Posted on

Macedonië wil huwelijk in grondwet verankeren

De regering van de Voormalig-Joegoslavische Republiek Macedonië heeft in het parlement een twee derde meerderheid weten te verzamelen achter een grondwetswijziging die onder andere een verankering van het huwelijk in de grondwet inhoudt.

De regeringscoalitie, bestaande uit de conservatieve VMRO-DPMNE en de grootste partij die de omvangrijke Albanese minderheid in het land vertegenwoordigt, beschikt zelf over 80 van 123 leden van het parlement. Een kleinere Albanese partij was ook voorstander van het verankeren van het huwelijk, maar poogde haar huid duur te verkopen door meer rechten voor de Albanezen te eisen, onder andere met betrekking tot het gebruik van de Albanese vlag en taal bij officiële gelegenheden. Uiteindelijk vond de regering echter de nog benodigde twee stemmen bij twee eenmansfracties. Alleen de Sociaal-Democratische Unie was mordicus tegen het voorstel.

 

Met de verankering van het huwelijk in de grondwet beoogt de regering eventuele invoering van een ‘homohuwelijk’ en adoptie door koppels van gelijk geslacht in de toekomst te bemoeilijken. Met name dit onderdeel van de grondwetswijziging riep weerstand op bij de oppositionele sociaaldemocraten en bij bepaalde belangenorganisaties. De sociaaldemocraten hadden ook moeite met de onderdelen die de staatsschuld tot 60 procent en het begrotingstekort tot 3 procent van het BBP beperken. Daarnaast omvat de grondwetswijziging ook onomstreden onderdelen zoals verdere depolitisering van de benoeming van rechters.

Naar verwachting wordt de procedure voor wijziging van de grondwet medio oktober afgerond.

Posted on Leave a comment

EU als schoolklasje tegen nationalisme

Konrád_GyörgyHet onlangs in Duitse vertaling bij uitgeverij Suhrkamp verschenen essay ‘Europa und die Nationalstaaten’ van de Joods-Hongaarse publicist György Konrád (1933) gaat eigenlijk maar over één enkele natiestaat en wel de Hongaarse. Die ziet Konrád – en daarmee vertegenwoordigt hij een minderheidsstandpunt in Hongarije dat in West-Europa populairder is – onder de regering Orbán sinds 2010 op weg naar een autoritair geleide staat, “een postcommunistische, nationale autoritaire staat die in zekere zin in de buurt komt van neofascisme”. De twee-derde meerderheid van de regeringspartijen in het parlement zou tot een afschaffing van de pluralistische democratie en een machtsconcentratie op het hoogste niveau leiden. Politieke tegenstanders van de regering zouden als vijanden beschouwd worden en gunstelingen bevoordeeld. Extreem nationalisme en antisemitisme zouden zich weer breed maken.

Tegen deze duistere achtergrond ziet Konrád de sterren van de Europese Unie des te helderder stralen. Europa staat in zijn optiek voor matiging en on-ideologische nuchterheid, niet voor charismatische leiders, maar voor betrouwbare vaklieden, voor een cultuur van samenwerking, niet van nationalistische confrontatie. De staat die het voorrecht ten deel valt om lidstaat te worden van de Europese Unie, ziet hij dan ook een plaats “in een hogere klas in de school van de beschaving” toegewezen. Europa beteugelt de politieke passie van een ontketend, mythisch nationalisme: “De EU tempert het in ons verborgen onstuimige en brengt ons tot vergelijkend inzicht.” Politieke smeerpoetsen moeten echter buiten blijven of door “de rationaliteit van de federatie” weer op het pad van de politieke deugd terug gebracht worden. Een Europese interventie ter bescherming van de democratie wanneer die in een natiestaat bedreigd wordt is voor Konrád dan ook niet slechts legitiem, maar zelfs een plicht!

Wie bekend is met de loopbaan van Konrád, kan zijn zorgen omtrent wat hij ziet als een dreigende afbouw van rechtstatelijke checks and balances en gelijkschakeling van de media, zijn “angst voor een nieuwe tirannie” goed begrijpen: “Na mijn bevrijding uit de puinhopen van twee dictaturen kan ik bij mezelf naar geen van beide enige heimwee bespeuren.” Maar kan en moet Europa hier behulpzaam zijn? De vermeende “rationele controle van de staat door de EU” bewees zich zoals bekend in 2000, toen de deelname van de FPÖ aan de Oostenrijkse regering de EU-gemoederen deed oplaaien, als drieste en lompe inmenging door andere EU-lidstaten; over deze schandalige zaak rept Konrád met geen woord.

