Posted on

“Belasting is diefstal”

Het is ieders morele plicht zo weinig mogelijk belasting te betalen, vindt belastingadviseur Toine Manders.  “Er is geen principieel verschil tussen belasting en roof.”

‘De koning van de belastingontwijking’ wordt hij wel genoemd, of ‘belastingridder’ door het zakenblad Quote. Ruim twintig jaar hielp Toine Manders kleine en middelgrote ondernemers in Nederland met het behalen van fiscale voordelen in belastingparadijzen. In 2014 werd hij op Cyprus gearresteerd op verdenking van het leiden van een illegaal trustkantoor. Hij bracht drieënhalve maand door in voorlopige hechtenis. De HJC Group, waaronder het trustkantoor HJC Cyprus en het Haags Juristen College (HJC) in Den Haag, waaraan hij sinds 1994 verbonden was, hield op te bestaan. Na ruim vierenhalf jaar is het wachten nog steeds op een rechtszaak, en dus is er nog geen enkele schuld bewezen.

Met Nozick Consulting in Zoetermeer heeft Manders zijn werk weer opgepakt. Nog steeds helpt hij het midden- en kleinbedrijf met het zoeken naar ‘creatieve oplossingen die forse besparingen opleveren’.

Omdat Manders’ naam genoemd wordt in de Panama Papers werd hij vorig jaar verhoord door de Parlementaire Ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Fragmenten van zijn verhoor gingen viral op sociale media, en dan vooral het fragment waarin hij commissielid Renske Leijten van de SP de les las over de DDR-ideologie die hij bij haar meende te bespeuren.

Manders is meer dan een handige jongen die van belastingontwijking zijn beroep heeft weten te maken. Zijn werk is voor hem als een roeping. Als overtuigd libertariër streeft hij naar een zo klein mogelijke overheid en de afschaffing van alle belastingen. Om dit te bereiken, zet hij zich al sinds de jaren negentig in voor de Libertarische Partij (LP). Hij was voorzitter en politiek leider, en vertegenwoordigt de partij thans internationaal. Als vice-voorzitter geeft hij leiding aan de internationale koepel van libertarische partijen, the International Alliance of Libertarian Parties.

Een gesprek over onder meer postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, liberalen van de VVD die geen echte liberalen zijn, naamgenoot Toine Manders van 50Plus, de grijze draaischijftelefoon van de PTT, het Zwitserse bankgeheim, Amerikaanse robberbarons, de Europese Unie die belastingadviseurs dwingt ‘NSB’er’ te worden, de VS als ‘welfare-warfare-police state’ – en Nederlandse belastingambtenaren ‘zonder humor’en met ‘lange tenen’ die je zonder pardon in ‘een hok’ stoppen als je ze te slim af bent en de spot met ze drijft.

Belasting is diefstal. Hoezo? 

Je spreekt van diefstal als je eigendom je wordt afgenomen. Je spreekt van roof als dat gebeurt onder bedreiging van geweld. Er is geen verschil tussen belasting en roof. Want wat gebeurt er als de staat belasting heft? Dan wordt je eigendom van je afgenomen. Eerst krijg je een brief waarin je bevolen wordt geld af te staan, en als je daar niet op reageert, krijg je brieven die steeds dreigender worden. Als je dan nog steeds niet reageert, komt er iemand langs met het doel om spullen van je af te nemen. Als je die niet binnenlaat, dan komt hij terug met iemand die een pistool draagt of met twee mensen die een pistool dragen. Dan wordt er ingebroken in je huis en worden jouw spullen tegen jouw wil meegenomen. Als je je daar tegen verzet, ben je strafbaar en word je opgesloten in een hok. Als je probeert deze gang van zaken te voorkomen door geen aangifte te doen, dan ben je ook strafbaar, want op het niet doen van aangifte staat vier jaar gevangenisstraf. Dan kom je ook in een hok. Dat is dus hoe de staat aan haar geld komt.

U roept mensen op belasting te ontwijken, niet te ontduiken. Wat is het verschil? 

Belastingontduiking is het besparen van belasting door de wet te overtreden. Belastingontwijking is het besparen van belasting binnen de grenzen van de wet. Je maakt dan dus gebruik van de wettelijke mogelijkheden die er zijn. Denis Healey, voormalig Brits minister van Financiën, heeft gezegd: “Het verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking is de dikte van een gevangenismuur.” Ik heb die slogan vaak gebruikt tijdens mijn seminars. Maar inmiddels mogen we vaststellen dat ook als je wel degelijk binnen de grenzen van de wet blijft het toch kan gebeuren dat je aan de verkeerde kant van de gevangenismuur terecht komt. De staat heeft zich wat dat betreft een slechte verliezer getoond.

Voor u mag het verschil dan duidelijk zijn. Maar kennelijk zien het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) het anders. 

Dat zou betekenen dat er bij het OM en de FIOD hele eerlijke, nette, goed bedoelende mensen zijn, die oprecht dachten dat wat ik deed in strijd met de wet was. Maar ik denk niet dat dat zo is. Want er was geen bewijs en er is geen bewijs. We zijn na mijn ontvoering in januari 2014 inmiddels ruim vierenhalf jaar verder. Ze hebben tien FIOD-ambtenaren op een vliegtuig naar Cyprus gezet en alles platgelegd, computers, papieren, dossiers meegenomen, een aantal medewerkers als verdachten aangemerkt, zodat mensen bang werden en stopten met werken, en het bedrijf dezelfde dag nog werd gesloten. Ze hebben vierenhalf jaar de tijd gehad alle dossiers door te pluizen. Ze beschikken over alle cliëntengegevens, alle structuren die waren opgezet, verslagen van gesprekken die zijn gevoerd met meer dan tienduizend cliënten en potentiële cliënten. Maar tot de dag van vandaag is er nog steeds geen enkele cliënt en zelfs geen enkele potentiële client veroordeeld of überhaupt vervolgd voor belastingontduiking, witwassen of andere vergrijpen.

Velen zullen zeggen: het heffen van belastingen is volkomen legitiem, want zo hebben we het met elkaar afgesproken. Het is democratisch verankerd. Er is geen meerderheid in Tweede Kamer tegen belastingheffing.

Zo hebben we het met elkaar afgesproken? Dat hebben we helemaal niet zo met elkaar afgesproken. Ik heb die afspraak niet gemaakt. Kunt u zich herinneren die afspraak te hebben gemaakt? Het sociaal contract is een mythe, of beter gezegd, een leugen.

Het argument van de democratie, dat het democratisch is besloten, dat de meeste stemmen gelden, gaat ook niet op. Als je op straat twee rovers tegen het lijf loopt die zeggen: “We houden een verkiezing of je wel of niet beroofd moet worden”, en ze stemmen vervolgens met z’n tweeën voor, en jij stemt tegen, en ze zeggen dan: “Je hebt verloren, want de meeste stemmen gelden en we nemen nu jouw portemonnee af” – dan is het toch nog steeds niet gerechtvaardigd? En of die bende nu bestaat uit twee, tien, honderd of tien miljoen, het maakt voor het principe niets uit. Het principe is: Je mag niet iemands lichaam of eigendom schenden. Ieder mens heeft recht op zijn eigen lichaam en eigendom zolang hij geen inbreuk maakt op iemand anders lichaam of eigendom. De overheid schendt dat principe, op verschillende manieren, onder meer door belastingheffing en de militaire dienstplicht die nog steeds niet is afgeschaft. Ook al staat de meerderheid daar achter, dat maakt niet uit. Of iets democratisch besloten is, zegt helemaal niets over de rechtmatigheid van de daad.

Stel dat we in Nederland nog een stelsel hadden van referenda, en er zou een referendum worden gehouden over het belastingstelsel. Zou de meerderheid dan voor afschaffing stemmen?

Ik denk niet dat de meerderheid zou stemmen voor volledige afschaffing. Maar dat heeft een achtergrond.  De gemiddelde burger merkt weinig van hoge belastingdruk in Nederland. Dat komt doordat vrijwel alle belastingen worden geheven via de ondernemer, die dat maar moet doorberekenen in lagere lonen en hogere prijzen. Loonbelasting, sociale premies, BTW, accijnzen,  invoerrechten, enzovoort.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden een artikel las over de tien grootste ergernissen van de gemiddelde Nederlander. Bovenaan stonden de gemeentelijke belastingen. Ik was heel even verbaasd.  Maar toen viel het kwartje. Het is zo’n beetje de enige belasting die niet via de ondernemer wordt geheven, maar rechtstreeks bij de belastingbetaler zelf, waarbij hij jaarlijks een enveloppe aantreft op de deurmat, met daarin een brief waarin niet staat “U krijgt geld terug”, maar waarin staat “U moet geld overmaken”. Blijkbaar maakt dat een enorm psychologisch verschil.

Ik voorspel dat er een belastingopstand zou uitbreken als belastingen die nu via de ondernemer worden geheven van het ene op het andere jaar rechtstreeks werden geheven bij de burger zelf. Mensen zouden razend en ziedend worden. Nederland heeft net als de VS haar bestaan te danken aan een belastingopstand. Nederlanders hebben een tachtigjarige oorlog gevoerd vanwege de tiende penning, die de Spaanse bezetter ons had opgelegd. Dat was een soort BTW van 10 procent.

Dus stel dat alle belastingen direct werden geheven bij de burger en er dan een referendum zou worden gehouden over belastingheffing, dan denk ik niet dat we meteen naar nul zouden gaan, maar wel dat de belastingdruk extreem veel lager zou worden dan deze nu is.  De meeste mensen denken dat belastingheffing een noodzakelijk kwaad is en dat we niet zonder kunnen.

Hoe verklaart u dat mensen denken dat we niet zonder belastingen kunnen?

Dat komt door al die met belastinggeld gesubsidieerde scholen, universiteiten en media. We zijn van generatie op generatie naar staatsscholen gegaan, met leraren die iedere maand een salaris krijgen van de overheid, en ons daarom van jongs af aan hebben geleerd dat we heel blij moeten zijn dat we leven in zo’n prachtig land als Nederland, waar we van de wieg tot aan het graf worden verzorgd, met gratis onderwijs, gezondheidszorg, wegen, enzovoort.  Zoals het spreekwoord zegt: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.” 

In dictaturen mogen docenten zich verheugen in de bijzondere belangstelling van de machthebbers. Als je te overheidskritisch bent dan word je in het gunstigste geval ontslagen, en in het slechtste geval beland je in een kamp of onder de grond. Dat heeft een reden: docenten hebben een grote invloed op de publieke opinie, en dat is omdat ze les geven aan jonge mensen. Zolang mensen jong zijn, zijn ze heel plooibaar. Daar gebruiken machthebbers de stok, hier de wortel, en dat werkt veel beter: onze docenten zijn true believers.

Dat er nog geen belastingopstand is uitgebroken, zal er ook mee te maken hebben dat de overheid haar inkomsten aanwendt voor voorzieningen waar iedereen van profiteert, zoals onderwijs, gezondheidszorg en een wegennet. 

De tegenprestatie die de overheid levert, rechtvaardigt nog niet dat ze belasting heft. Het is en het blijft roof. Als we het argument serieus nemen, van “Je krijgt er toch iets voor terug?”, dan zou de melkboer ook ongevraagd melk bij je op de stoep kunnen zetten, en je een gepeperde rekening kunnen sturen, en dan kunnen zeggen: “U moet betalen, want ik heb u melk geleverd.” Een betaling mag je verlangen op basis van een overeenkomst, of als je schade is berokkend. Je kunt niet zeggen: “Ik heb geld nodig, dus u moet mij betalen in ruil voor een tegenprestatie die ik u ongevraagd lever.”

Nederlanders die moeite hebben met de hoge belastingdruk, zou voor de voeten geworpen kunnen  worden: Er is niemand die je verplicht in Nederland te blijven. 

Ja, je mag toch weg? Dat is een drogreden waar de meeste mensen intrappen. Als we dat argument serieus nemen dan zou de maffia op Sicilië ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet protectiegeld te betalen? We dwingen je niet om hier te blijven wonen.” Of dan zouden inbrekers in mijn huis ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet dat we je spulletjes meenemen? Je hoeft hier niet te blijven. Je mag weg.” Het punt is hier echter: die inbrekers zijn niet de rechtmatige eigenaren van mijn huis. Dat ben ikzelf. Dus ik hoef niet weg. Zij moeten weg. Zij hebben niets te zoeken in mijn huis. Idem dito voor de maffia op Sicilië. Zij zijn niet de rechtmatige eigenaren van Sicilië. Dus als zij een winkelier bedreigen voor protectiegeld, hoeft die winkelier niet weg. Die maffiosi moeten weg, want die hebben niets te zoeken in die winkel.

Onze huizen en winkels bevinden zich wel op het grondgebied van de Staat der Nederlanden.

De impliciete aanname van dat argument is dat de staat rechtmatig eigenaar is van alle grond, en dus alle regels mag maken op haar grond die ze maar wil. Maar dat is niet zo. De staat is nooit op een rechtmatige manier aan grond gekomen. De staat is ontstaan door roversbendes die door een gebied trokken. Die vielen een dorp binnen, de mannen werden vermoord, de vrouwen werden verkracht, het dorp werd geplunderd en in brand gestoken, en dan gingen ze door naar het volgende dorp. Totdat ze tot het inzicht kwamen: “Eigenlijk zijn we stom bezig, want als je eenmaal zo’n dorp veroverd hebt, dan kun je het toch beter gewoon bezet houden in plaats van iedereen vermoorden.” En dan dus niet eenmalig plunderen, maar structureel plunderen. Bij iedere oogst een deel van de oogst opeisen, en iedere keer als er iets verdiend wordt afpersen. Zo is het feodalisme ontstaan. De roverhoofdman werd de koning en de koning gaf zichzelf het recht belasting te heffen. Hij delegeerde de belastingheffing aan de adel en de adel stuurde mensen met zwaarden langs bij het gepeupel om belasting te heffen. Zo is de staat ontstaan. Op basis van roof. Wat ik dus tegen inbrekers mag zeggen, “Ik ga niet weg, jullie moeten weg”,  zou ik ook tegen de staat moeten kunnen zeggen.

U stelt dat het niet alleen moreel verwerpelijk is dat mensen gedwongen worden belasting te betalen, maar ook dat belastingheffing schade toebrengt. 

Zo is dat. Veel geld wordt uitgegeven aan dingen die beter überhaupt niet gedaan zouden moeten worden, zoals het voeren van oorlogen, het doden van onschuldige mensen in andere landen. De overgrote meerderheid van de libertariërs is non-interventionalist. Zij vinden dat een leger alleen mag verdedigen. Zij zijn mordicus tegen wat Amerika doet: het spelen van politieman van de wereld, soldaten sturen naar andere landen om even orde op zaken te stellen, terwijl het dan meestal een chaos wordt, zoals we hebben gezien in Irak en Libië.

