Posted on

Is er licht aan het einde van de vluchtelingencrisis?

De reactie van een aantal Amerikaanse commentatoren op de Europese topbijeenkomst van 28 juni jongstleden over de Afrikaanse vluchtelingencrisis, is even pragmatisch als onuitvoerbaar en even onmenselijk als verwerpelijk. Er wordt gesproken van een Trumpiaanse oplossing. “Laat Europa gewoon een hoge muur bouwen langs de Noord-Afrikaanse kustlijn en doe dat op kosten van Afrika zelf” In feite de Mexicaanse aanpak, die echter zelfs in Amerika als onnodig hard en meedogenloos wordt ervaren, maar die tot op heden niet wordt gestopt. Zoveel is zeker. De Amerikaanse politiek evenals de Europese, lopen beide op hun achterste benen en zijn in feite disfunctioneel geworden ten opzichte van oude idealen als vrijheid en verlichting, menselijkheid en beschaving, tolerantie en democratie.

Bijzonder is het niet, maar nog steeds is het wel opmerkelijk dat de betaalplicht voor zo’n nieuw te bouwen muur bij Afrika zelf wordt gelegd, ook nu naar voorbeeld van Amerika. Op zich niet zo’n gekke gedachte. Laten we beginnen bij het zwaar tot zeer zwaar fiscaal belasten van de rijke tot allerrijkste bovenlaag van veel Afrikaanse landen, inclusief het geld dat deze elites in het buitenland hebben gestald. Nee, dat geld moet Europa niet in eigen zak steken, maar juist terug laten vloeien naar Afrika zelf  in de vorm van onderwijs en innovatie.

Sommige commentatoren zoeken de oplossing voor de vluchtelingencrisis meer in het opzetten van gevangeniseilanden, vanwege de afschrikwekkende werking die er van deze eilanden uitgaat. Hoe berucht is niet het eiland Alcatraz in de baai van San Fransisco dat al in 1963 werd gesloten, maar zelfs nu nog tot de verbeelding spreekt? Of het Noorse gevangeniseiland Bastoy dat als schoolvoorbeeld moet dienen voor een humaan beleid voor criminelen. In Nederland kennen we ook een soort gevangeniseiland maar dan op het land, namelijk in Veenhuizen. Ooit is deze concentratie van gevangenissen begonnen als heropvoedingsplek voor schooiers en vandalen, naar het verlichte ideaal van Jonkheer van den Bosch.

Hongarije kent inmiddels al een muur en weet zich daarin gesteund door de Visegrad-landen, een groep van EU-lidstaten (Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije) die samenwerkt op diverse terreinen, waaronder op het gebied van identiteit en veiligheid. Langzaam maar zeker vormen deze lidstaten op die thema’s een beetje een eiland van eensgezindheid in de zee van politieke onbekwaamheid van Europa. Helaas wordt er steeds meer gesproken van een Europa dat in zijn huidige vorm stervende is. Ik had het graag anders gezien.

Een muur helpt niet. Een eiland helpt ook niet. Opvangkampen helpen niet, net zo min als detentiecentra. Is er iets wat nog wel zou kunnen werken? Ja, eigenlijk wel. Europa zou bijvoorbeeld in samenspraak met de  UNHCR een enorme reeks van universiteiten en hogescholen langs de gehele kustlijn van Noord-Afrika kunnen vestigen naar voorbeeld van het bestaande campusmodel van Amerikaanse universiteiten. Alle mogelijke vormen van onderwijs, ontwikkeling en innovatie kunnen in deze ‘politieke vrijplaatsen’ worden gegeven en hele nieuwe steden van economische slagkracht kunnen ontstaan, waarna afgestudeerde studenten zelf kunnen kiezen in welk land zij zich uiteindelijk willen vestigen. Zo’n aanpak kost inderdaad veel geld. Maar dat kost de huidige crisis ook.

Posted on

De welkomscultuur als white man’s burden

Op zaterdag 2 juni vond ‘Europe on Trial’ plaats (mijn deel begint op 2:55:00): een bijeenkomst over Europa en migratie. Het werd georganiseerd in De Balie te Amsterdam – ondergetekende was uitgenodigd om kritische vragen te stellen.

Helaas hadden de meeste sprekers nauwelijks iets nieuws te melden: velen kwamen weinig verder dan de moralistische statements die we wel kennen van de NPO. Omdat er zoveel sprekers op het menu stonden, werden argumenten die al eerder waren neergezet ook continu herhaald. Zo werd ik gedwongen om hier drie uur zonder pauze naar te luisteren (ik hoop vurig dat u mijn inspanningen voor het rationele geluid zult belonen via crowdfunding).

Tegenstrijdigheden

Een perfecte illustratie van de bevooroordeelde linkse tunnelvisie was Ogutu Muraya, een zwarte spreker die een groepsgevoel opwekte. Om dat groepsgevoel te vestigen riep hij het publiek op om met hem mee te juichen bij elke beschuldiging die hij over Europa uitsprak. Dat er daarbij tegenstrijdige argumenten en onwaarheden werden gebruikt, leek niet uit te maken.

Zo zei hij dat het Europese migratiebeleid is gebaseerd op de nazistische rassenleer van de blanke suprematie. Om in één adem door de braindrain in Afrika aan te halen, waarbij Europa de meest succesvolle en slimste mensen van Afrika zou stelen. Ook zou Europa de hoofdschuldige van milieuvervuiling zijn, terwijl dat in China en India toch gradaties erger is.

Blank schuldgevoel

Terwijl ik hem hoorde spreken realiseerde ik me dat het zijn enige wapen is om in te teren op het schuldgevoel van de blanke Europeaan. Maar zodra ik toegeef dat ik me niet schuldig voel, heeft hij geen enkel middel om op mij in te werken en vervalt zijn hele betoog als irrelevant. Zijn werkwijze is namelijk het opwekken van groepsemoties, zonder enig argument waar ík wat aan heb of waar ik in rationeel opzicht wat mee kan. Dit is vergelijkbaar met het debat over diversiteit, identiteit en verplichte quota’s om een veranderende bevolkingssamenstelling te weerspiegelen. Als dat dan het uitgangspunt moet zijn – en niet meritocratie – dan geef mij maar zoveel mogelijk blanke heteroseksuele mannen op topposities. Want dat weerspiegelt mij het meest.

Als zwarte activisten zich dan mogen beroepen op het gegeven dat alles een machtsstrijd is tussen concurrerende identiteiten, dan zal een ander zich ook op zijn of haar identiteit beroepen. Immers, Europa kon het zich enkel veroorloven om zich door schuldgevoel te laten chanteren, toen het nog de leidende geopolitieke kracht was. Zodoende zien we dankzij Muraya hoe makkelijk de linkse logica tegen zichzelf kan worden gekeerd; want als ik mijzelf niet schuldig voel dan bevat zijn vertoog geen enkel handvat om mij te beïnvloeden. Daarom zal links een nieuw kunstje moeten leren nu het blanke schuldgevoel als gevolg van de massa-immigratie begint te verdwijnen. Het zal nog moeilijk blijken omdat zij zijn geconditioneerd om te werken via subsidies: dat zijn de aflaten van dit schuldgevoel.

