Posted on

Greta Thunberg – Professionele mediahype van grote spelers

Greta Thunberg

Als je afgaat op de indruk die in de mainstream media gewekt wordt, zou je denken dat het fenomeen Greta Thunberg zich min of meer vanzelf, slechts gedragen door de kracht van overtuiging en toewijding, over de wereld verbreidt. De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt wist echter reeds: “Niets in de politiek gebeurt toevallig. En als er iets gebeurt, dan was het zo gepland.” Dat Greta Thunberg een instrument van de politiek is, behoeft geen betoog.

De misvatting begint al eerder. Namelijk bij de veronderstelling dat de Fridays for Future-beweging door de jonge Zweedse in het leven zou zijn geroepen. Dat klopt niet, het plan is een paar jaar ouder. Terwijl de mediahype rond Greta Thunberg in 2018 losbarstte, hield de Plant for the Planet Foundation drie jaar eerder in Bonn reeds een mondiale jongerentop. Een uitkomst van deze bijeenkomst is op de website climastrike.net te vinden, waar het heet: “Op de Global Youth Summit in mei 2015 hebben we het idee van een mondiale schoolstaking voor klimaatbescherming bedacht.” Het duurde vervolgens drie jaar tot de mensen op de achtergrond Greta Thunberg als de geschikte woordvoerster gevonden hadden, om haar vervolgens het auteurschap van het idee voor de schoolstakingen toe te schrijven.

De mensen op de achtergrond

Om wie het bij die mensen op de achtergrond zou kunnen gaan, wordt duidelijk als je uitzoekt wie de Plant for the Planet Foundation opgezet en met de nodige middelen uitgerust heeft. Dat zijn verhelderend genoeg de Club van  Rome en het German Marshall Fund.

Club van Rome

De Club van Rome werd door David Rockefeller opgericht en verkreeg wereldwijde bekendheid toen het in 1972 het boek ‘Grenzen aan de groei’ publiceerde. Daarbij maakten vooral twee centrale voorspellingen indruk. Ten eerste de voorspelling dat er door het afsterven van bossen rond de millenniumwisseling in Europa geen bos meer zou zijn. Ten tweede de prognose dat tien jaar later de aardolievoorraden van de planeet verbruikt zouden zijn. In werkelijkheid nam het bos-oppervlak in Europa juist toe en werd er wereldwijd jaarlijks meer olie gevonden dan verbruikt. Deze faalprognoses doen echter schijnbaar niet af aan de naam van de Club van Rome. In de mainstream geldt deze club als maatgevend in de milieubescherming.

German Marshall Fund

De oprichting van het German Marshall Fund wordt wel aan de voormalige Duitse bondskanselier Willy Brandt toegeschreven, maar ook hier stuit je al snel weer op Rockefeller, die voorzitter van de organisatie is geweest. Naast Rockefellers Chase Manhattan Bank duiken nog andere goed gefinancierde Amerikaanse clubs op, zoals het Aspen Institute en de Carnegie Foundation. Niets ten nadele van Willy Brandt, maar naast zulke grote namen zal zijn invloed toch eerder gering zijn geweest.

Plant for the Planet Foundation

Zoals men voor het German Marshall Fund Willy Brandt als visitekaartje gebruikte, hanteerde men voor de Plant for the Planet Foundation al het systeem zoals later rond Greta en zette een kind voorop: Felix Finkbeiner. Finkbeiner zou volgens de officiële lezing in 2007, op de leeftijd van negen jaar, de stichting opgericht hebben. Er zijn nog andere overeenkomsten met Greta Thunberg. Net als zij tutoyeert hij met prominenten als prins Albert van Monaco of de Hollywood-filmster Harrison Ford. En zoals Greta met paus Fransiscus babbelt, hield Felix een toespraak voor de Verenigde Naties.

Felix Finkbeiner in Mexico, 2018 (foto: Victoria Kolbert)

Maar laten we wel wezen: op de een of andere manier moet het stichtingsverhaal toch anders zijn verlopen. Een negenjarige kan immers niet zelf een stichting oprichten. Zijn vader Frithjof zal er wel mee geholpen hebben. Die is namelijk (wat een toeval!) nauw betrokken bij de Club van Rome.

Alte Mu

Dat Greta Thunbergs Fridays for Future-beweging nauw verbonden is met de Plant for the Planet Foundation blijkt op hun Duitse website. De beide organisaties zijn innig verstrengeld. In het impressum van de website van Friday for Future is sprake van ene Ronja Thein met een adres in Kiel. Mevrouw Thein lijkt echter niet te bestaan. Bij navraag wordt naar veiligheidsoverwegingen verwezen. Het adres in Kiel is evenwel bekend als dat van een links-alternatief ‘cultuurcentrum’ (lees: kraakpand) met de naam ‘Alte Mu’. Daar zijn talrijke linkse organisaties gevestigd. Gevraagd naar een bankrekeningnummer voor FFF wordt verwezen naar de bankrekening van de bevriende Plant for the Planet Foundation.

