Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

Werkt Turkije aan kernwapenprogramma?

Terwijl de mainstream media vooral naar de Iraanse en Noord-Koreaanse raket- c.q. kernwapenprogramma’s kijken, zorgen signalen dat in Turkije over het verkrijgen van kernwapens gedacht wordt tot nu toe niet voor opzien.

Momenteel komen in Turkije de eerste twee kerncentrales tot stand. De ene bouwt het Russische staatsbedrijf Rosatom in Akkuyu, zo’n 300 kilometer ten oosten van de badplaats Antalya, de andere wordt door het Japans-Franse consortium ATMEA gebouwd bij Sinope aan de Zwarte Zeekust. In beide gevallen heeft Ankara opmerkelijk genoeg afgezien van de gebruikelijke clausule, dat de buitenlandse firma’s ook het benodigde uranium aanleveren en de gebruikte brandstofstaven terugnemen c.q. afvoeren.

Een voor de hand liggende mogelijke verklaring hiervoor is dat Turkije zelf uranium wil gaan verrijken voor de reactoren en de gebruikte radio-actieve brandstofstaven wil gebruiken om plutonium voor bommen te maken. Daarvoor heeft het land weliswaar nog bepaalde technologie nodig, die zou echter geleverd kunnen worden door het bevriende Pakistan – wat niet in de laatste plaats een tegenprestatie zou kunnen zijn voor jarenlange ondersteuning van de Pakistaanse smokkelaar Abdul Qadir Khan, die onder andere centrifuges voor het verrijken van uranium aan Iran, Libië en Noord-Korea leverde.

Aanwijzingen voor een dergelijke strategische samenwerking op nucleair gebied tussen Turkije en Pakistan, maar ook Qatar, werden recent geboden door artikels van Galip Ilhaner en Sabri Isbilen in de bladen ‘Milat Gazetesi’ en ‘Dirilis Postasi’. Een andere indicatie voor een pril Turks kernwapenprogramma is de officiële opdracht van de staat aan het bedrijf Roketsan, om de middellange-afstandsraket (MRBM) J-600T Yildirim IV met een reikwijdte van 2500 kilometer te ontwikkelen. Dergelijke raketten dienen in de regel om kernkoppen af te leveren.

Opiniestukken van Hayrettin Karaman, een theoloog die als religieus en ideologisch adviseur van Erdogan geldt, sluiten bij deze indruk aan. Hij schreef enkele maanden geleden in de krant ‘Yeni Safak’, dat Turkije zich in zou moeten spannen om zelf massavernietigingswapens als de atoombom te vervaardigen. En wel zonder tijd te verliezen of acht te slaan op de “waarschuwende woorden en belemmeringen van het Westen”. De hoofdredacteur van het dagblad, Ibrahim Karagül, trok in zijn commentaar later dezelfde lijn. Kernwapens kunnen volgens hen ook dienen om het Westen te beteugelen, dat de facto toch al oorlog tegen Turkije voert.

De vraag is echter of Ankara daadwerkelijk over de middelen beschikt om de droom van kernwapens te verwezenlijken. De productie van uranium of plutonium van wapenkwaliteit, alsmede de productie van draagsystemen voor kernkoppen vereisen immers grote financiële investeringen. Momenteel lijdt Turkije echter onder een tekort aan kapitaal.

Aykan Erdemir van de Amerikaanse neoconservatieve denktank ‘Foundation for Defense of Democracies’ acht de kans dat Turkije op afzienbare termijn kernwapens zou verkrijgen vooralsnog gering. In het geval van economisch herstel zou dit echter snel kunnen veranderen.

Posted on

Wie wil er, behalve ISIS, nog meer een oorlog tussen Amerika en Iran?

“Iran moet vrij zijn. De dictatuur moet vernietigd worden. Containment is appeasement en appeasement is overgave.”

Zo wijst onze Churchill, Newt Gingrich, terzake van Iran, het containmentbeleid van de hand. Een beleid dat ontwikkeld werd door George Kennan en uitgevoerd door negen Amerikaanse presidenten en dat leidde tot een overwinning zonder bloedvergieten in de Koude Oorlog.

Waarom is containment overgave? “Omdat vrijheid overal bedreigd wordt zolang deze dictatuur aan de macht blijft”, aldus Gingrich. Maar hoe wordt de vrijheid van Amerikanen bedreigd door een bewind met 3 procent van het Amerikaanse BBP en dat al bestaat sinds Jimmy Carter president was?

Gelukkig heeft Gingrich een leider gevonden om het Iraanse bewind omver te werpen en de vrijheid van de mensheid veilig te stellen. “In ons land was dat George Washington en … de markies de Lafayette. In Italië was het Garibaldi”, aldus Gingrich. Wie heeft hij gevonden, die zich kan meten met Washington en Garibaldi? Maryam Rajavi.

Wie is dat? De leider van de Nationale Verzetsraad van Iran of de Iraanse Volksmoedjahedien, die tegen de sjah waren, braken met de oude Ayatollah, samenspanden met Saddam Hoessein en tot 2012 door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als een terroristische organisatie beschouwd werden.