Links activisme

Thomas Spijkerboer sprak in positieve zin waarderend en sympathiserend over “links activisme”, terwijl hij daar stond te oreren als professor. Het punt wat hij maakte was echter niet vernieuwend: een mensenrecht wordt opgeëist tegenover een staat, maar het gerechtshof dat het mensenrecht moet verdedigen is zelf een staatsorgaan.

Robert Bor (bekend als medeorganisator van De Nederlandse Leeuw) vatte het niveau samen toen hij zei: “Er komen geen intellectueel verfrissende ideeën los. Links is dood.” Inderdaad kwam men niet verder dan het benadrukken van schuldgevoel en boetedoening, om het morele falen van Europa er nog eens in te wrijven. Het bevestigt één van de twee hoofdstellingen van mijn boek Avondland en Identiteit: wat zich ‘links’ noemt is feitelijk de masochistische kant van de christelijke religie in een ontkerkelijkt jasje.

Narcisme versus tastbare verandering

Niettemin waren er een paar die er positief uitsprongen. De theatermaakster Rebekka de Wit kwam met een punt dat intrigerend is, mits we het losweken uit de inbedding van het migratieactivisme. Mensen zijn teleurgesteld omdat ze zich voelen als een druppel in een oceaan: dat is omdat ze zich laten domineren door hun ego – ze willen zien dat zijzelf in het centrum van de wereld staan. Wie daadwerkelijk wat wil veranderen moet echter héél lang doorploeteren en ziet pas later het effect van de eigen daden. Dikwijls is het dan zelfs te laat om er persoonlijk nog profijt van te hebben. In die zin is het veranderen van de wereld net zoals liefde: wie de liefde van de ander bewezen wil zien, maakt die liefde stuk.

Cliteur & Baudet

Wat ze zei raakte mij persoonlijk, omdat ik de vorige avond aanwezig was bij een presentatie door Paul Cliteur en Thierry Baudet over het boek Cultuurmarxisme. Nu heb ik dit natuurlijk zelf tot onderwerp van het publieke debat gemaakt in Avondland en Identiteit: het is boeiend om te zien dat anderen daarop voortborduren. Wierd Duk schreef er bijvoorbeeld over in de Telegraaf.

Als ik vanuit een honger naar erkenning nu boos zou worden omdat zij mijn ideeën gebruiken, dan zou men het begrip cultuurmarxisme loslaten: zodoende zou ik uiteindelijk minder impact hebben, los van het feit dat ik zelf niet van die impact profiteer. Baudet heeft zijn Kamerzetel, Cliteur is directeur van het Renaissance Instituut en Aspekt krijgt de opbrengst van de boekverkoop.

De moraal van het verhaal is precies wat De Wit zegt: soms moet je kiezen tussen óf invloed hebben óf profiteren, en is beiden tegelijk onmogelijk. Dan is het bepalend hoezeer je jezelf laat leiden door ego. Toch is het mooi om van een afstand te zien wat er allemaal in werking is gezet, zoals dit ook zo is met het debat over linkse universiteiten.

Met zoveel herhaling in de verhalen van de migratieactivisten zult u het mij vergeven dat mijn gedachten afdwaalden naar de bovenstaande overpeinzing. Er kwamen ook vluchtelingen aan het woord: helaas hielden sommigen van hen een langdradig en incoherent verhaal (terwijl de tijd voor zoveel sprekers al veel te krap was).

Paul Scheffer & Herman Vuijsje

Paul Scheffer en vooral Herman Vuijsje sprongen er positief uit. Scheffer stelde dat migratie ook een gevolg is van stammenoorlogen: het zou een vorm van “white man’s burden” zijn om te menen dat Europa de verantwoordelijkheid moet nemen voor de onderlinge conflicten van niet-Westerse volken. Ook kan men de Europese wapenhandel niet eenzijdig de schuld geven van migratie als we zien dat Rusland, Iran, Turkije, Amerika en Israël allen bombarderen in Syrië.

Vuijsje voegde toe dat China deals sluit met de corrupte regimes van voormalige Europese koloniën. Deze roofzuchtige deals zouden érg slecht zijn voor de toekomst van die landen: desondanks blijft de bevolking die regimes herkiezen. Wegens deze punten werden beide sprekers echter uitgejouwd door het publiek. Het bewees opnieuw dat de motor van het migratieactivisme draait op morele verontwaardiging en niet op rationele analyses.

Minstens één miljoen migranten naar Europa

Márton Gulyás kwam afsluitend aan het woord: hij is een activist die demonstreert voor meer Soros-universiteiten en meer migranten in Hongarije. Hij wil er minstens een miljoen per jaar. Hier bracht ik tegenin dat hij zijn verhaal baseert op een zwart-wit tegenstelling tussen ‘inclusiviteit’ en ‘xenofobie’, alsof dit de enige smaken zijn.

Ook leidt het spreken in termen van “jaarlijks minstens een miljoen migranten opnemen in Europa”, tot een beleid dat niet vertrekt vanuit een realistische afweging die ook de onvrede van de inheemse inwoners meeneemt. Een miljoen migranten brengt al merkbare cultuurveranderingen teweeg en is nog niet eens één procent van de totale armen in de wereld. Het voert tot een ongestructureerd beleid gebaseerd op willekeur. Wat tot de overweging leidt of het niet veel humaner is om de groei van de wereldbevolking te beperken, dan om grenzeloos mensen in Europa te absorberen.

Als we doen wat Gulyás wil, dan raakt het systeem overbelast door de enorme toestroom en dan zullen willekeurige emoties en het blinde lot bepalen wie wel en niet wordt toegelaten: dat is voor helemaal niemand eerlijk.

Nationaalconservatisme is in opkomst

Daarom stelde ik hem de vraag: “Wat is jouw verhaal naar seculiere minderheden die vluchten uit niet-Westerse landen? Zij willen hier een vrij leven beginnen, maar worden nu geconfronteerd met groeiende enclaves en subculturen waar dezelfde repressieve gebruiken heersen die ze om te beginnen probeerden te ontvluchten. In West-Europa stellen de seculiere en goed-geïntegreerde minderheden zich langzaam maar zeker achter de nationaalconservatieven. Je kunt hen toch moeilijk van xenofobie beschuldigen, of wel soms?”

Omdat de discussie al zover over tijd was heb ik mijn deel van het debat zeer bondig en to the point gevoerd, zoals ik dit heb geleerd tijdens lange vergaderingen in de gemeenteraad. Gulyás praatte over mijn observaties heen door te zeggen: 1. er zijn inderdaad teveel armen in de wereld – hierom is er meer globale nivellering nodig, en 2. er zijn ook Chinese enclaves in Hongarije en dit heeft nooit problemen opgeleverd. Dat raakte verreweg niet aan het punt, maar wat anders valt er te verwachten van iemand die steun van Soros ontvangt? Uiteindelijk vond de aanwezige massa dat Europa tóch schuldig was: dit was tegelijk het einde van de bijeenkomst.

Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

Het aantal buitenlandse missies van Amerikaanse speciale eenheden is snel toegenomen

Inmiddels zijn Amerikaanse speciale eenheden wereldwijd in bijna honderdvijftig staten actief, waarvan ruim een vijfde in Afrika.

De crisisboog in Sub-Sahara Afrika is in de laatste jaren uitgegroeid tot het zoveelste krijgstoneel van Amerikaanse speciale eenheden. Van Mauretanië tot Tsjaad, het Congobekken en de Hoorn van Afrika, hebben ze militaire bases ingericht en assisteren ze bondgenoten bij de vorming van reguliere legers, politie-eenheden en milities, maar komen ze ook zelf in actie tegen het groeiende aantal vaak islamistisch geïnspireerde gewapende groeperingen.

Toenemende inzet in Afrika

De inzet van deze speciale eenheden wordt gerechtvaardigd met verwijzing naar hun flexibiliteit, de hoge bereidheidsgraad en hun geringe zichtbaarheid. Niet zelden vervangt hun inzet de inzet van grotere contingenten reguliere troepen. Onder de Amerikaanse president Donald Trump zijn de speciale eenheden inmiddels in 149 landen actief. Onder zijn voorganger Barack Obama waren het er nog 138 en onder George W. Bush rond de honderd. Volgens Amerikaanse bronnen zijn Amerikaanse speciale eenheden in 33 Afrikaanse landen actief. In 2006 was nog slechts ongeveer één procent van de Amerikaanse speciale eenheden in donker Afrika actief. In 2010 was het drie procent en in 2017 reeds 17%.

Leden van de 10th Special Forces Group geven opleiding in infanterie-technieken aan Malinese soldaten. Timboektoe, 2004.

De speciale eenheden vormen een eigen commando, het US Special Forces Command, dat circa 70.000 soldaten sterk is. De operaties in Afrika staan onder toezicht van het US Africa Command in Stuttgart. Ze kwamen in het blikveld van het bredere publiek toen in oktober 2017 een gemengde gevechtseenheid van Amerikaanse militairen en militairen uit het leger van Niger in een hinderlaag van ‘Islamitische Staat in de Grotere Sahara’ (ISGS) liep. Vier Amerikanen werden daarbij gedood, alsmede vier militairen uit Niger en een tolk. Het was tot een lang gevecht gekomen, doordat luchtsteun vooreerst uitbleef. Franse gevechtsvliegtuigen waren pas een uur later ter plaatse. De ISGS-strijders waren toen reeds over de dichtbij gelegen grens naar het buurland Mali vertrokken.

Politieke controle

Voor veel Amerikaanse parlementsleden was deze schermutseling verbonden met een onaangename vaststelling. “We weten niet precies waar in de wereld we actief zijn en wat we daar precies doen”, zo moest de Amerikaanse senator Lindsey Graham, die lid is van de Defensiecommissie en als havik bekend staat, toegeven.

In de Republiek Niger zijn momenteel circa 800 Amerikaanse militairen gestationeerd. Zij ondersteunen het leger van Niger en runnen twee bases van waaruit onbemande drones ingezet worden. De Amerikaanse troepen zijn sinds 2012 in het land, toen in het buurland Mali een burgeroorlog uitbrak. De regering van Niger heeft zowel te kampen met binnengeslopen strijders uit het westelijke buurland Mali, als ook met de in het noorden van het zuidelijke buurland Nigeria opererende organisatie Boko Haram.

Vanwege de geheimhouding valt het de politiek verantwoordelijken in Washington zwaar effectief toe te zien op de vele operaties. William Hartung, directeur van het Arms & Security Project van de denktank Center for International Policy in Washington, stelt tegenover Amerikaanse media dat dit zeer riskant is:

Zonder controle door het publiek of het Congres, is er geen mogelijkheid de Amerikaanse strijdkrachten verantwoordelijk te maken voor hun acties en is er geen mogelijkheid hun prestaties objectief te beoordelen.”

Meestal fungeren de Amerikaanse militairen als opleiders of coördineren ze luchtsteun. De strijd op de grond wordt meestal waargenomen door inheemse krachten, ook al laat het gevecht in Niger van oktober zien dat ook militaire adviseurs gemakkelijk in gevechtssituaties betrokken kunnen raken. De balans van de operaties is bepaald niet onproblematisch. Zo onderzoekt de recherchedienst van de Amerikaanse marine momenteel een missie in Somalië in augustus 2017, waarbij soldaten mogelijk tien burgers doodden. In Mali hebben twee Navy SEALs mogelijk een kameraad van de Green Berets gewurgd, omdat ze hem voor een vijandelijke strijder hielden. In Mali, Burkina Faso en diverse andere landen werden staatsgrepen gepleegd door officieren die het Amerikaanse trainingsprogramma doorlopen hadden.

Van Koude Oorlog naar War on Terror naar concurrentie met China

Afrika is niet pas sinds het begin van de zogenaamde War on Terror en de wereldwijde opkomst van gewapende islamistische groeperingen een arena waarin de Verenigde Staten hun invloed doen gelden. Vandaag de dag gaat het er om een groeiend aantal gewapende groeperingen tegen te werken dat Amerikaanse economische belangen doorkruist, alsmede om het militaire gewicht van Amerika tegenover het groeiende economische gewicht van China in de regio te stellen.

Ten tijde van de Koude Oorlog waren de Amerikanen echter ook al zeer actief in Afrika. Toen was de belangrijkste tegenstrever de Sovjet-Unie, die aan socialistische staten ontwikkelingshulp en militaire steun bood. Een vroeg voorbeeld zijn de activiteiten van de CIA tijdens de Congocrisis tussen 1960 en 1962. De eerste gekozen premier van het land was Patrice Lumumba, die reeds de onafhankelijkheidsbeweging geleid had. Hij oriënteerde zich meer op de Sovjet-Unie en was zodoende een doorn in het oog van de VS. De CIA ondersteunde dan ook de oppositie tegen Lumumba, wat tot de kortstondige afscheiding van de delfstofrijke provinice Katanga en tot de moord op Lumumba leidde. Uiteindelijk zette zich de op het Westen georiënteerde dictator Mobutu Sese Seko door, die tot 1997 aan de macht bleef.

Een ander voorbeeld is de circa 30 jaar durende burgeroorlog in de vroegere Portugese kolonie Angola. Die begon in 1974 met de zogeheten Anjerrevolutie in Portugal, toen de nieuwe regering in dat land de koloniën onafhankelijk liet worden. In Angola streden drie organisaties om de macht. De socialistisch georiënteerde MPLA zette zich door, maar de tot het einde van de Koude Oorlog door het Westen ondersteunde UNITA legde pas in 2002 de wapens neer. De verdekte CIA-steun werd daarbij primair door Congo (onder Mobutu Zaïre genoemd) afgewikkeld.

