Posted on

“Belasting is diefstal”

Het is ieders morele plicht zo weinig mogelijk belasting te betalen, vindt belastingadviseur Toine Manders.  “Er is geen principieel verschil tussen belasting en roof.”

‘De koning van de belastingontwijking’ wordt hij wel genoemd, of ‘belastingridder’ door het zakenblad Quote. Ruim twintig jaar hielp Toine Manders kleine en middelgrote ondernemers in Nederland met het behalen van fiscale voordelen in belastingparadijzen. In 2014 werd hij op Cyprus gearresteerd op verdenking van het leiden van een illegaal trustkantoor. Hij bracht drieënhalve maand door in voorlopige hechtenis. De HJC Group, waaronder het trustkantoor HJC Cyprus en het Haags Juristen College (HJC) in Den Haag, waaraan hij sinds 1994 verbonden was, hield op te bestaan. Na ruim vierenhalf jaar is het wachten nog steeds op een rechtszaak, en dus is er nog geen enkele schuld bewezen.

Met Nozick Consulting in Zoetermeer heeft Manders zijn werk weer opgepakt. Nog steeds helpt hij het midden- en kleinbedrijf met het zoeken naar ‘creatieve oplossingen die forse besparingen opleveren’.

Omdat Manders’ naam genoemd wordt in de Panama Papers werd hij vorig jaar verhoord door de Parlementaire Ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Fragmenten van zijn verhoor gingen viral op sociale media, en dan vooral het fragment waarin hij commissielid Renske Leijten van de SP de les las over de DDR-ideologie die hij bij haar meende te bespeuren.

Manders is meer dan een handige jongen die van belastingontwijking zijn beroep heeft weten te maken. Zijn werk is voor hem als een roeping. Als overtuigd libertariër streeft hij naar een zo klein mogelijke overheid en de afschaffing van alle belastingen. Om dit te bereiken, zet hij zich al sinds de jaren negentig in voor de Libertarische Partij (LP). Hij was voorzitter en politiek leider, en vertegenwoordigt de partij thans internationaal. Als vice-voorzitter geeft hij leiding aan de internationale koepel van libertarische partijen, the International Alliance of Libertarian Parties.

Een gesprek over onder meer postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, liberalen van de VVD die geen echte liberalen zijn, naamgenoot Toine Manders van 50Plus, de grijze draaischijftelefoon van de PTT, het Zwitserse bankgeheim, Amerikaanse robberbarons, de Europese Unie die belastingadviseurs dwingt ‘NSB’er’ te worden, de VS als ‘welfare-warfare-police state’ – en Nederlandse belastingambtenaren ‘zonder humor’en met ‘lange tenen’ die je zonder pardon in ‘een hok’ stoppen als je ze te slim af bent en de spot met ze drijft.

Belasting is diefstal. Hoezo? 

Je spreekt van diefstal als je eigendom je wordt afgenomen. Je spreekt van roof als dat gebeurt onder bedreiging van geweld. Er is geen verschil tussen belasting en roof. Want wat gebeurt er als de staat belasting heft? Dan wordt je eigendom van je afgenomen. Eerst krijg je een brief waarin je bevolen wordt geld af te staan, en als je daar niet op reageert, krijg je brieven die steeds dreigender worden. Als je dan nog steeds niet reageert, komt er iemand langs met het doel om spullen van je af te nemen. Als je die niet binnenlaat, dan komt hij terug met iemand die een pistool draagt of met twee mensen die een pistool dragen. Dan wordt er ingebroken in je huis en worden jouw spullen tegen jouw wil meegenomen. Als je je daar tegen verzet, ben je strafbaar en word je opgesloten in een hok. Als je probeert deze gang van zaken te voorkomen door geen aangifte te doen, dan ben je ook strafbaar, want op het niet doen van aangifte staat vier jaar gevangenisstraf. Dan kom je ook in een hok. Dat is dus hoe de staat aan haar geld komt.

U roept mensen op belasting te ontwijken, niet te ontduiken. Wat is het verschil? 

Belastingontduiking is het besparen van belasting door de wet te overtreden. Belastingontwijking is het besparen van belasting binnen de grenzen van de wet. Je maakt dan dus gebruik van de wettelijke mogelijkheden die er zijn. Denis Healey, voormalig Brits minister van Financiën, heeft gezegd: “Het verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking is de dikte van een gevangenismuur.” Ik heb die slogan vaak gebruikt tijdens mijn seminars. Maar inmiddels mogen we vaststellen dat ook als je wel degelijk binnen de grenzen van de wet blijft het toch kan gebeuren dat je aan de verkeerde kant van de gevangenismuur terecht komt. De staat heeft zich wat dat betreft een slechte verliezer getoond.

Voor u mag het verschil dan duidelijk zijn. Maar kennelijk zien het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) het anders. 

Dat zou betekenen dat er bij het OM en de FIOD hele eerlijke, nette, goed bedoelende mensen zijn, die oprecht dachten dat wat ik deed in strijd met de wet was. Maar ik denk niet dat dat zo is. Want er was geen bewijs en er is geen bewijs. We zijn na mijn ontvoering in januari 2014 inmiddels ruim vierenhalf jaar verder. Ze hebben tien FIOD-ambtenaren op een vliegtuig naar Cyprus gezet en alles platgelegd, computers, papieren, dossiers meegenomen, een aantal medewerkers als verdachten aangemerkt, zodat mensen bang werden en stopten met werken, en het bedrijf dezelfde dag nog werd gesloten. Ze hebben vierenhalf jaar de tijd gehad alle dossiers door te pluizen. Ze beschikken over alle cliëntengegevens, alle structuren die waren opgezet, verslagen van gesprekken die zijn gevoerd met meer dan tienduizend cliënten en potentiële cliënten. Maar tot de dag van vandaag is er nog steeds geen enkele cliënt en zelfs geen enkele potentiële client veroordeeld of überhaupt vervolgd voor belastingontduiking, witwassen of andere vergrijpen.

Velen zullen zeggen: het heffen van belastingen is volkomen legitiem, want zo hebben we het met elkaar afgesproken. Het is democratisch verankerd. Er is geen meerderheid in Tweede Kamer tegen belastingheffing.

Zo hebben we het met elkaar afgesproken? Dat hebben we helemaal niet zo met elkaar afgesproken. Ik heb die afspraak niet gemaakt. Kunt u zich herinneren die afspraak te hebben gemaakt? Het sociaal contract is een mythe, of beter gezegd, een leugen.

Het argument van de democratie, dat het democratisch is besloten, dat de meeste stemmen gelden, gaat ook niet op. Als je op straat twee rovers tegen het lijf loopt die zeggen: “We houden een verkiezing of je wel of niet beroofd moet worden”, en ze stemmen vervolgens met z’n tweeën voor, en jij stemt tegen, en ze zeggen dan: “Je hebt verloren, want de meeste stemmen gelden en we nemen nu jouw portemonnee af” – dan is het toch nog steeds niet gerechtvaardigd? En of die bende nu bestaat uit twee, tien, honderd of tien miljoen, het maakt voor het principe niets uit. Het principe is: Je mag niet iemands lichaam of eigendom schenden. Ieder mens heeft recht op zijn eigen lichaam en eigendom zolang hij geen inbreuk maakt op iemand anders lichaam of eigendom. De overheid schendt dat principe, op verschillende manieren, onder meer door belastingheffing en de militaire dienstplicht die nog steeds niet is afgeschaft. Ook al staat de meerderheid daar achter, dat maakt niet uit. Of iets democratisch besloten is, zegt helemaal niets over de rechtmatigheid van de daad.

Stel dat we in Nederland nog een stelsel hadden van referenda, en er zou een referendum worden gehouden over het belastingstelsel. Zou de meerderheid dan voor afschaffing stemmen?

Ik denk niet dat de meerderheid zou stemmen voor volledige afschaffing. Maar dat heeft een achtergrond.  De gemiddelde burger merkt weinig van hoge belastingdruk in Nederland. Dat komt doordat vrijwel alle belastingen worden geheven via de ondernemer, die dat maar moet doorberekenen in lagere lonen en hogere prijzen. Loonbelasting, sociale premies, BTW, accijnzen,  invoerrechten, enzovoort.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden een artikel las over de tien grootste ergernissen van de gemiddelde Nederlander. Bovenaan stonden de gemeentelijke belastingen. Ik was heel even verbaasd.  Maar toen viel het kwartje. Het is zo’n beetje de enige belasting die niet via de ondernemer wordt geheven, maar rechtstreeks bij de belastingbetaler zelf, waarbij hij jaarlijks een enveloppe aantreft op de deurmat, met daarin een brief waarin niet staat “U krijgt geld terug”, maar waarin staat “U moet geld overmaken”. Blijkbaar maakt dat een enorm psychologisch verschil.

Ik voorspel dat er een belastingopstand zou uitbreken als belastingen die nu via de ondernemer worden geheven van het ene op het andere jaar rechtstreeks werden geheven bij de burger zelf. Mensen zouden razend en ziedend worden. Nederland heeft net als de VS haar bestaan te danken aan een belastingopstand. Nederlanders hebben een tachtigjarige oorlog gevoerd vanwege de tiende penning, die de Spaanse bezetter ons had opgelegd. Dat was een soort BTW van 10 procent.

Dus stel dat alle belastingen direct werden geheven bij de burger en er dan een referendum zou worden gehouden over belastingheffing, dan denk ik niet dat we meteen naar nul zouden gaan, maar wel dat de belastingdruk extreem veel lager zou worden dan deze nu is.  De meeste mensen denken dat belastingheffing een noodzakelijk kwaad is en dat we niet zonder kunnen.

Hoe verklaart u dat mensen denken dat we niet zonder belastingen kunnen?

Dat komt door al die met belastinggeld gesubsidieerde scholen, universiteiten en media. We zijn van generatie op generatie naar staatsscholen gegaan, met leraren die iedere maand een salaris krijgen van de overheid, en ons daarom van jongs af aan hebben geleerd dat we heel blij moeten zijn dat we leven in zo’n prachtig land als Nederland, waar we van de wieg tot aan het graf worden verzorgd, met gratis onderwijs, gezondheidszorg, wegen, enzovoort.  Zoals het spreekwoord zegt: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.” 

In dictaturen mogen docenten zich verheugen in de bijzondere belangstelling van de machthebbers. Als je te overheidskritisch bent dan word je in het gunstigste geval ontslagen, en in het slechtste geval beland je in een kamp of onder de grond. Dat heeft een reden: docenten hebben een grote invloed op de publieke opinie, en dat is omdat ze les geven aan jonge mensen. Zolang mensen jong zijn, zijn ze heel plooibaar. Daar gebruiken machthebbers de stok, hier de wortel, en dat werkt veel beter: onze docenten zijn true believers.

Dat er nog geen belastingopstand is uitgebroken, zal er ook mee te maken hebben dat de overheid haar inkomsten aanwendt voor voorzieningen waar iedereen van profiteert, zoals onderwijs, gezondheidszorg en een wegennet. 

De tegenprestatie die de overheid levert, rechtvaardigt nog niet dat ze belasting heft. Het is en het blijft roof. Als we het argument serieus nemen, van “Je krijgt er toch iets voor terug?”, dan zou de melkboer ook ongevraagd melk bij je op de stoep kunnen zetten, en je een gepeperde rekening kunnen sturen, en dan kunnen zeggen: “U moet betalen, want ik heb u melk geleverd.” Een betaling mag je verlangen op basis van een overeenkomst, of als je schade is berokkend. Je kunt niet zeggen: “Ik heb geld nodig, dus u moet mij betalen in ruil voor een tegenprestatie die ik u ongevraagd lever.”

Nederlanders die moeite hebben met de hoge belastingdruk, zou voor de voeten geworpen kunnen  worden: Er is niemand die je verplicht in Nederland te blijven. 

