat hier mankeert een Roemeense oplossing voor Roemeense problemen is. Eeuwenlang betekende Roemeen zijn, of ten minste, deel uitmaken van de Roemeense elite, dikwijls vooral naar buiten kijken en niet zozeer naar binnen. Nu moet ik hier bij voorbaat om uw verschoning bidden, aangezien ik me hier ver buiten mijn domein van expertise begeef om slechts wat terloopse en wellicht oppervlakkige observaties te debiteren over het Roemeense karakter, en ik hoop dat niemand zich beledigd zal voelen. Het komt me echter voor, misschien op basis van ontoereikend bewijsmateriaal, dat er een zekere aangeboren bescheidenheid is onder de Roemenen. Dit is wellicht het resultaat van eeuwen onder vreemde overheersing, toen eerbied voor buitenlanders een overlevingsvaardigheid was. En studerende op de Roemeense taal valt vanuit het gezichtspunt van een Engelstalige op, dat de Roemeense taal zwaar leunt op de lijdende vorm, de aanvoegende wijs en de wederkerende vorm.

Nu is bescheidenheid een deugd; er kan bijvoorbeeld niet werkelijk iets geleerd worden zonder eerbied voor de bronnen van kennis. Wanneer de overlevingsvaardigheid echter een filosofische gewoonte wordt, bestaat het gevaar dat men de gaven die men ontvangen heeft over het hoofd ziet door altijd te denken dat de gaven van anderen zoveel beter zijn. En zo komt het, of zo komt het mij tenminste voor, dat Roemenen maar al te vaak ideeën hebben gevolgd die niet goed hebben uitgepakt voor de Roemenen om de eenvoudige reden dat ze voor niemand goed uit hebben gepakt. Maar aangezien deze ideeën prestige hadden in buitenlandse hoofdsteden, kregen ze ook prestige onder Roemeense elites.

Laat me bij wijze van voorbeeld wijzen op een curieuze parallel. In de laatste dagen van het bewind van de tiran, liet Ceausescu zijn volk verhongeren om de buitenlandse schuld af te betalen. Kijk nu eens naar de situatie in Europa vandaag en we zien dat de oplossing die voor Griekenland wordt voorgesteld is dat ze haar volk zou moeten laten verhongeren om de buitenlandse schuld te kunnen betalen. Dat wil zeggen, wat het communisme bewerkstelligde met tanks en de Securitate, bewerkstelligt het financiële kapitalisme met schuldpapieren en bankiers.

Maar Ceausescu bereikte tenminste zijn doel; de nieuwe liberale regering ving aan zonder dat de staat ook maar een leu schuldig was aan wie dan ook. Ik ben hier niet om op welke manier dan ook de tiran te verdedigen, maar ik teken wel aan dat Ceausescu ten minste tot het inzicht kwam dat alle leningen van Washington een val waren en hij wilde de controle vanuit Moskou niet inruilen voor controle door Washington. Ceausescu besefte wat de Grieken nu pas leren: dat het verlies van de eigen munt het verlies van de eigen soevereiniteit betekent.

Maar onder het bewind van de nieuwe globalisten staat de buitenlandse schuld opnieuw op 33% van het BBP en groeit hard; al het lijden van de natie is voor niets geweest. Buitenlandse entiteiten hebben nu een ferme greep op de economie, Griekse, Oostenrijkse en Franse banken controleren meer dan de helft van de middelen van de banken van de natie, terwijl 60% van de schulden van de natie in buitenlandse valuta zijn. Het is waarschijnlijk zelfs waar dat Ceausescu in sommige opzichten meer onafhankelijkheid van Moskou had dan Basescu van Brussel. Het is bijvoorbeeld aan Basescu noch het Roemeense volk om de omvang van de Roemeense begroting te bepalen, dat wordt in een bureau in België gedaan.

Dit brengt ons ertoe een curieuze parallel op te merken tussen het universalisme van Marx en het globalisme van de kapitalisten. Voor beide betekenden plaats en cultuur niets; mondiaal kapitalisme kent, net als internationaal communisme, geen beperkingen en erkent geen grenzen. Is het niet op zijn plaats om te vragen of Brussel de basis is van een Vierde Internationale, met teksten geleverd door Goldman-Sachs, op een wijsje gespeeld op een kassa en begeleid door de onheilige drie-eenheid van de Wereldbank, het WTO en de ECB? Zoals de criticus van het marxisme Slavoj Zizek opmerkte, “Het socialisme faalde doordat het uiteindelijk een ondersoort van het kapitalisme was … Marx’ notie van de communistische samenleving is zelf de inherente kapitalistische fantasie.”