Terwijl Angola zich inmiddels van de effecten van de burgeroorlog herstelt, is in de Congo nog altijd geen duurzame vrede gevestigd. Met het begin van de zogenaamde War on Terror hebben de VS hun geheime operaties in Afrika weer uitgebreid.

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

Doelgerichte eliminatie blanke boeren Zuid-Afrika

De Zuid-Afrikaanse Eileen de Jager werkt als plaats delict-schoonmaker. Dat wil zeggen dat ze na afronding van politieonderzoek de vaak gruwelijke zaken opruimt die achterblijven op plaatsen waar moorden zijn gepleegd, waaronder bijvoorbeeld de vast gekleefde huidresten van een twaalfjarige aan de rand van een badkuip, waarin het kind met kokend water doodgemarteld werd.

De daders waren in dit geval zwart en het slachtoffer blank – net als zijn eveneens op beestachtige wijze afgeslachte ouders, die in Zuid-Afrika een boerderij hadden. Boer is inmiddels een van de gevaarlijkste beroepen in het Afrikaanse land als je de verkeerde huidskleur hebt. In Zuid-Afrika worden jaarlijks rond de 19.000 moorden gepleegd – dat betekent dat 34 van de 100.000 inwoners door een misdaad om het leven komt. Zodoende staat het land inmiddels op plaats 8 in de ranglijst van wereldwijd gevaarlijkste landen.

Blanken zijn er twee keer zo vaak het slachtoffer van moord als zwarten. Ze vormen nog slechts negen procent van de bevolking, maar zo’n 20 procent van de moordslachtoffers, met een opwaartse trend. Bij elkaar zijn sinds het eind van de apartheid en de machtsovername door het African National Congress (ANC) in april 1994 70.000 blanken vermoord, waarvan naar schatting 2.000 à 4.000 boeren.

Voor boeren ligt het risico om door een geweldsdelict om het leven te komen momenteel drie- tot zesmaal hoger dan voor de rest van de bevolking. Dit overtreft zelfs de verhoudingen in de landen met de hoogste moordcijfers in de wereld, namelijk Honduras en Venezuela. In het jaar 2016 registreerden de activisten van de ngo Afriforum 369 gewelddadige aanvallen op blanke boeren en 71 zogeheten plaasmoorde (boerderijmoorden). In 2017 waren het 463 geweldsdelicten en 94 moorden. En in januari van 2018 telde men 38 aanvallen en vier moorden.

Daarbij gaan de daders meestal extreem wreed te werk. Zo werden de moeder van drie Tanya Wiers tientallen messteken toegebracht en de ogen uitgestoken. Kort daarop stierf de 79-jarige boer Trevor Rees in het ziekenhuis van Pietermaritzburg – hem hadden zwarte aanvallers vastgebonden, aangeschoten en vervolgens twee dagen lang op gruwelijke wijze gefolterd.

In de optiek van ANC-politici gaat het bij de plaasmoorde om een gevolg van de ongelijke verdeling van grond en rijkdom tussen blanken en zwarten. De omstandigheden van de concrete moordgevallen weerspreken dit echter dikwijls. De moordenaars versmaden vaak iedere potentiële buit, ze willen eenvoudigweg moorden. Als ze een boerderij verlaten aantreffen, maken ze bijvoorbeeld niet van de gelegenheid gebruik om in te breken, maar komen later terug om de bewoners af te slachten.

Ook valt de precisie waarmee sommige groepen te werk gaan op: Er worden zelfs tunnels onder hekken door gegraven of stoorzenders gebruikt om de mobiele telefonie plat te leggen. Belangenvertegenwoordigers van de boeren, zoals Corné Mulder, parlementslid voor de conservatieve partij Vryheidsfront Plus, spreken inmiddels dan ook van doelgerichte eliminatie van blanken, etnische zuivering met andere woorden. De Amerikaanse ngo Genocide Watch deelt die inschatting.

In het licht van hun steeds kwetsbaarder situatie hebben intussen veel blanke boeren het opgegeven. Waar er 20 jaar geleden nog 62.000 boerderijen door blanken gerund werden, zijn dat er tegenwoordig nog slechts 35.000. De rest is nu in handen van zwarten, wat tot productiviteitsverliezen van circa tachtig procent leidde.

Om aandacht te vragen voor de situatie in Zuid-Afrika, organiseerde de pan-Europese partij Beweging voor een Europa van Naties en Vrijheid (MENF), waarvan onder andere het Front National en de FPÖ lid zijn, op 30 januari jongstleden een conferentie in Brussel, waar ook Mulder sprak. Daarnaast presenteerde de Canadese alternatieve mediapersoonlijkheid Lauren Southern haar actuele korte documentaire ‘The Reality of South African Farm Murders’ (zie video onderaan dit bericht). Daarin interviewt ze onder andere plaats delict-schoonmaakster De Jager.

Tijdens de conferentie van de MENF bekritiseerde het Britse Europarlementslid Janice Atkinson de beslissing van het Europees Parlement om de situatie in Zuid-Afrika niet – zoals zij had voorgesteld – tot onderwerp van een officieel debat te maken: Schijnbaar hanteert men in Brussel dubbele maatstaven waar het om mensenrechten gaat, aldus Atkinson.

Posted on

Europese Liberalen de vrienden van Al Qaida

Het is soms leuk en vooral boeiend om eens wat oudere teksten over een nog bestaand conflict te lezen. Zeker over Syrië waar er sinds de start van die oorlog in maart 2011 door de kranten de zowat grofste leugens mogelijk werden geschreven. Wie die oudere teksten vergelijkt met wat onze klassieke media nu zelfs al toegeven dan vallen bij sommigen de maskers zo af.

Koert Debeuf versus Aron Lund

Een van die figuren die de voorbije jaren grossierde in de meest onwaarschijnlijke fantasieën over deze oorlog is zeker Koert Debeuf, ooit woordvoerder van gewezen liberaal premier Guy Verhofstadt, de man die nu voorzitter is van ALDE, de vereniging van liberale partijen in het Europees Parlement.

Recent haalde de Amerikaanse professor Joshua Landis via Twitter en via zijn blog een verhaal van 19 maart 2013 van Koert Debeuf over Syrië weer boven water. (1) Het was een antwoord op een er eerder geplaatst stuk over die oorlog van Aron Lund.

Lund en Landis zijn twee onderzoekers die zich sinds jaren bezig houden met Syrië en tot de hierover beter ingelichte waarnemers dienen gerekend te worden. Lund schreef ook nadien nog een repliek op dit stuk van Debeuf. Beiden zijn samen te lezen, met daarbij nog tientallen soms bijtende reacties richting Debeuf. Leuke literatuur.

In zijn tekst van maart 2013 haalt Debeuf scherp uit naar Lund stellende dat het Vrije Syrische Leger (VSL) geen chaotische boel is zoals Lund opperde maar een goed georganiseerd en gestructureerd bevrijdingsleger is.

