Posted on

De regenboogvlag: symbool van een totalitair systeem

In het tweede deel van de filmtrilogie God’s Not Dead moet een geschiedenisdocente zich voor een rechter verantwoorden omdat ze een vraag over geweldloos verzet beantwoordde met een verwijzing naar de bijbel. Het bestuur van de Martin Luther King-school – veelzeggend zonder ds. in de naam! – zette de onderwijzeres op non-actief en nadat zij weigerde haar excuses aan te bieden spanden ze een proces tegen haar aan. Fictie op celluloid, maar een gebeuren dat ondertussen realiteit is. Voorstanders van het traditionele huwelijk en activisten die zich uitspreken tegen gender mainstreaming krijgen steeds vaker te maken met haatmail, fysieke bedreigingen, sociale media-ban en juridische procedures. Een paar jaar geleden gingen in Duitsland auto’s van voorvechtsters van het traditionele huwelijk en gezin in vlammen op. De katholieke blogger Joseph Bordat ontving doodsbedreigingen omdat hij op zijn website melding maakte van de aanslagen. Vorige maand kreeg Austin Ruse, directeur van het Center for Family and Human Rights (C-Fam), de FBI op bezoek, omdat hij een grap had getwitterd over het verzoek van een LHBT-organisatie om meer regenboogsymbolen in de etalages van winkels en bedrijven. Volgens Gabriele Kuby, auteur van de klassieker De seksuele revolutie. Vernietiging van de vrijheid uit naam van de vrijheid (Uitgeverij De Blauwe Tijger), “beweegt de strijd voor het leven en het gezin zich naar een nieuwe fase, nu aanvallen van verbaal naar fysiek veranderen.”

Verbaal en fysiek geweld tegen voorstanders van het traditionele huwelijk en gezin komt ook in Nederland steeds vaker voor. Toen in 2010 bekend werd dat pastoor Luc Buyens uit Reusel geen communie verleende aan een homo, schonden alle liberale partijen voor het gemak het door hen gekoesterde principe van scheiding kerk en staat, en riepen op tot lijfelijk protest. Het was nota bene de SGP die hierover in de Tweede Kamer vragen stelde. Vorige maand werd bekend dat Hugo Bos moest onderduiken vanwege bedreigingen. Bos, directeur van Civitas Christiana, die onder meer opkomt voor het gezin en tegen de seksualisering van de samenleving, kwam in het nieuws door zijn protest tegen SuitSupply, het bedrijf dat posters van twee zoenende mannen als reclame laat zien.

Gabriele Kuby ~ De seksuele revolutie. Vernietiging van de vrijheid uit naam van de vrijheid

‘Homohaat’ is het label dat iedereen die kritische vragen durft te stellen bij genderisme en seksualisering krijgt opgeplakt en waarmee iedere discussie onmogelijk wordt gemaakt. Ook Bos is als ‘hater’ weggezet. Kuby, die zelf ook veel haatmail ontvangt, zegt over dit label: “Homohaat is een begrip dat de homolobby heeft uitgevonden om kritiek op de cultuur-revolutionaire strategieën die de homolobby heeft uitgedacht in kwade reuk te brengen en te criminaliseren.” Meest recente voorbeeld hiervan is het een-tweetje tussen de Amsterdamse stadszender AT5 en GroenLinks. Op het hoogfeest van de LHBT-gemeenschap in Nederland, de Canal Pride, lijkt het erop dat een lesbische vluchteling uit Oeganda uit het klooster van de Missionaries for Charity in Amsterdam is gezet. Uiteraard heeft GroenLinks direct raadsvragen gesteld en organiseerde de partij een ‘kiss-in’ bij het klooster. Het spreekt voor zich dat dagblad Trouw dit nieuws groot bracht, zonder kritische vragen te stellen bij de hele gang van zaken en alleen de verontwaardigde activisten aan het woord liet. De media speelt hierin al lang een eenzijdige en daarmee bedenkelijke rol. Zij fungeren als megafoon voor emancipatiebewegingen zoals die voor LHBT-ers.

[pullquote]“Ideologie is de quasi-metafysische ‘lijm’ die een totalitair systeem bij elkaar houdt.”[/pullquote]

De Ierse schrijver John Waters, die het voorbeeld van Austin Ruse in een artikel op de website van het Amerikaanse tijdschrift First Things aanhaalt, ziet in het regenboogsymbool een dwangmiddel: het is het symbool van een ideologie die opereert binnen de cultuur. “Ideologie is de quasi-metafysische ‘lijm’ die een totalitair systeem bij elkaar houdt,” citeert Waters de Tsjechische schrijver Vaclav Havel. Waters: “Het doel van de ideologie is het dehumaniseren, het overtuigen van mensen om hun menselijke identiteit in te ruilen voor een bedrijfsidentiteit. Ideologie verschaft het systeem de ‘handschoenen’ waarmee het haar doelen zonder schijnbare dwang kan verwezenlijken. Het maakt het mogelijk dat de mens in harmonie met het systeem wordt gebracht, maar deze onderwerping gaat schuil achter hoge idealen.” George Orwell had deze ideologie scherp door: “Sommige mensen zijn meer gelijk dan anderen”. Omdat sommige groepen menen meer rechten te kunnen opeisen én te krijgen boven de aanspraken van anderen, aldus Waters. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de discussie binnen de LHBT-beweging momenteel gaat over het ‘terugwinnen’ van het regenboogsymbool.

Als er een groep is die het gelijk van deze constatering bevestigt, is het de genderbeweging. Juli en augustus zijn het mondiale seizoen van de gay parades. Het regenboogsymbool wappert op veel (overheids)gebouwen, is in veel winkels prominent zichtbaar en kleurt bedrijfslogo’s. Het symbool staat voor de ideologie die binnen het westerse liberale systeem leidend is geworden. Het is die “quasi-metafysische lijm die mensen zonder schijnbare dwang onderwerpt”. De genderbeweging is fanatiek, intolerant en totalitair. Of het nu gaat om het homohuwelijk, transgender-toiletten of genderonderwijs, de activisten dulden geen tegenspraak en snoeren andersdenkenden de mond. Vrijheid van meningsuiting en geweten bestaan voor hen niet. “Het gaat erover hoe we de liefde ‘vrij’ kunnen maken: vrij van kleinburgerlijke opvattingen, het knellende instituut van het huwelijk, de overerfde moraal van het christendom,’ schreef Colin van Heezik afgelopen mei in de Volkskrant. “Wat vijf nog tien jaar geleden nog vrij zeldzaam was, is het nu niet meer. Open relaties (dus relaties zonder seksuele exclusiviteit) en polyamorie (het onderhouden van meerdere intieme, toegewijde liefdesrelaties tegelijk) worden steeds minder uitzonderlijk.” De revolutie dendert verder.

“De morele normen die seksualiteit zo begrenzen dat ze het leven en niet de dood dient, deze grenzen worden tegenwoordig als ‘discriminatie’ gebrandmerkt en met de dwang van de wet vernietigd. Dat gebeurt onder de vlag van ‘vrijheid’. Maar deze opvatting van vrijheid heeft niets met waarheid en verantwoordelijkheid te doen en is het bewijs van een hellend vlak in een nieuw totalitarisme,” schrijft Kuby. Diverse kritische wetenschappers zijn hun baan al kwijt en actiegroepen hebben onder druk van een totale ban kritische berichten en video’s van sociale media-kanalen moeten verwijderen. Kuby: “We bevinden ons in  een culturele oorlog waarin het om de toekomst van het gezin gaat, om de vrijheid, de menselijkheid, het christendom, de culturele identiteit en het fysieke voortbestaan van de natie.”

Posted on

Gendergekte met gevolgen

De techniek is ondertussen genoegzaam bekend. Om wetgeving te laten aannemen, wijzigen of afschaffen, creëer je een mediahype. Je zoekt een opvallend, merkwaardig, revolterend of droevig feit, je gooit dat in de openbaarheid en je kadert het mediatiek goed in.