Op de conferentie van deze organisatie in Parijs eerder deze maand waar Gingrich sprak, en de spreekvergoeding was naar verluidt uitstekend, waren John Bolton en Rudy Giuliani ook te vinden. Giuliani sprak van de tweemaal verkozen president Hassan Rouhani als “een gewelddadige, wrede moordenaar” en stelde dat “de tijd gekomen is voor regime change.”

Ook Bolton deed een duit in het zakje: “Teheran is niet slechts een kernwapendreiging, het is niet slechts een terroristische dreiging, het is een conventioneel gevaar voor iedereen in de regio”. En derhalve “zou het omver werpen van het bewind van de moellahs in Teheran het officiële beleid van de Verenigde Staten van Amerika moeten zijn”. We zullen het samen vieren in Teheran in 2019, zo verzekerde Bolton zijn toehoorders van de Nationale Verzetsraad van Iran.

Succes! Maar zoals de New York Times gisteren stelde, drijft al deze praat, die overal in Washington weerklinkt, ons recht naar een oorlog. “Een patroon van provocatieve woorden, expliciete dreigementen en acties – van president Trump en enkele van zijn vooraanstaande medewerkers, alsmede van soennitische Arabische leiders en Amerikaanse activisten – voert spanningen op die kunnen leiden tot gewapend conflict met Iran.”

Is dat wat Amerika wil of nodig heeft – een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten, tegen een land dat drie keer zo groot is als Irak? Zouden, na Afghanistan, Irak, Libië, Syrië en Jemen, Amerika en de wereld gediend zijn met een oorlog met Iran die een soennitisch-sjiitische godsdienstoorlog in het hele Midden-Oosten zou kunnen ontketenen?

Bolton noemt Iran een “kernwapendreiging”. Maar in 2007 verklaarden alle Amerikaanse inlichtingendiensten met grote zekerheid dat Iran geen kernwapenprogramma had. Ze herhaalden dit in 2011. Onder de kerndeal heeft Iran bijna al zijn uranium geëxporteerd, is het land gestopt met verrijken tot 20 procent, heeft het duizenden centrifuges stilgelegd, beton in de kern van zijn zwaar water-reactor gegoten en staat het VN-inspecteurs toe om alle faciliteiten uit te kammen.

Zou Iran, ondanks dit alles, een geheim kernwapenprogramma runnen? Of is dit oorlogspropaganda die bedoeld is ons nog een oorlog in het Midden-Oosten in te slepen? Om de waarheid te achterhalen, zou de commissie Buitenlandse Zaken van de senaat de hoofden van de CIA en DIA en de Director of National Intelligence op moeten roepen, om in een publieke zitting te getuigen.

Men zegt ons dat we ook geplaagd worden door een sjiitische halve maan die opkomt en zich uitstrekt van Beiroet tot Damascus, Bagdad en Teheran. Maar wie heeft deze sjiitische halve maan tot stand gebracht? Het was George W. Bush die bevel gaf tot het omver werpen van het soennitische bewind van Saddam, waardoor Irak in handen kwam van zijn sjiitische meerderheid. Het was Israël wiens invasie en bezetting van Libanon van 1982 tot 2000 het sjiitische verzet voortbracht dat nu bekend staat als Hezbollah. En wat Bashar al Assad in Syrië aangaat, zijn vader stuurde troepen om zij aan zij met de Amerikanen te vechten in de Golfoorlog.

Het bewind van de ayatollahs, de Islamitische Revolutionaire Garde en de Basji-militie staan vijandig tegenover Amerika. Maar Iran wil geen oorlog met de Verenigde Staten – en met goede reden. Iran zou aan stukken geslagen worden als Irak, en zijn onvermijdelijke opkomst als het grootste en meest ontwikkelde land aan de Perzische Golf zou afgebroken worden.

Bovendien hebben we gemeenschappelijke belangen: Vrede in de Perzische Golf, waarvandaan Irans olie vloeit en waarzonder Iran niet kan groeien, zoals Rouhani beoogt, door Irans banden met Europa en de ontwikkelde wereld te verdiepen.

En we hebben gemeenschappelijke vijanden: ISIS, al Qaida en al de soennitische terroristen wiens wildste droom het is om hun Amerikaanse vijanden hun sjiitische vijanden te zien bevechten. Wie wil er nog meer een Amerikaanse oorlog met Iran, behalve ISIS?

Helaas is hun getal legio: Saoedi’s, Israëli’s, neocons en hun denktanks, websites en magazines, haviken in beide partijen op Capitol Hill, democratie-kruisvaarders en velen in het Pentagon die hun gram willen halen voor wat door Iran gesteunde sjiitische milities in Irak gedaan hebben.

President Trump neemt een sleutelpositie in. Als hij doet wat de oorlogspartij wil, zal dat zijn nalatenschap zijn, zoals de Irakoorlog de nalatenschap is van George W. Bush.

Posted on

China kampt met toenemend Oeigoers terrorisme

De Volksrepubliek China is een seculiere staat en de meeste ingezetenen rekenen zich niet tot een bepaalde religie. Tot de uitzonderingen hierop horen onder andere de naar schatting 23 miljoen islamieten in China, die deels voor grote problemen zorgen.