Hij baseerde zich daarbij op een serie gesprekken gevoerd tijdens drie korte voordien georganiseerde bezoeken aan het ‘bevrijde’ gebied waar zijn helden toen de baas waren. Zijn gesprekspartners waren een aantal leidende figuren van dat Vrije Syrische Leger daar, waaronder enkele ‘generaals’.

Hij beschuldigde Aron Lund er in feite van toe te geven aan de door hem als propaganda bestempelde verhalen van de regering in Damascus. En daar hoorde volgens hem ook de bewering bij dat Al Qaida er actief is.

Generaal Salim Idriss, van 14 december 2012 tot 16 februari 2014 officieel chef van de generale staf van het Vrije Syrische leger, hier op 6 maart 2013 met Guy Verhofstadt in het Europees Parlement in Brussel. Wie betaalde Idriss om van het leger over te lopen naar dat Salafistisch gespuis? En hoeveel kreeg hij? Een vaste kamer in het hotel Four Seasons in Istanbul met wat miljoentjes erbij?

Al Qaida en ISIS

Zo stelt hij dat de propaganda van Assad erg effectief is en dat de regering daar over dat Vrij Syrisch Leger beweert:

      1. The FSA is chaos. So it’s Assad or chaos in Syria and the region;
      2. The FSA is a danger to minorities. Assad is the only guarantee for the security of minorities in Syria;
      3. The FSA is extremist. Assad is the only one who can keep out Al Qaeda.

Hij geeft wel in zijn kritiek op Aron Lund toe dat er een ‘extremistisch’ probleem is en schrijft

‘The growing importance of extremist battalions like Jabhat Al Nusra is a problem for the image and the organization of the FSA.’ (Het groeiend belang van extremistische bataljons zoals Jabhat al Nusra is een probleem voor het imago en de organisatie van het VSL)

Alsof hij toen al niet wist dat Jabhat al Nusra – nadien omgedoopt tot Hayat Tahrir al Sham – gewoon de naam was van de Syrische tak van al Qaeda. Maar hij wil die link voor de lezers zo te zien verzwijgen. Bovendien is dit geschreven na drie bezoeken aan die salafistische groepen in het begin van 2013 toen Al Qaida in Syrië nog één structuur was en het latere ISIS er deel van uitmaakte.

Kolonel Abdoel Jabbar al Okaidi (midden), rechterhand van Salim Idriss en in die periode de militair verantwoordelijke voor de provincie Aleppo, in het gezelschap van (rechts) Aboe Jandal al Kuwaiti, emir van ISIS, bij de verovering van de militaire basis van Menagh in augustus 2013. Jandal werd gezien als een zeer nauwe medewerker van al Baghdadi, de baas van ISIS, en is vermoedelijk eind december 2016 omgekomen bij een Amerikaans bombardement in de buurt van het stadje Tabqa vlakbij Rakka. De man was een ware psychopaat die genoot van het moorden en folteren.

De interne oorlog bij Al Qaida zou kort na augustus 2013 uitbarsten toen men de Syrische oliebronnen had veroverd en er ruzie ontstond over deze toch wel aanzienlijke buit. Ook is het bekend dat Al Qaida al vanaf de eerste dag bij deze Syrische oorlog betrokken was. Wat hij als kenner van het dossier toen al had moeten weten.

Koert Debeuf vergelijkt het Vrije Syrische Leger in zijn stuk qua organisatiestructuur zelfs met dat van het Franse verzetsleger op haar hoogtepunt in 1943. Overal zijn er zoals toen in Frankrijk in Syrië eengemaakte militaire structuren beweerde de man. En in Idriss zag hij zelfs een nieuwe Bernard Montgomery, de Britse veldmaarschalk uit WO II, oprijzen!

Aron Lund, toen ook nog een verdediger van die opstand, heeft het dan ook gemakkelijk om Debeuf van antwoord te dienen en beschrijft o.m. de toestand van die opstandelingen in de provincie Homs. Hij telt er minstens 33 verschillende groepen.

Liwa Talbisa, Liwa Rijal Allah, Liwa Fajr al-Islam, Kataeb Ahl al-Athar (part of the Jabhat al-Asala wal-Tanmiya, a salafi alliance), Katibat Shuhada Tal-Kalakh, Katibat Mouawiya lil-Maham al-Khassa, Liwa al-Quseir, several subunits of Kataeb al-Farouq, several other small Syria Liberation Front factions which are allied to Kataeb al-Farouq, al-Murabitoun (the armed wing of the Homs Revolutionaries’ Union), Firqat al-Farouq al-Mustaqilla, Liwa al-Nasr, Katibat Thuwwar Baba Amr, Harakat al-Tahrir al-Wataniya, Jund al-Sham (Lebanese jihadis), armed groups affiliated to the Muslim Brotherhood (like Liwa Dar’ Ahrar Homs, Liwa Dar’ al-Haqq, and Liwa Dar’ al-Hudoud), Jabhat al-Nosra, the Syrian Islamic Front (including the five Ahrar al-Sham factions Katibat Junoud al-Rahman, Katibat al-Hamra, Katibat Ansar al-Sunna wal-Sharia, Katibat Adnan Oqla, and Katibat Ibad Allah; and Liwa al-Haqq and its subfactions, such as Katibat al-Ansar, Katibat al-Furati, etc) … and many others.

Ook blijkt uit het antwoord van Aron Lund dat Koert Debeuf die bezoeken deed in opdracht van ALDE, de liberale fractie in het Europees Parlement geleid door Guy Verhofstadt. En in die zin was deze repliek van Debeuf dan ook een neerslag van het rapport dat hij voor de liberale Europarlementsleden had gemaakt.

Verenigde Arabische Emiraten

Guy Verhofstadt zal later zelfs Salim Idriss, toen nominaal hoofd van dat Vrije Syrische Leger naar het Europees Parlement halen. Voor hem natuurlijk een gepast ogenblik om met een ‘goed doel’ nog eens de kranten te halen. Kort nadien zal men echter topmensen van dat Vrije Syrische leger op foto’s zien verbroederen met leiders van ISIS. Maar dat haalde onze pers natuurlijk niet.

Koert Debeuf, nu gewezen adviseur voor de liberale fractie ALDE in het Europees parlement, een jarenlange verdediger van de Syrische Salafistische terreurgroepen waarbij ook zelfs ISIS en Al Qaida zaten. In een vorig leven was hij de woordvoerder voor premier Guy Verhofstadt.

Koert Debeuf werkt nu als Europees directeur voor het Amerikaanse in Washington gevestigde Tahrir Institute for Middle East Policy (TIMEP) dat zich vooral op Egypte lijkt te concentreren. Het land waar hij vanaf 2011 enkele jaren woonde.

Hier steunde hij o.m. de Moslimbroederschap en wist hij ooit fier in De Morgen te melden dat hij een afspraak had met een veteraan van die Salafistische groepen uit Afghanistan. Een goede kerel stelde hij want ze gingen een biertje drinken! Ook Europarlementslid Marietje Schaake van de Nederlandse liberale regeringspartij D66, een onderdeel van ALDE, is verbonden aan TIMEP.

