Posted on

Lek in Mail on Sunday en beslag op Iraanse supertanker

Correspondentie van de Britse ambassadeur in Washington waarin hij het Witte Huis disfunctioneel noemde lekte uit naar de krant. Het heeft er alle schijn van dat het lek vergelding is voor de flater die de Britten sloegen door voor Gibraltar een Iraanse supertanker in beslag te nemen op basis van onjuiste Amerikaanse informatie.

Merkwaardig toch dat lek in de Britse zondagskrant Mail on Sunday, een der favoriete kranten van de Conservatieven in het Verenigd Koninkrijk. Daarin stond een deel van de private correspondentie van de Britse ambassadeur in Washington met zijn regering over de Amerikaanse president Donald Trump en zijn administratie.

De Amerikaanse president Donald Trump is volgens de Britse ambassadeur in Washington onbekwaam, onzeker en incompetent. Waarbij het Witte Huis een disfunctioneel milieu is.  “Wij betalen hem om oprecht te zijn” De waarheid dus stelde de Britse regering. U zegt???

Aangezien het om een normaal gesproken geheim document gaat kregen we ditmaal geen gewauwel en gelul, maar vrank en vrij wat de Britse topdiplomaat aan zijn baas, de minister van Buitenlandse Zaken schreef.

En dat was dan ook een weinig fraai beeld en in wezen niet verrassend. De man en zijn administratie zijn gewoon een bende knoeiers die behoudens ruzie maken zowel intern als met de buitenwereld er niets van bakken. En dat zal volgens de ambassadeur nog zo blijven.

Lek

Naar wie dat lek veroorzaakte hoeven we niet ver te zoeken. Alleen Buitenlandse Zaken heeft die documenten, niet de Mail on Sunday of de minister van Defensie. En zeker gezien de reactie in London op dit lek hoeft men niet eens meer te zoeken.

Want in plaats van een te verwachten ‘no comment’ of ontkenning klonk het aan de Thames nu verbazingwekkend dat men die in dienst heeft om ons oprecht zijn visie te geven. De waarheid dus? Het is een nooit geziene reactie tussen wat nauwe bondgenoten heten te zijn.

Maar waarom komt dat lek en dat toch zwaar diplomatiek incident plots nu? Dat is hier de centrale vraag. Het is natuurlijk gokken om de echte reden voor deze rel te kennen en geen van beide regeringen zullen het aan onze neus hangen. Zo werkt normaal toch de diplomatie.

Europees embargo

En dan is het uitkijken naar wat London recent erg boos kon maken wat betreft de VS. Een nadenkend mens ziet dan dat grote incident van enkele dagen eerder voor de kust van Gibraltar en Spanje. Daar hebben Britse mariniers een Iraanse supertanker gekaapt die volgens de Britten op weg was naar de Syrische raffinaderij van Banyas.

En, stelde London fier: “Er is een Europees embargo tegen Syrië wat betreft olieleveringen en dus legden we beslag op dit schip. Het heeft niets met Iran te maken.” Waarop Teheran woest reageerde als door een wesp gestoken. “Dat de Britten maar oppassen, want wij kunnen in de Perzische Golf en de Straat van Hormuz ook een Britse tanker in beslag nemen.”

Dat men in Londen hierop plots schrik kreeg bleek toen het Brits-Canadese persbureau Reuters twee dagen terug met luide trom wist te melden dat een Britse tanker ongehinderd de Straat van Hormuz had kunnen passeren, vertrekken uit de Perzische Golf. Het leek op een zucht van verlichting.

Iraanse supertanker te groot voor Syrische haven

Intussen loopt er over die zaak in Gibraltar al een proces. En wat stelt Iran: Die supertanker is niet bestemd voor Syrië want daar kan men geen dergelijke supertanker, volgeladen goed voor 2 miljoen ton, laten aanmeren. Probleem voor de Britten natuurlijk die zo hun enige argument van tafel zien verdwijnen.

Iraanse supertanker
Een VLCC, een zogenaamde supertanker, kan een lengte hebben die gaat tot 470 meter (1540 voet). De Grace 1, het in beslag genomen schip heeft een lengte van 330 meter (1081 voet) terwijl de haven van Banyas, waar de raffinaderij ligt, een kaai heeft met lengte van 500 voet. Volgens Iran grijpt de bevoorrading van die raffinaderij in Banyas trouwens plaats met kleinere tankers die door het Suezkanaal varen. De in beslag genomen supertanker is te groot en kan niet door het Suezkanaal en voer dus om Afrika heen.

Bovendien blijkt dat volgens de Spaanse regering de kaping van de Iraanse supertanker gebeurde in Spaanse wateren en op vraag van de VS, dus het oorlog stokende duo John Bolton en Mike Pompeo, respectievelijk de Nationale Veiligheidsadviseur en minister van Buitenlandse Zaken.(1) Deze hebben zelfs een speciale dienst opgericht om elke beweging van Iraanse tankers nauwgezet te volgen. Want in Iran is het nu na de zware Amerikaanse sancties smokkelen geblazen.

Bekend is dat de Britse minister van Defensie droomt van wilde militaire avonturen – de man wou weer oorlogsbodems naar het Verre Oosten sturen – terwijl die op Buitenlandse Zaken alleen kaas, vliegtuigmotoren, scotch, Brits lamsvlees en dergelijke meer naar het Verre Oosten wil zenden.

Zou het kunnen?

Zou het kunnen dat het duo Bolton en Pompeo aan Londen een tip gaven en vroegen in te grijpen en hen daarbij een fabeltje vertelden? Mede om zo de Europese bemiddeling in de kwestie van het nucleair akkoord met Teheran te kelderen. Waarna de Britten puin mogen rapen. En was Londen zo ontdaan over de strapatsen van dit duo dat men met een USB-stick dan maar eens naar de Mail on Sunday stapte.

Het is een mogelijk en zeker niet vergezocht scenario. Er moet nu eenmaal een voor de ontslagnemende regering van Theresa May gegronde reden geweest zijn om zomaar de geheime correspondentie van hun topdiplomaat op straat te gooien. Wie nauwkeurig een regeringsgetrouwe Britse krant als The Financial Times leest ziet dat London trouwens met die kaping van die Iraanse supertanker erg in de maag zit.

Kaping Iraanse supertanker

Het zomaar in beslag nemen van een vrachtschip in de Straat van Gibraltar is nu eenmaal alleen als een kaping te beschouwen. De Britse eigenaar van deze haven, rots en fraudeursparadijs moeten bij wet vrije doorgang verlenen aan elk schip, of dat nu passagiers, militairen of vracht aan boord heeft.

Hetzelfde trouwens voor elke zee-engte zoals de Bosporus, het Panamakanaal of de Straat van Hormuz. Argumenten als een Europees of Amerikaans embargo zijn hier waardeloos. Wat de Britten hier deden was gewoon pure piraterij en diefstal. Het leek wel of kapitein Drake terug is, ooit Londens grootste piraat. Maar dit is niet de zeventiende eeuw maar 2019. Wakker worden!


1) Het idee van Trump betreffende Iran was bijna zeker te doen wat hij deed met Noord-Korea. Eerst het land tegen de muur gooien en dan gaan praten en liefdesverklaringen afleggen. Zonder dat men natuurlijk wat ook bereikt. Met Pyongyang lukte dat voorlopig maar in Iran stellen de politici unaniem dat ze met de VS niet willen praten zolang men die sancties niet opheft. Een strategie die Trump vermoedelijk niet had verwacht. Geknoei dus.

Posted on

Egypte breekt met ‘Arabische NAVO’

Egypte heeft zich teruggetrokken uit het overleg om te komen tot de vorming van een Middle East Strategic Alliance (MESA), in de omgang wel aangeduid als de Arabische NAVO. Dat meldt persbureau Reuters op basis van vier goed ingevoerde Arabische bronnen. De terugtrekking van de Arabische Republiek is een tegenslag voor het anti-Iran-beleid van de Amerikaanse regering.

Afgelopen zondag had in de Saoedische hoofdstad Riaad een overleg tussen betrokken landen plaats. Egypte zou het besluit om niet mee te doen aan de vorming van een ‘Arabische NAVO’ voorafgaand aan de Amerikaanse regering overgebracht hebben. Caïro stuurde geen afvaardiging naar het overleg.

Spanningen met Iran

De MESA behelst een politiek, economisch en veiligheidspact van soennitische Arabische staten. Egypte zou zich teruggetrokken hebben, omdat de regering van Abdel Fattah el-Sisi twijfels heeft over het project. Caïro was sceptisch omdat de plannen nog altijd weinig concreet zijn. Verder vreest Egypte dat de vorming van de MESA de spanningen met het sjiitische Iran onnodig zal opdrijven.

