Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on

De nieuwe wereldorde

De recente gebeurtenissen rond de top van de G7, zijnde de VS, Italië, Japan, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Canada, tonen nogmaals aan hoe de oude geopolitieke structuren aan het instorten zijn.

Het toont ook aan hoe groot nog steeds de illusies in de VS en West-Europa zijn waar men nog steeds denkt de wereld te kunnen beheersen. Zo niet door het sturen van het leger of de salafistische huursoldaten dan door het instellen van allerlei sancties tegen diegenen die hun hebzucht in de weg staan zoals Rusland of Syrië.

Niets nieuws

Uiteraard eindigde de G7-top in Canada als te verwachten in een zeer hoog oplopende ruzie die nu voor het eerst ook duidelijk zichtbaar was. Waarbij de Amerikaanse president Donald Trump zijn zogenaamde bondgenoten in het publiek zat uit te schelden voor oplichters, bloedzuigers en meer van dat fraais. Waarbij hij tegen zijn nepvrienden de ene economische sanctie na de andere nam. Ze moeten knielen en smeken om genade.

De G7 hier in Canada broederlijk naast elkaar denkt nog steeds dat ze de wereld naar hun pijpen kan doen dansen. In wezen is de G7 de opvolger van de fameuze conferentie van Berlijn van 1884-‘85 toen men als ware het een taart Afrika onder elkaar verdeelde. Maar toen leefde Leopold II nog.

 

In wezen is dat niet anders dan wat voor de goede waarnemer al veel jaren zichtbaar is. Men herinnert zich maar de strijd om de controle over Rwanda met de door de VS, Nederland en het Verenigd Koninkrijk gesteunde Oegandese militair Paul Kagame die nu als een bloedige dictator over Rwanda heerst.

Deze verjoeg er het pro-Franse bewind van president Juvénal Habyarimana. Wat men in de massamedia dan maar verkocht als een conflict tussen Hutu en Tutsi maar wat wezenlijk een Frans-Amerikaanse oorlog via derden was.

Echt openlijk werd het conflict in 2003 met de Iraakse invasie van de VS en haar trouwste bondgenoten. Waarbij België, Frankrijk en Duitsland zich hard opstelden tegen die Amerikaanse oorlog. Even dreigde Washington zelfs met de ontvangst van Vlaams Belanger Filip Dewinter in het Witte Huis. Een signaal aan onze regering dat kon tellen.

Zoals Obama

En dan was er de gigantische speculatiegolf tegen de euro van een paar jaar terug. Als we sommige Belgische pro-Amerikaanse economen moesten geloven dan was het instorten van de euro zelfs maar een kwestie van dagen hooguit weken. Met Griekenland dat men zeker zou buitengooien en dat dan omgetoverd wordt in een soort remake van het kolonelsregime van weleer. Veel fantasie had men daar, dat wel.

Maar na een bijna geheim overleg  – er kwam van geen der partijen nadien zelfs een verklaring en één persfoto was voldoende – van de toenmalig Amerikaanse president Barack Obama met de Europese top, waaronder Herman Van Rompuy, viel plots de druk op de euro weg. Wat er toen precies gebeurde blijft nog steeds een mysterie en wie toen wat beloofde zal nog lang top secret blijven.

Donald Trump heeft een groot doel en dat is de rest van de G7 naar zijn pijpen te doen dansen en hen publiek vernederen. Wat er met die structuren zoals de NAVO en de G7 zal gebeuren is een goeie vraag. Vermoedelijk zal men alles op een laag pitje zetten en zien hoe het verder evolueert. En intussen kijken naar nieuwe structuren. In Nederland lijkt premier Mark Rutte plots erg Europees te klinken en in België is de optie voor de Rafale, een Frans gevechtsvliegtuig, en geen Amerikaanse F35 ineens een plausibel alternatief. Minister van Defensie Steven Vandeput (N-VA) en zijn partij zullen er niet blij mee zijn.

 

En dan was er het fameuze interview van Barack Obama met het blad The Atlantic (1) waarin hij zijn ‘bondgenoten’ er van beschuldigde profiteurs te zijn die zonder tegenprestatie genieten van de Amerikaanse paraplu, de vermeend genereuze Uncle Sam.

Het zijn bijna letterlijk ook de woorden die Donald Trump tegenwoordig gebruikt. Alleen is Trump karakterieel nu eenmaal een ander figuur dan Obama maar in wezen past hij perfect bij de al jaren bezig zijnde steeds hardere opstelling van de VS tegenover de wereld. Trump is dus geen toeval of een tijdelijke zo te herstellen fout in de relatie van de Washington met haar vermeende partners. Integendeel.

Amerikaanse dollar

Het heeft allemaal te maken met het feit dat de VS op wereldvlak relatief machteloos geworden is. Ze heeft natuurlijk nog een zeer grote macht zoals de enorme capaciteit van haar leger, de aantrekkelijkheid van de grote Amerikaanse markt, de soft power met onder meer Hollywood en de media en vooral de positie van de Amerikaanse dollar. Haar voornaamste wapen tegen de rest van de wereld.

Maar die invloed neemt steeds meer af. Zo gebeurt volgens sommige berekeningen nog minder dan 60% van de buitenlandse handel in dollar. Het was een der reden waarom men vanuit de VS de euro kapot wou maken. Het is haar voornaamste rivaal. En dat internationaal gebruik van de dollar gaat – dankzij Trump – zeker nog verder afnemen. En zakt dat almaar dieper dan daalt ook de Amerikaanse dominantie over de wereld.

Wat Donald Trump en zijn regering doen is in wezen een wanhoopspoging om toch nog meester te blijven van de wereld door het nemen van steeds meer economische en politieke sancties en destabiliseringspogingen tegen onwillige regeringen.

Zo klein wil hij zijn partners binnen het westerse bondgenootschap hebben. In wezen echter is dit in een meer brutale vorm een voortzetting van de politiek onder zijn voorgangers. De VS is als een kat in het nauw en die maakt soms rare sprongen.

 

Maar kijk naar Iran. Eventjes toen in 2012 onder hevige druk van de VS heel zware sancties tegen het land werden genomen nam de economie een stevige duik maar daarna herstelde die zich gewoon en bleef ze groeien. Zij het misschien minder dan zonder die strafmaatregelen maar de groei bleef.