In eigen land brengt de staat productieve mensen schade toe. Hoe productiever mensen zijn, hoe zwaarder ze worden belast, hoe meer ze wordt afgepakt. Wat de staat ook doet is een enorm leger van ambtenaren inhuren die voortdurend bezig zijn met het verzinnen van nieuwe regels. Het maakt voor hun niet uit dat de regeldruk al veel te hoog is. Zij zijn er voor ingehuurd om die regels te maken, dus vinden ze altijd wel iets om nieuwe regels voor te maken. Het is ook een soort vicieuze cirkel. Stap één is: de staat veroorzaakt een probleem door interventie. Stap twee is: politici en hun ambtenaren gaan nadenken over de oplossing van dit probleem. Ze vinden altijd wel een oplossing en die is eigenlijk altijd dezelfde: er moeten nog meer regels komen, want er waren er toch nog te weinig. De staat moet nog meer ingrijpen, nog meer uitgeven en er moeten nog meer ambtenaren komen. Samengevat: geef ons meer geld, geef ons meer macht, en dan lossen wij het probleem voor u op.

Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de trend bijna altijd: een grotere overheid, meer regels, hogere staatsuitgaven, meer ambtenaren. Maar problemen worden daarmee helemaal niet opgelost, ze worden alleen maar erger. Een jaar lang word je dus schade toegebracht, je wordt als een kind behandeld, er word je van alles verboden en je wordt overal toe verplicht, en vervolgens moet je je meesters ook nog eens precies gaan vertellen wat je hebt verdiend, en plus minus de helft aan ze afstaan voor de wederdienst, de tegenprestatie die ze je hebben geleverd. De Amerikaanse libertariër Lysander Spooner zei: “Wat de staat doet is nog erger dan een struikrover die jou berooft. De struikrover laat je met rust nadat hij je heeft beroofd. Na de beroving ben  je weer vrij. Hij schrijft je niet de wet voor, vertelt je niet wat je wel en wat je niet moet doen.”

Welke problemen veroorzaakt de staat volgens u?

De overheid voert bijvoorbeeld maximumhuren en minimumlonen in, verklaart cao-lonen algemeen verbindend of stelt minimumprijzen voor melk en boter vast. Wat krijg je dan? Een verstoring van de markt. Vraag en aanbod raken uit balans. Want wat gebeurt er bij een minimumprijs voor melk en boter? Mensen gaan minder melk en boter gebruiken, maar de boeren gaan juist meer melk en boter produceren, want ze krijgen er een mooie hoge prijs voor. Met het gevolg dat er een boterberg en een melkplas ontstaan, en deze uiteindelijk gedumpt worden in de Derde Wereld.

Er is ook een enorme boete op lonen, op arbeid. Daardoor houden mensen zo weinig over. De staat zegt dan: “Jullie zijn zo zielig, jullie hebben zo weinig geld om van te leven, weet je wat? We voeren een minimumloon in en verklaren de cao-afspraken algemeen verbindend.” Het gevolg daarvan is niet alleen dat die mensen meer geld overhouden. Het gevolg is dat ze werkloos worden. Want op het moment dat iemand door de hoge belastingen het minimumloon niet kan waarmaken, een werknemer meer kost dan oplevert, dan wordt hij eenvoudig niet aangenomen.

Niet alleen overschotten, ook tekorten worden per definitie door de overheid veroorzaakt. Woningnood ontstaat doordat de staat maximumprijzen vaststelt. De wachtlijsten in de zorg ontstaan door maximumprijzen voor de zorg.

U heeft in een lezing gezegd: “Het komt voor dat de staat wel dingen doet die nuttig zijn.” Hoe moeten die dan worden betaald? Niet uit belastingheffing?

De staat besteedt ons belastinggeld inderdaad ook aan nuttige dingen, zoals zorg, onderwijs, politie, rechtspraak, infrastructuur, defensie en telecommunicatie. Maar ook daarmee moet ze ophouden. Juist omdat het veel te belangrijk is om aan de staat over te laten. Laat ik het voorbeeld geven van telecommunicatie. Want dat is een terrein waar de staat toevallig een stap terug heeft gedaan. Ze  heeft haar monopolie beëindigd. Telecommunicatie is begonnen als particulier initiatief. De telegraaf en telefoon zijn particuliere uitvindingen. Telecommunicatiebedrijven waren particulier en concurrerend. Op een gegeven moment heeft de staat het gemonopoliseerd en concurrentie verboden. Dat remde de innovatie. U herinnert zich waarschijnlijk de grijze draaischijftelefoon? Die is in de jaren ’50 ontworpen. Sinds de jaren ’60 moesten alle Nederlanders die een telefoon wilden er verplicht eentje huren van staatmonopolist PTT. Toen het monopolie werd opgeheven, in de jaren ’90, hadden we nog steeds diezelfde telefoon, maar we mochten eindelijk ook een andere telefoon gaan gebruiken. Sindsdien hebben we een enorme inhaalslag gezien op het vlak van innovatie. Nu hebben we telefoons die in feite computers zijn en die meer kunnen dan de computer waarmee mensen naar de maan gingen in 1969. De kosten zijn ook dramatisch gedaald. Vroeger toen het monopolie nog bestond, betaalde je drie gulden per minuut om naar Amerika te bellen en 19 gulden naar Afrika of Azië. Dus als je emigreerde ging je er van uit dat je nooit meer gebeld zou worden door je familie, want dat was te duur. Nu kun je voor 1, 2 of 3 eurocent per minuut de hele wereld bellen, vaak zelfs gratis met Skype en andere services.

Ook op andere terreinen ziet u graag dat de overheid zich volledig terugtrekt?

Telecommunicatie is een voorbeeld van iets waarbij mensen met eigen ogen hebben gezien dat het beter kan zonder staatsmonopolie. Maar toch trekken ze dan niet de conclusie dat het ook wel eens zou kunnen gelden voor zorg, onderwijs en infrastructuur. Terwijl daar precies hetzelfde voor geldt. Toen ik begin jaren ’90 pleitte voor het einde van het monopolie op de telecommunicatie zeiden mensen: “Dat kan helemaal niet. Want bellen doe je via een lijn onder de grond en je gaat dan toch niet twee, drie, vier lijnen naast elkaar leggen? Het is een natuurlijk monopolie, en dat moet dan wel een staatsmonopolie zijn, want als een particuliere organisatie een monopolie krijgt dan kunnen ze vragen wat ze willen en worden we allemaal straatarm.” Zo denkt men dus nog steeds over monopolies. Als ik pleit voor het afschaffen van het monopolie op zorg, onderwijs of infrastructuur, dan zeggen mensen: “Belachelijk, dat kan helemaal niet.”

Je kunt toch wel kiezen naar welke school je kinderen gaan, welk ziekenhuis jou behandelt of wie jouw zorgkosten verzekert?

Dat klopt. Er is een heel klein beetje keuzevrijheid. Nederland is ook zeker niet het ergste land ter wereld. Er is onderzoek gedaan naar het niveau van economische vrijheid in 160 verschillende landen, en Nederland staat meestal in de top 20. Als je kijkt naar persoonlijke vrijheid, staan we zelfs in de top 5. Begrijp me niet verkeerd: Nederland is ziek. Maar de meeste landen zijn nog veel zieker dan wij. Maar dat we minder ziek zijn is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Als je ziek bent wil je gezond worden.

In hoeverre kan de staat zich terugtrekken? Politie, leger en rechtspraak zijn moeilijk voorstelbaar zonder overheid en belastingbetalers.

Dat is inderdaad voor veel mensen heel moeilijk te begrijpen. Voor libertariërs zijn dat ook de laatste staatsmonopolies waarvan ze afscheid willen nemen. Toch zijn die monopolies al voor een deel verdwenen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de rechtspraak, dan zie je dat heel veel bedrijven arbitrage met elkaar afspreken. Ze leggen contractueel vast dat als ze een geschil met elkaar krijgen ze dat niet voorleggen aan de staatsrechter maar aan een arbitragecommissie. Waarom? Omdat een zaak winnen bij een staatsrechter heel veel meer tijd en geld kost dan een zaak verliezen bij een arbiter.

U bent kritisch over de Europese Unie. Hoe past dat binnen de libertarische filosofie?

Tot circa 1992 was er een ontwikkeling van het wegnemen van barrières, het verlagen en afschaffen van invoerrechten en invoerquota. De slogan was: ‘Vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, vrijheid van vestiging’. Dat waren stappen in de goede richting. Rond 1992 was dat project grotendeels afgerond, maar in plaats dat de eurocraten zeiden: “Stuur ons naar huis”, zeiden ze: “Nu gaan we de volgende fase in.” Eerst kregen we de economische eenwording, nu krijgen we de politieke eenwording. We gaan harmoniseren: een minimumtarief invoeren voor de BTW, een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting. Dan is er dus geen ontsnapping meer mogelijk. Dan is het niet meer mogelijk om met de voeten te stemmen door in België te gaan wonen. De Nederlandse overheid en andere overheden van EU-lidstaten kunnen dan op belastinggebied niet meer met elkaar concurreren in het voordeel van hun eigen burgers. Het is dan een soort kartel geworden van belasting heffende politici.

We leven in een wereld met zo’n tweehonderd staten. Niet zo lang geleden, na de Tweede Wereldoorlog, waren het er tachtig. Ik zie dat als een vooruitgang. Hoe meer staten, hoe kleiner het grondoppervlak. Ideaal zou zijn als de grootste staat Liechtenstein was. Dat is nu de kleinste staat ter wereld, met 35.000 inwoners, maar ook de rijkste, gecorrigeerd voor koopkracht. Miniatuurstaatjes zoals Liechtenstein, Monaco, Luxemburg, Andorra, San Marino, Singapore en in zekere zin ook Hong Kong hebben met elkaar gemeen dat ze het heel goed doen. Ze scoren zwaar bovengemiddeld in alle internationale vergelijkingen. De mensen daar zijn vrijer, hebben een hogere levensverwachting en een hoger welvaartsniveau. Hetzelfde zie je bij de belastingparadijzen: Bermuda, de Kaaiman-eilanden, Jersey, Guernsey, Isle of Man.

Zie ook de VS. De federale overheid was daar tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw extreem klein. Je had daardoor vijftig staten die hevig met elkaar concurreerden. Daarom groeiden ze zo snel, werden alle uitvindingen daar gedaan, vertrokken alle mensen met talent naar Amerika. Daarvan is weinig overgebleven. Ruim honderd jaar geleden kwam de omslag. Amerika ontwikkelde zich van waarschijnlijk het vrijste land ter wereld tot een welfare-warfare-police state.

Zwitserland is ook een goed voorbeeld. Dat land telt 26 kantons, die met elkaar kunnen concurreren omdat de federale overheid heel weinig macht heeft, al begint dat de laatste drie jaar helaas wel te veranderen. Er zijn in Zwitsersland nog steeds kantons zonder erfbelasting en schenkbelasting, of waarbij het tarief voor de inkomstenbelasting lager wordt naarmate je productiever bent. Daarom zijn de Zwitsers nog steeds het rijkste volk ter wereld. Niet als je kijkt naar het inkomen per hoofd, maar wel naar het vermogen per hoofd.

Hoe kan het dat ministaatjes vrijer en welvarender zijn? Ligt de oorzaak werkelijk in het geringe grondoppervlak?

Stel je voor dat de wereld zou bestaan uit honderd miljoen miniatuurstaatjes. Dan wordt het makkelijker voor mensen om met hun voeten te stemmen. Als ze ontevreden zijn over de regel- en lastendruk waar ze wonen, dan is het makkelijk verhuizen naar een ander miniatuurstaatje een paar kilometer verderop waar de regel- en lastendruk lager is.

Mensen zien wel in dat concurrentie tussen bedrijven goed is, maar niet dat concurrentie tussen staten nog veel belangrijker is. Als staten met elkaar moeten concurreren dan is dat een rem op de macht van de politici. Concurrentie zorgt ervoor dat ze gedwongen worden hun tarieven en regeldruk te verlagen, om talenten en kapitaal te lokken in plaats van die te verjagen. Europa heeft in zevenhonderd jaar tijd een enorme voorspong gekregen op de rest van de wereld. De laatste tientallen jaren beginnen we die voorsprong in rap tempo te verliezen aan de Aziatische Tijgers Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. Hoe kan dat? Omdat Europa een lappendeken was van miniatuurstaatjes. Zo bestond Duitsland uit dertig staten. Italië uit een stuk of tien. Die concurreerden met elkaar.

U beschouwt de vrije markt als oplossing. Is daar nu juist geen overheid voor nodig? Om bijvoorbeeld kartelvorming en monopolievorming tegen te gaan?

De staat is juist zelf de übermonopolist en überkartelvormer. Als je kijkt hoe monopolies zijn ontstaan: de koning verkocht aan een handlanger een alleenrecht. Hij zei dan: “Vanaf  nu ben jij de enige die nog zout of peper mag importeren in mijn land. Alle concurrenten sluit ik voor je op in de gevangenis, maar je moet wel betalen voor dat alleenrecht.” Monopolies kunnen alleen maar ontstaan of standhouden door overheidsinterventie. Op de vrije markt zijn monopolies onmogelijk.

Op de vrije markt is het zo dat als een bedrijf binnen een bepaalde regio een gigantisch marktaandeel verovert, dat alleen maar kan door heel erg efficiënt te zijn en voor een lage prijs te werken. Want in iedere sector heb je een optimaal aantal aanbieders. We hebben bijvoorbeeld miljoenen bakkers in de wereld en we hebben maar tientallen autofabrikanten. Dat is omdat het miljarden kost om een auto te ontwikkelen. Voor een brood is heel wat minder geld nodig. Je kunt dus niet a priori zeggen: “Er moeten minimaal zoveel aanbieders zijn van een product.” Wat de optimale grootte is, is nu juist iets wat op de markt zal blijken. De consument wil een zo goed mogelijke auto of een zo goed mogelijk brood tegen een zo laag mogelijke prijs. De producenten gaan proberen marktaandeel te veroveren door te innoveren, door een steeds betere auto te bouwen tegen een zo laag mogelijke prijs. Of neem computers. Die worden steeds beter en steeds goedkoper. Omdat je daarmee je marktaandeel kunt behouden, vergroten of voorkomen dat het kleiner wordt.

Op een markt die werkelijk helemaal vrij is, kan een computerfabrikant alle andere computerfabrikanten opkopen en vervolgens de prijs flink omhoog gooien en de kwaliteit laten versloffen omdat hij met niemand meer hoeft te concurreren.

Ik ken die drogreden. Dat is een marxistische mythe. Je kunt alleen maar steeds groter worden door steeds efficiënter te worden. Als je te groot wordt en daardoor minder efficiënt wordt, en je kostprijs juist omhoog gaat omdat je bureaucratisch bent geworden, dan zul je juist marktaandeel gaan verliezen, want er zijn dan namelijk concurrenten die marktaandeel van je afsnoepen. Zelfs al zou je een natuurlijk monopolie hebben verworven, waardoor je de enige aanbieder bent geworden, bijvoorbeeld in het geval van een dorp dat zo klein is geworden dat maar één bakker de meest efficiënte oplossing is en twee bakkers niet efficiënt zouden zijn, dan betekent dat niet dat je daarvan misbruik zou kunnen maken. Want als je dat zou proberen te doen, dan is er altijd de latent aanwezige concurrentie. Want stel dat je een monopolie hebt bereikt en je denkt dat je de prijzen flink kunt verhogen en er met de pet naar kunt gooien, dan kom je er snel achter dat het zo niet werkt in de vrije markt. Want zodra je misbruik gaat maken van je monopoliepositie door een slechte service te leveren of een slecht product te bieden tegen een te hoge prijs, dan zul je merken dat er opeens een nieuwe bakker komt die marktaandeel van jou gaat afsnoepen.