Opzichtige vleierij

Tegen deze achtergrond wordt het ook een stuk begrijpelijker dat Donald Trump zich afgelopen dinsdag tijdens het bezoek van Sisi uitputte in loftuitingen voor de “great president”. Minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo noemde de Egyptische leider zelfs een “baken van godsdienstvrijheid”. Deze opzichtige vleierij was kennelijk bedoeld om de veldmaarschalk toch nog op andere gedachten te brengen.

Posted on

Britse en Duitse militaire missies in Constantinopel en de Eerste Wereldoorlog

De bemoeienissen van de Duitse generaal Otto Liman von Sanders met het Turkse leger in de aanloop tot én tijdens de Grote Oorlog heeft in de geschiedschrijving een bijzondere plaats gekregen. De militaire missie onder zijn leiding is door de Anglo-Amerikaanse geschiedschrijvers gebruikt om de aan Duitsland toegeschreven c.q. nagestreefde Weltmacht te illustreren. Ze werd gepresenteerd onderdeel te zijn van een bewust gevoerde agressieve koers met de oorlog van ’14-’18 als logisch resultaat.

Wát was er zo bijzonder aan deze missie en wat was de reden dat vooral de eerder genoemde historici zo gebeten waren op Liman von Sanders? Duitsland was namelijk niet het eerste of enige land dat activiteiten ontplooide binnen de Ottomaanse krijgsmacht. Engeland was bijvoorbeeld al sinds al sinds 1868 nauw betrokken bij de opbouw en ontwikkeling van de Ottomaanse vloot. De Engelse admiraal Hobart Hamden vervulde vanaf dat jaar een belangrijke rol binnen de Ottomaanse marine en zou in 1885 zelfs opklimmen tot persoonlijk adviseur van de Sultan. Ook Frankrijk was nauw betrokken bij het rijk der Ottomanen, met name door middel van haar grote betrokkenheid met de douane en het bankwezen.

Achtergrond

Mede door haar grote militair-economische strategische positie werden de grenzen van het Ottomaanse Rijk constant bedreigd door de gebiedshonger van haar Engelse, Russische en Franse tegenstrevers. Nadat in 1871 Duitsland als overwinnaar uit de Frans-Pruisische oorlog tevoorschijn was gekomen en daaruit het Tweede Duitse Rijk tevoorschijn kwam, richtten de Ottomanen zich tot dit nieuwe rijk voor o.a. militaire ondersteuning. Om minder van de Engelse en Franse wapenleveranties afhankelijk te zijn, werd op verzoek van de Turken het leger gereorganiseerd met Duitse ondersteuning. Onder toezicht van de Duitse generaal Colmar Freiherr von der Goltz werden in de periode van 1883 tot 1895 grote hoeveelheden Krupp-geschut en aanzienlijke hoeveelheden diverse vuurwapens geleverd. Het Duitse Rijk werd een nieuwe speler in het militair-strategische gebied van de Bosporus.

Russische militairen steken de Donau over in juni 1877 (schilderij van Nikolai Dmitriev-Orenburgsky)

Na enkele bloedige conflicten – zoals de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, een oorlog met Griekenland in 1897 en de Eerste- en de Tweede Balkanoorlog van 1912 en 1913 – zette het Ottomaanse Rijk zich schrap voor een volgend conflict. Een oorlog die naar alle verwachting gevoerd zou worden met haar rivaal en buurland Griekenland met alle mogelijke consequenties die voortvloeiden uit de sleutelpositie die ze in de regio vervulde. De andere grootmachten uit die tijdsperiode – Engeland, Rusland en Frankrijk – aasden als roofgieren op elke mogelijkheid de scepter over te kunnen nemen van de Zieke Oude Man. Elk van hen was gebrand op een zo groot mogelijke invloed binnen het Ottomaanse Rijk dat zijn beste tijd al achter zich had.

Engels – Ottomaanse bemoeienis

Door een van buitenaf bewust gevoede verdeel-en-heers politiek heerste er grote instabiliteit binnen het rijk. Angst bij het staatshoofd om door kringen binnen het eigen militaire apparaat van de troon gestoten te worden, leidde er onder andere toe dat de Ottomaanse krijgsmacht in een deplorabele toestand verkeerde. Ondanks dat werden binnen legerkringen constant pogingen ondernomen de krijgsmacht naar een hoger plan te tillen. In 1904 werden twee Amerikaanse officieren – admiraal Bucknam en Captain Ledbetter – aangetrokken om de marine onder handen te nemen, zonder zichtbaar resultaat. Daarop verzocht de Ottomaanse regering in 1908 Engeland haar te assisteren de marine te moderniseren en 2 februari 1909 maakte admiraal Douglas Gamble zijn opwachting in Constantinopel. Hij zou zich – overigens zónder merkbaar resultaat – tot maart 1910 bezig houden met de sterk verouderde marine. In april 1910 werd hij opgevolgd door admiraal Hugh Williams die tot april 1912 – net als zijn voorganger Douglas Gamble – weinig vorderingen maakte met de modernisering van de vloot. De Ottomanen waren over de Engelse inspanningen dan ook niet tevreden.

De vlootopbouw: gecontroleerde modernisering

De Ottomaanse vloot bestond in die periode uit een samenraapsel van 52 oude en nieuwe schepen, sterk verschillend in grootte en sterkte, waarvan er 24 in zo’n slechte technische staat verkeerden dat ze niet inzetbaar waren. De aankoop van twee – 20-jaar oude – Duitse oorlogsschepen uit de Brandenburgklasse in augustus 1910 moest de Turkse vloot in staat stellen enig tegenwicht te bieden aan het op een Italiaanse werf op stapel staande Griekse oorlogsschip Averoff. Tussen deze beide rivalen was een heuse wapenwedloop gaande. De Ottomaanse wens om moderne(re) Engelse oorlogsschepen aan te schaffen, werd echter stelselmatig getorpedeerd, zoals op 10 juli 1910 toen Engeland weigerde de Swifture en Triumph te verkopen. Daarvoor in de plaats bood ze twee kleinere schepen aan met beduidend minder vuurkracht. Van Duitsland werden toen wél passende oorlogsbodems betrokken. In mei 1911 stemde Engeland uiteindelijk in met de bouw van twee Dreadnoughts (gepantserde slagschepen) wat in Griekenland tot grote irritatie leidde. Op 6 december 1911 werd de kiel van één van de bestelde schepen – de Reshadiye – gelegd. Frankrijk raakte op haar beurt ook geïrriteerd, omdat zij van mening was dat Engeland bovenmatig profiteerde van de economisch aantrekkelijke wapenwedloop tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

De SMS Kurfürst Friedrich Wilhelm die later in Ottomaanse dienst zou komen.

Dat de beide Engelse admiraals niet bijzonder succesvol waren, was niet in de laatste plaats te wijten aan de opdracht om vooral de Engelse belangen in het oog te houden. Een moderne, slagkrachtige marine was iets waarvoor Good Old Albion het minste belangstelling had. Een strijdmacht die ze mogelijk in de toekomst als tegenstander op haar pad zou kunnen vinden. Een militair krachtige natie vormde – in dat voor haar zo belangrijke deel van de wereld – een forse bedreiging en een sterke marine was evenmin in het belang van haar Entente-genoot Rusland. Zich afzijdig houden van de vlootmodernisering zou betekenen dat ook haar invloed minimaal zou zijn, iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen.

„If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”, zoals het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken aan Rusland liet weten.

Toen het mandaat van admiraal Hugh Williams op zijn eind liep, werd op 11 maart 1912 admiraal Arthur Limpus tot zijn opvolger benoemd. Deze admiraal met één jaar ervaring werd door Winston Churchill aangeprezen als een „fine fellow’ who would make a good personal impression”. Begin mei 1912 arriveerde Limpus met zijn staf in Constantinopel. Ook Limpus was gehandicapt door het mandaat dat hij meegekregen had. Tóch slaagde hij er in een opdracht voor een drijvend reparatiedok binnen te halen, dat door de Vickers Armstrong Company gebouwd zou worden. Limpus liet weten dat met deze opdracht de invloed binnen de Ottomaanse marine een onaantastbare voorsprong voor Engeland betekende. Zoals hij het omschreef was het een practical monopoly of naval construction and repairs for thirty years.’ Het Ottomaanse Rijk bleef intussen onverkort vasthouden aan haar koers om haar vloot uit te bouwen en te moderniseren met grote oorlogsbodems, maar ondervond een zeer terughoudend Engeland op haar pad.