De islam wordt vooral aangehangen door de Oeigoeren en andere Turkse volken in de noordwestelijke grensprovincie Xinjiang. De Oeigoeren maken ongeveer de helft van alle islamieten in China uit. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld de circa elf miljoen Hui, die verwant zijn aan de Han-Chinezen. Het religieuze centrum van de Hui ligt in Linxia, dat ook wel als ‘Klein-Mekka’ aangeduid wordt. De gezagsgetrouwe Hui bezorgen de leiding in Peking echter geen noemenswaardige problemen.

Dat is wel anders met de Oeigoeren in het Oeigoerse autonome gebied Xinjiang, dat onder andere aan de islamitische landen Pakistan en Afghanistan grenst. De Oeigoeren streven vanouds naar onafhankelijkheid van China en raakten vanaf 1990 in het vaarwater van het islamitische extremisme. Daarvan getuigt niet in de laatste plaats het ontstaan van terroristische organisaties als de East Turkestan Islamic Movement (ETIM) en de later daaruit voort gekomen Turkestan Islamic Party (TIP). Deze organisaties werken samen met Al Qaida en verwante organisaties. Daartoe behoorde ook de Islamic Movement of Uzbekistan, tot deze het Al Qaida-netwerk verruilde voor dat van IS, wat op forse kritiek van TIP kwam te staan.

Al Qaida en IS

Er vechten ook Oeigoeren in Syrië. Een deel van hen is echter ontevreden over hoe de Syrische Al Qaida-tak, voorheen Jabhat al-Nusra, nu Jabhat Fateh al-Sham, zich minder ‘al Qaida-achtig’ en meer Syrisch probeert voor te doen, zodat een klein deel van de Oeigoerse strijders inmiddels is overgegaan naar ‘Islamitische Staat’.

De ‘kalief’ van IS, Abu Bakr al-Baghdadi noemde China in zijn inaugurele rede in juli 2014 als een land dat moslims onderdrukt. Daarop volgde in het voorjaar van 2015 een indirecte oorlogsverklaring van IS via internet. In november van het zelfde jaar vermoordden beulen uit naam van Allah de eerste Chinese gijzelaars.

Kort daarop verbreidde het al-Hayat Media Center van de terreurorganisatie in Syrië strijdliederen met de oproep aan de moslims in het “rijk van het midden” om “te ontwaken” en “naar de wapenen te grijpen”. Nog duidelijker viel de volgende boodschap van IS aan het adres van Peking uit, daarin heette het onder andere dat de “soldaten van het kalifaat” zouden komen om “stromen van bloed te laten vloeien en de onderdrukten te wreken!” Deze dreigementen werden in het Chinees uitgesproken door Oeigoerse IS-strijders. Volgens gegevens van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, die aangehaald worden door het dagblad Yediot Aharonot, zouden er momenteel enkele honderden tot mogelijk enkele duizenden Oeigoerse strijders in Syrië zijn. Daarvan vechten de meeste voor aan Al Qaida gelieerde groepen en een kleiner aantal voor IS.

Dat betekent dat mettertijd vele Oeigoeren met gevechtservaring vanuit Syrië en Irak naar huis terugkeren, wat het gevaar van islamitische opstanden doet toenemen. Peking voelde zich derhalve genoodzaakt tot omvattende repressiemaatregelen in Xinjiang.

Per slot van rekening heeft de noordwestelijke provincie van China een niet te onderschatten economische betekenis voor het rijk van het midden. Er bevindt zich namelijk een derde van de olie en gasvoorraden van het land. Daarbij komen bodemschatten als goud, koper en uranium. Ook bevindt zich in de provincie het vroegere kernwapenproefterrein aan de Lop Nor, dat binnenkort als eindstation voor het hoogradioactieve afval van de Chinese kernindustrie moet dienen.

Duizenden doden

In Xinjiang kwam het in de afgelopen decennia tijdens de vastenmaand Ramadan steeds weer tot heftige rellen. Die eisten alleen in juli 2009 al zo’n 200 slachtoffers en verliepen steeds volgens hetzelfde patroon: Eerst trokken Oeigoeren-bendes door de straten en lynchten Han-Chinezen, dan sloegen de ordebewakers van het centrale gezag met harde hand terug.

Bovendien pleegden islamitische terroristen regelmatig aanslagen in andere delen van het land. Daardoor kwamen sinds 1990 reeds duizenden mensen om het leven. De laatste tijd worden de aanslagen vrijwel altijd opgeëist door ETIM of TIP. Dat was bijvoorbeeld het geval met de mesaanval van Kunming in Zuid-West-China, waarbij op 1 maart 2014 30 reizigers en politieagenten om het leven kwamen, en vergelijkbare moorden in Guangzhou en de hoofdstad van Xinjiang, Ürümqi, in de lente van 2014.

Daarbij komen bomaanslagen als die van mei en september 2014 op de treinstations van Ürümqi en Luntai met tientallen doden. Net zulke bloedige gevolgen lieten in 2008 aanvallen op lijnbussen zien in de steden Shanghai, Kunming en elders in de provincie Yunnan.