Vraag is wie de financiers zijn van deze nieuwe Amerikaanse studiedienst. Want dat soort organisaties opzetten kost geld, heel veel geld. De senior fellow van TIMEP is een zekere Hassan Hassan, een man verbonden aan het Delma Institute en als adjunct werkend voor de opiniepagina’s van het dagblad The National, beiden uit Abu Dhabi in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Ook hij steunt al jaren die Syrische Salafisten.

Bekend is dat al die Amerikaanse en Britse studiediensten door regeringen, vooral uit het Arabisch schiereiland, of door in politiek geïnteresseerde multimiljonairs worden gefinancierd. In die zin is een opiniestuk van Koert Debeuf van dit jaar 7 juni in De Morgen interessant. Hier bespreekt hij het conflict tussen Qatar en Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. Met onder meer een blokkade door Saoedi-Arabië en de VAE van Qatar.

Daarin neemt hij het op voor Saoedi-Arabië en de VAE. Zo schrijft hij:

“Het gaat hier niet zomaar om wat onenigheid. Voor Saudi-Arabië staat momenteel niets minder dan het eigen overleven op het spel.”

Een schreeuw om hulp dus. Dit volgens hem wegens de steun van Qatar voor de Moslimbroeders die Saoedi-Arabië willen ondermijnen, en wegens de vermeende te nauwe relatie van Qatar met Iran, een dodelijk gevaar naar hij stelt, voor de familie al Saoed.

Een wel heel rare bewering. Alsof Qatar of de Moslimbroeders de dictatuur van de immens rijke en wereldwijd over zeer veel invloed beschikkende clan al Saoed in gevaar zouden kunnen brengen. Dit terwijl het toch duidelijk is dat het Saoedi-Arabië en de VAE zijn die brutaal hun wil willen opleggen aan Qatar.

De Zweedse in de VS werkende onderzoeker Aron Lund stak de draak met de beweringen van Koert Debeuf over het Vrij Syrische leger. Over de juiste relatie van de VS en Israël met Al Qaida en ISIS zwijgt hij echter.

Wie is hier de financier?

Het conflict van Qatar met Saoedi-Arabië en de VAE heeft een onverwacht voordeel in die zin dat het soms duidelijk maakt waar de loyaliteit van bepaalde opiniemakers over het Midden-Oosten ligt. Voor Chams Eddine Zaougui  is dat Qatar, voor Koert Debeuf ligt die zo te zien in Abu Dhabi en Riaad.

Voor de Salafistische heersers op het Arabisch schiereiland is het belangrijk om via allerlei opiniemakers in de VS en Europa het debat in hun richting te beïnvloeden. Vandaar het vele Arabische geld voor bijvoorbeeld het Britse Chatham House. En zoals The Financial Times onlangs onthulde is men daar bij die studiediensten niet bepaald transparant wanneer het op de financiën aankomt. Ook op de website van TIMEP zwijgt men hierover trouwens.

De reden voor die belangstelling voor deze ’specialisten’ vanwege bijvoorbeeld de familie al Saoed is begrijpelijk. Journalisten willen als ze teksten publiceren als kenner overkomen en om die indruk te versterken voegt men er dan wat citaten van vermeende ‘experts’ aan toe genre Chams Eddine Zaougui, Koert Debeuf en Montasser Alde’emeh.

Het maakt het verhaal geloofwaardiger zelfs al bevat het de grootst mogelijke onzin en staat het vol leugens. De indruk, het imago is belangrijk. De rest is onbelangrijk. Voor kranten tellen immers op de eerste plaats de verkoopcijfers, niet het gelijk of ongelijk.

Het is dus begrijpelijk dat men zwijgt over de financiering van die instellingen. Moesten de namen van de financiers achter de schermen van sommige van deze studiediensten bekend raken dan zou amper iemand hen nog geloven.

En dan hebben ze voor die Salafistische Arabische dictators geen nut meer en komt het voortbestaan van bijvoorbeeld Chatham House in gevaar en zo de broodwinning van al die ‘specialisten’. En wiens brood men eet…

Schaamteloos

Op het opiniestuk van Debeuf zijn pakken reacties gekomen. Een van een zekere Revenire geeft de sfeer van de meeste reacties goed weer. Deze schrijft:

Debeuf is covering for terrorism and a comparison to Charles DeGaulle and the Free French is absurd and insulting. Debuef is a man that European police agencies should be investigating for links to Al-Qaeda and the Muslim Brotherhood.

Debeuf neemt het terrorisme in bescherming en een vergelijking met Charles de Gaulle en het Vrije Franse Leger is absurd. Debeuf is een man die de Europese politiediensten zouden moeten onderzoeken wegens zijn contacten met al Qaeda en de Moslimbroeders.

Deze week barstte de etterbuil rond Libië eindelijk open. Het land van wijlen Khadaffi is nu een markt geworden waar men Afrikaanse zwarten koopt en verkoopt, vrouwen à volonté verkracht, foltert, mensen levend vilt en waar er op grote schaal een handel in menselijke organen floreert. Een zelden geziene hel.

Allemaal mede omdat figuren als Koert Debeuf, Jorn De Cock en Chams Eddine Zaougui stelden dat Khadaffi een dictator was die men maar best kon uitschakelen, lees vermoorden. In ruil ging men dan een beter, nieuw Libië krijgen. We weten nu wat ‘beter’ hier betekent. Maar geen probleem hoor.

Met de doodsangst in hun ogen wachten deze Afrikaanse vluchtelingen bang hun lot af. Wat wordt het? Verkocht worden als slaven? Het in stukken snijden voor de organen? Hen levend villen, folteren, verkrachten of gewoon vermoorden? Maar de Franse president Emmanuel Macron beweerde gisteren al een oplossing te hebben. Zich met zijn twee voorgangers als boetedoening terugtrekken in een klooster?

Deze ochtend vrijdag 1 december citeerde De Standaard Koert Debeuf als ‘Libiëkenner’ over wat men dan met dat land moet aanvangen.(2) Een normaal mens zou na wat men hier mee hielp aanrichten zwijgen en zich in schaamte uit de publieke arena terugtrekken.

Maar voor de media is het gewoon een nieuw verhaal, lekker sappig dat extra papier doet verkopen. Juist zoals de moord op Khadaffi en de ‘bevrijding’ van het land in 2011 eveneens extra papier over de toonbank deed gaan. Iemand Mea culpa? Vergeet het! Het is gewoon big business.

Voor arrogante typetjes gelden nu eenmaal andere normen. Zij blijven beweren het best te weten wat men in het Midden-Oosten moet doen. Zwijgen misschien? En inderdaad, Revenire zou het wel eens bij het rechte eind kunnen hebben.