Zelfstandigheid blijkt wassen neus

De voorgewende zelfstandigheid van de Fridays for Future lijkt kortom weinig voor te stellen. Via de Club van Rome en de Plant for the Planet Foundation spelen de Rockefellers een belangrijke rol in de financiering van het fenomeen Greta Thunberg. Maar waar Rockefeller geld spendeert, wil George Soros niet achterblijven. De notoire speculant en oorlogshitser heeft ook een belang in de klimaatbusiness.

Luisa-Marie Neubauer en Greta Thunberg
Luisa-Marie Neubauer met Greta Thunberg bij een Fridays for Future-demonstratie in Hamburg, maart 2019 (foto: C.Suthorn)

Luisa-Marie Neubauer en George Soros

Soros gaat op een vergelijkbare manier te werk als Rockefeller. Iedere keer als Greta in Duitsland optreedt, wordt ze begeleid door een studente genaamd Luisa-Marie Neubauer. Niet alleen optisch is zij de tegenhanger van het kleine meisje Greta. Neubauer is fit, aanpakkerig en zelfbewust, lid van de Groenen en krijgt een stipendium van de Heinrich-Böll-Stiftung. Daarnaast is Neubauer jongerenambassadrice van de de Amerikaanse lobby-organisatie One, die professioneel campagne voert. One wordt onder andere gefinancierd door de Bank of America, Coca Cola, SAP, Google en de alomtegenwoordige George Soros met zijn Open Society Foundation.

Groots opgezette pr-campagne

Achter de ogenschijnlijk spontane scholierenstakingen die ons voorgespiegeld worden, zit kortom een groots opgezette pr-campagne van klimaatbusiness en milieulobby, ngo’s als de Club van Rome, We don’t have Time, Plant for the Planet, Greenpeace, Friends of the Earth en anderen. En de mainstream media spelen het hele spel mee. Kritische bespreking van de achtergronden van de hype hoef je daar dan ook niet te verwachten. De bakvis Greta is daarbij uiteindelijk niet meer dan een speelbal van ngo’s, bepaalde multinationals en media om een bepaalde politieke agenda ten dienste van hun zakelijke belangen erdoor te krijgen.

Posted on

Betrapte pedagogen

De Italiaanse politicus Amintore Fanfani zou eens gezegd hebben dat niemand zo verontwaardigd is als een betrapte valsspeler. Dat geldt in de politiek even zeer als bij het kaartspel. Het bewijs daarvoor leveren momenteel allen die hysterisch te keer gaan over het door verschillende regionale AfD-afdelingen ingestelde informatieportaal ‘Neutrale Scholen’. Het haalde zelfs internationaal de media.

Verkapte ideologen

Het zijn de betrapte pedagogen, de verkapte ideologen, die de AfD nu een oproep tot denunciatie en Stasi-methodes verwijten. De minister van Onderwijs van Thüringen, Helmut Holter (Die Linke), voelt zich zelfs herinnerd aan “het donkerste hoofdstuk uit de Duitse geschiedenis”.

Zo vergaat het veel ouders ook, maar dan wel in andere richting. Want zoals bekend hebben in het Nazi-tijdperk staatsgetrouwe pedagogen de jeugd vergiftigd met de ideologie van het regime en andersdenkenden benadeeld. Zo ook in DDR-tijden, toen Holter politicus voor de  Socialistische Eenheidspartij (SED) was, waarmee hij over goede praktische kennis inzake Gesinnungsdiktatur beschikt.

Neutraliteit

Beginnend bij de Duitse grondwet, bestaan er talrijke rechtsnormen die een indoctrinatieverbod en een neutraliteitsgebod inhouden. Derhalve zijn leraren bij politieke onderwerpen verplicht deze op een evenwichtige manier te behandelen.

De praktijk ziet er echter anders uit en voor bezwaren bij de schoolleiding geldt dat ze doorgaans nergens toe leiden. Dat is wat de AfD nu wil verhelpen. Wie met gesprekken en een klacht niet verder komt, kan als laatste middel voorvallen via een contactformulier melden, dat na controle doorgeleid wordt naar de toezichthouder op het onderwijs. Geen wonder dat de politieke activisten die voor de klas staan iets aan voelen komen.