De meest symbolisch geladen actie van ETIM had plaats op 28 oktober 2013. Toen raasde een met jerrycans met benzine volgestouwde SUV direct onder het grote portret van Mao op het Plein van de Hemelse Vrede in het centrum van Peking tussen de flanerende toeristen door en brandde vervolgens uit. Daarbij vielen vijf doden en 40 gewonden. Voor het staats- en partijhoofd Xi Jinping was het aanleiding om zijn politieke koers tegenover de Oeigoeren in de onrustige provincie Xinjiang duidelijk te verscherpen.

Historische speelbal

Dat Peking het separatistische streven van de Oeigoeren als serieuze bedreiging ziet en zodoende met alle middelen bestrijdt, heeft ook historische redenen. Er ontstonden in Xinjiang namelijk al tweemaal afvallige gebieden. Zo riepen de Oeigoeren in november 1933 de Islamitische Republiek Oost-Turkestan uit.

Die zou echter slechts enkele maanden bestaan en door de Mantsjoerijse krijgsheer Sheng Shicai  met wapensteun van de Sovjets beëindigd worden. Aansluitend veranderde hij de nominaal weer Chinese provincie in een protectoraat van de Sovjet-Unie. Die stationeerde troepen in Xinjiang en begon met het delven van bodemschatten. Daarbij ging het niet in de laatste plaats om uraniumerts, dat Moskou nodig had voor zijn kernprogramma.

De verkrijging van de strategisch belangrijke delfstof was vanaf 1943 een belangrijke taak van Josef Stalins chef van de geheime dienst Lavrenti Beria. En die moest al snel vaststellen dat Sheng, die op enig moment zelfs lid was geworden van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, nu met de nationalistische Chinese regering van Tsjang Kai-shek samenwerkte. Derhalve initieerde Beria een “volksopstand” van de Oeigoeren en andere islamitische volken in Xinjiang.

In de loop van die opstand riepen de rebellen onder Elihan Tore Saghuniy en Ehmetjan Qasimi op 12 november 1944 opnieuw een Republiek Oost-Turkestan uit. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat deze meteen zou toetreden tot de Sovjet-Unie, maar Stalin had er al snel geen belangstelling meer voor. Enerzijds omdat hij vreesde dat het radicaal-islamitische elan naar het aangrenzende Russisch-Turkestan over zou kunnen slaan. Anderzijds omdat hij sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog toegang had gekregen tot het uranium in Tsjechië en wat de DDR zou worden.

Derhalve liet Stalin de in de Chinese burgeroorlog triomferende communistenleider Mao weten dat hij de Oeigoeren-staat op kon heffen en de provincie Xinjiang weer onder controle van Peking kon brengen. En dat deed de grote roerganger eind 1949 dan ook. Door het voortbestaan van het onafhankelijkheidsstreven van de Oeigoeren, blijft Xinjiang echter een zwakke plek van China, die zich leent voor door buitenlandse machten gestimuleerde agitatie.

Posted on

Hoe Bill en Hillary Clinton hun politieke posities financieel uitmelken

In januari 2001 verliet Bill Clinton het Witte huis na zijn tweede ambtstermijn als Amerikaans president. Voor de buitenwereld een joviale, welbespraakte en charismatische man die links en rechts wel een bijverdienste er op nahield. Zijn vrouw, Hillary Rodham Clinton, werd bekeken als een sterke en onafhankelijke vrouw, die echter wel bij haar man bleef en hem zijn affaires vergaf.

Degenen die in de periode van de presidentiële termijn van Bill Clinton ook regelmatig in het Witte Huis vertoefden, vertellen echter een ander verhaal. Hillary Clinton komt over als een paranoïde machtswellusteling, Bill als een paranoïde polygamist. Zo lieten zij een nieuw telefooncircuit aanleggen zodat personeel eventueel niet zou kunnen meeluisteren via andere toestellen. Wanneer personeel de kamer betrad, maakten zij zich vlug uit de voeten of viel er snel een doodse stilte. Agenten van de staatsveiligheid werden met evenveel argwaan bekeken. Na het uitbreken van de affaire Lewinsky werd de paranoia nog erger en werd elk personeelslid of elke agent een potentiëel lek. Dingen die u trouwens niet in Clinton Cash zult lezen, maar in The Residence. Het boek is een verzameling van interviews die de schrijfster, Kate Andersen Brower, had met voormalige personeelsleden van het Witte Huis. Het boek geeft via korte anekdotes, aangezien de overgrote meerderheid van personeelsleden zich aan een morele zwijgplicht houdt, een inzicht in de mentaliteit van de Clintons.

The residenceEigenlijk waren zij parvenu’s. Idealistische progressievelingen die zich naar de top hebben kunnen knokken door Bill (echte naam: William) Clintons charisma en Hillary’s meedogenloos achter-de-schermen aansturen van haar man. Wanneer zij, tegen de verwachtingen in, het Witte Huis betreden, komen zij in een wereld terecht die voor hen vreemd is. In tegenstelling tot de Bush-dynastie zijn zij geen personeel gewend (George Bush senior was veruit de meest geliefde president onder het personeel) en ook geen echte grote macht. Clinton was gouverneur van Arkansas geweest, niet direct de meest bekende of flitsende Amerikaanse staat. Vanuit die functie zorgde hij voor lucratieve banden voor het advocatenkantoor waar Hilary voor werkte waardoor ze zich toen reeds aan de vetpotten van de macht laven konden. Waarmee we van The Residence zijn aangekomen bij het eigenlijke onderwerp: Clinton Cash, uit de pen van Peter Schweizer.