Hungary's Prime Minister Viktor Orban arrives at the European Commission headquarters in Brussels

Het is begrijpelijk en uit democratisch oogpunt lovenswaardig dat Konrád de nationale politieke elite “als herverdelende bureaucratieën met eigen belangen” wantrouwt en het misbruik van macht en geld door mensen in overheidsfuncties geselt. Maar loopt de Europese politieke elite niet hetzelfde gevaar? Werkt ook zij niet met mythen, probeert ook zij niet door inzet van fondsen te heersen en bureaucratisch uit te dijen? Zo kritisch als Konrád de natiestaten, in het bijzonder de Hongaarse, bejegent, zo idealistisch is zijn perceptie van de EU: “Kiezen voor Europa is kiezen voor argumenten en politieke oprechtheid, wat een scherp oordeel niet uitsluit. Europa betekent vandaag de dag de concurrentie van intelligentie en gedrag. Toenemende omzet van geestelijke en afnemende omzet van materiële goederen.” Spreekt hij hier werkelijk over de Europese Unie? Wat Europa tot eenheid vormt, daarin heeft de ‘antipolitieke’ estheet Konrád zeker gelijk, is zijn verscheidenheid in cultuur, “die eeuwen, millennia eerder ontstaan is dan de economisch-politieke eenheid van ons continent”. Voor het voortbestaan van deze cultuur is de Europese Unie echter, zoals hij toegeeft, “geen bestaansvoorwaarde”.

42371De Europese Unie is een ambitieus politiek project. Haar architectuur moet, om langer mee te kunnen en door Europese burgers aanvaard te worden, overeenkomen met “het gelaagde wezen van het Europese bewustzijn”. “Klaarblijkelijk begeert iedere nationale gemeenschap zelfbeschikking, autonomie, eigen instituties en een eigen natiestaat.” Maar de gelouterde natiestaat doet geen aanmatigende aanspraak op leiderschap meer, maar verstaat zich als deel van een grotere Europese gemeenschap, die zij onderhoudt. “Die op de vaderlandsliefde toegesneden stijl mogen we, die de vriendschappelijke gelijkwaardigheid van de vaderlanden voor vanzelfsprekend houdt.” Ook de Europese gemeenschap mag niet aan de arrogantie van de macht ten prooi vallen en haar soevereiniteitsaanspraak ongepast ten koste van de naties willen uitbreiden. Ook in dit opzicht moet men als Europeaan waakzaam blijven.

N.a.v. György Konrád, Europa und die Nationalstaaten, (Suhrkamp Verlag, Berlijn, 2013), 183 pp., €14,95.

Posted on Leave a comment

Moldavische presidentsverkiezingen niet volgens het boekje

Op 16 maart jongstleden heeft Moldavië, na eerst een wereldrecord van 917 dagen zonder president gevestigd te hebben, eindelijk een nieuw staatshoofd gekregen. Het parlement stemde voor de aanstelling van de “pro-Europese” Nicolae Timofti, een 65-jarige rechter die ten tijde van de Sovjet-Unie voor het eerst is aangesteld en tot voor kort voorzitter van de Hoge Raad.

De oppositionele Communistische Partij boycotte de verkiezingen, omdat het parlement de uiterste termijn voor het verkiezen van een staatshoofd ruimschoots overschreden zou hebben en volgens de grondwet ontbonden had moeten worden. De voor het verkiezen van de president benodigde meerderheid van 60% van de 101 parlementsleden werd verkregen doordat drie parlementsleden die zich van de Communistische Partij hebben afgesplitst in dit geval met 59 parlementsleden van de coalitie mee stemden.