Ja, je mag toch weg? Dat is een drogreden waar de meeste mensen intrappen. Als we dat argument serieus nemen dan zou de maffia op Sicilië ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet protectiegeld te betalen? We dwingen je niet om hier te blijven wonen.” Of dan zouden inbrekers in mijn huis ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet dat we je spulletjes meenemen? Je hoeft hier niet te blijven. Je mag weg.” Het punt is hier echter: die inbrekers zijn niet de rechtmatige eigenaren van mijn huis. Dat ben ikzelf. Dus ik hoef niet weg. Zij moeten weg. Zij hebben niets te zoeken in mijn huis. Idem dito voor de maffia op Sicilië. Zij zijn niet de rechtmatige eigenaren van Sicilië. Dus als zij een winkelier bedreigen voor protectiegeld, hoeft die winkelier niet weg. Die maffiosi moeten weg, want die hebben niets te zoeken in die winkel.

Onze huizen en winkels bevinden zich wel op het grondgebied van de Staat der Nederlanden.

De impliciete aanname van dat argument is dat de staat rechtmatig eigenaar is van alle grond, en dus alle regels mag maken op haar grond die ze maar wil. Maar dat is niet zo. De staat is nooit op een rechtmatige manier aan grond gekomen. De staat is ontstaan door roversbendes die door een gebied trokken. Die vielen een dorp binnen, de mannen werden vermoord, de vrouwen werden verkracht, het dorp werd geplunderd en in brand gestoken, en dan gingen ze door naar het volgende dorp. Totdat ze tot het inzicht kwamen: “Eigenlijk zijn we stom bezig, want als je eenmaal zo’n dorp veroverd hebt, dan kun je het toch beter gewoon bezet houden in plaats van iedereen vermoorden.” En dan dus niet eenmalig plunderen, maar structureel plunderen. Bij iedere oogst een deel van de oogst opeisen, en iedere keer als er iets verdiend wordt afpersen. Zo is het feodalisme ontstaan. De roverhoofdman werd de koning en de koning gaf zichzelf het recht belasting te heffen. Hij delegeerde de belastingheffing aan de adel en de adel stuurde mensen met zwaarden langs bij het gepeupel om belasting te heffen. Zo is de staat ontstaan. Op basis van roof. Wat ik dus tegen inbrekers mag zeggen, “Ik ga niet weg, jullie moeten weg”,  zou ik ook tegen de staat moeten kunnen zeggen.

U stelt dat het niet alleen moreel verwerpelijk is dat mensen gedwongen worden belasting te betalen, maar ook dat belastingheffing schade toebrengt. 

Zo is dat. Veel geld wordt uitgegeven aan dingen die beter überhaupt niet gedaan zouden moeten worden, zoals het voeren van oorlogen, het doden van onschuldige mensen in andere landen. De overgrote meerderheid van de libertariërs is non-interventionalist. Zij vinden dat een leger alleen mag verdedigen. Zij zijn mordicus tegen wat Amerika doet: het spelen van politieman van de wereld, soldaten sturen naar andere landen om even orde op zaken te stellen, terwijl het dan meestal een chaos wordt, zoals we hebben gezien in Irak en Libië.

In eigen land brengt de staat productieve mensen schade toe. Hoe productiever mensen zijn, hoe zwaarder ze worden belast, hoe meer ze wordt afgepakt. Wat de staat ook doet is een enorm leger van ambtenaren inhuren die voortdurend bezig zijn met het verzinnen van nieuwe regels. Het maakt voor hun niet uit dat de regeldruk al veel te hoog is. Zij zijn er voor ingehuurd om die regels te maken, dus vinden ze altijd wel iets om nieuwe regels voor te maken. Het is ook een soort vicieuze cirkel. Stap één is: de staat veroorzaakt een probleem door interventie. Stap twee is: politici en hun ambtenaren gaan nadenken over de oplossing van dit probleem. Ze vinden altijd wel een oplossing en die is eigenlijk altijd dezelfde: er moeten nog meer regels komen, want er waren er toch nog te weinig. De staat moet nog meer ingrijpen, nog meer uitgeven en er moeten nog meer ambtenaren komen. Samengevat: geef ons meer geld, geef ons meer macht, en dan lossen wij het probleem voor u op.

Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de trend bijna altijd: een grotere overheid, meer regels, hogere staatsuitgaven, meer ambtenaren. Maar problemen worden daarmee helemaal niet opgelost, ze worden alleen maar erger. Een jaar lang word je dus schade toegebracht, je wordt als een kind behandeld, er word je van alles verboden en je wordt overal toe verplicht, en vervolgens moet je je meesters ook nog eens precies gaan vertellen wat je hebt verdiend, en plus minus de helft aan ze afstaan voor de wederdienst, de tegenprestatie die ze je hebben geleverd. De Amerikaanse libertariër Lysander Spooner zei: “Wat de staat doet is nog erger dan een struikrover die jou berooft. De struikrover laat je met rust nadat hij je heeft beroofd. Na de beroving ben  je weer vrij. Hij schrijft je niet de wet voor, vertelt je niet wat je wel en wat je niet moet doen.”

Welke problemen veroorzaakt de staat volgens u?

De overheid voert bijvoorbeeld maximumhuren en minimumlonen in, verklaart cao-lonen algemeen verbindend of stelt minimumprijzen voor melk en boter vast. Wat krijg je dan? Een verstoring van de markt. Vraag en aanbod raken uit balans. Want wat gebeurt er bij een minimumprijs voor melk en boter? Mensen gaan minder melk en boter gebruiken, maar de boeren gaan juist meer melk en boter produceren, want ze krijgen er een mooie hoge prijs voor. Met het gevolg dat er een boterberg en een melkplas ontstaan, en deze uiteindelijk gedumpt worden in de Derde Wereld.

Er is ook een enorme boete op lonen, op arbeid. Daardoor houden mensen zo weinig over. De staat zegt dan: “Jullie zijn zo zielig, jullie hebben zo weinig geld om van te leven, weet je wat? We voeren een minimumloon in en verklaren de cao-afspraken algemeen verbindend.” Het gevolg daarvan is niet alleen dat die mensen meer geld overhouden. Het gevolg is dat ze werkloos worden. Want op het moment dat iemand door de hoge belastingen het minimumloon niet kan waarmaken, een werknemer meer kost dan oplevert, dan wordt hij eenvoudig niet aangenomen.

Niet alleen overschotten, ook tekorten worden per definitie door de overheid veroorzaakt. Woningnood ontstaat doordat de staat maximumprijzen vaststelt. De wachtlijsten in de zorg ontstaan door maximumprijzen voor de zorg.

U heeft in een lezing gezegd: “Het komt voor dat de staat wel dingen doet die nuttig zijn.” Hoe moeten die dan worden betaald? Niet uit belastingheffing?

De staat besteedt ons belastinggeld inderdaad ook aan nuttige dingen, zoals zorg, onderwijs, politie, rechtspraak, infrastructuur, defensie en telecommunicatie. Maar ook daarmee moet ze ophouden. Juist omdat het veel te belangrijk is om aan de staat over te laten. Laat ik het voorbeeld geven van telecommunicatie. Want dat is een terrein waar de staat toevallig een stap terug heeft gedaan. Ze  heeft haar monopolie beëindigd. Telecommunicatie is begonnen als particulier initiatief. De telegraaf en telefoon zijn particuliere uitvindingen. Telecommunicatiebedrijven waren particulier en concurrerend. Op een gegeven moment heeft de staat het gemonopoliseerd en concurrentie verboden. Dat remde de innovatie. U herinnert zich waarschijnlijk de grijze draaischijftelefoon? Die is in de jaren ’50 ontworpen. Sinds de jaren ’60 moesten alle Nederlanders die een telefoon wilden er verplicht eentje huren van staatmonopolist PTT. Toen het monopolie werd opgeheven, in de jaren ’90, hadden we nog steeds diezelfde telefoon, maar we mochten eindelijk ook een andere telefoon gaan gebruiken. Sindsdien hebben we een enorme inhaalslag gezien op het vlak van innovatie. Nu hebben we telefoons die in feite computers zijn en die meer kunnen dan de computer waarmee mensen naar de maan gingen in 1969. De kosten zijn ook dramatisch gedaald. Vroeger toen het monopolie nog bestond, betaalde je drie gulden per minuut om naar Amerika te bellen en 19 gulden naar Afrika of Azië. Dus als je emigreerde ging je er van uit dat je nooit meer gebeld zou worden door je familie, want dat was te duur. Nu kun je voor 1, 2 of 3 eurocent per minuut de hele wereld bellen, vaak zelfs gratis met Skype en andere services.

Ook op andere terreinen ziet u graag dat de overheid zich volledig terugtrekt?

Telecommunicatie is een voorbeeld van iets waarbij mensen met eigen ogen hebben gezien dat het beter kan zonder staatsmonopolie. Maar toch trekken ze dan niet de conclusie dat het ook wel eens zou kunnen gelden voor zorg, onderwijs en infrastructuur. Terwijl daar precies hetzelfde voor geldt. Toen ik begin jaren ’90 pleitte voor het einde van het monopolie op de telecommunicatie zeiden mensen: “Dat kan helemaal niet. Want bellen doe je via een lijn onder de grond en je gaat dan toch niet twee, drie, vier lijnen naast elkaar leggen? Het is een natuurlijk monopolie, en dat moet dan wel een staatsmonopolie zijn, want als een particuliere organisatie een monopolie krijgt dan kunnen ze vragen wat ze willen en worden we allemaal straatarm.” Zo denkt men dus nog steeds over monopolies. Als ik pleit voor het afschaffen van het monopolie op zorg, onderwijs of infrastructuur, dan zeggen mensen: “Belachelijk, dat kan helemaal niet.”

Je kunt toch wel kiezen naar welke school je kinderen gaan, welk ziekenhuis jou behandelt of wie jouw zorgkosten verzekert?

Dat klopt. Er is een heel klein beetje keuzevrijheid. Nederland is ook zeker niet het ergste land ter wereld. Er is onderzoek gedaan naar het niveau van economische vrijheid in 160 verschillende landen, en Nederland staat meestal in de top 20. Als je kijkt naar persoonlijke vrijheid, staan we zelfs in de top 5. Begrijp me niet verkeerd: Nederland is ziek. Maar de meeste landen zijn nog veel zieker dan wij. Maar dat we minder ziek zijn is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Als je ziek bent wil je gezond worden.

In hoeverre kan de staat zich terugtrekken? Politie, leger en rechtspraak zijn moeilijk voorstelbaar zonder overheid en belastingbetalers.

Dat is inderdaad voor veel mensen heel moeilijk te begrijpen. Voor libertariërs zijn dat ook de laatste staatsmonopolies waarvan ze afscheid willen nemen. Toch zijn die monopolies al voor een deel verdwenen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de rechtspraak, dan zie je dat heel veel bedrijven arbitrage met elkaar afspreken. Ze leggen contractueel vast dat als ze een geschil met elkaar krijgen ze dat niet voorleggen aan de staatsrechter maar aan een arbitragecommissie. Waarom? Omdat een zaak winnen bij een staatsrechter heel veel meer tijd en geld kost dan een zaak verliezen bij een arbiter.

U bent kritisch over de Europese Unie. Hoe past dat binnen de libertarische filosofie?

Tot circa 1992 was er een ontwikkeling van het wegnemen van barrières, het verlagen en afschaffen van invoerrechten en invoerquota. De slogan was: ‘Vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, vrijheid van vestiging’. Dat waren stappen in de goede richting. Rond 1992 was dat project grotendeels afgerond, maar in plaats dat de eurocraten zeiden: “Stuur ons naar huis”, zeiden ze: “Nu gaan we de volgende fase in.” Eerst kregen we de economische eenwording, nu krijgen we de politieke eenwording. We gaan harmoniseren: een minimumtarief invoeren voor de BTW, een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting. Dan is er dus geen ontsnapping meer mogelijk. Dan is het niet meer mogelijk om met de voeten te stemmen door in België te gaan wonen. De Nederlandse overheid en andere overheden van EU-lidstaten kunnen dan op belastinggebied niet meer met elkaar concurreren in het voordeel van hun eigen burgers. Het is dan een soort kartel geworden van belasting heffende politici.