Peter Schweizer

De schrijver van het boek Clinton Cash is te situeren aan de rechterkant van het Amerikaanse politieke spectrum. Waarmee niet gezegd is dat hij zich enkel richt op de Democratische Partij (DNC) hondstrouw is aan de Republikeinse Partij (GOP: Grand Old Party) en corruptie daar met de mantel der liefde bedekt. Zo werd zijn onderzoekswerk naar corruptie gebruikt voor de documentaire Insiders:  the road to the STOCK act, waarin de onethische beursactiviteiten van politici werden aangeklaagd. Door voorkennis, verkregen door deelname aan gesloten commissies, konden zij bepaalde beursbewegingen voorspellen en daarop speculeren. Benoemingen tot die commissies konden gebeuren door betalingen aan machtige figuren binnen zowel de DNC als de GOP. Op basis daarvan zijn snelle politieke hervormingen gebeurd die, in theorie, dit onmogelijk zou moeten maken.

Op dit moment is Peter Schweizer een schrijver voor Breitbart News en voorzitter van het Goverment Accountability Institute (GAI). Daarvoor heeft hij geadviseerd in het schrijven van toespraken voor George W. Bush en diende hij als adviseur voor Sarah Palin tijdens haar kort bestaan als potentiële vice-presidente.

The Clinton Foundation

De Clinton Foundation werd in 2001 opgericht, kort na het vertrek van Bill Clinton uit het Witte Huis. Hillary Clinton schreef over die periode dat ze platzak waren. Al is dat een grove overdrijving, we mogen de kosten van het verblijf van het Witte Huis niet onderschatten. In tegenstelling tot de Europese vetpotten die klaar staan voor de top van het establishment, is dit in de Verenigde Staten veel minder het geval. Zo betalen presidenten en hun gezin zelf voor de maaltijden die zij nuttigen en de boodschappen die gedaan dienen te worden. Voor een lid van de Bush-dynastie is dit geen probleem, voor twee parvenu’s met dochter uit Arkansas zal het toch krapper zijn geweest. De Clinton Foundation was in het begin opgebouwd rond de persoon Bill Clinton die door het geven van lezingen geld zou inzamelen voor de Clinton Foundation. Die zou op haar beurt dit dan schenken aan goede doelen. In de praktijk waren die goede doelen Bill en Hillary Clinton.

Het boek “Clinton Cash” zegt niet luid en duidelijk dat de Clinton Foundation een middel tot corruptie was, maar duidt op verdachte overeenkomsten en gedragingen van donoren. Net als Peter Schweizers onderzoek naar onethische beursactiviteiten zegt het niet duidelijk “Er is een misdaad begaan”, maar legt het patronen bloot. Dit doet het door zich te richten op 7 punten, naast de bedenkingen die Obama zelf al had bij zijn aantreden als president. Beginnen doen we echter met de oprichting van de Clinton Foundation zelf.

De oprichting van de Clinton Foundation

In juni 1999, anderhalf jaar voor het einde van zijn presidentstermijn, zat Bill Clinton samen met zijn chief fundraiser en veertig CEO’s in La Grenouille (Manhattan). Hier gaf Bill Clinton zijn visie op de op te richten Clinton Foundation waarbij Hillary een belangrijke rol zou spelen. Volgens de New York Times als volgt te omschrijven: “an important role in shaping both the foundation’s organization and the scope of its work”. Karen Tramontano, eerste personeelschef van de Clinton Foundation, merkte snel dat de Clinton Foundation de facto rond Hillary zou draaien met Bill als uithangbord. Nog voor de officiële oprichting was er achter al controverse rond machtige zakenmensen en Bill Clintons daden als president in zijn laatste maanden.

In september 1999 gaf Clinton opdracht aan zijn regering om reguleringen van bier, wijn en sterke drank niet door te voeren. Deze reguleringen waren erop gericht om minderjarigen van de fles te houden. Desondanks annuleerde Clinton deze. Een maand later stortte Anheuser-Busch Companies (een drankconcern) de eerste van vijf betalingen van in totaal USD 1.000.000 voor de bouw van de William J. Clinton Presidential Library and Museum. In augustus 1999 liet het ministerie van justitie weten dat William A. Brandt Jr., een bankroete advocaat en fundraiser voor Clinton die verdacht werd van meewerken aan corruptie, vrij van vervolging zou worden verklaard. Drie maanden eerder zorgde hij voor een bijdrage van USD 1.000.000 aan de Clinton Library. Tevens in 1999 keurde Clinton een verandering aan Medicare (onderdeel van de Amerikaanse sociale zekerheid) aan. Hierbij zouden betaalde hospitaalkosten toch mee vergoed worden. Het kwam goed uit voor dr. Richard Machado Gonzalez en diens advocaat Miguel Lausell. Die eerste was eigenaar van een privaat ziekenhuis dat goed zou boeren bij het doorvoeren hiervan. Acht maanden voor deze wijziging stortte advocaat Lausell USD 1.000.000 voor de Clinton Library. Twee maanden voor de wijziging stortte dr. Machado USD 1.000.000.