De Communistische Partij handhaaft haar boycot van de parlementszittingen en roept op tot nieuwe parlementsverkiezingen, omdat zowel het huidige parlement als de daardoor gekozen president onrechtmatig en illegitiem zijn. Dit gezichtspunt wordt gedeeld door een aantal extraparlementaire partijen en organisaties, waarvan enkele een Committee ter Verdediging van de Grondwet en de Democratie gevormd hebben.

De regerende coalitie, bestaande uit 3 partijen, heeft toegezegd hervormingen tot stand te brengen nu dat de president is verkozen, zodat een dergelijke constitutionele patstelling waardoor zo lang geen staatshoofd gekozen kon worden in de toekomst voorkomen kan worden. De oppositie stelt echter dat de procedure van de presidentsverkiezingen hoogst ondoorzichtig is verlopen, en bekritiseert dat Timofti die bij het publiek nauwelijks bekend is, slechts enkele dagen voor de verkiezing in het parlement plots naar voren werd geschoven door de Liberale Partij en één van de oligarchen van de sociaaldemocratische ‘Democratische Partij’. Timofti is medeverantwoordelijk voor het gebrek aan verbeteringen in één van de meest corrupte rechterlijke machten van Europa en een persoon die gemakkelijk te manipuleren is door het oligarchische leiderschap van de regerende partijen, aldus de commissie.

Timofti zou naar voren geschoven zijn door de multimiljonair Vladimir Plahotniuc, die op frauduleuze wijze rijk is geworden. Plahotniuc is sinds 2010 lid van de sociaaldemocratische partij, toen die sterk stond in de peilingen en het gerucht gaat dat hij de partij gekocht heeft. Hij zou ook veel invloed hebben op de rechterlijke macht en er de hand in hebben gehad dat Timofti destijds voorzitter van de Hoge Raad werd.

President Timofti (links) en premier Vlad Filat op het bordes van het Paleis van de Republiek (parlement)

Eerder hadden de liberaal-conservatieve ‘Liberaal-Democratische Partij’ en de sociaaldemocraten een andere kandidaat naar voren geschoven, Veronica Bacalu, een 51-jarige econome, die in Moskou gestudeerd heeft, van 1996 tot 2002 bij de Centrale Bank van Moldavië werkte en momenteel voor het IMF. De liberalen voelden zich echter niet gehoord en ook bij de liberaal-conservatieven en sociaaldemocraten bestond verdeeldheid over haar kandidatuur.

Bij de keuze van de president speelde, naast het onderlinge wantrouwen tussen de coalitiepartijen en het vinden van een kandidaat die acceptabel zou zijn voor de drie dissidente communistische parlementsleden, ook mee dat de regerende partijen weliswaar verenigd zijn in hun streven naar Europese integratie, maar uiteenlopend denken over de relatie met Roemenië. Moldavië was tot de Tweede Wereldoorlog onderdeel van het Roemeense landsdeel Bessarabië, dat door Stalin werd ingelijfd bij de Sovjet-Unie. Met name de liberalen laten zich dikwijls Roemeens-nationalistisch uit en staan zeer wantrouwig tegenover mensen die Russisch spreken of in Rusland gestudeerd hebben.

Posted on 1 Comment

De banden van Georgië met Europa

Ik zal mijn bespreking van de banden van Georgië met Europa beginnen met een korte geschiedenis van Georgiës streven opgenomen te worden in de Europese Unie, daarna zal ik bespreken waar Georgië nu staat op haar weg naar integratie in de EU. Ik zal schetsen wat Georgië op deze weg al bereikt heeft en ik zal ook alle problemen en uitdagingen bespreken die we als natie nog bij de kop zullen moeten nemen en tot slot zal ik het beleid bespreken dat wij, als verantwoordelijk en gouvernementeel ingestelde oppositiepartij, voorstaan.

Afbeelding van koning David Aghmashenebeli (“de bouwer”) in een klooster

Reeds in de 12e en 13e eeuw, tijdens het bewind van koning David Agmashenebeli en koningin Tamar, vochten Georgische krijgers zij aan zij met Europese ridders in de kruistochten om het heilige Jeruzalem te bevrijden. Het is een historisch feit dat Georgië in die tijd intensieve contacten onderhield met de Franse, Duitse en Engelse koningshuizen van die tijd, vooral aangaande gemeenschappelijke belangen in het Midden-Oosten.