De parallellen tussen deze Vierde Internationale en haar grove voorlopers kunnen verbazingwekkend zijn. De communisten verzamelden bijvoorbeeld de productie in omvangrijke collectieven, conglomeraten die iedere concurrerende bron van productie en politieke macht uitsluiten, en concentreerden het effectieve eigendom in de handen van de bureaucraten. In de kapitalistische wereld wordt echter de productie verzameld in omvangrijke conglomeraten, collectieven die iedere concurrerende bron van productie en politieke macht uitsluiten, en het effectieve eigendom concentreren in de handen van bureaucraten. Als je een willekeurige ‘supermarkt’ in Amerika binnengaat, zul je een breed scala aan ‘concurrerende’ producten vinden. Maar als je de etiketten af pelt, zul je zien dat er in iedere sector slechts twee of drie conglomeraten zijn die als kartel de markt verdeeld hebben, waarmee je de illusie van concurrentie gegeven wordt, zonder de realiteit. Stalin zou stom verbaasd zijn over de mate van collectivisatie die men in het Westen bereikt heeft, als iets dat zijn wildste dromen te boven gaat.

De kapitalisten hebben laten zien dat ze efficiënter zijn in de keuze van middelen voor sociale controle. De communisten zouden bijvoorbeeld de geheime politie inzetten tegen de arbeiders. Maar de kapitalisten kunnen het een beter: zij zetten de arbeiders tegen de arbeiders in. Autoproducent Dacia die in Frans bezit is opende bijvoorbeeld recent een fabriek in Marokko, die werkgelegenheid weg zal nemen van de fabriek in het Roemeense Moveni. Jerome Olive, CEO van Automobile Dacia, stelde dat het bedrijf de concurrentie tussen de twee fabrieken wil “stimuleren”, zodat “de fabriek die de goedkoopste [auto’s] maakt, de meeste orders zal krijgen.” Ik vermoed dat dit een efficiëntere manier is om de arbeiders te onderdrukken en daarbij veel goedkoper dan het inhuren van politieagenten.

Posted on Leave a comment

Het probleem met Europa

In de afgelopen twintig jaar werd ik, vooral in de eerste helft daarvan, meestal gevraagd om te spreken over de ingewikkeldheid van de transitie die de voormalige Oostbloklanden, inclusief mijn land, Tsjechië, moesten maken onderweg van communisme naar een systeem van parlementaire democratie en markteconomie. Deze unieke en revolutionaire transitie is voorbij, maar ik geloof dat onze ervaring niet vergeten moet worden.

Dezer dagen wordt veel gesproken van het belang van de kenniseconomie. Ik geloof niet in de idee van een economie gebaseerd op kennis en daarom is het ook nooit mijn ambitie geweest zoiets tot stand te brengen. Onze historische taak was het om de irrationele en inefficiënte, centraal geplande, semi-autarchische, volledig door de staat bezeten economie om te vormen tot een markeconomie gebaseerd op privaat bezit, met zo min mogelijk staatsinterventie en open naar de rest van de wereld.

Vanwege ons communistische ‘experiment’ dat bijna een halve eeuw duurde, zijn we zelfs nu nog erg gevoelig voor sommige termen en concepten. We waren gewend in een wereld van ‘nationaal industriebeleid’ te leven, van allerlei ‘ontwikkelingsbeleid’ zoals het nu wel genoemd wordt en we zijn er het bewijs van dat het niet werkte. We wilden niet onze voorgaande fouten herhalen door nieuwe, maar vergelijkbare pogingen te doen om de economie van bovenaf te sturen. We wilden een vrije economie. We wilden de economische actoren zelf laten ontdekken waarin te investeren, hoe te investeren, in welk veld en land te investeren. We liberaliseerden, dereguleerden en desubsidiëerden de economie en hadden niet het voornemen het opnieuw te reguleren onder invloed van andere, wellicht modernere, maar hoe dan ook bureaucratisch of technocratisch, niet economisch, ingegeven prioriteiten.