Marxisten zullen dan tegenwerpen dat monopolisten nieuwe toetreders uit de markt kunnen drukken voordat ze in staat zijn geweest marktaandeel af te snoepen. Maar als bakker kun je eerst eens even offertes sturen aan alle grote klanten en zeggen: “Ik beloof dat ik een jaar lang brood zal leveren om acht uur ’s ochtends, voor deze prijs en van deze kwaliteit, maar dat doe ik pas als honderd mensen hebben getekend, eerder begin ik er niet aan.” Als dan honderd mensen hebben getekend heb je een gegarandeerde afzetmarkt, en de bakker die tot twaalf uur bleef liggen, en die zijn broden tien keer zo duur had gemaakt, zal er achter komen dat hij ten onder gaat. Want zelfs al zou hij zijn leven beteren, dan is hij te laat, want die ander heeft al zijn honderd getekende offertes liggen.

Vaak, als gewaarschuwd wordt voor monopolievorming, wordt gewezen naar personen als Rockefeller en Vanderbildt, die in het Amerika van de 19de eeuw kapitaal maakten. Ze zijn afgeschilderd als robber barons. Maar wat blijkt nou? Ze waren voortdurend bezig prijzen te verlagen. Doordat ze innoveerden, konden ze efficiënter werken, en daardoor konden ze prijzen verlagen en dat deden ze ook. Daardoor veroverden ze een groot marktaandeel en daardoor konden ze het ook behouden. Het klopt dus niet dat ze op een gemene manier marktaandeel hadden veroverd.

Amerikaanse spoorwegbedrijven hebben jarenlang hun prijzen moeten verlagen. Op een gegeven moment waren ze dat zo beu dat ze gingen lobbyen bij de federale overheid om een instantie op te zetten die de prijzen moest gaan reguleren. Dat was onder het mom van ‘in het belang van de consument’, want, zo zeiden, ze: “Het is toch belachelijk dat een pakketje versturen van New York naar Chicago goedkoper is dan een pakketje van New York naar Cleveland,dat veel dichterbij is?” De verklaring voor dat prijsverschil was echter dat er moordende concurrentie was op de spoorlijnen die van New York naar Chicago liepen. Toen die regulerende instantie er eenmaal was, gingen de prijzen omhoog.

Hetzelfde is gebeurd met de luchtvaartindustrie, die is de overheid ook gaan reguleren. Dat is onder president Jimmy Carter afgeschaft, met het gevolg dat vliegen opeens veel goedkoper werd. In Europa is dat ook gebeurd. Met het Open Skies Agreement is vliegen veel goedkoper geworden. In mijn kindertijd was vliegen nog iets voor rijke mensen. Nu vlieg je voor een paar tientjes naar de Middellandse Zee.

Over het vraagstuk van de staat en de vrije markt staan libertariërs en marxisten lijnrecht tegenover elkaar. Maar van een discussie lijkt het niet te komen.

Marxisten zijn inderdaad de tegenpool. Ik heb lang geleden een keer een debat gehad met een SP’er, maar die had het marxisme eigenlijk al afgezworen.

In Nederland zijn het de VVD en de SP die gezien worden als elkaars tegenpolen. 

Illustratief voor her verschil tussen die partijen vind ik het debat dat ze met elkaar voerden over de inkomstenbelasting. In 2012 was het marginale tarief voor de inkomstenbelasting 52 procent. De SP wilde het tarief verhogen naar 60 procent en de VVD wilde het verlagen naar 51 procent. Dat is dus marge waarbinnen de discussie in Nederland zich afspeelt. Wij staan als LP zover af van de status quo dat je er voor ons geen marxist bij hoeft te halen om een beetje vuurwerk te brengen in een discussie.

Er is een andere Toine Manders. Van de partij 50Plus. Die is erg verdrietig dat hij soms verward wordt met u. Hij heeft verklaard u asociaal te vinden.

Dat mag hij vinden. Ik vind het  jammer dat ik soms met hem verward word. Hij heeft laten zien een opportunist te zijn. Toen de VVD hem geen derde termijn gunde als europarlementariër stapte hij meteen over naar 50Plus. Ik ken hem verder niet. Ik heb me nooit in hem verdiept. Iemand die is overgestapt van de VVD naar de LP heeft hem ooit uitgenodigd om met mij in debat te gaan over liberalisme. Toen zei hij dat hij dat misschien nog wel eens wilde, maar voorlopig zeker niet.

In 2014 heeft de LP niet meegedaan aan Europese verkiezingen. Deel van de reden was dat ik achter de tralies zat. Ze hebben mij opgesloten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Dat was in januari 2014. In maart waren de gemeenteraadsverkiezingen en in mei de Europese verkiezingen. Even leek het erop dat twee mensen die Toine Manders heetten, zouden meedoen, ik namens de LP en hij namens 50Plus, maar daar is het dus niet van gekomen. 

Hoe plaatst u de LP in het links-rechts spectrum? De retoriek van anti-belasting en vrije markt zal velen uit de VVD-achterban aanspreken. Het idee van non-interventie de SP-achterban. De LP is ook voor het vrije verkeer van personen, het openstellen van de grenzen. Daar zal de GroenLinks-achterban van smullen.

Nolan-diagram

David Nolan, één van de oprichters van de Amerikaanse Libertarian Party, heeft gezegd: het politieke spectrum is geen links-rechts lijn. Het is tweedimensionaal. Op de linker-as heb je persoonlijke vrijheid en op de rechter-as economische vrijheid.

Mensen die links zijn, progressief of liberal, zoals ze dat in Amerika noemen, hechten weinig waarde aan economische vrijheid, maar ze zijn wel voor persoonlijke vrijheden. Ze zijn voor vrijheid van meningsuiting en godsdienst, voor een liberaler beleid op het gebied van drugs, prostitutie, pornografie en abortus.

Rechts, of conservatief, is de tegenpool. Zij willen meer economische vrijheid en dus een kleinere overheid als het gaat om de economie. Ze zijn voor lagere belastingen, minder regels, privaat eigendom, het tegengaan van staatsmonopolies. Maar als het gaat om persoonlijke vrijheid is het net andersom. Dan vinden ze dat de staat hard moet optreden tegen drugs, prostitutie, pornografie, godslastering, majesteitsschennis en het verbranden van de nationale vlag. Vaak ook zijn ze voor de militaire dienstplicht.

Helemaal onderin vinden we de communisten en fascisten. Die hechten aan geen enkele vrijheid enige waarde. Het individu moet volledig onderworpen zijn aan de staat. Als er mensen zijn die denken dat fascisten voor economische vrijheid zijn, een soort kapitalisten zijn, dan zeg ik: “Niets is minder waar.” In zowel fascistisch Italië als in Duitsland had de staat een enorme dikke vinger in de economische pap. Grootgrondbezitters of fabrieken werden niet onteigend, maar werden wel voor het karretje van de staat gespannen. Het was een geleide economie. De staat schreef voor wat die bedrijven moesten doen. Zo moesten ze zich voornamelijk inzetten voor de oorlogsindustrie.

Het centrum zien mensen als het toppunt van beschaving. Dan ben je gematigd, geen extremist, niet radicaal. Maar zoals je ziet, grenst het midden aan de communisten en fascisten. Dus zo mooi is dat midden helemaal niet. Voor het midden geldt dat er geen enkele vrijheid is die ze echt belangrijk vinden. Conservatieven zijn in elk geval nog voor een vrije markt, en liberals zijn tenminste nog voor persoonlijke vrijheden. Mensen die echt progressief, echt liberal zijn, zijn ook anti-oorlog. Dat veranderde in Amerika toen Barack Obama tot president werd gekozen. Toen vergaten ze ineens al hun anti-oorlogsideeën. Sindsdien zijn er niet zoveel echte liberals meer. De Democratische Partij in de VS is heel erg opgeschoven naar het centrum. Ze vinden geen enkele vrijheid nog echt belangrijk.

Bovenin het politieke spectrum vind je, wat we in Nederland noemen, de liberalen. De echte liberalen willen zowel meer economische als persoonlijke vrijheid.  Ze hechten aan beide vrijheden veel belang. Wat niet wegneemt dat er veel mensen zijn die zich liberaal noemen maar het niet echt zijn, omdat ze bijvoorbeeld voor een streng drugsbeleid zijn. Bij de VVD zie je dat ze zijn opgeschoven naar rechts-conservatief. Zo moet je voor de bescherming van de rechten van verdachten niet bij de VVD zijn, en ook niet voor een liberaal migratiebeleid. De VVD is dus maar tot op zekere hoogte wat de partij zegt te zijn: liberaal. Ze zitten op het grensvlak rechts-conservatief,  centrum en liberaal.

Waar vind je nou de libertariërs? Helemaal bovenin. Wij zijn heel erg liberaal, want wij willen 100 procent economische en persoonlijke vrijheid.

De liberale VVD-achterban zul je niet aanspreken met het openstellen van de grenzen. De achterban van die partij is heel erg gekant tegen immigratie.

De meeste libertariërs zeggen: “We zijn voor open grenzen, maar we erkennen tegelijk dat dit niet werkt in combinatie met het uitdelen van gratis geld, zorg, onderwijs en huizen aan immigranten. Dat zou in een libertarische samenleving niet kunnen.” Als je kijkt naar geschiedenis van de VS: tot in de jaren ’20 waren er nauwelijks immigratiebeperkingen. Er gingen mensen heen vaak zonder enige opleiding, soms zelfs analfabeten, maar niet om hun hand op te houden, maar om zichzelf productief te maken, een bestaan op te bouwen. Vaak met succes. Hun kinderen waren vaak veel welvarender dan zijzelf. Het was in een tijd dat de overheid extreem klein was, met name de federale overheid, die toen nog geen inkomstenbelasting mocht heffen. 

U heeft op BNR Nieuwsradio geadverteerd met de slogan ‘Belasting is diefstal’. Daar kwam in 2008 een einde aan. Waarom was dat?

Een anonieme persoon heeft een klacht ingediend omdat het spotje in strijd zou zijn met het goed fatsoen. De Reclame Code Commissie deed toen BNR de aanbeveling het spotje niet meer uit te zenden. Dat is Orwelliaanse newspeak voor censuur, want de Commissie pretendeert dat er sprake is van zelfregulering, dat media die reclame uitzenden zichzelf normen willen opleggen en zich daarom aansluiten bij de stichting Reclame Code. Maar de werkelijkheid is anders. De Mediawet verplicht zendgemachtigden lid te worden, en daarmee aanbevelingen te volgen. Het zijn dus geen aanbevelingen maar censuur. Alle zendgemachtigden houden zich er aan, want willen hun zendmachtiging niet verliezen.

We zijn in beroep gegaan tegen de aanbeveling. Ik heb bij het college van beroep betoogd dat de slogan niet in strijd kan zijn met het fatsoen, immers: de waarheid mag gezegd worden. Tot mijn verbazing werd de aanbeveling van Reclame Code vernietigd, omdat de commissie vond dat de slogan niet in strijd was met het fatsoen. Maar er kwam een andere aanbeveling voor in de plaats: de aanbeveling de slogan niet uit te zenden omdat deze in strijd zou zijn met de waarheid, want belasting is geen diefstal, en reclameslogans mogen niet in strijd zijn met de waarheid.

Hoe verklaart u dat u wel bent aangepakt, en niet de trustkantoren die multinationals nog steeds behulpzaam zijn met belastingontwijking in het buitenland?

Ik kan niet kijken in de hoofden van de FIOD- en OM-mensen. Ik kan alleen raden wat ze motiveert. Maar over het algemeen is het zo dat trustkantoren niet etaleren dat ze zich bezighouden met belastingontwijking. Op hun websites kom je het woord ‘belastingontwijking’ niet tegen. Überhaupt kom je daar weinig tegen over fiscaliteit. Ik daarentegen was altijd erg recht voor zijn raap. Ik gebruikte wel het woord ‘belastingontwijking’ op onze website en in brochures. Ik deed er zelfs nog een schepje bovenop met de slogan ‘Belasting is diefstal’. In interviews maakte ik ook geen geheim van mijn gedachtegoed. Ik zei dingen als: ‘De overheid is een criminele organisatie’, ‘Belasting is gelegitimeerde roof’, ‘De ondernemer is een onderdrukte minderheid’, ‘Belastingontwijking is een moreel recht en een morele plicht’. Dat vonden ze bij de fiscus ongetwijfeld niet leuk om te horen. Belastingambtenaren zijn meestal mensen zonder humor, met een goed geheugen en lange tenen. Als je daar eenmaal op getrapt hebt, dan vergeten ze dat niet. Ik waande mij veilig, want ik dacht: “Ik houd mij aan de regels, zij moeten dat ook doen, en dus zullen ze het wel doen.” Achteraf concludeer ik dat ik te naïef ben geweest. Zelfs ik heb mij nog vergist in de ongelooflijke slechtheid van de staat.

Nadat wij in 2001 waren begonnen met het aanbieden van HJC-trustdiensten, vanaf een nieuw kantoor op Cyprus, kwam er in 2004 een wet Toezicht Trustkantoren, maar die gold alleen voor trustkantoren met een zetel in Nederland. Daar viel dus HJC in Cyprus niet onder. De fiscus kon dus de informatie over mijn cliënten niet zomaar bemachtigen. Dat vonden ze waarschijnlijk heel vervelend. Dus hebben ze als oplossing bedacht: zware beschuldigingen uiten, ons een criminele organisatie noemen, zodat de overheid in Cyprus meewerkte, en ze alsnog de cliëntgegevens konden bemachtigen. 

U heeft, na uw aanvaring met de Nederlandse staat, een nieuw begin gemaakt met Nozick Consulting in Zoetermeer. Is dat een voortzetting van dezelfde activiteiten onder een andere naam?

Het is een belastingadvieskantoor voor de kleine- en middelgrote ondernemer, dat met name gericht is op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ondanks de reparatiewetgeving is het ons gelukt een nieuw product te ontwikkelen voor de kleine ondernemer, waarbij alle rechtspersonen van de bedrijfsstructuur zich in Nederland bevinden.

Het ontwijken van belasting via het buitenland is niet langer iets dat u uw cliënten adviseert?

Buitenlandse structuren bieden nog steeds een groter voordeel, maar de kosten zijn ook hoger. Als je een Nederlandse structuur kiest is het voordeel iets minder groot, maar de kosten zijn een stuk lager. Er komen steeds meer regels om belastingontwijking tegen te gaan. Die maken het niet onmogelijk, maar wel lastiger en duurder, waardoor het omslagpunt, de minimale winst die je moet behalen, hoger komt te liggen. Zodat de kleinste ondernemer afvalt. Alleen de grote en middelgrote ondernemers kunnen nu nog belasting ontwijken. Ik vind dat een treurige ontwikkeling.

Hoe kijkt u aan tegen de afschaffing van de dividendbelasting? Het zijn niet de kleintjes die daarvan profiteren.