Kijk ook naar Rusland waar de plotse daling van de olieprijs drie jaar terug meer schade aan de economie veroorzaakte dan de vele door de VS en de EU genomen politieke en economische sancties tegen Moskou. Officieel een gevolg van de terugkeer van de Krim naar Rusland. De VS wilde onwillige landen als Rusland in haar gareel duwen en de EU hielp domweg mee. En als dank kreeg de EU nadien een scheldpartij van Donald Trump.

De Shanghai Samenwerkingsorganisatie

In onze media heeft men in wezen amper of geen aandacht voor de nieuwe economische realiteit die vooral aan de basis lag was van wat zich op de G7 afspeelde. Dat werd de voorbije week opnieuw goed bewezen. Neem de verslaggeving over de top van de G7 waar elke krant pakken pagina’s aan besteedde. Niet onlogisch natuurlijk.

Maar gelijktijdig liep in de Chinese kuststad Qingdao de top van de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SCO), een groepering van China, Rusland, India, Pakistan, en behoudens Turkmenistan alle staten in Centraal-Azië van de vroegere Sovjet-unie. Met onder meer Iran, Wit Rusland, Afghanistan en Mongolië als kandidaat lid of waarnemers.

En dat is goed voor meer dan 3,2 miljard mensen, ongeveer de helft van de wereldbevolking. En las je daarover iets in de Europese of Amerikaanse massamedia? Feitelijk zero. In de Belgische pers verscheen er niets over, geen enkel woord, en in Nederland alleen een kort amper iets zeggend stuk in de Volkskrant. En voor de radio en televisie voor zover geweten idem.

De presidenten van de Shanghai Samenwerkingsorganisatie samen met die van hun waarnemers en kandidaat-leden, Iran, Afghanistan, Mongolië en Wit-Rusland. Toen men Poetin vroeg of hij interesse had om terug bij de G7 te komen stelde hij dat hij nu op een economisch interessantere organisatie aanwezig was. Wie kan hem ongelijk geven?

 

Eenzelfde beeld in de internationale o zo geroemde media. Geen woord in Le Monde, The Guardian of The Financial Times. Alleen The Washington Post en The New York Times wisten het te melden. In wezen echter alleen in relatie tot het geruzie op de G7.

Veel over wat er daar in Qingdao werd gezegd las je in de EU en de VS nergens. Ja, men stelde zich bij die SCO volgens die beide Amerikaanse kranten voor als het betere voorbeeld dat de vrije wereldhandel beschermt in tegenstelling tot de altijd maar over handelssancties sprekende en ruzie makende VS en de andere leden van de G7.

Salafistische terreur als centraal punt

Dat de top in Qingdao in het teken stond van de strijd tegen de salafistische terreur las je voor zover kon gezien worden niet in onze massamedia. Wat natuurlijk schril afsteekt tegen de G7 waar men wel veel praat over de oorlog tegen de salafistische terreur maar deze zolang men uit de EU en de VS blijft nog steeds steunt.

Maar voor de leden van de SCO is deze aandacht voor die vorm van terreur zeer logisch want alle lidstaten hebben er zeer grote problemen mee. India in Kasjmir, Pakistan intern en aan de grens met Afghanistan, Rusland intern en vooral dan in de Kaukasus en China voornamelijk in Sinkiang, een gebied waar veel Oeigoeren wonen en waar het salafisme vaste voet aan de grond kreeg. Met veel terreuraanslagen tot gevolg.

Maar door er niet over te schrijven verdwijnt die SCO natuurlijk niet, maar wel blijft de bevolking van haar bestaan op die wijze onwetend zodat de doorsnee burger de indruk blijft hebben dat het de G7, die zogenaamde Internationale Gemeenschap, zijn die overal de baas is want er is als tegenmacht niets anders van enige omvang.

Koopkracht

Het is een karikatuur van formaat want het zijn niet de landen van de G7 die de toekomst van deze planeet en de economische macht exclusief bezitten. Neen, deze eeuw onderging de aarde een fundamentele herstructurering. Het zijn niet langer de landen van de NAVO met de EU, Canada en de VS die de wereldeconomie domineren. Er is een macht opgekomen die in wezen sterker is, zeker economisch.

De zogenaamde advanced nations, de ontwikkelde landen in deze grafiek bevatten ook Zuid-Korea, Taiwan, Hong Kong, in wezen tegenwoordig een deel van China, en Singapore. Wat de balans in het nadeel van de EU en de Angelsaksische landen nog verder doet doorslaan. De blauwe lijn rechts is die van de ontwikkelde landen, de rode is die van de groeilanden. Op dit ogenblik bezitten de groeilanden ongeveer 60% van de wereldeconomie en de rest 40%. De statistieken komen van het IMF en dateren van dit jaar. De 21ste eeuw is dus voor diegenen die misschien nog twijfelen de eeuw van Azië.

 

Statistieken van het IMF tonen aan dat sinds 2007 de zogenaamde groeilanden van o.m. de SCO en de BRICS, en daarbij horen ook Brazilië en Zuid-Afrika, die in de wereldeconomie een groter gewicht hebben dan de zogenaamde ontwikkelde landen. En daar rekent het IMF ook de zogenaamde vier Aziatische tijgers – een benaming uit de jaren tachtig – bij, zijnde Zuid-Korea, Hong Kong, Taiwan en Singapore.

In wezen is de kloof tussen de groeilanden en de EU met de Angelsaksische landen dan ook nog en pak groter. Maar om dat te ontdekken moet men de grote van een economie niet rekenen volgens de waarde van de wisselkoersen versus de Amerikaanse dollar maar volgens de lokale koopkracht, de Power Purchasing Parity (PPP).

Het is de maatstaf die het IMF, het Internationaal Monetair Fonds, tegenwoordig veel gebruikt om reden dat die dan een wel geen 100% correct beeld van ‘s werelds welvaart geeft maar voor hen toch een betere maatstaf is van de werkelijke economische kracht van een land. Een auto in China kost nu eenmaal veel minder dan hier. Hetzelfde voor een brood, een biertje, een rit met de taxi, een GSM of een kledingstuk.

Illusie

Maar onze media houden nog steeds grotendeels vast aan het oude systeem van de berekeningen via de wisselkoersen omdat dit ervoor zorgt dat de illusie van het rijke machtige westen zo blijft behouden.

Maar wie kijkt naar de rangorde van de landen qua bruto nationaal product gemeten via de PPP ziet hoe die wereld sinds deze eeuw een grote metamorfose onderging. Zo is China met voorsprong de grootste economie ter wereld (in 2016 was dat 19% van het globaal totaal als men er ook Hong Kong en Macao bijrekent) voor de VS (15,12%) dus en waarbij Indië dan op de derde plaats komt (7,69%).