Duitse inmenging

Het succes van Limpus met het reparatiedok werd overschaduwd door de komst van de Duitse generaal Liman von Sanders die niet zoals de Engelse missies door een mandaat gehinderd werd. Het lokte nogal heftige Engelse en Russische reacties uit. Met name Rusland stond nogal wat drastische maatregelen voor: “the three powers must be prepared to take active steps such as the occupation of Turkish Ports”, aldus minister Sazonov. Maar de Engelse en Russische protesten haalden niets uit. De Groot-Vizier reageerde daarop door mee te delen de Duitse missie gelijkwaardig aan die van Engeland te beschouwen, “Limpus had a similar if not more extensive command. Admiral Limpus had command of the whole Turkish fleet, whereas the German general was to have command of one army corps only … the two commands could hardly be compared in importance”.

Eind 1912 polste het Ottomaanse Rijk het Duitse Keizerrijk hoe het dacht over het zenden van een militaire missie om haar leger te reorganiseren. Terwijl verkennende besprekingen daarover gaande waren, bracht de Russische tsaar in mei 1913 een bezoek aan Berlijn waar de Duitse keizer hem op de hoogte bracht van het Turkse verzoek, een verzoek waartegen hij geen bezwaar aantekende. Op 22 mei 1913 volgde daarop het officieel Turkse verzoek en benoemde Duitsland op 30 juni 1913 generaal Liman von Sanders tot leider van de Duitse militaire missie naar Constantinopel. In de formele overeenkomst liet de Turkse regering in augustus 1913 vastleggen dat Liman von Sanders in de functie van Ottomaans generaal het in Constantinopel gelegerde 1legerkorps zou omvormen tot een elite-eenheid. Toen in december 1913 de Duitse missie in Constantinopel arriveerde en haar specifieke taak naar buiten gebracht werd, stuitte dat op hevige Russische protesten. Ook in Engeland was men ‘not amused’ en de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau was eveneens niet bepaald enthousiast. De critici meenden het zenden van de missie als een stap te moeten presenteren van Duitsland om de macht in die belangrijke regio naar zich toe te trekken en de Turkse geest te vergiftigen (poisoning the Turkish mind).

De grootmachten vergaten daarbij voor het gemak de eigen belangenverstrengeling binnen zowel het Ottomaanse leger áls de marine. Om aan de bezwaren enigszins tegemoet te komen werd besloten een cosmetische aanpassing aan te brengen in rang en titel van Liman von Sanders. In januari 1914 werd hij tot Ottomaans maarschalk benoemd en kreeg hij de opdracht mee om zich in de minder belangrijke functie van Inspecteur Generaal te belasten met de meer algemene reorganisatie van het Ottomaanse leger.

Vlootpolitiek en Britse belangen

Terwijl Liman von Sanders zich met de modernisering van het leger bezig hield, hield het Ottomaanse Rijk nauw contact met de Engelse marinemissie om haar marine te versterken.

Door geldgebrek was in 1912 de bouw van het tweede – in 1911 bestelde – slagschip, de Mahmud Resad V geannuleerd. In januari 1913 liet Sir Gerard Lowther – de Engelse ambassadeur in Constantinopel – aan zijn regering weten dat het Ottomaanse Rijk grote belangstelling had voor de Rio de Janeiro, een Dreadnought welke in opdracht van Brazilië op een Engelse werf gebouwd werd. Behalve van Ottomaanse zijde was er ook van Russische en Italiaanse kant interesse in dit schip dat Brazilië door financieringsproblemen van de hand wilde doen, maar nog niet officieel op de markt gebracht was. Het schip zou niet eerder dan in de zomer van 1914 van stapel lopen wat Turkije wel als een handicap beschouwde. Duitsland bood daarop twee 19-jaar oude schepen aan, die wel direct ter beschikking waren. In reactie op het Duitse aanbod liet Limpus in een bericht van 12 maart 1913 aan Winston Churchill weten dat zo’n aankoop de Ottomanen steviger in Duitse armen zou drijven en hij drong er op aan dat Engeland een tegenbod moest doen door bijvoorbeeld 2 oudere types Dreadnought aan te bieden. In antwoord hierop liet Winston Churchill op 3 april 1913 aan Limpus weten niets anders dan twee oude en afgedankte Royal Sovereigns in de aanbieding te hebben, een aanbod dat van Turkse zijde werd afgeslagen.

Ondertussen ging het getouwtrek om de Rio de Janeiro stug door. Italië leek de koop rond te hebben, wat Frankrijk weer in allerhoogste alarmfase bracht. Een oorlogsbodem met zulke formidabele vuurkracht als onderdeel van de marine van de Italiaanse buurstaat, was iets dat niet in Frans belang kon zijn. Frankrijk deed daarop Griekenland het voorstel het schip te financieren en leek daarin succesvol te zijn. Op 22 november 1913 informeerde het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken Churchill dat Griekenland de financiering rond had waarna deze zijn goedkeuring gaf en de werf de waarschuwing kreeg het schip niet aan een andere partij dan Griekenland te verkopen. Uiteindelijk ging het schip tóch aan de Griekse neus voorbij. Op 15 december 1913 werd bekend dat het Ottomaanse Rijk alsnog de nieuwe eigenaar geworden was van de Rio de Janeiro. Ze was aangekocht met behulp van een Franse lening…..[!] en hernoemd in Sultan Osman I. Het financiële belang had gewonnen. Als bonus bij de verkoop was namelijk bedongen dat ook de renovatie van de Ottomaanse scheepswerven door Armstrong Whitworth bij de deal waren inbegrepen, eveneens door Frankrijk gefinancierd.

Engelse confisquatie en publieke opinie

Op 3 september 1913 werd de eveneens in 1911 bestelde Reshadiye te water gelaten en begon de verdere afbouw van het schip. De Turken waren er op gebrand om de Reshadiye en de Sultan Osman I zo snel als mogelijk in eigen wateren te hebben, niet in de laatste plaats vanwege de ontwikkelingen op maritiem gebied in de Griekse buurstaat. Een Turkse bemanning was al in Engeland om de Reshadiye naar eigen wateren te varen en admiraal Limpus werd op 27 juli 1914 naar Engeland gezonden om de levering te begeleiden van de Sultan Osman I. Bij het ontbreken van een voldoende opgeleide Turkse bemanning kreeg hij de opdracht mee dit schip te laten bemannen met Engelse marineofficieren ‘in ruste’. Het zou vergeefse moeite zijn. De Armstrong Whitworth werf kreeg op 31 juli 1914 van Winston Churchill de opdracht het schip vast te houden en niet te overhandigen, in de middag gevolgd door een bestorming van het schip door Engelse mariniers die het in bezit namen. De actie kwam voor Enver Pasha niet onverwacht. Ook de Reshadiye werd door Engelse mariniers bestormd, haar Ottomaanse bemanning gevangen genomen en het schip geconfisqueerd.

De Reshadiye in Britse dienst als HMS Erin

Zowel de Sultan Osman I als Reshadiye werden na een verklaring van Winston Churchill op 3 augustus 1914 in de Engelse vloot opgenomen en omgedoopt tot respectievelijk HMS Agincourt en HMS Erin. Op 22 augustus werd HMS Erin officieel in gebruik genomen. Beide schepen zouden in de zeeslag bij Jutland in 1916 slag leveren met de Duitse vloot. Een ander – nog in 1914 bij de Engelse Vickers-werf besteld – schip dat de naam Fatih had moeten dragen, werd bij het uitbreken van de oorlog niet meer in productie genomen. In totaliteit zou het Ottomaanse Rijk in elf jaar (tot 1914) 40 schepen van Engelse werven aanschaffen. Door de annexatie van de schepen beroofde Engeland het rijk tegelijk van een investering van £ 4.000.000; een bedrag dat voor een groot deel door haar burgers in een nationale schooi- en bedelcampagne bij elkaar gebracht was. De Engelse actie zorgde ervoor dat de Turkse publieke opinie omsloeg in haar nadeel.

Duitse compensatie en Griekse bewapeningswedloop

De Engelse actie zou er mede voor zorgen dat het Ottomaanse Rijk zich aan de kant van de Centrale Mogendheden stelde. Ze ontving ter compensatie van de door Engeland in beslag genomen schepen, reeds op 12 augustus 1914 de volledig bemande Duitse oorlogsbodem SMS Goeben (omgenoemd tot Javuz Sultan Selim) en de SMS Breslau (omgedoopt in Midill). Admiraal Limpus werd op 15 augustus 1914 van zijn functie ontheven waarna hij naar Malta vertrok om in september zijn nieuwe post te betrekken: Superintendent of the dockyard’. De Duitse admiraal Souchon werd daarop door de Sultan tot opperbevelhebber van de Ottomaanse vloot benoemd.