Idealiter is dit plotse feit al het voorwerp geweest van een lange opvolging door een bekend journalist, en heb je de experten achter de hand om op de leemten of beletsels in de wetgeving te wijzen. Vervolgens zet je dan aandachts- en bezigheidszoekende wetgevers aan het werk.

Zo ging dat met het homohuwelijk, met euthanasie, met euthanasie voor minderjarigen, met de kraakpanden en nu vorige week met gender, genderwijziging en genderkeuze. Boudewijn werd Bo.

Men kan respect of sympathie hebben voor de private keuzes van mensen die hun persoonlijk leven betreffen; daar is helemaal niets mis mee. Maar als die private keuze het voorwerp van een mediagestuurde hoogmis wordt, als het onderscheid tussen privé-sfeer en publiek domein verdwijnt, is dit ook niet langer een private aangelegenheid. De vraag wordt dan wat de ‘maatschappelijke agenda’ echt is.

In dit opzicht is dan ook het fait divers van vorige week van veel minder belang dan de (voorbereidende?) wet van 25 juni 2017 ‘tot hervorming van regelingen inzake transgenders wat de vermelding van een aanpassing van de registratie van het geslacht in de akten van de burgerlijke stand en de gevolgen hiervan betreft’.

In tegenstelling tot wat de titel van de wet zou doen vermoeden heeft deze veel minder te maken met transgenders, dan wel met het veralgemeend mogelijk maken van genderkeuze.

Inderdaad kan eenieder, man of vrouw, zelfs minderjarig, er sinds de genderkeuzewet voor kiezen om van gender te wijzigen (weliswaar beperkt tot ‘man’ of ‘vrouw’ – zelfs niet tot ‘transman’ of ‘transvrouw’) door een eenvoudige verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, louter op voorwaarde van enkele consultaties en een afwezigheid van bezwaar van de procureur des Konings. Enige medische ingreep is niet langer vereist.

Wie is mama, wie is papa?
Maar, en hier komt de kat op de koord, de regels van het burgerlijk wetboek inzake vaderlijke en moederlijke afstamming werden niet gewijzigd. Dit betekent dat een man die vrouw wordt (transvrouw) en een kind verwekt, nog steeds, als vrouw, de vader van haar kind wordt.

En een vrouw die man wordt (transman) en een kind baart, wordt nog steeds de moeder van zijn kind.

Men hoeft geen groot geleerde te zijn om in te zien dat zoiets onhoudbaar is, en dat binnen de kortste keren zal geijverd worden voor het schrappen van de begrippen vaderlijke en moederlijke afstamming in ons recht. De minister van justitie alludeerde daar trouwens al op tijdens de bespreking in de Kamercommissie. En wie de begrippen vaderlijke en moederlijke afstamming afschaft, schaft meteen de noties vader en moeder af, en zelfs de noties meemoeder en meevader.

In eerste instantie blijft dan enkel nog het begrip ‘ouder’ over, ouder 1 en ouder 2. Evenwel zal zelfs het begrip ‘ouder’ niet houdbaar blijken op het ogenblik dat twee samenlevende vrouwen een beroep doen op een gametendonor, en twee samenlevende mannen een beroep zullen mogen doen op een draagmoeder om hun recht op een kind te realiseren.

Wat er dan overblijft zijn zorgende en opvoedende wensouders. Wensouders kunnen ongetwijfeld uitstekende opvoeders zijn, maar als ze het kind niet verwekt of gebaard hebben zijn het geen ouders in afstammingszin.

En er zijn volwassenen en kinderen die een warme opvoeding genoten hebben, maar toch op zoek gaan naar hun biologische ouders.

Daarvoor wil dezelfde wetgever dan zelfs de anonimiteit van de gametendonatie afschaffen. En rijst onmiddellijk de vraag wat de rechten zijn van de donoren en hun partner(s) t.a.v. het kind, en van het kind t.a.v. de donoren en hun partner(s). Vele donoren willen helemaal geen ‘ouder’ zijn, en men kan dit zeer goed begrijpen.

Een zo goed als onontwarbaar kluwen is het onvermijdelijke gevolg. Nog maar eens.

Maar wat meer is, deze radicale transformatie gaat naar het wezen van onze cultuur, waarin familie, afstamming, gezin, en de rol van vader en moeder – evoluerend, jazeker – steeds centrale referenties geweest zijn.

Ik herinner me het relletje in mei 2017 toen een school de viering van ‘moederdag’ afschafte omwille van de grote diversiteit in gezinssituaties. Het is minstens paradoxaal te noemen dat de luidste roeptoeters van toen amper een maand later de hogervermelde genderkeuzewet mee patroneerden.

En om het voor de goegemeente allemaal wat verteerbaar te maken, blijft men het nog even hebben over slechts twee genders, man en vrouw. Maar wie de materie zelfs maar een heel klein beetje kent, weet dat volgens de genderideologie binariteit gelijkstaat met vloeken in de kerk. De kern van de genderideologie, overal gepropageerd, is juist dat een emancipatie uit dit binaire, biologisch gedetermineerde denken dringend noodzakelijk is.

Progressief

Gender is in deze religie een fluïde begrip, met een onbeperkt en onbepaald aantal varianten, wisselend naar tijd en omstandigheden. Facebook somt bijna 90 genders op. Genderideologie is een van de instrumenten om een cultuur radicaal te transformeren. Zoals steeds spelen transnationale netwerken, gebruik makend van het juridisch instrument van de ‘grondrechten’, hierin een belangrijke rol.

Genderideologie is zelfs gaan behoren tot het wezen van ‘het Europees project’ – zie de talrijke resoluties van het Europees ‘Parlement’ en hun weerslag in talrijke Richtlijnen.

Een hoofddoek dragen is zogezegd een aanslag op onze cultuur, en een boerkini is een atoombom, maar onze cultuur in het hart treffen, dat is meerijden op de trein van de geschiedenis.

Want “die moslims moeten eindelijk maar eens beseffen hoe progressief we wel zijn”. Wat mij betreft is de liberaal-libertaire sharia een acutere bedreiging.

Dit opiniestuk is oorspronkelijk gepubliceerd op VRT NWS.

Posted on 1 Comment

Paul Cliteur: Onderzoek politieke inbreuken op rechtsstaat weinig nuttig

De verkiezingsprogramma’s van PVV, VVD, CDA, SGP en VNL bevatten één of meerdere voorstellen die op gespannen voet staan met de rechtsstaat. Zo meldt dagblad Trouw vandaag op basis van analyse van dertien verkiezingsprogramma’s door een commissie van hoogleraren in opdracht van de Nederlandse Orde van Advocaten.

De commissie spreekt van plannen die “rechtstreeks ingaan tegen fundamentele rechten en vrijheden van mensen, of inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces”, vooral rond het voorkomen van terrorisme en voorstellen die te maken hebben met immigratie en het vluchtelingenvraagstuk.

“Wie ter bescherming van onze rechtsstaat bereid is om de rechtsstaat zelf te ondermijnen [..] vormt zelf een bedreiging voor de vrijheden die het fundament van onze samenleving vormen”, zo stellen de hoogleraren.

Novini ging te rade bij rechtsfilosoof Paul Cliteur, onder andere bekend van zijn optreden als getuige-deskundige in de recente rechtszaak tegen PVV-leider Geert Wilders over zijn ‘minder Marokkanen’- uitspraak.

Cliteur reageert desgevraagd, dat “het probleem is dat voor een effectieve criminaliteitsbestrijding en voor een effectieve bestrijding van terrorisme heel vaak maatregelen moeten worden genomen die zich op gespannen voet bevinden met rechtsstatelijke waarborgen.”

Wanneer de terrorismedreiging groot is moet je bij het betreden van een warenhuis of een kerstmarkt je tas openmaken. Dat is in strijd met de privacy en daarmee een maatregel die zich op gespannen voet bevindt met de rechtsstaat. Dit soort voorbeelden kunnen moeiteloos worden uitgebreid. De centrale vraag is er een van proportionaliteit: welke maatregelen achten we verantwoord in het licht van de dreigingen die op ons afkomen?