Met daarna op nummer 4 Japan (4,16%) gevolgd door Duitsland (3,24%), Rusland (3,09%), Indonesië (2,59%), Brazilië (2,51%) met verder op de negende plaats het Verenigd Koninkrijk (2,24%) en Frankrijk met 2,19% op tien.

Wat onder meer opvalt is natuurlijk de groei van Rusland en vooral ook het feit dat hun economie bijna even groot is als de Duitse en dus nummer twee in Europa. In onze vooral propaganda verkopende massamedia wordt bijna steevast meewarig gedaan over Rusland en het louter een olie- en gasbron met wat wapens genoemd. Ook Napoleon en Hitler dachten voor ze het aanvielen op dezelfde wijze over het land. Wat er met beide heren gebeurde is gekend. Deze foto komt uit The Financial Times. $tn = Trillion dollar, zijnde 1.000 miljard dollar.

 

Met andere woorden: Europa stelt in het globaal van de wereldeconomie nog relatief weinig voor waarbij de Russische economie bijna zo groot is als die van Duitsland. Een schokkende statistiek dus. En het wordt er met verloop van tijd niet beter op zoals een andere statistiek van het IMF toont.

En Nederland en België, de twee kleine dwergen? Zo is Nederland goed voor 0,72% van de wereldeconomie en België 0,41%. Wat betekent dat het Nederland van de hoog van de toren blazende Mark Rutte (VVD) economisch minder voorstelt dan Egypte (0,96%), Maleisië (0,74%), Iran (1,3%), Taiwan (0,92%), Thailand (0,97%) en Pakistan (0,85%).

België is dan qua economische sterkte kleiner dan landen als het nochtans zwaar vernielde Irak (0,52%), Vietnam (0,52%), de Filippijnen (0,71%) en Zuid-Afrika (0,59%). Het zijn cijfers die tot nadenken zouden moeten leiden en het besef dat wij niet langer de baas  over de wereld zijn. Want dat is een wel heel grote illusie.

Het is dan ook nodig om de ganse geopolitieke strategie van de EU te herzien en ook te streven naar minder arrogantie en naar meer samenwerking met de wereld, waaronder ook Rusland, India en China. Het is goed voor iedereen. Kan er wat meer realiteitszin komen bij de EU? Het kolonialisme is als de art nouveau, Het is het verleden. En dat was voor sommigen misschien wel mooi maar het is definitief voorbij. Wordt wakker!


1) The Atlantic, April 2016, Jeffrey Goldberg, ‘The Obama Doctrine.’ https://www.theatlantic.com/magazine/archive/2016/04/the-obama-doctrine/471525/.

Posted on

Denemarken overweegt wetsvoorstel om Nordstream-2-pijpleiding tegen te houden

Denemarken overweegt een nieuwe wet in te voeren die het mogelijk maakt om de aanleg van de Nordstream-2-pijpleiding tegen te houden om politieke redenen. Het Deense parlement besprak donderdag een voorstel hiertoe.

Het gaat om de aanleg van een tweede pijpleiding over de bodem van de Oostzee, voor de export van Russisch aardgas naar Duitsland en West-Europa. Het plan voorziet in een pijpleiding die grotendeels door internationale wateren gaat, behalve bij het Deense eiland Bornholm.

Duitsland en West-Europa hebben belang bij de aanleg van de pijpleiding, omdat hiermee de afhankelijkheid van Oekraïne als doorvoerland verkleind wordt. Het politiek instabiele Oekraïne heeft in het verleden herhaaldelijk illegaal Russisch gas afgetapt, waardoor landen ten westen van Oekraïne te weinig gas ontvingen. De pijpleiding zou aangelegd worden door Gazprom in samenwerking met Duitse, Oostenrijkse, Nederlandse en Franse partners.

 

Denemarken heeft zelf geen strategisch belang bij het blokkeren van Nordstream 2, maar wordt al maanden onder druk gezet door diverse anti-Russische EU-lidstaten en de Verenigde Staten om de pijpleiding tegen te houden. Eerder moest de Deense regering echter constateren dat er op grond van bestaande wetgeving geen legitieme reden was om de aanleg van de pijpleiding tegen te houden, omdat de voorgenomen pijpleiding voldoet aan de Deense regelgeving.

Als het Deense parlement nu een wet aanneemt die het mogelijk maakt om op grond van andere overwegingen aanleg van de pijpleiding niet toe te staan, heeft de Deense regering een manier om tegemoet te komen aan de internationale druk.

Als de pijpleiding niet over Bornholm aangelegd kan worden, zou het theoretisch nog ten noorden of ten zuiden van het eiland kunnen. Dat alternatief wordt echter bemoeilijkt door het feit dat het om drukke scheepvaartroutes gaat. Polen en Zweden zouden zich waarschijnlijk ook in allerlei bochten wringen om een alternatieve route te dwarsbomen.

Posted on

Ondanks diversificatie-praat neemt Europese import Russisch gas toe

De Europese Commissie en diverse EU-lidstaten in Midden- en Oost-Europa praten honderduit over het diversificeren van hun energietoevoer om met name minder afhankelijk van Rusland te worden. De realiteit ziet er echter anders uit: De Russische aardgasgigant wordt op de Europese markt namelijk niet teruggedrongen, maar blijkt zelfs nog sterk te groeien.

Zo verbrak Gazprom in augustus zijn dag-uitvoerrecord: In vergelijking met dezelfde maand van vorig jaar kon het bedrijf circa 12% meer aardgas naar Europa exporteren. Als reden daarvoor voeren deskundigen de Europese gasvoorraad aan, die in het relatief koude voorjaar meer is aangesproken dan voorheen.

De totale gasproductie van de energiereus stagneerde vorig jaar bij 419 miljard kubieke meter. Desalniettemin steeg de export naar landen buiten het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), waaronder de EU-lidstaten, naar een recordhoogte van 179 miljard kubieke meter.

Voor Gazprom is de Europese afzetmarkt lucratiever dan de binnenlandse, aangezien het in Europa een prijs per kubieke meter kan vragen die dubbel zo hoog is als in het binnenland. Voor de Europese afnemers is het Russische aardgas niettemin goedkoper dan het gas van bijvoorbeeld de Amerikaanse concurrentie. De relatief lage prijs is een beslissend concurrentievoordeel voor Gazprom.