In de 18e eeuw poogden Georgische koningen de hulp van Europa in te roepen, toen Georgië op de rand van oorlog verkeerde, doordat de Perzische en Ottomaanse rijken een enorme druk op haar grenzen uitoefenden. De Georgische koning Vakhtang VI zond de bekende Georgische denker en publiek figuur Sulkhan Saba Orbeliani naar Frankrijk en Italië om Europese hulp te zoeken in de strijd om het behoud van de Georgische soevereiniteit en de christelijke godsdienst.

Toen Georgië in 1918 zijn onafhankelijkheid van Rusland herwon, was Duitsland het eerste Europese land dat Georgië als een onafhankelijke staat erkende en diplomatieke banden met haar aanging, al snel gevolgd door Frankrijk en andere Europese landen.

In ons tijdperk ontstonden de banden van de Europese Unie en Georgië in 1992, vlak nadat Georgië zijn soevereiniteit had herwonnen in het kielzog van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.  De EU was een van de eerste entiteiten die Georgië assisteerden in de moeilijke jaren van transitie. De Europese Commissie opende haar delegatie naar Georgië in Tbilisi in 1995. De banden werden vooral aangehaald na de Rozenrevolutie in 2003, toen de EU opnieuw zijn toezegging bevestigde Georgië te ondersteunen in haar streven naar economische, sociale en politieke hervormingen.

De hoeksteen van de banden tussen de EU en Georgië is de Partnership and Cooperation Agreement (PCA), waarover in 1996 onderhandelingen werden afgesloten en dat in 1999 van kracht werd, aanvankelijk voor een periode van tien jaar en nadien automatisch verlengd wordt op jaarbasis. De PCA voorziet in samenwerking in een brede waaier van beleidsterreinen, zoals politieke dialoog, handels-, investerings-, economische, parlementaire en culturele samenwerking.

In 2003-2004 stelde de Europese Commissie een nieuw buitenlands beleid voor de EU voor – het ‘European Neighbourhood Policy’ (ENP) – met als doel te voorkomen dat er nieuwe scheidslijnen zouden ontstaan tussen de nieuwe EU-lidstaten in Centraal en Oost-Europa en hun buurlanden en in plaats daarvan de welvarendheid, stabiliteit en veiligheid van alle betrokkenen te versterken. Dat ook Georgië hierin betrokken werd, was een belangrijke stap voorwaarts in de verhoudingen tussen Georgië en de EU. In november 2006 werd een zogenaamd ‘EU-Georgia ENP Action Plan’ aangenomen. Het actieplan is een politiek document dat de strategische doelen van de samenwerking tussen Georgië en de EU uiteenzet. Het beslaat een tijdvak van vijf jaar. De uitvoering van het plan draagt bij aan het vervullen van de voorwaarden van het PCA, aan het versterken van banden in nieuwe gebieden van samenwerking en ondersteunt de doelstelling van Georgië om verder geïntegreerd te worden in Europese economische en sociale structuren.

In december 2005 wees de EU Georgië het zogenaamde General System of Preferences + (GSP+) toe, dit werd uitgebreid in 2008.  Het GSP+ voorziet in een niet-wederkerige tariefreductie op onbelaste toegang tot Georgische export naar de EU.

Tot de oorlog tussen Georgië en Rusland in 2008, was de EU de grootste donor in Abchazië en Zuid-Ossetië. Na de oorlog in augustus werd in oktober 2008 de European Union Monitoring Mission (EUMM) in Georgië geïnitieerd in overeenstemming met de voorzieningen van de overeenkomsten tussen Moskou en Tbilisi waarin de EU bemiddeld had.

In het voorjaar van 2009 lanceerde de EU het Eastern Partnership met als doel politieke en sociaaleconomische hervormingen in Georgië, alsmede in Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne te ondersteunen. Het Eastern Partnership voorziet sterkere politieke betrokkenheid bij de EU, namelijk het vooruitzicht van een nieuwe generatie van associatieovereenkomsten en verreikende integratie in de Europese economie met diepe en omvattende vrijhandelsverdragen.