Ook de Griekse marine kende onder soortgelijke condities als het Ottomaanse Rijk ondersteuning door Engelse militaire missies, zoals onder admiraal Lionel Tufnell die Griekenland moest adviseren. De Grieken bevonden zich in een wapenwedloop met het haar Turkse buurnatie en was druk doende haar vloot op oorlogssterkte te brengen. Begin 1910 wist ze een – oorspronkelijk voor de Italiaanse marine geplande – kruiser aan te kopen. Op de Orlando-werf in het Italiaanse Livorno was begin 1910 de kiel gelegd van deze £ 950.750,- kostende kruiser die om budgettaire redenen al spoedig stilgelegd werd. Op 27 februari 1910 zag Griekenland kans de kruiser voor 30% van de originele kostprijs aan te kopen en volgde er op 12 maart 1910 de officiële bekrachtiging. Het aankoopbedrag werd voor een deel betaald uit de nalatenschap van de Griekse zakenman Giorgios Averoff; het overige deel werd via buitenlandse credieten gefinancierd. De nieuwe kruiser zou de naam van de ‘gulle gever’ gaan dragen Giorgios Averoff.

Tewaterlating van de Averof in het Italiaanse Livorno in 1910

En bij de Vulcan-werf in het Duitse Hamburg plaatste Griekenland de bouw van een kruiser die oorspronkelijk de naam Vasilfs Georgios zou meekrijgen. Onder de uiteindelijke naam Salamis zou deze slagkruiser voorzien worden van geschut van Amerikaanse makelij, maar ze werd nooit opgeleverd. Het uitbreken van de oorlog in 1914 zorgde ervoor dat de bouw werd opgeschort.

Admiraal Mark Edward Frederick Kerr

Begin 1913 diende Griekenland een verzoek in de militaire missie te vernieuwen; en dan niet geleid door naval pensioners zoals Tufnell, maar onder commando van een officier in actieve dienst. Op 2 juni 1913 liet Winston Churchill per brief aan de Griekse minister van marine weten dat door de snelle groei van de Engelse marine moeilijk aan die wens tegemoet kon worden gekomen, maar dat hij er tóch in geslaagd was een geschikte kandidaat te vinden. Admiraal Mark Edward Frederick Kerr – een protégé van Louis Alexander von Battenberg (ná 1917 Lord Mountbatten genoemd) – werd uitgezonden en op 17 september 1913 nam hij het commando over de Griekse marine op zich. Kerr zag zijn benoeming niet zozeer als een promotie, eerder als een belemmering van zijn marinecarrière en dat zou hij op een nogal bijzondere manier laten gelden.

Kerr kreeg van Churchill de opdracht mee niet té meegaand te zijn en vooral toch het Engelse belang boven het Griekse belang te stellen. Een slagkrachtige Griekse marine was – net als een moderne Ottomaanse vloot – niet in het belang van het British Empire. Ook hier gold dat afzijdigheid bij de vlootmodernisering gelijk zou staan aan minimaal invloed. Iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen. Om de regie te kunnen voeren in de modernisering nam ze een ‘actieve’ rol op zich, want ook hier gold “If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”..

Engels Mandaat en Kerrs verzoek

Kerr kreeg van Winston Churchill een gelijksoortig mandaat mee als zijn tegenhangers in Ottomaanse dienst:

“It is not intended that the instruction and assistance we are giving to the Greek Navy should place them on the same level of naval science as the British. The refinements of our gunnery, torpedo, and submarine courses should not be disclosed but only that general information such as would be appropriate to foreign officers allowed for instructional purposes to attend certain courses”.

Gehinderd door dit mandaat kreeg Kerr het herhaaldelijk aan de stok met minister-president Eleutherios Venizelos die – evenals de Ottomaanse Sultan – zijn zinnen had gezet op zwaar oorlogsmaterieel. Zijn verstandhouding met de Griekse koning Constantijn was daarentegen zeer bijzonder en intens. Dit vertaalde zich in grote sympathie en loyaliteit, iets dat hem in een moeilijke positie bracht. Door het mandaat gehinderd kon Kerr niet anders dat elk verzoek tot levering van grote en zware slagschepen saboteren. Door te lobbyen via zijn beschermheer Lord Mountbatten probeerde hij ter compensatie ondersteuning los krijgen – indien er daadwerkelijk tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk oorlog uitbrak – in de vorm van Engelse onderzeeërs destroyers en kruisers. Hij verbond daaraan verregaande persoonlijke consequenties:

“If war breaks out in the spring or summer when we are so weak, I feel I should change my nationality and fight for these people. I know it means ruin for me afterwards, but I have a strong feeling that I should do so. I would not feel so, except for the fact that they will be so weak, having no one who knows how to work a flotilla and I may make the difference of victory or defeat”.

…. in zijn verzoek dat geen Engels belang diende en bij voorbaat kansloos was.

Uitbreiding van de Griekse vloot

Griekenland bleef naarstig op zoek naar aanvulling op haar vloot. Ze bood Japan een fors bedrag voor haar kruiser Kongo, maar de deal ging niet door. China bood een kleine kruiser aan, die op het punt stond de Amerikaanse scheepswerf te verlaten; het woog allemaal niet op tegen de komst van de twee Ottomaanse Dreadnoughts de Reshadiye en de Sultan Osman I. In haar wanhoop bood ze begin 1914 met gulle hand op twee afgedankte Amerikaanse oorlogsschepen, de Idaho en de Mississippi, die de New York Times omschreef als: “In the ordinary course, the ships would be consigned to the scrap heap, or be used as targets”.

Op 28 mei 1914 gaf de Amerikaanse Senaat hieraan haar goedkeuring, maar even leek het nog dat het de Ottomanen gelukt was roet in het eten gooien. Zij boden een hoger bedrag voor de dodelijke schroot. Tijdens een Senaatszitting van 23 juni 1914 werden de afdankertjes alsnog aan Griekenland gegund. De afgeschreven schepen brachten meer op dan de originele bouwkosten! Admiraal Kerr was woedend over de aankoop die Venizelos achter zijn rug om gedaan had: “The deal ruined the progress of the Greek navy for the rest of the time I was there, and afterwards”.

De Idaho – die (héél comfortabel) op oefening was in de Middellandse Zee – kon snel worden overgedragen zodat Griekenland haar mogelijk nog kon inzetten voordat de Sultan Osman I van de Engelse werf zou glijden. Het Griekse schip kreeg daarbij de naam Limnos.

Een afhoudende koers: Kerrs rol uitgespeeld

Toen de Groote Oorlog op het punt van uitbreken stond, ontving admiraal Kerr van de kant van de First Lord of the Admiralty – Winston Churchill – het verzoek de Griekse marine aan geallieerde zijde te plaatsen. Kerr stelde daaraan dusdanige eisen dat van een samengaan geen sprake kon zijn. De gevraagde Griekse maritieme ondersteuning van een Engelse campagne in de Dardanellen kwam niet tot stand. Kerr wilde zijn Griekenland zo lang als mogelijk buiten de gevechten en zo mogelijk neutraal houden. Zo nam hij radiostilte in acht rondom de beide Duitse oorlogsschepen de Breslau en de Goeben die onder commando van admiraal Wilhelm Anton Souchon richting Griekenland opstoomden. De exacte locatie van beide schepen was hem bekend, maar hield hij deze informatie 3 dagen voor zich vóórdat hij ze via prins Sdemidoff – de Russische ambassadeur in Athene – doorspeelde. Sdemidoff telegrafeerde deze strategisch belangrijke informatie naar de admiraliteit in St. Petersburg, die op haar beurt de Engelse admiraliteit op de hoogte bracht. De goede verstandhouding die Kerr had met de Duitse keizer, zal zeker meegewogen hebben in de door hem gemaakte keuze. Kerr kende de keizer persoonlijk. Hij had hem meerdere keren ontmoet, zoals in 1889 toen prinses Sophie – zuster van de keizer – met de Griekse prins Constantijn trouwde en in april 1908 op het eiland Corfu waar hij een lange ontmoeting met hem gehad had.