Met name enkele Midden- en Oost-Europese landen willen zich sinds de Krim-crisis onafhankelijk maken van energievoorziening door Rusland en hebben zodoende onder andere het oog laten vallen op de import van Amerikaans schaliegas. In Litouwen en Polen zijn reeds de eerste LNG-terminals gebouwd. Het Amerikaanse gas is echter onvergelijkbaar duurder dan het Russische. Ook over de toekomstige concurrentiestrijd maakt Gazprom zich zodoende niet al te veel zorgen.

Posted on

Hoe de Verenigde Staten aan hun grootste deelstaat kwamen

Op de dag af 150 jaar geleden, op 30 maart 1867, ’s morgens vroeg, ondertekenden de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten van Amerika, William H. Seward en de Russische chargé d’affaires in Washington, Eduard von Stoeckl – zoon van een Oostenrijkse diplomaat, na een nachtelijke onderhandelingsmarathon het contract waarmee Alaska overging in handen van de Verenigde Staten.

Postzegel ter ere van Vitus Berings tweede ontdekkingsreis, waarop hij ook de Commandeurseilanden ontdekte

Slechts enkele decennia na de ontdekking van Alaska in juli 1741 door Vitus Bering, een Deense ontdekkingsreiziger in dienst van de tsaar, begon de Russisch-Amerikaanse Compagnie (RAC) met de exploitatie van de enige Russische overzeese kolonie ooit. Het half-statelijke monopolie behaalde daarbij schitterende winsten uit de handel in zeeotterpelzen en zeehondenbotten, die destijds even begeerd waren als ivoor. Onder het toezicht van de getalenteerde koopman Alexander Baranov werd al snel meer dan 1000 procent winst behaald.

Postzegel ter ere van Alexander Baranov, met een prent van Novo Archangelsk

Toen in 1818 marine-officieren de leiding van de RAC overnamen en zichzelf astronomische lonen toekenden, die deels het tienvoudige van dat van Russische ministers bedroegen, terwijl tegelijk de opbrengsten van de pelzen terugliepen, was het snel bekeken met de goede zaken. Dat leidde er toe dat de compagnie met staatssteun ter grootte van 200.000 roebel per jaar in leven gehouden moest worden. Maar dat kon het Russische Rijk zich op termijn niet veroorloven – vooral niet nadat het in 1856 de Krimoorlog verloren had. Daarbij kwam de vrees voor plannen van de superieure zeemacht Groot-Brittannië om Alaska te annexeren. 

Zodoende vatte men in Sint-Petersburg het plan op de kolonie Russisch-Amerika aan de Verenigde Staten te verkopen. Het principebesluit viel in december 1866 tijdens een overleg tussen tsaar Alexander II, zijn broer grootvorst Constantijn, minister van Buitenlandse Zaken en kanselier Alexander Gortsjakov, de minister van Financiën Michael von Reutern en de Russische zaakgelastigde in Washington.

Stoeckl kreeg opdracht hiertoe onderhandelingen te beginnen met minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten Seward. Deze namen een aanvang op 11 maart 1867. Seward liet meteen grote belangstelling blijken voor het voorstel. Net als president Andrew Johnson en de voorzitter van de senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken Charles Summer, was hij een overtuigd voorvechter van de Monroedoctrine, die iedere inmenging van Europese machten op het westelijk halfrond uit den boze verklaarde. Met de aankoop van de destijds voor grotendeels waardeloos gehouden Russische bezittingen in Alaska moest een signaal aan de andere wereldmachten afgegeven worden, dat ze op “op dit continent niets te zoeken hebben”, zoals het dagblad New York Herald destijds schreef.

Ondertekening van de overeenkomst op 30 maart 1867, staand op de voorgrond William H. Seward en Eduard von Stoeckl

Als prijs had de tsaar vijf miljoen Amerikaanse dollar of 6,5 miljoen roebel in gedachten. Deze som moest dan jaarlijks zo’n 300.000 roebel rente opleveren en daarmee meer dan Alexander II aan inkomsten uit de kolonie verwachtte. De schrandere Stoeckl slaagde er in de nacht van 29 op 30 maart 1867 bij een spontaan bezoek aan Sewards privé-woning in de prijs nog op te drijven tot 7,2 miljoen dollar. Daarbij wist de gezant van de tsaar voor zichzelf nog een provisie van 25.000 roebel in de wacht te slepen en een jaarlijks rente van 6.000 roebel. De Verenigde Staten werd overigens niet het vel over de neus gehaald, want bij een oppervlak van Russisch-Amerika van 1,52 miljoen vierkante kilometer betekende dit dat de Verenigde Staten slechts 4,74 dollar per vierkante kilometer moest betalen.

De cheque waarmee Alaska gekocht werd.

De senaat van de VS ratificeerde de overeenkomst op 9 april 1867 met slechts twee tegenstemmen. Deze overweldigende meerderheid was geenszins vanzelfsprekend, want de Amerikaanse pers bekritiseerde de overeenkomst fel. Zo meenden veel bladen dat de VS hiermee slechts een “uitgeperste sinaasappel” of een “bevroren wildernis” verworven hadden, waarin slechts onbeschaafde Eskimo’s leefden wiens hoofdvoedsel visolie was. Summer wist onder verwijzing naar de Monroedoctrine en de geopolitieke voordelen van de aankoop uiteindelijk echter het leeuwendeel van de senatoren te overtuigen.

Later lag het Huis van Afgevaardigden echter dwars, toen het om de vrijgave van fondsen voor de koop ging, waardoor de aankoop twaalf maanden uitgesteld werd. Het gerucht gaat dat Stoeckl eerst nog deze en gene parlementsleden wat toe moest schuiven of voor bacchanalen uit moest nodigen voordat ook dit Huis akkoord ging met de koop.

De feestelijke overdracht van Russisch-Amerika met zijn 23 handelsposten en de twee grotere nederzettingen Novo Archangelsk (nu Sitka, in de Alexanderarchipel) en Sint-Pauls Haven (nu Kodiak op het gelijknamige eiland), alsmede naar schatting 58.000 inboorlingen, vond plaats op 18 oktober 1867 door marinekapitein Alexej Pesjtsjoerov. Aansluitend kwam Alaska onmiddellijk onder het bestuur van het Amerikaanse leger. Zodoende hadden tot 1877 militairen als generaal-majoors Lovell Rousseau en Jefferson C. Davis het voor het zeggen. Daarna had eerst het Ministerie van Financiën en later de Marine het voor het zeggen in het nieuwe territorium, totdat het in 1884 als District Alaska een eigen regering kreeg en uiteindelijk op 3 januari 1959 tot 49e en qua oppervlak grootste deelstaat van de Verenigde Staten van Amerika werd.