Bij de lancering van het Eastern Partnership in mei 2009 nam de top van Praag het voorstel over om een Civil Society Forum tot stand te brengen. In een gezamenlijke verklaring “nodigt [de top] de Europese Commissie uit werkvormen te ontwikkelen en voor te stellen voor het tot stand brengen van een Civil Society Forum van het Eastern Partnership”.  In reactie hierop lanceerde de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlands en Veiligheidsbeleid, tevens vicevoorzitter van de Europese Commissie, Catherine Ashton, de onderhandelingen voor een associatieverdrag tussen de EU en Georgië in Batumi op 15 juli 2010.

President Micheil Saakasjvili en Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton bij de gelegenheid van de sluiting van het associatieverdrag

Sinds 2004 houdt de EU een scherp oog op de vooruitgang van Georgië in termen van de vervulling van EU-aanbevelingen. Het National Indicative Programme laat zien waar Georgië belangrijke vooruitgang geboekt heeft en op welke terreinen nog grote uitdagingen liggen.

Vooruitgang 2007-2010:

  • Hervormingen voor een effectieve overheid en uitvoerende instanties
  • Hervormingen van de politie
  • Verbetering van de uitvoering van verkiezingen
  • Grondwetsherziening
  • Hervormingen in handel en zakenleven
  • Bestrijding van administratieve corruptie
  • Bestrijding van criminaliteit

 

Problemen blijven bestaan op het gebied van:

  • Democratie, pluralisme in politiek en media
  • Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht
  • Mededings- en anti-monopoliedienst
  • Arbeidswet en arbeidsrechten
  • Sociaal en gezondheidszorgbeleid voor werkenden
  • Armoedebestrijding
  • Corruptie onder de elite en transparantie van publieke uitgaven
  • Agrarische ontwikkeling

Is de huidige Georgische regering in staat en bereid om deze uitdagingen het hoofd te bieden? Mijn antwoord is dat zij slechts ten dele in staat is en slechts ten dele bereid is om hervormingen door te voeren die zullen bijdragen aan de oplossing van hierboven genoemde problemen. Ze zijn bereid zolang de hervorming hun eigen macht niet in gevaar brengt. Als een oplossing van een bepaald probleem haar macht zal verminderen, zal de regerende partij daar simpelweg niet op aansturen. Dit verklaart waarom we nog steeds ernstige problemen hebben met pluralisme in politiek en media, met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en wetgeving op het gebied van mededinging en monopolie. Als de regeringspartij meer pluralisme in media en politiek toe zou laten, verkleint ze haar kans de volgende verkiezingen te winnen. Als de rechterlijke macht onafhankelijker zou zijn, zou dat veel Georgiërs aanmoedigen de overheid aan te klagen inzake eigendomsrechten, mensenrechten et cetera. Een sterke autoriteit op het gebied van mededinging en de bijbehorende wetgeving zouden veel monopolies van Georgische politici in de zakenwereld ongedaan maken. Als het midden- en kleinbedrijf goed ontwikkeld is, met gedegen arbeidswetgeving, zal dat Georgische burgers economisch zekerder maken en minder afhankelijk van de overheid.

Er is al met al nog een lange weg te gaan en verder hervormingen zijn nodig. De zittende regering heeft echter noch de capaciteiten noch de wil om al deze hervormingen door te voeren. Wij christendemocraten geloven dat wij de politieke partij zijn die in staat is deze problemen op te lossen, wat Georgië zal helpen verdere stappen naar Europese integratie te zetten. Wij zien de problemen scherp en bereiden ons terdege voor om die op te lossen met gedegen en realistische programma’s voor economische ontwikkeling, decentralisatie van de macht, gezondheidszorg en sociale bescherming, landbouwhervormingen enzovoorts. Dit ligt niet alleen in lijn met de verwachtingen van de EU, maar ontwikkelen we ook in samenwerking met onze christendemocratische partnerpartijen in Europa.

Ik weet niet hoe lang het zal duren om Georgië deel uit te laten maken van de grotere Europese familie. Zal het een decennium zijn, of twee? Maar ik ben er stellig van overtuigd dat ons land er uiteindelijk zal komen en dat haar politieke systeem, haar economie en haar samenleving voordeel zullen hebben van dit proces en dat Georgië een belangrijke bijdrage aan Europa te leveren heeft.

Vertaling: Jonathan van Tongeren