Ik ben voor afschaffing van alle belastingen, dus ook voor die op dividend. Niet alleen om principiële, morele redenen, maar ook om pragmatische redenen. De dividendbelasting is een boete op investeren. Als een buitenlandse investeerder investeert in een Nederlands bedrijf, dan krijgt hij daar een boete voor, in de vorm dus van dividendbelasting. Engeland legt die boete niet op. Dus als je kunt kiezen als buitenlandse investeerder tussen investeren in een Engels bedrijf zonder boete en een Nederlands bedrijf met boete, dan zul je eerder kiezen voor het Engelse bedrijf. Dus als je die boete afschaft dan is dat natuurlijk gunstig voor het investeringsklimaat. Het aantrekken van buitenlands kapitaal is goed de voor de economische groei en de levensstandaard. Dus uiteraard ben ik daar voor.

Als je op korte termijn kijkt, zeg je misschien: “Die buitenlandse investeerders, die voordeel genieten van de afschaffing van de Nederlandse belasting op dividend, wat hebben wij daar mee te maken? We willen wat goed is voor het Nederlandse volk.” Dat is kortzichtig. Want dat buitenlandse kapitaal draagt juist bij aan onze levensstandaard.

De Nederlandse belastingbetaler ziet het als onrechtvaardig dat buitenlandse investeerders geen belasting hoeven te betalen.

Dat begrijp ik, en ik zou ook heel graag zien dat de belasting voor iedereen wordt verlaagd, niet alleen voor buitenlandse investeerders. Maar we moeten voorkomen dat we worden uitgespeeld tegen elkaar. Het is beter te zeggen: “Elke belastingverlaging is een stap in de goede richting, dus laten we ons niet verzetten tegen welke belastingverlaging dan ook.”

Ik ben het er verder niet mee eens dat in het geval van de afschaffing van de dividendbelasting een beperkte groep daar van profiteert, want als het investeringsklimaat verbetert dan profiteert uiteindelijk iedereen daar van in Nederland. Meer kapitaal betekent: meer machines, automatisering, innovatie en efficiency. Dat zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit en dus hogere lonen en een hogere levensstandaard. Werknemers kunnen zo steeds meer presteren in steeds minder tijd. De reden dat we niet meer zestig uur in de week werken, maar nog maar 35 uur is dat de arbeidsproductiviteit zo hard is gestegen doordat er meer kapitaal is gevormd als gevolg van een grotere economische vrijheid.

Hoe verklaart u dat de Nederlandse regering alleen buitenlandse investeerders belastingvoordeel gunt? De schatkist loopt er miljarden mee mis.

Kleine ondernemers hebben geen lobby. Grote bedrijven huren lobbyisten in en maken politieke vriendjes. Als een politicus geen politicus meer is, zoals Wim Kok, dan wordt hij commissaris bij Shell of een ander beursgenoteerd bedrijf. Gerhard Schröder tekende een contract met Gazprom, meteen nadat hij als politicus was uitgerangeerd. Dick Cheney, was minister van defensie onder Bush senior, en aansluitend CEO bij Halliburton, de grote defense contractor. Toen Bush junior werd gekozen, werd Cheney vice-president en ging hij lobbyen  om oorlog in Irak te voeren, waar Halliburton uiteindelijk een fortuin mee heeft gemaakt.

De overheid is een soort doping. Als je doping legaliseert heb je als sporter geen kans meer zonder doping. Zo ook met de overheid. Als je een groot bedrijf hebt, en je hebt een overheid die je kan maken of breken, die je subsidies kan geven of niet, die je privileges kan geven of niet – dan ga je dus lobbyen. Want als jij niet lobbyt en de concurrent wel, dan ga je uiteindelijk ten onder. Je moet vriendjes maken. Microsoft heeft heel lang niet gelobbyd, totdat ze miljardenclaim kregen wegens monopolievorming. Sindsdien zijn ze maar gaan lobbyen.

Wat ook speelt: grote bedrijven laten zich sterk leiden door regeldruk en lastendruk. Ze kunnen makkelijk met hun voeten stemmen, en zeggen: “We gaan ergens anders een nieuwe fabriek plaatsen of een nieuw hoofdkantoor.” Dus hebben politici er belang bij grote bedrijven te lokken, en niet te verjagen. Als je kijkt welke belasting is er verlaagd de afgelopen tientallen jaren, dan was dat met name de vennootschapsbelasting, van gemiddeld 48 procent in 1980 in de OESO-landen naar nu gemiddeld zo’n 23 procent. Nederland gaat deze belasting verlagen van marginaal 25 naar 21 procent. Niet zo lang geleden was dat nog 35 procent. Het is zelfs 45 procent geweest onder premier Joop den Uyl.

Nu blijkt Shell al een voorschot te hebben genomen op de afschaffing van de dividendbelasting. Het bedrijf heeft jarenlang geen belasting afgedragen. Met toestemming van de Belastingdienst. Hoe ziet u dat?

Shell heeft gedaan wat iedereen in Nederland mag doen: Je mag als belastingbetaler om een ruling vragen. Als je een brief schrijft met de vraag of jouw interpretatie van de belastingwetgeving juist is, dan is de belastinginspecteur verplicht daar antwoord op te geven. Hij hoort rechtszekerheid te verschaffen.

Shell had vroeger zowel in Nederland als Engeland een hoofdkantoor. In Engeland was geen dividendbelasting, in Nederland was die er wel. Ze wilden fuseren. Als ze dat hadden gedaan zonder afspraak met de fiscus te maken, dan zou dat betekenen dat investeerders in Shell Engeland door de fusie geconfronteerd zouden worden met de Nederlandse boete. Dan was de fusie niet doorgegaan. Dan hadden de aandeelhouders van de Engelse vestiging gezegd: “Dan maar geen fusie.” De Shell-top is toen naar de fiscus gestapt met het verhaal dat ze wilden fuseren en het hoofdkantoor in Nederland wilden vestigen. Shell heeft waarschijnlijk gezegd dat ze een mogelijkheid zagen de dividendbelasting te ontwijken en gevraagd om een handtekening als bevestiging dat de fiscus die structuur accepteerde en niet achteraf zou proberen die onderuit te halen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de oplossing die Shell had bedacht een illegale of strafbare oplossing was. Waarschijnlijk paste de oplossing binnen de grenzen van de wet.

Het probleem met rulings is wel vaak: Als je een structuur hebt die over de landsgrenzen heen gaat, als je Nederlandse belasting ontwijkt door inkomsten in het buitenland te laten vallen of vermogen in het buitenland op te bouwen, en je wilt daar een ruling over, dan krijg je die niet als kleine ondernemer. Dan zeggen ze: “Dat is fiscale grensverkenning. Daar werken we niet aan mee.” Als een multinational dezelfde ruling vraagt, dan krijgen ze wel een ruling. Maar zoals ik al zei: we hebben een nieuw product ontwikkeld, dat we binnen de Nederlandse grenzen houden, en dan kun je ook als kleine ondernemer vragen om duidelijkheid.

De postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, hoe ziet u die? De Nederlandse staat en de Nederlandse burger lijken daar niet echt wijzer van te worden.

Natuurlijk zou het geweldig zijn als Nederland een belastingparadijs was voor iedereen niet alleen voor doorstroomvennootschappen in het buitenland. Maar de Nederlandse staat en de Nederlandse burger worden er wel degelijk wijzer van. Trustkantoren in Nederland besturen ongeveer 10.000 doorstroomvennootschappen. Daarnaast heb je ook nog doorstroomvennootschappen die geen trustkantoor nodig hebben, en eigen personeel inzetten. Er gaat in die doorstroomvennootschappen ongeveer 10.000 miljard euro per jaar om. Daar wordt weinig belasting over afgedragen, maar toch evengoed nog een paar miljard per jaar. Want er zijn heel veel advocaten, belastingadviseurs, accountants en notarissen en trustkantoormedewerkers die daar een hele goede boterham aan verdienen, en daar belasting over betalen. De doorstroomvennootschappen mogen zo’n 99 procent van de winst aftrekken op de doorstroming. Maar ze moeten dus ook een percentage achterlaten in Nederland.

Wat de postbusfirma’s bijdragen aan de Nederlandse economie en aan belastinginkomsten opleveren is uitgerekend door een vereniging van trustkantoren, dus je kunt je afvragen wat ervan klopt, maar mijn punt is: Ook al zou de Nederlandse overheid er helemaal niks aan overhouden, dan moeten we het nog steeds toejuichen. Want de private sector heeft er wel baat bij, en niet alleen in Nederland, juist ook in het buitenland. Er zijn heel veel landen waar bedrijven meer overhouden, en dat betekent dat er minder geld wordt uitgegeven aan schadelijke zaken door politici en ambtenaren zoals het bombarderen van onschuldige mensen, het maken van steeds meer hinderlijke wet- en regelgeving en het ondernemen van vrijheidsondermijnende activiteiten. In plaats daarvan wordt het geld geïnvesteerd in innovatie, waardoor de levensstandaard stijgt, de levensverwachting stijgt en de economie groeit.

Omdat uw naam genoemd werd in de Panama Papers bent u afgelopen jaar verhoord door de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Hoe heeft u dat ervaren? 

Het was voor mij leerzaam te kijken naar de belastingambtenaren die door de commissie werden geïnterviewd. De frustratie droop er van af toen ze het hadden over de rechtsbescherming van de belastingbetaler. Hun frustratie was dat ze vaak niet wisten om te gaan met mensen die ze ervan verdachten gebruik te maken van mooie belastingconstructies. Dan stelden ze een vragenbrief op en in plaats van dat de belastingplichtige netjes antwoordde, huurde hij een slimme adviseur in die een antwoordbrief schreef, waarin hij nauwelijks antwoord gaf en tegenvragen stelde, zoals: “Op welke wetgeving baseert u zich? Op grond waarvan bent u van mening dat mijn cliënt deze vragen moet beantwoorden?” Kortom, ze zijn zwaar gefrustreerd over de rechtsbescherming van de belastingbetaler, en dat ze dus niet alles weten.

De fiscus wil daarom een uitholling van de rechtsbescherming van belastingbetalers. Ze willen een meldingsplicht, die inmiddels al is ingevoerd op het niveau van de EU. Belastingadviseurs moeten voortaan constructies aanmelden, een soort NSB’ers worden. Ze moeten hun eigen klanten gaan aanmelden bij de overheid. Ze moeten de fiscus vertellen: “Wij hebben een belastingadvies uitgebracht en daardoor gaat mijn cliënt een bepaald belastingvoordeel genieten.” Zodat de fiscus je cliënt kan gaan lastig vallen om te kijken of ze er toch niet wat meer uit kunnen persen. Doe je dat niet, dan ben je strafbaar.

U noemde net de EU die gezorgd heeft voor een meldingsplicht. U sprak eerder over een EU-kartel van belastingheffende politici. Hoe is dat buiten de EU?

Ook op mondiaal niveau gaan we in de richting van een kartel. Er zijn inmiddels honderd landen, die een verdrag hebben getekend met elkaar om automatisch informatie uit te wisselen, dus niet op verzoek of op verdenking van belastingontduiking of een ander strafbaar feit. Tot die landen behoren ook China en Venezuela. De mensen die daar wonen wordt dus de mogelijkheid ontnomen hun vermogen verborgen te houden voor door en door corrupte overheden. Het is een herhaling van de jaren ’30. Sommige Duitse joden hadden toen hun vermogen in Zwitserland geparkeerd uit angst dat het hun afgenomen zou worden. Dat het Zwitserse bankgeheim werd ingevoerd in 1934 is geen toeval. Dat kwam doordat een aantal Zwitserse bankmedewerkers hun Duitse-joodse cliënten hadden verraden, die gegevens hadden verkocht aan de Duitse overheid. Met die joden is het slecht afgelopen. In Duitsland stond de doodstraf op belastingontduiking. De verraden cliënten van die Zwitserse bank werden dan ook ter dood veroordeeld. Dat was voor de Zwitserse overheid in 1934 reden om te zeggen: “Dit nooit meer. We gaan een bankgeheim invoeren.” Het werd toen strafbaar voor Zwitserse bankmedewerkers gegevens van cliënten te delen met derden. Dat is dus het inmiddels verguisde Zwitserse bankgeheim.

Privacy is in een kwaad daglicht gesteld. Zo van: “Als je niks te verbergen hebt, dan heb je niks te vrezen.” Maar dat is volledig onterecht. Wij hebben in West-Europa toevallig de laatste zeventig jaar een stukje beschaving opgebouwd, dat overheden niet zo maar kunnen doen wat ze willen. Daardoor zijn we een beetje naïef geworden. De overheid is onze beste vriend. Maar er zijn nog steeds heel veel mensen in de wereld voor wie geldt dat de overheid helemaal niet hun beste vriend is. Maar juist de grootste vijand.

De overheid moet je zien als de parasitaire klasse, die ons leegzuigt, een bal aan ons been is. Ze zorgt ervoor dat we korter leven. Als je kijkt naar de levensverwachting in de veertig landen met de meeste economische vrijheid, daar worden mensen gemiddeld tachtig jaar. In de veertig landen waar mensen de minste economische vrijheid hebben, worden ze gemiddeld zestig jaar. De overheden stelen in die landen dus gewoon 20 jaar van een mensenleven. Lees het boek Death By Government van Rudolph Rummel. In de twintigste eeuw zijn er naar schatting zo’n kwart miljard mensen vermoord door hun eigen overheden. Dan heb ik het nog niet eens over de mensen die zijn gesneuveld in oorlogen als gevolg van overheden die met elkaar strijd voeren. Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot zijn bij elkaar opgeteld alleen al goed voor zo’n 150 miljoen moorden op eigen burgers.

Het is dus niet zo gek dat er zoveel mensen zijn die hun eigen overheid niet vertrouwen en verborgen proberen te houden dat ze iets hebben gespaard of opgebouwd, omdat je jezelf anders tot doelwit maakt. In landen met corrupte regimes waar de economie aan de grond zit, zijn het meestal succesvolle minderheden die als eersten worden gepakt. In Duitsland waren dat de joden en in Indonesië de Chinezen.

Posted on 1 Comment

Persvrijheid in Rusland – Vermoordt Poetin journalisten?

In het Westen wordt algemeen aangenomen dat de Russische pers ‘niet vrij’ is. Klopt dat beeld? Vermoordt het Kremlin journalisten? Staatsuniversiteit Moskou: “Buitenlandpolitiek Westen bepaalt visie op onze media.”

The World Press Freedom Index. Jaarlijks worden leden van de pers overal ter wereld getrakteerd op een rangschikking van landen naar de mate van persvrijheid. Villamedia, het huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), deelde begin dit jaar een poster uit van de index aan haar abonnees. Op de poster een afbeelding van de wereldkaart, met elk land aangegeven in een aparte kleur. In het oog springt vooral Rusland, dat gemarkeerd staat in alarmerend rood, en dat vanwege zijn enorme landmassa, ook meteen het meeste rood op de poster in beslag neemt.
‘Rood’ betekent ‘slecht’, zo leert de begeleidende legenda. Er is slechts een handjevol landen waar het nog slechter is gesteld met de vrijheid van de pers, waaronder China, Saoedi-Arabië en Libië. Deze landen staan in het zwart aangegeven.
Ieder jaar publiceert het in Parijs gevestigde Reporters Sans Frontières haar World Press Freedom Index, die de mate van persvrijheid aangeeft per land in het daaraan voorafgaande jaar. In de laatste editie staat Rusland op de 148ste plaats, ver beneden andere westerse landen, en zelfs nog onder Arabische Golfstaten als Koeweit (104), de Verenigde Arabische Emiraten (119) en Qatar (123).