Prent van Novo Archangelsk uit 1837, het fort telde 3 wachttorens en 32 kanonnen om aanvallen van lokale Tlingit-stammen af te weren.

Niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Rusland was er weerstand geweest tegen de transactie, men wist bijvoorbeeld al dat er goud was te vinden aan de andere kant van de Beringstraat. De omvang hiervan, die vanaf 1896 tot de goudkoorts van Klondike leidde, verraste echter alle betrokkenen.

Ook overigens bewees Alaska zich als uiterst rijk aan bodemschatten. Zo werden bijvoorbeeld in 1968 zeer productieve aardolievelden ontdekt. Dat zit sommige Russische nationalisten nog altijd niet lekker. Een daarvan is Alexej Bagatov van de Liberaal-Democratische Partij van Rusland (LDPR). In een interview met het Duitse dagblad Die Welt stelde hij in 1997 nog: “Alaska werd helemaal niet aan Amerika verkocht, maar alleen verpacht. De termijn is echter 30 jaar geleden afgelopen. Iedere keer als de Amerikanen iets van ons eisen, moeten we ze aan het eind van de pachtovereenkomst herinneren.”

Posted on

Kijktip: De opkomst van de Golfstaten

De Frans-Duitse zender Arte zendt vanavond een tweedelige documentaire uit over de opkomst van de Golfstaten.

Mede aan de hand van nog niet eerder vertoond archiefbeelden, schetst de documentaire de geschiedenis van de Golfstaten in de afgelopen honderd jaar. De eerste aflevering laat zien hoe de emiraten door de vondst van olie in de Perzische Golf veranderden van door nomaden gedomineerde staatjes in belangrijke economische spelers.

De belangrijkste inkomstenbron voor de kuststaatjes was de parelvisserij. In Qatar, Abu Dhabi en Dubai bouwden koopmansfamilies hun vermogen op met internationale handel. Om de handel veilig te stellen, sloot het Verenigd Koninkrijk protectoraatsverdragen met de emiraten af. In de tijd tussen de twee wereldoorlogen stortte de koers van parelmoer echter in. Binnen tien jaar vervielen de vissersdorpen en trokken grote delen van de bevolking weg.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd in de Perzische Golf echter een nieuwe schat ontdekt; in 1940 begonnen de eerst olieboringen in de Golfstaten. De emirs zagen het zwarte goed in eerste instantie voor net zo vergankelijk als de parels aan. Pas in de jaren ’60 schoven ze aan de tafel van grote aardolieproducenten aan. Sindsdien investeren de opbrengsten in de opkomst van hun staten.

Volgend op de aankondiging van de Britten in 1968, dat zij zich uit de regio terug trokken, kwamen de emirs de oprichting van een federatie overeen, om zich gezamenlijk te kunnen verhouden tot de machtige buurlanden Iran en Saoedi-Arabië. Sjeik Said bin Sultan al-Nahjan uit het zuidelijke Abu Dhabi wist zes andere emiraten te verzamelen onder de vlag van de Verenigde Arabische Emiraten, daaronder ook Dubai. De noordelijke emiraten Qatar en Bahrein verkozen de onafhankelijkheid. In 1973 versnelde de eerste oliecrisis de groei van de rijkdom in de OPEC-landen. Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten beleefden een enorme economische groei. In slechts twee decennia tijd veranderden vervolgens groot aangelegde stedenbouwkundige projecten het aanzicht van de steden in de emiraten radicaal.

In het tweede deel komt de rol van de emiraten in de regio en in de wereld aan bod, op de financiële markten, in de luchtvaart, op de kunstmarkt en in de sportwereld. Ook komen hierbij de spanningen tussen traditie en razendsnelle modernisering aan bod, tussen de rijke bovenlaag en de bedienden, alsmede de kwestie van autoritair bestuur, burgerrechten en de arbeidsomstandigheden van (veelal Aziatische) gastarbeiders.

Die flimmernde Macht der Emirate, Arte, dinsdag 9 augustus, vanaf 20:15 uur.

Posted on

Oekraïense en Amerikaanse politici en oligarchen doen goede zaken met financiële hulpfondsen

Neil Abrams en Steven Fish van het gerenommeerde Amerikaanse tijdschrift voor buitenlands beleid Foreign Policy zijn de vraag nagegaan wat de kansen zijn dat de corruptie en chaos in Oekraïne slechts een tijdelijk probleem zijn en welke rol het Westen daar in speelt. Ze publiceerden daarover onder andere in de Washington Post.

Nauwelijks had de gewelddadige staatsgreep van het Maidan in Kiev begin 2014 zijn doel bereikt en de gekozen president Viktor Janoekovitsj verdreven of de huidige bekleder van dat ambt deed zijn greep naar de macht. De steun voor ‘chocoladekoning’ Porosjenko nam duidelijk toe door zijn belofte een einde te maken aan de corrupte oligarcheneconomie in Oekraïne en dat hij daarbij zelf het goede voorbeeld zou geven. Porosjenko behoort namelijk zelf tot de puissant rijken, maar hij beloofde zijn aandeel in diverse bedrijven en banken van de hand te doen om zich volledig aan het welvaren van het Oekraïense volk te kunnen wijden. De politiek in Kiev zou niet meer beheerst worden door het grote geld, zo verzekerde hij.

Ook wie Porosjenko het voordeel van de twijfel wilde geven, mag zich na twee jaar afvragen wat er van dat goede voornemen terecht is gekomen. Dat deden dan ook twee onverdachte, want Amerikaanse, journalisten, Neil Abrams en Steven Fish, van het gerenommeerde tijdschrift Foreign Policy. Hun antwoord op de vraag is duidelijk: Ten eerste is er niets veranderd aan de oligarcheneconomie, ten tweede is Porosjenko net als voorheen een bepalende figuur in dit systeem.