Posted on

Joelen en klappen voor Angela Davis

“Tweeduizend jongeren joelen en klappen als Angela Davis opkomt”, schreef dagblad Trouw over het bezoek van Davis aan de Sorbonne in Parijs, op 3 mei jl. Het was die dag exact 50 jaar geleden dat de studentenopstand in Parijs begon. Met de actievoerende jongeren anno 2018 joelde de Trouw-verslaggeefster mee. Het portret dat de krant op 8 mei publiceerde is een hagiografie van een zwarte activiste die ooit – en waarschijnlijk nog steeds – de Verenigde Staten graag als ‘Amerikkka’ typeerde (de kkk behoeft hier verder geen uitleg).

Trouw omschrijft de Black Panther-beweging als “een organisatie die streed voor de rechten van zwarte mensen”. Dat lijkt een club met een nobel doel, zoiets als Martin Luther King Jr., maar niets is minder waar. De Black Panther Party was een terroristische organisatie die er niet voor terugschrok politieagenten neer te schieten, maar ook, naar goed radicaal links gebruik, mensen uit de eigen beweging die men ‘verdacht’ vond. Laat Angela Davis nu begin jaren zeventig nauw betrokken zijn geweest bij de Black Panthers. Voor schrijver David Horowitz, ooit een links icoon en medestrijder van Angela Davis en de Black Panthers, was de moord op een vriendin van hem door Panther-activisten het begin van zijn werdegang. Hij bekeerde zich van het marxisme – en alle bevrijdingstheorieën die daarmee verwant zijn – stemde in 1984 op Reagan en verkeert nu in neoconservatieve kringen.

Davis ging onverschrokken voort in de marxistisch geïnspireerde zwarte beweging. Terwijl de meeste communistische sympathisanten na de inval van het Sovjetleger in Praag in 1968 twijfels kregen over het ‘reëel bestaande socialisme’, sloot Davis zich in dat jaar juist aan bij de Communistische Partij van de Verenigde Staten. Geen onverwachte keuze, want van jongs af aan verkeerde zij al tussen een aantal bekende communisten, zoals Herbert Aptheker (de partij-ideoloog) en Herbert Marcuse. In 1970 kwam ze op de opsporingslijst van de FBI nadat ze betrokken was bij de gijzeling in een rechtbank. Doel van de gijzeling was de vrijlating van Black Panther George Jackson, die gevangen zat in de Soledad-gevangenis. Zijn boek over zijn gevangenistijd, Soledad Brother, werd een internationale bestseller. De Nederlandse vertaling (1971) in de ‘Kritiese Bibliotheek’ van uitgevers De Bezige Bij en Van Gennep stond op vele boekenplankjes in studentenkamers. Tijdens de gijzeling werd rechter Harold Haley door zijn hoofd geschoten met een geweer dat op naam stond van Angela Davis. Het activistische verhaal – dat ook terug te vinden is op Wikipedia en bijvoorbeeld in het Historisch Nieuwsblad – pleit Davis vrij van de moord. Maar tijdens het proces in 1972 waarin ze terecht stond, trad Davis op als haar eigen advocaat. Dit betekende dat ze niet aan een kruisverhoor onderworpen kon worden en zelf een aantal getuigen kon oproepen die haar alibi – een partijtje Scrabble op kilometers afstand van de gijzeling – bevestigden. Al die getuigen waren trouwe communisten. Getuigen a charge werden door Davis en haar medestanders weggehoond: ze waren blank, dus konden geen betrouwbaar getuigenis geven. Davis werd vrijgesproken, waarna ze de lieveling van radicaal links wereldwijd werd. Overal werd ze als een ‘martelaar voor de goede zaak’ onthaald. Tegenwoordig is ze overigens actief in de beweging ‘The Prison-Industrial Complex’, die alle gevangenen met een minderheidsachtergrond wil vrijlaten, omdat “ze politieke gevangenen zijn van de racistische Verenigde Staten”.

In 1979 ontving ze in de DDR de ‘Internationale Lenin Prijs voor de Vrede’ (voorheen de Stalin Prijs voor de Vrede). Ze was kandidaat vice-president voor de Communistische Partij tijdens de verkiezingen in 1980 en 1984. Ze steunde de inval in Tsjechoslowakije in 1968 en in Afghanistan in 1979. Pas in 1991 werd ze uit de partij gezet nadat ze afstand had genomen van de coup tegen Gorbatsjov.

Niet dat ze haar marxistische idealen aan de wilgen heeft gehangen. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1992 vormde Davis met communistische medestanders de ‘Committees of Correspondence’. Typerende naam voor een klassieke communistische mantelorganisatie, want de comités hebben als doel “het bevorderen van democratie en socialisme” oor middel van acties, seminars op universiteiten, stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid, etc. In 2008 steunde het comité de campagne van Barack Obama.