Is het werkelijk zo slecht gesteld met de Russische media? Ondanks alle gruwelverhalen over arrestaties, censuur, propaganda en moorden lijkt het toch nog niet geheel gedaan met de persvrijheid. Kennelijk is het mogelijk voor kranten de president af te beelden als hond; het Russische leger ervan te beschuldigen MH17 neer te hebben gehaald; de president in verband te brengen met witwaspraktijken; Russen uit te maken voor ‘rode fascist’; de Russische minderheid in Oost-Oekraïne uit te maken voor ‘genetisch afval’; zich hardop te verkneukelen over gesneuvelde Russische soldaten in Syrië – en het geweld van het Oekraïense leger in Donbass te rechtvaardigen. Zonder nadelige consequenties. De betrokken journalisten en opinieleiders maken het goed. Ze zijn niet vermoord of gearresteerd. Ze worden niet geweerd van televisie – en de media waar ze hun uitingen deden, hebben geen verschijningsverbod opgelegd gekregen.

De lage positie van Rusland in de World Press Freedom Index van Reporters Sans Frontières staat echter niet op zichzelf. Het land staat ook zeer laag genoteerd in het jaarlijkse Freedom In The World Report van de ‘independent watchdog organization’ Freedom House. Die laatste organisatie houdt kantoor in New York en Washington, en werkt voor haar jaarlijkse persvrijheidsrapport nauw samen met de Nederlandse organisatie Free Press Unlimited.
Volgens Freedom House is de pers in Rusland ‘niet vrij’. Op een schaal van 0 (minst vrij) tot 100 (meest vrij) scoort Rusland niet meer dan 20; dus ver beneden andere westerse landen, op hetzelfde niveau als de Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam en Gambia en zelfs slechter dan Turkije waar in 2016 81 journalisten achter slot en grendel zaten.

De doornsee krantenlezer of tv-kijker zal onmiddellijk aannemen dat het met Rusland werkelijk zo slecht gesteld is als de twee persvrijheidsindexen aangeven. Immers: berichten in de Westerse pers over de benarde positie van journalisten elders in de wereld gaan in pakweg 9 op de 10 gevallen over Rusland. Tel daarbij op het, ook in Nederland, wijdverbreide geloof dat Vladimir Poetin journalisten vermoordt.

Klopt dit beeld over de Russische pers? Ruimt Poetin kritische journalisten uit de weg? Zijn de media ‘niet vrij’, zoals Freedom House beweert?

Vermoorde journalisten

Zelfs Ruslands meest uitgesproken oppositiekrant Novaya Gazeta*, waarvan zes reporters zijn vermoord, denkt niet dat Poetin of het Kremlin iets te maken heeft met moorden op journalisten. Het enige waar zij hun overheid van beschuldigen is dat deze onvoldoende maatregelen treft ter bescherming van hun veiligheid.

In elk geval klopt er niets van de bewering dat Poetins greep naar de macht in 1999 het begin inluidde van een golf aanslagen op journalisten. Het omgekeerde is waar; het aantal moorden op journalisten is sindsdien scherp gedaald. De cijfers van het in New York gevestigde Committee To Protect Journalists geven duidelijk aan dat onder Poetins voorganger, Boris Jeltsin, de zaken er veel slechter voor stonden. In Ruslands roerige jaren negentig werden er ruim twee keer meer journalisten vermoord dan in de jaren dat Poetin het land regeerde als premier en president.
Vreemd genoeg werd er tijdens Jeltsins presidentschap weinig ophef gemaakt over de vele dodelijke aanslagen op het perskorps. Niemand die toen beweerde dat Jeltsin journalisten vermoordde.

Het afgelopen jaar (2016) zijn er geen Russische journalisten geliquideerd. Hoewel niet gerapporteerd door Committee To Protect Journalists ** werden er in 2016 wel twee Nederlandse journalisten vermoord: Jeroen Oerlemans in Libië en Martin Kok in eigen land. Niettemin eindigde Nederland op de 2e en 5e plaats van de ranglijsten.

Dus, als het aantal vermoorde journalisten niet heel erg bepalend is voor de weging van persvrijheid in een land, waarom staat Rusland dan zo laag?

Zwarte doos

Beide ranking-organisaties, Reporters Sans Frontières en Freedom House, stellen hun ranglijsten samen aan de hand van enquêtes (hier en hier). Deze worden ingevuld door ‘media experts, advocaten en sociologen’ (Reporters Sans Frontières) of ‘analisten, vooral externe adviseurs’ (Freedom House).
De vragen in de enquêtes gaan over factoren die bepalend zijn voor de vrijheid van journalisten, zoals (zelf-)censuur, concentratie van eigendom van mediabedrijven, pluriformiteit, redactionele onafhankelijkheid en het gemak waarmee straffen worden opgelegd vanwege smaad en laster. Hoewel de ranking-organisaties dus enige transparantie bieden over hun methodiek, doemt toch vooral het beeld op van een zwarte doos, waarin ruwe data onttrokken worden aan het oog van buitenstaanders. Zo verstrekken beide organisaties geen informatie over hoe de respondenten hebben geantwoord op de vragen. Aan het verzoek van de auteur van dit artikel de antwoorden geanonimiseerd vrij te geven (de gemiddelde score op elke vraag) werd geen gehoor gegeven.
Op verzoek was Reporters Sans Frontières nog wel bereid enige data te delen uit hun ‘kwantitatieve analyse’. Zo telde de organisatie vorig jaar 65 gevallen van agressie tegen journalisten, 67 arrestaties en vier journalisten die gevangen zaten. Freedom House meldt in haar rapport alleen het aantal ‘aanvallen op journalisten en bloggers’: 54. Dit cijfer baseert Freedom House op een telling van The Glasnost Defense Foundation.

Geweld, arrestaties en gevangenschap

Volgens Freedom House is geweld tegen journalisten in Rusland ‘heel gewoon’. En op het eerste gezicht, kijkend naar bovengenoemde cijfers (54 ‘aanvallen’ of 65 ‘gevallen van agressie’) lijkt daar weinig tegenin te brengen. Zeker in vergelijking met kampioen persvrijheid Nederland. In ons land telde Reporters Sans Frontières in 2016 slechts 5 gevallen waarbij geweld gebruikt was tegen journalisten. Nu is het echter wel zo dat er in Rusland dertien keer meer journalisten werkzaam zijn dan in Nederland. In Rusland: (200.000). In Nederland: (15.000). Het ligt dus in de lijn der verwachting dat Rusland te kampen heeft met meer geweld dan een klein land als Nederland.
Dit weerlegt nog niet de stelling van Freedom House dat geweld tegen journalisten ‘heel gewoon’ is in Rusland. Maar daar staat tegenover dat zij in hun rapport geen enkele moeite doen hun claim te onderbouwen. Cijfers opvoeren is één ding; daar conclusies aan verbinden is iets anders. ***
Het aantal arrestaties van journalisten in Rusland (67) lijkt echter wel aan de hoge kant. In Nederland zijn in 2016 slechts twee journalisten gearresteerd, de ene een Française, de andere een Nederlandse Turk.

De Française, Florence Hartmann, is vier dagen vastgehouden. Reporters Sans Frontières telde in hetzelfde jaar vier journalisten die in Rusland achter de tralies zaten: RBC-journalist Alexander Sokolov, vanwege de organisatie van een terroristische groep; de Tsjetsjeense journalist Zhalaudi Geriyev vanwege drugsbezit; de Oekraïense journalist Roman Sushchenko vanwege spionage; voormalig hoofdredacteur Aleksandr Tolmachev van Pro Rosto vanwege afpersing.

Censuur, restricties en propaganda

Afgaand op de ‘juryrapporten’ van Freedom House en Reporters Sans Frontières moet het wel heel ernstig gesteld zijn met de staat van de Russische journalistiek. Alsof het al niet erg genoeg is dat er zoveel journalisten geteisterd worden door geweld, arrestaties en celstraffen, ‘impregneert’ de Russische staat haar burgers ook nog eens met “propaganda via de door haar gecontroleerde tv-stations (…) Toonaangevende, onafhankelijke nieuwsorganisaties zijn onder controle gebracht of de nek omgedraaid (…) Websites zijn op zwart gezet en meer en meer bloggers krijgen gevangenisstraffen opgelegd (…) Toonaangevende mensenrechtenorganisaties hebben het stempel van ‘buitenlandse agent’ gekregen (…) De wetgeving biedt de overheid brede bevoegdheid de media op inhoud te sturen.” Enzovoort, enzovoort.

Maar evengoed opnieuw de vraag: Is het werkelijk zo belabberd gesteld met de staat van de Russische journalistiek?

One size fits all?

“Ik heb de indruk dat de situatie veel beter is dan zoals gepresenteerd in de indexen”, zegt professor Andrei Vyrkovsky van de Lomonosov Moscow State University. “De overgrote meerderheid van de Russen heeft door de relatief hoge internetpenetratie vrij toegang tot nieuws en andere informatie uit alle mogelijke bronnen. Verschillende standpunten worden besproken op diverse openbare online platforms. Rusland is in dat opzicht geheel anders dan bijvoorbeeld China, ondanks de wetten en wetten die recentelijk zijn aangenomen om sommige online activiteiten te beperken.”
Vyrkovsky onthoudt zich van commentaar op de methodologie van de ranking-organisaties “omdat dat een grondige analyse vereist”. Toch zou hij niet verbaasd zijn als de hele opzet ervan steevast uitpakt in het voordeel van westerse landen.
Vyrkovsky benadrukt dat persvrijheid niet overgewaardeerd moet worden. Het is belangrijk, maar niet belangrijker dan “het vermogen van lobbygroepen om de media naar hun hand te zetten en zo het publiek te bespelen.” De grip van lobbygroepen op de media werd pijnlijk zichtbaar tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen. “In de democratische campagne tegen Trump werden soms alle journalistieke principes aan de kant gezet”, zegt Vyrkovsky. “Vanwege hun goede toegang tot de massamedia was het standpunt van de Democraten absoluut dominant in het publieke discours. Wil je dus de media in diverse landen met elkaar vergelijken dan zal je daarin ook moeten meenemen het gemak waarmee lobbygroepen de media naar hun hand zetten.”

Professor Elena Vartanova, decaan van de faculteit journalistiek van de Lomonosov Moscow State University, erkent dat de Russische media zo haar problemen kent, zoals “de verschillende manieren waarop informele druk wordt uitgeoefend op de journalistiek en het geweld dat soms zelfs wordt gebruikt.” Maar deze problemen moet wel in de juiste context worden geplaatst. “Rusland is een multiculturele en multi-etnische samenleving”, legt ze uit. “Dit vereist enige regulering van de media.”

“Rusland is erg jong als een democratie”, voegt Vartanova toe. “In 1991 zijn we begonnen met een ‘zero media policy’. Rusland had zo’n beetje de vrijste pers ter wereld. Dit leidde tot allerlei problemen. We leerden al snel dat er beperkingen nodig zijn. Die zijn er overal. In sommige landen hebben journalisten zichzelf regels opgelegd, soms in samenwerking met het publiek en de nieuwsindustrie. In Rusland zijn we nooit zover gekomen. We zijn er nog niet klaar voor. Het maatschappelijk middenveld staat bij ons nog in de kinderschoenen. We zijn op dit unieke moment in de geschiedenis waar wetgevers het werk doen dat gedaan had moeten worden door de samenleving als geheel. Velen in Rusland  houden vast aan de filosofie van de Sovjettijd: ‘Wij nemen geen verantwoordelijkheid, we tonen geen inzet, maar we willen graag iets als Europa hebben, dus laat de staat dat maar even voor ons regelen’.
Er is dus niet alleen onderdrukking van de staat; er is ook de afwezigheid van initiatieven vanuit de beroepsgroep, de media-industrie en het publiek.”

Niettemin denkt Vartanova dat in Rusland de media er meer op vooruit zijn gegaan dan achteruit. “Het zou oneerlijk zijn te ontkennen dat er de afgelopen decennia zoveel ten goede is veranderd. Zeker in vergelijking met de Sovjetperiode, toen er helemaal geen vrijheid van pers was.”

Er bestaat sowieso niet zoiets als een ‘one size fits all’ media systeem, aldus Vartanova. In tegenstelling tot het Westen dat de media wereldwijd naar zijn evenbeeld lijkt te willen herscheppen. “Westerse, Angelsaksische indicatoren worden gebruikt om de Russische media te evalueren.”

Sturing van de publieke opinie

Vartanova vindt dat je geen enkele ranking bij voorbaat kunt vertrouwen. Er kan een verborgen agenda achter schuilgaan. “Sprekend vanuit mijn ervaringen in de wereld van universiteiten en wetenschap stel ik vast dat grote universiteiten rankings inzetten als marketinginstrument om geld uit het buitenland aan te trekken. Hoe hoger je op de ranglijst komt, des te meer studenten zich aanmelden.”
Wat zou de verborgen agenda kunnen zijn achter de persvrijheids-ranglijsten?
Vartanova: “Je zou die ranglijsten kunnen gebruiken als instrument om de publieke opinie te sturen. Ik heb de indruk dat de manier waarop het Westen onze media beoordeelt sterk meebeweegt met veranderingen in het buitenlandbeleid van westerse landen. In de Sovjet-tijd werden we gezien als de vijand, en het Westen bekritiseerde ons mediasysteem. In de jaren negentig werden we dikke vrienden en werd onze ‘zero media policy’ toegejuicht. Sinds het Westen ons weer als de vijand ziet, zien we dit terug in de lage rangschikking.”

Het imago van de Russische media lijkt sterk beïnvloed te worden door verhalen in de westerse pers over de moorden op journalisten. Hoe ziet Vartanova dit?
“Veel van de journalisten die werden vermoord waren misdaadverslaggevers”, zegt ze. “Er is dus mogelijk een sterkere relatie tussen die moorden en de mate van criminaliteit in het land dan met het niveau van persvrijheid. Vooral in de jaren negentig leek dit het geval te zijn. In die tijd was de invloed van de staat veel zwakker.
Je zou de moorden ook juist kunnen zien als een bewijs dat Rusland een zekere mate van persvrijheid kent. De journalisten werden vermoord omdat ze iets hadden gepubliceerd wat iemand niet aanstond, en niet om dat te voorkomen. De moorden hebben journalisten er in elk geval niet van weerhouden explosief materiaal te publiceren.”

