Posted on

Gebroodroofd en geïsoleerd, ondanks hun rol in het verzet

De CPN stond tijdens de Koude Oorlog (1945-1989) onvoorwaardelijk aan de kant van de Sovjet-Unie, althans dat is het beeld dat in de geschiedschrijving overheerst. Jos van Dijk wil met zijn boek Ondanks hun dappere rol in het verzet naar eigen zeggen meer nuance en meer respect voor de communisten. Daar slaagt zijn boek ten dele in.

Van Dijk verzet zich tegen het beeld dat de CPN-ers slechts de waterdragers van Moskou waren. Hij doet dat aan de hand van de rol van de CPN tijdens de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse geschiedenis. Hij wijst er op dat de populariteit van de communisten tot ongekende hoogten steeg tijdens de Duitse bezetting door hun rol in het verzet en dat de communisten vlak na de oorlog hoopten op een plaats in de regering vanwege hun vaderlandslievende houding. Hij wijst er verder op dat de CPN vanaf de jaren ’60 steeds kritischer tegenover de Sovjet-Unie kwam te staan, zoals in 1968 toen de onderdrukking van de Praagse Lente door het Rode Leger niet werd gesteund.

De communisten kwamen na 1945 echter van een koude kermis thuis – de Koude Oorlog legde een zware hypotheek op de binnenlandse politieke verhoudingen. Van Dijk betoogt dat er ook vanuit de gevestigde orde in het binnenland vanuit de gevestigde politieke orde veel verzet was tegen het idee om de communisten te beschouwen als een volwaardige democratische partij. Het boek levert om die reden alleen al voor de buitenstaander een schat aan informatie  op over de bedenkelijke methoden die partijen en veiligheidsdiensten meenden te moeten aanwenden tegen de communisten. Zo was er bijvoorbeeld de wetsaanpassing die louter bedoeld was om communistische wethouders uit hun ambt te kunnen zetten.

Verder gaat Van Dijk uitgebreid in op de vileine methoden die werden toegepast om communisten ook maatschappelijk te isoleren en te broodroven. Het dieptepunt was in juni 1956, toen het communistische hoofdkwartier in Amsterdam werd belaagd door een woedende menigte naar aanleiding van het neerslaan van de Hongaarse opstand in Boedapest door het Rode Leger. Toen werden ook bij communisten thuis de ramen ingegooid, niet zelden onder het toeziend oog én zelfs  medewerking van de politie. Zo richtte de politie in Utrecht de schijnwerper op het appartement van een communistisch raadslid, zodat de opgeschoten menigte wist op welk raam ze moesten mikken…

Een ander goed voorbeeld van brutale intimidatie was het inzetten van pantserwagens voor de ingang van het kerkhof om de herdenking van de communistische verzetsstrijdster Hannie Schaft in de kiem te smoren. Van Dijk bouwt zijn zaak voor meer respect voor de CPN vooral op rond de rol van de partij in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het punt is dat ook bij de communisten hierdoor alle nuance zoek begon te raken omdat alles door deze lens werd gezien: iedereen die rechts was, was een fascist (of een proto-fascist). Van Dijk ontsnapt zelf ook niet aan dit hokjes-denken wanneer hij een Oostenrijkse en een Duitse muzikant verwijt dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog als soldaat in het Duitse leger hebben gediend (pagina 122-123). Het is lastig een zaak te maken voor nuance als je die zelf niet toepast.

Een ander punt van kritiek op het boek is de rol van de CPN in de naoorlogse arbeidersbeweging. Van Dijk stelt dat het stakingsmiddel door het werk van de CPN behouden bleef voor de werkende klasse en spreekt stelselmatig van het sociaaldemocratische verraad aan de linkse zaak, in het bijzonder bij de coalitievorming met de ‘rechtse’ Katholieken. Hij ‘vergeet’ hierdoor gemakshalve dat de sociaaldemocratie samen met de Katholieken in de jaren ‘50 de verzorgingsstaat hebben opgetuigd. Drees werd hiervoor over de partijgrenzen heen gerespecteerd door de naoorlogse generatie. De tragiek van de naoorlogse communisten is juist dat hun invloed vrijwel nihil was door hun beperkte omvang en bijna volkomen isolement.

9200000060402873Persoonlijk kon ik dit boek niet anders lezen dan door de lens van het boek van Joost Niemöller over de meer recente geschiedenis van Hans Janmaat en zijn centrumdemocraten. Hierin wordt tot in detail omschreven hoe een rechts-radicale stroming in een soortgelijk maatschappelijk isolement kwam en werd tegengewerkt door de inlichtingendiensten. Van Dijk spreekt er met geen woord over, ook niet in zijn drie zinnige lessen voor de democratie in het nawoord. Integendeel, hij spreekt vermanend over de PVV, terwijl juist de aanhangers van deze partij heden ten dage te maken hebben met maatschappelijke uitsluiting op basis van politieke denkbeelden. Hij heeft zeker een interessant boek geschreven, maar door het onvermogen van de schrijver om uit zijn eigen uitgesproken linkse hokjes-denken te breken heeft het boek niet de reikwijdte die het had kunnen hebben met een meer objectieve en analytische benadering voorbij de links-rechts tegenstelling.

N.a.v. Jos van Dijk, Ondanks hun dappere rol in het verzet… Het isolement van Nederlandse communisten in de Koude Oorlog (Soesterberg, 2016), 248 pagina’s.

Posted on

Van Ecevit tot Erdoğan: Een korte geschiedenis van pro-Amerikaanse staatsgrepen in Turkije

Momenteel doet het volgende ‘narratief’ de ronde in het publieke debat: Erdoğan eigent zich te veel macht toe en is Turkije aan het islamiseren. Daarom trad het Turkse leger als hoeder van de seculiere staat met een staatsgreep op, net zoals het had gedaan in 1960, 1971, 1980 en 1997. Het is eigenlijk betreurenswaardig dat het leger misgreep, want nu heeft Erdoğan alle ruimte om zijn greep op de macht verder te verstevigen. En wie weet was deze mislukte samenzwering wel een valse vlag-operatie van Erdoğan zelf? Dit narratief klinkt misschien aannemelijk, maar gaat voorbij aan de feiten.

Het klopt dat Erdoğan bezig is met het consolideren van zijn macht. Hij heeft een hoop tegenstanders en heeft in de afgelopen dertien jaar met zijn AKP-regering alle tijd gehad om een lijst van die tegenstanders samen te stellen. Deze lijst werkt hij nu af. Ook klopt het dat zijn AK-partij Turkije gestaag aan het islamiseren is. Iedereen die wel eens op vakantie is geweest in Turkije, en daar een in een appelsapglas vermomd en buitensporig geaccijnst biertje heeft gedronken, weet dat. The times they are a-changin, oftewel: er komen andere tijden.

Wat echter niet klopt is dat het leger de hoeder van de seculiere staat zou zijn. Dat is het namelijk niet. Tijdens vrijwel alle voorgaande staatsgrepen was het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat hoogstens een bijwerking van een andere doelstelling: het behouden van de controle over de staat zelf. Turkije leek zich namelijk keer op keer af te wenden van het Westen, iets wat het pro-Amerikaanse Turkse leger koste wat het kost wilde voorkomen.

De Koude Oorlog en Bülent Ecevit

Zonder teveel terug te gaan in de tijd, is het van belang om de geschiedenis van het moderne Turkije wat nader te aanschouwen. Turkije is in 1923 verrezen uit het as van het doodzieke Ottomaanse Rijk, dat in zijn nadagen door de Britten en Fransen kunstmatig in leven werd gehouden om te voorkomen dat de Russen het land zouden veroveren (of heroveren, wanneer men het bekijkt vanuit het Orthodoxe perspectief van de Russische Tsaar van destijds).

Deze verrijzenis was zonder meer de verdienste van Mustafa Kemal, die tot grote onvrede van Groot-Brittannië en Frankrijk de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog won. Kemal staat erom bekend dat hij in 1924 de Moskee van de Staat scheidde, net zoals hij anderhalf jaar eerder de decadente Osmaanse dynastie van de Staat scheidde (en de Ottomanen op hun beurt in 1453 de Keizer en de Kerk van de Staat scheidden). Rond diezelfde tijd verplaatste hij ook de hoofdstad van Constantinopel naar Ankara, en werd het Osmaanse ‘Kostantiniyye’ definitief omgedoopt tot het huidige Istanboel. Vanwege zijn verrichtingen kreeg Kemal in 1934 officieel de titel ‘Atatürk’, oftewel Vader der Turken. Atatürk overleed in 1938.

De kemalistische beweging was van oorsprong naast seculier en nationalistisch ook links. Zodoende had de Turkse Republiek onder Atatürk ook de banden met de Sovjet-Unie aangehaald, in bijzonder in de vorm van een niet-aanvalsverdrag. Dit was bijzonder, want de Ottomanen en de Russen waren van oudsher rivalen. Dit veranderde echter weer in aanloop naar en gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de daaropvolgende Koude Oorlog uitbrak, voer de Turkse politiek reeds enige tijd een pro-Amerikaanse koers onder het presidentschap van İsmet İnönü.

Gedurende de Koude Oorlog zijn er meerdere staatsgrepen geweest in Turkije: in 1960, 1971 en 1980. Dit waren allemaal pro-Amerikaanse, rechts-nationalistische coup d’états. Tijdens de putsch van 1960 was dit uitdrukkelijk het geval toen juntawoordvoerder Alparslan Türkeş het geloof en vertrouwen van de junta in de NAVO uitsprak.[1] Türkeş was een van de eerste leden van de Contra-guerrilla, een in 1952 door de NAVO en CIA opgerichte anticommunistische paramilitaire organisatie die de invloed van de Sovjet-Unie in Turkije moest tegengaan.[2] De VS had vergelijkbare organisaties opgericht in Zuid-Amerika, waaronder Nicaragua.[3] De junta zuiverde onder meer het leger, de rechterlijke macht en de universiteiten, en arresteerde verschillende bewindspersonen. Onder andere de Turkse premier Adnan Menderes, die voornemens was om geldsteun te vragen aan de Sovjet-Unie, werd geëxecuteerd.

De staatsgreep van 1971 droeg een ietwat ander karakter. Turkije stond in het teken van toenemende sociale onrust, in bijzonder oplaaiend geweld tussen communistische en rechts-nationalistische groeperingen, en had een weinig daadkrachtige regering. Het was deze keer echter geen gewelddadige staatsgreep, maar een zogeheten ‘coup via memorandum’ dat de regering ten val bracht. Het memorandum werd door Memduh Tağmaç, de opperbevelhebber van het Turkse leger, overhandigd aan de gematigde premier Süleyman Demirel, die spoedig opstapte. Velen werden door de junta vervolgd vanwege communistische sympathieën en banden met de Sovjet-Unie. Onder andere de linkse journalisten İlhan Selçuk en Uğur Mumcu werden destijds gemarteld in de Ziverbey-villa. Ook de net opgerichte partij van Necmettin Erbakan, de leider van de islamitische Millî Görüş-beweging, werd verboden, al werd hij zelf niet vervolgd. Kort na de machtsovername besloot de kemalistische partij CHP onder leiding van İnönü om met de putschisten samen te werken. Dit besluit werd echter niet door iedereen even goed ontvangen: de toenmalige secretaris-generaal van de CHP, Bülent Ecevit, stapte uit protest tegen het besluit op.