Verder wijst de hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit Leiden op het beperkte nut van een dergelijk onderzoek door juristen, gespeend van politieke afweging:

Wie alleen maar wil registreren welke inbreuken op de rechtsstaat worden gemaakt zonder zich bezig te houden met de vraag van de noodzaak daarvan doet weinig nuttigs.

 

Posted on

Door pretentie alternatiefloosheid drijft westers establishment kiezers naar alternatieven als Trump

“Achteraf bezien lijkt Trumps overwinning een logische voortzetting van een breder proces dat zich ontvouwt in de westerse wereld: Hongarije, Polen, Brexit, mogelijke politieke verschuivingen in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk enzovoort”, aldus Ryszard Legutko, hoogleraar filosofie in Krakau en lid van het Europees Parlement voor de Poolse regeringspartij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS, ECR-fractie) tegenover The American Conservative.

“Wat de ontwikkelingen in Europa en de Verenigde Staten gemeen lijken te hebben is een groeiend wantrouwen jegens het politieke establishment dat lange tijd de macht in handen heeft gehad. Mensen hebben een gevoel dat dit in veel gevallen het zelfde establishment is, ondanks de verandering van regeringen.”

Legutko analyseert vervolgens wat het wantrouwen jegens het politieke establishment veroorzaakt:

“Dit establishment wordt gekarakteriseerd door twee dingen: ten eerste, zowel in de Verenigde Staten als in Europa (en in Europa nog het sterkst) verklaren de vertegenwoordigers ervan schaamteloos dat er geen alternatief is voor hun agenda, dat er praktisch maar een set ideeën is – die van hun – die ieder beschaafd persoon mag onderschrijven, en dat zij zelf de enige verstrekkers van politieke respectabiliteit zijn; ten tweede zijn de leiders van dit establishment evident van matige kwaliteit, en dat is al zo lang het geval dat de kiezers het ook op kunnen merken.

Omdat de heersende politieke elites geloven dat zij de samenleving op de enige juiste politieke koers sturen, en dat zij de kwalitatief meest hoogstaande producten van de westerse politieke cultuur zijn, proberen ze het huidige conflict voor te stellen als een revolte van de onverlichte, verwarde en gemanipuleerde massa’s tegen de verlichte elites. In Europa lijkt het soms op een poging een nieuwe vorm van aristocratie te construeren, aangezien een plaats in de hiërarchie wordt toegewezen aan individuen en groepen, niet op basis van hun werkelijke opleiding of hun denkvermogen of de kracht van hun argumenten, maar vanwege het lidmaatschap van een bepaalde klasse. De nieuwe aristocraten zijn vol minachting voor het gepeupel, ze nemen geen blad voor de mond om ze de mantel uit te vegen, voor rotte vis uit te maken en de regels van de betamelijkheid te breken – en dit alles maakt niet dat ze zich minder aristocratisch voelen.

Het is denk ik dit contrast, tussen enerzijds de arrogantie waarmee de nieuwe aristocraten hun orthodoxie prediken en anderzijds de in het oog springende lage kwaliteit van hun leiderschap, dat uiteindelijk veel mensen in Europa en Amerika ertoe gedreven heeft om te zien naar alternatieven in een wereld waarvan het te lang was voorgehouden dat er geen alternatief was.”

Legutko wijst vervolgens fijntjes op de discrepantie in de beoordeling van de keuzes van de Amerikaanse kiezers door Europese establishment-commentatoren:

“Toen Amerika acht jaar geleden een volstrekt onbekende en onervaren politicus tot president koos, die ook nog eens niet bepaald een toonbeeld van politieke deugd was, werd deze keuze overal toegejuicht als een triomf van de politieke verlichting, en de president kreeg de Nobelprijs van tevoren, voordat hij iets had kunnen doen (niet dat hij naderhand iets van waarde deed). De voortzetting van dit beleid door Hillary Clinton voor nog eens acht jaar zou dit establishment en hun ideeën een nog sterkere positie hebben gegeven met alle betreurenswaardige gevolgen van dien.

Voor een buitenstaander als mijzelf, lijkt Amerika na de verkiezingen curieus verdeeld. Aan de ene kant is er het Amerika van Obama en Clinton dat het beste van de moderne politiek claimt te vertegenwoordigen, min of meer verenigd door een duidelijk linkse agenda met als doel een herstructurering van de Amerikaanse samenleving, het gezin, het onderwijs, gemeenschappen, de moraal. Dit Amerika loopt in de pas met wat algemeen beschouwd wordt als de tendens in de westerse wereld. Er lijkt echter ook een ander Amerika te bestaan, diep ontevreden met die eerste, kwaad en vastberaden, maar tegelijk verward en chaotisch, verlangend naar actie en energie, maar onzeker van zichzelf, trots op de verloren grootheid van hun land, maar zonder grote leiders, vol van hoop maar arm aan ideeën, een vreemde mengeling van groepen en ideologieën, zonder duidelijke identiteit of politieke agenda. Dit andere Amerika zou gepersonifieerd niet veel anders zijn dan Donald Trump.”

De christelijke kiezers

Rod Dreher van TAC vraagt Legutko hoe het kan dat 52 procent van de katholieken en meer dan 80 procent van de blanke evangelicalen op Trump stemden, ondanks het feit dat hij geen serieuze christen is. Dreher vermoedt zelf dat veel christenen van Trump verwachten dat er een einde komt aan de voortgaande aanvallen op de godsdienstvrijheid uit naam van de genderideologie.

“Christenen zijn de grootste vervolgde religieuze groep in de niet-westerse wereld, maar droevig genoeg ook de meest tot doelwit gemaakte religieuze groep in die westerse landen die besmet zijn met de ziekte van de politieke correctheid (dat wil zeggen vrijwel alle westerse landen). Sommige westerse christenen, inclusief de kerkleiding, hebben iedere gedachte aan verzet laten varen en niet alleen gecapituleerd maar zich zelfs bij de vijand aangesloten om hun eigen kudde te disciplineren. Geen wonder dat veel christenen bidden om betere tijden, hopende dat er tenminste een partij of een leider zal komen die de dwangbuis van de politieke correctheid wat losser kan maken en de anti-christelijke kantjes er af kan vijlen. Het was dan ook te verwachten dat, gegeven de keuze tussen Trump en Clinton, ze voor de eerste zouden kiezen. Maar is Trump zo’n leider?

Anti-christelijke vooroordelen hebben een institutionele en juridische vorm van zo’n omvang aangenomen, dat geen president, ongeacht hoe toegewijd aan de zaak, er snel verandering in kan brengen. Het is vandaag de dag in Amerika zelfs moeilijk om je bezwaar tegen politieke correctheid onder woorden te brengen, omdat het publieke en private discours fundamenteel gecorrumpeerd is door linkse ideologie, en het Amerikaanse volk heeft zichzelf gespeend van een alternatieve taal (en hetzelfde geldt voor de Europeanen). Om van dit discours af te bewegen vraagt meer bewustheid van dit probleem en meer moed dan Trump en zijn mensen lijken te hebben. Wat Trump wel kan en moet doen, en daaraan zullen we zijn bedoelingen zien, zij drie dingen:

Ten eerste moet hij breken met de, directe of indirecte, betrokkenheid van de regering in anti-christelijke acties, breken dus met de praktijk van zijn voorganger. Ten tweede moet hij de juiste rechters benoemen in het Hooggerechtshof. Ten derde moet hij de verleiding weerstaan om het politiek-correcte establishment te vleien, zoals sommige Republikeinen wel gedaan hebben, want dat zou niet alleen een slecht signaal zijn, maar ook getuigen van naïveteit: dit establishment is nooit tevreden met minder dan onvoorwaardelijke overgave van zijn tegenstanders.

Of dit genoeg ruimte zal creëren voor Amerikaanse christenen om een tegenoffensief te lanceren en verloren gebied te herwinnen, ik weet het niet. Veel zal afhangen van wat christenen zullen doen en hoe uitgesproken ze zullen zijn in het publiek maken van hun zaak.”