Kers op de taart was echter Marc Rich. Een zakenman in olie en kredietverstrekker die gezocht werd voor een waslijst aan feiten en de VS ontvlucht was. Zijn zakelijke belangen omvatten o.a. Fidel Castro, Muammar Khadaffi en ayatollah Khomeini. Zo had Rich olie verhandeld met Iran toen dat verboden was. Meer dan USD 48 miljoen aan belastingen was hij de Amerikaanse staat verschuldigd en hij werd geconfronteerd met de mogelijkheid van 325 jaar gevangenis. Hij stond dan ook op de Most Wanted List van de FBI. Op zijn laatste dag als president verleende Bill Clinton de man echter gratie. Dit vond plaats kort nadat de ex-vrouw van Mar Rich USD 100.000 aan de campagne voor de verkiezing van Hilary tot senator in 2000 had gestort, USD 450.000 aan de Clinton Library en USD 1.000.000 aan de DNC. Na zijn presidentschap zou Bill Clinton met de Clinton Foundation echter pas echt beginnen met het bijeen harken van geld. Tussen 2001 en 2012 bracht hij voor de Clinton Foundation USD 105,5 miljoen binnen aan lezingen en verzorgde hij honderden miljoenen dollars aan donaties voor de Clinton Foundation.

CEO van de Clinton Foundation was in het begin Bruce Lindsey die daarvoor belangrijke functies bekleedde in het Witte Huis onder Clinton. Een ander belangrijk bestuurslid doorheen de jaren was onder andere Doug Band. Hij is een professor aan de New York University en bestuurslid bij Coca-Cola. Voor hij zich bezighield met de Clinton Foundation hielp hij meerdere staatshoofden wereldwijd de overgang weer te maken van het politieke naar het private leven. Hij zou dit netwerk omzetten voor de Clinton Foundation naar het Clinton Global Intiative dat tegelijkertijd met VN-bijeenkomsten plaatsvindt. Hier zijn reeds meer dan 150 staatshoofden, 20 Nobelprijswinnaars en honderden voorname CEO’s samengekomen onder deze paraplu. Bilderberg lijkt er haast een dwerg bij. Doug Band is echter ook belangrijk vanwege zijn functie als onderhandelaar met Obama.

Toen Barack Obama president werd was hij goed op de hoogte van de mogelijke controverse rond de Clinton Foundation. Voordat hij Hillary tot Secretary of State (minister van buitenlandse zaken) wou benoemen, werd er onderhandeld over een MOU (Memorandum of Understanding). Daarvoor had senator John Kerry reeds gezegd dat er het gevaar was dat buitenlandse overheden en andere entiteiten zouden kunnen denken dat zij beslissingen van Hillary Clinton als Secretary of State kunnen beïnvloeden via de Clinton Foundation. Obama zag dit ook goed in en eiste daarom een MOU. Hierin eiste hij transparantie met betrekking tot de Clinton Foundation. Bill en Hillary Clinton moesten elke lezing die zij zouden geven eerst ethisch laten doorlichten voor zij enige betaling zouden aanvaarden. Ook de donoren aan de Clinton Foundation moesten bekend gemaakt worden. Zij hielden zich hier af en toe aan. Zo vermeldde de Clinton Foundation geen schenking van USD 500.000 van de Algerijnse overheid, zogezegd voor steun na de aardbeving in Haïti. Deze schenking vond plaats in 2010 en werd pas bekend gemaakt in 2015. Tevens moest de Clinton Foundation stoppen met het aannemen van donaties van buitenlandse donoren (private personen of overheden). Wat geen groot succes was, gezien de persoon van Gulnora Karimova.

Gulnora is de oudste dochter van de president van Oezbekistan. Haar vader wordt omringd met verhalen dat hij zijn politieke tegenstanders zou hebben laten koken. Desondanks is het niet haar vader, maar zij die de eerste plaats bezit als meest gehate persoon in het land. Zij wou een mode- en juwelenketen voet aan de grond doen krijgen in Europa en Amerika. Volgens een diplomatiek bericht, gelekt via Wikileaks, wou zij dit doen door een goede relatie op te bouwen met Bill Clinton. Hoe deed zij dit? Zij zorgde voor een fundraiser in Monaco voor de Clinton Foundation, poseerde daar met Bill Clinton en al snel stond zij bekend als een vriend van Bill Clinton. Of zij hier effectief iets mee gedaan zou krijgen is onbekend aangezien zij in 2013 door haar vader onder huisarrest werd geplaatst. Zij toonde echter wel wat meerdere niet-Amerikaanse oligarchen en andere belanghebbenden wisten: de Clinton Foundation is een weg naar de gunst van de Clintons. Men kan dat naïef noemen in het beste geval, maar dat is geen adjectief dat door tegenstanders of bondgenoten voor de Clintons wordt gebruikt…

Amerikaans uranium voor de Russen

De schrijver gaat in op enkele opvallende patronen waarbij donaties en beslissingen van Hillary Clinton samenvallen. Ook merkt de schrijver op dat Bill Clinton steeds grotere vergoedingen krijgt naargelang de beslissingen die Hillary kan nemen groter worden. Het zou teveel tijd kosten, en niet passen in een boekbespreking, om heel het boek hier samen te vatten. Toch is het interessant om dieper in te gaan op één specifiek punt, gezien de Amerikaanse hysterie over het land de laatste tijd: de Russen.

