Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

VN-gezant blij met stabiliserende rol Rusland in Libië

Het is niet meer dan een sprankje hoop voor een verscheurd land dat een sleutelrol speelt in de migratiecrisis. De vijandige partijen in Libië spreken weer met elkaar, Rusland spant zich in voor een vreedzame oplossing.

Momenteel wonen er in de Noord-Afrikaanse woestijnstaat, die ter vergelijking bijna vijf keer zo groot is als Duitsland, naast de 6,3 miljoen inwoners ook nog eens naar schatting een miljoen immigranten, die de gelegenheid afwachten om verder te reizen naar Europa.

Economisch gaat het heel slecht met het land. Na het omverwerpen van het bewind van Muammar Khadaffi in 2012 heerst er een burgeroorlog. De inflatie bedraagt meer dan twaalf procent. Het land leeft haast uitsluitend van de olie-export. Om de verdeling van die olie wordt dan ook gevochten tussen vijandige milities en regeringsaanhangers.

Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Antonio Guterres waarschuwde de VN-Veiligheidsraad medio april voor een escalatie van het conflict. In een rapport aan de raad schreef de Portugees, dat ‘Islamitische Staat’ (IS) weliswaar geen gebied meer onder controle heeft in Libië, maar nog wel in staat blijft aanslagen uit te voeren. Daarnaast noemde hij de opnieuw oplaaiende schermutselingen in de regio’s met aardolie alarmerend.

Strijd om olie

“Het fundamentele probleem is, dat het een strijd om olie, macht en geld is”, stelde de speciaal gezant van de Verenigde Naties, Martin Kobler tegenover het Handelsblatt. Sinds de val van Khadaffi heerst er chaos en anarchie. “De eenheidsregering van minister-president Fayez al-Sarraj heeft nauwelijks controle buiten de hoofdstad”, aldus de gezant. In het oosten van het land, waar zich de belangrijkste oliehavens bevinden, heeft het Huis van Afgevaardigden een tegenregering uitgeroepen. Het gebied staat onder controle van generaal Khalifa Haftar.

Daartoe gestimuleerd door Rusland en Egypte troffen premier Fayez al-Sarraj en generaal Khalifa Haftar elkaar in Abu Dhabi om te spreken over een vreedzame oplossing van de Libische burgeroorlog.

Jarenlang hebben de wapens gesproken en de politici gezwegen. Tot vorige week woensdag. De minister-president en de invloedrijke generaal troffen elkaar toen op neutrale bodem in Abu Dhabi, zo deelde een woordvoerder van de regering in Tripoli mee. Oogmerk van de ontmoeting was het vinden van een oplossing voor de politieke patstelling en economische stilstand. Arabische media spraken zelfs van “vergaande toegevingen”, maar van een uitonderhandelde vrede is nog geen sprake.

Russische invloed

Sinds eind vorig jaar speelt ook Rusland een invloedrijke rol in het land. Twee maanden geleden had de directeur van het Russische oliebedrijf Rosneft een ontmoeting met de directeur van de Libische Aardoliemaatschappij en kwamen ze tot een samenwerkingsovereenkomst. De Libische Centrale Bank, die onder controle van de regering in Tobroek staat, heeft Rusland een opdracht gegeven voor het drukken van nieuw geld.

Naast economische belangen, gaat het Rusland echter ook om de veiligheid van de berekenbare partner die het heeft Egypte, dat direct grenst aan het door burgeroorlog geteisterde Libië. Daarnaast hebben de Russen nog een rekening te vereffenen. Door de val van Khadaffi zou de Russische wapenindustrie naar verluidt contracten ter waarde van meerdere miljarden dollars verloren hebben.

“Ik ben zeer verheugd dat de Russen een goede invloed op generaal Haftar hebben”, zegt VN-diplomaat Kobler. Hoewel Europese staten als Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk een belangrijke rol speelden in het omverwerpen van Khadaffi, kijkt de Europese Unie inmiddels al enige tijd met zorg naar het Noord-Afrikaanse land. In Europa bestaat weliswaar grote interesse om met Libië samen te werken, tegelijkertijd bestaat er vrees dat hulp in verkeerde handen valt.