De coup van 1980 was echter de meest gewelddadige staatsgreep in de moderne Turkse geschiedenis. In de jaren zeventig stierven in aanloop naar de coup waarschijnlijk zo’n vijfduizend mensen in een proxy-oorlog tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Een dieptepunt vond plaats op de Dag van de Arbeid in 1977, toen een enorm bloedbad werd aangericht op het Taksimplein in Istanboel. Een van de meest ‘productieve’ strijdende groeperingen was de Grijze Wolven, de paramilitaire tak van de in 1969 opgerichte rechts-nationalistische MHP. De leider van de MHP was Alparslan Türkeş, de woordvoerder van de staatsgreep van twintig jaar terug.

Volgens juntaleider Kenan Evren was ook nu een staatsgreep de enige manier om rust en orde terug te brengen in Turkije. Evren was op dat moment opperbevelhebber van het Turkse leger en had ervaring opgedaan in de Koreaoorlog en als leider van de Contra-guerrilla.[4] Na de coup werd Evren, die uiteindelijk in 2014 zou worden gedegradeerd tot soldaat eerste klasse, president van de Turkse republiek en opperbevelhebber van het Turkse leger.

Wie vindt dat de huidige AKP-regering te ver doorschiet met de arrestaties en schorsingen van tienduizenden agenten, soldaten, rechters en docenten,[5] zal het optreden van de junta van 1980 al helemaal een overreactie vinden. In totaal werden toen 250.000 tot 650.000 mensen gearresteerd en 1.683.000 op een zwarte lijst geplaatst. Verder stierven 300 mensen onder verdachte omstandigheden, 299 in de gevangenis, 171 door marteling, 95 tijdens gevechten en 50 door executies. De fraaie Turkse dramafilm Babam ve Oğlum (‘Mijn Vader en Mijn Zoon’) gaat overigens over deze periode. Verder mochten kranten driehonderd dagen lang niet meer publiceren en werden alle politieke partijen verboden.[6] Vooraanstaande politici van alle partijen kregen een jarenlang beroepsverbod opgelegd, waaronder de islamist Erbakan, de gematigde Demirel, de recht-nationalist Türkeş en de kemalist Ecevit.

Wat echter van fundamenteel belang is om te weten, is dat de junta van 1980 Turkije niet minder, maar juist meer islamitisch heeft gemaakt. En dat deed het doelbewust. Kenan Evren was dermate bezorgd over de opkomst van het communisme, dat hij de islam als een alternatief en tegengif promootte. Het was onder Evrens heerschappij dat islamonderwijs op alle Turkse scholen werd verplicht. De pro-Amerikaanse junta betekende dus het einde van het klassieke kemalisme en het begin van wat wel de ‘Turks-islamitische synthese’ wordt genoemd.[7]

Het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat was dus duidelijk niet de hoofddoelstelling: het ging om het behouden van de controle over de staat zelf. Dat verklaart ook waarom eveneens kemalisten werden vervolgd, waaronder dus Bülent Ecevit, die zonder twijfel meer seculier was dan de junta zelf. Bülent stond bekend als een eigenwijs politicus: hij wilde in lijn met de kemalistische traditie een ongebonden Turks binnenlands en buitenlands beleid. Het was dan ook onder zijn regering dat in 1974 de Turkse invasie van Cyprus plaatsvond.

Maar er speelde meer. Zoals hierboven al is opgemerkt, maakte generaal Evren deel uit van de Contra-guerrilla. Omstreeks dezelfde tijd als de invasie van Cyprus vertelde Ecevit het Turkse publiek echter over het bestaan van deze paramilitaire organisatie. Enkele jaren later deelde Ecevit ook publiekelijk zijn vermoeden dat dezelfde organisatie betrokken was bij het reeds genoemde bloedbad op het Taksimplein: hij vond het verdacht dat rechts-nationalistische strijders minutenlang op het linkse publiek konden schieten zonder dat de politie ingreep. Zodoende liet hij in 1978 openbaar aanklager Doğan Öz onderzoek doen naar de banden tussen de Contra-guerrilla en de Grijze Wolven. Öz werd kort na het afronden van zijn onderzoek doodgeschoten door een Grijze Wolfen-lid.

Bülent is in zijn leven zelf mogelijk negenmaal doelwit geweest van mislukte moordaanslagen.[8] Zo ontsnapte hij in 1976 ternauwernood aan een moordaanslag in New York bij het Waldorf Astoria-hotel, waar een Cyprioot die tijdens de invasie van Cyprus zijn arm had verloren een geladen pistool op Ecevit richtte. Ook een jaar later ontsnapte Ecevit aan een moordaanslag op het vliegveld van Izmir. De regering-Demirel wist verder een moordcomplot tegen Ecevit tijdens een bijeenkomst op het Taksimplein te verijdelen. Ecevit heeft zelf ook altijd volgehouden dat zijn omstreeks 2002 snel verslechterde gezondheid het werk was van de VS, omdat hij een obstakel was voor de Irakoorlog.[9]

In de aanloop naar de Irakoorlog raakte de VS haar vertrouwen in Ecevit namelijk voorgoed kwijt. Ecevit, die na de coup van 1980 een nieuwe kemalistische partij had opgericht, had het in 1999 voor elkaar gekregen om namens deze DSP opnieuw premier te worden. De nieuwe premier was tegen de Amerikaanse oorlogsplannen en weigerde steevast de VS toestemming te geven voor de stationering van een invasiemacht in Turkije, dat immers grenst aan Irak. De val van de Ecevits regering in 2002, en de daaropvolgende verkiezingsnederlaag van de DSP, was voor de regering-Bush dan ook een geschenk uit de hemel.[10] Ecevit overleed in 2006.

Recep Tayyip Erdoğan versus Fethullah Gülen

De kers op de taart van de VS was de enorme verkiezingsoverwinning van een nieuwe, in 2001 opgerichte partij. Met het einde van de Koude Oorlog kwam het tijdperk van het Turkse rechts-nationalisme langzaam ten einde en vond een heropleving van het Turkse islamisme plaats. De VS zag daarom in dat een nieuwe bondgenoot moest worden gevonden in deze hoek. De kersverse AK-partij van Erdoğan kwam dus zeer gelegen. De nieuwe AKP-regering had namelijk wel oren naar het stationeren van een Amerikaanse invasiemacht in Turkije. Tijdens de stemming in het Turkse parlement stemde tweederde van de AKP-kamerleden voor de stationering. Dit was echter niet genoeg voor een parlementaire meerderheid, omdat onder meer de CHP en de gedecimeerde DSP tegenstemden. De eindstand was 264–250.[11] Niettemin werd Turkije door Bush genoemd als onderdeel van de ‘Coalition of the Willing’.[12]

De AKP-partij heeft een bewogen oorsprong, want het komt onder andere voort uit de in 1997 verboden partij van Necmettin Erbakan. Zoals al werd opgemerkt, was Erbakan een van de mensen die tijdens de staatsgrepen van 1971 en 1980 steeds weer zijn politieke carrière voortijdig beëindigd zag worden. Dit gebeurde wederom tijdens de geweldsloze staatsgreep van 1997, die bekend staat als de ‘postmoderne coup’. De regering-Erbakan werd overigens na haar verkiezingsoverwinning een jaar eerder al koeltjes ontvangen door de Europese Unie en de NAVO. De vrees was namelijk dat Erbakan de banden met islamitische landen zou aanhalen ten koste van de banden met het Westen.[13] Tijdens deze staatsgreep kreeg ook de nieuwe burgermeester van Istanboel, Recep Tayyip Erdoğan, een gevangenisstraf en een beroepsverbod vanwege het voordragen van een militant islamitisch gedicht. Dit beroepsverbod liep af in 2002, toen hij formeel de leider werd van de AK-partij (informeel was hij dat al).

De AK-partij herbergt verschillende stromingen met redelijk overeenkomende doelstellingen: moslimdemocraten zoals Abdullah Gül, Moslim Broederschap-achtigen zoals Bülent Arınç, neo-Ottomanen zoals Ahmet Davutoğlu, en bovenal populisten zoals Recep Tayyip Erdoğan. Laatstgenoemde is zonder meer radicaler dan de meer gemoedelijke Gül, maar qua binnenlandsbeleid juist gematigder dan Arınç en qua buitenlandsbeleid weer gematigder dan Davutoğlu. Erdoğan bleek echter wel in staat om al deze verschillende stromingen te verenigen en tegelijkertijd zichzelf op te werpen als een soort vader des vaderlands. Wel zijn alle AKP-stromingen in meer of mindere mate ‘islamistisch’.

Erdoğan vond aanvankelijk een bondgenoot in de charismatische imam Fethullah Gülen en zijn invloedrijke Hizmet-beweging. Om een indruk te geven van de invloed van deze beweging: Gülen wordt door TIME genoemd als één van de honderd meest invloedrijke mensen ter wereld,[14] en zijn beweging heeft een geschat vermogen van 25 miljard dollar.[15] Naar verluid zijn miljoenen mensen onderdeel van het complexe netwerk dat deze beweging vormt. Dit netwerk is door velen in verband gebracht met de CIA, al heeft Gülen die band altijd ontkend.[16] Wel staat de imam bekend als pro-Amerikaans, en ook pro-Israël, en woont hij tegenwoordig in een enorme villa in Pennsylvania, Amerika.[17]

De Hizmet-beweging werkt niet door middel van partijpolitiek, maar door middel van wat de neomarxist Rudi Dutschke eens de ‘lange mars door de instituties’ noemde: het stapsgewijs doordringen van justitie, politie, leger, media en onderwijs. Veel van zijn aanhangers hebben bijvoorbeeld rechten gestudeerd om daarmee op schakelposities binnen de Turkse justitiële apparaat te komen. Verder zijn wereldwijd, en met name in Turkije en de VS, duizenden scholen op de Gülenistische leest geschoeid om onder meer Gülens uitleg van de islam te onderwijzen. In Gülens eigen woorden: “Oplossingen op systemische, institutionele of beleidsniveau zijn gedoemd te mislukken wanneer het individu wordt verwaarloosd. Daarom is mijn eerste en belangrijkste pleidooi voor het onderwijs geweest.”[18]

Vaak wordt Gülen beschreven als een ‘liberale’ of ‘gematigde’ moslimgeestelijke, maar die omschrijving is onjuist. Deze imam predikt een buitenissige vorm van islamisme en nationalisme: voor hem zijn de Turken een uitverkoren volk en is de Turkse islam een ‘cadeau voor de mensheid’.[19] In 1999 vertrok Gülen naar de Verenigde Staten, omdat zijn antiseculiere filosofie in opspraak raakte in Turkije, al heeft hij zelf altijd volgehouden dat hij vanwege een medische behandeling uit zijn geboorteland vertrok. Hoe dan ook, een jaar later werd hij aangeklaagd en in afwezigheid veroordeeld door de toenmalige overheid onder leiding van, u raadt het al, Bülent Ecevit. Volgens de openbaar aanklagers was Gülen de ‘sterkste en meest doeltreffende islamitische fundamentalist in Turkije’ die ‘zijn methoden met een democratisch en gematigd imago camoufleert’.[20]

Fethullah Gülen liet het niet bij deze vervolging zitten. Omstreeks 2001 zocht hij toenadering tot de nieuw opgerichte AK-partij van Erdoğan. Die toenadering mocht baten: in 2008 werd hij alsnog van alle beschuldigingen vrijgesproken.[21] Omdat Gülenisten aanzienlijke macht hadden vergaard in het Turkse overheidsapparaat, in bijzonder bij justitie en politie, kreeg het van de AKP de ruimte om af te rekenen met gedeelde tegenstanders. Zo werden verschillende rechtszaken tegen critici van Gülen en de Hizmet-beweging begonnen. De voormalige politiecommissaris Hanefi Avcı, die een boek had geschreven over Gülenistische infiltratie van de politie, werd bijvoorbeeld aangeklaagd wegens vermeende banden met communistische organisaties. Ook de vakbondsman Ahmet Şık, die een kritisch boek schreef over de banden tussen de AKP en Gülen, werd aangeklaagd.