1) http://www.joshualandis.com/blog/the-free-syrian-army-is-growing-stronger-every-day-by-koert-debeuf-response-by-lund/#comment-1017194

Aron Lund is van origine een Zweed die er werkte voor o.m. het Swedish Institute for Interrnational Affairs en SIPRI, het Swedish International Peace Research Institute. In de periode van deze tekst werkte hij voor de Amerikaanse Carnegie Endowment for International Peace, een studiedienst die wereldwijd actief is om er de Amerikaanse belangen te verdedigen.

Tegenwoordig zit hij bij The Century Foundation, een andere Amerikaanse studiedienst die zich als ‘progressief’ voorstelt. Ten tijde van de publicatie van die tekst steunde hij nog mits wel wat voorbehoud de oorlog tegen Syrië. Nu neemt hij een meer neutrale positie in.

Zij het dat hij, zoals trouwens ook Joshua Landis, de ware relatie van de VS met Al Qaida en ISIS verzwijgt. Gezien hun grote kennis van het dossier duidelijk bewust. Wat natuurlijk dodelijk is voor hun geloofwaardigheid.

2) ‘Noodplan voor slaven in Libië’, De Standaard, Gissele Nath en Matthias Verbergt, 1 december 2017. Pagina’s 2 & 3.

Posted on

Oostenrijkse generaal: “Migrantenstroom Middellandse Zee kan wel degelijk gestopt worden”

De stroom migranten die per boot de Middellandse Zee probeert over te steken kan, anders dan sommige commentatoren beweren, wel degelijk gestopt worden. Dat zegt de chef van de generale staf van het Bundesheer, de Oostenrijkse krijgsmacht, generaal Othmar Commenda tegenover de Kronen Zeitung.

Gevraagd naar de mogelijkheid van het afsluiten van de migratieroute over de Middellandse Zee, stelt Commenda:

Binnen de EU beschikken momenteel de meeste lidstaten over de nodige strategische middelen om de vluchtelingenroutes over zee onder controle te brengen en de illegale migratie in te perken.

Uit militair oogpunt kan men nagenoeg alle boten die naar Europa onderweg zijn onderscheppen, zo voegt hij daar aan toe. Net als op de Balkanroute, waar de stroom met 96 procent is teruggelopen, zal er volgens de generaal altijd een klein deel doorglippen. Maar ook nu al wordt de Middellandse Zee doorlopend vanuit de lucht geobserveerd: door vliegende radarstations, de zogeheten AWACS-vliegtuigen, andere vliegtuigen, drones en satellieten.

Het is kortom technisch mogelijk om de tochten in de meest gammele boten, die al jaren voor een aanzienlijk deel van de mensen met de verdrinkingsdood aflopen, fors in te perken. Het terugsturen van de voor het leeuwendeel mannelijke economische migranten naar veilige zones aan de Noord-Afrikaanse kust, is geen kwestie van militair kunnen, maar van politiek willen, aldus Commenda.

“Het beproefde idee van beschermde zones in veilige regio’s wordt immers in Syrië al toegepast”, zo licht Commenda toe. Op de lange termijn is het volgens de generaal nodig om, naast het indammen van de migratiestroom, ook over oplossingen in de landen van herkomst na te denken.

Posted on

Afrika: demografisch booming, economisch een dwerg

Met het oog op de snelle bevolkingsgroei op het Afrikaanse continent zou eigenlijk een extreem hoge economische groei nodig zijn. Na decennia ontwikkelingshulp is Afrika in economisch opzicht echter nog altijd een dwerg.

Zo nu en dan is er weer sprake van Afrika als ‘markt van de toekomst’, maar de economische situatie van het continent blijft ontnuchterend. Momenteel woont ruim 16 procent van de wereldbevolking in Afrika, maar bij elkaar opgeteld dragen alle 54 Afrikaanse landen slechts drie procent bij aan het gezamenlijke Bruto Binnenlands Product van de wereld. Ter vergelijking: Frankrijk had in het jaar 2014 een BBP van 2,849 biljoen dollar, heel Afrika bij elkaar slecht 2,427 biljoen.

Een relatief groot aandeel in de economische macht van Afrika hebben de beide zwaargewichten Nigeria en Zuid-Afrika. Het economische potentieel van het continent is onbetwistbaar. Zo bereikte Subsahara Afrika in de afgelopen jaren gemiddelde economische groeicijfers van meer dan vijf procent. De OESO gaat ook voor het jaar 2017 van een gemiddelde economische groei van 4,5 procent uit.

Met het oog op de voorzienbare demografische ontwikkeling zijn echter groeicijfers van een heel andere dimensie nodig. Terwijl mondiaal gezien het gemiddelde vruchtbaarheidscijfers intussen gedaald is naar 2,5 kind, ligt die waarde voor vrouwen op het Afrikaanse continent bij gemiddeld 4,7 kinderen. Als die hoge geboortecijfers aanhouden, dan zal de bevolking van Afrika zich van 1,3 miljard nu verdubbelen tot 2,6 miljard in het jaar 2050 en mogelijk zelfs groeien tot meer dan zes miljard mensen aan het eind van de eeuw.

De econoom en socioloog Gunnar Heinsohn heeft er inmiddels herhaaldelijk op gewezen dat met een dergelijke bevolkingsgroei massieve, ook gewelddadige strijd uit zal breken over de verdeling van grondstoffen in de betroffen samenlevingen, wat ook kan overslaan naar de rest van de wereld. Zo is de gemiddelde leeftijd in Afrika momenteel 18 jaar. In de economisch maar zwak ontwikkelde landen van Afrika woedt dan ook een felle strijd om arbeidsplaatsen, terwijl de rest van de jonge mannen zijn hoop vestigt op emigratie.

Welke dimensies dit probleem al binnen een paar jaar aan zal nemen, maken berekeningen voor Subsahara Afrika duidelijk. Voor dit deel van Afrika is de prognose dat al in de komende 15 jaar 370 miljoen jongemannen extra op de arbeidsmarkt zullen komen. Tot het jaar 2050 zou dat aantal zelfs meer dan 800 miljoen kunnen bedragen.

Met de eerste voorbodes van deze bevolkingsexplosie krijgt Europa inmiddels in toenemende mate te maken. Nog niet zo lang geleden zorgde een analyse van de Oostenrijkse militaire inlichtingendienst voor ophef, daarin werd gewaarschuwd voor een nieuwe migratiegolf vanuit Nigeria, de Congo, de Soedan en Ethiopië. Als reden daarvoor werd door de geheime dienst aangevoerd, dat het aanbodoverschot op de arbeidsmarkt in de belangrijkste landen van herkomst in Afrika al in de jaren tot 2020 met een verdere 15 miljoen personen aan zou kunnen groeien.