De chaotische toestanden in het land zijn echter niet zozeer een gevolg van het onvermogen van Porosjenko en zijn regering, maar veeleer het noodzakelijke milieu voor het voortbestaan en gedijen van plutocratische machtsuitoefening. De beide auteurs zeggen het zo: “Een wereld waarin ambtenaren zich aan regels houden, officieren van justitie en rechters zich gewetensvol gedragen, de elites door democratische procedures rekenschap moeten geven en de vrije concurrentie van de markt functioneert – in zo’n wereld kunnen oligarchen niet overleven.”

In de Oekraïne overleven ze echter niet alleen, het gaat ze voor de wind. Alle voorwaarden daarvoor worden dan ook glansrijk vervuld. De omkoopbare rechterlijke macht en het volledige falen van de Nationale Anticorruptie Commissie worden daarbij effectief versterkt door de hulp van diverse westerse instellingen. Het schrijversduo stelt:

“De westerse hulp heeft de heersers van het land tot dusver ondersteund en ze bevrijd van de noodzaak om een functionerende staat en een functionerende markteconomie op te bouwen. Het voortzetten van de hulp zal de bestaande elites alleen maar langer aan de macht houden.”

Maar deze situatie is niet nieuw. Reeds een half jaar na de putsch ging Igor Kolomojski, één van de meest prominente oligarchen, er met 1,8 miljard dollar van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voor Oekraïne van door. Inmiddels woont hij in Amerika. Deze schelmenstreek weerhoudt het Westen echter evenmin als andere van dergelijke voorvallen van om de betalingen voort te zetten. Zo werd in maart bekend dat een bedrag van twee miljoen dollar van de Verenigde Staten en de Europese Unie dat specifiek bestemd was voor hervorming van het gerechtelijk apparaat verdwenen was, nota bene via het ‘Anti-Corruption Action Centre’.

Kennelijk niet onder de indruk van dit soort zaken hebben de VS op de nucleaire top in Washington in april Oekraïne extra militaire hulp ter waarde van 335 miljoen dollar toegezegd. Men hoopt allicht dat bij de wapenhandel de fondsen wel voor het bestemde doel aangewend zullen worden. In Amerika spreekt men over ‘veiligheidsondersteuning’, hoewel men daar in het Donbasbekken wel anders over zal denken.

Maar niet alleen de VS slaan geen acht op slechte ervaringen. Ongeacht de 1,8 miljard waarmee Kolomojski aan de haal ging, zegde het IMF Oekraïne dit jaar opnieuw 17,5 miljard dollar toe, waarvan 6,7 miljard reeds uitbetaald is. Nu de geluiden over corruptie ook doordringen tot de Amerikaanse pers wordt de kraan even dichtgedraaid. Dat heeft zelfs al tot een waarschuwing van de Amerikaanse vice-president Joe Biden geleid: “Corruptie”, zo stelde Biden, “vreet de Oekraïne aan als kanker.” Een gepast woord uit de verkeerde mond. De zoon van de Amerikaanse vice-president, Hunter Biden, bekleed immers sinds de coup een positie in het bestuur van de Oekraïense gasreus Burisma. In de raad van toezicht daarvan zitten nog meer Amerikanen, waaronder Devon Archer, een huisvriend van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry. Op de achtergrond wordt het gasbedrijf geleid door de oud-minister Nikolaj Slotsjevskij.

En zo blijven dan vrolijk de miljoenen naar Kiev vloeien. Als het IMF niet betaalt, dan zijn het wel de Verenigde Staten. Zo maakte het Witte Huis op 19 juni jongstleden bekend nog eens 220 miljoen dollar beschikbaar te stellen voor Oekraïne, allemaal met het oog op ‘versterking van de democratie en rechtstaat’ natuurlijk. Begin juni had de Overseas Private Investment Corporation (ondanks de misleidende naam een overheidsinstelling) reeds 62,5 miljoen uitgetrokken voor Oekraïne. Die som komt bovenop een reeds geheel uitbetaalde van 185 miljoen. In het begrotingsontwerp van de VS voor het komende jaar is daarbij reeds 150 miljoen gereserveerd voor bijkomende militaire hulp.

Bij de EU heeft Oekraïne inmiddels zo’n 23 miljard euro aan schulden uitstaan. De financieel analist Alexander Okchrimenko, stelt dat de afbetaling daarvan over 20 jaar uitgesmeerd moet worden en dat de waarschijnlijkheid van een staatsbankroet in de loop van dit jaar rond de vijftig procent ligt, aldus het Handelsblatt. Voor het IMF, de VS en de EU is dat waarschijnlijk reden om nog meer geld uit te trekken voor Oekraïne.

Posted on

Frackingbubbel – Iedereen lijdt onder de olieprijsstrijd

Met hun strijd om marktaandeel hebben de grote olieproducenten Amerika, Saoedi-Arabië en Rusland een overschot gecreëerd dat niet alleen kleine concurrenten als Venezuela op de knieën dwingt, maar inmiddels ook hen zelf onder druk zet vanwege de aanhoudend dalende olieprijs.

Sinds medio 2014 is de olieprijs maar liefst zo’n 75 procent gedaald. Kostte een vat Brent toentertijd nog zo’n 100 Dollar, nu is het slechts 36. Prijsschommelingen zijn niets ongewoons, maar op het moment lijken de olieprijzen alleen nog te kunnen dalen. De reden daarvoor is een overschot aan ruwe olie op de wereldmarkt. Het Internationale Energie Agentschap (IEA) rekent in haar onlangs in Houston gepresenteerde jaarverslag pas vanaf het jaar 2017 op een stabilisering van de oliemarkt.

Sinds de Verenigde Staten op grote schaal in de zogenaamde fracking-methode, waarbij schaliegas en -olie uit gesteente vrij gemaakt wordt, geïnvesteerd hebben, groeiden ze tot de grootste olieproducent ter wereld uit. Ze legden grote olievoorraden aan en exporteerden overschotten. Omdat de tot dan toe belangrijke producenten Saoedi-Arabië en Rusland hun marktaandeel niet wilden verliezen, voerden zij hun olieproductie op. Door het productieoverschot daalden de prijzen. Naar nu blijkt met negatieve gevolgen voor alle betrokkenen.

De calculatie van de Saoedi’s, om de VS met lage prijzen de wind uit de zeilen te nemen, lijkt op te gaan. Experts verwachten dat het aandeel van de Amerikaanse frackingtechniek onder druk van de prijsstrijd in 2016 en 2017 verder zal afnemen. Fracking is duidelijk duurder dan de gebruikelijke aardoliewinning.

