Posted on

Tegen rechts is alles geoorloofd

In hun zeer herkenbare en bemoedigende boek ‘Mit Linken leben’ wijzen Caroline Sommerfeld en Martin Lichtmesz op de debatdooddoener die links voortdurend inzet. “Nazi”, “fascist”, plus het gevreesde H-woord (Adolf). “Zonder het grote verhaal van Adolf Hitler en het nationaalsocialisme als de pseudo-Gouden Standaard van het absolute Kwaad stelt links niets voor,” schrijven Sommerfeld en Lichtmesz. “Zijn terugkeer moet absoluut voorkomen worden.” Het bewijs van hun constatering is dagelijks in de media (kranten, rtv, sociale media) te vinden. Zoals afgelopen zaterdag in Trouw. Marijn Kruk bespreekt ‘Fascisme, een waarschuwing’ van Madeleine Albright en ‘Het verraad van de intellectuelen’ van Julien Benda. Onder de kop “Fascisme is terug (maar dan anders)” trekt de recensent een aantal zeer wonderlijke conclusies.

Madeleine Albright was minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten in de jaren negentig van de vorige eeuw. Op de Balkan kunnen ze haar bloed wel drinken en de dood van duizenden dode kinderen ten gevolge van de oorlog in Irak in 2003 en daarna bagatelliseerde ze. Tegenwoordig doceert de 80-jarige internationale betrekkingen in Washington. Vanuit haar huidige en vorige functie meent ze te moeten waarschuwen voor het ‘fascisme’ dat in Europa, maar zelfs in de Verenigde Staten, aan een comeback bezig zou zijn. De vrouw die tijdens de verkiezingsstrijd in 2016 zei dat “er een speciale plek in de hel is ingericht voor vrouwen die niet op Hillary Clinton stemmen”, schrijft nu in haar boek: “Als we fascisme beschouwen als een wond uit het verleden die bijna was geheeld, is Trump in het Witte Huis zoiets als het verband losrukken en aan de korst krabben”. De typering die Albright geeft voor het herkennen van een fascistische leider luidt: “iemand die zich sterk identificeert met een hele natie of groep, zich niet bekommert om de rechten van anderen, en bereid is elk middel aan te wenden om het gewenste doel te bereiken, inclusief geweld”. Uiteraard doelt Albright hier op Orbán, Erdogan en Trump. Ironisch genoeg gaat haar definitie net zo zeer of beter op voor de beide Clintons. Die gebruikten geweld om hun doel te bereiken (critici van hun politiek, Irak, voormalig Joegoslavië, Libië), voerden een machtspolitiek op basis van identity politics en verachten die groepen die in hun ogen niet tot de gewenste minderheden behoren – de “deplorables” – en ontzegden rechten aan de ‘restjesmensen’ (Jan Antonissen) en bijvoorbeeld christelijke ondernemers. Maar het begrip ‘fascsime’ wordt voor progressieve en linkse politici, intellectuelen en activisten niet toegepast. Het is voorbehouden aan alles en iedereen die zich tegenwoordig nog rechts durft te noemen. Het mechanisme waar Sommerfeld en Lichtmesz op wijzen.

Vandaar dat Trouwrecensent Kruk de Nederlandse actualiteit erbij meent te moet betrekken en in één adem een verband legt tussen de mensen die de politiek van Orbán steunen en de ‘blokkeerfriezen’ die vorige week in Leeuwarden voor de rechter verschenen. Kruk noemt het niet letterlijk, maar de hele teneur van zijn artikel wijst erop: het zijn mensen die handelen in de geest van het fascisme. “Bedenkelijke groepsdenkers”, die “hun identiteit bóven de rechtsstaat” stellen. Dezelfde eenzijdige blik, het H-woord, de debatdooddoener, volgt hij in zijn bespreking van het boek van Julien Benda. Volgens Kruk verweet de Franse filosoof begin vorige eeuw dat de intellectuelen van die tijd tijdens de Dreyfusaffaire zich niet boven de politieke passies hadden gesteld, maar deze juist hadden aangewakkerd. Volgens Kruk doelt Benda op Maurice Barrès en Charles Maurras, “extreemrechtse schrijvers”, ergo, fascisten. Kruk noemt Benda “een uitstekende gids in deze verwarrende en verontrustende tijden. Zelfs als wij te maken hebben met blokkeerfriezen in plaats van de Dreyfusaffaire”.  Een gotspe! Voor het gemak vergeet Kruk maar even het echtpaar Webb (Sovjetunie), Sartre (China), Foucault (Iran) en Mulisch (Cuba). Intellectuelen die volledig opgingen in hun politieke passies en zo’n beetje ieder links-totalitair regime steunden. En gaat het niet om Dreyfus en blokkeerfriezen, maar om Stalin en antifa-terreur.