Hoe is het mogelijk dat, in weerwil van de feiten, er zo’n sterke overtuiging is dat de moord op journalisten een aanvang nam met het aantreden van Vladimir Poetin? Hij is zelfs beschuldigd van moorden gepleegd tijdens het presidentschap van Jeltsin.
Vartanova: “Het idee dat Poetin journalisten uit de weg ruimt nam een grote vlucht na de moord op Anna Politikovskaja in 2006. Het gebeurde op Poetins verjaardag. En dit was misschien geen toeval. Het werd tot een sinister verjaardagscadeau. Elk jaar als Poetin zijn verjaardag viert, wordt wereldwijd de moord herdacht op Politikovskaja.”


* Novaya Gazeta reageerde niet op interviewverzoeken. En het Nederlandse Free Press Unlimited, dat contact onderhoudt met reporter Pavel Kanygin Novaya Gazeta, was niet bereid de auteur van dit artikel in contact te brengen met hem. Free Press Unlimited wilde niet zeggen waarom.

** Committee To Protect Journalists was niet bereikbaar voor commentaar, en heeft tot op heden de door de auteur van dit artikel gemelde moorden niet in de cijfers over Nederland opgenomen.

*** Freedom House was desgevraagd niet bereid haar stelling te onderbouwen dat in Rusland geweld tegen jouralisten ‘heel gewoon’ is.

Verder lezen:

Russische media en Nederlandse Ruslandverslaggeving

Dit interview is onderdeel van een reeks interviews en artikelen van Eric van de Beek over de Russische media en de verslaggeving van Nederlandse media over Rusland. Eveneens verschenen in deze reeks:

Posted on

Terugkeer tot orde: Van een losgeslagen economie naar een organische christelijke samenleving – Waar we geweest zijn, hoe we hier zijn aanbeland en waar het naartoe moet

Onlangs sprak de Amerikaanse publicist John Horvat in diverse steden in de Lage Landen, waaronder Brussel, Amsterdam en Gent over zijn boek Return to Order. Hieronder volgt de tekst van zijn toespraak (vertaling: Jonathan van Tongeren).

John HorvatDames en heren, laat ik beginnen met te zeggen hoe vereerd ik ben om hier te mogen zijn en met u wat overwegingen te delen over een onderwerp dat voor ons allen een voorwerp van bezorgdheid is. Dat onderwerp is de hedendaagse crisis die we zo ongeveer overal om ons heen zien. Er is de crisis in de Kerk, crisis in het onderwijs of crisis in het gezin.

Maar waar ik het vandaag over zou willen hebben is een bijzonder ernstig onderdeel van de algemene crisis, namelijk de crisis in de economie. Het is geen geheim dat de wereldeconomie in problemen verkeert. Zaken werken niet zoals ze zouden moeten werken. Overal zien we overmatige schuld, falend leiderschap en fiscale onverantwoordelijkheid. Men heeft het gevoel overweldigd en uitgeput te worden door de crisis – het staat in geen verhouding tot onze middelen. En voor velen is het niet precies duidelijk hoe we hier mee om zouden moeten gaan. Wat is de oorzaak van deze crisis? Waar strijden we precies voor? Waar zoeken we onze oplossingen?

Dit zijn vragen die besproken worden in het boek ‘Return to Order. From a Frenzied Economy to an Organic Christian Society – Where We’ve Been, How We Got Here and Where We Need to Go’ (Terugkeer tot orde: Van een losgeslagen economie naar een organische christelijke samenleving – Waar we geweest zijn, hoe we hier zijn aanbeland en waar het naartoe moet). Het is een boek over economie. Het is een boek over morele waarden. Wat meer is, het is een boek over economie én morele waarden. Want dat is wat we nodig hebben om zowel onze maatschappij als onze economie weer op de juiste koers te krijgen.

Laat ik, bij wijze van toelichting, vermelden dat ik dit onderwerp voor het eerst begon te onderzoeken in 1986. Ik raakte betrokken toen de oprichter van de eerste afdeling van Tradition Family Property (TFP), de Braziliaanse TFP, prof. Plinio Corrêa de Oliveira mij en vijf of zes andere Amerikanen uitnodigde mee te doen in een studiegroep over economie, die hij pragmatisch ‘de Amerikaanse Werkgroep’ noemde.

Prof. De Oliveira meende dat Amerika en het Westen op zekere dag een grote economische crisis zouden ondergaan ten gevolge van een losgeslagen economie. Hij zei dat we moesten onderzoeken hoe christelijke beschaving omging met economische vraagstukken; we zouden een katholiek antwoord moeten ontwikkelen. Zodoende hebben we ons in de Amerikaanse Werkgroep in de loop van de jaren zo nu en dan met deze kwesties bezig gehouden. En in de laatste zes of zeven jaar hebben we ons aan een intens studieprogramma gewijd. En het resultaat is een boek dat uitlicht waar het in onze economie en onze maatschappij verkeerd is gegaan. Belangrijker nog, het boek wijst in de richting van echte oplossingen gebaseerd op christelijke principes. In de loop van deze toespraak zou ik dan ook drie dingen willen doen. Ten eerste wil ik bespreken waar het verkeerd is gegaan in onze economie door de wortel van de huidige socio-economische crisis te analyseren. Ten tweede wil ik oplossingen bespreken door te bezien wat voor maatschappij we ons zouden moeten wensen. Ten slotte wil ik uitleggen hoe we naar een terugkeer tot orde toe zouden kunnen werken.

Wat de crisis aangaat, laat ik beginnen met te zeggen dat ik denk dat ons probleem ten diepste een geestelijk probleem is. Het gaat niet slechts om werkloosheid. Het gaat niet slechts om begrotingstekorten of het beleid van de centrale bank. Het is ook niet slechts goddeloosheid en immoraliteit. Dit zijn allemaal symptomen van agitatie diep binnenin de ziel van de moderne mens. We verkeren niet slechts in onze huidige staat doordat deze problemen hun intrede hebben gemaakt in onze levens maar bovenal doordat morele waarden er aan onttrokken zijn. Mijn stelling is dat economische instabiliteit niet zomaar ontstaat; we veroorzaken het wanneer we ons ontdoen van morele waarden, instituties en gebruiken. Een immorele maatschappij komt niet zomaar uit de lucht vallen, we laten deze ontstaan wanneer we ons losmaken van onze christelijke wortels en onze vitale tradities. Wanneer we deze zaken verliezen, zetten we zelf de deur open die het een vijandige cultuur toelaat om binnen te vallen, doordat moraal en economie ondermijnd worden. We zetten zelf het proces in gang waardoor we onze vrijheden kwijt raken, de economie begint te rafelen en het geloof van mensen vernietigd wordt. Mijn stelling is dat de wortel van wat er met onze economie en onze maatschappij aan de hand is in een socio-economische oorzaak gelegen is. Ik herleid het tot onze cultuur van onmiddellijke bevrediging – wat we onze feesteconomie zouden kunnen noemen.

Losgeslagen onmatigheid
Denk er maar eens over na. Mensen laten het geloof niet achter zich omdat ze gemarteld en vervolgd worden (momenteel althans niet). Nee, mensen laten het geloof achter zich omdat ze worden opgenomen door een cultuur die hen ieder denkbaar pleziert op elk denkbaar moment biedt en de indruk wekt dat iedereen het doet. We hebben geen een-kind beleid dat mensen dwingt abortussen te ondergaan, maar de algemene opvatting van mensen is dat als je een kind krijgt, je niet aan het feest mee kunt doen. In mijn boek noem ik deze drang tot onmiddellijke bevrediging ‘losgeslagen onmatigheid’ (LO). Losgeslagen onmatigheid is een roekeloze en rusteloze geest in bepaalde sectoren van de moderne economie die ons ertoe brengt legitieme beperkingen af te werpen en alle verlangens te bevredigen. Het schept een economie en een samenleving die losgeslagen en uit balans zijn. Vergis u niet, ik heb het niet over hebzucht of algemeen voorkomende ambitie; die zijn er altijd geweest en daar weet de vrije markt raad mee. Ik heb het niet over gewone ondernemingszin, die hebben we nodig. Nee, dit is iets dat mensen er toe brengt het hele idee van matiging te verachten en geestelijke, religieuze, morele en culturele waarden, die normaal dienen om de economische activiteit te ordenen en te matigen, bespotten. Je kunt deze LO aan het werk zien in losgeslagen markten en nieuwerwetse investeringsinstrumenten en hoog-risico derivaten die overal in de financiële wereld te vinden zijn. Je kunt het zien in speculatieve luchtbellen – zoals de ‘sub prime’-hypotheekcrisis van 2008. Of in de omvangrijke schuld. Het is een haast irrationele factor die de toon zet voor grote delen van de zakenwereld en uiteindelijk vrije markten vernietigd.

Maar waar u en ik de effecten van deze losgeslagen onmatigheid het meeste zien is in onze dagelijkse levens – in onze losgeslagen levensstijl. Onze gehaaste en hectische agenda’s. Onmiddellijke bevrediging is aan de orde van de dag. We moeten alles nu hebben, meteen, ongeacht de gevolgen. Het moet de laatste en de beste versie zijn; het moet nieuw en verbeterd zijn, 5.0, 6.0 of zelfs 7.0. Consumenten worden aangemoedigd om veel meer uit te geven dan hun middelen toelaten met een muisklik of een simpele beweging met een creditcard. Ik zag laatst een voorbeeld van LO in de Wall Street Journal waar ze het hadden over hoe men zijn CV op Twitter kan presenteren, ze gaven tips hoe je je hele leven kon terugbrengen tot een Tweet van 140 tekens.

Politici mengen zich in de losgeslagen onmatigheid door met roekeloze overgave uit te geven. Centrale banken gebruiken allerlei trucs om de effecten van losgeslagen markten te milderen. We verwachten allemaal van onze overheden dat ze als gouvernantes van laatste toevlucht optreden en al onze misstappen compenseren wanneer het fout loopt en dan hopen we maar dat het probleem vanzelf weg gaat. Maar de waanzin gaat gewoon verder.

Om een vergelijking te maken, zouden we kunnen zeggen dat een vrije markteconomie als een heel gezond en robuust menselijk lichaam is. Het is in staat hard te werken en een enorme rijkdom te genereren. Maar er is ook een drug genaamd LO die binnendringt in de vaten van dit gezonde lichaam en vernieling aanricht in zijn systemen. Het kan zelfs de spieren stimuleren nog harder te werken en het lichaam hyperactief maken. Maar het schept een enorme onbalans die er dikwijls toe leidt dat het hele systeem vastloopt.

Crisis is de norm, niet de uitzondering
Dit losgeslagen systeem en zijn constante vastlopen tekenen de geschiedenis van de moderne economieën. Naarmate de tijd vordert worden de krachs steeds groter en gevaarlijker. Nouriel Roubini en Stephen Mihn beweren in hun boek Crisis Economics dat in dit systeem “crises de norm zijn, niet de uitzondering. Dat wil nog niet zeggen dat alle crises het zelfde zijn. Verre van: de details kunnen van ramp tot ramp verschillen en crises kunnen hun oorsprong vinden in uiteenlopende problemen in verschillende sectoren van de economie.” Maar in het algemeen zijn crises de norm. Zoals Mervyn King, de vorige directeur van de Bank of England, in 2010 opmerkte: “Bankencrises zijn endemisch aan de markteconomie die sinds de Industriële Revolutie is ontstaan. De woorden ‘bankieren’ en ‘crises’ zijn vanzelfsprekende bedgenoten.”

Feesteconomie
De moderne economie heeft deze crises en krachs lange tijd overleeft. Maar nu neemt het probleem monstrueuze proporties aan. Ons probleem is dat deze drug van losgeslagen onmatigheid onze robuuste economie ondermijnt en nu domineert; het zet de toon. Het verscheurt onze economie en onze maatschappij. Het erodeert ons geloof. We hebben delen van onze economie omgevormd tot een feesteconomie die nooit op lijkt te houden; we hebben hele volksstammen met creditcards uitgerust met steeds toenemende bestedingslimieten en maandelijkse betalingen. Het verrast me niet dat we ons genoodzaakt zien tot het inbrengen van gigantische hoeveelheden kapitaal en tot ‘quantitative easing’ (kwantitatieve geldverruiming) in onze losgeslagen markten, alleen maar om het feestje gaande te houden.

Het verrast me niet dat onder deze omstandigheden het menselijke element, zo essentieel voor het behoorlijk functioneren van de maatschappij en de economie, is afgenomen. In deze context wordt geld de voornaamste overweging; het heerst. Moderne economische activiteit wordt kil en onpersoonlijk, mechanisch en star. Het wordt vol van onmenselijke regels en regelgeving in een ijdele poging de onmatigheid in te snoeren, waarbij men een parallelle regelgevende onmatigheid creëert. Om een voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk te geven, het handboek regelgeving van de Britse Autoriteit Financiële Diensten (FSA) telt tien hoofdstukken. Het hoofdstuk ‘Prudentiële Normen’ is onderverdeeld in elf subhoofdstukken. Het subhoofdstuk ‘Prudentiëel Bronnenboek voor Banken, Vastgoedmaatschappijen en Investeringsfirma’s’ bestaat uit veertien sub-subhoofdstukken. Het sub-subhoofdstuk ‘Martkrisico’ is onderverdeeld in elf sub-sub-subhoofdstukken. Het sub-sub-subhoofdstuk over ‘Rentepercentage PRR’ heeft zesenzestig paragrafen. Dit boek van 1,1 miljoen paragrafen wordt door de FSA vaak omschreven als “lichte regelgeving op basis van beginselen.” Ik ben er zeker van dat we zonder moeite andere voorbeelden zouden kunnen vinden in Washington of Den Haag of in Brussel bij de bureaucraten van de Europese Unie.

Sociaal kapitaal
In Return to Order zet ik uiteen dat de huidige ‘feesteconomie’ onhoudbaar is. En ik sta niet alleen in die inschatting; er zijn letterlijk honderden boeken die hetzelfde zeggen. We hebben ons sociale kapitaal – dat gevonden wordt in familie, gemeenschap en geloof en dat normaliter de economie onderhoudt en in evenwicht houdt – uitgeput. Losgeslagen onmatigheid neemt proporties van meerdere triljoenen euro’s aan, proporties die onze mogelijkheid er mee om te gaan te boven gaan. Voor wie het wil zien, koersen we een storm in.

Er valt over te steggelen wanneer het feest zal stoppen of wat de eerst volgende grote krach zal ontladen. Maar ik maak me sterk dat het niet de vraag is of het feest zal stoppen maar veeleer wanneer het zal stoppen en waar we vervolgens naartoe gaan. Ons probleem is dat we het feestje moeten verstoren… voor het te laat is. Als het u er om te doen is het feestje gaande te houden, dan is RTO niets voor u. Dan kan ik u werkelijk niet helpen. Als u dat wilt, ga dan vooral uw gang, blijf vooral lenen en ruim geld in de markt inbrengen en de dag van de afrekening voor u uit schuiven.