De belangrijkste rechtszaken waren echter tegen kemalistische elementen in het Turkse leger.[22] Onder andere twee grote processen stonden onder leiding van Gülenisten: de Operatie Balyoz-zaak en de Ergenekon-zaak. In beide zaken werden vele kemalistische soldaten en legerleiders, in totaal zo’n 230 personen, aangeklaagd en ontslagen vanwege vermeende couppogingen tegen de nieuwe AKP-regering. Onder andere de kemalistische generaal Çetin Doğan, die werd verdacht de leider van Operatie Balyoz te zijn, werd tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Er is veel over deze twee zaken geschreven en de werkelijke toedracht zal wel nooit helemaal worden gekend. Inmiddels is echter wel duidelijk geworden dat de aanklachten berustten op ontoereikend en zelfs vervalst bewijsmateriaal; onder andere de handtekeningen van Doğan en andere generaals werden vervalst. Veel aanklagers bleken inderdaad banden te hebben met de Hizmet-beweging. De toenmalige Amerikaanse ambassadeur Eric S. Edelman herinnerde zich nog hoe een Gülenist hem al in 2005 benaderde met een document dat de naderende coup zou aantonen. Bij nader onderzoek bleek het document te zijn vervalst.[23] Het waren dus zeer waarschijnlijk niet-bestaande, verzonnen plots. Uiteindelijk werden alle verdachten en veroordeelden in beide zaken volledig vrijgesproken.[24] Die vrijspraken volgden, niet toevallig, kort na de beruchte breuk tussen Gülen en Erdoğan.

Sinds het begin van het huidige decennium waren er al een aantal aanvaringen tussen Erdoğan en Gülen. In bijzonder had Gülen felle kritiek op de regering-Erdoğan inzake het Turkse scheepskonvooi voor Gaza en het daaropvolgende diplomatieke conflict tussen Israël en Turkije. Gülen, die in 2010 nog de AKP-campagne steunde in het referendum over een aantal belangrijke grondwetswijzigingen, was ook niet te spreken over de uitkomst daarvan. Toch was er op dat moment nog geen sprake van een breuk tussen de AK-partij en de Hizmet-beweging.

Dat veranderde in de loop van 2013. Tijdens de maandenlange en enorme Gezipark-protesten tegen het beleid van de regering-Erdoğan kregen de overwegend linkse demonstranten bijval van Gülen, en dat zette kwaad bloed bij Erdoğan. Niet veel later kwam de AKP-regering met een wetsvoorstel om verschillende private scholen te sluiten, wat dus zonder meer negatieve gevolgen zou hebben voor de Hizmet-beweging. Het conflict tussen de twee kampen escaleerde verder toen openbaar aanklagers en politieagenten tientallen aan Erdoğan verbonden personen onderzochten vanwege corruptie. In twee grote zaken werd onder meer onderzoek gedaan naar AKP-ministers en Erdoğans twee zonen, Ahmet en Bilal. Erdoğan antwoordde op zijn beurt door politieagenten en anderen bij de corruptiezaak betrokken personen te laten arresteren.

Deze voorgeschiedenis maakt het ook hoogst onwaarschijnlijk dat de staatsgreep van 15 juli 2016 te maken had met het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat. Formeel deden de coupplegers inderdaad een beroep op de ‘seculiere democratische’ staat en was de naam van de junta gebaseerd op de uitspraak van Atatürk ‘vrede thuis, vrede in de wereld’. De putschisten maakten in dezelfde verklaring echter ook duidelijk dat de NAVO-verplichtingen zouden worden nakomen.[25] Het is daarom aannemelijk dat de seculiere retoriek bewust door de coupplegers werd gebruikt om te insinueren dat het een kemalistische junta was en geen Gülenistische.[26] Tevens is het op basis van de hele voorgeschiedenis niet onaannemelijk dat rechts-nationalistische elementen in het leger bij deze staatsgreep betrokken waren.

Dat gedeelte over het nakomen van NAVO-verplichtingen is van wezenlijk belang. Het is inmiddels duidelijk geworden dat die verplichtingen inderdaad in het gedrang zijn gekomen door de eigenwijze Erdoğan. Ook de AKP-regering lijkt zich namelijk keer op keer af te wenden van het Westen.[27] Erdoğans verontschuldigingen aan de Russsiche president Vladimir Poetin vanwege de door Turkse piloten neergehaalde Russische SU-24-straaljager werden bijvoorbeeld niet even goed ontvangen in het Westen. Inmiddels is gebleken dat deze piloten, die op 24 november 2015 bijna een oorlog tussen Rusland en Turkije uitlokten, ook betrokken waren bij de verprutste putsch van 15 juli 2016.[28]

Conclusie

Het gangbare narratief in de media schiet ernstig tekort om de huidige ontwikkelingen in Turkije te duiden. Het beeld van de islamistische dictator Erdoğan tegen het seculiere leger strookt simpelweg niet met de feiten. Alle voorgaande coup d’états werden gedaan door het Turks leger om pro-Amerikaanse redenen. De kemalistische beweging heeft echter al lang aan betekenis ingeboet: Turkije lijkt een andere weg in te slaan.

De Turkse staatsgrepen in 1960, 1971 en 1980 zijn alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de Koude Oorlog. Het leger was pro-Amerikaans en rechts-nationalistisch en probeerde bedreigingen vanuit met name de communistische hoek tegen te gaan. Het ging dus niet om het seculiere karakter van de staat, maar om de controle over de staat zelf. Het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat was vrijwel nooit een uitdrukkelijke doelstelling van de staatsgrepen, en voor zover het dat wel was, was het een voorwendsel of bijwerking. De coup van 1980 had echter duidelijk geen seculier karakter; de pro-Amerikaanse junta begon zelfs het proces van islamisering in Turkije.

De staatsgreep van 1997 had wel uitdrukkelijk een seculier, kemalistisch karakter, al speelde zonder meer mee dat de regering-Erkaban de banden met islamitische landen zou aanhalen ten koste van de banden met het Westen. Kort na deze geweldsloze coup kreeg Turkije weer een kemalistische regering onder Bülent Ecevit, die echter al gauw door de VS als een obstakel werd gezien. Ecevit wilde namelijk niet dat Turkije de naderende Irakoorlog zou faciliteren. De groeiende islamistische beweging werd daarom door de VS aangegrepen om haar invloed over de Turkse politiek te bestendigen. De VS zocht toenadering tot de AKP-partij van Recep Tayyip Erdoğan, die de steun genoot van de invloedrijke pro-Amerikaanse Hizmet-beweging van imam Fethullah Gülen. In de daaropvolgende periode is het kemalisme door middel van showprocessen uitgeschakeld in onder meer het Turkse leger.

Zodoende waren de enige twee overgebleven politieke bewegingen met wezenlijke macht de AK-partij van Erdoğan en de schaduwpartij van Gülen. Gaandeweg werd het evenwel duidelijk dat Erdoğan en zijn AKP helemaal niet zo’n goede bondgenoot hadden gevonden in Gülen en diens Hizmet-beweging. Het conflict dat uiteindelijk tussen de twee kampen uitbrak, spreekt voor zich. Het besluit van de AKP-regering om na de mislukte staatsgreep justitie, politie, leger, media en onderwijs te zuiveren van Gülenisten, en wellicht ook andere tegenstanders, is het laatste hoogtepunt van dit conflict.

De eigenwijze politiek van Erdoğan bracht hem verder keer op keer in conflict met de VS en de NAVO. Er is alle reden om aan te nemen dat de doelstelling van de mislukte staatsgreep ook nu weer niet lag in het beschermen van het seculiere karakter van de Turkse staat, maar in het behouden van de controle over de staat zelf – te weten een pro-Amerikaanse staat. Dit verklaart ook die andere climax die zich voor onze ogen afspeelt: de escalerende diplomatieke crisis tussen de VS en de Turkse Republiek. Want wat de geschiedenis van het moderne Turkije ons duidelijk laat zien, is dat waar pro-Amerikaanse rook is, ook Amerikaans vuur is.


[1] https://tr.wikisource.org/wiki/27_May%C4%B1s_Darbe_Bildirisi

[2] http://www.radikal.com.tr/politika/gladyodan-ergenekona-yolculuk-893176/

[3] http://www.icj-cij.org/docket/?sum=367&p1=3&p2=3&case=70&p3=5

[4] http://www.jamestown.org/single/?no_cache=1&tx_ttnews%5Btt_news%5D=4557#.V49V6vmLRD9

[5] http://www.zerohedge.com/news/2016-07-19/turkey-latest-witch-hunts-accelerate-gulenist-media-shut-down-pilots-behind-russian-

[6] https://www.tbmm.gov.tr/sirasayi/donem24/yil01/ss376_Cilt1.pdf; https://en.wikipedia.org/wiki/1980_Turkish_coup_d%27%C3%A9tat#Result

[7] http://www.nytimes.com/2015/05/10/world/europe/kenan-evren-dies-at-97-led-turkeys-1980-coup.html

[8] https://tr.wikipedia.org/wiki/B%C3%BClent_Ecevit%27e_suikast_giri%C5%9Fimleri

[9] https://web.archive.org/web/20050316142641/http://www.turkishdailynews.com.tr/article.php?enewsid=8263

[10] http://www.hurriyetdailynews.com/us-had-uneasy-relationship-with-ecevit.aspx?pageID=438&n=us-had-uneasy-relationship-with-ecevit-2006-11-08

[11] http://news.bbc.co.uk/2/hi/europe/2810133.stm

[12] http://www.clinecenter.illinois.edu/research/affiliated/airbrush/

[13] http://www.volkskrant.nl/archief/afwachtende-reactie-van-eu-en-navo-op-turkse-regering~a441913/