Davis is hoogleraar ‘History of Consiousness’ aan de Universiteit van Californië. De naam geeft treffend het cultureel marxistisch curriculum aan dat de studenten kunnen volgen. Een greep: African and African American Studies, ethnic studies, queer theory, feminism, disability studies, histories and theories of race and racialization, animality studies, post-colonial studies, Marxism, psychoanalysis, globalization, history of movements of the left and right, environmentalism, popular culture, cultural studies. Davis’ coming-out als lesbiënne past in dit cultureel marxistische gedachtengoed. Voor haar was het “een politiek statement”, zei ze zelf. Wel gemakkelijk gezegd voor iemand die zich uitspreekt voor een “radicale omverwerping van de kapitalistische klasse”, met een salaris van zes cijfers en een honorarium voor spreekbeurten dat ligt tussen de tien en twintigduizend dollar.

Van 12 tot en met 17 mei is Angela Davis in Nederland voor een aantal spreekbeurten. Ze is een week lang te gast in het programma ‘Moving Together: Activism, Art, and Education – A Week with Angela Davis’, waarin “het werk van Angela Davis centraal staat en dat een divers programma voor een breed publiek biedt”, aldus de organisatoren (waarin bekende namen als Amal Alhaag, Quinsy Gario, en Bojana Mladenović). Davis neemt deel aan het programma-onderdeel ‘Public Dialogue: Radical Solidarity and Intergenerational Coalitions’, en verzorgt de belangrijkste speech, waarin ze ongetwijfeld zal ingaan op identiteitspolitiek, feminisme, intersectionaliteit en andere postmoderne en verhuld marxistische nachtmerries.

Opmerkelijk is dat de week vol politiek activisme een initiatief is van SNDO, School voor Nieuwe Dansontwikkeling. Waarschijnlijk gaan de deelnemers veel joelen en klappen.

Posted on

Wat Hubert Smeets niet snapt over ’68 en cultuurmarxisme

1968, dit jaar 50 jaar geleden. De eerste herdenkingsnummers liggen al in de winkel. Hubert Smeets, Oost-Europa expert en columnist van NRC Handelsblad, doet op een van de eerste dagen van dit jubileumjaar in zijn krant ook een duit in het zakje. Zijn insteek is niet de opstandige minderheid van studenten die in dat jaar de straten en universiteiten van een groot aantal westerse steden bezette, maar het ‘cultuur-marxisme’. Volgens de oud-correspondent maken “nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika” een fout door de geest van ’68 te zien als “als bron van al het kwaad dat ons teistert”. 1968 was juist “een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme ten onder zou gaan”.

Smeets maakt niet alleen een karikatuur van het begrip ‘cultuur-marxisme’, hij laat ook zien dat hij er niets van heeft begrepen. De voorbeelden die hij noemt – Dubcek in Tsjechoslowakije, Michnik in Polen en Sacharov in de Sovjetunie – zijn volstrekt willekeurig. Want 1968 was ook het jaar van het Tet-offensief in Vietnam, waarmee de communisten in Hanoi lieten zien dat ze nog lang niet verslagen waren. 1968 was ook het jaar waarin Mao Zedong, dankzij de Culturele Revolutie die hij twee jaar eerder had uitgeroepen, zijn macht over de Communistische Partij versterkte. 1968 tenslotte was ook het jaar waarin de Khmer Rouge, een tot dan toe onbekende illegale beweging, voor het eerst een landelijke opstand in Cambodja ontketende. Maar deze gebeurtenissen verdonkeremaant Smeets, omdat ze niet in zijn kraam te pas komen. Iets wat hij de critici van de geest van ’68 juist verwijt.

Want voor die critici, die het begrip ‘cultuur-marxisme’ hebben gemunt, is het jaartal 1968 slechts een symbool. De geest van ’68 mag dan wel in dat jaar met veel rumoer van zich laten horen, de geestelijke wortels van de studentenbeweging reiken veel dieper in de geschiedenis. Historici van het beruchte decennium noemen daarvoor een instituut, de Frankfurter Schule. Deze groep van Duitse sociologen en filosofen begon voor de Tweede Wereldoorlog vanuit een marxistische visie kritiek te leveren op maatschappelijke structuren. Na hun vlucht naar de Verenigde Staten na de machtsovername van Hitler cs. vonden de ideeën van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Fromm steeds meer ingang op de Amerikaanse universiteiten. Hun boeken gingen in de jaren zestig van hand tot hand.

De kritiek op de soixant-huitards – getypeerd als ‘cultuur-marxisme’ – richt zich niet op de voormalige socialistische heilstaten in het oosten. De kritiek richt zich op de macht van de babyboomers in de media en het onderwijs in westerse landen. In het Oostblok heeft de bevolking zich op eigen kracht vrijgevochten van het communistische juk. In het Westen heeft het (cultuur)marxisme tot in de diepste poriën van de samenleving haar invloed doen gelden (een overwinning waar de communistische machthebbers van toen alleen maar over konden dromen). En de ironie, die Smeets ook niet noemt, is dat de voormalige Oostbloklanden politiek gezien duidelijk afstand nemen van de ‘cultuur-marxistische’ verworvenheden, terwijl de met Mao-vlaggen zwaaiende en met Che Guevara-buttons getooide vertegenwoordigers van de generatie van 1968 vijf decennia lang hun invloed uit konden oefenen in de westerse samenlevingen. Op dat laatste richt de conservatieve kritiek anno 2018 zich.