Slavenmarkt

“Stabiele verhoudingen zijn het belangrijkste”, stelt Kobler. Die zijn er echter nog lang niet. Hulporganisaties berichten van een regelrechte slavenmarkt. Er zijn geen regels, omdat er niemand is om de regels te handhaven. Zo is Libië tot het belangrijkste knooppunt voor Afrikaanse migranten op weg naar Europa geworden. En tussen de anarchie van het ontbreken van overheidsgezag, de chaos van de burgeroorlog en migratiestromen en in het instorten van economische structuren, zijn de immigranten voor een deel van de Libiërs een belangrijke inkomstenbron geworden, waarvan zich geld en arbeid af laten persen. Volgens cijfers van het Europese grensbewakingsagentschap Frontex zijn alleen dit jaar al 28.000 mensen vanuit Libië naar Italië gekomen. “Dat is een toename van 30 procent tegenover dezelfde periode in het jaar daarvoor”, aldus Frontex-directeur Fabrice Leggeri.

Nu spant vooral Rusland zich in voor een vreedzame oplossing van de burgeroorlog. Dat is een noodzakelijk element in het terugdringen van de wetteloosheid in grote delen van het land en het weer onder overheidscontrole brengen van het territorium. De eerste stappen voor een dergelijke oplossing zijn gezet, maar Kobler waarschuwt dat Libië nog altijd een kruitvat is. Als de situatie escaleert, komt er een nog grotere golf asielzoekers ineens op Europa af, die in de eerste plaats voor Italië zeer ontwrichtend zou kunnen werken.

Posted on

Libië: Slavenhandel bloeit op door migratie

Na een zes jaar voortdurend verval van de Libische staat, sinds de omverwerping van Muammar Khadaffi, komt de slavernij weer in zwang. Volgens informatie van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een instelling van de Verenigde Naties, wordt een toenemend aantal migranten, die Libië als doorgangsland naar Europa gebruiken, aan slavernij blootgesteld.

Vooral in het zuiden van Libië zouden regelrechte “slavenmarkten” zijn ontstaan, waar migranten worden overgeleverd aan dwangarbeid en seksuele uitbuiting. Giuseppe Loprete, IOM-missieleider in Niger, maakte als eerste melding van het bestaan van dergelijke markten. Maar eerder hadden enkele migranten al van dergelijke toestanden, vooral in het moeilijk toegankelijke zuiden van Libië, bericht.

De sfeer op deze markten wordt naar verluidt gekenmerkt door geweld, misbruik en uitbuiting. Zo meldden West-Afrikaanse migranten concreet, hoe ze in garages en parken van de zuid-Libische stad Sebha, waar bijna alle West-Afrikaanse migranten langs komen, voor 200 tot 300 dollar voor enkele maanden als slaaf verkocht werden, zo meldde  Othman Belbeisi, de OIM-missieleider in Libië.

De netwerken van slavenhouders, die tegelijk ook als mensensmokkelaars fungeren, zijn in de laatste tijd steeds machtiger geworden. Dat de EU halfslachtig grip probeert te krijgen op de mensensmokkel voor de Libische kust en in het noordwesten van het land, is daarbij van weinig betekenis.

De migranten worden op hun weg vanuit West-Afrika door Libië al in het zuiden van het land door gewapende bendes gevangengenomen en via hun netwerken naar de Middellandse Zee gesmokkeld. Vooral wanneer migranten inmiddels al hun geld uitgegeven hebben, zijn ze aan de mensensmokkelaars overgeleverd. Velen moeten door slavenarbeid het bedrag verdienen om naar Europa gesmokkeld te worden. Vooral voor vrouwen, die vaak zwanger zijn en kinderen bij zich hebben, is het rechteloze zuiden van Libië een ware hel van gedwongen prostitutie en kindermisbruik.

De bevindingen van OIM worden bevestigd door Marwa Mohamed, die voor Amnesty International verantwoordelijk is voor Libië. Het zuiden van Libië is een regio die door geen van de elkaar bestrijdende regeringen van Libië beheerst wordt en zodoende buiten iedere effectieve overheidscontrole valt. Ook internationale hulporganisaties dringen niet in dit gebied door.

Niet alleen migranten uit West-Afrika, maar ook de inheemse bevolking heeft te kampen met de plaag van verschillende milities en misdaadbendes. Het gemakkelijkste doelwit zijn echter de migranten, die voor de milities in deze regio een interessante bron vormen om hun voortbestaan te financieren.

Sinds diverse westerse landen het bewind van Muammar Khadaffi omver hebben geworpen, is Libië een vruchtbare bodem voor allerlei duistere zaken, een staat is er niet meer en vooral in de woestijngebieden van het zuiden heerst volstrekt wetteloosheid. Tegelijk is Libië nog altijd een open poort naar Europa.