We begrepen dat er geen nieuwe ‘magische’ sectoren waren om onze roestige en gedateerde economie te redden. Ons probleem was niet dat we de ‘verkeerde’ sectoren hadden, maar de inefficiëntie in de hele economie. We moesten de hele economie hervormen of herstructureren, dat wil zeggen de ‘oude economie’, we waren er niet met het ondersteunen van wat nu modieus de ‘nieuwe economie’  genoemd wordt. We begrepen dat concurrentie (zowel binnenlandse als buitenlandse) cruciaal is, omdat er geen wedijver is zonder concurrentie.

Ons economische programma bestond uit het introduceren van concurrentie, het garanderen van macro-economische stabiliteit en het minimaliseren van inflatie na decennia van vastgestelde prijzen die ieder contact met de economische realiteit ontbeerden. We deden geen pogingen bedrijven te vertellen wat te doen. De economische actoren moesten een kans krijgen om hun comparatieve voordelen zelf te ontdekken. We geloofden in hun rationele gedrag – op voorwaarde dat ze vrij zouden zijn hun eigen besluiten te nemen. Als econoom geloof ik in de efficiëntie van de echte markteconomie en geloof ik niet in modieuze bijvoeglijk naamwoorden die daaraan worden vastgeplakt, zoals sociale markteconomie of informatie- of kenniseconomie.

De recente crisis gaf ons in dit opzicht een ander duidelijk signaal. Ten minste in Europa, zagen we dat de landen die niet geloofden in de moderne dromen van deïndustrialisering succesvoller waren in het doorstaan van de crisis dan landen die speciale voordelen gunnen aan de dienstensector en de ondersteuning van de hoogst ontwikkelde technologieën. Een solide en veelzijdige industriële basis was daarbij een grote hulp.

Laat ik iets anders bespreken dat ik erg belangrijk vind.

Europa is – voor sommige mensen onverwacht – een problematisch werelddeel geworden. Buitenlandse waarnemers begonnen pas in de laatste twee jaar, met de Europese schuldencrisis, meer aandacht te besteden aan Europa en onderschatten zodoende de ontwikkelingen die daaraan voorafgingen. De huidige schuldencrisis in de Eurozone, die iedere dag de krantenkoppen bepaalt, is slechts het meest zichtbare puntje van de ijsberg van een veel diepere en reeds langer bestaande Europese crisis, die een lange termijngevolg is van

  • het Europese economische en sociale model dat gekarakteriseerd wordt door overregulatie en door de onproductieve welvaartsstaat;
  • de vorm en de methode van het Europese integratieproces.

Staat u mij toe dit punt wat verder uit te werken. De Europese integratie begon met een rationeel en ongetwijfeld positief idee van de oprichters om Europa te liberaliseren, te ontsluiten, bestaande barrières aan de grenzen van Europese landen weg te nemen, om een vrijhandelszone en een douaneunie tot stand te brengen, om een gemeenschappelijke markt en een grote verbonden economische ruimte te creëren. Deze tendensen domineerden alleen de eerste fase van het Europese integratieproces. Sommige mensen, zowel in Europa als in de rest van de wereld, nemen ten onrechte aan dat dit een correcte beschrijving is van de huidige situatie.

De tweede fase is veel minder positief geweest. De liberalisering en het wegnemen van barrières werden vervangen door een ander project – door centralisatie, regulering en standaardisering, door harmonisering van de meeste economische activiteiten en economische parameters, door een radicale verlegging van competenties van individuele lidstaten naar de EU hoofdkwartieren in Brussel, door de verandering van het hele concept van integratie van intergouvernementalisme naar supranationalisme, door de ontnationalisering van Europese lidstaten en door het verleggen van de koers naar Europees bestuur. Een fundamenteel heterogeen Europees continent, dat in het verleden bloeide vanwege zijn diversiteit en non-uniformiteit, is geleidelijk op kunstmatige wijze verenigd en gehomogeniseerd door centraal georganiseerd bestuur en centraal bepaalde wetgeving. Dit heeft negatieve economische effecten te weeg gebracht en geleid tot wat het democratische tekort genoemd wordt (oftewel een gebrek aan democratische verantwoording). Ik noem het post-democratie.