Liberalisme verdraagt geen pluralisme

demon-in-democracyMede naar aanleiding van zijn boek The Demon in Democracy spreekt Dreher verder met Legutko over de vraag hoe zaken als de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump het politieke discours kunnen veranderen, nu is gebleken dat liberalen zich vergisten als ze dachten dat er een ‘goede kant van de geschiedenis’ was en zij eraan stonden.

“Liberalisme gaat, ondanks zijn opschepperige verklaringen van het tegendeel, niet over diversiteit, meervoudigheid of pluralisme, en dat is ook nooit zo geweest. Het gaat over homogeniteit en unanimiteit. Liberalisme wil dat alles en iedereen liberaal is, en tolereert niet dat iets of iemand niet liberaal is. Daarom hebben liberalen ook zo’n sterk gevoel voor wie de vijand is. Wie het ook maar met ze oneens is is niet slechts een opponent met andere opvattingen, maar een potentiële of daadwerkelijke fascist, een Hitler-adept, een xenofoob, een nationalist, of – zoals men in de EU vaak zegt – een  populist. Zo’n miezerig persoon verdient het om veroordeeld, bespot, vernederd en uitgescholden te worden.

Het Brexit-referendum had gezien kunnen worden als een oefening in diversiteit en als zodanig geapprecieerd kunnen worden door iedere pluralist, of als empirisch bewijs dat de EU in zijn huidige vorm er niet in slaagde diversiteit te accommoderen. Maar de reactie van de Europese elites was anders en voorspelbaar – dreigementen en veroordelingen. Voor de Brexit reageerde de EU op een vergelijkbare wijze op de verkiezingsoverwinning van non-liberalen in Hongarije en later in Polen, waarbij de winnaars meteen als fascisten werden geclassificeerd en de verkiezingen als niet helemaal legitiem. Het liberale denken zit zo in elkaar dat het alleen die verkiezingsuitslagen accepteert waarin de correcte partij wint.

Het valt dan ook te verwachten dat er op dezelfde manier omgegaan zal worden met Donald Trump en zijn regering. Zolang de liberalen de toon van het publieke debat zetten, zullen ze diegenen blijven wegzetten die volgens hen ten onrechte gekozen zijn of die volgens hen verkeerd gestemd hebben. Dit zal niet ophouden totdat boven iedere twijfel verheven is dat de veranderingen in Europa en de VS niet van tijdelijke en vluchtige aard zijn en dat er een levensvatbaar alternatief is dat niet zal verdwijnen met de volgende democratische pendelbeweging. Maar dit alternatief is zich nog aan het vormen en we weten nog niet zeker wat het uiteindelijke resultaat zal zijn.”

Posted on

Volkswagen als kanarie in de kolenmijn

Wat de Amerikanen en hun multinationals ‘vrijhandelsakkoorden’ (TTIP) noemen, heeft voormalig vice-president van de Verenigde Staten Dick Cheney met de NAVO vergeleken, het moet Europa onderwerpen aan de Amerikaanse economische dominantie en belangen.

Volgens de Brzezinski-doctrine kunnen de Verenigde Staten hun wereldmacht alleen bestendigen wanneer ze grip houden op Europa. Europa op haart beurt kunnen ze slechts in de greep houden, wanneer ze grip houden op Duitsland.  Dit geldt niet alleen in politiek maar ook in economisch opzicht. Europa moet nu dan ook met behulp van TTIP tegen Rusland tot een gemeenschappelijk euro-Atlantisch economisch blok aaneengesmeed worden.

De politieke en juridische greep naar de macht over Europa als economische grootheid met behulp van TTIP wordt begeleid door aanvallen op, vooral Duitse, economische bastions, die nog niet in Amerikaanse handen zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor Volkswagen. Het Amerikaanse General Motors (GM) heeft twee keer geprobeerd de vette buit Volkswagen binnen te slepen met behulp van ongelimiteerde kredieten van de FED. De eerste keer is de familie Porsche GM voor geweest. De tweede keer verloor GM een rechtszaak tegen het vetorecht van de Duitse deelstaat Nedersaksen (denk aan ‘Autostad’ Wolfsburg).

Nu doet GM een derde poging, het heeft zijn invloed op de Amerikaanse overheid aangewend, die nu samen met juristen werkt aan een aderlating voor Volkswagen in de VS, zodat het concern goedkoper wordt en dan voordelig overgenomen kan worden. Zou Volkswagen iets dergelijks andersom proberen, dan zou de Amerikaanse regering onverwijld met haar veto (“security related”) zwaaien.

Het echte schandaal rond Volkswagen is echter dat de Duitse regering zich niet achter Volkswagen stelt, dat ze kennelijk grotere loyaliteit heeft tegenover de Amerikaanse regering dan tegenover de 100.000 Duitse werknemers van Volkswagen.

[contextly_sidebar id=”tpBRBwYucgWIkJGkYbDNLauMN2NoUgTC”]Als de Duitsers de Amerikanen ten gunste van de beide Amerikaanse concurrenten Ford en Opel (General Motors) Volkswagen kapot laten maken, verliest Duitsland niet alleen werkgelegenheid, maar ook één van zijn internationale uithangborden.

Als met behulp van TTIP Amerikaans recht ingang vindt in Europa, dan zal Volkswagen ook niet de laatste grote onderneming zijn die het doelwit wordt van de Amerikanen, om van de nog resterende Duitse know-how-monopolisten nog maar te zwijgen.

Het mag dan ook niet verwonderen dat een regering die zwijgt over de Amerikaanse vermurwing van Volkswagen, ook de machtsovername van Amerikaanse concerns over de Duitse economie (TTIP) duldt of zelfs toejuicht. De strijd die de Amerikanen momenteel tegen Volkswagen voeren, zou in de VS onmogelijk zijn, door geen enkele Amerikaanse regering noch het Congres geduld worden. Dit maakt maar weer eens duidelijk wat een verdrag tussen een machtige (VS) en een onmachtige partij (EU) waard is, wanneer de onderhandelingen gevoerd worden door Amerikaans georiënteerde functionarissen (Europese Commissie) en wanneer de werkgeversorganisaties de belangen van internationale concerns doorzetten tegen die van de middenstand.

Posted on

Christiane Taubira: solidair met terroristen met dubbele nationaliteit

Eind januari is Christiane Taubira afgetreden als minister van Justitie van Frankrijk. Met deze minister uit Frans Guyana verliest president Hollande een van zijn meest opvallende en meest omstreden ministers.

Het terugkerende thema van Taubira’s politieke engagement is haat voor de blanke, mede door het christendom gestempelde, Franse cultuur. Ze begon haar politieke loopbaan in de jaren ’70 in de sfeer rond terroristische Guyaanse onafhankelijkheidsstrijders. Tot 1998 had Taubira een relatie met de veroordeelde terrorist Roland Delannon, waarmee ze in 1987 trouwde. Tijdens zijn anderhalf jaar durende hechtenis, ging ze in 1974 ondergronds.

In de Nationale Vergadering, het lagerhuis van het Franse parlement, zit ze sinds 1993 als afgevaardigde van Guyana. Als zodanig vraagt ze in 2001 aan de toenmalige minister van Justitie Marylise Lebranchu de veroordeling van haar zoon Lamine wegens medeplichtigheid aan een roofoverval ongedaan te maken.

Taubira is verantwoordelijk voor de in 2001 aangenomen ‘wet inzake de erkenning van de trans-Atlantische slavenhandel als misdaad tegen de menselijkheid’. Sindsdien is 10 mei de officiële gedenkdag van de slavernij en de Europese slavenhandel een verplicht onderdeel van het geschiedenisonderwijs. Op basis van deze wet probeerde in 2006 een ‘antiracistisch’ collectief, ondersteund door Taubira, de gerenommeerde maar politiek-incorrecte historicus Olivier Pétré-Grenouilleau de lesbevoegdheid te ontnemen.