Wat kunnen we doen?
Maar als u een terugkeer tot orde wilt, laten we dan kijken naar manieren om de economie te bevrijden van de slavernij van losgeslagen onmatigheid, zodat de economie opnieuw vrij kan zijn. Laten we kijken naar oplossingen die ons zullen voeren van een losgeslagen economie naar wat ik een organische christelijke samenleving noem. Laten we het hebben over het soort samenleving dat we nodig hebben en dat we tot stand willen brengen als het feest uit is. Dit brengt me bij het tweede deel van mij toespraak, wat is het katholieke antwoord? Waar liggen de oplossingen? Eén van de vragen die me dikwijls gesteld wordt is die naar oplossingen: Wat we kunnen we doen om dit alles tegen te gaan? Is het wel mogelijk gezien de omvang ervan? Wat kunnen we concreet doen? Vertel me hoe en wel snel, ik heb niet veel tijd.

Ik kan wel invoelen dat mensen dat vragen. Praktische economische problemen vragen om praktische economische oplossingen. Maar wanneer mensen me vragen wat we kunnen doen om de crisis te bestrijden, reageer ik met een vraag: Waar wil je naartoe? Maar al te vaak weten we waar we niet naartoe willen – we willen geen socialisme, geen overregulering. We willen niet dat de staat zich op grote schaal in de schulden steekt om ‘de economie te stimuleren’. Maar soms is het onduidelijk waar we wel naartoe willen. Zodat, wanneer we ineens in de positie zouden geraken om zaken te veranderen, we geen positief programma te bieden zouden hebben. De vraag die ons nu dan ook echt zouden moeten stellen is: Wat voor samenleving hebben we nodig wanneer het feest uit is?

Waar willen we naartoe?
Het is deze belangrijke vraag waarop het boek Return to Order poogt een antwoord te geven. Het stelt vast dat wat er in onze postmoderne economie vernietigd wordt een kader van oriëntatie gevende beginselen is dat we orde noemen. Russell Kirk heeft dat goed verwoord, toen hij zei: “Orde is de eerste behoefte van de ziel.” Zonder orde kan men niet vrij zijn, vervolgt Kirk. Vrijheid, gerechtigheid, recht en deugd zijn alle uiterst belangrijk maar orde is de eerste en meest basale behoefte.

Zonder dit kader dat orde biedt, kunnen belangrijke instituten als de familie, de gemeenschap en de Kerk niet als natuurlijk remmen werken, die de effecten van losgeslagen onmatigheid temperen en het beoefenen van de deugd faciliteren. Het antwoord op onze vraag is dan ook simpel. We willen terug keren naar een kader van orde.

citaat Russell Kirk

We hebben dus orde nodig… maar niet om het even welke orde. Er zijn allerlei mensen die hun eigen orde voorstaan: socialistische ordes, ecologische ordes, neofascistische ordes en vele anderen die orde beloven, maar tirannie brengen. Dat is waarom we moeten terúgkeren naar orde. We hoeven geen orde uit te vinden. Het bestaat al, het is niet nieuws. Het is een maatschappelijke orde die voortvloeit uit onze menselijke natuur zelf, geldig is voor alle tijden en alle volken. Het is een maatschappelijke orde die niet wordt opgelegd of door wetten in het leven wordt geroepen, maar een orde die altijd boven komt drijven wanneer mensen zich voornemen zich te verenigen in een zoeken naar het gemeenschappelijk goede. Het is stevig gegrond in de beginselen van het natuurrecht, de tien geboden en geworteld in sociale instituties als de familie, de gemeenschap en het geloof. En hoewel het op iedereen van toepassing is, is de Kerk de beste en meest betrouwbare hoeder van deze orde.

Organische christelijke samenleving
Ons voorstel is dan ook eenvoudig en direct. De beste uitdrukking van deze orde vinden we in wat we noemen een organische christelijke samenleving – dezelfde orde waaronder de christenheid opkwam. Deze organische christelijke samenleving is een terugkeer naar onze verre wortels. Het is waar we vandaan komen. Het is een samenleving die historisch gevonden werd in de christenheid. Het gaat er niet om dat we terugkeer naar het verleden, maar dat we terugkeren naar het samenstel van ordenende principes dat onze zo veel van de instituties gebracht heeft die nu vervagen – de rechtsstaat, vertegenwoordigende regering, het traditionele gezin en subsidiariteit.

Het is een organische orde, dat wil zeggen een zeer flexibele samenleving die eerder doet denken aan een menselijk lichaam dan een machine met inwisselbare onderdelen. De organische samenleving en de bijbehorende economie zijn een verfrissend contrast met de moderne maatschappij. Het is geen systeem, maar als een familie, vol vitaliteit en spontaniteit, nuance en betekenis, poëzie en passie. In een organische samenleving heerst de eer, niet het geld.

Het is een christelijke orde. Wat we willen is ook een christelijke samenleving, want wanneer een organische orde christelijk is, vermenigvuldigt dat de mogelijkheden van ons handelen, omdat we God en zijn genade betrekken. Dit maakt het eenvoudiger om de deugd te beoefenen – vooral de kardinale deugden van verstandigheid, rechtvaardigheid, zielskracht en gematigdheid – en legt de fundering voor ware vooruitgang en welvaart.

De economische leer van de Kerk
In RTO heb ik ernaar gestreefd deze vergeten orde, die in de christenheid bestond, te beschrijven. Het is mijn bedoeling uit te leggen hoe in het verleden, onder de invloed van de leer van de Kerk, problemen vergelijkbaar met de onze werden opgelost en hoe wij hetzelfde zouden kunnen doen.

Zoals prof. Plinio Corrêa de Oliveira mij aanried, heb ik mij vooral op de economie geconcentreerd door de leer van de Kerk in deze zaken te schetsen. Ik heb ernaar gestreefd te beschrijven hoe een christelijke organische samenleving en de bijbehorende economie er uit zien. Ik moet toegeven dat ik, toen ik begon te onderzoeken wat de Kerk leert ten aanzien van de economie, verbaasd werd door wat ik vond. Ik had nooit gedacht dat ik oplossingen zou vinden die van een dergelijke wijsheid en gezond verstand getuigen.

Natuurlijk stonden de zaken er destijds wat anders voor. Om maar één ding te noemen: economen waren heiligen – Sint Antoninus (van Florence, red.), Sint Bernardinus van Sienna, Sint Thomas (van Aquino, red.), Sint Bonaventura en anderen. Er was ook de economische School van Salamanca die onder haar leden enkele geleerde en deugdzame lieden telde. De economische leer van de Kerk is verweven met haar morele leer – maar deze oplossingen zijn ook verrassend efficiënt, economisch steekhoudend en leiden tot welvaart. Tijdens mijn onderzoek vond ik bijvoorbeeld beschrijvingen van de economische effecten van het sacrament van de biecht. Ik vond de reële theorie van de juiste prijs, die evenwicht kan geven aan markten. Er zijn allerlei auteurs die de rustgevende effecten uiteenzetten van de passie van de Kerk voor gerechtigheid en haar nadruk op ware menslievendheid. Wanneer je al deze zaken bijeen neemt, kun je een algemeen beeld krijgen van waar we naartoe moeten.

We hebben allemaal vage noties van deze organische christelijke samenleving. Restanten van familie, eer en geloof overleven maar deze restanten alleen zijn niet genoeg om het tij te keren van gebroken gezinnen, versplinterde gemeenschappen en lege kerken waardoor ons sociale landschap geteisterd wordt. We hebben dringend een terugkeer naar en een herleving van deze orde nodig. Dit is waar we naartoe moeten, omdat het nergens anders naartoe kan, behalve wanorde. Aan hen die vragen hoe we kunnen terugkeren tot orde, zeg ik: laten we eerst overeenkomen waar we naartoe moeten – naar een organische christelijke samenleving. Als we daar over uit, zullen we verrast zijn hoeveel eenvoudiger het is daar naartoe te bewegen.

Hoe keren we terug naar orde?
Dat brengt ons bij het laatste punt: Hoe keren we terug naar orde? Iemand zal misschien tegenwerpen dat we weliswaar overeen kunnen komen dat deze organische christelijke samenleving een mooi idee is, maar dat het onder de gegeven omstandigheden niet realistisch is. Hoe geraken we daar? Je kunt niet maar even Ben Bernanke, Janet Yellen of Christine Lagarde (respectievelijk president en vicepresident van het Federal Reserve System en directeur van het Internationaal Monetair Fonds, red.) opbellen en zeggen: Stop met al die kwantitatieve geldverruimingsonzin en laten we beginnen een organische christelijke samenleving te bouwen.

Ze zullen zeker niet luisteren. Wat we echter wel kunnen doen is het publiek waarschuwen dat de huidige economische situatie van losgeslagen onmatigheid onhoudbaar is. We kunnen als de passagier op een cruiseschip zijn dat door moeizame wateren vaart en het feest uit verklaren. We kunnen al het mogelijke doen om de rampzalige effecten op de maatschappij te verminderen. En als het feestgedruis wegsterft, kunnen we een organische christelijke samenleving presenteren als reëel alternatief – in feite een alternatief dat veel reëler is dan de socialistische, ecologische en anarchistische alternatieven die andere voorstellen. Het is een alternatief dat een aantoonbare verdienste heeft en dat mag wel eens onderkend worden.

‘Als het feest uit is’ willen we niet met lege handen achterblijven. We hoeven echter niet te wachten tot het feest uit is. Het boek reikt genoeg aan dat je zou kunnen doen om naar een terugkeer tot orde dichterbij te brengen. We kunnen ons nu al voorbereiden op de soort samenleving die we nodig hebben en tot stand willen brengen als het feest uit is. Ik moet u echter waarschuwen dat het een vermoeiende afmattende oorlog tegen een doodscultuur en tegen onmiddellijke bevrediging inhoudt. Er zijn geen onmiddellijk afdwingbare oplossingen in deze cultuuroorlog, er is geen app die je kunt downloaden. Er is slechts bloed, zweet en tranen, zoals dat geldt voor ieder conflict.

Ik zou dan ook vijf dingen op willen sommen die u zou kunnen doen. Het eerste advies dat ik kan geven is dit:

1. Identificeer en bestrijdt het probleem
Vlucht er niet van weg. Geconfronteerd met de crisis, moeten we de verleiding weerstaan om ons af te zonderen, om te vluchten naar de een of andere afgelegen plaats en de rest van de wereld af te schrijven.

De crisis is zo wijd verbreid dat je er niet aan kunt ontsnappen. Maak je geen illusies, het bereikt je hoe dan ook, of het nu door middel van overheidshandelen is of middels de media of je iPhone. Velen van u die kinderen hebben weten dat ondanks uw uitmuntende inzet om uw kinderen af te schermen van zovele slechte dingen, er geen manier is om alles buiten te houden. Op een zeker moment moet je ze leren om de cultuur te bestrijden. Op enig moment moeten we deze strijd omarmen, dat is het kruis dat we vandaag de dag moeten dragen.

Niemand kan zich vandaag de dag volledig afzonderen en dat zouden we ook niet moeten willen. De aanval is onze beste verdediging. Het is nu de tijd om te vechten voor de Kerk, niet om haar achter te laten. Dit geldt in het bijzonder aangaande de diverse fronten in de strijd om de doodscultuur.

Ik heb er in RTO naar gestreefd het probleem te identificeren en suggesties te doen voor een oplossing. Prof. Plinio Corrêa de Oliveira adviseerde mij bij het schrijven van het boek en gaf aan dat het stellen van de juiste vragen de helft van de oplossing in zich draagt. Ik zou zeggen dat het identificeren van het probleem en het zoeken naar oplossingen in de juiste richting de helft van de omstandigheden voor een overwinning schept.

2. Terugtrekken uit de feesteconomie
Zo dikwijls hoor ik mensen zeggen: Wat kan ik in mijn eentje doen? De tegenstander beheerst de media, de universiteiten en de banken, heeft dit en dat. Wij beheersen niets. Er is werkelijk niets aan te doen.

Ik zou zeggen dat dat niet helemaal waar is. Er is één ding dat je wel beheerst: jezelf. Waarom beginnen we daar niet? Trek je dus terug uit de feesteconomie.
Let op: Ik zeg dus niet, zoals zoveel mensen zeggen, dat je je terug zou moeten trekken uit de maatschappij, geen gebruik meer moet maken van het elektriciteitsnet of jezelf moet onderdompelen in franciscaanse armoede.

Nee, blijf in de maatschappij, hou je baan, trek je slechts terug uit de feesteconomie. Ik sprak eerder over losgeslagen onmatigheid. We nemen allemaal deel aan onze cultuur van onmiddellijke bevrediging. We kunnen allemaal naar ons eigen persoonlijke leven kijken en zaken veranderen. We kunnen de deur dicht trekken die onze vijandige cultuur toelaat binnen te komen in onze levens en wanorde te scheppen. Dit betekent breken met bepaalde gewoontes en levensstijlen. Bijvoorbeeld meer besteden dan we te besteden hebben of aan modegrillen, onverstandige of zelfs roekeloze investeringen doen, offeren op het altaar van de snelheid met gejaagde agenda’s en levens vol stress, de onmatigheid van technologische hebbedingetjes onze levens en gedachten laten beheersen, geld belangrijker vinden dan familie, gemeenschap en religie.

Je hebt de controle over jezelf. Doe tenminste dit. Een van de dankbare dingen aan het schrijven van RTO is te horen van mensen die het deel over losgeslagen onmatigheid hebben gelezen en me vertellen dat ze hun levens als gevolg daarvan veranderd hebben.

3. We moeten intermediaire lichamen regenereren
We zijn niet alleen. We behoren allemaal tot intermediaire lichamen, verenigingen en gemeenschappen. Ieder van ons kan verenigingen waarbij hij aangesloten is beïnvloeden.

We moeten die intermediaire lichamen regenereren die de beste verdedigingslinie vormen tegen onze vijandige cultuur en onmatige economie. Niemand kan stand houden in een ‘gevecht van mij tegen de wereld’. We moeten de handen in een slaan met anderen die ook naar een terugkeer tot orde verlangen.

Het eerste intermediaire lichaam is het gezin. De beste maatregel die men kan nemen is om zijn gezinsleven op orde te brengen en iedere gelegenheid om het gezin te verdedigen in de publieke ruimte aan te grijpen. Dat houdt in dat we de strijd aangaan voor deze belangrijkste christelijke institutie. Geen ander instituut kan het gezin, dat ons in staat stelt te overleven in onze moderne wereld, vervangen. Familie is een krachtig, efficiënt en warm sociaal zekerheidsnet en kan in veel van de diensten voorzien die door de koude, afstandelijke moderne staat zijn geüsurpeerd. Het is een natuurlijke leerschool van matigheid in een wereld van losgeslagen onmatigheid. In tijden van crisis wendt men zich natuurlijkerwijs naar de familie.

Het zelfde kan in mindere mate gezegd worden van gemeenschappen en andere associaties. De gemeenschap is een belangrijke verdedigingslinie die we moeten proberen te ontwikkelen. Dit kan uitgebreid worden naar andere hechte verbanden, zoals parochies, pro-lifegroepen of culturele gezelschappen, die hun eigen gemeenschapsleven vormen. Een organische christelijke samenleving is een in hoge mate verbonden samenleving vol met verbanden en relaties. Het is het tegendeel van onze massamaatschappij die hechte gemeenschap ontmoedigt en extreem individualisme stimuleert.