Deze zeer problematische tendens is met de tijd toegenomen, met cruciale keerpunten verbonden aan zowel het Verdrag van Maastricht als het Verdrag van Lissabon. Bij een lagere graad van integratie waren de gevolgen van de centralisatie niet zo dramatisch geweest.  In het tijdperk van de diepere integratie raakte de bestaande Europese heterogeniteit meer en meer in tegenspraak met de institutionele uniformiteit, die verwerd tot een soort dwangbuis en economische activiteit blijft blokkeren.

Het belangrijkste moment in dit proces was de totstandkoming van de Europese Monetaire Unie en de introductie van een gemeenschappelijke munt in een groep van oorspronkelijk 12, nu 17 landen, die geen optimaal valutagebied vormen. De huidige staatsschuldencrisis in de Eurozone is een onvermijdelijk gevolg van de ene munt, de ene wisselkoers, de ene rentestandaard voor landen met zeer uiteenlopende economische parameters. Het politieke besluit om het op deze manier te regelen is genomen zonder voldoende aandacht te besteden aan de bestaande economische basis. Ik moet zeggen dat enkelen van ons [economen, red.] dit project al jaren bekritiseren, dat deden we al in de vroege jaren negentig.

Het is evident dat non-optimale monetaire unies ‘gered’ kunnen worden door solidariteit onder hun leden en door omvangrijke fiscale transfers, maar dit vraagt om twee zaken:

  • een authentiek gevoel van solidariteit (dat bijvoorbeeld bestond in Duitsland na de hereniging, maar niet bestaat in Europa);
  • voldoende financiële middelen in de handen van de politieke autoriteiten.

Geen van deze voorwaarden bestaat en dat is waarom ik geen eenvoudige oplossing zie voor het staatsschuldenprobleem in de Eurozone. Een lange termijnoplossing hangt, als we de onrealistische ‘revolutionaire’ toename van authentieke Europese solidariteit uitsluiten, af van de toename van de economische groei in Europa. Het is echter moeilijk om nu enige reden te vinden voor een dergelijke toename. De meeste EU-landen moeten bezuinigen en niet alleen op korte termijn, maar ten minste ook op de middellange termijn. De benodigde fiscale bijstellingen laten geen ruimte voor fiscale stimulering.

Premier Petr Necas, partijgenoot van Klaus, sloot zich in januari niet aan bij de Europese begrotingsunie, waaraan 25 lidstaten deelnemen.

Het voornaamste Europese probleem is gelegen in het Europese economische en sociale systeem dat geen snelle economische groei toelaat. De Europese sociale markteconomie zoals we die nu kennen geeft de voorkeur aan sociaal beleid gebaseerd op de herverdeling van inkomen boven productief werk. Het geeft de voorkeur aan vrije tijd en lange vakanties boven hard werken. Het geeft de voorkeur aan consumptie boven investeringen, schulden boven besparingen, zekerheid boven risico. Dit alles is onderdeel van een breder probleem van beschaving en cultuur, dat diep geworteld is in het Europese continent of althans in de meeste Europese landen. Dit kan niet van de ene op de andere dag weg genomen worden, het kan niet veranderd worden door de een of andere EU-top, het kan niet veranderd worden door pijnloze cosmetische aanpassingen. Het vraagt om een diepere verandering van het systeem, iets structureel vergelijkbaars met de taak die we twee decennia geleden hadden na de val van het communisme.

Zoals sommigen van u zullen weten, is mijn land lid van de EU maar niet van de Eurozone. We hebben nog altijd onze eigen valuta, de Tsjechische kroon. Als een Centraal-Europees land in het hart van Europa, hadden we geen andere keuze dan deel te nemen aan het Europese integratieproces en bijna acht jaar geleden werden we dan ook lid van de EU. We waren ons bewust van de problemen verbonden aan de gemeenschappelijke  munt en wilden onze economische groei doen toenemen en ons hoognodige aanpassingsproces met de nodige aanpassingscapaciteit voortzetten, wat uiteraard flexibele wisselkoersen vereist, onze eigen rentestandaard en ons eigen monetair beleid. We zagen geen enkel voordeel in  het gebruiken van Duitse of Griekse wisselkoersen en rentestandaarden. Vooralsnog hebben we dan ook geen enkel plan om om toe te treden tot de Eurozone.