Want zij passen nu eenmaal niet in het betoog van Kruk, die alles ter rechterzijde weg zet met het gevreesde H-woord. “Ben je rechts, dan ben je een ‘nazi’; een ‘nazi’ is een onmens en daarmee ben je eigenlijk een ‘untermensch’, een duivel, die als een gevaarlijk virus van de rest van de samenleving geïsoleerd moet worden,” schrijven Sommerfeld en Lichtmesz. “Wie het label ‘nazi’ krijgt is vogelvrij. Als het om ‘tegen rechts’ gaat, is voor veel mensen alles geoorloofd.”

Posted on

Wat Hubert Smeets niet snapt over ’68 en cultuurmarxisme

1968, dit jaar 50 jaar geleden. De eerste herdenkingsnummers liggen al in de winkel. Hubert Smeets, Oost-Europa expert en columnist van NRC Handelsblad, doet op een van de eerste dagen van dit jubileumjaar in zijn krant ook een duit in het zakje. Zijn insteek is niet de opstandige minderheid van studenten die in dat jaar de straten en universiteiten van een groot aantal westerse steden bezette, maar het ‘cultuur-marxisme’. Volgens de oud-correspondent maken “nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika” een fout door de geest van ’68 te zien als “als bron van al het kwaad dat ons teistert”. 1968 was juist “een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme ten onder zou gaan”.

Smeets maakt niet alleen een karikatuur van het begrip ‘cultuur-marxisme’, hij laat ook zien dat hij er niets van heeft begrepen. De voorbeelden die hij noemt – Dubcek in Tsjechoslowakije, Michnik in Polen en Sacharov in de Sovjetunie – zijn volstrekt willekeurig. Want 1968 was ook het jaar van het Tet-offensief in Vietnam, waarmee de communisten in Hanoi lieten zien dat ze nog lang niet verslagen waren. 1968 was ook het jaar waarin Mao Zedong, dankzij de Culturele Revolutie die hij twee jaar eerder had uitgeroepen, zijn macht over de Communistische Partij versterkte. 1968 tenslotte was ook het jaar waarin de Khmer Rouge, een tot dan toe onbekende illegale beweging, voor het eerst een landelijke opstand in Cambodja ontketende. Maar deze gebeurtenissen verdonkeremaant Smeets, omdat ze niet in zijn kraam te pas komen. Iets wat hij de critici van de geest van ’68 juist verwijt.

Want voor die critici, die het begrip ‘cultuur-marxisme’ hebben gemunt, is het jaartal 1968 slechts een symbool. De geest van ’68 mag dan wel in dat jaar met veel rumoer van zich laten horen, de geestelijke wortels van de studentenbeweging reiken veel dieper in de geschiedenis. Historici van het beruchte decennium noemen daarvoor een instituut, de Frankfurter Schule. Deze groep van Duitse sociologen en filosofen begon voor de Tweede Wereldoorlog vanuit een marxistische visie kritiek te leveren op maatschappelijke structuren. Na hun vlucht naar de Verenigde Staten na de machtsovername van Hitler cs. vonden de ideeën van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Fromm steeds meer ingang op de Amerikaanse universiteiten. Hun boeken gingen in de jaren zestig van hand tot hand.

De kritiek op de soixant-huitards – getypeerd als ‘cultuur-marxisme’ – richt zich niet op de voormalige socialistische heilstaten in het oosten. De kritiek richt zich op de macht van de babyboomers in de media en het onderwijs in westerse landen. In het Oostblok heeft de bevolking zich op eigen kracht vrijgevochten van het communistische juk. In het Westen heeft het (cultuur)marxisme tot in de diepste poriën van de samenleving haar invloed doen gelden (een overwinning waar de communistische machthebbers van toen alleen maar over konden dromen). En de ironie, die Smeets ook niet noemt, is dat de voormalige Oostbloklanden politiek gezien duidelijk afstand nemen van de ‘cultuur-marxistische’ verworvenheden, terwijl de met Mao-vlaggen zwaaiende en met Che Guevara-buttons getooide vertegenwoordigers van de generatie van 1968 vijf decennia lang hun invloed uit konden oefenen in de westerse samenlevingen. Op dat laatste richt de conservatieve kritiek anno 2018 zich.

Posted on 1 Comment

Europees christendom onder druk

In dit artikel wil ik het hebben over de rol van het christendom in Europa en de situatie waar het in verkeert. Ik werd hiertoe geïnspireerd door de artikelen van de Hongaarse journalist Gergely Szilvay en het vijf-jaarrapport over christianofobie in Europa, gepubliceerd door het Observatorium van Intolerantie en Discriminatie tegen Christenen in Europa (OIDCE).