4. We moeten goede katholieken zijn
Ik heb bewust de Kerk apart van de andere verbanden genoemd, omdat ze bijzonder is. Als je iets wilt doen met het oog op de huidige crisis, wees dan een goede katholiek. Het is de belangrijkste van alle middelen die tot onze beschikking staan. We moeten dan ook ons geestelijke leven op orde brengen.

Het is ook de meest praktische stap om door te voeren. De Kerk voorziet ons van zo veel. Als we matigheid willen praktiseren te midden van de overweldigende verleiding om onmatig te zijn, hebben we Gods genade en de sacramenten nodig om ons deel te krijgen aan het goddelijke leven van God en ons te versterken boven onze menselijke natuur uit. Het stelt ons in staat tot die heroïsche heiligheid die we bij de heiligen aantreffen.

We hebben de enorme kracht van het gebed, die is als een scepter die we kunnen gebruiken om God te vragen om wat we nodig hebben. We kunnen onze toevlucht nemen tot Onze Lieve Vrouwe, die ons in alle omstandigheden als een ware moeder zal helpen.

De Kerk als organisatie is ook een krachtige voorvechter. Ze heeft een heiligende invloed op de samenleving, die de teloorgang van een natie kan voorkomen. De Kerk heeft altijd haar stelling betrokken tegen de ketterijen en misvattingen van iedere tijd – de martelaren getuigen hier van.

We moeten dus goede katholieken zijn. Te denken dat we de storm kunnen doorstaan zonder de hulp van de Kerk is onszelf het krachtigste dat we hebben ontzeggen.

5. We hebben leiderschap en representatieve karakters nodig
Ik heb leiderschap tot het laatst bewaard omdat het een cruciaal ingrediënt is. We moeten zijn wat sommige sociologen representatieve karakters noemen – mensen die het woord nemen, mensen waar je naar op kunt zien, mensen die wat anderen nodig hebben in actie om kunnen zetten. Ze brengen mensen bij elkaar en zetten de toon.

Het probleem is dat echt leiderschap moeilijk is. Een leider is niet iemand die zegt: Hier ben ik, volg mij. Nee, een leider is iemand die het respect van de mensen om hem heen verdient. Mensen willen hem volgen, omdat hij het welzijn van anderen op zich neemt. Het is vol van verantwoordelijkheid en lijden. Het is veel gemakkelijker om mee te deinen op de golven van het leven. Het is ook makkelijker om je met je eigen zaken te bemoeien. Er heerst een ‘ik wil geen held zijn’-mentaliteit.

Wat de zaken nog beroerder maakt, is het feit dat de moderne cultuur het idee van representatieve karakters ontmoedigt en valse en onrepresentatieve karakters naar voren schuift met haar filmsterren en jet set-figuren. Wij moeten het tegenovergestelde doen. Iedereen hier kan iemand zijn waar anderen naar opzien, al is het maar in je eigen gezin. Je hoeft geen medaille te behalen. Maar je moet je wel inzetten.

We willen niet een enkele charismatische leider – dat is de weg van de minste weerstand die vaak verkeerd afloopt. Wat we nodig hebben is om een cultuur van helden te doen herleven op alle niveaus van de samenleving. We zouden dus moeten denken over concrete manieren waarop we werkelijk representatieve figuren kunnen zijn voor hen die naar ons opzien (hetzij in ons gezin, ons bedrijf, onze parochie, onze gemeenschap). Dit zou ons er toe brengen manieren te ontdekken om plichtsbesef, verantwoordelijkheid en zelfopoffering te omarmen. Op deze manier kunnen we opnieuw een sterk en betrouwbaar sociaal weefsel weven en terugkeren tot orde.

Er is iets interessants aan leiderschap. Al de andere dingen die ik genoemd heb – gezin, gemeenschap, intermediaire verbanden – hebben tijd nodig om te groeien, generaties zelfs. Zo vaak heb ik mensen al horen zeggen: “In mijn generatie zal het niet lukken dit te keren.” Maar met goede leiders en helden is het anders. Er is geen groot aantal van nodig en het vraagt geen lange tijd. Wanneer zij het strijdperk betreden, zeggen de sociologen, hebben leiders de capaciteit om dingen vrij snel te keren. Ik ben er zeker van dat u wel gevallen kent van een zakenman die een bedrijf weer op de rails heeft gezet, of een pastoor die een parochie weer op orde gebracht heeft of zelfs een sportcoach die van een team dat er slecht voor staat een landelijke kampioen maakte.

Daarom is het belangrijk dat we een heldencultuur genereren, want een terugkeer tot orde gaat niet vanzelf gebeuren. Mensen moeten betrokken worden. We hebben deze heldencultuur nodig om dingen gedaan te krijgen en ze snel gedaan te krijgen.

Resumerend
Dit zijn enkele ideeën ontleend aan mijn boek, waarvan ik hoop dat het uw begrip zal vergroten van de reden waarom we in crisis verkeren en dat het uwe overtuiging zal versterken dat er een katholiek antwoord is. Om samen te vatten wat er gezegd is: Wat ik gepoogd heb te doen met deze toespraak is twee vragen te beantwoorden: Waarom verkeren we in crisis? Wat voor samenleving hebben we nodig en willen we hebben wanneer het feest uit is?

We hebben twee hoofdpunten gezien. Het eerste is dat we in de huidige situatie verkeren, doordat we een cultuur van onmatigheid omarmd hebben, wat ik losgeslagen onmatigheid noem en wat zo veel van de morele, culturele en religieuze waarden heeft geërodeerd, die we zo hard nodig hebben om weer deugdzame en welvarende mensen te worden.

Ten tweede waar we naartoe moeten. We moeten terugkeren tot orde. We hoeven geen orde uit te vinden. Het is een sociale orde die voortkomt uit onze menselijke natuur zelf, geldig is in alle tijden en voor alle volken, maar met de Kerk als haar beste en meest betrouwbare hoeder. We zagen hoe de beste uitdrukking van deze orde wordt gevonden in wat we een organische christelijke samenleving noemen – dezelfde orde die de christenheid op deed komen.

Tenslotte keken we naar een aantal zaken die we nu vast kunnen doen om de terugkeer tot orde te bespoedigen en ons voor te bereiden op het soort samenleving dat we nodig hebben en tot stand willen brengen als het feest uit is.

Ik kan me zo voorstellen dat er nog altijd sommigen onder u zijn die sceptisch staan tegenover het idee van een terugkeer tot orde. Het is moeilijk om je voor te stellen hoe zoiets zou kunnen lukken. Als ik u met een laatste gedachte achter zou kunnen laten, dan deze: Een terugkeer tot orde is niet alleen nodig, maar ook mogelijk.

Een terugkeer tot orde is mogelijk omdat onze idealen aantrekkelijk zijn. Wat we ons moeten herinneren is dat onze (katholieke, conservatieve) positie naar zijn aard constructief is. De (seculiere) linkse agenda is daarentegen naar zijn aard destructief, omdat het de moraliteit en de autoriteit ondermijnt. We hoeven slechts de progressieve kloosters, die in rap tempo tot bejaardenhuizen worden, te vergelijken met bloeiende traditionele ordes die uit hun voegen barsten van alle jonge mensen.

Omdat links er naar neigt de structuren te vernietigen die de samenleving bij elkaar houden, vernietigt links naarmate de tijd vordert en het verval toeneemt ook de structuren die haar eigen organisaties en denken dragen. Occupy Wall Street was bijvoorbeeld zo’n anarchische organisatie dat er uiteindelijk niets van te maken was en letterlijk uit elkaar viel.

Naarmate de toestand verergert, ziet ons perspectief er steeds beter uit dan dat van hun, aangezien het een kracht tot stabiliteit en zekerheid is. Dit is waar te nemen in allerhande conservatieve reacties overal ter wereld. Een bijzonder sterk bewijs hiervan is het aantal jonge mensen dat zich nu engageert in de strijd tegen abortus. We zien het ook in verbazingwekkende bekeringsverhalen of de toename in het aantal roepingen. Zo was het tien of twintig jaar geleden niet. We moeten onze lijn houden.

Een andere reden waarom ik geloof dat een terugkeer tot orde mogelijk is, is dat de christelijke idealen die een terugkeer tot orde motiveren zeer krachtig zijn… wanneer ze op de juiste wijze en zonder verontschuldigingen gebracht worden. Een organische christelijke samenleving is vol van enorm krachtige concepten die tot de verbeelding spreken en mensen tot sublieme staaltjes en werken gebracht hebben. Deze zelfde idealen weerklonken te midden van de puinhopen van het Romeinse Rijk, bekeerden de barbaren en vestigden beschavingen. Ze hebben steeds mensen tot inkeer gebracht wanneer ze op het verkeerde spoor zaten.

Wat ik in RTO gepoogd heb te doen is deze krachtige concepten te beschrijven. Ik presenteer idealen als de weg van het kruis, de passie voor gerechtigheid, onze zoektocht naar het goede, ware en schone en een waarachtig gevoel van eer. Ik stel dat deze concepten ons nog altijd kunnen brengen tot vergelijkbare prestaties te midden van de huidige crisis. Bovendien stel ik dat de kracht en de aantrekkingskracht van onze christelijke idealen zodanig is, dat we ons er van nature toe keren, omdat ze zo goed passen bij onze menselijke natuur, we worden er toe aangetrokken wanneer wanorde heerst.

Deze christelijke orde, geïnspireerd door deze idealen, is waar je van nature naar neigt. En ik zou deze gedachte nog iets verder willen ontwikkelen, niet alleen worden mensen van nature aangetrokken tot deze organische christelijke orde, maar, te midden van de huidige chaos, worden mensen op dit moment aangetrokken tot deze orde. Naarmate de dingen erger worden, zullen meer en meer mensen bij zichzelf te rade gaan en zoeken naar een orde waarvan zij voelen dat die er moet zijn en misschien terug kan keren.

Overal ter wereld vinden we mensen die zoeken naar authenticiteit en orde. Ik zeg niet dat het een meerderheid van de mensen is – maar de geschiedenis wordt nooit bepaald door meerderheden, ze wordt bepaald door bevlogen minderheden die een grote invloed uitoefenen over de meerderheid. En er zijn aanzienlijke minderheden met grote passie en moed die durven hun mond open te doen en de cultuur uit te dagen. We moeten bakens zijn voor hen die zoeken.

Ter bemoediging
Om af te sluiten zou ik u een klein verhaaltje willen vertellen. Ons werk onder studenten, TFP Student Action, is veelvuldig betrokken geweest in het debat over het ‘homohuwelijk’ in Amerika. Ze gaan naar de meest liberale gebieden en voeren campagne rond dit vraagstuk. We worden vaak aangevallen maar verrassend genoeg worden we vaker gesteund. Op een keer gingen ze naar de Bronx (een wijk van New York, red.), waar ze bij een drukke verkeersader stonden en begroet werden door allerlei uitingen van steun, automobilisten claxonneerden, riepen steunbetuigingen en staken hun duim op. Een man zag ons, parkeerde zijn auto en kwam naar ons toe. Hij zei: “Ik wou kijken of ik het goed gezien had – jullie zijn vóór het traditionele huwelijk. Ik zag zoveel mensen hun steun betuigen dat ik het niet kon geloven. Ik dacht dat ik de enige in de Bronx was die tegen het ‘homohuwelijk’ was. Nu zie ik dat er duizenden zijn.”

Onze taak is dan ook om bakens van orde in een wereld van wanorde te zijn. We hebben heel krachtige principes. Soms is alles wat er nodig is een vonkje en je hebt een miljoen mensen op de Champs-Elysées staan om het traditionele huwelijk te verdedigen … in 2013. Een levendige pro-life-houding kan ineens en onverwacht tienduizenden op de been brengen in de straten van Brussel, Parijs, Madrid of Rome … in 2013. De organisatie ‘Nul Abortus’ hield in Spanje demonstraties in 46 steden. Mensen waren in staat bijna twee miljoen handtekeningen te verzamelen om het ‘Een van ons’-initiatief te ondersteunen (een Europees burgerinitiatief voor de beschermwaardigheid van embryo’s, red.). Of het brengt jongeren in Kroatië er toe 600.000 handtekeningen te verzamelen ter verdediging van het traditionele huwelijk. Ik heb met bewondering naar deze Europese initiatieven gekeken. Zulke inzet versterkt mijn geloof dat een terugkeer tot orde mogelijk is als we doen wat we moeten doen.

Maar deze visie zal alleen krachtig en aantrekkelijk zijn in zoverre we trouw blijven aan onze principes. We kunnen onze waarden niet aanlengen om tegemoet te komen aan de politiek-correcte tijden. Op een zeer categorische en Spaanse manier, heet de Spaanse pro-life-campagne nul abortus, niet vijftig procent abortus. De Fransen deden niet onder voor de Spanjaarden en erkenden de universele aantrekkingskracht van het huwelijk, riepen derhalve een manif pour tous (manifestatie voor allen, red.) uit, niet een manifestatie voor enkelen. Als we de weg van de minste weerstand kiezen, zullen we falen.

RTO coverEr is nog een laatste reden waarom ik denk dat een terugkeer tot orde mogelijk is en voor mij is dat de meest overtuigende: we kunnen rekenen op de hulp van God en Zijn genade. Ik zeg nog maar eens dat onze situatie is als die van de verloren zoon. Als je het verhaal van de verloren zoon leest, zul je zien dat hij het geld van zijn vader nam en uitgaf aan de losgeslagen onmatigheid van spelen en feesten. De verloren zoon kwam niet tot inkeer door een moreel probleem, maar door een economisch probleem – 1. Zijn geld was op en hij had geen manier om in zijn onderhoud te voorzien. 2. Een grote hongersnood teisterde het land. Het was toen dat de verloren zoon zich zijn vergissing realiseerde en terug verlangde naar het huis van zijn vader. Hij stond op en ging terug naar de vader.

In het verhaal van de verloren zoon weten we dat de zoon naar zijn vader verlangde. Maar we vergeten dat de vader nog veel meer naar zijn zoon verlangde. De vader keek al uit naar zijn zoon toen hij kwam en rende hem tegemoet. We mogen er van overtuigd zijn dat God verlangt naar onze grote terugkeer naar huis, veel meer dan wij dat doen. En wanneer hij ziet dat wij ons inzetten daarvoor, zal Hij niet onderdoen in zijn gulheid en zal Hij wat wij ondernemen gunstig gezind zijn. Aan de zorg van de vader mogen we de moederlijke genegenheid toevoegen van een moeder die ook intens het beste met ons voor heeft. Onze Gezegende Moeder is een voorvechter van onze zaak.

Het is mijn hoop dat, te midden van persoonlijk economische problemen en de economische crisis die onze landen bedreigd, het boek Return to Order mag dienen tot opwekking van een verlangen naar het huis van de vader en u er toe mag brengen op te staan en u met anderen aaneen te sluiten om de cultuur te veranderen en tot de vader en omarming van de moeder te komen. Het is mijn hoop dat u aan deze krachtige een aansprekende ideeën vast zult houden die ons oproepen dat te doen wat natuurlijk is – terugkeren naar huis.


N.a.v. John Horvat II, Return to Order. Where We’ve Been, How We Got Here and Where We Need to Go (York, PA: York Press, 2013), 380 p, harde kaft met stofomslag, ISBN: 978-0-9882148-0-4, 20,99 euro.