Tegelijkertijd probeerden we ons bewust te zijn van zowel de kosten als de voordelen van EU-lidmaatschap, ook al is het tegenwoordig modieus en politiek correct in Europa om alleen over de voordelen te spreken.

Wat zijn de belangrijkste economische voordelen van EU-lidmaatschap?

  1. Deel worden van een – tot voor kort – zeer prestigieuze club van economisch ontwikkelde en stabiele landen wordt verondersteld het imago van een land te verbeteren en buitenlandse investeerders aan te trekken;
  2. een territoriaal grotere markt – zonder protectionistische barrières tussen landen – is ongetwijfeld een voordeel;
  3. er bestaan bepaalde financiële overdrachten (op voorwaarde dat het land onder het EU-gemiddelde BBP per hoofd zit, wat in Tsjechië het geval is), maar het netto voordeel hiervan is niet groot en macro-economisch praktisch irrelevant;
  4. de verplichte implementatie van Europese wetgeving is een voordeel, mits het land zelf minder liberale wetgeving heeft en in het algemeen minder georganiseerd is. (In ons geval is het nauwelijks positief.)

Tegelijkertijd zijn er ontegenzeggelijk economische kosten verbonden aan het EU-lidmaatschap:

  1. ieder land moet deelnemen in het financieren van deze grote, dure, hoogst bureaucratische organisatie;
  2. er zijn niet verwaarloosbare binnenlandse kosten als gevolg van het lidmaatschap (bureaucratisch papierwerk en alle soorten van vereisten, de noodzaak een eindeloze reeks van conferenties, vergaderingen, buitenlandse reizen te organiseren, om kunstmatige gecreëerde EU-banen te financieren, enzovoorts.);
  3. de invoering van een zeer zware, en zodoende economische activiteit ondermijnende, wetgeving gebaseerd op excessieve regulering, controlering, harmonisering, standaardisering, subsidiëring;
  4. de implementatie van een te genereus en derhalve demotiverend Europees welvaartssysteem.

Het is erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om kwantitatieve schattingen te geven van de uitwerking van al deze factoren. Mijn inschatting is dat het netto positieve effect van het lidmaatschap zeer klein is, als het al niet negatief is. De zeer trage economische groei na een halve eeuw van verdieping van het integratieproces en van ‘meer en meer Europa’  geeft niet de indruk dat het tegenovergestelde ook het geval zou kunnen zijn.

Het gevolg van dit alles is dat Europa geen ‘locomotief’ van wereldwijd economisch herstel en groei zal zijn. Ik verwacht dat de BRIC-landen [de opkomende economieën Brazilië, Rusland, India en China, red.] – samen met rationeel functionerende olie exporterende landen – het meest dynamische deel van de wereldeconomie zullen zijn in de afzienbare toekomst.

***

Bovenstaande tekst is een bewerkte versie van een toespraak van Vaclav Klaus in Riaad, Saoedi-Arabië, op 17 januari 2012. Vertaling: Jonathan van Tongeren

Posted on 3 Comments

Poetins filosofie

Het paradoxale ‘liberaal-conservatisme’ met een sterke staat

Stel je voor dat je een lesboek over de Amerikaanse geschiedenis zou opslaan en niets zou tegenkomen over Thomas Paine, Benjamin Franklin of Thomas Jefferson. Dit is zo ongeveer de situatie voor iedereen in het Westen die iets probeert te begrijpen van het hedendaagse Rusland. De standaard lesboeken vermelden nagenoeg niets over de conservatieve ideeën die momenteel het politieke speelveld domineren. De Sovjet-Unie onderdrukte uiteraard krachtig de belangrijkste rechtse denkers gedurende het grootste deel van de vorige eeuw, maar zelfs nu het niet langer als een misdaad wordt beschouwd wanneer Russen hun boeken lezen, blijft het Westen deze denkers negeren.

Daar is een reden voor. Historici zijn geneigd tot een teleologische focus. Ze hebben een bepalend eindpunt – de telos – en willen uitleggen hoe we daar gekomen zijn. Informatie die niet bijdraagt aan deze uitleg wordt genegeerd. In het geval van Rusland was de telos ettelijke decennia het communisme. Iedereen wilde begrijpen wat het was en waarom het er in geslaagd was de macht te grijpen. Studies van de Russische intellectuele geschiedenis concentreerden zich begrijpelijkerwijs dan ook vooral op de ontwikkeling van liberaal en socialistisch denken. Russisch conservatisme daarentegen, werd beschouwd als een historisch dood lopend spoor en het bestuderen niet waard.