We leven in een wereld met zo’n tweehonderd staten. Niet zo lang geleden, na de Tweede Wereldoorlog, waren het er tachtig. Ik zie dat als een vooruitgang. Hoe meer staten, hoe kleiner het grondoppervlak. Ideaal zou zijn als de grootste staat Liechtenstein was. Dat is nu de kleinste staat ter wereld, met 35.000 inwoners, maar ook de rijkste, gecorrigeerd voor koopkracht. Miniatuurstaatjes zoals Liechtenstein, Monaco, Luxemburg, Andorra, San Marino, Singapore en in zekere zin ook Hong Kong hebben met elkaar gemeen dat ze het heel goed doen. Ze scoren zwaar bovengemiddeld in alle internationale vergelijkingen. De mensen daar zijn vrijer, hebben een hogere levensverwachting en een hoger welvaartsniveau. Hetzelfde zie je bij de belastingparadijzen: Bermuda, de Kaaiman-eilanden, Jersey, Guernsey, Isle of Man.

Zie ook de VS. De federale overheid was daar tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw extreem klein. Je had daardoor vijftig staten die hevig met elkaar concurreerden. Daarom groeiden ze zo snel, werden alle uitvindingen daar gedaan, vertrokken alle mensen met talent naar Amerika. Daarvan is weinig overgebleven. Ruim honderd jaar geleden kwam de omslag. Amerika ontwikkelde zich van waarschijnlijk het vrijste land ter wereld tot een welfare-warfare-police state.

Zwitserland is ook een goed voorbeeld. Dat land telt 26 kantons, die met elkaar kunnen concurreren omdat de federale overheid heel weinig macht heeft, al begint dat de laatste drie jaar helaas wel te veranderen. Er zijn in Zwitsersland nog steeds kantons zonder erfbelasting en schenkbelasting, of waarbij het tarief voor de inkomstenbelasting lager wordt naarmate je productiever bent. Daarom zijn de Zwitsers nog steeds het rijkste volk ter wereld. Niet als je kijkt naar het inkomen per hoofd, maar wel naar het vermogen per hoofd.

Hoe kan het dat ministaatjes vrijer en welvarender zijn? Ligt de oorzaak werkelijk in het geringe grondoppervlak?

Stel je voor dat de wereld zou bestaan uit honderd miljoen miniatuurstaatjes. Dan wordt het makkelijker voor mensen om met hun voeten te stemmen. Als ze ontevreden zijn over de regel- en lastendruk waar ze wonen, dan is het makkelijk verhuizen naar een ander miniatuurstaatje een paar kilometer verderop waar de regel- en lastendruk lager is.

Mensen zien wel in dat concurrentie tussen bedrijven goed is, maar niet dat concurrentie tussen staten nog veel belangrijker is. Als staten met elkaar moeten concurreren dan is dat een rem op de macht van de politici. Concurrentie zorgt ervoor dat ze gedwongen worden hun tarieven en regeldruk te verlagen, om talenten en kapitaal te lokken in plaats van die te verjagen. Europa heeft in zevenhonderd jaar tijd een enorme voorspong gekregen op de rest van de wereld. De laatste tientallen jaren beginnen we die voorsprong in rap tempo te verliezen aan de Aziatische Tijgers Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. Hoe kan dat? Omdat Europa een lappendeken was van miniatuurstaatjes. Zo bestond Duitsland uit dertig staten. Italië uit een stuk of tien. Die concurreerden met elkaar.

U beschouwt de vrije markt als oplossing. Is daar nu juist geen overheid voor nodig? Om bijvoorbeeld kartelvorming en monopolievorming tegen te gaan?

De staat is juist zelf de übermonopolist en überkartelvormer. Als je kijkt hoe monopolies zijn ontstaan: de koning verkocht aan een handlanger een alleenrecht. Hij zei dan: “Vanaf  nu ben jij de enige die nog zout of peper mag importeren in mijn land. Alle concurrenten sluit ik voor je op in de gevangenis, maar je moet wel betalen voor dat alleenrecht.” Monopolies kunnen alleen maar ontstaan of standhouden door overheidsinterventie. Op de vrije markt zijn monopolies onmogelijk.

Op de vrije markt is het zo dat als een bedrijf binnen een bepaalde regio een gigantisch marktaandeel verovert, dat alleen maar kan door heel erg efficiënt te zijn en voor een lage prijs te werken. Want in iedere sector heb je een optimaal aantal aanbieders. We hebben bijvoorbeeld miljoenen bakkers in de wereld en we hebben maar tientallen autofabrikanten. Dat is omdat het miljarden kost om een auto te ontwikkelen. Voor een brood is heel wat minder geld nodig. Je kunt dus niet a priori zeggen: “Er moeten minimaal zoveel aanbieders zijn van een product.” Wat de optimale grootte is, is nu juist iets wat op de markt zal blijken. De consument wil een zo goed mogelijke auto of een zo goed mogelijk brood tegen een zo laag mogelijke prijs. De producenten gaan proberen marktaandeel te veroveren door te innoveren, door een steeds betere auto te bouwen tegen een zo laag mogelijke prijs. Of neem computers. Die worden steeds beter en steeds goedkoper. Omdat je daarmee je marktaandeel kunt behouden, vergroten of voorkomen dat het kleiner wordt.

Op een markt die werkelijk helemaal vrij is, kan een computerfabrikant alle andere computerfabrikanten opkopen en vervolgens de prijs flink omhoog gooien en de kwaliteit laten versloffen omdat hij met niemand meer hoeft te concurreren.

Ik ken die drogreden. Dat is een marxistische mythe. Je kunt alleen maar steeds groter worden door steeds efficiënter te worden. Als je te groot wordt en daardoor minder efficiënt wordt, en je kostprijs juist omhoog gaat omdat je bureaucratisch bent geworden, dan zul je juist marktaandeel gaan verliezen, want er zijn dan namelijk concurrenten die marktaandeel van je afsnoepen. Zelfs al zou je een natuurlijk monopolie hebben verworven, waardoor je de enige aanbieder bent geworden, bijvoorbeeld in het geval van een dorp dat zo klein is geworden dat maar één bakker de meest efficiënte oplossing is en twee bakkers niet efficiënt zouden zijn, dan betekent dat niet dat je daarvan misbruik zou kunnen maken. Want als je dat zou proberen te doen, dan is er altijd de latent aanwezige concurrentie. Want stel dat je een monopolie hebt bereikt en je denkt dat je de prijzen flink kunt verhogen en er met de pet naar kunt gooien, dan kom je er snel achter dat het zo niet werkt in de vrije markt. Want zodra je misbruik gaat maken van je monopoliepositie door een slechte service te leveren of een slecht product te bieden tegen een te hoge prijs, dan zul je merken dat er opeens een nieuwe bakker komt die marktaandeel van jou gaat afsnoepen.

Marxisten zullen dan tegenwerpen dat monopolisten nieuwe toetreders uit de markt kunnen drukken voordat ze in staat zijn geweest marktaandeel af te snoepen. Maar als bakker kun je eerst eens even offertes sturen aan alle grote klanten en zeggen: “Ik beloof dat ik een jaar lang brood zal leveren om acht uur ’s ochtends, voor deze prijs en van deze kwaliteit, maar dat doe ik pas als honderd mensen hebben getekend, eerder begin ik er niet aan.” Als dan honderd mensen hebben getekend heb je een gegarandeerde afzetmarkt, en de bakker die tot twaalf uur bleef liggen, en die zijn broden tien keer zo duur had gemaakt, zal er achter komen dat hij ten onder gaat. Want zelfs al zou hij zijn leven beteren, dan is hij te laat, want die ander heeft al zijn honderd getekende offertes liggen.

Vaak, als gewaarschuwd wordt voor monopolievorming, wordt gewezen naar personen als Rockefeller en Vanderbildt, die in het Amerika van de 19de eeuw kapitaal maakten. Ze zijn afgeschilderd als robber barons. Maar wat blijkt nou? Ze waren voortdurend bezig prijzen te verlagen. Doordat ze innoveerden, konden ze efficiënter werken, en daardoor konden ze prijzen verlagen en dat deden ze ook. Daardoor veroverden ze een groot marktaandeel en daardoor konden ze het ook behouden. Het klopt dus niet dat ze op een gemene manier marktaandeel hadden veroverd.

Amerikaanse spoorwegbedrijven hebben jarenlang hun prijzen moeten verlagen. Op een gegeven moment waren ze dat zo beu dat ze gingen lobbyen bij de federale overheid om een instantie op te zetten die de prijzen moest gaan reguleren. Dat was onder het mom van ‘in het belang van de consument’, want, zo zeiden, ze: “Het is toch belachelijk dat een pakketje versturen van New York naar Chicago goedkoper is dan een pakketje van New York naar Cleveland,dat veel dichterbij is?” De verklaring voor dat prijsverschil was echter dat er moordende concurrentie was op de spoorlijnen die van New York naar Chicago liepen. Toen die regulerende instantie er eenmaal was, gingen de prijzen omhoog.

Hetzelfde is gebeurd met de luchtvaartindustrie, die is de overheid ook gaan reguleren. Dat is onder president Jimmy Carter afgeschaft, met het gevolg dat vliegen opeens veel goedkoper werd. In Europa is dat ook gebeurd. Met het Open Skies Agreement is vliegen veel goedkoper geworden. In mijn kindertijd was vliegen nog iets voor rijke mensen. Nu vlieg je voor een paar tientjes naar de Middellandse Zee.

Over het vraagstuk van de staat en de vrije markt staan libertariërs en marxisten lijnrecht tegenover elkaar. Maar van een discussie lijkt het niet te komen.

Marxisten zijn inderdaad de tegenpool. Ik heb lang geleden een keer een debat gehad met een SP’er, maar die had het marxisme eigenlijk al afgezworen.

In Nederland zijn het de VVD en de SP die gezien worden als elkaars tegenpolen. 

Illustratief voor her verschil tussen die partijen vind ik het debat dat ze met elkaar voerden over de inkomstenbelasting. In 2012 was het marginale tarief voor de inkomstenbelasting 52 procent. De SP wilde het tarief verhogen naar 60 procent en de VVD wilde het verlagen naar 51 procent. Dat is dus marge waarbinnen de discussie in Nederland zich afspeelt. Wij staan als LP zover af van de status quo dat je er voor ons geen marxist bij hoeft te halen om een beetje vuurwerk te brengen in een discussie.

Er is een andere Toine Manders. Van de partij 50Plus. Die is erg verdrietig dat hij soms verward wordt met u. Hij heeft verklaard u asociaal te vinden.

Dat mag hij vinden. Ik vind het  jammer dat ik soms met hem verward word. Hij heeft laten zien een opportunist te zijn. Toen de VVD hem geen derde termijn gunde als europarlementariër stapte hij meteen over naar 50Plus. Ik ken hem verder niet. Ik heb me nooit in hem verdiept. Iemand die is overgestapt van de VVD naar de LP heeft hem ooit uitgenodigd om met mij in debat te gaan over liberalisme. Toen zei hij dat hij dat misschien nog wel eens wilde, maar voorlopig zeker niet.

In 2014 heeft de LP niet meegedaan aan Europese verkiezingen. Deel van de reden was dat ik achter de tralies zat. Ze hebben mij opgesloten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Dat was in januari 2014. In maart waren de gemeenteraadsverkiezingen en in mei de Europese verkiezingen. Even leek het erop dat twee mensen die Toine Manders heetten, zouden meedoen, ik namens de LP en hij namens 50Plus, maar daar is het dus niet van gekomen. 