“485 begraafplaatsen of religieuze plaatsen van samenkomst werden gevandaliseerd tussen 1 januari en 30 september 2010. 410 daarvan waren christelijke plaatsen, 40 islamitische en 35 joodse”, aldus de voormalig Franse minister van Binnenlandse  Zaken Brice Hortefeux.

Dit betekent dat de symbolen van de meerderheid het vaakst het doelwit zijn van anti-religieuze, of om precies te zijn anti-christelijke, aanvallen. Dit is vreemd als we weten dat het katholicisme lange tijd de officiële godsdienst is geweest in Frankrijk en dat meer dan de helft van de Fransen zich nog altijd als katholiek beschouwt. We moeten echter beseffen dat praktiserende katholieken inmiddels een minderheid zijn in Frankrijk.

We kunnen ons niettemin afvragen hoe het kan dat de zwijgende meerderheid gediscrimineerd wordt of misschien zelfs vervolgd in extreme gevallen. Er zijn andere demografische kenmerken waarbij dit een algemeen bekend verschijnsel is. Neem bijvoorbeeld vrouwen, er is altijd een meerderheid van vrouwen geweest in de samenleving, tot op de dag van vandaag horen we echter zelfs in West-Europa over vrouwen die worden achtergesteld op het werk. Zwarten zijn altijd een meerderheid geweest in Zuid-Afrika, toch werden ze decennia lang gediscrimineerd onder het apartheidsbewind.

Om tegen het christendom gericht vandalisme en discriminatie te begrijpen, moeten we eerst inzien dat de scheiding van kerk en staat in toenemende mate wordt geïnterpreteerd als de scheiding van kerk en samenleving. Het begrip ‘kerk’ wordt bovendien gelijkgesteld aan de clerus. Deze tendens neemt alleen maar toe en vind bijvoorbeeld ook zijn weg binnen de recent opkomende Piratenpartij.

Anti-clericale bewegingen hebben altijd bestaan in Europa en hebben lange tradities in veel samenlevingen, maar de gebeurtenissen van mei 1968 waren een belangrijke mijlpaal voor de huidige situatie. In mei ’68 protesteerden duizenden studenten tegen de regering van Charles de Gaulle en tegen de maatschappelijke status quo voor ‘een betere wereld’. Ze relden in de straten, blokkeerden de toegang tot universiteiten, hun leider Daniël Cohn-Bendit piste tegen de muur van de Sorbonne, ze staken de ingang van de Parijse aandelenbeurs in brand.

Deze ‘betere wereld’ betekende meer vrijheid in onderwijs, gezondheidszorg (legalisering van abortus en euthanasie), verdere stappen in de scheiding van kerk en staat, meer vrijheid in het leven van alledag (gedrag tussen kinderen en ouders, tussen leerlingen en leraren), seksualiteit (voor-huwelijkse sex) en de publieke zaak (geen militaire dienstplicht en geen doodstraf meer), minder ongelijkheid, bescherming van minderheden, bescherming van flora en fauna en ‘wereldvrede’.

Het is interessant dat, als continent, Europa het eerste christelijke continent is. Sinds de jaren ’60 wordt de rol van de christelijke godsdienst, van christelijke kerken echter zwakker, niet alleen omdat het uit de mode is, maar ook vanwege verbale en fysieke aanvallen op het christendom. We leven in een tijdperk van ‘dictatuur’ van de politieke correctheid. Hoe is het zo ver gekomen?

Er zijn veel methoden die hiertoe gebruikt zijn. Ik noem maar een paar voorbeelden uit verschillende landen:

  • EU-ambtenaren stelden een schoolagenda voor waarin feestdagen van alle godsdiensten waren opgenomen, behalve christelijke;
  • Extreem-linkse anarchistische groepen riepen op tot het in brand steken van kerken in Duitsland, ze werden uiteindelijk vrijgesproken;
  • In Frankrijk werden protestanten tegen een godslasterlijke theatervoorstelling gearresteerd door de politie;
  • Een lokale overheid organiseerde een tentoonstelling waarin christelijke persoonlijkheden werden gesodomiseerd;
  • Christelijke evenementen worden op televisie belachelijk gemaakt;
  • Missen worden verstoord door Holebi-activisten;
  • Religieuze symbolen (inclusief christelijke) worden uit scholen verbannen vanwege immigranten;
  • Religieuze websites worden gehackt;
  • Holebi-mars belastert het christendom;
  • Een verbod op het dragen van een kruisje op het werk en daaropvolgend ontslag van christelijke werknemers;
  • Bekende personen en parlementsleden die bedreigd worden, omdat zij publiekelijk hun steun uitspreken voor het traditionele huwelijk;
  • Stilzwijgen over discriminatie van christenen in Europa en in andere delen van de wereld;
  • Het opleggen van politiek-correcte maatregelen aan religieuze scholen.