Admiraal Souchon (rechts) met Otto Liman von Sanders en zijn dochter aan boord van de Goeben

Al met al was de houding van Kerr voor de de First Lord of the Admiralty reden op hem in 1914 van zijn Griekse post te ontheffen. De carrière van Kerr binnen de Engelse marine was definitief voorbij en hij moest zijn heil elders zoeken. Kerr nam vlieglessen en kreeg via zijn machtige connecties uiteindelijk een aardig betaalde positie binnen de Engelse luchtmacht. In 1919 wist Kerr voor een moment terug te komen in de wereldaandacht. Samen met Air Commodore H.G. Brackley wist hij de eerste lucht-post vlucht te maken van New Foundland naar New York.

Duits commando tijdens de oorlog

De talloze verzoeken van zowel Griekenland als het Ottomaanse rijk tot een met Engeland af te sluiten alliantie of bondgenootschap, waren al die jaren stelselmatig afgewezen. Terwijl Griekenland zich neutraal probeerde op te stellen, sloot het Ottomaanse Rijk op 1 augustus 1914 een overeenkomst met het Duitse Keizerrijk. Ze zette admiraal Souchon aan het hoofd van haar marine en benoemde generaal Liman von Sanders in augustus 1914 tot bevelhebber van het vijfde Turkse leger in de Bosporus.

Diens invloed was in eerste instantie beperkt en tegen zijn uitdrukkelijk advies in ging Enver Pasha op 22 december 1914 over tot een stoutmoedig plan om met het 3e Turkse leger de aanval te openen op het Russische Kaukasus-leger. Hij had daarmee de bedoeling om daar alle in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 verloren gebieden terug te veroveren. Het zou een militaire blunder van de eerste orde zijn met catastrofale gevolgen. Het Turkse leger werd in de Slag van Sarikamish vernietigend verslagen en op 17 januari 1915 waren van de 95.000 manschappen slechts 20.000 over! Na deze mislukte operatie droeg Enver het commando over aan generaal Hafiz Hakki en gaf collaboratie door Armeniërs als reden voor het mislukken van de veldtocht.

Na een volgende mislukte operatie eind januari 1915 in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen, onder aanvoering van de al even ondeskundige Djemal Pasha, kwam het commando in handen van Liman von Sanders. Het was onder zijn leiding dat de geallieerde aanvallen op de Dardanellen in maart 1915 stukliepen tegen het door hem gecommandeerde 5e Turkse leger. Anders dan zijn Engelse tegenhangers in buitenlandse dienst, die jarenlang de militaire opbouw frustreerden, was Liman von Sanders niet gehinderd door beperkende mandaten. Kampend met dezelfde problemen binnen het militaire apparaat wist hij wél – en dat binnen ettelijke maanden – het Ottomaanse leger te hervormen tot een slagvaardig leger. Dit alles was er de oorzaak van dat Liman von Sanders zich bij de geallieerden weinig geliefd maakte.

Naspel

Nadat de Grote Oorlog in het voordeel van de geallieerden was beslecht, werd Liman von Sanders door zijn rancuneuze tegenstanders op 3 februari 1919 als oorlogsmisdadiger op Malta vastgezet. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de Armeense genocide door Turkije, een beschuldiging die niet hard gemaakt kon worden. Het was juist mede door de persoonlijke tussenkomst van hém geweest dat de Armeniërs van Constantinopel en Smyrna enigszins gespaard bleven! Nadat ook Sir Ian Hamilton – zijn Engelse opponent in de slag om de Dardanellen – zich voor hem ingezet had, werd hij op 26 juli 1915 uit zijn eenzame opsluiting vrijgelaten waarna hij in augustus 1919 arriveerde in Berlijn.


Bronnen

Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges, G. von Jagow, Reimar Hobbing Verlag, Berlin, 1919
Manuscript ‘Schaakspel om de Wereldmacht’- Fré Morel
net.lib.byu.edu/estu/wwi/comment/morgenthau/Morgen08.htm
www.kcl.ac.uk/lhcma/locreg/LIMPUS.shtml
en.wikipedia.org/wiki/Otto_Liman_von_Sanders
www.gallipoli-association.org/contentpage.asp?pageid=35
www.firstworldwar.com/bio/liman.htm
en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Sarikamis
en.wikipedia.org/wiki/First_Suez_Offensive
 de.wikipedia.org/wiki/Colmar_Freiherr_von_der_Goltz
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 de.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Milit%C3%A4rmission_im_Osmanischen_Reich
 www.stahlgewitter.com/14_10_30.htm
 www.historyhouse.com/in_history/turkey_boat
 www.superiorforce.co.uk
en.wikipedia.org/wiki/Mark_Kerr_(admiral)
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 www.superiorforce.co.uk(externe link)
 en.wikipedia.org/wiki/HMS_Agincourt_(1913)
 de.wikipedia.org/wiki/HMS_Erin
 hnsa.org/ships/averoff.htm
 www.bsaverof.com/uk/history.htm
 www.geocities.com/roynagl/handleypage.htm
 www.knerger.de/Die_Personen/militar_14/militar_15/militar_16/hauptteil_militar_16.html

Posted on

Nieuwe Zijderoutes: China pacht haven in Sri Lanka

China bouwt zijn strategische positie langs de Nieuwe Zijderoutes verder uit. Onlangs verpachtte Sri Lanka formeel de diepzeehaven van Hambantota in het zuiden van het land voor 99 jaar aan China.

Volgens mediaberichten betaalde China meer dan 292 miljoen Amerikaanse Dollar voor de diepzeehaven, waarbij het slechts om de eerste tranche zou gaan. Het totaalbedrag dat China Sri Lanka betaalt voor de pacht zou zo’n 1,12 miljard dollar zijn.

Ofschoon China benadrukt dat de nieuwe haven net als andere nieuwe maritieme projecten in de regio uitsluitend vreedzaam benut zal worden, zijn sommige Indiase commentatoren achterdochtig. Zij vermoeden dat China een net van militaire steunpunten uitbouwt, wat ongunstig zou zijn voor de geopolitieke situatie van India.

Volgens de overeenkomst tussen China en Sri Lanka wordt de haven van Hambantota voor 99 jaar verpacht. China krijgt 70 procent van de aandelen. Sri Lanka behoudt de soevereiniteit over het territorium van de haven en garandeert de veiligheid. In de overeenkomst is ook vastgelegd dat de Chinezen er geen militair steunpunt inrichten.

Aan China is het nu de uitdaging om de verliesdraaiende haven winstgevend te maken. Vergelijkbare Chinese infrastructurele projecten in Afrika, Oost- en Zuidoost-Azië laten zien dat zoiets voor Chinese investeerders en ingenieurs geen onhaalbare kaart is.

Aan de Indische Oceaan bouwen of bouwden Chinese firma’s reeds havens in Pakistan, op de Malediven, in Birma en Bangladesh. Verder werd er voor 99 jaar een haven in Darwin, in het noorden van Australië gepacht en richtten de Chinezen in augustus 2017 een militair steunpunt in Djibouti in. Dat militaire steunpunt ligt strategisch, vanwege de nabijheid van de Straat van Bab el Mandeb, die de Rode Zee en de Golf van Aden verbindt en daarmee ook de Indische Oceaan met de Middellandse Zee. Aan de Middellandse Zee is de Griekse haven van Piraeus in Chinese handen.

Posted on

Egypte staat strategische eilanden Rode Zee aan Saoedi-Arabië af

De Egyptische president Abdel Fattah al-Sisi heeft een verdrag geratificeerd waarmee Egypte twee eilanden in de Rode Zee aan Saoedi-Arabië afstaat. Dat maakt de regering in Caïro bekend. Eerder deze maand stemde het parlement, ondanks een golf van verontwaardiging en protest vanuit de samenleving, al in met het verdrag.

Het verdrag voorziet in de soevereiniteitsoverdracht van de twee onbewoonde eilanden Tiran en Sanafir. Het voornemen de eilanden, die in het noorden van de Rode Zee voor de toegang tot de Golf van Akaba liggen, over te dragen werd bekend gemaakt tijdens het bezoek van de Saoedische koning Salman aan Caïro vorig jaar. Een eerder besluit werd echter door de rechter nietig verklaard.

De eilanden zijn van strategisch belang, omdat zich van hieruit eenvoudig de toegang tot de Israëlische haven van Eilat laat beheersen. Zo was de Egyptische blokkade van Eilat in ’67 aanleiding voor de Zesdaagse oorlog.

In het Egyptische parlement zorgde het onderwerp voor verhit debat. De oppositie verwijt de regering, dat ze de eilanden aan Saoedi-Arabië schenkt om in het gevlei te komen bij het rijke buurland. President Sisi stelt daarentegen dat Saoedi-Arabië Tiran en Sanafir alleen tijdelijk aan Egypte afgestaan zou hebben en daarom nu terecht aanspraak maakt op de twee eilanden. Bij protesten tegen het afstaan van de eilanden werden in de afgelopen dagen enkele tientallen demonstranten gearresteerd.