In 2012 benoemde president Hollande Taubira tot minister van Justitie. Op kritiek op haar wetsontwerpen antwoordde ze naar believen met het verwijt van racisme dan wel seksisme of homofobie. Anne-Sophie Leclère, een lokale politica van het Front National, werd in 2014 in eerste aanleg wegens een fotomontage op haar facebook-pagina, die Taubira als aap weergaf, tot een gevangenisstraf van negen maanden en een boete van 50.000 euro veroordeeld. Het vonnis werd later tot Taubira’s spijt in hoger beroep opgeheven.

[contextly_sidebar id=”LYHlN8dSJEiEcEyeD18DN5NGP1nRVsij”]Ook de tegenstanders van de invoering van het zogenaamde homohuwelijk, waarin Taubira een “beschavingswissel” ziet, voelden vanaf 2013 de volle kracht van de wet op zich neerkomen. Vreedzame protesten werden door de politie met geweld ontbonden en tegen de student Nicolas Bernard-Buss werd een showproces zonder straf- of civielrechtelijke basis gevoerd, die voor de aangeklaagde in een gevangenisstraf van zes maanden zonder voorwaardelijke vrijlating en opname in het strafregister als “bijzonder gevaarlijke crimineel” uitmondde. In diezelfde tijd riep Taubira per ministerieel schrijven ambtenaren van de burgerlijke stand ertoe op om, in weerwil van geldend recht, in het buitenland door surrogaatmoeders gebaarde kinderen van homoseksuele paren het Franse staatsburgerschap te verlenen.

Op het terrein van het strafrecht propageerde Taubira van het begin af aan een paradigmaverschuiving van straf en gevangenis naar “maatschappelijke verantwoordelijkheid” voor het afglijden in de criminaliteit, in het bijzonder bij immigranten, die in Frankrijk het gros van gevangenisbevolking uitmaken. Sinds haar hervorming van het strafrecht in 2014 zijn de rechters gehouden om bij misdrijven die met vijf jaar of minder in de gevangenis bestraft kunnen worden, alternatieve straffen de voorkeur te geven. Voor recidivisten schafte Taubira strafverzwarende maatregelen af en voerde daarentegen voor alle gevangenen systematische vroegtijdige vrijlating in, onder voorwaarden en na het uitzitten van twee derde van het vonnis. Deze maatregelen waren meermaals aanleiding voor protesten van gevangenispersoneel, politie-agenten en advocaten.

Een aan duidelijkheid niets te wensen overlatende inblik in Taubira’s wereldbeeld biedt het interview met het tijdschrift Paris Match van 6 mei 2015, waarin de minister verklaarde: “De kinderen, die op mij lijken hebben alle recht van de wereld. Zij (de racisten, oftewel de blanken, red.) zullen daar aan moeten wennen. De rede zal ze leren in te zien, dat de mensen, die op mij lijken, talrijker zijn. En dat het beter voor ze is, deze niet te veel uit te dagen.”

Onlangs trad Taubira dan af, op grond van president Hollande’s voorgenomen grondwetswijziging voor het intrekken van het staatsburgerschap, want deze maatregel treft vooral voor terrorisme veroordeelden met een dubbele nationaliteit en niet zozeer autochtone Fransen met slechts één nationaliteit. Taubira ziet daarin een discriminatie van immigranten. “Vaak vraagt verzet om te blijven, vaak vraagt het ook om te vertrekken”, aldus Taubira op Twitter ten afscheid.

Posted on

Het geweer van Moroni

Toen Amalickiah, een vooraanstaand leider der Nephieten, er niet in slaagde om zichzelf tot koning te laten maken, liep hij over naar de Lamanieten. Een burgeroorlog ontstond. Kapitein Moroni van de Nephieten riep zijn volk te wapen. Hij deed dit door zijn mantel te nemen, hem te scheuren tot hij bruikbaar was als een vlag en schreef erop “In de gedenkenis van God, onze religie, en vrijheid, en onze vrede, en onze vrouwen, en onze kinderen”. Deze mantel werd de “title of liberty” genoemd en in de oorlog die volgde werd er een versie op elke toren gehesen die veroverd werd op de aspirant-tiran Amalickiah: “And it came to pass also, that he caused the title of liberty to be hoisted upon every tower which was in all the land, which was possessed by the Nephites; and thus Moroni planted the standard of liberty among the Nephites.” Daarna zou er nog een poging komen om een koning te installeren, die de bestaande kritocratie (heerschappij door rechters) omver wou werpen. De aanvoerder van deze poging, Pachus, botste op zijn beurt op Moroni en moest tevens het onderspit delven. Moroni toonde zijn volk dat om vrij te zijn van staatsdwingelandij men op God moest vertrouwen. Ieder die zich tot koning durfde kronen, of een koninklijk gedrag vertoonde, was een gevaar en moest verwijderd worden. Aldus staat geschreven in het boek van Mormon.

Men moet bij de titel koning niet puur het monarchale zien, maar het in de context zien zoals Lucius Junius Brutus het gezien zou hebben. Die verdreef de laatste Romeinse koning, Tarquinius Superbus, en zorgde ervoor dat het woord koning een gruwelijk verwijt werd. Zo gruwelijk dat Gaius Julius Caesar, die de gedragingen van een koning vertoonde, vermoord moest worden om zo de heilige waarden te beschermen.

De Bundy ranchers

Het is vanuit die redenering dat momenteel in Burns (Oregon, Verenigde Staten van Amerika) gewapende militieleden onder leiding van de Bundy familie grond bezetten die officieel in handen is van de Amerikaanse federale overheid. Amanda Peacher, journaliste voor OPB (Oregon Public Broadcasting), vroeg aan de persoon die de toegang tot de gronden bewaakte zijn naam. Het antwoord was: “I am captain Moroni, from Utah”. Utah is een Amerikaanse staat in het Midwesten en is gesticht vanaf 1847 door Mormoonse kolonisten onder leiding van Brigham Young. Zij waren daarvoor in oorlog geweest met staatsmilities uit Illinois. Stichter van de Mormoonse kerk, de Church of Latter Day Saints (LDS), Joseph Smith was in juni 1844 gelyncht door een menigte, daartoe aangezet door de Democratische gouverneur van Illinois Thomas Ford. Young had de Mormonen naar wat later Utah zou worden gebracht omdat gouverneur Ford hen begon uit te drijven met behulp van gewapende milities.

De Mormonen zouden nooit meer een grote fan zijn van de federale overheid. Ook door de rest van de Amerika werden en worden zij met een scheef oog bekeken. Mitt Romney, voormalig Republikeins presidentskandidaat, is een actief Mormoon en heeft een ietwat positiever beeld van de volgelingen van de LDS kunnen ophangen. Desondanks blijft het wantrouwen naar deze sekte/religie groot.

In 1910 breekt in Mexico een gewapende revolutie uit en moet Mormoon Abraham Bundy vluchten. Eerder in 1890 had hij zijn woonplaats in Beaver Dam Wash moeten ontvluchten door overstromingen. Aangekomen in  Arizona stichtte hij het dorpje Mount Trumbull, dat door iedereen Bundyville werd genoemd. In de winter van 1936-1937 werd Bundyville drie maanden afgesneden van de buitenwereld. Vee stierf bij de honderden. De Bundy’s waren echter taai. Zoals typisch is voor Mormonen, hadden zij zeer grote gezinnen. Matriarch Chloe had op haar 63 jaar reeds 50 kleinkinderen en achterkleinkinderen, nadat zij zelf 14 kinderen op de wereld had gezet. Eén van haar dochters, Genieve, had 16 kinderen gebaard en had al haar tanden nog (wat bij zwangere vrouwen met gebrekkige medische bijstand wel eens een probleem kan zijn). Alle Bundy’s waren gezond, intelligent en aantrekkelijk volgens schrijfster Maurin Whipple. Geen enkele afwijking onder al die kinderen te bespeuren, een taaie familie. Zij waren veeboeren en tussen 1925 en 1940 hadden zij bijna 4.000 are in bezit. Met de opkomst van een regulering van graasrechten verkregen zij echter niet de nodige rechten op water in hun graaslanden. Opnieuw moesten Mormonen vertrekken omdat hun leven onmogelijk werd gemaakt door een Amerikaanse staat.