[14] http://time100.time.com/2013/04/18/time-100/slide/fethullah-gulen/

[15] http://www.nu.nl/dvn/4295495/fethullah-gulen-en-waarom-zit-Erdoğan-achter-beweging.html

[16] https://www.opendemocracy.net/osman-softic/what-is-fethullah-g%C3%BClen%E2%80%99s-real-mission

[17] http://www.vox.com/2016/7/16/12204456/gulen-movement-explained

[18] http://www.fethullahgulen.nl/hot-interview-met-fethullah-gulen-corruptieschandaal-akp-en-turkije-wall-street-journal/

[19] http://www.trouw.nl/tr/nl/39561/Couppoging-Turkije/article/detail/4341742/2016/07/18/Gulen-de-zondebok-die-Erdoğan-heeft-aangewezen.dhtml

[20] https://www.theguardian.com/world/2000/sep/01/1

[21] https://web.archive.org/web/20070927235413/http://wwrn.org/article.php?idd=21432

[22] http://www.vox.com/2016/7/16/12204456/gulen-movement-explained

[23] http://www.nytimes.com/2014/02/27/world/europe/turkish-leader-disowns-trials-that-helped-him-tame-military.html

[24] http://www.bbc.com/news/world-europe-36815476

[25] https://en.wikipedia.org/wiki/Peace_at_Home_Council#Statement_and_analysis_thereof

[26] http://www.bbc.com/news/world-europe-36815476

[27] https:// http://www.novini.nl/turkije-its-the-geopolitiek-stupid/

[28] https://www.rt.com/news/352050-turkish-pilots-arrested-su24/

Posted on

Socialistenleidster met ordoliberale kapitalismekritiek

In het kielzog van de in 2008 geëscaleerde financiële crisis in de Verenigde Staten beleeft de na de val van de Sovjetunie grotendeels verstomde kapitalismekritiek een glanzende renaissance. In het bijzonder nu ‘nevenschade’ als aantasting van het milieu of massamigratie, die het neoliberaal geradicaliseerde kapitalisme in het mondiale zuiden veroorzaakt, sinds kort in het mondiale noorden duidelijker op te merken zijn en het systeem zelf ter discussie stellen, omdat de centrale rechtvaardiging ervan, welvaart voor steeds meer mensen te scheppen en over de band van de ‘markt’ sociale gerechtigheid te bewerkstelligen, zich bewijst als pure ideologie.

In Duitsland ontbreekt het echter, anders dan in linkse milieus in sommige andere West-Europese landen, aan sociaaleconomische alternatieven. En dat terwijl Duitsland met Humboldt en Novalis, Marx en Abbe, Heidegger en Marcuse steeds een geestelijk centrum was in de wereldwijde strijd tegen het reductionistische wereldbeeld van angelsaksische “rekenmeesters” (Adam Müller).

In de intellectueel kwakkelende gevestigde partijen is het zowaar alleen Sahra Wagenknecht, fractieleider van Die Linke in de bondsdag, die zich als serieus te nemen critica van het “casinokapitalisme” (Hans-Werner Sinn) profileert.

Reichtum ohne GierDat wordt ook bevestigd door haar concept van een nieuwe economische orde, dat ze ontwikkelt in haar jongste boek ‘Reichtum ohne Gier’ (Rijkdom zonder hebzucht). Ze laat zich daarin, anders dan bijvoorbeeld de op radicaal-democratische omwentelingen hopende Sloveense filosoof Slavoj Zizek, verrassend genoeg niet inspireren door Marx en Engels, maar veeleer door het maatschappelijke ondernemerschap van Ernst Abbe en het ordoliberalisme van Ludwig Erhard.

N.a.v. Sahra Wagenknecht, Reichtum ohne Gier. Wie wir uns vor dem Kapitalismus retten (Frankfurt am Main, 2016), 292 p.

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.

Posted on 1 Comment

Labour kiest anti-Blair tot leider

De leden van de Britse Labour-partij hebben zaterdag met een overtuigende meerderheid Jeremy Corbyn tot leider gekozen van de centrumlinkse oppositiepartij. Corbyn staat bekend als een uitgesproken socialist en pacifist en is daarmee het tegendeel van oud-Labour-leider Tony Blair, die zich dan ook fel tegen het vooruitzicht van Corbyns partijleiderschap uitsprak.

In de afgelopen weken brachten zo’n 423.000 mensen een stem uit op één van de vier kandidaten voor het leiderschap. Zaterdag bleek Corbyn de verkiezing in één ronde overtuigend gewonnen te hebben met 59,5% van de uitgebrachte stemmen.

Waar het partij-establishment de voorkeur had voor een vage middenkoers, kiest de Labour-achterban hiermee voor een duidelijk linkse koers. Na twee relatief kleurloze partijleiders, Gordon Brown en Ed Milliband, krijgt Labour daarmee een leider die in zijn campagne pleitte voor herkenbare socialistische speerpunten als de renationalisatie van de spoorwegen en nutsbedrijven, en de invoering van een maximumloon om exorbitante topsalarissen tegen te gaan. Corbyn is al sinds de jaren ’80 lid van het Lagerhuis en staat er als backbencher om bekend regelmatig tegen de partijlijn in te gaan.

Anti-Blair

Diverse meer of minder prominente (oud-)politici betoonden zich ongelukkig met het vooruitzicht dat Corbyn het partijleiderschap zou overnemen. Een van de meest uitgesproken tegenstanders is oud-premier en -partijleider Tony Blair. Waar Blair staat voor New Labour, een sociaaldemocratisch profiel dat qua economisch beleid meer op het neoliberalisme van Margaret Thatcher aantrekt, noemt Corbyn zich ‘democratisch socialist’. En waar de oud-premier zijn reputatie vestigde door het Lagerhuis voor te liegen om maar steun te krijgen voor de inval in Irak, staat Corbyn bekend als vredesactivist en criticus van het Britse kernwapenarsenaal. Bovendien kondigde hij aan dat hij als Labour-leider excuses zou maken aan het Britse volk voor de “misleiding” door zijn partijgenoot in de aanloop naar de inval in Irak door de Amerikanen, Britten en anderen en aan het Irakese volk voor het hun toegebrachte lijden. In het algemeen sprak hij zich uit voor minder Britse militaire interventies.

Corbyn staat kritisch tegenover de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de Europese Unie en het atlanticisme in het algemeen. “De EU en de NAVO zijn instrumenten van Amerikaans beleid geworden”, stelde hij in een opiniestuk in het voorjaar van 2014. De politicus sprak zich in hetzelfde stuk dan ook kritisch uit over de rol van de EU en de VS in de Oekraïense crisis, de acties van Rusland zijn “niet onuitgelokt”. Een en ander kwam hem uiteraard op kritiek te staan van neoconservatieve usual suspects als Anne Applebaum en Edward Lucas. Corbyn zou het Verenigd Koninkrijk het liefst helemaal terugtrekken uit de NAVO, maar bij gebrek aan draagvlak zou hij in ieder geval de rol van de NAVO in willen perken.

Eurofielen binnen de Labour-partij vrezen intussen dat Corbyns mild eurosceptische opstelling kan betekenen dat Labour minder eenduidig campagne zal voeren om in de EU te blijven en dat er meer ruimte komt voor eurokritische geluiden in de eigen gelederen. In 2016 of uiterlijk in 2017 wordt er in het Verenigd Koninkrijk een referendum gehouden over het al of niet lid blijven van de Europese Unie. De huidige centrumrechtse premier David Cameron wil voor die tijd een heronderhandeling van de voorwaarden van het Britse EU-lidmaatschap afgerond hebben.

De verkiezing van Corbyn tot Labour-leider werd internationaal begroet door leiders van onder andere het Griekse SYRIZA, Spaanse PODEMOS en Iers-Republikeinse Sinn Fein.

Posted on

Obama’s nieuwe Cuba-koers kan op verzet in Congres rekenen

Op 14 augustus aanstaande zal de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry in de Cubaanse hoofdstad Havana de Amerikaanse vlag hijsen. De reeds aanwezige vertegenwoordiging van de Verenigde Staten wordt dan omgedoopt tot ambassade. In Washington wappert al sinds medio juli weer de Cubaanse vlag voor de nieuwe ambassade.

Voor Fidel Castro die één dag eerder zijn 89e verjaardag zal vieren, is het een mooi verjaardagscadeau. In propagandistisch gezien kan men zeggen dat Fidel en zijn broer Raúl, die hem in 2008 opvolgde als president, langere adem hadden dan de VS. Het Amerikaanse beleid om Cuba te isoleren, waarbij ook de Europese Unie zich vanaf 2003 bij aangesloten heeft, heeft gefaald, zo moest de Amerikaanse president Barack Obama toegeven. Daar had zelfs de grijze revolutionair niet meer mee gerekend.

Zonder politieke toegevingen te moeten doen, werd Cuba van de lijst van schurkenstaten gehaald en geldt daarmee weer als gelijkwaardige onderhandelingspartner. Dit ongeacht het feit dat er nog altijd sprake is van mensenrechtenschendingen, er slechts één partij is toegelaten – de communistische, en dat het hervormingsbeleid van Raúl Castro slechts vooruit kruipt. Dit alles wordt echter overstemd door de terechte eis van de Cubanen dat de Amerikanen zich nu eindelijk terugtrekken uit de Guantánomobaai, waar ze nog altijd een militair steunpunt hebben.

Het herstel van de diplomatieke betrekkingen is slechts een eerste stap op een ingewikkelde weg naar normalisering. Het economische embargo blijft bestaan. De blokkadepolitiek tegen Cuba is in de afgelopen decennia herhaaldelijk verscherpt en is zo uitgegroeid tot een oerwoud aan wetgeving, die niet eenvoudig op te heffen is, maar slechts met veel moeite ontvlochten kan worden. Probleem is echter dat daarvoor momenteel geen meerderheden bestaan in de beide huizen van het Amerikaanse Congres, waar Obama’s nieuwe koers niet alleen door de Republikeinse oppositie sterk bekritiseert wordt.

De regering Castro wat tot nu toe altijd gewiekst genoeg, om in de wereldpolitiek wisselende bondgenootschappen te benutten, om steeds nieuwe blokkadebrekers te vinden. Zo investeert China veel op het eiland, heeft Brazilië de nieuwe diepzeehaven bij Havana gefinancierd en is Total na het bezoek van de Franse president Hollande de aardolieboringen gegund. Ook Canada, Spanje en zelfs Israël bemoeien zich al. Alleen de firma’s uit het nabijgelegen Amerika blijven buiten.

Dat de Cubanen, in hoge mate van de rest van de wereld geïsoleerd, op de socialistische propaganda zijn aangewezen, heeft eveneens zijn oorzaak in het embargobeleid: Deze verhinderd dat moderne communicatietechnologieën in Cuba breed ingang vinden. Normale Cubanen kunnen zich bijvoorbeeld geen toegang tot het internet verschaffen.