Hoe plaatst u de LP in het links-rechts spectrum? De retoriek van anti-belasting en vrije markt zal velen uit de VVD-achterban aanspreken. Het idee van non-interventie de SP-achterban. De LP is ook voor het vrije verkeer van personen, het openstellen van de grenzen. Daar zal de GroenLinks-achterban van smullen.

Nolan-diagram

David Nolan, één van de oprichters van de Amerikaanse Libertarian Party, heeft gezegd: het politieke spectrum is geen links-rechts lijn. Het is tweedimensionaal. Op de linker-as heb je persoonlijke vrijheid en op de rechter-as economische vrijheid.

Mensen die links zijn, progressief of liberal, zoals ze dat in Amerika noemen, hechten weinig waarde aan economische vrijheid, maar ze zijn wel voor persoonlijke vrijheden. Ze zijn voor vrijheid van meningsuiting en godsdienst, voor een liberaler beleid op het gebied van drugs, prostitutie, pornografie en abortus.

Rechts, of conservatief, is de tegenpool. Zij willen meer economische vrijheid en dus een kleinere overheid als het gaat om de economie. Ze zijn voor lagere belastingen, minder regels, privaat eigendom, het tegengaan van staatsmonopolies. Maar als het gaat om persoonlijke vrijheid is het net andersom. Dan vinden ze dat de staat hard moet optreden tegen drugs, prostitutie, pornografie, godslastering, majesteitsschennis en het verbranden van de nationale vlag. Vaak ook zijn ze voor de militaire dienstplicht.

Helemaal onderin vinden we de communisten en fascisten. Die hechten aan geen enkele vrijheid enige waarde. Het individu moet volledig onderworpen zijn aan de staat. Als er mensen zijn die denken dat fascisten voor economische vrijheid zijn, een soort kapitalisten zijn, dan zeg ik: “Niets is minder waar.” In zowel fascistisch Italië als in Duitsland had de staat een enorme dikke vinger in de economische pap. Grootgrondbezitters of fabrieken werden niet onteigend, maar werden wel voor het karretje van de staat gespannen. Het was een geleide economie. De staat schreef voor wat die bedrijven moesten doen. Zo moesten ze zich voornamelijk inzetten voor de oorlogsindustrie.

Het centrum zien mensen als het toppunt van beschaving. Dan ben je gematigd, geen extremist, niet radicaal. Maar zoals je ziet, grenst het midden aan de communisten en fascisten. Dus zo mooi is dat midden helemaal niet. Voor het midden geldt dat er geen enkele vrijheid is die ze echt belangrijk vinden. Conservatieven zijn in elk geval nog voor een vrije markt, en liberals zijn tenminste nog voor persoonlijke vrijheden. Mensen die echt progressief, echt liberal zijn, zijn ook anti-oorlog. Dat veranderde in Amerika toen Barack Obama tot president werd gekozen. Toen vergaten ze ineens al hun anti-oorlogsideeën. Sindsdien zijn er niet zoveel echte liberals meer. De Democratische Partij in de VS is heel erg opgeschoven naar het centrum. Ze vinden geen enkele vrijheid nog echt belangrijk.

Bovenin het politieke spectrum vind je, wat we in Nederland noemen, de liberalen. De echte liberalen willen zowel meer economische als persoonlijke vrijheid.  Ze hechten aan beide vrijheden veel belang. Wat niet wegneemt dat er veel mensen zijn die zich liberaal noemen maar het niet echt zijn, omdat ze bijvoorbeeld voor een streng drugsbeleid zijn. Bij de VVD zie je dat ze zijn opgeschoven naar rechts-conservatief. Zo moet je voor de bescherming van de rechten van verdachten niet bij de VVD zijn, en ook niet voor een liberaal migratiebeleid. De VVD is dus maar tot op zekere hoogte wat de partij zegt te zijn: liberaal. Ze zitten op het grensvlak rechts-conservatief,  centrum en liberaal.

Waar vind je nou de libertariërs? Helemaal bovenin. Wij zijn heel erg liberaal, want wij willen 100 procent economische en persoonlijke vrijheid.

De liberale VVD-achterban zul je niet aanspreken met het openstellen van de grenzen. De achterban van die partij is heel erg gekant tegen immigratie.

De meeste libertariërs zeggen: “We zijn voor open grenzen, maar we erkennen tegelijk dat dit niet werkt in combinatie met het uitdelen van gratis geld, zorg, onderwijs en huizen aan immigranten. Dat zou in een libertarische samenleving niet kunnen.” Als je kijkt naar geschiedenis van de VS: tot in de jaren ’20 waren er nauwelijks immigratiebeperkingen. Er gingen mensen heen vaak zonder enige opleiding, soms zelfs analfabeten, maar niet om hun hand op te houden, maar om zichzelf productief te maken, een bestaan op te bouwen. Vaak met succes. Hun kinderen waren vaak veel welvarender dan zijzelf. Het was in een tijd dat de overheid extreem klein was, met name de federale overheid, die toen nog geen inkomstenbelasting mocht heffen. 

U heeft op BNR Nieuwsradio geadverteerd met de slogan ‘Belasting is diefstal’. Daar kwam in 2008 een einde aan. Waarom was dat?

Een anonieme persoon heeft een klacht ingediend omdat het spotje in strijd zou zijn met het goed fatsoen. De Reclame Code Commissie deed toen BNR de aanbeveling het spotje niet meer uit te zenden. Dat is Orwelliaanse newspeak voor censuur, want de Commissie pretendeert dat er sprake is van zelfregulering, dat media die reclame uitzenden zichzelf normen willen opleggen en zich daarom aansluiten bij de stichting Reclame Code. Maar de werkelijkheid is anders. De Mediawet verplicht zendgemachtigden lid te worden, en daarmee aanbevelingen te volgen. Het zijn dus geen aanbevelingen maar censuur. Alle zendgemachtigden houden zich er aan, want willen hun zendmachtiging niet verliezen.

We zijn in beroep gegaan tegen de aanbeveling. Ik heb bij het college van beroep betoogd dat de slogan niet in strijd kan zijn met het fatsoen, immers: de waarheid mag gezegd worden. Tot mijn verbazing werd de aanbeveling van Reclame Code vernietigd, omdat de commissie vond dat de slogan niet in strijd was met het fatsoen. Maar er kwam een andere aanbeveling voor in de plaats: de aanbeveling de slogan niet uit te zenden omdat deze in strijd zou zijn met de waarheid, want belasting is geen diefstal, en reclameslogans mogen niet in strijd zijn met de waarheid.

Hoe verklaart u dat u wel bent aangepakt, en niet de trustkantoren die multinationals nog steeds behulpzaam zijn met belastingontwijking in het buitenland?

Ik kan niet kijken in de hoofden van de FIOD- en OM-mensen. Ik kan alleen raden wat ze motiveert. Maar over het algemeen is het zo dat trustkantoren niet etaleren dat ze zich bezighouden met belastingontwijking. Op hun websites kom je het woord ‘belastingontwijking’ niet tegen. Überhaupt kom je daar weinig tegen over fiscaliteit. Ik daarentegen was altijd erg recht voor zijn raap. Ik gebruikte wel het woord ‘belastingontwijking’ op onze website en in brochures. Ik deed er zelfs nog een schepje bovenop met de slogan ‘Belasting is diefstal’. In interviews maakte ik ook geen geheim van mijn gedachtegoed. Ik zei dingen als: ‘De overheid is een criminele organisatie’, ‘Belasting is gelegitimeerde roof’, ‘De ondernemer is een onderdrukte minderheid’, ‘Belastingontwijking is een moreel recht en een morele plicht’. Dat vonden ze bij de fiscus ongetwijfeld niet leuk om te horen. Belastingambtenaren zijn meestal mensen zonder humor, met een goed geheugen en lange tenen. Als je daar eenmaal op getrapt hebt, dan vergeten ze dat niet. Ik waande mij veilig, want ik dacht: “Ik houd mij aan de regels, zij moeten dat ook doen, en dus zullen ze het wel doen.” Achteraf concludeer ik dat ik te naïef ben geweest. Zelfs ik heb mij nog vergist in de ongelooflijke slechtheid van de staat.

Nadat wij in 2001 waren begonnen met het aanbieden van HJC-trustdiensten, vanaf een nieuw kantoor op Cyprus, kwam er in 2004 een wet Toezicht Trustkantoren, maar die gold alleen voor trustkantoren met een zetel in Nederland. Daar viel dus HJC in Cyprus niet onder. De fiscus kon dus de informatie over mijn cliënten niet zomaar bemachtigen. Dat vonden ze waarschijnlijk heel vervelend. Dus hebben ze als oplossing bedacht: zware beschuldigingen uiten, ons een criminele organisatie noemen, zodat de overheid in Cyprus meewerkte, en ze alsnog de cliëntgegevens konden bemachtigen. 

U heeft, na uw aanvaring met de Nederlandse staat, een nieuw begin gemaakt met Nozick Consulting in Zoetermeer. Is dat een voortzetting van dezelfde activiteiten onder een andere naam?

Het is een belastingadvieskantoor voor de kleine- en middelgrote ondernemer, dat met name gericht is op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ondanks de reparatiewetgeving is het ons gelukt een nieuw product te ontwikkelen voor de kleine ondernemer, waarbij alle rechtspersonen van de bedrijfsstructuur zich in Nederland bevinden.

Het ontwijken van belasting via het buitenland is niet langer iets dat u uw cliënten adviseert?

Buitenlandse structuren bieden nog steeds een groter voordeel, maar de kosten zijn ook hoger. Als je een Nederlandse structuur kiest is het voordeel iets minder groot, maar de kosten zijn een stuk lager. Er komen steeds meer regels om belastingontwijking tegen te gaan. Die maken het niet onmogelijk, maar wel lastiger en duurder, waardoor het omslagpunt, de minimale winst die je moet behalen, hoger komt te liggen. Zodat de kleinste ondernemer afvalt. Alleen de grote en middelgrote ondernemers kunnen nu nog belasting ontwijken. Ik vind dat een treurige ontwikkeling.

Hoe kijkt u aan tegen de afschaffing van de dividendbelasting? Het zijn niet de kleintjes die daarvan profiteren.

Ik ben voor afschaffing van alle belastingen, dus ook voor die op dividend. Niet alleen om principiële, morele redenen, maar ook om pragmatische redenen. De dividendbelasting is een boete op investeren. Als een buitenlandse investeerder investeert in een Nederlands bedrijf, dan krijgt hij daar een boete voor, in de vorm dus van dividendbelasting. Engeland legt die boete niet op. Dus als je kunt kiezen als buitenlandse investeerder tussen investeren in een Engels bedrijf zonder boete en een Nederlands bedrijf met boete, dan zul je eerder kiezen voor het Engelse bedrijf. Dus als je die boete afschaft dan is dat natuurlijk gunstig voor het investeringsklimaat. Het aantrekken van buitenlands kapitaal is goed de voor de economische groei en de levensstandaard. Dus uiteraard ben ik daar voor.

Als je op korte termijn kijkt, zeg je misschien: “Die buitenlandse investeerders, die voordeel genieten van de afschaffing van de Nederlandse belasting op dividend, wat hebben wij daar mee te maken? We willen wat goed is voor het Nederlandse volk.” Dat is kortzichtig. Want dat buitenlandse kapitaal draagt juist bij aan onze levensstandaard.

De Nederlandse belastingbetaler ziet het als onrechtvaardig dat buitenlandse investeerders geen belasting hoeven te betalen.