In 2008, terwijl Hilary Clinton een eerste poging deed om de presidentskandidate te worden van de DNC, verweet ze Poetin geen ziel te hebben. Waarop Poetin reageerde dat een staatshoofd toch op z’n minst een hoofd zou moeten hebben. Presidente werd ze niet, maar haar baan als Secretary of State vanaf januari 2009 hield toch regelmatige contacten in met die zielloze Poetin. In 2005 was Bill Clinton reeds naar Kazachstan gereisd. Zogezegd om te spreken over de rol van de Clinton Foundation in de strijd tegen AIDS. In zijn kielzog was echter Canadees zakenman Frank Giustra meegereisd. Al is kielzog weinig gezegd aangezien Bill Clinton en Frank Giustra samen naar Kazachstan vlogen in een vliegtuig van Giustra. In 2006 zou Giustra tegen de New Yorker dan ook duidelijk zeggen: “All of my chips, almost, are on Bill Clinton. He’s a brand, a worldwide brand, and he can do things and ask for things that no one else can”. Reeds in 1987 hadden de twee gemeenschappelijke belangen. Beiden waren verbonden aan mijnbouwondernemer Jean-Raymond Boulle. Clinton stond toe aan Boulle om een diamantmijn te openen in een staatspark en zorgde ervoor dat dit openging in 1987. Deze contacten waren geregeld via tussenpersoon Jim Blair, die later Hillary zou helpen om USD 1.000 aan beursproducten om te zetten in  USD 100.000. Ook Giustra was als mijnondernemer hieraan verbonden.

Na Bill Clintons bezoek aan Kazachstan, waar hij de president prees voor zijn inzet voor mensenrechten, ondanks zijn zeer autoritair regime, werd een bedrijf van Giustra gekozen om concessies met betrekking tot mijnbouw van uranium, uit te baten. Dit bedrijf was UrAsia Energy en had niet de minste ervaring in deze sector. Desondanks slaagde die erin om bedrijven met véél meer ervaring opzij te duwen. Deze concessies werden vervolgen overgegeven aan offshore constructies waar Giustra later van zou zeggen dat hij zelf niet wist wie eigenlijk de concessies in handen had. Uiteindelijk zou een bedrijf met de naam Uranium One een controlerend aantal aandelen van UrAsia Energy opkopen. Dit zou de basis vormen voor een opmerkelijk besluit van Hillary Clinton als Secretary of State.

Hillary Clinton pleitte als Secretary of State voor een “reset” van de Amerikaans-Russische relaties. Moskou was tevreden met de keuze voor Clinton als Secretary of State. Zij zagen haar als iemand die een evenwichtige visie bood op de Amerikaanse relaties met Rusland. Op hetzelfde moment hadden de Russen plannen om hun aandeel op de wereldmarkt voor kernenergie uit te breiden. Zo wilden zij vanaf 2006 USD 10 miljard uitgeven om de Russische jaarlijkse uraniumproductie op te drijven met 600%. Poetin, destijds afgestudeerd met een studie naar energiebevoorrading als geopolitiek wapen, noemde dit één van zijn prioriteiten. Alles wat betrekking heeft tot kernenergie in Rusland is in handen van Rosatom (het Russische staatsagenschap voor nucleaire energie). Zij zijn ook actief in Noord-Korea, Iran, Venezuela en Myanmar. Een staatsagentschap dat duidelijk past in Poetins geopolitieke visie op energiebevoorrading. In juni 2009 kocht Rosatom 17% van Uranium One. Op dat moment produceerde Uranium One bijna 3 ton uranium per jaar. Uranium One breidde ook sterk uit in de VS. In 2010 had het 61 lopende of geplande projecten in Wyoming. Daarnaast bezat het ook concessies in Utah, Texas en South Dakota. Tegen 2015 werd verwacht dat Uranium One de helft van de Amerikaanse uraniumproductie in handen zou hebben. Wat goed paste in de plannen van Rosatom dat erop mikte om zoveel mogelijk buitenlandse uraniumreserves in handen te krijgen. Waarbij het Kremlin voor het nodige geld zou zorgen.

Eind 2009 was Hillary Clinton verwikkeld in onderhandelingen met Rusland over het toestaan van commerciële handelingen tussen Amerikaanse en Russische bedrijven m.b.t. nucleaire projecten (waaronder de productie van uranium). In mei 2010 werd een regeringsvoorstel aangenomen in het Amerikaanse congres dat commerciële handelingen m.b.t. nucleaire projecten met Russische bedrijven werden toegestaan. Enkele weken later kondigde Rosatom aan dat zij 52% van Uranium One zouden kopen, waardoor zij uiteindelijk de helft van de Amerikaanse uraniumproductie in handen van het Kremlin kregen.