Posted on

Geen Nobelprijs, wel een goede verfilming

Onder de lezers van Philip Roth was de verontwaardiging groot, dat in 2016 niet hij, maar zijn landgenoot Bob Dylan de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg – een zanger nota bene!

Zingen kan Roth niet, maar sinds zijn wereldwijde doorbraak met Portnoy’s Complaint (1969) is wel duidelijk dat hij ontstellend goed kan schrijven. “Verontwaardiging” is overigens ook de titel van een boek van hem, dat in 2008 verscheen en dat als opvallend goede verfilming op het witte doek komt.

Het gaat daarin om de college-student Marcus (geacteerd door Logan Lerman, bekend van de Percy Jackson-reeks), die in de jaren ’50 in aanvaring komt met een universiteitsdecaan. Het non-conforme sociale gedrag va de jongeman op de campus – hij weigert deelname aan een studentenvereniging en trekt uit een aan hem toegewezen studentenkamer – maakt dat hij de decaan verdacht voorkomt.

Een groot deel van de film wordt uitgemaakt door een twistgesprek tussen Marcus en de decaan. Dit ellenlange verhoor dat het McCarthy-tijdperk in herinnering roept, wordt mede dankzij de ervaren Broadway-toneelspeler Tracy Letts als decaan met een kamerdrama-achtige intensiteit neergezet, die aan spanning nauwelijks te overtreffen is.

Regisseur James Schamus heeft bij zijn bioscoopdebuut afgezien van iedere opsmuk. Een perfecte jaren ’50- enscenering geeft deze ingetogen, respectvolle morele worsteling met de autoriteiten echter de perfecte authentieke setting. Romanauteur Roth hoeft over deze zorgvuldig geënsceneerde film dan ook alles behalve verontwaardigd te zijn.

Posted on

De ‘opstand van de harten’, 60 jaar geleden in Hongarije

De deur naar de vrijheid stond voor Hongarije op een kiertje in de dagen van de “tweede Oktoberrevolutie”, toen het land met een “opstand van de harten” poogde een “antwoord op de communistische [revolutie van] 1917 in Petersburg” te geven.

De citaten stammen uit de dagen van de Hongaarse vrijheidsstrijd tegen het communistische bewind, die op 23 oktober 1956 los barstte en twee weken later, na het binnentrekken van Sovjettroepen, bloedig werd neergeslagen. In juni 1956 hadden in Poznan Poolse arbeiders gestaakt, waaruit zich een opstand ontwikkelde. Bij het neerslaan daarvan kwamen 57 mensen om het leven.

Voor studenten van de Technische Universiteit Boedapest was dat de aanleiding om in een verklaring van burgerlijke vrijheidsrechten een parlementair systeem en nationale onafhankelijkheid te eisen. Op 23 oktober 1956 demonstreerden ze daarvoor. De tijd was rijp voor deze eisen. Duizenden demonstranten sloten zich bij hun opmars aan. Toen de studenten voor het gebouw van de staatstelevisie eisten dat hun verklaring op tv zou worden voorgelezen, werd er op ze geschoten. Veel soldaten weigerden echter op de demonstranten te schieten en deserteerden.

De demonstranten bestormden het televisiegebouw. Een omgehaald standbeeld van Stalin sleepten de studenten met een tractor tot voor het parlementsgebouw. ’s Avonds zwol de menigte aan tot 200.000 demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, losmaking van de Sovjet-Unie en Imre Nagy als regeringsleider.

Dat laatste werd die nacht weliswaar ingewilligd, maar nog dezelfde nacht gaf de secretaris van de communistische Hongaarse Arbeiderspartij Ernö Gerö het bevel op de demonstranten te schieten. Niet veel later kwamen de eerste Sovjet-tanks in beweging. Zo werd de opstand de kop ingedrukt. Het was zeker ook een opstand tegen het toenmalige communistische bewind, hoewel geen opstand tegen het communisme als zodanig was.

De leiders van de opstand zagen zichzelf ook als communisten, net als de personen waar zij hun hoop op gevestigd hadden, zoals Imre Nagy. Zijn partijcarrière was lang, steeds weer kreeg hij functies in de regering, totdat hij door de stalinisten in de partij op een zijspoor gezet werd.