Dat begrijp ik, en ik zou ook heel graag zien dat de belasting voor iedereen wordt verlaagd, niet alleen voor buitenlandse investeerders. Maar we moeten voorkomen dat we worden uitgespeeld tegen elkaar. Het is beter te zeggen: “Elke belastingverlaging is een stap in de goede richting, dus laten we ons niet verzetten tegen welke belastingverlaging dan ook.”

Ik ben het er verder niet mee eens dat in het geval van de afschaffing van de dividendbelasting een beperkte groep daar van profiteert, want als het investeringsklimaat verbetert dan profiteert uiteindelijk iedereen daar van in Nederland. Meer kapitaal betekent: meer machines, automatisering, innovatie en efficiency. Dat zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit en dus hogere lonen en een hogere levensstandaard. Werknemers kunnen zo steeds meer presteren in steeds minder tijd. De reden dat we niet meer zestig uur in de week werken, maar nog maar 35 uur is dat de arbeidsproductiviteit zo hard is gestegen doordat er meer kapitaal is gevormd als gevolg van een grotere economische vrijheid.

Hoe verklaart u dat de Nederlandse regering alleen buitenlandse investeerders belastingvoordeel gunt? De schatkist loopt er miljarden mee mis.

Kleine ondernemers hebben geen lobby. Grote bedrijven huren lobbyisten in en maken politieke vriendjes. Als een politicus geen politicus meer is, zoals Wim Kok, dan wordt hij commissaris bij Shell of een ander beursgenoteerd bedrijf. Gerhard Schröder tekende een contract met Gazprom, meteen nadat hij als politicus was uitgerangeerd. Dick Cheney, was minister van defensie onder Bush senior, en aansluitend CEO bij Halliburton, de grote defense contractor. Toen Bush junior werd gekozen, werd Cheney vice-president en ging hij lobbyen  om oorlog in Irak te voeren, waar Halliburton uiteindelijk een fortuin mee heeft gemaakt.

De overheid is een soort doping. Als je doping legaliseert heb je als sporter geen kans meer zonder doping. Zo ook met de overheid. Als je een groot bedrijf hebt, en je hebt een overheid die je kan maken of breken, die je subsidies kan geven of niet, die je privileges kan geven of niet – dan ga je dus lobbyen. Want als jij niet lobbyt en de concurrent wel, dan ga je uiteindelijk ten onder. Je moet vriendjes maken. Microsoft heeft heel lang niet gelobbyd, totdat ze miljardenclaim kregen wegens monopolievorming. Sindsdien zijn ze maar gaan lobbyen.

Wat ook speelt: grote bedrijven laten zich sterk leiden door regeldruk en lastendruk. Ze kunnen makkelijk met hun voeten stemmen, en zeggen: “We gaan ergens anders een nieuwe fabriek plaatsen of een nieuw hoofdkantoor.” Dus hebben politici er belang bij grote bedrijven te lokken, en niet te verjagen. Als je kijkt welke belasting is er verlaagd de afgelopen tientallen jaren, dan was dat met name de vennootschapsbelasting, van gemiddeld 48 procent in 1980 in de OESO-landen naar nu gemiddeld zo’n 23 procent. Nederland gaat deze belasting verlagen van marginaal 25 naar 21 procent. Niet zo lang geleden was dat nog 35 procent. Het is zelfs 45 procent geweest onder premier Joop den Uyl.

Nu blijkt Shell al een voorschot te hebben genomen op de afschaffing van de dividendbelasting. Het bedrijf heeft jarenlang geen belasting afgedragen. Met toestemming van de Belastingdienst. Hoe ziet u dat?

Shell heeft gedaan wat iedereen in Nederland mag doen: Je mag als belastingbetaler om een ruling vragen. Als je een brief schrijft met de vraag of jouw interpretatie van de belastingwetgeving juist is, dan is de belastinginspecteur verplicht daar antwoord op te geven. Hij hoort rechtszekerheid te verschaffen.

Shell had vroeger zowel in Nederland als Engeland een hoofdkantoor. In Engeland was geen dividendbelasting, in Nederland was die er wel. Ze wilden fuseren. Als ze dat hadden gedaan zonder afspraak met de fiscus te maken, dan zou dat betekenen dat investeerders in Shell Engeland door de fusie geconfronteerd zouden worden met de Nederlandse boete. Dan was de fusie niet doorgegaan. Dan hadden de aandeelhouders van de Engelse vestiging gezegd: “Dan maar geen fusie.” De Shell-top is toen naar de fiscus gestapt met het verhaal dat ze wilden fuseren en het hoofdkantoor in Nederland wilden vestigen. Shell heeft waarschijnlijk gezegd dat ze een mogelijkheid zagen de dividendbelasting te ontwijken en gevraagd om een handtekening als bevestiging dat de fiscus die structuur accepteerde en niet achteraf zou proberen die onderuit te halen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de oplossing die Shell had bedacht een illegale of strafbare oplossing was. Waarschijnlijk paste de oplossing binnen de grenzen van de wet.

Het probleem met rulings is wel vaak: Als je een structuur hebt die over de landsgrenzen heen gaat, als je Nederlandse belasting ontwijkt door inkomsten in het buitenland te laten vallen of vermogen in het buitenland op te bouwen, en je wilt daar een ruling over, dan krijg je die niet als kleine ondernemer. Dan zeggen ze: “Dat is fiscale grensverkenning. Daar werken we niet aan mee.” Als een multinational dezelfde ruling vraagt, dan krijgen ze wel een ruling. Maar zoals ik al zei: we hebben een nieuw product ontwikkeld, dat we binnen de Nederlandse grenzen houden, en dan kun je ook als kleine ondernemer vragen om duidelijkheid.

De postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, hoe ziet u die? De Nederlandse staat en de Nederlandse burger lijken daar niet echt wijzer van te worden.

Natuurlijk zou het geweldig zijn als Nederland een belastingparadijs was voor iedereen niet alleen voor doorstroomvennootschappen in het buitenland. Maar de Nederlandse staat en de Nederlandse burger worden er wel degelijk wijzer van. Trustkantoren in Nederland besturen ongeveer 10.000 doorstroomvennootschappen. Daarnaast heb je ook nog doorstroomvennootschappen die geen trustkantoor nodig hebben, en eigen personeel inzetten. Er gaat in die doorstroomvennootschappen ongeveer 10.000 miljard euro per jaar om. Daar wordt weinig belasting over afgedragen, maar toch evengoed nog een paar miljard per jaar. Want er zijn heel veel advocaten, belastingadviseurs, accountants en notarissen en trustkantoormedewerkers die daar een hele goede boterham aan verdienen, en daar belasting over betalen. De doorstroomvennootschappen mogen zo’n 99 procent van de winst aftrekken op de doorstroming. Maar ze moeten dus ook een percentage achterlaten in Nederland.

Wat de postbusfirma’s bijdragen aan de Nederlandse economie en aan belastinginkomsten opleveren is uitgerekend door een vereniging van trustkantoren, dus je kunt je afvragen wat ervan klopt, maar mijn punt is: Ook al zou de Nederlandse overheid er helemaal niks aan overhouden, dan moeten we het nog steeds toejuichen. Want de private sector heeft er wel baat bij, en niet alleen in Nederland, juist ook in het buitenland. Er zijn heel veel landen waar bedrijven meer overhouden, en dat betekent dat er minder geld wordt uitgegeven aan schadelijke zaken door politici en ambtenaren zoals het bombarderen van onschuldige mensen, het maken van steeds meer hinderlijke wet- en regelgeving en het ondernemen van vrijheidsondermijnende activiteiten. In plaats daarvan wordt het geld geïnvesteerd in innovatie, waardoor de levensstandaard stijgt, de levensverwachting stijgt en de economie groeit.

Omdat uw naam genoemd werd in de Panama Papers bent u afgelopen jaar verhoord door de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Hoe heeft u dat ervaren? 

Het was voor mij leerzaam te kijken naar de belastingambtenaren die door de commissie werden geïnterviewd. De frustratie droop er van af toen ze het hadden over de rechtsbescherming van de belastingbetaler. Hun frustratie was dat ze vaak niet wisten om te gaan met mensen die ze ervan verdachten gebruik te maken van mooie belastingconstructies. Dan stelden ze een vragenbrief op en in plaats van dat de belastingplichtige netjes antwoordde, huurde hij een slimme adviseur in die een antwoordbrief schreef, waarin hij nauwelijks antwoord gaf en tegenvragen stelde, zoals: “Op welke wetgeving baseert u zich? Op grond waarvan bent u van mening dat mijn cliënt deze vragen moet beantwoorden?” Kortom, ze zijn zwaar gefrustreerd over de rechtsbescherming van de belastingbetaler, en dat ze dus niet alles weten.

De fiscus wil daarom een uitholling van de rechtsbescherming van belastingbetalers. Ze willen een meldingsplicht, die inmiddels al is ingevoerd op het niveau van de EU. Belastingadviseurs moeten voortaan constructies aanmelden, een soort NSB’ers worden. Ze moeten hun eigen klanten gaan aanmelden bij de overheid. Ze moeten de fiscus vertellen: “Wij hebben een belastingadvies uitgebracht en daardoor gaat mijn cliënt een bepaald belastingvoordeel genieten.” Zodat de fiscus je cliënt kan gaan lastig vallen om te kijken of ze er toch niet wat meer uit kunnen persen. Doe je dat niet, dan ben je strafbaar.

U noemde net de EU die gezorgd heeft voor een meldingsplicht. U sprak eerder over een EU-kartel van belastingheffende politici. Hoe is dat buiten de EU?

Ook op mondiaal niveau gaan we in de richting van een kartel. Er zijn inmiddels honderd landen, die een verdrag hebben getekend met elkaar om automatisch informatie uit te wisselen, dus niet op verzoek of op verdenking van belastingontduiking of een ander strafbaar feit. Tot die landen behoren ook China en Venezuela. De mensen die daar wonen wordt dus de mogelijkheid ontnomen hun vermogen verborgen te houden voor door en door corrupte overheden. Het is een herhaling van de jaren ’30. Sommige Duitse joden hadden toen hun vermogen in Zwitserland geparkeerd uit angst dat het hun afgenomen zou worden. Dat het Zwitserse bankgeheim werd ingevoerd in 1934 is geen toeval. Dat kwam doordat een aantal Zwitserse bankmedewerkers hun Duitse-joodse cliënten hadden verraden, die gegevens hadden verkocht aan de Duitse overheid. Met die joden is het slecht afgelopen. In Duitsland stond de doodstraf op belastingontduiking. De verraden cliënten van die Zwitserse bank werden dan ook ter dood veroordeeld. Dat was voor de Zwitserse overheid in 1934 reden om te zeggen: “Dit nooit meer. We gaan een bankgeheim invoeren.” Het werd toen strafbaar voor Zwitserse bankmedewerkers gegevens van cliënten te delen met derden. Dat is dus het inmiddels verguisde Zwitserse bankgeheim.

Privacy is in een kwaad daglicht gesteld. Zo van: “Als je niks te verbergen hebt, dan heb je niks te vrezen.” Maar dat is volledig onterecht. Wij hebben in West-Europa toevallig de laatste zeventig jaar een stukje beschaving opgebouwd, dat overheden niet zo maar kunnen doen wat ze willen. Daardoor zijn we een beetje naïef geworden. De overheid is onze beste vriend. Maar er zijn nog steeds heel veel mensen in de wereld voor wie geldt dat de overheid helemaal niet hun beste vriend is. Maar juist de grootste vijand.

De overheid moet je zien als de parasitaire klasse, die ons leegzuigt, een bal aan ons been is. Ze zorgt ervoor dat we korter leven. Als je kijkt naar de levensverwachting in de veertig landen met de meeste economische vrijheid, daar worden mensen gemiddeld tachtig jaar. In de veertig landen waar mensen de minste economische vrijheid hebben, worden ze gemiddeld zestig jaar. De overheden stelen in die landen dus gewoon 20 jaar van een mensenleven. Lees het boek Death By Government van Rudolph Rummel. In de twintigste eeuw zijn er naar schatting zo’n kwart miljard mensen vermoord door hun eigen overheden. Dan heb ik het nog niet eens over de mensen die zijn gesneuveld in oorlogen als gevolg van overheden die met elkaar strijd voeren. Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot zijn bij elkaar opgeteld alleen al goed voor zo’n 150 miljoen moorden op eigen burgers.