Het is de vraag of de gevolgen van deze ontwikkeling überhaupt nog door een conventionele forcering van de economische ontwikkeling aanmerkelijk afgeremd kunnen worden. Onlangs heeft – na Merkels gezwollen retoriek over een soort Marshallplan voor Afrika – de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking Gerd Müller (CSU) een nieuw concept voor de economische ontwikkeling van Afrika voorgesteld. Müller wil daarvoor geen extra geld naar Afrika overmaken, maar de beschikbare middelen anders inzetten. Zo moet een budget voor ‘hervormingen’ ter hoogte van 300 miljoen euro ontstaan. Dit geld moet dan aan die staten ten goede komen, die zich inspannen voor hervormingen en de bestrijding van corruptie. Cliëntelisme en corruptie zijn naast de slecht uitgebouwde infrastructuur, een gebrek aan vaklieden, nepotisme, kleptocratie en een vaak gebrekkige rechtsstatelijkheid, hoofdproblemen in de economische ontwikkeling van Afrika. Müller heeft ook aangekondigd de strijd aan te willen binden met de belastingontwijkingsstrategieën van grote concerns, waardoor Afrika jaarlijks miljardenbedragen misloopt. De vraag blijft echter waarom de ontwikkelingssamenwerking van Duitsland en andere westerse landen met en in diverse Afrikaanse landen nu ineens wel zoden aan de dijk zou zetten.

In kringen van de Europese Unie doet intussen de gedachte de ronde om een speciale eurocommissaris voor Afrika aan te stellen, die zich bezig zou moeten houden met onder andere een vrijhandelsverdrag tussen de EU en de Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee. In het afgelopen jaar had voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker reeds een Marshallplan voor Afrika aangekondigd en in het vooruitzicht gesteld dat vanaf 2017 88 miljard euro aan investeringssteun gemobiliseerd zou worden.

De verwachting is dat het concept van de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking in de komende maanden gevolgd wordt door initiatieven van andere landen. Duitsland heeft dit jaar het voorzitterschap van de G20 en wil dat vooral gebruiken om aandacht te vragen voor de economische ontwikkeling van Afrika.

Posted on

Inferno: Gastcollege van prof. Langdon op locatie

De film Inferno laat zich als volgt samenvatten: een professor kunstgeschiedenis verhindert een mysterieus complot, terwijl hij gedurende zijn zoektocht een college kunstgeschiedenis geeft. Tom Hanks vertolkt voor de derde keer professor Langdon in een verfilming van een Dan Brown-roman door regisseur Ron Howard, die ook The Da Vinci Code en Angels & Demons regisseerde.

In tegenstelling tot de twee voorgaande verfilmde werken van Dan Brown speelt de Rooms-Katholieke Kerk in deze film geen enkele rol. Ditmaal is de slechterik een misantropische milieu-fanaat Bertrand Zobrist (gespeeld door Ben Foster), die meent dat de mensheid een kanker is voor de aardbol en dat alleen een pandemie de aarde kan redden van overbevolking. Het is opmerkelijk dat het pantheïstische idee van een moeder aarde door een slechterik in een zo kwalijk daglicht wordt gesteld in een Hollywood-film, waarin dat idee doorgaans wordt omarmd (bijvoorbeeld in de blockbuster Avatar uit 2009).

Opmerkelijk genoeg meent Zobrist dat de bevolkingsgroei vooral komt door Europa (geboortecijfer ~1-2 kind per vrouw), en niet door sub-Sahara Afrika (geboortecijfer ~4-5 kind per vrouw) want in het begin van de film lijkt het er op dat hij zijn virus in Florence wil verspreiden via de toeristenmassa. Later blijkt het virus in het eveneens toeristische Istanbul verstopt, dat wordt opgevoerd als poort tussen oost en west, terwijl de grootste bevolkingsmigratie juist tussen noord en zuid is. Het probleem is natuurlijk dat sub-Sahara Afrika niet zoveel interessante kunsthistorische locaties oplevert voor een roman die gericht is op een intellectueel publiek.

Aan het begin van de film wordt de achtervolging van Zobrist door Christoph Bouchard (gespeeld door Omar Sy, bekend van de Franse film Intouchables) gefilmd, een achtervolging die eindigt in Zobrists zelfmoord in hartje Florence. Bouchard blijkt voor de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) te werken en driftig op zoek te zijn naar het dodelijke virus, dat door Zobrist Inferno is genoemd, een verwijzing naar het gelijknamige werk van de Florentijnse schrijver Dante Alighieri. Zobrist blijkt geobsedeerd te zijn door Dante en dat verklaart de benaming van het virus.

Dante’s Inferno maakt deel uit van zijn meesterwerk Goddelijke Komedie, waarin hij de reis van de ziel naar God omschrijft. In Inferno gaat de ziel door de negen cirkels van de hel, een thema dat sindsdien zijn weerslag heeft gekregen in de schilderkunst, waaronder Sandro Botticelli’s Kaart van de hel. Er wordt in de film voortdurend verwezen naar de Zwarte Dood, een vreselijke pandemie die Europa in de 14de eeuw troof en die naar schatting een kwart van de Europese bevolking het leven kostte. Dante stierf echter voor de uitbraak van de Zwarte Dood en dat zijn werk vooral gebaseerd was op zijn nare ervaringen in de Florentijnse politiek (hij werd uiteindelijk verbannen).

Professor Langdon (Hanks) raakt in deze film meer dan ooit verstrikt in een web van intriges, waardoor hij meer dan de helft van de film versuft en uitgeput erbij hangt. Hij wordt achterna gezeten door een malafide motor-agente, die hem wil vermoorden, en gekidnapt door Bouchard, die het virus wil hebben voor zijn eigen geldelijk gewin. Bijna niemand lijkt te zijn wie hij/zij zegt te zijn. Het is zeker een spannende film met wilde achtervolgingen en opmerkelijke plotwendingen, met name als (spoiler alert!) zijn redder van het eerste uur Dr. Sienna Brooks (gespeeld door Felicity Brooks) de minnares van Zobrist blijkt te zijn die zijn misantropische werk wil volbrengen.

Het einde van de film is opmerkelijk, want het brengt de onvoltooide liefdesgeschiedenis tussen Elizabeth Sinskey (gespeeld door Sidse Babett Knudsen) en Langdon op de voorgrond – beiden kozen voor een professionele loopbaan in de internationale jetset van academici waardoor ze werden gescheiden en uiteindelijk kinderloos bleven. Ook de minnares van Zobrist bleef kinderloos, evenals de malafide motor-agente die sterft tijdens de achtervolging van Langdon. Je vraagt je dan ook af waar Zobrist zich druk om maakt met zoveel onvruchtbaarheid onder westerse vrouwen. De bevolking in het noordelijk halfrond van de aarde blijft anno 2016 onder de vervangingsvruchtbaarheid, terwijl Zobrist juist daar zijn virus wil verspreiden om overbevolking te bestrijden.

De film is leuk om te zien vanwege de vele verwijzingen naar westerse kunst en cultuur, alsmede de prachtige filmlocaties. Je zou alleen al daarom op het vliegtuig willen stappen om te kijken waar de film is opgenomen. Verder is het verhaal leerzaam en spannend met vele plotwendingen. Het is een leuke film om te zien in een bioscoop of een avondje voor de buis.