De Bundy’s trokken naar Bunkerville (Nevada) in de jaren 1950 en begonnen met het verkrijgen van 160 are land. Deze keer wel met genoeg waterrechten. Huidig patriarch van de familie, Cliven Bundy, had in 1997 waterrechten verkregen bij een dozijn putten voor 100 veestuks tegelijk, bij sommige 250. In de jaren ’60 waren echter reeds de eerste donderwolken verschenen. Openbare gronden werden omgevormd van gebied voor mijnbouw en veeteelt naar ecologische bescherming en publieke ontspanningsgebieden. Het Bureau of Land Management (BLM) zou voortaan belastingen heffen op het vee en jaarlijks aanpassingen van de aantallen vee in de kuddes eisen. Eind jaren ’70 werden de activiteiten van ranchers zoals de Bundy’s als niet-prioritair beschouwd. Het zorgde voor de zogenaamde Sagebrush Rebellion, een beweging die eiste dat federale gronden werden overgedragen naar staten. Cliven Bundy zou deze zaak hartstochtelijk steunen. In 1993 moest zijn graasvergunning voor de vierde keer hernieuwd worden. Opnieuw verlaagde het BLM het aantal toegestane kuddedieren en verhoogde het de bestaande graastaksen. Tevens waarschuwde het BLM dat er nog meer veranderingen op til waren omdat men besloot de woestijnschildpad te beschermen. In andere woorden: de kans was groot dat Cliven Bundy voor de tweede keer zou kunnen verkassen. Opnieuw door regulering van een Amerikaanse staat. Begrijpelijk dat de man, zowel uit eigen ervaring als de geschiedenis van zijn geloofsgemeenschap, hier meer in zag dan enkel bureaucraten aan het werk. Vanaf 1998 begon Cliven Bundy aan een reeks rechtszaken om dit te tegen te gaan. Sinds 1994 was hij, uit protest tegen het BLM, al gestopt met het betalen van graastaksen. De meest recente uitspraak op 9 juli 2013 (United States vs Cliven Bundy) stelde alvast dat het publieke belang gebaat was bij het tegenhouden van grazend vee op federaal land.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on Leave a comment

Oosterse Orthodoxie, mensenrechten en Europese integratie

Recentelijk is een gezamenlijke leerstoel van de Vrije Universiteit en de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam voor Orthodoxie en Vredesopbouw in Europa ingesteld, met Alfons Brüning als bijzonder hoogleraar. Koos van der Tang interviewde hem voor Novini.

Wat is uw achtergrond? Ik ben een geboren Duitser, sinds 2005 werkzaam aan de Radboud Universiteit. Ik ben in Berlijn gepromoveerd als kerkhistoricus en heb voordat ik naar Nijmegen kwam twee jaar aan de Universiteit van Münster gewerkt. De laatste jaren ben ik mij qua onderzoek meer gaan begeven op het vlak van religious studies. Wat mij bijzonder interesseert is het grensgebied, de scheidslijnen en ontmoetingen tussen het Latijns en Oosters christendom. Specifiek heb ik mij gericht op de kerken van Oekraïne, Wit-Rusland, Litouwen en Rusland. Maar dit gaat zich nu met de leerstoel uitbreiden naar alle relevante kerken. Mijn onderwijs binnen de minor Oosters Christendom omvat de spiritualiteit en de kerk in de periode van Paulus tot de laatste paus. Deze minor kan rekenen op een tiental studenten waarvan het voor de meesten een inleiding is tot een wereld die voor hen tot dan toe onbekend was.

Voor mij zijn niet alleen de historische ontwikkelingen maar vooral ook de reflectie op deze ontwikkelingen relevant gezien het feit dat culturele uitwisselingen een belangrijke rol speelt bij zowel het tot stand komen van vrede als van geweld tussen verschillende groeperingen. In WOII hebben we hiervan verschillende gezien tussen nationale en religieuze groeperingen. De vraag rijst wanneer resulteren deze ‘cultural encounters’ nu in vrede en wanneer leiden ze tot conflicten? En verder, wat is de rol van kerken en dan met name kerkleiders hierin. Onder welke voorwaarden spelen ze een positieve dan wel negatieve rol met betrekking tot het komen tot vreedzame oplossingen van onderlinge verschillen.

Waarom komen de stichting Instituut voor Oosters Christendom, de stichting VredesWetenschappen met deze leerstoel? Met de toetreding van landen als Roemenië en Bulgarije tot de Europese Unie in 2007 zijn miljoenen oosters-orthodoxe christenen onderdeel geworden van de europese integratie. In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat er een bepaalde spanning bestaat tussen de opvattingen van oosters-orthodoxe kerken en de Europese integratie van grondgebied. Met deze leerstoel wordt beoogd meer inzicht te krijgen in dit proces. Hoe zit het bijvoorbeeld met de identificatie van kerken en de nationale geschiedenis, denk hierbij aan de conflicten tussen de Bosniakken en Serven. In de periode dat dit conflict speelde is er onderzoek gedaan naar de rol van kerken en kerkleiders. De oosters-orthodoxe kerken vormen geen monolithisch blok maar zijn losser georganiseerd en veelkleuriger dan de Rooms Katholieke Kerk. Waarom doen ze aan vrede en wanneer aan conflict, wat zijn hun belangen en leidende motieven? Die vragen verdienen nader onderzoek.

Wat zijn de wensen en doelen wat u betreft en wat gaat er concreet gebeuren? Het komende halfjaar ga ik uitzoeken welke mensen in de universitaire wereld zich bezighouden met de verhouding tussen het orthodox christendom en de mensenrechten, de orthodoxe kerk in Roemenië, de orthodoxe kerk in Griekenland en de onderzoekers in Moskou die de ontwikkelingen van het patriarchaat aldaar onder de loep nemen. Om dit concreet vorm te geven zullen ook congressen georganiseerd gaan worden om de uitwisseling van kennis op dit terrein te faciliteren. Het doel van deze leerstoel is de Oosters Orthodoxe kerk en de conceptie van mensenrechten nader te onderzoeken.

De kritiek op de mensenrechten zoals geformuleerd door Abraham Kuyper lijkt op een aantal punten zeer sterk op kritiekpunten van oosters-orthodoxe leiders nu.

Wat is de relevantie van dit onderzoeksgebied? De Verklaring van Universele Rechten van de Mens is veel en soms zelfs in zijn geheel bekritiseerd door bepaalde kerkleiders. Het beeld wat bij deze mensen leeft is dat de mensenrechten voortkomen uit de radicale ideeën van de Verlichting uit West-Europa en dat is iets wat in Rusland zo niet heeft plaatsgevonden. Vanwege deze principiële maar ook andere specifieke punten verklaren veel kerkleiders de mensenrechten dan ook als ‘voor ons niet van toepassing’. In augustus 2008 formuleerde de Russisch-Orthodoxe Kerk haar eigen ‘leer van de Russisch-Orthodoxe Kerk over vrijheid, waardigheid en de rechten van de mens’. Dat klinkt anders dan maar is niet perse strijdig met westerse idealen. Het probleem wat zij hebben met de mensenrechten zit niet zozeer in de tegenstelling oost en west maar in de religieuze (katholiek, orthodox, protestants) versus de seculiere benadering. Volgens vele orthodoxen is het proces van aanvaarding van de mensenrechten gekenmerkt door de Franse Revolutie, welke zij beoordelen als antiklerikaal en dus verdacht, de Onafhankelijkheidsverklaring van Amerika, die zij zien als voornamelijk gebaseerd op een protestants idee, en de uiteindelijke universele verklaring door de Verenigde Naties die als voornamelijk westers en seculier beschouwd wordt.