Maar ook voor de traditionele winners wordt het steeds moeilijker om bij aanhoudende prijsdaling kostendekkend te produceren. Dat geldt niet alleen voor de Russische economie die sterk afhankelijk is van de winning van grondstoffen en ook nog met westerse sancties te kampen heeft. Bijzonder moeilijk is de situatie in Venezuela. De inkomsten van de Venezolaanse staat zijn voor 96 procent afkomstig uit de export van olie. Het land dreigt over enkele maanden failliet te zijn.

Noorwegen

Verder wordt ook het rijke Noorwegen door de olieprijscrisis getroffen. De winning van grondstoffen als gas en olie maakt een vijfde van de Noorse economie uit. Meer dan 200.000 banen hangen van die branche af. Geplande investeringen in olie en gas zijn reeds dramatisch gedaald. Het oliebedrijf Statoil, voor twee derde in staatsbezit, heeft inmiddels 30.000 banen geschrapt, vanwege een halvering van de inkomsten in 2015 als in 2014. Dergelijke ingrepen treffen niet alleen de olie-industrie, maar ook toeleveranciers van machinebouwers tot horeca-ondernemers. De regering in Oslo probeert met lage belastingen tegen de toenemende aanspraak op het pensioenfonds en de devaluatie van de Noorse kroon in te sturen.

Knut Anton Mork, hoofdeconoom van de Noorse Handelsbank stelt in dit verband dat de economische groei in Noorwegen tot stilstand is gekomen. De gevolgen van de huidige oliecrisis zijn voor Noorwegen volgens Mork ernstiger dan de financiële crisis van 2008. Dit is te zien in een stijging van de werkloosheid. Sinds begin 2015 is de werkloosheid gestegen van 3,8 naar 4,6 procent. “Duidelijk hoger dan tijdens de wereldwijde financiële crisis.”

Frackingbubbel

Maar zelfs de Verenigde Staten krijgen de gevolgen van de titanenstrijd te merken. Ze konden weliswaar hun afhankelijkheid van de OPEC-landen beëindigen door de eigen productie te vergroten. De grote hoeveelheden olie die ze hebben opgeslagen zullen een eventuele stijging van de olieprijs afremmen. Daarbij komt dat alle landen investeringen in de oliewinning uitstellen vanwege het prijsverval. Volgens het IEA daalden de investeringen zo’n 24 procent. Het is voor het eerst sinds 1986 dat deze uitgaven twee jaar op rij dalen.

De ene na de andere Amerikaanse firma in de olie- en gasindustrie gaat dan ook failliet, met massale ontslagen tot gevolg. Schlumberger, een marktleider in fracking, schrapte in 2015 bijvoorbeeld 25.000 banen, een vijfde van het totaal.

Fracking gold in Amerika lange tijd als rendabel. De olieprijs lag toen echter nog bij 100 dollar per vat. Zo schoten ook kleine frackingbedrijven als paddestoelen uit de grond. De groei in de frackingbranche maakte van Amerika de grootste olieproducent voor Saoedi-Arabië en Rusland, maar droeg ook aanzienlijk bij aan het overschot op de wereldmarkt en het daaruit voort vloeiende kelderen van de prijs. Inmiddels hebben 67 oliebedrijven in de VS faillissement aangevraagd. Een derde van de resterende 175 Amerikaanse bedrijven hangt dit jaar een faillissement boven het hoofd. Voor staten als North-Dakota en Texas, waar ten gevolge van de frackingboom hele nederzettingen zijn ontstaan, dreigt een schuldencrisis. De vastgoedprijzen in desbetreffende regio’s dalen en er ontstaan spooksteden.

Deze ontwikkelingen maken dat investeerders en kredietverleners nerveus worden en proberen hun geld te onttrekken. Ook aan Wallstreet heerst onrust. Sinds medio 2014 hebben beursgenoteerde firma’s uit de oliebranche al meer dan een biljoen dollar verloren. Dat roept herinneringen op aan 2008, toen de Amerikaanse bubbel op de vastgoedmarkt, de hypotheekcrisis, een wereldwijde financiële crisis ontketende.

Sinds eind 2014 gingen in de oliesector 86.000 banen verloren, voor 2016 wordt rekening gehouden met verdere ontslagen. Aangezien de frackingwereld nauw met de financiële sector verbonden is, maken velen zich zorgen dat de crisis overslaat. Amerikaanse banken hebben 277 miljard dollar aan frackingbedrijven geleend, waarvan 34 miljard bedrijfsobligaties met een hoge rente en een hoog risico, ook wel junk bonds genoemd. De grote banken op Wallstreet haastten zich dan ook hun reserves te verhogen. In december moesten reeds de eerste fondsen sluiten, omdat investeerders hun geld terug eisten.

Productiebeperking 

Olieproducerende landen kunnen het intussen niet eens worden over beperking van de winning om het overschot terug te dringen. Vooral Venezuela is begrijpelijkerwijs gedreven om een overeenkomst te bereiken over beperking en roept medio maart een OPEC-top samen.

Tot nu toe riepen Venezuela en Rusland vergeefs op tot productiebeperkingen van het kartel. Of de betrokken landen het in maart wel eens worden is zeer de vraag. Tot nu toe konden Saoedi-Arabië, Qatar en Venezuela het samen met niet-OPEC-lid Rusland eens worden de olieproductie stabiel te houden op het niveau van het begin van dit jaar, om zo verdere prijsdaling te voorkomen. Dat leidde daadwerkelijk tot een kortstondige stabilisatie van de prijs. Over een algemene beperking van de winning bestaat echter onenigheid.

Na het wegvallen van de sancties is nu ook Iran terug op de oliemarkt. Aangezien Iran veel in te halen heeft, is Teheran niet bereid mee te doen aan de productiebeperking. Geen onbillijke houding, aangezien Iran ook niet bijgedragen heeft aan het prijsverval in de afgelopen jaren.

Hoewel ook Saoedi-Arabië te leiden heeft onder het teruglopen van de olieprijs, zijn de sjeiks niet van zin toe te geven in de strijd met de nieuwe Amerikaanse concurrenten. Ze blijven inzetten op het uit de markt drukken van de tegenstanders door hoge productie en bodemprijzen. De Saoedi’s willen kortom eerst nog meer Amerikaanse schalie-oliebedrijven onrendabel maken en zo tot sluiting dwingen. Pas dan ontstaat er echt ruimte voor productievermindering. Gezien de omvang van de overschotten, is een stijging van de olieprijs pas weer te verwachten als ook de vraag toeneemt.