De overdracht van de eilanden vereiste ook de instemming van Israël, vanwege het vredesverdrag van 1979 tussen Israël en Egypte. Saoedi-Arabië heeft Israël er echter van verzekerd de bepalingen van het verdrag, met name over de vrije doorgang van scheepsverkeer door de Straat van Tiran, en de aanwezigheid van vredeshandhavers te zullen respecteren. Waarop Israël met de overdracht heeft ingestemd.

Saoedi-Arabië is voornemens een brug over de Straat van Tiran aan te leggen, als onderdeel van een weg die Egypte en Saoedi-Arabië moet gaan verbinden. Het plan wordt geraamd op zo’n 4 miljard Amerikaanse dollars.

Posted on

De ‘opstand van de harten’, 60 jaar geleden in Hongarije

De deur naar de vrijheid stond voor Hongarije op een kiertje in de dagen van de “tweede Oktoberrevolutie”, toen het land met een “opstand van de harten” poogde een “antwoord op de communistische [revolutie van] 1917 in Petersburg” te geven.

De citaten stammen uit de dagen van de Hongaarse vrijheidsstrijd tegen het communistische bewind, die op 23 oktober 1956 los barstte en twee weken later, na het binnentrekken van Sovjettroepen, bloedig werd neergeslagen. In juni 1956 hadden in Poznan Poolse arbeiders gestaakt, waaruit zich een opstand ontwikkelde. Bij het neerslaan daarvan kwamen 57 mensen om het leven.

Voor studenten van de Technische Universiteit Boedapest was dat de aanleiding om in een verklaring van burgerlijke vrijheidsrechten een parlementair systeem en nationale onafhankelijkheid te eisen. Op 23 oktober 1956 demonstreerden ze daarvoor. De tijd was rijp voor deze eisen. Duizenden demonstranten sloten zich bij hun opmars aan. Toen de studenten voor het gebouw van de staatstelevisie eisten dat hun verklaring op tv zou worden voorgelezen, werd er op ze geschoten. Veel soldaten weigerden echter op de demonstranten te schieten en deserteerden.

De demonstranten bestormden het televisiegebouw. Een omgehaald standbeeld van Stalin sleepten de studenten met een tractor tot voor het parlementsgebouw. ’s Avonds zwol de menigte aan tot 200.000 demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, losmaking van de Sovjet-Unie en Imre Nagy als regeringsleider.

Dat laatste werd die nacht weliswaar ingewilligd, maar nog dezelfde nacht gaf de secretaris van de communistische Hongaarse Arbeiderspartij Ernö Gerö het bevel op de demonstranten te schieten. Niet veel later kwamen de eerste Sovjet-tanks in beweging. Zo werd de opstand de kop ingedrukt. Het was zeker ook een opstand tegen het toenmalige communistische bewind, hoewel geen opstand tegen het communisme als zodanig was.

De leiders van de opstand zagen zichzelf ook als communisten, net als de personen waar zij hun hoop op gevestigd hadden, zoals Imre Nagy. Zijn partijcarrière was lang, steeds weer kreeg hij functies in de regering, totdat hij door de stalinisten in de partij op een zijspoor gezet werd.

Nagy wilde een communisme met een menselijk gezicht, maar hij bleef een trouwe kameraad. Kolonel Pál Maléter werd in deze dagen tot volksheld gemaakt, als militair leider die de demonstranten had moeten bestrijden maar zich aan hun zijde stelde. Hij was de commandant van de Kilian-kazerne in Boedapest. In deze kazerne waren opstandelingen door een achteringang binnen gedrongen en waren zo aan kalashnikovs gekomen. Hoe dat bij een bewaakte kazerne mogelijk is, blijft een vraag. Maléter was op dat moment niet in Boedapest, maar dook pas twee dagen later op. Niettemin deed later het verhaal de ronde dat Maléter zelf de opstandelingen aan de wapens geholpen zou hebben. Vast staat echter dat hij zich na enige twijfel bij de opstandelingen aansloot.

Niettemin bleef ook hij een overtuigde communist. Toen een Britse journalist Maléter vroeg waarom hij nog altijd zijn Sovjet-onderscheidingen droeg, zei Maléter: “Men heeft me die vanwege mijn partizanenactiviteiten in de Tweede Wereldoorlog verleend en ik ben er trots op. Overigens zijn we hier allemaal socialisten.”

De opstand was tot een revolutie uitgegroeid. Overal in het land waren er schermutselingen, de straten van Boedapest werden geblokkeerd door uitgebrande Sovjet-tanks die met molotovcocktails aangevallen waren. De veenbrand had zich door het hele land verspreid.

Wat waren de oorzaken? Na de inval van het Rode Leger in 1945 creëerden de Sovjets samen met de aanvankelijk in de minderheid zijnde Hongaars communisten per salamitactiek een socialistische vazalstaat. Sovjet-troepen hielden het land bezet. De politieke politie schakelden vermeende tegenstanders vanwege al of niet bestaande complotten uit. Na de vereniging van sociaaldemocraten en communisten beheerste al snel de veruit kleinere partner in de fusie, de communistische partij, de situatie. Hongarije werd een arbeiders- en boerenstaat aan de leiband van de Sovjet-Unie. Aan de leiding van het politbureau werd Mátyás Rákosi als secretaris de meest gehate politicus. Hij verwees graag naar zichzelf als “Stalins beste leerling”, wat hij als eretitel zag. Het regende showprocessen. Meer dan een miljoen mensen werden aangeklaagd, oftewel zo’n tien procent van de bevolking. Sommige mensen verdwenen zonder aanklacht in kampen waar ze dwangarbeid moesten verrichten. De economische situatie van het land bleef ondanks alle grote beloften erbarmelijk. Uit deze factoren ontwikkelde zich vervolgens de explosieve situatie die met de volksopstand tot uitbarsting kwam.

Het Kremlin begreep meteen wat er in Hongarije op het spel stond. Al een dag na de eerste demonstraties hadden twee leden van het politbureau zich naar Boedapest begeven. Verrast door de kracht van de revolutie lieten ze de reeds uitgerukte tanks rechtsomkeert maken. De Sovjets trokken zich terug. Zo leek het althans tot 31 oktober, toen persbureau Tass meldde, dat het Kremlin bereid zou zijn om over een terugtrekking van troepen te spreken.

Later dezelfde dag keerden de tanks echter opnieuw om en namen, versterkt door aanvullende troepen, Boedapest in. Elders op het wereldtoneel hadden Engeland, Frankrijk en Israël in het geheim een plan voor de bezetting van het Suezkanaal uitgewerkt. In Egypte vielen de eerste bommen, toen het Kremlin zijn tanks terugtrok. Imre Nagy verkondigde op 1 november de neutraliteit van Hongarije en de uittreding uit het Warschaupact.

En op dat teken werd de revolutie definitief neergeslagen. Sovjet-troepen bezetten het  parlementsgebouw. János Kádár werd de nieuwe premier. Tot 15 november woedde de strijd voort. 2.500 opstandelingen stierven, 720 Sovjet-soldaten sneuvelden. Na het neerslaan van de opstand zette een massale vlucht in. 200.000 Hongaren verlieten hun vaderland. De blokvorming in Europa had zich voor de komende decennia verder bestendigd.

Posted on

De nieuwe Britse buitenlandpolitiek

Door Thierry Meyssan, vertaling Harry Prins

De westerse media blijven de boodschap herhalen: door de Europese Unie te verlaten hebben de Britten zichzelf geïsoleerd van de rest van de wereld en zullen ze een oplossing moeten vinden voor de verschrikkelijke economische gevolgen. En toch kan de val van het Britse pond een voordeel zijn voor het Gemenebest, dat een veel grotere familie is dan de Unie en aanwezig is op alle zes continenten. Geroemd om haar pragmatisme kan de City snel het internationale centrum worden voor de yuan en de Chinese munt in het hart van de Unie plaatsen.

De Verenigde Staten blijven onzeker over hun vermogen om de Europese Unie actief te laten deelnemen in de NAVO en de wil van het Verenigd Koninkrijk om de militaire alliantie die zij samen sinds 1941 hebben opgebouwd – met als doel de wereld te overheersen – voort te zetten. Ondanks de beschuldigingen van Europese leiders isoleert de Brexit het Verenigd Koninkrijk niet, maar maakt deze het mogelijk dat zij zich wendt tot het Gemenebest en banden met China en Rusland creëert.