Nagy wilde een communisme met een menselijk gezicht, maar hij bleef een trouwe kameraad. Kolonel Pál Maléter werd in deze dagen tot volksheld gemaakt, als militair leider die de demonstranten had moeten bestrijden maar zich aan hun zijde stelde. Hij was de commandant van de Kilian-kazerne in Boedapest. In deze kazerne waren opstandelingen door een achteringang binnen gedrongen en waren zo aan kalashnikovs gekomen. Hoe dat bij een bewaakte kazerne mogelijk is, blijft een vraag. Maléter was op dat moment niet in Boedapest, maar dook pas twee dagen later op. Niettemin deed later het verhaal de ronde dat Maléter zelf de opstandelingen aan de wapens geholpen zou hebben. Vast staat echter dat hij zich na enige twijfel bij de opstandelingen aansloot.

Niettemin bleef ook hij een overtuigde communist. Toen een Britse journalist Maléter vroeg waarom hij nog altijd zijn Sovjet-onderscheidingen droeg, zei Maléter: “Men heeft me die vanwege mijn partizanenactiviteiten in de Tweede Wereldoorlog verleend en ik ben er trots op. Overigens zijn we hier allemaal socialisten.”

De opstand was tot een revolutie uitgegroeid. Overal in het land waren er schermutselingen, de straten van Boedapest werden geblokkeerd door uitgebrande Sovjet-tanks die met molotovcocktails aangevallen waren. De veenbrand had zich door het hele land verspreid.

Wat waren de oorzaken? Na de inval van het Rode Leger in 1945 creëerden de Sovjets samen met de aanvankelijk in de minderheid zijnde Hongaars communisten per salamitactiek een socialistische vazalstaat. Sovjet-troepen hielden het land bezet. De politieke politie schakelden vermeende tegenstanders vanwege al of niet bestaande complotten uit. Na de vereniging van sociaaldemocraten en communisten beheerste al snel de veruit kleinere partner in de fusie, de communistische partij, de situatie. Hongarije werd een arbeiders- en boerenstaat aan de leiband van de Sovjet-Unie. Aan de leiding van het politbureau werd Mátyás Rákosi als secretaris de meest gehate politicus. Hij verwees graag naar zichzelf als “Stalins beste leerling”, wat hij als eretitel zag. Het regende showprocessen. Meer dan een miljoen mensen werden aangeklaagd, oftewel zo’n tien procent van de bevolking. Sommige mensen verdwenen zonder aanklacht in kampen waar ze dwangarbeid moesten verrichten. De economische situatie van het land bleef ondanks alle grote beloften erbarmelijk. Uit deze factoren ontwikkelde zich vervolgens de explosieve situatie die met de volksopstand tot uitbarsting kwam.

Het Kremlin begreep meteen wat er in Hongarije op het spel stond. Al een dag na de eerste demonstraties hadden twee leden van het politbureau zich naar Boedapest begeven. Verrast door de kracht van de revolutie lieten ze de reeds uitgerukte tanks rechtsomkeert maken. De Sovjets trokken zich terug. Zo leek het althans tot 31 oktober, toen persbureau Tass meldde, dat het Kremlin bereid zou zijn om over een terugtrekking van troepen te spreken.

Later dezelfde dag keerden de tanks echter opnieuw om en namen, versterkt door aanvullende troepen, Boedapest in. Elders op het wereldtoneel hadden Engeland, Frankrijk en Israël in het geheim een plan voor de bezetting van het Suezkanaal uitgewerkt. In Egypte vielen de eerste bommen, toen het Kremlin zijn tanks terugtrok. Imre Nagy verkondigde op 1 november de neutraliteit van Hongarije en de uittreding uit het Warschaupact.

En op dat teken werd de revolutie definitief neergeslagen. Sovjet-troepen bezetten het  parlementsgebouw. János Kádár werd de nieuwe premier. Tot 15 november woedde de strijd voort. 2.500 opstandelingen stierven, 720 Sovjet-soldaten sneuvelden. Na het neerslaan van de opstand zette een massale vlucht in. 200.000 Hongaren verlieten hun vaderland. De blokvorming in Europa had zich voor de komende decennia verder bestendigd.

Posted on

Herhaalt Donald Trump het ware kunststuk van Richard Nixon?

‘Kan Trump het dubieuze kunstje van Nixon nadoen?’ kopte de Volkskrant onlangs. Dat kunstje waar de krant voor vreest is, dat als Donald Trump de 45ste president wordt, hij een speciale aanklager zal benoemen om Hillary Clinton te vervolgen. Waar de journalist echter beter over had kunnen schrijven is de stormachtige en uiteindelijk succesvolle carrière van Richard M. Nixon. Een waar kunststukje.