Posted on 1 Comment

“Kritiek pakt altijd anders uit als je je in de situatie verplaatst van diegene die je bekritiseert.”

Rico Brouwer deed de afgelopen maanden onderzoek voor de websites over het referendum van de piratenpartij.nl: dutchvote.eu en voorstem.nl In het kader daarvan las hij ook het pas vertaalde boek Rusland Begrijpen, de strijd om Oekraïne en de arrogantie van het westenvan Gabriele Krone-Schmalz, waarvan hieronder zijn recensie.

“Kritiek pakt altijd anders uit als je je in de situatie verplaatst van diegene die je bekritiseert”, aldus Krone-Schmalz.

En dan de laatste regel:

“Het is bij uitstek in het belang van de EU om Rusland als partner te hebben. Wie deze kans verspeelt, riskeert dat Europa in de machtsstrijd tussen toekomstige grootmachten verscheurd wordt.”

Bam. De kern van waar dat referendum in Nederland op 6 april over de EU/Oekraïne over gaat.

Mijn indruk na het lezen: een ‘voor’ noch een ‘tegen’ is in het belang van de mensen in Oekraïne. Stemmen we Rusland-begrijpentegen dan voelt het daar of na Rusland ook de Europese Unie ze de rug toe keert. Stemmen we vóór dan voegen we militaire elementen toe aan een verslechterende relatie met Rusland en flikkeren we en passant de mensen in Oekraïne in een wurggreep van geherfinancierde schulden. Een beetje zoals Griekenland maar dan met een soort burgeroorlog, Monsanto en Schaliegas.

Ik wil graag een Europese Unie die de samenwerking zoekt met Oekraïne én met Rusland. In het belang van hun beider burgers én die van ons. Waar ging het mis? Samenwerking begint met je kunnen en willen verplaatsen in de ander. Dit boekje leerde me meer over de achtergronden van Oekraïne en Rusland dan alle research die ik afgelopen maanden al deed voor dit referendum.*

Dit referendum gaat ergens over, realiseer ik me nu beter; het gaat over mensen. En dat is waar dit boekje van Gabriele Krone-Schmalz ook over gaat.


[contextly_sidebar id=”VKpSxhBJlRsZfF3IF1ADTxVAqVDdvr7e”]Eerder besteedden we op Novini al aandacht aan een tv-optreden van de oud-Ruslandcorrespondent Krone-Schmalz, waarin zij de manier waarop de media de Oekraïnecrisis versloegen bekritiseerde:

Posted on

China wil aardolie in eigen munt gaan betalen

Met de lancering van het project om te komen tot een Aziatische Infrastructuur-Investeringsbank (AIIB), die een concurrent moet worden van bestaande instellingen als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), heeft China de Verenigde Staten reeds uitgedaagd. Nu heeft de Volksrepubliek tevens te kennen gegeven de facturering van haar aardolieaankopen in Amerikaanse Dollars ter discussie te stellen.

Nog dit jaar wil het land aan de Shanghai International Energy Exchange (INE) de handel met oliecontracten op basis van de eigen munt, de Yuan (Renminbi), aanbieden. Tot nog toe gelden ‘Crude Brent’ voor Noordzeeolie en de Amerikaanse soort ‘Western Texas Intermediate’ (WTI) als referentiemerken voor de oliemarkt. Het Chinese voornemen is dus ook een uitdaging aan de beide standaarden die tot nog toe de wereldoliehandel domineren.

Eerdere pogingen om de Amerikaanse Dollar van zijn monopoliepositie bij de handel in aardolie af te helpen, hebben dikwijls drastische reacties van de Verenigde Staten uitgelokt. Eind 2000 had de Iraakse dictator Saddam Hoessein aangekondigd EU-landen olie voor Euro’s en niet meer voor Dollars te willen verkopen. Met de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 was niet alleen het lot van Hoessein bezegeld, maar ook dat van het project ‘Euro’s voor olie’. Eveneens opvallend is het verloop in de tijd van de gebeurtenissen in Libië. Daar had Moeammar Khadaffi in 2011 aangekondigd Libië’s aardolie alleen nog voor Goud-Dinars te willen verkopen. Bovendien had Khadaffi de andere aardolie-exporterende landen in Afrika en de Arabische wereld opgeroepen zijn voorbeeld te volgen en aardolie alleen nog voor goud te leveren. Enkele maanden later speelde een militaire interventie door de Verenigde Staten en enkele andere NAVO-lidstaten een beslissende rol in de val van Khadaffi.

In het geval van China komt de poging om de Petrodollar concurrentie aan te doen echter niet van de aanbod- maar van de vraagzijde. Het rijk van het midden is de grootste energieverbruiker ter wereld en heeft de VS als grootste olie-importeur afgelost. Wat Peking in de kaart speelt, zijn de sancties van de VS en hun Europese bondgenoten tegen Rusland. Die hebben ertoe geleid dat Moskou en Peking de rijen sluiten. Reeds in mei van dit jaar werd Saoedi-Arabië als tot dan toe grootste olieleverancier van China afgelost door Rusland. Het Russische energiebedrijf Gazprom heeft reeds aangegeven akkoord te gaan met het afhandelen van zijn transacties met de Volksrepubliek in Chinese Yuan in plaats van Amerikaanse Dollars.

Dat de VS er veel aan gelegen is de rol van de Dollar in de oliehandel te verdedigen hoeft niet te verbazen. De status van de Dollar als mondiale reservemunt hangt immers in niet geringe mate samen met het feit dat aardolie overal ter wereld in Dollars betaald wordt. Een voor de VS aangenaam gevolg van de facturering in Dollars is de praxis van aardolieproducenten als Saoedi-Arabië om hun Dollarinkomsten uit de aardolie-export in Amerikaanse staatsobligaties te beleggen.

Intussen heeft de lage olieprijs er echter toe geleid dat dit terugvloeien van Dollars in toenemende mate niet meer functioneert. Diverse olieproducerende landen zijn namelijk begonnen Amerikaanse staatsobligaties van de hand te doen om te compenseren voor uitblijvende exportinkomsten. Dat ook de Chinezen intussen Amerikaanse staatsobligaties verkopen, legt verdere druk op de Amerikaanse betalingsbalans. Zo heeft China alleen in de maand augustus Amerikaanse staatsobligaties ter waarde van 93 miljard Dollar afgestoten.