Europeanen in de NAVO dwingen

De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk waren van plan om bij de leden van de Europese Unie aan te dringen om tijdens de Top in Warschau (8 en 9 juli) een uitbreiding van het militaire budget van 2%  bekend te maken. Daarnaast waren er plannen tot het aannemen van een strategie om troepen bij de Russische grens te stationeren, inclusief het oprichten van een gezamenlijke NAVO-EU logistieke eenheid, die het gemeenschappelijk gebruik van helikopters, schepen, drones en satellieten mogelijk moet maken.

Tot nu leverde het Verenigd Koninkrijk de belangrijkste bijdrage in de Unie wat betreft defensie; bijna 15% van het defensiebudget van de EU. Daarnaast gaf het leiding aan Operatie Atalanta, die bescherming biedt aan maritieme transporten voor de kust van de Hoorn van Afrika, en stelde het haar schepen ter beschikking op de Middellandse Zee. Tenslotte was het plan dat het Verenigd Koninkrijk troepen zou leveren voor de nog op te richten gevechtseenheden van de EU. Met de Brexit zijn al deze afspraken van nul en generlei waarde.

Voor Washington is nu de vraag of Londen bereid is haar rechtstreekse belang in de NAVO – waarvoor het de op een na grootste bijdrage levert – te vergroten, ter compensatie voor de rol die ze speelde in de EU – maar zonder daarbij enig direct voordeel terug te krijgen. Hoewel Michael Fallon, de huidige Britse minister van Defensie, beloofd heeft niet de gezamenlijke inzet van NAVO en EU te  verzwakken, ziet niemand een reden waarom Londen akkoord zal gaan met het plaatsen van troepen onder buitenlands bevel.

Het resultaat is nu dat Washington vraagtekens zet bij het Britse verlangen om de militaire alliantie die zij sinds 1941 hebben opgebouwd voor te zetten. Natuurlijk mogen we niet de mogelijkheid uitsluiten dat de Brexit een Britse truc is om opnieuw te onderhandelen over hun ‘speciale relatie’ met ‘de Amerikanen’ in het voordeel van de Britten. Het is echter waarschijnlijker dat Londen hoopt haar relaties met Beijing en Moskou uit te breiden zonder de eerder genoemde voordelen van de alliantie met Washington op te geven.

De Angelsaksische geheime diensten

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, en zelfs voordat de Verenigde Staten gingen deelnemen aan de strijd, sloot Washington een pact met het Verenigd Koninkrijk. De details hiervan zijn terug te vinden in het Atlantic Charter [1]. Het riep beide landen op zich te verenigen om vrije zeevaart en uitbreiding van vrije handel te garanderen.

Deze alliantie werd verwezenlijkt in de ‘Five Eyes’ overeenkomst, die de basis vormt voor de samenwerking tussen 17 geheime diensten van 5 verschillende landen (de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, plus drie andere leden van het Gemenebest – Australië, Canada en Nieuw-Zeeland).

De documenten die Edward Snowden onthulde laten zien dat het Echelon-netwerk in haar huidige vorm “een supranationale inlichtingendienst” vormt, “die onafhankelijk is van de deelnemende landen”. Op deze manier heeft ‘Five Eyes’ mensen als de secretaris-generaal van de Verenigde Naties of de Duitse kanselier kunnen bespioneren en tegelijkertijd grootschalig bespioneren van hun eigen burgers kunnen uitvoeren.

Op gelijke wijze stichtten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in 1948 een tweede supranationale dienst, de Office of Special Projects, die leiding gaf aan de ‘stay-behind’ netwerken van de NAVO, tegenwoordig bekend onder de naam Gladio.

Professor Daniele Ganser heeft onthuld dat deze dienst een aantal staatsgrepen en terroristische aanslagen in Europa heeft uitgevoerd [2]. We gingen er eerst van uit dat de ‘strategie van de spanning’ erop gericht was om op democratische wijze te voorkomen dat communisten aan de macht zouden komen in Europa. Maar al snel werd duidelijk dat het doel vooral was de angst voor het communisme te vergroten en daarmee Angelsaksische militaire bescherming te rechtvaardigen. Nieuwe vrijgegeven documenten laten zien dat deze methode ook buiten Europa bestaat en werkzaam is in de Arabische wereld [3].

In 1982 creëerden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië tenslotte een derde supranationale dienst, waarvan de nep-NGO’s – de National Endowment for Democracy en haar vier dochterondernemingen, ACILS, CIPE, NDI en IRI – het zichtbare deel vormen [4]. Het is gespecialiseerd in het organiseren van staatsgrepen verhuld als ‘revoluties’.

Hoewel er een aanzienlijke hoeveelheid literatuur is over deze drie programma’s, weten we niets over de supranationale diensten die de controle hierover hebben.

De ‘speciale relatie’

De Verenigde Staten, die hun onafhankelijkheid uitriepen door zich af te scheiden van het koninkrijk, verzoende zich pas eind 19e eeuw met het Verenigd Koninkrijk (de Great Rapprochement). De twee staten vormden een alliantie tijdens de Spaanse oorlog op Cuba, en daarna voor het gebruik maken van hun koloniale handelsposten in China – in andere woorden, toen Washington haar imperialistische roeping ontdekte. In 1992 werd er een trans-Atlantische club opgericht, de Pilgrim Society, waarmee hun hernieuwde vriendschap werd bevestigd. De Engelse koning is traditiegetrouw voorzitter van de club.

De verzoening werd in 1917 verzegeld met het gemeenschappelijke project voor de oprichting van een Joodse staat in Palestina [5], en met de deelname van de Verenigde Staten naast Engeland aan de oorlog. Sindsdien hebben beide staten verschillende militaire middelen gedeeld, waaronder later de atoombom. Toen echter het Gemenebest werd opgericht, weigerde de Verenigde Staten toe te treden, omdat ze zich gelijkwaardig voelde aan Londen.

Ondanks een aantal onenigheden – de Britse aanval op Egypte (Suez-kanaal) of tegen Argentinië (de Falkland-oorlog), of opnieuw tijdens de Amerikaanse invasie van Grenada – hebben de twee machten elkaar altijd gesteund.

Het koninkrijk financierde de start van Obama’s verkiezingscampagne in 2008, door omvangrijke giften via de Iraaks-Britse wapenhandelaar Nadhmi Auchi. Tijdens zijn eerste periode was een groot aantal van de medewerkers van de nieuwe president in het geheim lid van de Pilgrim Society. De Amerikaanse afdeling daarvan werd voorgezeten door Timothy Geithner. Maar president Obama maakte zich los van de groep, waardoor het koninkrijk het idee kreeg dat het geen waar kreeg voor haar geld. De verhouding verslechterde door de aanval op David Cameron in The Atlantic [6], en het bezoek van de Obama’s aan koningin Elizabeth II vanwege haar verjaardag heelde de wonden niet.

Premiers van de Gemenebestlanden in 1944, vlnr: Mackenzie-King (Canada), Jan Smuts (Zuid-Afrika), Winston Churchill, Peter Fraser (Nieuw-Zeeland, John Curtin (Australië).
Premiers van de Gemenebestlanden in 1944, vlnr: Mackenzie-King (Canada), Jan Smuts (Zuid-Afrika), Winston Churchill, Peter Fraser (Nieuw-Zeeland, John Curtin (Australië).

Het Gemenebest

Door zich los te maken van de Europese Unie en zich te verwijderen van de Verenigde Staten heeft het Verenigd Koninkrijk zich op geen enkele wijze geïsoleerd, maar kan het opnieuw de joker trekken, het Gemenebest.

Men is geheel vergeten dat in 1936 Winston Churchill met het voorstel kwam om de huidige landen van de Europese Unie in het Gemenebest op te nemen. Zijn plan werd verhinderd door de politieke spanning en de wereldoorlog. Pas na de geallieerde overwinning kwam dezelfde Churchill met het idee tot de vorming van de ‘Verenigde Staten van Europa’ [7] en riep hij de Conferentie van de Europese Beweging in Den Haag bijeen [8].

Het Gemenebest is een organisatie van 53 lidstaten, gegrondvest op Engelse waarden – raciale gelijkheid, rechtsstaat, mensenrechten vanuit ‘nationaal belang’. Het moedigt echter ook zakenrelaties en sportieve vaardigheden aan. Daarnaast wisselt ze deskundigen op allerlei terreinen uit.