In 1962 leek de politieke loopbaan van Richard Nixon (1913-1994) voorbij. De gevierde vice-president van Dwight Eisenhower verloor op desastreuze wijze de verkiezing van gouverneur van Californië. Twee jaar daarvoor moest hij het onderspit delven tegen John F. Kennedy, die in 1960 de presidentsverkiezingen won. Nixon was politiek uitgerangeerd, zo leek het.

Nixon groeide op in een arm gezin in Californië. De financiële situatie in het Quakergezin was er de oorzaak van dat de intelligente Richard niet aan een universiteit kon studeren. In 1948 kreeg Nixon – twee jaar eerder gekozen in het Huis van Afgevaardigden – nationale bekendheid door Alger Hiss van spionage te beschuldigen. Hiss werd in 1950 voor hoogverraad veroordeeld, hetzelfde jaar waarin Nixon op overtuigende wijze een senaatszetel wist te veroveren. Het anticommunisme van de Californiër sprak de Republikeinse Partij aan. Hij werd in 1952 vice-president onder oud-generaal Dwight Eisenhower en dwong bij vriend en vijand bewondering af voor zijn standvastigheid en vechtlust. Nixon maakte veel buitenlandse reizen, waaronder het beruchte bezoek aan een aantal Latijns-Amerikaanse landen in 1958. In Venezuela belaagden demonstrerende studenten de vice-president en zijn vrouw. Maar Nixon stapte uit de auto en ging de discussie met de betogers aan.

Mede vanwege zijn politieke ervaring in binnen- en buitenland was het voor Nixon moeilijk te verteren dat de jonge John F. Kennedy hem in 1960 versloeg. Naast de negatieve invloed van het televisiedebat – Nixon was ziekjes en kwam niet overtuigend over – zijn er ook aanwijzingen dat de Kennedy’s door verkiezingsfraude de winst binnen wisten te halen. In 1962 verloor de Quaker de gouverneursverkiezingen in zijn thuisstaat Californië van de rooms-katholieke Democraat Pat Brown. Op een haastig belegde persconferentie sprak Nixon de legendarische woorden “You won’t have Nixon to kick around anymore because, gentlemen, this is my last press conference”. Teleurgesteld en verbitterd geloofde Nixon zijn eigen woorden,  en met hem zo’n beetje alle Amerikanen.

Niets bleek minder waar. In het roerige verkiezingsjaar 1968 – moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, de oorlog in Vietnam op een hoogtepunt, en opstandige studenten – won Richard Nixon nipt van de Democratische kandidaat Hubert Humphrey. Vier jaar later maakte Nixon een ware ‘landslide’. Op binnen- en buitenlands terrein boekte hij vele successen. Watergate maakte een einde aan dit alles en in 1974 werd Nixon gedwongen het Witte Huis te verlaten. Eind jaren zeventig volgde eerherstel. President Ford verleende hem gratie en hij verscheen weer op politieke bijeenkomsten. Onder andere bij het officiële bezoek van de Chinese leider Deng Xiaoping aan de Verenigde Staten in 1979. Deng had erop gestaan dat Nixon aanwezig zou zijn bij de ontvangst in het Witte Huis; anders zou het staatsbezoek niet doorgaan! Hij overleed op 22 april 1994.

Een politieke carrière van vallen en opstaan. Als één politicus in de Amerikaanse politiek meerdere keren is afgeschreven, is het Richard Nixon. Een ware ‘comeback kid’. Hij werd beschuldigd van harde campagnes, afluisterpraktijken en bedrog. Maar Amerikaanse presidenten vanaf Roosevelt luisterden hun politieke tegenstanders af. Campagnes van Roosevelt en Johnson waren ongemeen vuil. De Kennedy’s kochten verkiezingen, hadden nauwe banden met de maffia en fraudeerden verkiezingsuitslagen. John F. Kennedy pleegde overspel tot in het Witte Huis. Bill Clinton liet een spoor van verdachte sterfgevallen en seksueel belaagde vrouwen na, kon niet van stagiaires afblijven, maar bleef in de Oval Office.

the-bush-order

Zijn hele leven heeft Nixon een diep wantrouwen gehad tegenover intellectuelen en gevestigde politici, afkomstig uit rijke families aan de Oostkust. Nixon had door dat mensen liever tegen dan voor iets kiezen. Politiek is verdeeldheid. “Het is wij tegen hen: de elites, de overheid, de bevoorrechten, de liberals, zij die macht erven.”

Dit jaar kent de Verenigde Staten eenzelfde politieke strijd. ‘Wij tegen hen’. Een kandidaat die vecht tegen de gevestigde, geërfde politieke macht. Een macht die zich gesteund weet door intellectuelen, die de arrogantie van vanzelfsprekendheid heeft: “We rule this country”. In binnen- en buitenlandse politiek zou de Verenigde Staten heel goed een Richard Nixon kunnen gebruiken. Wie weet is Donald Trump die man. Men vindt hem vulgair en ordinair, net als Nixon. Hij wordt afgeschreven, net als Nixon. Het was echter diezelfde Nixon die ooit zei: “Defeat doesn’t finish a man, quit does. A man is not finished when he’s defeated. He’s finished when he quits.”