Het is dus niet zo gek dat er zoveel mensen zijn die hun eigen overheid niet vertrouwen en verborgen proberen te houden dat ze iets hebben gespaard of opgebouwd, omdat je jezelf anders tot doelwit maakt. In landen met corrupte regimes waar de economie aan de grond zit, zijn het meestal succesvolle minderheden die als eersten worden gepakt. In Duitsland waren dat de joden en in Indonesië de Chinezen.

Posted on

De rechter als onderdeel van een tijdsgewricht

Het is een fenomeen dat al langer opvalt, maar bij de moord op Anne Faber weer duidelijk naar voren is gekomen. De rechter kijkt een dader in de ogen en dient over hem/haar te oordelen. De rechter kijkt een slachtoffer niet in de ogen, maar dient hem/haar wel te beschermen. De rechter is ook maar een mens en dit leidt er toe dat de rechter in dit tijdsegment meer aandacht heeft voor daders dan voor slachtoffers.

De rechter door de tijd heen

Een rechter heet onafhankelijk te zijn, maar dat is niet zo. De rechter is een product van zijn tijd en/of sociale omgeving. De rechters in de 17e eeuw waren niet slecht, maar deden niets tegen slavernij, terwijl dit nu niet meer denkbaar is. De rechters in de Verenigde Staten zijn niet slecht, maar ze zijn voorstander van de doodstraf, terwijl dit in West-Europa geen optie meer is.

Zo zijn ook onze rechters niet slecht, maar ze kijken de dader in de ogen en niet het slachtoffer. Dit leidt er toe dat in de rechtspraak van deze tijd veel aandacht is voor de dader, diens overwegingen en diens toekomstige leven. Tegenover al deze aandacht staat een volstrekt gebrek aan aandacht voor het (potentiële) slachtoffer, de familie van het slachtoffer of de effecten van het gedrag van de dader op burgers in het algemeen.

Kan een mens neutraal zijn?

De beeltenis van Vrouwe Justitia suggereert dat er sprake is van een soort onafhankelijke wijsheid en dat de rechter zich bij zijn uitspraken hierop beroept. Het is echter niet de kwaliteit van een rechter, die maakt dat hij in het verleden of in andere landen tot keuzes komt waar wij in Nederland anno 2017 zeker niet op uit zouden komen. De rechters zijn hun naam en beroep waard, maar het zijn mensen.

Er is niet zoiets als een ideaal rechtsbeeld. De wet wordt gemaakt door de politici, die gekozen zijn; de rechter past zijn uitspraken aan binnen dit kader. Tegelijkertijd is de rechter ook één van de kiezers. Mocht een rechter vol overtuiging tegen het homohuwelijk zijn en de wetgever dwingt haar ambtenaren om deze huwelijken te sluiten (om maar een simpel voorbeeld te nemen) dan zal het voor de rechter net zo moeilijk zijn om de weigerambtenaar te veroordelen als het voor de weigerambtenaar moeilijk zal zijn om het homohuwelijk te sluiten.

Waar de mens haar rol verliest

De plek waar een mens zich het moeilijkste kan verstoppen is in de confrontatie met andere mensen. Dat doet zich momenteel in alle hevigheid voor in de rechtszaal. Voor de rechter zit een dader, maar ook een mens. Ik heb er alle begrip voor dat een rechter de mens in de dader zoekt en weegt. Waar ik moeite mee heb is dat er geen ruimte is voor die andere mens: het slachtoffer.

Tegenwoordig is er enige ruimte voor het slachtoffer, maar het is afgedwongen en beperkt. Het is een eerste stap in een proces dat veel meer ruimte verdient; een proces dat leidend zou moeten zijn. De rechter is er immers om (toekomstige) slachtoffers in bescherming te nemen. Feitelijk is iedere dader (ik schrijf bewust niet ‘verdachte’) een burger die eigen rechter speelt en een ander confronteert met een zelfbedachte straf op een niet-relevante overtreding. Anne was op een plek waar ze niet had mogen zijn (van de dader) en de dader veroordeelde haar tot de doodstraf én voerde het uit. De trias politica in één persoon.

Dat is waar de rechter zich op moet focussen. Is de verdachte ook daadwerkelijk de dader? En hoe beleeft de samenleving deze daad en hoe kan ze beschermd worden tegen een dergelijke daad? Van deze dader of een ander. In plaats van onderzoeken naar de dader is het belangrijk voor de rechter om onderzoek te doen naar de gevolgen van de daad voor de samenleving, die hier niet om gevraagd heeft.

Van toen naar straks

Vroeger hadden we goede rechters en kwamen ze niet op tegen slavernij en vonden lijfstraffen of doodstraffen acceptabel. Tegenwoordig hebben we goede rechters en laten ze het slachtoffer links liggen. Laten we als samenleving doorgaan om te zorgen dat onze goede rechters het (potentiële) slachtoffer centraal stellen en daar hun vonnis op baseren. De rechter is ook maar een product van zijn tijd en deze tijd vraagt om een andere benadering van de verhouding dader-slachtoffer.

Posted on

Afrika: demografisch booming, economisch een dwerg

Met het oog op de snelle bevolkingsgroei op het Afrikaanse continent zou eigenlijk een extreem hoge economische groei nodig zijn. Na decennia ontwikkelingshulp is Afrika in economisch opzicht echter nog altijd een dwerg.

Zo nu en dan is er weer sprake van Afrika als ‘markt van de toekomst’, maar de economische situatie van het continent blijft ontnuchterend. Momenteel woont ruim 16 procent van de wereldbevolking in Afrika, maar bij elkaar opgeteld dragen alle 54 Afrikaanse landen slechts drie procent bij aan het gezamenlijke Bruto Binnenlands Product van de wereld. Ter vergelijking: Frankrijk had in het jaar 2014 een BBP van 2,849 biljoen dollar, heel Afrika bij elkaar slecht 2,427 biljoen.

Een relatief groot aandeel in de economische macht van Afrika hebben de beide zwaargewichten Nigeria en Zuid-Afrika. Het economische potentieel van het continent is onbetwistbaar. Zo bereikte Subsahara Afrika in de afgelopen jaren gemiddelde economische groeicijfers van meer dan vijf procent. De OESO gaat ook voor het jaar 2017 van een gemiddelde economische groei van 4,5 procent uit.

Met het oog op de voorzienbare demografische ontwikkeling zijn echter groeicijfers van een heel andere dimensie nodig. Terwijl mondiaal gezien het gemiddelde vruchtbaarheidscijfers intussen gedaald is naar 2,5 kind, ligt die waarde voor vrouwen op het Afrikaanse continent bij gemiddeld 4,7 kinderen. Als die hoge geboortecijfers aanhouden, dan zal de bevolking van Afrika zich van 1,3 miljard nu verdubbelen tot 2,6 miljard in het jaar 2050 en mogelijk zelfs groeien tot meer dan zes miljard mensen aan het eind van de eeuw.

De econoom en socioloog Gunnar Heinsohn heeft er inmiddels herhaaldelijk op gewezen dat met een dergelijke bevolkingsgroei massieve, ook gewelddadige strijd uit zal breken over de verdeling van grondstoffen in de betroffen samenlevingen, wat ook kan overslaan naar de rest van de wereld. Zo is de gemiddelde leeftijd in Afrika momenteel 18 jaar. In de economisch maar zwak ontwikkelde landen van Afrika woedt dan ook een felle strijd om arbeidsplaatsen, terwijl de rest van de jonge mannen zijn hoop vestigt op emigratie.

Welke dimensies dit probleem al binnen een paar jaar aan zal nemen, maken berekeningen voor Subsahara Afrika duidelijk. Voor dit deel van Afrika is de prognose dat al in de komende 15 jaar 370 miljoen jongemannen extra op de arbeidsmarkt zullen komen. Tot het jaar 2050 zou dat aantal zelfs meer dan 800 miljoen kunnen bedragen.

Met de eerste voorbodes van deze bevolkingsexplosie krijgt Europa inmiddels in toenemende mate te maken. Nog niet zo lang geleden zorgde een analyse van de Oostenrijkse militaire inlichtingendienst voor ophef, daarin werd gewaarschuwd voor een nieuwe migratiegolf vanuit Nigeria, de Congo, de Soedan en Ethiopië. Als reden daarvoor werd door de geheime dienst aangevoerd, dat het aanbodoverschot op de arbeidsmarkt in de belangrijkste landen van herkomst in Afrika al in de jaren tot 2020 met een verdere 15 miljoen personen aan zou kunnen groeien.

Het is de vraag of de gevolgen van deze ontwikkeling überhaupt nog door een conventionele forcering van de economische ontwikkeling aanmerkelijk afgeremd kunnen worden. Onlangs heeft – na Merkels gezwollen retoriek over een soort Marshallplan voor Afrika – de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking Gerd Müller (CSU) een nieuw concept voor de economische ontwikkeling van Afrika voorgesteld. Müller wil daarvoor geen extra geld naar Afrika overmaken, maar de beschikbare middelen anders inzetten. Zo moet een budget voor ‘hervormingen’ ter hoogte van 300 miljoen euro ontstaan. Dit geld moet dan aan die staten ten goede komen, die zich inspannen voor hervormingen en de bestrijding van corruptie. Cliëntelisme en corruptie zijn naast de slecht uitgebouwde infrastructuur, een gebrek aan vaklieden, nepotisme, kleptocratie en een vaak gebrekkige rechtsstatelijkheid, hoofdproblemen in de economische ontwikkeling van Afrika. Müller heeft ook aangekondigd de strijd aan te willen binden met de belastingontwijkingsstrategieën van grote concerns, waardoor Afrika jaarlijks miljardenbedragen misloopt. De vraag blijft echter waarom de ontwikkelingssamenwerking van Duitsland en andere westerse landen met en in diverse Afrikaanse landen nu ineens wel zoden aan de dijk zou zetten.

In kringen van de Europese Unie doet intussen de gedachte de ronde om een speciale eurocommissaris voor Afrika aan te stellen, die zich bezig zou moeten houden met onder andere een vrijhandelsverdrag tussen de EU en de Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee. In het afgelopen jaar had voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker reeds een Marshallplan voor Afrika aangekondigd en in het vooruitzicht gesteld dat vanaf 2017 88 miljard euro aan investeringssteun gemobiliseerd zou worden.

De verwachting is dat het concept van de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking in de komende maanden gevolgd wordt door initiatieven van andere landen. Duitsland heeft dit jaar het voorzitterschap van de G20 en wil dat vooral gebruiken om aandacht te vragen voor de economische ontwikkeling van Afrika.

Posted on

Hoe Amerikaanse drones en Jemenitische bruiloft beperkingen Duitse soevereiniteit onthullen

Een van de lopende zaken uit 2016 die mee gaat naar 2017 is een rechtszaak die aan het wezen van de Duitse staat raakt. Het gaat om de aanklacht van de Jemeniet Faisial bin Ali Jaber en twee nauwe verwanten tegen de Bondsrepubliek Duitsland. De zaak draait om de dood van twee van zijn familieleden, die tijdens een bruiloft door Amerikaanse drones getroffen werden.

Voor deze Jemenitische familie was dat een catastrofe, voor de Amerikaanse luchtmacht is het alledaags. Duizenden onschuldige mensen zijn reeds door hun drones om het leven gebracht. Maar waarom vindt een rechtszaak hierover in Duitsland plaats en waarom is de Duitse regering de beschuldigde?