Het gevolg daarvan is, dat Westerse commentatoren – die het aan enige kennis van Ruslands conservatieve erfgoed ontbreekt – heden ten dage niet in staat zijn de Russische regering in de juiste intellectuele context te plaatsen.

Analyses van Poetin neigen ernaar de nadruk te leggen op zijn verleden bij de KGB en schilderen hem als iemand die er op gebrand is democratische vrijheden te onderdrukken. Zoals de vermoordde journalist Anna Politkovskaja het stelde, Poetin “is er niet in geslaagd zijn herkomst te ontstijgen en te stoppen zich te gedragen als een luitenant-kolonel in de Sovjet KGB. Hij is nog altijd bezig om zijn vrijheidslievende landgenoten in de pas te laten lopen; hij volhardt in het vermorzelen van de vrijheid, net zoals hij dat eerder in zijn loopbaan deed.” Voor velen in het Westen is daarmee alles gezegd.

In feite staat Poetin, in tegenstelling tot het hierboven beschreven gezichtspunt, in een lange Russische traditie  van ‘liberaal-conservatisme’.  De moderne Russische auteur A.V. Vasilenko omschreef deze school van denken als volgt: “Een sterke staat is nodig, niet in de plaats van liberale hervorming, maar om die mogelijk te maken. Zonder een sterke staat zijn liberale hervormingen onmogelijk.” Dit is de basis van wat de Britse academicus Richard Sakwa “een unieke synthese van liberalisme en conservatisme” noemt en belichaamd wordt door Poetins bewind.

Boris Tsjitsjerin (1828-1904) is wellicht de grondlegger van deze ideologie. Volgens de historicus Richard Pipes, huldigde hij enerzijds “Manchester liberalisme [het klassiek-liberalisme van de Manchester School red.] en burgerrechten, en steunde hij tegelijkertijd de autocratie.” “De Russische liberaal” zo schreef Tsjitsjerin, “reist op een aantal verheven woorden: vrijheid, openheid, publieke opinie… die hij als grenzeloos interpreteert. … Hij acht derhalve de meest elementaire concepten, zoals gehoorzaamheid aan de wet of de noodzaak voor politie en bureaucratie, reeds de producten van een ongehoord despotisme.” “De extreme ontwikkeling van de vrijheid, inherent aan democratie,” zo stelde hij, “leidt onvermijdelijk tot de instorting van het organisme van de staat. Om dit tegen te gaan, is het nodig om sterk gezag te hebben.”

Een andere belangrijke figuur was de filosoof Vladimir Solovjov (1853-1900). Solovjov geloofde dat christelijke liefde, belichaamd in de Kerk, de opperste politieke waarde was en tot uiting kwam in politieke en economische regelingen die de waardigheid en rechten van individuen respecteerden. Zodoende was Solovjov, terwijl hij een nauwe band tussen kerk en staat steunde, een tegenstander van de doodstraf en ging hij tekeer tegen het officiële antisemitisme. Hij was wat alleen omschreven kan worden als een ‘liberale theocraat’.

Nog een andere centrale persoonlijkheid in de annalen van het Russische liberaal-conservatisme was Pjotr Struve 1870-1944). Oorspronkelijk een marxist, schreef Struve het eerste manifesto van de Russische Sociaal Democratische Arbeiders Partij (de voorloper van de Communistische Partij), maar uiteindelijk zwoer hij het marxisme af en in ballingschap in de jaren ’20 werd hij een prominente supporter van het oudste overlevende lid van de Russische koninklijke familie. Struve maakte deze opmerkelijke transformatie door zonder ooit de kern van zijn liberale overtuigingen aan te passen.

Wellicht het belangrijkste werk in de liberaal-conservatieve canon is een bundel uit 1909 getiteld Vechi (Bakens), dat in 2009  door een Russische regeringsfunctionaris  als “ons boek” werd aangeduid. Het bestaat uit een reeks scherpe aanklachten van de Russische intelligentsia door prominente liberalen zoals Pjotr Struve, Nikolaj Berdjajev en Sergej Boelgakov, wier weerzin gewekt was door de anarchie van de revolutie van 1905. Vechi beweerde dat de intelligentsia zich zelf had afgesneden van het Russische volk door slaafs Westerse ideeën te kopiëren en Russische te negeren en dat het geen respect had voor het recht. De auteurs concludeerden dat het fundament van de regering een sterk rechtssysteem moet zijn.