Posted on

Strategie van de spanning in Italië in de jaren ’60 en ’70

De door Willi Baer en de voormalige RAF-terrorist Karl-Heinz Dellwo uitgegeven Bibliothek des Widerstands is een inmiddels tot 32 delen aangegroeid monumentaal encyclopedisch werk over de geschiedenis van linkse bewegingen, met name in de jaren ’60 en ’70.

De uiterst linkse uitgeverij wijdde reeds twee omvangrijke en rijk geïllustreerde bundels aan de ‘Verborgen burgeroorlog en klassenstrijd’ in Italië. De meest recente bundel concentreert zich op 1967 en de daarop volgende jaren, met als zwaartepunt de bomaanslag op het Piazza Fontana in Milaan op 12 december 1969 en de gevolgen daarvan.

De aanslag kostte 17 mensen het leven en geldt als het begin van de, door Italiaanse geheime diensten, de NAVO-‘stay-behind’-organisatie Gladio en de poppenspelers van de geheime organisatie Propaganda Due, georkestreerde ‘strategie van de spanning’.

Lotta_continua_1973

De aanval op de staat door de radicaliserende studenten- en arbeidersprotesten, die eind jaren zestig zijn hoogtepunt bereikte, moest geneutraliseerd worden; om de stemming in het land te doen omslaan in het nadeel van links, werden gerichte terroristische acties onder ‘valse vlag’ in scène gezet.

Zo ook in Milaan, waar de anarchist Giuseppe Pinelli de rol van de ‘fall guy’ in de maag gesplitst kreeg: hij viel onder nooit opgehelderde omstandigheden uit het raam van de vijfde verdieping van een politiebureau. In werkelijkheid kwam de aanslag op het conto van de fascistische organisatie Ordine Nuovo, die zich tot voltrekker van de ‘staatsterreur’ liet maken. Bijzonder belangwekkend is de bijdrage van de historicus Mimmo Franzinelli, die de verstrengelingen tussen zwarthemden en geheime diensten belicht.

De leden van de ON waren deels zeer kleurrijke figuren: de leider, Pino Rauti was een aanhanger van Julius Evola, Franco Freda een soort van ‘nazi-maoist’ die de extremistische krachten van links en rechts wilde bundelen om het ‘verval van het systeem’ tegen te gaan, terwijl Mario Merlino zowel antiklerikale als katholieke en zowel anarchistische als fascistische groepen frequenteerde. Een verscheurdheid en een zoeken naar identiteit waarin Franzinelli een algemene signatuur van die tijd in ontwaart: “Dit alles is moeilijk te begrijpen voor iemand die deze aan opschudding rijke tijd, waarin het lijkt alsof de culturele en politieke orde van vandaag op morgen in zal storten, niet beleefd heeft.”

Net als alle delen van de bibliotheek is ook deze van een dvd voorzien, die zeldzame filmbeelden bevat, waaronder een bijzondere vondst die de uitgeverij samen met Cineteca di Bologna opgedoken heeft: De 12e december (1972) is een lang verloren gewaande film, waarop niemand minder dan Pier Paolo Pasolini een groot stempel heeft gedrukt.

Uitgaande van de zaak Pinelli komt hij bij benadering tot een soort sociologische rondblik kris kras door Italië, waarbij hij gewone mensen aan het woord laat. Vooral in deze scènes is het handschrift van de auteur duidelijk herkenbaar. De film ontstond in samenwerking met de links-radicale groep Lotta Continua, waarvoor Pasolini een zekere sympathie koesterde, maar waar hij als Einzelgänger niettemin met een zekere distantie tegenover stond, zoals tegenover alle relevante groepen uit die tijd.

Verdeckter Burgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band IIOok hij, die reeds afscheid had genomen van de revolutionaire ‘illusies’ van zijn jeugd, werd getekend door de innerlijke ‘verscheurdheid’ van zijn tijd: in dezelfde tijd als deze in rauw zwart-wit gefilmde documentaire, maakte hij grote, apolitieke kaskrakers als Il Decameron. Ondertussen groeide zijn pessimisme; Milaan kwam hem voor als het voorspel van een waarlijk ‘apocalyptische’ toekomst.

N.a.v. Willi Baer, Karl-Heinz Dellwo (red.), Verdeckter Bürgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band II: Die sechziger Jahre. Revolte und Strategie der Spannung (Hamburg: Laika, 2015), 424 p.