Wat doorslaggevend zou kunnen zijn voor de verdere ontwikkeling van Cuba, is verdere vereenvoudiging van de reismogelijkheden voor de circa 2 miljoen Cubanen die in de VS wonen. De voor de revolutie van de rebellen van Castro en Che Guevara gevluchte Cubanen en hun nakomelingen hebben er belang bij in hun oude vaderland mee te wegen en hun familie daar te ondersteunen bij de opbouw van een nieuw bestaan. Als de VS hun beperkingen voor private geldtransacties naar Cuba opheft en de regering Castro investeringsbeschermingswetgeving instelt, zou de door de revolutie onteigende en verdreven middenstand zich opnieuw kunnen vestigen. Ambachtslieden en kleine ondernemers zouden de basis kunnen zijn voor het economisch weer gezond worden van een land dat in bijna zestig jaren socialisme vooral achteruitgeboerd heeft.

Posted on Leave a comment

Is er een Franse Lente in aantocht?

Frankrijk verkeert sinds zondag in een revolutionair klimaat. Na het brutale optreden van de ordediensten tegen de vreedzame betogers van de mars tegen het homohuwelijk, die in Parijs 1,4 miljoen mensen op de been bracht, werd gisteravond in Lyon de auto van de minister van Justitie geblokkeerd door vijfhonderd per sms gemobiliseerde actievoerders. Dinsdag moest de rapporteur van het wetsvoorstel voor het homohuwelijk zijn voordracht beëindigen aan de universiteit van Yvelines, nadat actievoerders de aula innamen. Sinds maandag worden ministers en regeringsleden overal in den lande opgewacht door gelijkaardige actiecomités. En voor vanavond is er opgeroepen tot een massabetoging aan de gebouwen van de staatstelevisie France 2, waar president Hollande, die volgens opiniepeilingen nog slechts de steun geniet van 27% van de Fransen, zal proberen om de natie terug te winnen in een speciale uitzending van 45 minuten.

1678_630651553617276_250548895_n

Het mediaverkeer met betrekking tot deze evenementen loopt voor het grootste deel langs de sociale netwerken en blogs. De reguliere media, op een paar uitzonderingen na, proberen deze massabeweging tegen het homohuwelijk dood te zwijgen of te minimaliseren. Ook bij ons lees en hoor je er nauwelijk iets van. Het is juist deze arrogante en misprijzende houding die de vastberadenheid en oprechte woede van de beweging aanwakkert en haar met de dag doet groeien. We hebben hier te maken met de grootste protestbeweging uit de Franse geschiedenis sinds mei ’68.

Er komen echter meerdere factoren samen. Frankrijk heeft te kampen met meer dan drie miljoen werklozen, een falende economische relance, zeer hoge criminaliteitscijfers, hoge fiscale druk op de middenklasse, overregulering in de industrie, … Al deze factoren zijn nog verergerd sinds het aantreden van de regering Hollande-Ayrault. Het enige succes is de militaire interventie in Mali. Maar die loopt nog en lijkt langer aan te slepen dan verwacht.

Sinds zondag heeft Jean-Luc Mélénchon, de leider van het extreem-linkse Front de Gauche dat tijdens de presidentsverkiezingen goed was voor 14% van de stemmen, de socialistische regeringspartij de rug toegekeerd. Hij uitte zware kritiek op de minister van Financiën, Moscovici, die ‘meer denkt in termen van het internationale financiewezen dan in het belang van de Fransen’. Gezien Moscovici joods is, leverde dit Mélénchon zware beschuldigingen van antisemitisme op, hoewel hij dat niet zo bedoelde.

Waar Mélénchon zijn socialistische discours aan het nationaliseren is, heeft het Front National van Marine Le Pen haar nationalistische discours gesocialiseerd. Wat haar bij de afgelopen partiële verkiezingen in de Oise 45% van de socialistische stemmen opleverde in de tweede ronde tegen de UMP-kandidaat.

Er hangt in Frankrijk momenteel veel spanning in de lucht. Alles zal afhangen van de houding en compromisbereidheid van de socialistische regering in de volgende dagen en weken. Hollande kan de situatie ontmijnen of de Fransen verder negeren en doen alsof er niets aan de hand is. In het laatste geval zou dit het einde van zijn regering kunnen betekenen. Een onbekende factor is de toestand in de licht ontvlambare buitenwijken rond Parijs. Als daar de vlam in de pan slaat, duikt Frankrijk in een oncontroleerbare chaos.

Posted on Leave a comment

Waar komt al dat geweld in Noord-Afrika toch vandaan?

Geweld in Noord-Afrika (en geweld elders in de wereld dat zijn oorsprong vindt in Noord-Afrika) is niets nieuws en ook niet iets van vandaag of gisteren. Ik weet nog heel goed dat ik een keer als kleine jongen met mijn ouders ergens midden in de jaren ’90 meeging naar Disneyland Parijs en dat toen eerst de trein naar Parijs werd doorzocht op explosieven vanwege terreurdreiging van de Algerijnse Groupe Islamique Armé (GIA). De situatie van geweld en dreiging van geweld is dus al een tijdje aan de gang, maar dat ontslaat ons niet van de vraag “waar komt de vloedgolf van geweld in het dagelijkse journaal toch vandaan?”. Het geweld lijkt namelijk te intensiveren en op hetzelfde moment een groter aardoppervlak te bereiken.

Het nieuws wat we in de gangbare kranten lezen en op de gangbare TV stations zien vertoont nogal wat gaten in tijd en logica. “Opeens” is er een “Arabische Lente”. “Opeens” is Khadaffi dood. En “opeens” is er geweld in Mali. De indruk wordt gewekt dat de “Arabische Lente”, de dood van de dictator en het geweld in Mali in ontologisch opzicht op zichzelf staan en zich in aparte universa afspelen. Door deze gefragmenteerde berichtgeving kan de kijker al deduceren dat er nogal wat zaken niet verteld worden in het beste geval en in het slechtste geval feiten bewust worden verzwegen.

Laten we vooropstellen dat het geweld in de eerste plaats wordt gepleegd door Islamitische extremisten. Zij zijn het die uiteindelijk de wapens oppakken om vervolgens hun talloze bedreigingen in daden om te zetten. Toch kan ik met alle goede wil van de wereld niet gemakkelijk een punt zetten achter die laatste zin. Er is namelijk meer gebeurd dan een heleboel extremisten die plotseling de wapens oppakken. Er is ook beleid gevoerd vanuit de Amerikaanse en Europese politieke hoofdsteden om Khadaffi, de dictator van Libië, Ben Ali de autoritaire leider van Tunesië en de belangrijkste: Moebarak, dictator van Egypte uit hun functies te verdrijven. In het geval van Khadaffi werd zelfs moord niet geschuwd om de klus te klaren.

Links-liberaal Nederland
Het begon na de verdrijving van deze 3 leiders al direct met de toon in de mainstream media. Er werden allerlei premature en veel te verre conclusies getrokken over bijvoorbeeld “Geert Wilders die ongelijk zou hebben over de islam” in dagblad Trouw. Maar ook andere kranten zoals de Volkskrant en het NRC gingen mee in het geluid van progressief links-liberaal Nederland dat nu een Arabische Lente was aangebroken en dat de slogans zoals “liberale Arabische internetgeneratie”, “twitterrevolutie”, “vrouwenrechten”, “verdraagzaamheid”, “tolerantie” en “respect” boven “Allah is groot” zouden gaan.

In Libië is veel wapentuig en munitie uit kazernes en wapendepots geplunderd en nooit meer ingeleverd.
In Libië is veel wapentuig en munitie uit kazernes en wapendepots geplunderd en nooit meer ingeleverd.

Vooral Khadaffi lijkt nu dood gevaarlijker dan levend. Het begon al met de wapens die niet ingeleverd werden door de verschillende anti-Khadaffi milities en daarna is het eigenlijk nooit meer goed gekomen. Het democratische debat dat de Westerse media verwachtten in Libië werd vooral gevoerd met bedreigingen waarna de geweren tevoorschijn kwamen en het “democratische debat” aanving. Met de moord op de Amerikaanse ambassadeur Chris Stevens werd zelfs voor de mainstream media duidelijk dat in Libië iets vreselijk mis is gegaan.

Volgens de officiële lezing kwam de Libische dictator op de vlucht de verkeerde mensen tegen en werd vervolgens getroffen door het noodlot. Vooral het “waarom” rond de dood van Khadaffi is interessant. Het hoe, wie, wat, waar, zijn uiteindelijk maar details. Wie durft af te wijken van de mainstream media wordt eenvoudig gepresenteerd op een antwoord. Khadaffi heeft de verkiezingen van Sarkozy gefinancierd en kon dat openbaren. Daarmee zou de herverkiezing van Sarkozy in gevaar komen (die hij overigens verloor, mede door een ander verkiezingsfinancieringsschandaal).

Daarmee hadden de hoogste Franse politieke kringen een objectief motief om Khadaffi te vermoorden. Ook Londen had een motief, namelijk wraak over de Lockerbie-affaire en daarna de vernederende vrijlating van de veroordeelde dader vanwege een oliedeal. Ten overvloede was Khadaffi socialist en dat werkte tegen de Westerse multinationals die in Libië naar olie en gas boren. Daarmee was het executiebevel van Kadhaffi zo goed als getekend. Het toedekken van deze corruptie werd door onze regimemedia verkocht als ideële vrijheidsstrijd, militair gesteund door Frankrijk en Engeland met de Verenigde Staten op de achtergrond.

Toearegrebellen in Mali
Toearegrebellen in Mali

Zwarte Afrikanen
Er is dus weinig twijfel dat diverse kopstukken in Engeland, Parijs en ook Washington bloed aan hun handen hebben. Toen het probleem Khadaffi echter uit de weg was geruimd creëerde men daarmee een nieuw probleem. De huurlingen van Khadaffi. De huurlingen van Khadaffi waren namelijk stammen uit de Subsahara regio. Deze mensen zijn voornamelijk zwarte Afrikanen. Toen in Libië na de moord op Khadaffi een golf van racistisch geweld tegen deze huurlingen de kop op stak, plunderden deze mensen de aanzienlijke wapendepots van de voormalige dictator en vertrokken naar …, u raadt het misschien al, Mali.

Het is dan ook geen toeval dat de moord op Khadaffi vloeiend overging in een geweldsspiraal in het noorden van Mali. Het voorlopige dieptepunt is een gijzeling in Algerije als “protest” tegen het militaire ingrijpen in Mali, maar ik vrees dat dit bloedbad niet het eerste, noch het laatste zal zijn.

Om tot een conclusie te komen is het een keuze tussen iets slechts en iets minder slechts. Tussen een onrechtvaardige status quo met duivels die we kennen, of een nieuwe situatie, met duivels die we nog niet kennen. Maar als dat de keuze is dan moeten we daar mee leren leven. Daarom: ja, ik wil liever een nieuwe Moebarak voor Egypte dan een nieuwe islamitische dictator. Ja, liever president Assad en zijn kliek aan de macht in Syrië dan iemand met een baard en een AK-47 in zijn handen als president.  Ja, liever Khadaffi en zijn maffe toespraken en rare streken dan de huidige wanorde in Libië.