De verklaring is eenvoudig. Zonder de Amerikaanse luchtmachtbasis in het Duitse Ramstein zou de Amerikaanse luchtmacht geen drone-aanvallen uit kunnen voeren in het Midden-Oosten en Noordoost-Afrika. De doelgebieden in Irak, Somalië, Jemen en Pakistan zijn zo ver van de Verenigde Staten verwijderd dat vanwege de kromming van de aarde een relaisstation nodig is, en als zodanig dient Ramstein. Dat is de geografische kant van de zaak, maar er is ook een juridische kant.

Deze eliminaties door drones, zonder proces, zonder bewijsvoering, zonder rechter, op basis van een willekeurig besluit, zouden ook als moord te kwalificeren zijn, als er bij die aanvallen daadwerkelijk slechts terroristen getroffen zouden worden. Ook terroristen hebben immers recht op de bescherming die het strafprocesrecht van een rechtsstaat – waarvoor de VS zich toch uitgeven – biedt.

Maar waarom wordt nu Duitsland aangeklaagd? Heel eenvoudig, Ramstein ligt op de Duitse grond en zodoende laadt de Duitse regering, die het gebeuren op de Amerikaanse basis toelaat, de verdenking van medeplichtigheid op zich. Van deze verdenking kan Berlijn zich slechts ontdoen als ze verklaart dat ze geen toegang heeft tot Ramstein, geen juridisch eigendom en geen mogelijkheid om daar gepleegde misdrijven te vervolgen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat bondskanselier Angela Merkel of een van haar ministers zich op een dergelijke argumentatie zou verlaten.

Al jaren gaat de Duitse regering iedere vraag naar Ramstein en wat daar allemaal gebeurt uit de weg. Totdat een paar weken geleden het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan een lid van de Bondsdag bevestigde, dat in Ramstein steun verleend wordt aan “de planning, toezicht en evaluatie van toegewezen luchtoperaties”. Deze toegeving was nogal algemeen verwoord. Dat zonder Duitse betrokkenheid de dronemoorden van de VS niet plaats zouden kunnen vinden, wilde men in ieder geval niet zeggen.

Ook andere zaken met betrekking tot Ramstein houdt men liever voor zich. In de loop van de afgelopen herfst leverden de VS daar – met toestemming van bondskanselier Merkel – 20 atoombommen van de nieuwere soort aan, wat op zich al onverkwikkelijk genoeg is. Daarbij komt echter dat voor de inzet van deze bommen Duitse ‘Tornado’-gevechtsvliegtuigen zijn aangepast en Duitse piloten zijn opgeleid. Dit raakt aan het Non-proliferatieverdag en aan de Duitse grondwet. In artikel II van het verdrag verplicht Duitsland zich ertoe “van niemand direct of indirect kernwapens of andere kernspringladingen aan te nemen” en die “te fabriceren nog op een andere manier te verkrijgen”. De aanwezigheid van kernwapens in Ramstein, die bedacht is voor Duitse vliegtuigen en piloten, gaat duidelijk tegen dit verdrag in.

Met de grondwet zit het wat anders in elkaar. Daarin staat namelijk in artikel 26 iets dergelijks, maar in de paragaaf daarvoor is de NAVO uitgezonderd. Zodoende gelden voor Amerikaanse kernwapens op Duitse bodem niet de de Duitse maar de Amerikaanse regels. In de NAVO wordt in dit verband gesproken van ‘nuclear sharing’. Daarmee worden van nucleaire have-nots handlangers onder Amerikaans bevel gemaakt en wordt een goed deel verantwoordelijkheid op de vazallen afgeschoven. Zo is men er weliswaar in geslaagd met een juridische truc de Duitse grondwet te omzeilen, de schending van het Non-proliferatieverdrag blijft echter staan.

Ook blijft de vraag bestaan, waarom de Duitse regering zich ten aanzien van Ramstein zo terughoudend opstelt. De beide genoemde problemen, drones en kernwapens, zijn immers niet de enige. Andere, zoals de effectieve onmogelijkheid van strafvervolging, komen daar nog bij.

Het kan zijn dat Merkel persoonlijk zo zeer aan de bestaande verhouding van Duitsland en de VS hecht, dat ze dit alles op de koop toe neemt. Joost mag het weten. Het kan echter ook zijn dat ze het gebeuren in Ramstein – en andere Amerikaanse bases in Duitsland – tolereert, omdat ze geen andere mogelijkheid heeft. De keuzemogelijkheden van een Duitse bondskanselier zijn immers beperkt. Het lidmaatschap van een zo nauw bondgenootschap als de NAVO brengt grote beperkingen van de nationale soevereiniteit met zich mee. Dit weegt des te zwaarder met het oog op de casus fœderis die sinds 11 september 2001 geldt in de strijd tegen het terrorisme.

In het geval van Duitsland wordt deze afhankelijkheid versterkt door het feit dat de bezettingsmachten (Amerika, Engeland en Frankrijk) in de geheime onderhandelingen over de hereniging enkele privileges uit het bezettingsstatuut tot op de dag van vandaag veilig gesteld hebben, zoals de toelating om in Duitsland bedrijven en personen te bespioneren. Hier ligt ook de rede voor de ingehouden reactie van de regering op het NSA-afluisterschandaal. Wat de Verenigde Staten in deze gevallen in Duitsland doen, is weliswaar immoreel, maar wel in overeenstemming met de regelingen. Dat geeft weinig basis voor protest van regeringszijde.

Hiermee hangt ook de zogenaamde Kanzlerakte samen, die de SPD-politicus Egon Bahr door zijn getuigenis in Die Zeit op 14 mei 2009 in de openbaarheid bracht. Bahr beschrijft hoe de pas gekozen bondskanselier Willy Brandt drie documenten ter ondertekening voorgelegd kreeg. Woordelijk: “Aan de respectievelijke ambassadeurs van de drie machten – de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië – in hun capaciteit van Hoge Commissarissen gericht. Daarmee moest hij toestemmend bevestigen wat de militaire gouverneurs in hun akte van goedkeuring van de grondwet van 12 mei 1949 aan bindende voorbehouden gemaakt hadden.” Brandt weigerde in eerste instantie een dergelijk “onderwerpingscontract” te ondertekenen, moest het uiteindelijk echter toch doen. Sedert het Twee-plus-Vier-verdrag van 1991 gelden weliswaar de geallieerde voorbehouden als niet meer geldig, maar de Kanzlerakte bestaat tot op de dag van vandaag.

Posted on 2 Comments

Secularisatie en Revolutie? Groeiende seculiere intolerantie in West-Europa

Voor Zijn hemelvaart zei Jezus tegen Zijn discipelen dat ze om hun geloof vervolgd zouden worden. In Nederland kunnen vandaag de dag steeds vaker belemmeringen worden waargenomen in de vrije uiting van het christelijke geloof en de algemene acceptatie daarvan in de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn de discussies over het vrouwenstandpunt van de SGP, “weigerambtenaren” en homoseksuele docenten op confessionele scholen.

De bron van deze belemmeringen, zo blijkt uit sociologische en historische onderzoeken, is een steeds radicaler secularisme, gestoeld op de overtuiging dat religie en geloof geen invloed mogen uitoefenen op de maatschappij. Deze overtuiging gaat veelal gepaard met een grote intolerantie voor diegenen – voornamelijk christenen – die dat niet delen. Ook ontstaat er grote spanning tussen fundamentele grondrechten die in de praktijk neerkomt op inperkingen van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Dit fenomeen kan aangeduid worden als “seculiere intolerantie” of “radicaal secularisme.”

Radicaal secularisme zou in zekere zin gezien kunnen worden als een “moderne” vorm van christenvervolging, met eigen mechanismen en uitingen. Europarlementariër Mario Mauro (2010) typeert seculiere intolerantie dan ook als “bloodless persecution.” Vanuit staatkundig gereformeerd perspectief kan seculiere intolerantie gezien worden als een exponent van het immer aanwezige verlichtingsdenken in de samenleving. Anderhalve eeuw geleden analyseerde Groen van Prinsterer het gevaar van een onjuiste visie op de scheiding van kerk en staat en van de grote invloed van het gelijkheidsdenken.

Het is noodzakelijk om meer tegenwicht te bieden aan de toenemende druk op christenen en christelijke instituties in Nederland vanuit de ‘motor’ van seculiere intolerantie. Dat kan door helder te krijgen hoe dat mechanisme van de seculiere intolerantie verloopt en door strategieën op af te stemmen.

Het werk van Groen van Prinsterer over de verhouding tussen ongeloof en revolutie en de daaronderliggende humanistische overheidsvisie is nog steeds actueel. De secularisering van de samenleving heeft niet alleen gevolgen gehad voor de rol van religie in het publieke debat, maar gaat ook gepaard met een groeiend onbegrip voor christelijke waarden. Boyd-McMillan (2006) toont aan dat seculiere intolerantie in de samenleving zich uit doordat geloofsovertuigingen steeds vaker worden aangemerkt als een kwestie van smaak (godsdienst wordt gerelativeerd). Op politiek gebied gebeurt dat door godsdienst te privatiseren.

Vanuit die gedachte kan gesteld worden dat seculiere intolerantie een direct gevolg is van de secularisering. Dit kan zowel vanuit theoretisch (politiek-filosofisch) perspectief geanalyseerd worden, als vanuit een praktische beschrijving van de mechanismen van seculiere intolerantie.

Ondanks het feit dat er in West-Europa formeel godsdienstvrijheid is, worden de rechten van christenen op subtiele wijze ondermijnd en fundamentale grondrechten opzij geschoven. De “revolutionaire” geest die Groen van Prinsterer een anderhalve eeuw geleden al uitvoerig aan de kaak stelde, nog steeds aanwezig is, maar nu in de vorm van “seculiere intolerantie.” Van Ruler waarschuwde in 1948 dat het einde van de neutrale verhouding van kerk en staat in zicht was, omdat een kerk die de soevereiniteit van God uitdraagt over alle aspecten van het leven, maar in het bijzonder over de staat, een groot risico loopt om uitgeroeid te worden.

Dit ondervindt niet alleen de Kerk maar ook politieke organisaties. In de naam van mensenrechten en principes als “gelijkheid”, “non-discriminatie” en “respect van het pluralisme” worden fundamentele rechten als godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting steeds vaker opzij geschoven, voor een vaag begrip van tolerantie. Het is daarom relevant om de verschillende vormen die seculiere intolerantie aanneemt te onderzoeken en te begrijpen hoe die de grondslagen van de Nederlandse rechtstaat aantasten.

De combinatie van radicaal secularisme, politieke correctheid en discriminatie (verminderde juridische bescherming voor de christelijke minderheid) perken de fundamentele vrijheden in.

Mogelijk vormt seculiere intolerantie in het Westen een grotere bedreiging voor getuigende christenen dan de “klassieke” vormen van christenvervolging, door haar subtiele infiltratie in maatschappelijke en politieke instituties. De Belgische hoogleraar Vanbeckevoort (2008) ziet met name dat de onderwijssector langzaamaan wordt overgenomen door seculier-humanistische ideeën en hoe dit zijn doorwerking heeft op andere gebieden van de samenleving. Zo worden instituties die voor christenen belangrijk zijn steeds vaker gemarginaliseerd. Een voorbeeld hiervan is de zondagsrust omdat de 24-uurseconomie die in grote delen van Europa een gezond gezinsleven ondermijnt.