Desondanks zijn de westerse kerken door een lang proces over het algemeen gekomen tot aanvaarding dan wel een steunende houding ten opzichte van de mensenrechten. Overigens, de kritiek op de mensenrechten zoals geformuleerd door bijvoorbeeld Abraham Kuyper lijkt op een aantal punten zeer sterk op kritiekpunten van oosters-orthodoxe leiders nu. In het stuk uit 2008 vraagt de Russisch orthodoxe kerk zich bijvoorbeeld af over welke vrijheid en welke rechten het moet gaan en vooral: waarop deze dan gefundeerd zijn, op het geschapen zijn door God of op een individualistische toepassing van een gelijkheidsbeginsel als zijnde een filosofische natuurwet. Maar ook, als er rechten zijn moeten daar plichten tegenover staan en waardoor wordt de vrijheid dan beperkt? Door het territorium van anderen of zijn er ook nog Goddelijke geboden? Zo ja hebben die dan nog enige betekenis voor de seculiere wetgeving? Sommigen argumenteren dan dat dit onmogelijk is gezien de verschillen tussen religies, wat de een vindt geldt mogelijk niet voor de ander. Anderen zijn van mening dat de seculiere democratie is gebaseerd op culturele verworvenheden en een bepaalde verdeling van macht en een discussiecultuur kent die haar oorsprong heeft in de christelijke opvoeding. Orthodoxen stellen dus de vraag naar de aard van de vrijheid, gaat het over autonoom beslissingen nemen of gaat het over vrij zijn van de zonde? Met andere woorden is het vrijheid voor iets, zelfstandig morele beslissingen nemen, of is het vrijheid van iets, het kwaad of de zonde.

Complicerende factor hierbij is dat het begrip ‘zonde’ in den brede niet veel bekendheid geniet omdat het een lastig begrip is voor een seculier persoon, want het heeft voor deze persoon geen betekenis. Veelal is men ook niet meer bekend met de herkomst, het is niet legalistisch dus het heeft geen duidelijke plaats in het discours. Orthodoxen vertrekken echter voor hun mens- opvatting vanuit de natuur van de mens en beschouwen de zonde niet zozeer als schuld en misdrijf maar als geestelijke ziekte waarvan men genezen dient te worden. Overigens kennen oosters-orthodoxe christenen het begrip erfzonde niet, hebben zij een wat positiever mensbeeld en zijn zij gericht op het vinden van genade voor de dood, iets waar de seculiere mens volgens hen de ogen voor sluit. De waardigheid van de mens sneeuwt onder door passies en verslavingen zoals bijvoorbeeld bij Hitler en Stalin die bepaald geen waardige en naar Gods evenbeeld levende mensen waren. De menselijke waardigheid zichtbaar maken vereist namelijk een bepaalde levenswijze. Opvattingen over hoe dat dan precies eruit moet zien kunnen schuren met de mensenrechten of met de opvattingen van seculieren die in een staat leven waar de oosters-orthodoxe kerk veel invloed heeft en in een aantal landen bijvoorbeeld ook veel zendtijd heeft op televisie. Dit leidt tot een tegenstelling die naar mijn idee allesbehalve noodzakelijk is. Bepaalde NGO’s bekritiseren dat laatste als een ‘clericalisering’ van de maatschappij waaraan zij niets menen te hebben. De geestelijkheid is echter ook op internet zeer aanwezig en presenteert zich veelvuldig in de media om te lobbyen voor hun standpunten om zo het overheidsbeleid te beïnvloeden.

Ondanks de verscheidenheid wordt vaak gesproken over het patriarchaat van Moskou als toon-aangevend. Wat zijn de onderlinge verhoudingen tussen de oosters-orthodoxe kerken? De kerken van Bulgarije, Roemenië, Servië, het oosten van Polen en dergelijke nemen een geïnteresseerd luisterende houding aan maar niet kritiekloos. Er is sprake van een theologische concurrentie tussen bijvoorbeeld theologen uit Griekenland en Rusland. Aanspraak op de leidende rol door Moskou gezien het grootste aantal leden wordt niet altijd positief ontvangen, men benadrukt graag de eigenheid en zelfstandigheid. Dit laatste geldt zeker voor de Roemeens-Orthodoxe Kerk die op Europees vlak een actieve rol vervult. De Roemeense patriarch kan vrij zeggen dat hij wat positiever staat tegenover de mensenrechten, toch probeert het patriarchaat in Moskou hier ietwat invloed op uit te oefenen.

De nationale patriarchen kennen sinds het eind van de 19e eeuw een onafhankelijke jurisdictie met als leidend idee het nationaal orthodox christendom. De kerkleiders komen regelmatig bijeen maar kennen geen paus-bisschop verhouding. Moskou het derde Rome noemen is dan ook geen politieke constructie maar puur theologisch en echatologisch, Rome was ook niet het centrum van de macht maar van de geestelijk christelijke wereld. Na de oorlog in de Krim werd Moskou nogal eens het derde Rome genoemd maar dat is tegenwoordig niet echt een issue meer. De patriarch spreekt echter nog wel over een bepaald ‘canoniek territorium’ van de Russische kerk (min of meer het territorium van de voormalige Sovjet-Unie) maar dan als zijnde een gebied waar zich historisch gezien een bepaalde vorm van christendom heeft ontwikkeld. Geopolitieke aanspraken spelen zijdelings wel een rol.

Veel kerkleiders hebben, met name in Roemenië, samengewerkt met de staat en hebben dus een diffuse rol gespeeld.

Wat is de visie van de oosters-orthodoxe kerk op de relatie tussen Rusland en Europa? Geopolitiek heeft men op een zeker moment het onderscheid gemaakt tussen Rusland, Europa en Islam. De conclusie was toen dat Rusland een aparte cultuur is, het idee van het derde Rome is erbij getrokken omdat het zo uitkwam niet omdat het zo bedoeld was. Wat dat betreft denken kerkleiders meer in verschillende werelddelen en civilisaties en dus niet alleen politiek, dit zorgt wel voor spanningen. Bijvoorbeeld in Moldavië dat in een omstreden grensgebied met Rusland de republiek Transnistrië kent. In dit gebied zijn zowel de Roemeens-Orthodoxe als de Russisch-Orthodoxe Kerk gevestigd. De patriarch van Rusland hield een toespraak waarin hij het gebied rekent tot de invloedsfeer van de Russisch-Orthodoxen, niet om hiermee de zelfstandigheid van de staat Moldavië te bestrijden maar wel om aan te geven dat de russischtalige mensen in Moldavië in principe onder de invloedssfeer van de Russisch-Orthodoxe Kerk vallen. Sommige mensen in Moldavië vinden vervolgens dat deze patriarch er niets te zoeken heeft en daar kunnen dan weer conflicten over ontstaan hoewel die doorgaans minder scherp zijn dan het lijkt.

Er zijn dus verschillen tussen de visie ten opzichte van Europa en daarmee ook tussen de maatschappelijke betekenis die de nationaal orthodox-christelijke kerken hebben? Inderdaad, neem Griekenland, Roemenie en Oekraïne. Griekenland is al sinds 1981 bij de EU en heeft sindsdien dus op het gebied van wetgeving een integratieproces doorlopen waarmee ook de invloed van de mensenrechten groter is dan in beide andere landen. Alle oosters-orthodoxe kerken hebben hun eigen vertegenwoordigers in Brussel, zonder een overkoepelende organisatie. Wel bestaat er een overkoepelende organisatie van Europese kerken, de Conferentie van Europese kerken behalve de Rooms Katholieke. Griekenland is dus zonder communistische verleden al dertig jaar gericht op de EU, vergelijk dat dan met Roemenië dat pas in de 21e eeuw bij de EU kwam en tot en met 1989 geregeerd werd door het dictatoriale bewind van Ceaucescu.