Posted on

Khalifa Haftar – De sterke man in Oost-Libië

Begin deze maand is de Libische eenheidsregering er na een belegering van zes maanden in geslaagd om de laatste IS-terroristen uit Sirte, dat eens hun bolwerk in Libië was, te verdrijven. Sirte was ook de geboorteplaats van de man die Libië lange tijd leidde, Moeammar al-Khadaffi, wiens bewind vijf jaar geleden door een westerse militaire interventie omvergeworpen werd. Een interventie die het land in de chaos gestort heeft die tot op de dag van vandaag voort bestaat.

Nadat de laatste IS-strijders na zes maanden weer hun weg naar de woestijn zochten waaruit ze ooit gekomen waren, zijn er echter direct weer andere conflicthaarden ontstaan, die het tussen twee regeringen en parlementen en talrijke milities omstreden land nog lang niet tot rust laten komen.

Aan de afmattende slag om Sirte namen ook de Amerikanen na enige jaren van afwezigheid weer met luchtaanvallen deel, ofschoon president Barack Obama onlangs toegaf dat de interventie in Libië de grootste fout van zijn ambtstermijn was.

De nieuwe sterke man in het oosten van Libië, Khalifa Haftar, gaf er de voorkeur aan zich buiten de slag om Sirte te houden. Hij heeft in dezelfde periode geprobeerd geheel Benghazi onder zijn controle te brengen, evenals de centrale oliehaven rond Ras Lanoef in het midden van het land, dat de belangrijkste inkomstenbron van het land is.

Haftar (rechts) met de Russische minister van Defensie Sjoigoe in Moskou.

Anders dan de eenheidsregering in Tripoli verwacht Haftar het niet meer van de hulp van het Westen, maar van Moskou. Een stad die Haftar, die generaal was onder Khadaffi, nog goed kent van zijn militaire opleiding. Driemaal heeft hij in het laatste halfjaar Rusland bezocht en met de minister van Defensie Sergej Shoigu en minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov gesproken. Zijn reizen naar Moskou mondden uit in een akkoord en militaire samenwerking op de grond. Volgens berichten van het nieuwsportaal Al-Araby Al-Jadeed is reeds een onbekend aantal Russische militaire experts in het oosten van Libië aangekomen. Egypte zou de contacten gestimuleerd hebben.

Rusland helpt de strijdkrachten van Haftar te reorganiseren, wapensystemen te moderniseren en lucht- en zeeverdedigingssystemen efficiënter te maken. Haftars regeringszetel is de stad Tobroek, die op slechts 100 kilometer van de Egyptische grens ligt. De militaire overeenkomsten tussen Tobroek en Rusland belopen zo’n vier miljard dollar. Het geld daarvoor hoopt Haftar te verkrijgen uit de sinds september weer binnenkomende inkomsten uit de olie van Ras Lanoef.

Haftar, die lang in de Verenigde Staten gewoond heeft, staat bekend om zijn ‘law and order’-standpunten. Na de gebeurtenissen die de afzetting en dood van Khadaffi tot gevolg hadden, keerde de krijgsgevangen genomen commandant uit de grensoorlog met Tsjaad (1978-1987) in 2011 uit zijn Amerikaanse ballingschap naar Libië terug en stelde zich aan de zijde van de seculiere krachten, die in de enige vrije verkiezingen als winnaar naar voren kwamen.

In mei 2014 startte Haftar de operatie ‘Libische waardigheid’, nadat de niet ontwapende islamistische milities een staatsgreep pleegden tegen de gekozen regering. Terwijl Haftar probeert om na de verdrijving van IS het gehele oosten van Libië, de historische regio Cyrenaica, onder zijn controle te brengen, zijn in de hoofdstad Tripoli weer niet gevechten losgebarsten tussen rivaliserende islamistische milities. Dat voorspelt weinig goeds, want Libië geldt in zekere zin als proeftuin voor Irak en Syrië, waar de offensieven tegen IS van jongere datum zijn.

Rusland is overigens niet het enige land dat Haftar ondersteunt, zo moest Frankrijk afgelopen zomer, na het verlies van een helikopter toegeven dat het ook via Tobroek probeert weer enige stabiliteit in Libië te brengen, na de val van Khadaffi waarin ook de Fransen een groot aandeel hadden. De Fransen hebben een internationale militaire basis nabij Benghazi, waar ook de Britten gebruik van maken.

Lees ook:

Posted on

Vernietigend rapport over Britse interventie in Libië

De militaire interventie van het Verenigd Koninkrijk in Libië in 2011 berustte op gebrekkige inlichtingen en bespoedigde de politieke en economische instorting van het land. Dat stellen leden van het Britse Lagerhuis vandaag in een rapport.

Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hadden het voortouw in een militaire interventie om het bewind van Muammar Khadaffi omver te werpen.