Maar gezien de voldongen feiten op de grond vrees ik dat we in de toekomst opgescheept zullen zitten met een islamitisch Egypte, een islamitisch Syrië en een islamitisch Libië. En waarom daar stoppen? Een radicaal-Islamitisch Noord-Afrika vol met onrust en geweld is met deze feiten niet ondenkbaar. Sterker nog, er is helemaal niets dat het geweld tegenhoudt zich te verspreiden naar ons mooie Europa en gezien de actualiteit lijkt vooral Frankrijk in direct gevaar. Dit omdat president Hollande in naam van tolerantie en wat neer komt op linkse zelfhaat het heeft vergemakkelijkt om tussen Frankrijk en Algerije te reizen. De Franse politieke elite is daarmee net een pyromaan die eerst benzine uitgiet over zijn eigen huis en daarna het huis van de buren in brand steekt.

Deze voldongen feiten en de dreiging van geweld in Europa zijn dus niet los te koppelen van het beleid dat in Parijs, Londen en Washington bedacht en uitgevoerd werd. En dat is geen fijne gedachte nu diezelfde Europese landen hun legers hebben wegbezuinigd en nu met verdragen (lees: stukken papier) en leningen ons Europeanen uit de Noord-Afrikaanse gehaktmolen proberen te houden.

Dit opinieartikel is oorspronkelijk verschenen in het Katholiek Nieuwsblad van 25 januari 2013.

Posted on 7 Comments

Waarom is Roemenië niet rijk?

Het is verbazingwekkend om te bemerken dat naar schatting tussen de 4 en 8 miljoen Roemenen het land hebben verlaten. President Traian Basescu heeft het aantal zelfs op 12 miljoen geschat. En dit voor een land met een bevolking van 22 miljoen, wat betekent dat tussen de 18 en 36% van de bevolking het land verlaten heeft. Waar zou ik dat aantal nu mee kunnen vergelijken? Denk hier maar aan: In Ierland, tussen 1845 en 1852, stierven één miljoen mensen en nog één miljoen emigreerden, op een totaal van 8 miljoen mensen, oftewel 25% van de bevolking. Maar Ierland was een onderdrukt land, bezet door buitenlanders en verkeerde middenin een grote nationale tragedie, de Ierse hongersnood, ook wel bekend als ‘Potato Famine’ (aardappelhongersnood). Ik wil maar zeggen, het soort emigratie dat we in Roemenië zien, zouden we normaliter associëren met oorlog, hongersnood en onderdrukking.

Maar er lijkt geen grote tragedie te zijn in Roemenië die zoveel van haar kinderen ertoe gebracht heeft het land te ontvluchten, noch is er in dit land van vruchtbare akkers en vaardige boeren enige sprake van hongersnood. Sterker nog,  het heeft er alle schijn van dat niet de onderdrukking, maar het eind van de onderdrukking de exodus in gang heeft gezet. Zodoende kunnen we ons afvragen, “Waarom betekende vrijheid voor Roemenië voor zoveel van haar kinderen de vrijheid om Roemenië te verlaten? Waarom betekende ‘een beter leven’ voor zoveel Roemenen een leven buiten Roemenië?”

Het is verleidelijk om te antwoorden, dat Roemenië een arm land is, maar de volgende vraag is dan: “Waarom is Roemenië niet rijk?” Als we een arme samenleving zien, kunnen we ons afvragen of hun armoede natuurlijk is. Misschien heeft God dat land, net als de uitgestrekte Sahara, niet gezegend met de gaven waar rijkdom vanaf hangt. Als we echter een land als Roemenië beschouwen, dan zien we vruchtbare hoogvlakten en valleien, groene weiden, rivieren vol vis, bergen rijk aan mineralen. We zien een land met grote natuurlijke rijkdom, met al het denkbare waarmee een liefdevolle God een volk zou kunnen zegenen.  Het probleem kan dus niet bij God liggen. Het moet derhalve wel bij de mens liggen. Als de mensen de boer een slaaf van de bankier hebben gemaakt, kunnen de mensen het probleem oplossen. Als een natie  in de schuld is komen te staan van buitenlandse mogendheden, kan ze haar eigen vrijheid hervinden. Ze kan werkelijk vrije markten tot stand brengen, en niet het kapitalistische schijnbeeld daarvan; ze kan werkelijk vrije mensen voort brengen, en niet de mythische ‘homo economicus’ of ‘homo sovieticus’; ze kan waarachtige burgers voortbrengen, die in echte families en echte steden leven gebaseerd op echte rijkdom, niet financiële rijkdom. En ze kan dit alles doen, als ze het echt wil. Er is niets dat een dergelijke natie in de weg staat, behalve zijzelf.  Wat weerhoudt Roemenië er dan van – en wel dermate dat zovelen menen het land te moeten verlaten om serveerster te worden in Italië of aardbeienplukker in Spanje?

“Als we een land als Roemenië beschouwen, zien we vruchtbare hoogvlakten en valleien, groene weiden, rivieren vol vis, bergen rijk aan mineralen.”

Staat u mij toe om te suggereren dat wat hier mankeert een Roemeense oplossing voor Roemeense problemen is. Eeuwenlang betekende Roemeen zijn, of ten minste, deel uitmaken van de Roemeense elite, dikwijls vooral naar buiten kijken en niet zozeer naar binnen. Nu moet ik hier bij voorbaat om uw verschoning bidden, aangezien ik me hier ver buiten mijn domein van expertise begeef om slechts wat terloopse en wellicht oppervlakkige observaties te debiteren over het Roemeense karakter, en ik hoop dat niemand zich beledigd zal voelen. Het komt me echter voor, misschien op basis van ontoereikend bewijsmateriaal, dat er een zekere aangeboren bescheidenheid is onder de Roemenen. Dit is wellicht het resultaat van eeuwen onder vreemde overheersing, toen eerbied voor buitenlanders een overlevingsvaardigheid was. En studerende op de Roemeense taal valt vanuit het gezichtspunt van een Engelstalige op, dat de Roemeense taal zwaar leunt op de lijdende vorm, de aanvoegende wijs en de wederkerende vorm.

Nu is bescheidenheid een deugd; er kan bijvoorbeeld niet werkelijk iets geleerd worden zonder eerbied voor de bronnen van kennis. Wanneer de overlevingsvaardigheid echter een filosofische gewoonte wordt, bestaat het gevaar dat men de gaven die men ontvangen heeft over het hoofd ziet door altijd te denken dat de gaven van anderen zoveel beter zijn. En zo komt het, of zo komt het mij tenminste voor, dat Roemenen maar al te vaak ideeën hebben gevolgd die niet goed hebben uitgepakt voor de Roemenen om de eenvoudige reden dat ze voor niemand goed uit hebben gepakt. Maar aangezien deze ideeën prestige hadden in buitenlandse hoofdsteden, kregen ze ook prestige onder Roemeense elites.

Laat me bij wijze van voorbeeld wijzen op een curieuze parallel. In de laatste dagen van het bewind van de tiran, liet Ceausescu zijn volk verhongeren om de buitenlandse schuld af te betalen. Kijk nu eens naar de situatie in Europa vandaag en we zien dat de oplossing die voor Griekenland wordt voorgesteld is dat ze haar volk zou moeten laten verhongeren om de buitenlandse schuld te kunnen betalen. Dat wil zeggen, wat het communisme bewerkstelligde met tanks en de Securitate, bewerkstelligt het financiële kapitalisme met schuldpapieren en bankiers.

Maar Ceausescu bereikte tenminste zijn doel; de nieuwe liberale regering ving aan zonder dat de staat ook maar een leu schuldig was aan wie dan ook. Ik ben hier niet om op welke manier dan ook de tiran te verdedigen, maar ik teken wel aan dat Ceausescu ten minste tot het inzicht kwam dat alle leningen van Washington een val waren en hij wilde de controle vanuit Moskou niet inruilen voor controle door Washington. Ceausescu besefte wat de Grieken nu pas leren: dat het verlies van de eigen munt het verlies van de eigen soevereiniteit betekent.

Maar onder het bewind van de nieuwe globalisten staat de buitenlandse schuld opnieuw op 33% van het BBP en groeit hard; al het lijden van de natie is voor niets geweest. Buitenlandse entiteiten hebben nu een ferme greep op de economie, Griekse, Oostenrijkse en Franse banken controleren meer dan de helft van de middelen van de banken van de natie, terwijl 60% van de schulden van de natie in buitenlandse valuta zijn. Het is waarschijnlijk zelfs waar dat Ceausescu in sommige opzichten meer onafhankelijkheid van Moskou had dan Basescu van Brussel. Het is bijvoorbeeld aan Basescu noch het Roemeense volk om de omvang van de Roemeense begroting te bepalen, dat wordt in een bureau in België gedaan.

Dit brengt ons ertoe een curieuze parallel op te merken tussen het universalisme van Marx en het globalisme van de kapitalisten. Voor beide betekenden plaats en cultuur niets; mondiaal kapitalisme kent, net als internationaal communisme, geen beperkingen en erkent geen grenzen. Is het niet op zijn plaats om te vragen of Brussel de basis is van een Vierde Internationale, met teksten geleverd door Goldman-Sachs, op een wijsje gespeeld op een kassa en begeleid door de onheilige drie-eenheid van de Wereldbank, het WTO en de ECB? Zoals de criticus van het marxisme Slavoj Zizek opmerkte, “Het socialisme faalde doordat het uiteindelijk een ondersoort van het kapitalisme was … Marx’ notie van de communistische samenleving is zelf de inherente kapitalistische fantasie.”

De parallellen tussen deze Vierde Internationale en haar grove voorlopers kunnen verbazingwekkend zijn. De communisten verzamelden bijvoorbeeld de productie in omvangrijke collectieven, conglomeraten die iedere concurrerende bron van productie en politieke macht uitsluiten, en concentreerden het effectieve eigendom in de handen van de bureaucraten. In de kapitalistische wereld wordt echter de productie verzameld in omvangrijke conglomeraten, collectieven die iedere concurrerende bron van productie en politieke macht uitsluiten, en het effectieve eigendom concentreren in de handen van bureaucraten. Als je een willekeurige ‘supermarkt’ in Amerika binnengaat, zul je een breed scala aan ‘concurrerende’ producten vinden. Maar als je de etiketten af pelt, zul je zien dat er in iedere sector slechts twee of drie conglomeraten zijn die als kartel de markt verdeeld hebben, waarmee je de illusie van concurrentie gegeven wordt, zonder de realiteit. Stalin zou stom verbaasd zijn over de mate van collectivisatie die men in het Westen bereikt heeft, als iets dat zijn wildste dromen te boven gaat.

De kapitalisten hebben laten zien dat ze efficiënter zijn in de keuze van middelen voor sociale controle. De communisten zouden bijvoorbeeld de geheime politie inzetten tegen de arbeiders. Maar de kapitalisten kunnen het een beter: zij zetten de arbeiders tegen de arbeiders in. Autoproducent Dacia die in Frans bezit is opende bijvoorbeeld recent een fabriek in Marokko, die werkgelegenheid weg zal nemen van de fabriek in het Roemeense Moveni. Jerome Olive, CEO van Automobile Dacia, stelde dat het bedrijf de concurrentie tussen de twee fabrieken wil “stimuleren”, zodat “de fabriek die de goedkoopste [auto’s] maakt, de meeste orders zal krijgen.” Ik vermoed dat dit een efficiëntere manier is om de arbeiders te onderdrukken en daarbij veel goedkoper dan het inhuren van politieagenten.