Koningin Elizabeth II, staatshoofd van 16 van de lidstaten, is het hoofd van het Gemenebest (eerder een keuze dan een erfelijke titel).

Wat willen de Britten?

Volgens Londen is het de Verenigde Staten die de ‘speciale relatie’ verstoord heeft, door toe te geven aan de buitensporigheid (overmoed) van een unipolaire wereld en door hun eigen buitenlandse en economische beleid uit te voeren. Terwijl ze niet langer de belangrijkste economische en conventioneel-militaire macht in de wereld zijn.

Van hieruit gezien is het in het belang van het Verenigd Koninkrijk te stoppen met het ‘alles op één kaart zetten’. Ze moet de gemeenschappelijke doelen die ze deelt met Washington behouden, vertrouwen op het Gemenebest, en nieuwe betrekkingen met Beijing en Msokou aangaan, rechtstreeks of via de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SSO).

Op de dag van de Brexit stemde de SSO in met de toetreding van twee leden van het Gemenebest, India en Pakistan, terwijl daarvoor nog nooit een Gemenebestland lid was geweest [9].

Hoewel we niets weten van de contacten die het Verenigd Koninkrijk al met Rusland moet hebben gelegd, valt de toenadering tot China op.

Afgelopen maart kondigde de London Stock Exchange, die de beurs van de City en van Milaan beheert, het plan aan om tot een fusie met de Deutsche Börse te komen. De Deutsche Börse beheert de beurs van Frankfurt, het verrekenkantoor van Clearstream en Eurex. Het was de bedoeling dat de twee instellingen hierover direct na het Brexit referendum een besluit zouden nemen. Deze aankondiging is des te opmerkelijk, omdat de Europese regelgeving formeel zo’n handeling verbiedt, omdat het een ‘monopolie’ creëert. Het lijkt erop dat het besluit van de twee instellingen al anticipeerde op het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

Bovendien heeft de London Stock Exchange een overeenkomst aangekondigd met de China Foreign Exchange Trade System (CFETS), en werd zij in juni de eerste aandelenbeurs ter wereld waar Chinese staatsobligaties werden verhandeld. Alle onderdelen waren gereed om de City om te vormen tot een Chinees Paard van Troje in de Europese Unie, ten koste van de Amerikaanse heerschappij.


Noten

[1] “The Atlantic Charter”, by Franklin Delano Roosevelt, Winston Churchill, Voltaire Network, 14 August 1941.

[2] Nato’s Secret Armies: Operation Gladio and Terrorism in Western Europe, Daniele Ganser, Cass, London, 2004.

[3] America’s Great Game: The CIA’s Secret Arabists and the Shaping of the Modern Middle East, Hugh Wilford, Basic Books, 2013.

[4] “The networks of “democratic” interference”, by Thierry Meyssan, Voltaire Network, 22 January 2004; « Национальный фонд демократии — игровая площадка ЦРУ] », Тьерри Мейсан, Однако (Российская Федерация) , Сеть Вольтер, 6 октября 2010.

[5] “Who is the Enemy?”, by Thierry Meyssan, Translation Roger Lagassé, Voltaire Network, 4 August 2014.

[6] “The Obama Doctrine”, by Jeffrey Goldberg, The Atlantic (USA) , Voltaire Network, 10 March 2016.

[7] “Winston Churchill speaking in Zurich on the United States of Europe”, by Winston Churchill, Voltaire Network, 19 September 1946.

[8] « Histoire secrète de l’Union européenne », par Thierry Meyssan, Réseau Voltaire, 28 juin 2004.

[9] “Brexit coincides with India’s and Pakistan’s entry into the SCO”, by Alfredo Jalife-Rahme, Translation Anoosha Boralessa, La Jornada (Mexico) , Voltaire Network, 2 July 2016.

Bron: http://www.voltairenet.org/article192722.html

Posted on

China gaat in Djibouti eerste buitenlandse militaire basis inrichten

Afgelopen voorjaar verklaarde China reeds dat het, in samenhang met haar toevoer van energie en delfstoffen en het openhouden van bepaalde zeewegen, ook zwaarwegende overzeese belangen heeft. In het nieuwe defensie-witboek gaf de Volksrepubliek aan deze belangen zo nodig ook met militair geweld te willen verdedigen. In dit kader moet het recente nieuws gezien worden, dat China een militaire basis in de Hoorn van Afrika inricht.

DjiboutiNadat hoge Chinese militairen een oorlogsschip dat in Djibouti bijgetankt werd bezocht hadden, maakte Peking op 26 november bekend dat men onderhandelingen voerde met de regering van Djibouti over de inrichting van een militaire basis in dat land. Het Chinese ministerie van Defensie ontweek in eerste instantie de vraag of de basis vergelijkbaar zou worden met de bases van westerse landen in het buitenland, maar enkele maanden later bevestigt men nu toch de uitspraken van de Djiboutische president Omar Guelleh tegenover persbureau AFP over dit grote project in Obock, een havenstad in het noorden van de verarmde Oost-Afrikaanse republiek, die het kleine land met een bevolking van zo’n 830.000 mensen een aanzienlijk inkomen zal brengen.

Eind januari nu maakte Hong Lei, woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, bekend dat men een overeenkomst bereikt had. Beide landen ondertekende hieraan voorafgaand diverse economische akkoorden, die voor Djibouti het in het leven roepen van een vrijhandelszone, versterking van zijn rol als omslagcentrum voor de handel tussen China en de rest van de wereld en de schepping van een juridisch kader waarin Chinese banken in Djibouti actief kunnen worden inhouden. President Xi Jinping zet infrastructureel in op de totstandbrenging van de zogenaamde Nieuwe Zijderoute, de Hoorn van Afrika kan daar een van de stations in zijn.

China heeft voor zijn eerste buitenlandse militaire steunpunt een strategisch uiterst belangrijke locatie aan de Straat van Bab al-Mandeb, aan de toegang van de Rode Zee en het Suezkanaal, uitgekozen. Met deze stap laat de Volksrepubliek niet alleen op papier maar daadwerkelijk de oude strategie achter zich, die louter bestond in de verdediging van de landsgrenzen.

In de afgelopen tien jaar hebben zich volgens officiële cijfers een miljoen Chinezen in Afrika gevestigd. Gezien de politieke instabiliteit van veel Afrikaanse landen, kan de basis in Djibouti niet alleen de economische belangen van China dienen, maar ook een steunpunt zijn voor eventuele repatriëring van Chinezen in noodgevallen. Afgelopen maart evacueerde de Chinese marine nog zo’n 600 Chinezen en enkele honderden andere buitenlanders uit Jemen, dat te lijden heeft onder een burgeroorlog waarin ook een regionale coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië zich gemengd heeft en een zeeblokkade die tot hongersnood heeft geleid.

‘Vrede en stabiliteit in de regio’

De Chinese overheid benadrukt evenwel dat de militaire basis niet bedoeld is als steunpunt voor grote militaire interventies, zoals de Amerikanen gewoon zijn. Het Chinese ministerie van Defensie spreekt dan ook liever van een logistiek centrum, dat bijvoorbeeld een belangrijke rol kan spelen in de anti-piraterijmissie in de Golf van Aden. Sinds december 2008 speelt de Chinese marine hierin een belangrijke rol, sinds begin 2010 in het kader van een VN-missie in samenwerking met andere landen. Deze inzet van de Chinese marine kan zeer vergemakkelijkt worden door het steunpunt in Djibouti, aldus het ministerie.

Verder zijn er nog Chinese blauwhelmen die in Zuid-Soedan en Mali de vrede handhaven en in andere Afrikaanse landen humanitaire missies vervullen.

[contextly_sidebar id=”Weg0azAHIgGxxqXvn7aaaygh5q2lqFPC”]Te denken valt ook aan het feit dat China eind vorig jaar geconfronteerd is met de dreiging van islamistische terreurgroepen. In drie dagen tijd werden in Syrië en Mali vier Chinese staatsburgers vermoord door dergelijke groepen. Zo betrekt de vestiging en economische activiteit van Chinezen over de hele wereld de Volksrepubliek ook bij de problemen van de rest van de wereld.

Ongetwijfeld speelt ook een zekere rivaliteit met de Verenigde Staten een rol, wier hegemonische optreden in de wereld de Chinezen een doorn in het oog is. Djibouti huisvest immers ook een Amerikaanse militaire basis, Camp Lemonnier bij de internationale luchthaven Ambouli, buiten de hoofdstad Djibouti. Toen Washington in 2014 het contract voor die basis voor tien jaar verlengde was er sprake van investeringen in de infrastructuur van meer dan 800 miljoen dollar.