Poetin zelf lijkt vooral twee tijdgenoten van de auteurs van Vechi te bewonderen, Pjotr Stolypin (1862-1911), premier van Rusland van 1906 tot 1911, en de filosoof Ivan Iljin (1883-1954).

Stolypin nam het roer over als premier te midden van de revolutie en deinsde er niet voor terug extreem geweld te gebruiken om die te onderdrukken. Zoveel radicalen werden verhangen dat de strop bekend kwam te staan als ‘Stolypins das’. Tegelijkertijd streefde hij liberale hervormingen na in de sociale en economische sfeer, hij werd vooral bekend door het doorvoeren van hervormingen om grond aan boeren in bezit te geven, met als doel een samenleving gebaseerd op privaat eigendom te creëren.

Net als Stolypin heeft Poetin gewerkt aan de verankering van het eigendomsrecht en de liberalisering van de economie.

Poetin leidt een comité dat de realisatie van een monument voor Stolypin in Moskou beoogt. Hij heeft Stolypin “een ware patriot en een wijs politicus” genoemd, die “inzag dat zowel alle soorten van radicaal sentiment als aarzeling en weigering noodzakelijke hervormingen door te voeren, gevaarlijk waren voor het land, en dat alleen een sterke en effectieve regering vertrouwende op zakelijk en burgerlijk initiatief van miljoenen progressieve ontwikkeling zou kunnen veilig stellen.” Zoals een commentator opmerkte, “Poetin had over zichzelf kunnen spreken.”

Voor wat Iljin betreft, hij begon zijn intellectuele loopbaan als een student van Hegel. Door Lenin in 1922 uitgewezen uit de Sovjet-Unie, verhuisde hij naar Berlijn. Anderhalf decennium later, toen hij zijn baan verloor omdat hij niet wilde doceren in overeenstemming met Nazi-voorschriften, ontvluchtte hij ook Duitsland  en leefde de rest van zijn leven in Zwitserland.

Poetin haalt Iljin geregeld aan in zijn schrijfsels en toespraken. In 2005 speelde hij een rol in de terugkeer van Iljins stoffelijk overschot naar Rusland en zijn herbegrafenis in Moskou, met veel vertoon omkleed. Later betaalde hij persoonlijk voor een nieuwe grafzerk voor Iljin.

Net als Stolypin en de bijdragers aan Vechi, geloofde Iljin dat de bron van Ruslands problemen een onvoldoende ontwikkeld ‘rechtsbesef’ (правосознание) was. Gezien dit gegeven, was democratie geen gepaste regeringsvorm. Hij schreef  “aan het hoofd van de staat moet er een enkele wil zijn.” Rusland had een “verenigde en sterke staatsmacht, dictatoriaal in de scope van zijn bevoegdheden” nodig. Tegelijkertijd moesten er duidelijk grenzen aan deze bevoegdheden zijn. De heerser moet de steun van de bevolking hebben; staatsorganen moeten verantwoording afleggen; het beginsel van de legaliteit moet bewaard blijven en alle personen moeten gelijk zijn voor de wet. Vrijheid van geweten, meningsuiting en vergadering moeten gegarandeerd zijn. Privaat eigendom moet sacrosanct zijn. Iljin geloofde dat de staat het opperste gezag moest hebben op die terreinen waar zij competent is, maar geheel buiten die terreinen moest blijven waar ze niet competent is, zoals het privéleven en godsdienst. Totalitarisme, zo stelde hij, is “goddeloos”.