Na het nader bekijken van veel van de 620 verzamelde gevallen, scheen het me toe dat het om een systematisch proces gaat en iemand er achter moet zitten. Welnu, volgens de OIDCE zitten er 3 groepen achter deze gevallen: radicale Holebi-organisaties, radicale feministen en radicale secularisten. De OIDCE verdeeld de zaken in haar rapport over 2011 over de volgende categorieën:

I- Gevallen van discriminatie

-Vrijheid van godsdienst (19)

-Vrijheid van meningsuiting (12)

-Vrijheid van geweten (12)

-Anti-christelijk handelen ingegeven door discriminerende wetten gebaseerd op gelijkheid (10)

II- Intolerantie

-Verdringing uit het openbare leven (14)

-Daden tegen religieuze symbolen (19)

-Laster (18)

III- Handelen ingegeven door haat

Een parlementair rapport in het Verenigd Koninkrijk gaf aan dat de staat tekort schiet in het beschermen van de rechten van christenen, of het nu gaat om de rechten van de meerderheid op het werk of om andere zaken. Veel deskundigen concludeerden dat christenen niet van zich laten horen. Algemeen directeur van de BBC Mark Thompson stelde dat het christendom met veel minder fijngevoeligheid behandeld wordt dan andere godsdiensten omdat het bredere schouders heeft.

Het echte probleem is de lijdzaamheid van christenen in het openbare leven en het geringe zelfbewustzijn in het spreken over het christelijk geloof en de christelijke identiteit, deels vanuit angst daar op aangevallen te worden en deels door succesvolle negatieve campagnes tegen de kerk (bijvoorbeeld inzake pedofilie, geheimen van het Vaticaan, de rol van de Kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog enzovoort) en tegen mensen en instituten verbonden aan oude tradities of oude aristocratische/nationale/christelijke elites.

De mainstream media en contemporaine kunst vallen deze het meest aan. De traditionele kerken (katholieken, lutheranen, calvinisten) zijn verzwakt en nieuwe religieuze stromingen komen op in de samenleving (evangelischen, islamieten, boeddhisten). Dit gaat niet zonder moeilijkheden omdat religie onderdeel is van de persoonlijke maar ook van de nationale identiteit en de meeste mensen zich hiervan bewust zijn.

We kunnen zien dat de generatie van mei ’68 er in is geslaagd veel van zijn claims heeft weten te realiseren, maar de effecten zijn, in samenspel met andere factoren, catastrofaal:

Europa heeft de meest vergrijsde (Duitsland, Zwitserland) bevolking en de bevolking met de laagste vruchtbaarheidsgraad (Tsjechië, Bulgarije) ter wereld. Tientallen miljoenen abortussen zijn uitgevoerd. Het bevolkingsaantal neemt af ook al is er immigratie. Meer en meer kinderen worden geboren zonder dat de ouders getrouwd zijn (Hongarije, Frankrijk). En de meeste huwelijken eindigen in scheiding (63% in Zweden).

Een hedonistische samenleving gebaseerd op consumptie in de meeste stedelijke gebieden in Europa en een zeer groot deel van de huishoudens dat lijdt onder schulden, de consumptie is lange tijd groter geweest dan de inkomsten. En onze regeringen hebben de economische crisis waar we nu in verkeren niet voorkomen.

Onze taak als jonge christenen is om onze stem te laten horen ten aanzien van belangrijke onderwerpen die betrekking hebben op het alledaagse leven van mensen. We moeten duidelijk maken wat de voordelen zijn van tradities, van het traditionele gezin, van de traditionele samenleving, van familiebedrijven enzovoort. De mensen moeten het belang beseffen van de godsdienst en van de historische rol van de clerus. Zelfs die mensen die geen praktiserend christen zijn hebben er recht op te weten wat religie werkelijk betekent.

Vrijheden zijn wat ons betreft iets anders dan politieke correctheid.

De staten in het Westen slagen er niet in de rechten van christenen te beschermen omdat ze onder druk staan van kleine maar goed georganiseerde lobbygroepen van secularisten en minderheden en het is onze taak om onze stem te laten horen voor de zwijgende meerderheid. We moeten het goede voorbeeld geven aan de samenleving en zelf lobbygroepen vormen om op te komen voor hen die ‘bang‘ zijn om hun gezichtspunt te uiten. Het zal een lange slag zijn, maar het is de moeite waard.