Sindsdien is Libië in chaos gestort. Diverse gewapende groepen voeren er nog altijd strijd, ‘Islamitische Staat’ heeft er voet aan de grond gekregen en mensensmokkelaars hebben een grote operatie opgezet, waarmee tienduizenden in bootjes de Middellandse Zee over gezet worden.

David Cameron, die van 2010 tot juli van dit jaar premier was, speelde een doorslaggevende rol in het besluit tot een militaire interventie, aldus het rapport van de commissie voor Buitenlandse Zaken. Cameron moet volgens de commissie dan ook verantwoordelijk gehouden worden voor het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de crisis in Libië.

“De acties van het Verenigd Koninkrijk in Libië waren onderdeel van een ondoordachte interventie, waarvan de gevolgen nog altijd nawerken”, aldus commissievoorzitter Crispin Blunt,lid van de Conservative Party. “Brits beleid in Libië voor en sinds de interventie van maart 2011 was gebaseerd op verkeerde aannames en een onvolledig begrip van het land en de situatie.”

Saillant detail is dat David Cameron eerder deze week aftrad als lid van het Lagerhuis. Dat deed hij zogezegd om zijn opvolger als premier, Therese May niet voor de voeten te lopen. Hij zal echter allicht ook de eer aan zichzelf hebben willen houden, door niet pas na dit rapport af te treden.

Lees ook:

Posted on

Waarom moest Khadaffi eigenlijk weg?

De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en andere westerse coalitiegenoten staan te popelen om opnieuw militair in te grijpen in Libië, ditmaal omdat Islamitische Staat (IS) er zijn macht uitbreidt.

Westerse inlichtingendiensten zijn bezorgd over de verplaatsing van diverse kopstukken van IS vanuit het Syrische Raqqa naar het noorden van Libië. IS heeft in Libië een lucratieve inkomstenbron gevonden, zwarte Afrikanen betalen goed geld voor bootjes om de overtocht naar Italië in te maken. De Amerikaanse defensieminister spreekt van “het kankergezwel IS” dat ook in Libië moet worden bestreden.

De aanwezigheid van IS in Libië is echter niet uit de lucht komen vallen. IS kon in het Noord-Afrikaanse land pas voet aan de grond krijgen, nadat diverse westerse mogendheden in 2011 het VN-mandaat voor een no-fly-zone hadden misbruikt om de Libische dictator Muammar Khadaffi ten val te brengen. Het land gleed vervolgens af naar een toestand van anarchie, waarin verschillende organisaties en stamverbanden elkaar bestreden. Nog altijd is het land sterk verdeeld en wordt er strijd geleverd. IS heeft van deze situatie gebruik weten te maken een gebied aan de kust in het midden van het land weten te bezetten. Maar waarom moest Khadaffi eigenlijk zo nodig ten val gebracht worden?

Dat Khadaffi naderhand en nog altijd sterk gedemoniseerd is, zou zomaar aan het zicht kunnen onttrekken, dat de Libische leider gedurende enige tijd een gewaardeerde partner van diverse westerse staten was. Zo gaf hij in 2007 de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy nog een lening van 40 miljoen Amerikaanse dollars voor zijn verkiezingscampagne en sloot hij gelijk een wapencontract ter waarde van 168 miljoen euro af. Italië dat met de verkoop van Leopard II-tanks aan Libië goede zaken deed, sloot nog in 2008, dus maar drie jaar voor de oorlog, een vriendschapsverdrag met Libië af.

Deze vriendschappelijke contacten gingen echter in tegen de lange-termijn-strategie van de Verenigde Staten, en zoals het wel vaker gaat in de wereld, werd het vervolg bepaald door de belangen van Washington. Geheel naar het voorbeeld van de ‘Kleurenrevoluties’ werd in Libië een opstand voorbereid. Daartoe maakten de CIA-functionarissen ter plaatse gebruik van de voor handen zijnde sociale breuklijnen. In het oosten van het land slaagde men er licht in onrust te creëren. Voor verdere escalatie zorgde een bataljon van het Amerikaanse huurlingenbedrijf Blackwater en een eenheid van speciaal daarvoor in vrijheid gestelde gevangenen uit Guantanamo Bay, die de kern vormden van de ‘Libische Islamitische Gevechtsgroep’. Zij veroorzaakten zoveel oproer dat de NAVO zich gerechtvaardigd zag voor stabiliteit te zorgen, aldus de officiële argumentatie.