De realiteit van Poetins Rusland sluit vrij nauw aan op dit liberaal-conservatieve model. Poetin heeft bijvoorbeeld, net als Stolypin, belangrijke stappen ondernomen om het eigendomsrecht te verankeren, alsmede om de economie te liberaliseren. In januari schreef Poetin dat “de motor van de groei in het initiatief van de bevolking moet en zal liggen. We zijn gedoodverfd te verliezen als we ons enkel verlaten op de besluiten van ambtenaren en een beperkt aantal grote investeerders en staatsbedrijven. … Ruslands groei in de komende jaren staat gelijk aan de uitbreiding van vrijheden voor een ieder van ons.” Poetin en Dmitri Medvedev hebben een reeks van liberaal denkende ministers van financiën aangesteld, die gewerkt hebben aan het terug brengen van de regeldruk voor kleine ondernemingen. Vooruitgang op dit vlak is fragmentarisch maar tastbaar, zoals ook de recente toelating van Rusland tot de Wereld Handels Organisatie (WTO) laat zien. Westerse beschouwers neigen er naar dit over het hoofd te zien en in plaats daarvan de focus te leggen op het negatieve, zoals het terug brengen onder staatscontrole van de belangrijkste spelers in de energiesector.

Net als de liberaal-conservatieven heeft Poetin de nadruk gelegd op wat hij ‘de dictatuur der wet’ noemt. Westerse commentatoren hebben de voortdurende misbruiken in de rechtspraak veroordeeld. Maar zoals William Partlett van de Brookings Institution opmerkt, “Poetin heeft veel meer aandacht besteed aan hervorming van het recht dan zijn voorganger … en heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt in het bij de tijd brengen van het tegenstrijdige Russische rechtssysteem. … Voorts staat hij verrassend open voor de implementatie van mensenrechtennormen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in Russische rechtszalen.”

Onder de Poetin-doctrine van ‘soevereine democratie’ is de staat beperkt; ze streeft er niet naar ieder aspect van het leven te beheersen. Het ziet vrijheid terdege als essentieel voor sociale en economische vooruitgang. Maar waar de staat wel optreedt, moet ze soeverein zijn – krachtig, verenigd en vrij van de invloed van buitenlandse machten. In de ogen van Westerse critici was Poetins besluit in zijn eerste termijn als president om de bevoegdheden van de regionale gouverneurs te beperken een directe aanval op de democratie. Voor Poetin was dit echter een cruciale stap om een einde te maken aan de praktijk dat regio’s ongehoorzaam waren de federale wet en om de ‘eenheid van recht’ in de natie te herstellen.

Liberaal-conservatisme ligt ook ten grondslag aan Poetins houding ten opzichte van het maatschappelijk middenveld. James Richter van Bates College stelt: “de regering Poetin was een veel consistentere voorvechter van het maatschappelijk middenveld dan het Kremlin onder Jeltsin, ofschoon ze probeerde het concept voor haar eigen doeleinden bij te stellen.” Sinds 2004 heeft de Russische regering op alle bestuursniveaus  ‘publieke kamers’ opgezet, die moeten dienen als een forum waarin maatschappelijke organisaties en staatsorganen samen kunnen werken. Deelnemers hebben genereuze publieke financiering ontvangen. Tegelijkertijd betwijfelen sommigen in het Westen de waarde van deze kamers omdat ze er op ingericht zijn het maatschappelijk middenveld te helpen met de staat samen te werken en niet om haar uit te dagen.

Russische liberaal-conservatieven waren nooit democraten in Westerse zin en het is niet verwonderlijk dat velen hier hun ideologie verwerpen. Richard Pipes beschouwt Tsjitsjerins filosofie als een “abstracte en onrealistische doctrine.” Het idee dat de krachtige staat “de burgerrechten zou kunnen respecteren was eenvoudigweg quixotisch.” Op een vergelijkbare wijze kan Iljins visie van een beperkte, op het recht gebaseerde en verantwoording afleggende dictatuur naïef onpraktisch lijken.

Maar het punt van dit betoog is niet of liberaal-conservatisme de juiste keuze is voor Rusland. De kwestie is veeleer dat wij in het Westen er niet in slagen deze ideologie als zodanig te herkennen. Poetin heeft een heldere visie van een sterke, gecentraliseerde, op het recht gebaseerde regering met duidelijk bepaalde en beperkte competenties, consistent met inheems Russische scholen van denken. Onze betrekkingen met Rusland zouden fors verbeteren als we deze realiteit zouden erkennen en ons daartoe zouden verhouden in plaats van aan te slaan op irrelevante karikaturen van een politiestaat.

__________

Met toestemming overgenomen. Copyright 2012 TheAmericanConservative.com.
Vertaling: Jonathan van Tongeren