Ruse (2009) toont aan dat VN-instrumenten worden gebruikt om een humanistische agenda te bevorderen. Het verbieden of anderszins beperken van abortus wordt politiek en steeds vaker ook juridisch aangemerkt als “discriminatie tegen vrouwen” en zelfs als een vorm van “geweld.” Vanuit VN-instellingen wordt actief beleid gevoerd om “alle soorten gezinnen gelijke rechten” te geven, om de mogelijkheden voor euthanasie te verruimen en om stamcelonderzoek te bevorderen. De Raad van Europa oefent druk uit op alle Europese landen om abortus te legaliseren. Politici die in het openbaar getuigen van hun geloof worden in de media verguisd. Auteur Hans van Dam pleit er in zijn boek Euthanasie, de praktijk anders bekeken voor om artsen strafrechtelijk te vervolgen als ze verzoeken voor hulp bij zelfdoding afwijzen.

Het is meer dan ooit noodzakelijk om onderzoek te doen naar de betekenis van het fenomeen seculiere intolerantie vandaag de dag, opdat Nederlandse politieke partijen en organisaties hier daadkrachtig op kunnen reageren.

Relevante literatuur (selectie):

– Boyd-MacMillan, R. Faith That Endures: The Essential Guide to the Persecuted Church (2006)
– Burke, E. Reflections on the Revolution in France (1987)
– Casanova, J., Public Religions in the Modern World (1994)
– Couwenberg, S.W. (red.), Opstand der burgers. De Franse revolutie na 200 jaar (1988)
– Dekker, G., Van centrum naar de marge. De ontwikkeling van de christelijke godsdienst in Nederland (2006)
– Dekker-Bijsterveld, S.C., De verhouding kerk en staat in het licht van de grondrechten (1988)
– Groen van Prinsterer, G., Ongeloof en Revolutie (1847, tweede herziene druk 2011)
– Hoedemaker, P.J., Een Staat met de Bijbel. Vier lezingen (1902)
– Holdijk, G. ‘Christendom en cultuur in het gereformeerd protestantisme: De les van de geschiedenis. De opdracht van de kerk en de christen in de hedendaagse cultuur’, in: G. van den Brink en E. van Burg (red.), Strijdbaar of lijdzaam. De positie van christenen in het publieke domein (2006)
– Jackson D., Constructing European Secularity (in press)
– Jaeghere, M. de, Enquete sur la christianophobie (2006)
– Kennedy, J., Stad op een berg. De publieke rol van protestantste kerken (2010)
– Kuyper, A., De gemeene Gratie (1902)
– Marshall, P. Religious Freedom in the World (2000)
– Mauro, M., War against Christians (2010)
– Middelkoop, E. van, Reformatie en tolerantie (1985)
– Mulder, H.W.J., Groen van Prinsterer, staatsman en profeet (1973)
– Observatory on Intolerance and Discrimination, Shadow Report on Intolerance and Discrimination Against Christians in Europe, 2005-2010
– PEW, Global Restrictions on Religion (2009)
– Ruler, A.A. van, Religie en Politiek (1945)
– Ruse, A., Remarks at the World Congress of Families Amsterdam 2009
– SCP, Godsdienstige verandering in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie (2006)
– Staaij, K. van der, Bavincklezing Theocratie en democratie, 27 april 2005, opgenomen in: Religie en democratie (2006)
– The Christian Institute, Marginalizing Christians (2009)
– Vanbeckevoort, E., Secular Humanism and Biblical Christianity (in press)
– Woldring, H.E.S., De Franse revolutie. Een aktuele uitdaging (1989)

Posted on Leave a comment

Positie van christenen in Turkije en Egypte helemaal niet positief

Op 30 juni stonden in het Nederlands Dagblad twee artikelen over de positie van christenen in Egypte en Turkije. Helaas is het beeld dat beide artikelen schetsen, te positief.

Hoewel de moslimwereld in het kader van de Arabische Lente belangrijke veranderingen ondergaat, kan moeilijk gesteld worden dat in de nabije toekomst de positie van christenen zal verbeteren. Het artikel over de positie van christenen in Turkije stelt, bij monde van Rober Koptas (redacteur van de Armeense krant Agos en opvolger van de vermoordde Hrant Dink), dat de islamistische AKP-regering positiever staat tegenover religieuze minderheden dan de nationalistische partijen.

En dat het nationalisme eerder een bron van vervolging is, dan het islamitisch extremisme. Hoewel veel geweld tegen christenen, maar ook tegen andere minderheden als Joden en alevieten, het werk is van nationalisten, moet de snel groeiende rol van de islam in Turkije niet worden onderschat.

Hoofddoekjes
In de eerste plaats wordt het straatbeeld, als afspiegeling van de Turkse samenleving, steeds islamitischer. Hoofddoekjes (ook in de publieke ­sector) en moskeeën worden zichtbaarder. Daarnaast is de politieke islam, ­belichaamd door de AKP, al een decenniumlang de belangrijkste kracht in het politieke landschap. Bovendien moet de aanwezigheid van extremistische organisaties als al-Qaeda en Hezbollah in Turkije niet worden onderschat.

Vertegenwoordigers van de AKP verklaren dat de partij haar islamitische wortels heeft verlaten en dat het een moderne Europese middenpartij is. Maar politieke strategen moeten niet beoordeeld worden op hun woorden, maar op hun daden.

Bescherming
Nu de toetredingsonderhandelingen tot de Europese Unie definitief voorbij lijken te zijn, richt Turkije zich steeds meer op de islamitische wereld, verstevigt het de positie van de nationale instelling die islamitisch onderwijs op scholen bevordert, en islamiseert het overheidsbeleid in rap tempo. Rechtszekerheid voor christenen en hun organisaties is verre van gegarandeerd. Verklaringen over het teruggeven van het historisch eigendom over kerken blijken loze beloftes.

Van het Mor Gabrielklooster wordt nog steeds land afgesnoept en de veelbesproken Malatya-casus is nog steeds niet opgelost. De Vereniging van Protestantse Kerken in Turkije uit nog regelmatig haar ongenoegen over discrimerende maatregelen. De vraag is dus of de situatie van christenen in Turkije nou echt zo veel ­ vooruit is gegaan. Misschien gaf Rober ­Koptas zijn commentaar wel om zichzelf in bescherming te nemen en ligt de werkelijkheid heel anders.

Godsdienstvrijheid
Dan Egypte. Hoeveel waarde moet er worden gehecht aan de mooie woorden van de nieuwe president Mohamed Morsi over godsdienstvrijheid en zijn ‘open gesprekken’ met vertegenwoordigers van Egyptische kerkgemeenschappen? Het is overduidelijk dat in Egypte het geweld tegen christenen sterk is toegenomen na de revolutie van vorig jaar.

Uit eigen mediaonderzoek tel ik ruim 59 gewelddadige incidenten tegen christenen in de afgelopen tien maanden, waaronder bedreigingen, gewapende overvallen, moorden en ook een groot aantal verkrachtingen van met name koptische meisjes. Dramatisch is niet alleen dat het geweld tegen christenen toeneemt, maar ook dat extremistische groepen en bendes volledig rechteloos opereren. Het lijkt niet in het belang van zowel het leger als de Moslimbroederschap ook maar iets te doen om christenen beter te beschermen.

Uitzonderingen
Een goede graadmeter is het grote aantal christenen dat Egypte verlaat. Betrouwbare statistieken zijn er niet, maar er is onmiskenbaar een exodus gaande. Uiteraard zijn er uitzonderingen, meestal van helfdhaftige broeders en zusters, die het als een roeping ervaren om in deze moeilijke tijden in Egypte te blijven, zoals in het voorbeeld dat dr. Jabbour aanhaalt in het ND van 30 juni. Maar de algehele situatie is ­verre van rooskleurig.

Het veelbesproken Turkse model, waarin het leger opereert als waakhond van de democratie en het secularisme, lijkt voor Egypte niet waarschijnlijk. Militairen, met name die in de lagere rangen, zijn sterk islamitisch. Om deze redenen lijkt de boodschap van dr. Jabbour te optimistisch. Wel stelt hij terecht dat in Egypte een moeilijke tijd aangebroken is voor christenen, maar een goede voor het Koninkrijk van God. De kerk groeit onder grote verdrukking. In het islamitische Iran, waar christenen enorm lijden, is juist nu een grote opwekking aan de gang.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in het Nederlands Dagblad van donderdag 12 juli 2012.

Posted on Leave a comment

Meer nodig dan Bijbellezen in El Salvador

… Het drugsgeweld verplaatst zich van Colombia naar Midden-Amerika.
… Maar het indammen van de macht van drugsbendes gaat moeizaam in El Salvador.

De Latinobarometer 2009, een jaarlijks opinieonderzoek, geeft aan dat alleen de werkloosheid voor de Latijns-Amerikaanse bevolking een groter probleem is dan de criminaliteit. In de Midden-Amerikaanse landen Panama, Costa Rica, El Salvador en Guatemala is de onveiligheid zelfs de belangrijkste reden van zorg.

Het politieke geweld van de jaren tachtig in Midden-Amerika heeft plaatsgemaakt voor andere vormen van geweld. De regio bevindt zich midden op de route van de drugshandel, ingeklemd tussen Colombia en Mexico. De drugshandel veroorzaakt steeds meer criminaliteit en geweld, met name in de ‘noordelijke driehoek’ van Midden-Amerika, bestaande uit El Salvador, Guatemala en Honduras. Deze zone geldt als het meest onveilige gebied van de wereld, als het gaat om landen zonder gewapende conflicten.

De redelijk succesvolle strijd tegen de drugsmaffia in Colombia – onlangs heeft president Santos wederom een kopstuk van de rebellenbeweging FARC weten uit te schakelen – heeft ervoor gezorgd dat het centrum van de drugshandel zich heeft verplaatst naar Mexico. Dat land verkeert meer en meer in een staat van rechteloosheid, waarbij de drugsmaffia de politie en andere overheidsinstellingen infiltreert en waar corruptie, afpersingen, ontvoeringen en doodslag aan de orde van de dag zijn.

Bendes

Naast de negatieve gevolgen van drugshandel kennen deze landen het probleem van de maras (bendes) die de samenleving terroriseren. Volgens schattingen van het United Nations Office on Drugs and Crime waren er in 2007 in El Salvador een kleine 11.000 man lid van een mara, in Guatemala 14.000 en in Honduras 36.000.

Deze bendes zijn zo machtig dat ze in september gedurende 72 uur het openbaar vervoer in San Salvador hebben stilgelegd om druk uit te oefenen op de regering. Ook hebben de maras in San Salvador een avondklok ingesteld. Iedereen die na donker op straat komt, wordt geliquideerd.

El Salvador (zes miljoen inwoners) is op dit moment het meest gewelddadige land van Latijns-Amerika. Het land heeft een gemiddelde van twaalf moorden per dag, wat neerkomt op een moord om de twee uur.

Bijbellezen

In een poging bij te dragen aan oplossingen schreef het parlement van het Midden-Amerikaanse land een wet uit die dagelijks Bijbellezen op scholen verplicht stelt. Onder protest van veel kerkleiders die bezwaren hadden tegen ‘de politisering van de Bijbel’, sprak de linkse Salvadoraanse president Funes in juli hierover een veto uit.

Er is meer nodig om de criminaliteit tegen te gaan dan alleen Bijbellezen. Op 1 september dit jaar is een wet aangenomen die het lidmaatschap van maras strafbaar stelt. Deze wet geeft de overheid wettelijke middelen om de misdaad van deze bendes aan te pakken, nadat eerdere wetten in dezelfde geest ongrondwettelijk waren verklaard.

Ongehoorzaamheid

Er zijn geestelijk leiders in het land die een dieper probleem aanwijzen dan een discussie over beleid en wetgeving en zich zorgen maken over een schrijnend gebrek aan normen en waarden. In de samenleving is daarbij sprake van acceptatie van geweld, illegaliteit en corruptie. Ook de evangelische kerken, die in veel Midden-Amerikaanse landen meer dan veertig procent van de bevolking een plek geven, zijn tot dusver niet in staat geweest op dat vlak veranderingen te bewerkstelligen.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in het Nederlands Dagblad van donderdag 25 november 2010.