Posted on 1 Comment

Islamisering en de identiteitscrisis van Europa

Na mijn artikels over hoe het christendom in Europa en in het Midden-Oosten onder druk staat, gaat dit artikel over de islamisering van Europa. Met het oog op de huidige trends is het zonneklaar dat islamitische bevolkingsgroepen een meerderheid kunnen worden in 20 of 30 jaar en in in veel West-Europese steden en landen is er reeds een groter aantal praktiserende moslims dan er praktiserende christenen zijn. Nadat ik het rapport van het Barnabas Fund over de islamisering van Europa had gelezen, besloot ik over dit onderwerp te schrijven.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en heeft haar twee maal weer verlaten… Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers (..)”, aldus Youssef el Qaradawi, hoofd van de Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek, op Al Jazeera, 24 januari 1999.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en haar weer verlaten.” Dat is juist, de islam is tweemaal gekomen, beide keren met legers en heeft twee maal weer moeten vertrekken onder druk van christelijke legers.

Eerst zetten ze voet op Spaanse bodem aan het begin van de 8e eeuw, arriveerden in Frankrijk en werden verslagen bij Poitiers in 732 na Christus. Tweeëneenhalve eeuw later begon de Reconquista van het Iberisch schiereiland, die eind 15e eeuw voltooid werd. Terwijl de christelijke bevolking als slaven was behandeld, werden resterende moslims bekeerd tot het christendom of verbannen en moskeeën werden veranderd in kerken.

Later, aan de andere kant van Europa,  werden Ottomaans-Turkse stammen islamitisch in de 9e eeuw en vestigden zich in Klein-Azië. Ze werden een regionale grootmacht tegen het einde van de 13e eeuw. Territoria die eens geregeerd werden door het Oost-Romeinse rijk vielen een voor een in Ottomaanse handen. De Turken betraden Europa in het midden van de 14e eeuw, ondanks vele glorieuze overwinningen door Europeanen was het grootste deel van Zuidoost Europa tegen het einde van de 16e eeuw onder Ottomaanse heerschappij gebracht.

De Poolse koning Jan Sobieski III drijft de Turken terug bij het Beleg van Wenen, schilderij van Jan Mateiuko.

De onsuccesvolle belegering van Wenen in 1683 leidde tot een zichtbare verzwakking van de Turkse aanwezigheid in Europa en de kruisvaarders bevrijden Boedapest (1686) en de rest van Centraal-Europa in de jaren daarna. Wie zich bekeerd hadden tot de islam bekeerden zich weer tot het christendom. Tegen het begin van de 20e eeuw namen de nationale gevoelens op de Balkan toe en verloor Turkije de meeste van zijn Europese gebieden, Constantinopel (nu Istanbul) bleef echter in Turkse handen, tot op de dag van vandaag. Helaas waren politieke belangen sterker dan godsdienstige solidariteit voor veel Europese leiders. Het islamitisch bestuur werd in 1923 afgeschaft, maar de erfenis van het bewind bleef sterk in diverse gebieden zoals Bosnië, Albanië en de Kaukasus en gebieden rond de Zwarte Zee die in handen van de Tataren waren.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Rond de Eerste Wereldoorlog was de islam verzwakt, een zwak islamitisch (Ottomaans) rijk, islamitische landen die door Europese landen gekoloniseerd waren, socialistische/communistische ideologie die zich snel verspreidde onder de lagere klasse en pan-Arabische bewegingen die aanhang begonnen te verwerven in Arabischtalige landen.

Na de Tweede Wereldoorlog besloten Europese leiders een economische unie te creëren om onderling oorlog onmogelijk te maken. Het Oude Continent was verwoest na de vernietigende oorlog en in de jaren ’60 kwam hier nog een verandering in denken en levensstijl overheen. De gemiddelde religiositeit nam af, vrouwen kregen minder kinderen naarmate hun rol op de arbeidsmarkt toenam.

Er ontstond behoefte aan goedkope arbeiders; arbeidsmigranten kwamen, eerst uit Italië en Joegoslavië, daarna uit het Midden-Oosten en voormalige kolonies (gemeenschappelijke geschiedenis en taal). Turken gingen naar Duitsland, Algerijnen, Marrokanen en zwarte Afrikanen naar Frankrijk, Indiërs, Pakistanen en zwarte Afrikanen naar het Verenigd Koninkrijk.

In de jaren ’60 waren er enkele honderdduizenden moslims in West-Europa, wat toentertijd geen probleem was. Het geboortecijfer was laag, maar Europeanen waren nog in staat de groei van de samenleving in stand te houden, immigranten brachten nog niet hun gezinnen mee en de verzorgingsstaat was nog niet zo genereus.

Tegen het einde van de jaren ’60 zijn er twee data die als begin van een nieuw tijdperk beschouwd kunnen worden:

  • 1967: 3e Arabisch-Israëlische oorlog. Israël versloeg de Arabische legers die veel groter waren in aantal soldaten en uitrusting en dit veroorzaakte een gigantische publieke verontwaardiging onder Arabische bevolkingen. De Arabische leiders en zelfs de Arabische militaire leiding waren niet in staat een gedisciplineerde strijd te voeren. Rond die tijd realiseerden de mensen zich dat de Arabisch-Nationalistische idee niet in staat is de Arabischtalige naties te verenigen en zelfs niet om een zwakke staat, zoals Israël toen nog was, te verslaan. Dit kan beschouwd worden als de start van een hernieuwde opkomst van de politieke islam.
  • 1968: In Frankrijk breken rellen uit tegen het traditionele maatschappelijke model. Onder andere Daniel Cohn-Bendit leidt een opstand die seksuele vrijheden eist en ‘een betere wereld’, zoals ik in mijn eerdere artikel besprak.

Tegen het einde van het millenium was de Sovjetdreiging niet langer aanwezig, Europese regeringen hadden de gelegenheid zich te concentreren op economische groei en ze zagen immigratie als een oplossing voor het demografische tekort. Met de introductie van de Euro was er een breed gedeelde overtuiging onder politieke elites dat er nooit meer oorlogen uit zouden breken en dat culturele en politieke eenheid in enkele decennia tijd vanzelfsprekend zou worden en dat de multiculturele samenleving, zoals de Verenigde Staten die kennen, sowieso een nastrevenswaardig ideaal is.

Het verschil is dat de immigratie naar Europa geen selectieve immigratie is, en dat er meer rechten dan plichten zijn, immigranten werden aangemoedigd hun eigen tradities en gebruiken te bewaren, in plaats van de taal en de gewoonten van het land van aankomst te leren.

Heden ten dage heeft het aantal moslims 5,5 miljoen bereikt in Frankrijk alleen. In heel Europa tellen zij circa 30 miljoen. De graad van radicalen binnen de islamitische gemeenschap is relatief veel hoger dan in andere gemeenschappen en dit is de bron van conflicten tussen hen en de  samenlevingen waarin zij verblijven.

De spanningen tussen islamitische immigranten en lokale mensen en de opkomst van extreem-rechtse of rechts-populistische bewegingen in Europa hebben vele oorzaken. Ik noem een aantal voorbeelden voor een beter begrip:

  • Demografie: hun aantal groeit veel sneller dan dat van andere gemeenschappen, omdat islamitische vrouwen 2,5 keer zoveel kinderen baren als de gemiddelde vrouw in Europa. Immigranten ontvangen meer subsidie dan dat zij werken en belasting betalen, aldus extreem-rechtse bewegingen en diverse statistieken.
  • Islamisering: In Europese steden worden honderden moskeeën gebouwd, vele financieel bijgestaan door de ‘ a-confessionele’ staat. Olierijke landen financieren islamitische zendingsorganisaties om de islam te verspreiden onder niet-moslims, in plaats van de bestrijding van armoede in eigen land. Ze willen niet-moslims bekeren tot hun religie en een groot, zichtbaar aandeel van de vrouwen draagt een hoofddoek, in het straatbeeld verschijnen geleidelijk meer vrouwen in hijab of niqab, een groot aantal mannen draagt een baard of een djellaba, waardoor het beeld van de bevolking in het algemeen verandert. Mohammed is inmiddels de meest voorkomende naam voor pasggeboren jongens in Brussel, Londen en Milaan.
  • Sociaal: werkloosheid wordt een steeds groter probleem, naarmate goedkope arbeiders worden aangenomen in plaats van lokale mensen in dienst te nemen. In Frankrijk hangt de opkomst van het Front National vooral samen met het grote aantal werklozen in de arbeidersklasse. Een ander punt is het terug sturen van geld door immigranten naar hun land van herkomst, in Frankrijk wordt het jaarlijkse bedrag dat naar buitenlandse familie wordt overgemaakt op 20 miljard euro geschat.
  • Veiligheid: in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, bestaan de meeste bendes uit 2e of 3e generatie immigranten. Een deel van hen die niet in staat waren zich goed te integreren in de samenleving en geen werk hebben, voelen zich gediscrimineerd door de samenleving. Er is hoe dan ook wel enige mate van discriminatie en angst voor hen. Op Duitse scholen zijn Turkse bendes de oorzak van een groot probleem voor hen die zich graag zouden willen richten op het lesgeven en het leren. In het Verenigd Koninkrijk worden groepsverkrachtigen een ernstig probleem dat snel toeneemt.
  • Politieke lobby: islamieten beïnvloeden de binnenlandse en buitenlandse politiek van het land van aankomst. Naarmate hun aantal toeneemt vormen ze een steeds belangrijkere groep kiezers. Veel politici, bijvoorbeeld Jacques Chirac en Gerhard Schröder, spraken zich uit voor toetreding van Turkije tot de EU, om islamitische kiezers voor zich te winnen. Parlementen en gemeenteraden introduceren bestuurlijke maatregelen om de islam gelijke institutionele rechten te geven, ook al zijn ze een nieuwe factor in de publieke samenleving en is hun aantal op het geheel van de bevolking vooralsnog klein.

Om terug te komen op het rapport, de islamisering van Europa wordt op de volgende wijze bereikt. Moslims immigreren op grote schaal naar Europa, krijgen meer kinderen en bekeren niet-moslims met diverse middelen.

Extreem-links, dat zich verzwakt wist na de val van de Sovjet-Unie heeft in de radicale islam een nieuwe bondgenoot gevonden om het christendom en de vrije markteconomie te bevechten. Ze delen een haat voor de Verenigde Staten van Amerika. In de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen van 2012, nodigde het Front de Gauche, dat zijn campagne opbouwde rond ‘ sociale gerechtigheid’  en “confiscatie” van het vermogen van de rijken, radicale islamieten uit voor zijn bijeenkomsten.