Veel kerkleiders hebben, met name in Roemenië, samengewerkt met de staat en hebben dus een diffuse rol gespeeld. Van pure onderdrukking van de kerken was wel vaak sprake maar niet overal. Tijdelijke samenwerking was min of meer de tendens. Van de kant van de staat betekende het geven van een reguliere structuur en functie aan de kerk vooral een middel van controle. Dit betekende niet dat priesters ook voor de geheime dienst werkten maar dat de kerk als zodanig wel onder leiding van de staat stond. Dit maakt het lastig waardoor een simpel zwart-wit slachtoffer-en-misdadigerverdeling geen rechtvaardigingsgrond heeft. Dit verleden speelt de Roemeens-Orthodoxe Kerk echter nog steeds parten, men weet niet goed hoe men er mee moet omgaan. Veel huidige kerkleiders hebben in hun jonge jaren onder censuur en observatie van al dan niet in de openbaarheid opererende staatsagenten hun opleiding genoten en dit maakt hen verdacht in de ogen van de gewone gelovigen. Men is dan ook nu nog huiverig voor elke vorm van samenwerking met de staat en de kerk is in algemene zin gesloten met betrekking tot deze problematiek. Bepaalde mensenrechtenorganisaties dringen aan op openbaarmaking van wie welke rol heeft gespeeld in de communistische periode en of zij dan moreel gezien wel het recht hebben om momenteel kerkleider te zijn. Mij zijn geen gevallen bekend van ontslag op basis van het verleden, veel priesters zijn dan ook van de nieuwe generatie en hogere kerkleiders blijven doorgaans hooggehouden, toch bestaat hierover binnen de kerk nog een bepaalde onzekerheid.

Wat maakt de kerkelijke situatie in Oekraïne anders dan in de andere landen? Oekraïne, ook een voormalig sovjetland kent een gedeelde Orthodoxe kerk. De Oekraïense Grieks-Katholieke Kerk die onder de jurisdictie van de paus valt maar de liturgie volgens de byzantijnse stijl viert en drie takken van de Orthodoxe kerk. Deze tweedeling ontstond begin jaren ’90 toen een bisschop zich afscheidde van het patriarchaat van Kiev waar vervolgens veel uit ballingschap terugkerende Oekraïners uit de Verenigde Staten zich bij aansloten. De verdeeldheid van de orthodoxe kerk in Oekraïne doet de kerk in de ogen van veel gelovigen krediet verliezen waardoor het beïnvloeden van het maatschappelijke debat een lastige klus is vergeleken met de kerken van Griekenland en Roemenië die wel een eenheid vormen. Opmerkelijk is verder dat sinds 2010 de machthebbers in Oekraïne bezig zijn invloed uit te oefenen op de Grieks-Katholieken omdat zij meer westerse neigingen vertonen en minder op het Russische denken gericht zijn. Hierbij worden stevige termen als nationalisme en fascisme gebruikt om hen zwart te maken terwijl het inhoudelijk nergens op gebaseerd is. Door deze spanningen zijn er wel grote verschillen merkbaar tussen wat kerkleiders in een gesprek onder vier ogen zeggen en wat zij in een openbare bijeenkomst te berde brengen en treden zij ook niet gezamenlijk op in het openbaar terwijl men elkaar achter de schermen wel regelmatig ontmoet.

Orthodoxe kerken onderling komen weinig tot elkaar om tot afstemming of een gezamenlijk geluid te komen.

Wat is de verhouding tussen de orthodoxe kerken en de protestantse? Zowel orthodoxen als protestanten hebben de Europese ‘Charta Oecumenica’ ondertekend en zijn met elkaar in gesprek via de Conferentie van Europese kerken. De relaties tussen de kerken zijn momenteel onderwerp van onderzoek want de structuren en invloedssferen zijn niet duidelijk. Bekend is dat er veel bilaterale consultaties zijn tussen de Russisch-Orthodoxe Kerk en de Katholieke Kerk in Duitsland, de protestantse kerk in Finland en hun Russische buren, enzovoorts. Orthodoxe kerken onderling komen echter weinig tot elkaar om tot afstemming of een gezamenlijk geluid te komen. Griekse en Armeense priesters gaan bijvoorbeeld niet samen iets overleggen of bezoeken afleggen, zij zijn vooral bezig met zichzelf. Geen concurrentie maar wel afstand, tegelijkertijd probeert men wel banden met kerken in de diaspora te versterken.

Wat kunt u zeggen over het karakter van geloven in de oosters-orthodoxe kerken? Allereerst bestaan er net als in West-Europa veel verschillen tussen individuele gelovigen, sommige zijn heel serieus bezig met de moraal en anderen leven er meer los van. In peilingen in Roemenië noemt bijvoorbeeld 80% zich orthodox, als er echter gevraagd wordt naar het kerkbezoek en Bijbellezen dan geldt dat 5% van de ondervraagden dat tenminste twee keer per maand doet. Tegelijkertijd is trouwen en kinderen dopen nog wel bij de overgrote meerderheid in gebruik vanwege de schoonheid en traditie. Orthodoxen geven in het algemeen minder om theorie, het moment van ervaring is zeer belangrijk. Ook hier ligt echter een verschil: een protestant die van ervaring spreekt doelt daarmee op zijn ervaring van de ontmoeting met God, een orthodoxe bedoelt de liturgie, de gezangen en de ontmoeting met een icoon. Het zijn dus andere ervaringen die een orthodoxe gelovige bindt aan de kerk. Ook wordt veel belang gehecht aan praten over de invloed die het heeft op je dagelijks leven maar op een minder praktische wijze dan protestanten dat doen. Waar bij protestanten de verhouding tot de medemens een meer centrale plaats heeft, heeft de oosters-orthodoxe het meer over devotie, vroomheid en religiositeit. Bovendien is een soort eschatologisch bewustzijn sterk aanwezig, met andere woorden, men denkt meer dan in het Westen over het laatste oordeel en de eigen dood die men vreest in zonde te ontmoeten.

Wat is de maatschappelijke status van het lid zijn van de orthodoxe kerk? Bepaalde studies zeggen dat het in Griekenland een rol speelt of je orthodox bent of niet. In Roemenië wordt er echter weer weinig belang aan gehecht. Wat Rusland betreft is er geen systematisch onderzoek naar gedaan maar het lijkt alsof bij verkiezingen een succesvol kandidaat religieus of zelfs orthodox moet zijn. In de voormalig communistische landen kan het voorkomen dat bedrijven die op zoek zijn naar werknemers wel kijken of men religieus is in algemene zin omdat men aanneemt dat iemand met een religieuze achtergrond betrouwbaarder is. In West-Europa spelen dat soort zaken geen rol meer, of je nu vier keer getrouwd bent is bijvoorbeeld niet van belang terwijl dat in Oost-Europese landen veel minder gewaardeerd wordt. Verder wordt van mensen die een openbare functie vervullen veelal verwacht dat ze religieus en het liefst orthodox zijn met het oog op het hooghouden van een bepaald nationaal besef.

Afrondend, welke rol ziet u voor uzelf, wat zijn uw doelen? Begonnen met de invalshoek theologie en mensen-rechten hebben wij zowel theorie als praktijk besproken. De positie ten aanzien van de mensenrechten zal veranderen, maar langzaam. Momenteel zijn de meeste westerse christelijke kerken voorstanders van de mensenrechten en zijn vele christenen actief binnen mensenrechtenorganisaties. Dat laatste geldt ook voor individuele Orthodoxe gelovigen maar samenwerking op publiek niveau bestaat gewoon niet. Dat is eigenlijk jammer, met name in een land als Rusland waar nog steeds veel zaken beter kunnen zou het goed zijn de kerk als bondgenoot te hebben. Ik heb geen illusies dat ik de patriarch binnenkort daarvan kan overtuigen, wel wil ik proberen hindernissen weg te werken. Hoe dit precies vorm-gegeven gaat worden is nog lastig te zeggen, we zijn nu bezig de contacten te verstevigen en uit te breiden om een beeld te kunnen vormen van waar het terrein nog braak ligt en verder onderzoek nodig is.

prof. dr. Alfons Brüning
Alfons Brüning (1967) is kerkhistoricus met een focus op Orthodoxe kerken in Oost-Europa, met name die van Rusland, Oekraïne en Roemenië. Na zijn promotie in Berlijn was hij tussen 2003 en 2005 wetenschappelijk medewerker aan de leerstoel Oecumene en Vredesonderzoek van de Universiteit Münster in Duitsland. Sinds 2005 is hij wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC) aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn onderzoek gaat hij zich onder meer richten op vredes- en conflictvraagstukken langs de grens tussen Westers en Oosters Christendom en de verhouding tussen de seculiere westerse en de religieuze oosters-christelijke benadering van
mensenrechten.