In werkelijkheid ging het om macht en om geld. Een wezenlijke rol daarbij speelden de gigantische zoetwatervoorraden diep onder de Sahara. Khadaffi maakte aanstalten om die watervoorraden te gaan gebruiken. Het ging hem er om zijn land voor wat betreft levensmiddelen onafhankelijk te maken van import, dit uiteraard tot grote ergernis van grote voedingsmiddelenoligopolisten als Monsanto. De Libische voorbereidingen om het eigen zoet water aan te boren ergerde echter ook de Fransen. De drie grootste handelaars in water, Veolia, SAUR en Suez Ondo, zijn in Franse handen. Bovendien had Frankrijk met Libië in verband met de bouw van een kerncentrale een groots plan afgesproken. Frankrijk zou in de komende 20 jaar rond de Middellandse Zee een groot aantal kerncentrales bouwen, die energie zouden leveren voor de ontzilting van zeewater. Met de ontsluiting van het Sahara-water zou Khadaffi die hele idee echter overbodig maken. Een misgelopen winst ter grootte van tientallen miljarden is wel een motief voor oorlog, nog afgezien van Sarkozy’s private miljoenenschuld. Het was zo bezien ook niet verwonderlijk dat de gevechtsvliegtuigen van de NAVO al in vroeg stadium het waterleidingsbedrijf van Libië, de levensader van het woestijnland, vernietigden. “Het is niet genoeg om militaire doelen te bombarderen”, aldus generaal David Richards, bevelhebber van de Britse strijdkrachten, “als we niet nog een tandje bij zetten, lopen we het gevaar dat Khadaffi aan het eind van het conflict aan de macht blijft.”

Het motief van de Amerikanen en de Britten woog echter nog zwaarder dan dat van de Fransen, dit werd ingegeven door de belangen van hun financiële centra, de Londense City en Wall Street. De voormalige handelspartner Khadaffi had namelijk een rode lijn overschreden die voor de Angelsaksische plutocraten heilig is. Hij had namelijk het plan opgevat een Afrikaanse Centrale Bank, een Afrikaans Monetair Fonds en een Afrikaanse Investeringsbank op te richten. Aan de namen is wel te zien dat de beoogde instellingen bedoeld waren als equivalenten van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Internationale Investeringsbank. Deze instellingen staan echter onder het toezicht van de Britten en de Amerikanen en genieten de status van monopolisten. Hen de concurrentie aan te doen is spelen met vuur. Een ervaring die eerder de Irakese president Saddam Hoessein al had opgedaan.

Khadaffi’s idee van een zelfstandig Afrikaans financieringssyteem en de daaruit volgende onafhankelijkheid van het continent, verbonden met het plan om een goud-dinar in te voeren, leidden ertoe dat over Khadaffi de staf gebroken werd. Daarbij komt, anders dan de publieke lacherigheid doet vermoeden, Khadaffi een zeer serieus te nemen Afrikaans leider was. Zo werd in 2002 in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka de Afrikaanse Unie opgericht, als opvolger van de Organisatie van Afrikaanse Unie die nog echt van de grond was gekomen. Initiatiefnemer van de Afrikaanse Unie was Muammar Khadaffi, zonder zijn organisatietalent, talent ook om verschillende leiders bij elkaar te brengen, en doortastendheid was de AU er niet gekomen.

[contextly_sidebar id=”jpK7z2FDf2ndLGmQREiNCydEV2zjj6Rz”]Bovendien wist men in de financiële en politieke wereldtop wel wat men uit de mainstream media nooit te weten zou komen, dat Khadaffi zijn land voorbeeldig had geregeerd, ongeacht zijn operetteske publieke optreden. Er was kosteloos onderwijs en kosteloze gezondheidszorg voor iedereen, er waren startsubsidies voor boeren en middenstanders en voor jonge echtparen. Aan het begin van Khadaffi’s 42-jarige heerschappij was 80 procent van de bevolking analfabeet. Toen hij vermoord werd, was het nog 20 procent.

Verder huurde een Londens gezelschap, waaraan de Britse minister van oorlog Liam Fox deelnam, bij het Zuid-Afrikaanse bedrijf Executive Outcomes 19 huurlingen, die de opdracht hadden om Khadaffi en zijn gezin te redden. In tegenstelling tot Khadaffi zelf, ontkwamen zijn vrouw en twee van hun kinderen daadwerkelijk naar Tunesië. De huurlingen wisten in de eindfase van de val van het bewind echter het goud dat in Khadaffi’s residentie opgeslagen was te bemachtigen, het zou gaan om circa vijf ton en ook nog eens drie koffers vol diamanten. Met deze buit vertrokken ze zuidwaarts richting de grens met Niger, waarna het spoor nog voor grens verdwijnt. Liam Fox nam direct na het einde van de gevechtshandelingen ontslag als minister.