Moslims hebben een missie: wat veel bekeerlingen in de islam zien is dat zij een strijd hebben en vechten voor hun recht (Palestina, Tsjetsjenië, imperialisme etc.). Islamitische zending (Da’wa) bestaat uit 2 delen: interne en externe zending. Interne da’wa betekent het doen herleven van de praktisering van de religie, externe da’wa betekent het verkondigen van de religie en niet-moslims ertoe brengen haar te aan te nemen.

Ze bouwen steeds meer en steeds grotere moskeeën om hun zelfverzekerdheid en kracht te laten zien, extreem-rechtse bewegingen beschuldigen islamieten dan ook vaak van het demonstratief laten zien van hun kracht door grotere huizen van samenkomst te hebben dan christenen.

Islamieten bidden op straat in Parijs.

Ze willen de islamitische sharia introduceren, terwijl Europese samenlevingen voornamelijk hedonistisch zijn geworden en gebaseerd op consumptie; ze zien hun levensstijl als een antwoord op de problemen van drugsgebruik, alcoholisme en prositutie. Islamitische groepen doen in sommige gevallen een openlijk beroep op het publiek hun sharia te accepteren. In Oost-Londen zijn er enkele wijken waar radicalen de sharia tot de officiële bron van wetten hebben uitgeroepen (inclusief een verbod op gokken, muziek of concerten, prostitutie en drugs).

Naarmate Europese overheden deze interpretaties van de sharia erkennen als representatief voor de gehele islam, versterken zij de positie van radicalen en verzwakken ze die van gematigde moslims. Er bestaan shariarechtbanken in Groot-Brittannië en ze worden ook geïntroduceerd in België, ze worden bestuurd vanuit moskeeën. Dit legt de zwakte bloot van het nationale ‘seculiere’ rechtssysteem.

Ze bedreigen de vrijheid van meningsuiting en dreigen met geweld, hierin zijn ze vergelijkbaar met radicale secularisten en Holebi-organisaties, aangezien ze respect, tolerantie en objectiviteit eisen, maar die niet altijd aan anderen geven.

De fatwa tegen Salman Rushdie (1989) en de moord op Theo van Gogh (2004) laten zien dat radicale moslims een bedreiging vormen voor een ieder die zich openlijk tegen hen uitspreekt. Ze vormen een bedreiging voor de vrijheid van godsdienst, er zijn veel recente voorbeelden waarin bekeerlingen van islam tot christendom werden beledigd, bedreigd en achtergesteld.

Islamisering wordt gefinancierd op uiteenlopende manieren en vanuit diverse landen:

  • Individuen: islamieten doneren intensiever, aangezien zij de moskee vaker bezoeken dan christenen hun kerken. Er zijn gevallen bekend in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken, waarin mensen geld verkregen uit belastingfraude.
  • Islamitische organisaties: overwegend liefdadigheidsorganisaties die zich specialiseren in het helpen van de armen, maar tegelijkertijd de islamitische leer verspreiden en vrouwen aanmoedigen een hoofddoek te dragen.
  • Islamitische staten: veel van deze staten zijn olierijk, de Golfstaten hadden een begrotingsoverschot van bijna 500 miljard USD door hoge olieprijzen, ze geven meestal het geld uit dat verkregen is door beleggingen van hun fondsen en aan liefdadigheidsprojecten. Deze fondsen worden voornamelijk toegekend aan islamitische organisaties. De grootste bijdragers zijn Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Iran, Algerije en Libië.
  • Gemeentebesturen: een voorbeeld, Alain Juppé, de huidige minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk en tevens burgemeester van Bordeaux, verkocht 8500 vierkante meter land aan de lokale moslimraad voor een symbolisch bedrag van 1 euro. Bordeaux had conform marktprijzen 677.000 EUR kunnen verdienen.
  • West-Europese staten: In 2004 pleitte Nicolas Sarkozy voor staatsfinanciering voor moskeeën, ondanks het formele secularisme van de Republiek. Volgens een rapport was 30% van de jaarlijkse inkomsten van moskeeën afkomstig van de staat.
  • Islamitisch bankieren: islamitische bankieren is wijdverbreid, zowel in West-Europa als in de Golfstaten. Europa zou graag Arabische investeerders aantrekken. Van Londen wordt wel gezegd dat het de meest shariavriendelijke investeringsbestemming is in Europa.

Ze leggen beslag op onderwijsinstellingen en radicale predikers zijn zeer actief aan Europese universiteiten. Ze vragen om speciale gebedsruimten in scholen en universiteiten en radicale imams worden toegelaten aan universiteiten, veel islamitische terroristen hebben aan Europese universiteiten en hoge scholen gestudeerd. Islamitische meisjes wordt gevraagd een hoofddoek of gezichtssluier te dragen.

Een andere kwestie verwant aan dit onderwerp is de druk op onderwijsinstellingen om onderwerpen gerelateerd aan de islam op zo’n wijze te doceren dat een positief beeld wordt gegeven van hun religie. Regeringen, onderwijzers en uitgevers die willen voorkomen beschuldigd te worden van racisme en islamofobie geven dikwijls aan zulke verzoeken toe.

Hun isolatie en afscheiding bemoeilijkt integratie en assimilatie. Er zijn veel voorbeelden, zoals de zogenaamde ‘homovrije zones’ in het Verenigd Koninkrijk en Kreuzberg in Berlijn. Kreuzberg was een wijk die werd bevolkt door mensen uit de arbeidersklasse en linkse jongeren in de jaren ’20, heden ten dage bestaat de bevolking van de wijk die ongeveer een half miljoen beslaat voor 80% uit Turkse immigranten. In Frankrijk kunnen de voorsteden beschouwd worden als de ghetto’s van de werkloze 1e, 2e en 3e generatie immigranten, de islamisering verspreidt zich daar het snelst.

En alles dat ik hierboven heb beschreven gaat slechts over de islamisering van Europa. Eerder schreef ik al over de vervolging van christenen in islamitische landen.  Om de opsomming van voorbeeld af te sluiten, zou ik nog willen noemen dat het bestuur van een van de meest prestigieuze voetbalclubs van Europa, Real Madrid, recent besloten heeft het kruis uit haar logo te verwijderen om investeerders uit Qatar terwille te zijn (formeel vanwege islamitische fans).

Aangezien het Wereldkampioenschap Voetbal in 2022 in Qatar plaats vindt: ‘Zullen Engeland, Zweden en Denemarken nu moeten kiezen tussen de verticale en de horizontale lijn in hun vlag?’, zoals een Hongaarse blogger zich afvroeg in zijn artikel waarin hij sprak van een ‘re-reconquista’.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden.”

Nu, het gaat inderdaad om ideologie, verkondiging, geld (misschien wel het belangrijkste) en de identiteitscrisis van West-Europa zelf.

“Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Het lijkt zeer goed mogelijk, maar misschien is er nog een christelijke minderheid in Europa die een missie heeft deze trend te keren.

 

Wat zou dan de oplossing zijn?

“Who wants to avoid suffering, suffers twice” (Wie lijden wil vermijden, lijdt twee maal), zegt een Engels spreekwoord.

Veel Europese leiders denken door het binnenhalen van immigranten in hun landen, zich te verzekeren van genoeg goedkope arbeidskrachten voor de economie en de pensioenen te kunnen redden, dit is volstrekt onverantwoord. Velen geloven dat ze immigranten moeten toelaten in hun land, omdat gekoloniseerde naties veel geleden hebben onder de kolonisatie. Dit denken is wijdverbreid in Frankrijk en is deels waar, maar we moeten wel weten dat het aantal inwoners (Arabieren en Berbers) in bijvoorbeeld Algerije  enkele honderdduizenden besloeg in 1830 en dat deze bevolking 9 miljoen (!) telde in 1960. De meeste infrastructuur en veel monumentale gebouwen in het land zijn door Fransen en andere Europeanen gebouwd. Europeanen onttrekken zich in feite van hun verantwoordelijkheid nu hun samenlevingen vergrijzen en niet in staat zijn hun pensioensysteem in stand te houden en vele anderen accepteren de stelling dat de kolonisatie alleen maar slechte effecten had en christendom een instrument was om mensen te onderdrukken.

Wij Europeanen moeten ons zelfvertrouwen herwinnen, we moeten trots zijn op ons verleden, onze geschiedenis, voorouders en wat onze culturen bereikt hebben en we moeten onze godsdienst en haar heiligen weer leren waarderen. We moeten proberen onze oudere gewoonten weer te doen herleven, respect voor grijze haren, het huwelijk, familie- en burenhulp en algemene solidariteit.

De meeste immigranten komen voor betere carrières, een hogere levensstandaard, maar ze zien dat Europeanen geen sterke overtuiging of identiteit hebben; er zijn te veel scheidingen, drugsproblemen, prostitutie en vereenzaming, ze geven er dan ook de voorkeur aan hun eigen gebruiken te conserveren in plaats van te integreren. De meeste moslims conserveren hun levensstijl, maar islamisten eisen veel van hun omgeving, dat zij zich aanpassen aan hun opvatting van het geloof en de gebruiken die daar bij horen en dit is onacceptabel. Immigranten zouden zich aan moeten passen aan de Europese levensstijl, maar wij moeten dan wel onze godsdienst en ons verleden waarderen, zodat wij een goed voorbeeld geven.

De financiering van de islamisering door Europese staten en instellingen en door buitenlandse mogendheden moet gestopt worden en moslims moeten zelf hun financiën regelen zoals ook andere gemeenschappen dat gewoon zijn. Dit zal spanningen doen afnemen. Moslims moeten zich realiseren dat ze niet bevoordeeld zouden moeten worden, ook niet als hun aantal nog toeneemt. Er zijn maar weinig politici die de moed hebben de verantwoordelijkheid op zich te nemen in deze kwestie, aangezien de druk groot is, zowel van binnen Europa als van buiten. Maar wij zouden ook een georganiseerde en vastberaden drukkingsgroep moeten vormen.

Europeanen moeten leren de kwestie van identiteit te begrijpen. Een immigrant zal nooit Frans of Engels of Duits worden als hij als volwassene aankomt in een land en daar 30 tot 40 jaar kan wonen zonder in te burgeren. Als slechts één van de ouders van een kind Europees is, zal het kind half Europees zijn. In de Verenigde Staten heeft 99% van de bevolking een tweede identiteit, voor of na dat men zich als Amerikaan beschouwt.

In Frankrijk zijn er geen minderheden, op papier althans. Een immigrant heet officieel Frans wanneer hij het paspoort bezit, er zijn echter honderdduizenden kinderen die geboren worden in Frankrijk en Duitsland en de taal van het land niet of zeer gebrekkig spreken en niemand tegen komen van de nationaliteit van het land waarin zij verblijven, behalve op school.

Ten slotte, religie maakt deel uit van de identiteit; dit is iets dat linksen niet willen horen of begrijpen. Een andere religie betekent andere gebruiken, andere feestdagen, een andere liturgische taal, een andere rol van de clerus en een andere visie op het leven, op de mens en de wereld.

Europa moet eindelijk wakker worden, politieke correctheid terzijde schuiven en zich realiseren dat het Christendom haar godsdienst is.