Een slimme zet van de Russen die niet verwacht werd door Washington? Enkele transacties doen anders vermoeden. Bestuursraadvoorzitter van Uranium One Ian Telfer was een donor van de Clinton Foundation en vanaf 2009 zorgde hij via een Canadees bedrijf voor een instroom van USD 2,35 miljoen naar de Clinton Foundation. Dit deed hij door meerdere donaties aan het Clinton Giustra Sustainable Growth Intitiave (een samenwerking tussen Bill Clinton en, jawel, Frank Giustra) dat op zijn beurt alles doorstortte naar de Clinton Foundation. Deze donaties werden niet meegedeeld door de Clinton Foundation, ondanks het MOU met president Obama. Uranium One nam ook twee financiële adviseurs onder de arm, Robert Disbrow en Paul Reynolds. Ook zei doneerden miljoenen aan de Clinton Foundation. Een belangrijke aandeelhouder van Uranium One was US Global Investor Funds wiens CEO Frank Holmes was. Frank Holmes was, u raadt het al, een donor van de Clinton Foundation en tevens adviseur m.b.t. grondstoffenhandel in ontwikkelingslanden. Endeavour Financial, een bedrijf van Giustra, begleide deze overname. CEO van Endeavour Financial was Eric Nonancs. Nonancs was senior adviser bij de Clinton Foundation en had daarvoor als buitenlandexpert gediend onder Bill Clinton.

De overname werd goedgekeurd door het Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS) op 22 oktober 2010. Had Hillary Clinton vanuit haar functie bezwaar aangetekend, was dit op het bureau van de president beland en waarschijnlijk afgevoerd. Kort hierna kreeg een klein Canadees bedrijf, Salida Capital, een anonieme donatie van USD 3,3 miljoen voor goede doelen. USD 780.220 hiervan ging in 2010 naar de Clinton Foundation. In totaal zou tussen 2010 en 2012 Salida Capital USD 2,6 miljoen naar de Clinton Foundation sturen. Op 21 mei 2010 sprak Bill Clinton ook voor Salida Capital in Canada en kreeg in ruil een vorstelijke vergoeding. Waarom is dit belangrijk? Omdat Salida Capital verschijnt in een jaarverslag van Rosatom als een dochterbedrijf van dit Russische staatsbedrijf. Ook kort na het goedkeuren van de overname werd Bill Clinton uitgenodigd om in Moskou te komen spreken. Vergoeding; USD 500.000 betaald door organisator RenCap (Renaissance Capital). RenCap heeft zijn zetel in Cyprus en staat bekend als een mantelorganisatie van de Russische FSB. Uitvoerend directeur van RenCap is Yuri Kobaladze, met 32 jaar ervaring in KGB en SVR. Morgen een zielloos man, vandaag goed om zaken mee te doen.

Conclusie

clinton-cash-coverHet boek geeft een uitgebreid overzicht van enkele stinkende potjes van de Clinton Foundation. Men mag nooit vergeten dat het uit Amerikaans perspectief geschreven is. De deal met Rusland, die ik hierboven heb uitgelicht, is daar een deal met een aartsvijand. Daarnaast heeft men nog deals die Afrikaanse warlords ten goede komen, het ondersteunen van de Indiase kernwapenlobby, gesjoemel met centen bestemd voor het herbouwen van Haïti, etc… Zodra Hillary Clinton beslissingen kan nemen, verschijnen grote bedragen voor lezingen van Bill Clinton of grote spontane donaties direct aan de Clinton Foundation. De auteur is eerlijk en slim genoeg om er meerdere malen op te wijzen dat hij geen directe bewijzen aanreikt. Hij duidt echter wel op patronen die een verdachte correlatie tonen tussen donaties en belangrijke beslissingen door Hilary genomen.

Men kan sommige dingen toeval noemen of een naïef vertrouwen van Hillary Clinton dat de Russen opeens vanuit een filantropische visie aan geopolitiek gaan doen. Naïviteit is echter geen rode lijn die men doorheen haar leven kan trekken. Telkens zijn er steeds toevalligheden die allen samen een andere rode lijn aanwijzen: een cynische drang naar het vergroten van macht. Een progressief gedreven vrouw die macht wou verwerven om zichzelf te bewijzen en om haar progressieve agenda uit te voeren. Doorheen de jaren is dit gemuteerd naar het gebruiken van een progressieve agenda om macht te verwerven.

Wie dit cynische manipulatieve gedrag van Clinton wil zien, hoeft enkel maar te kijken naar haar keuze voor running mate. Tim Kaine was voorzitter van de DNC van 2009 tot 2011. Hij gaf deze functie op nadat hij, niet met volle zin, had besloten campagne te voeren voor het ambt van senator. Het leek alsof hij plotseling een stap opzij deed waarbij men zich kon afvragen welke prijs hij hiervoor had gevraagd. In zijn functie als voorzitter van de DNC werd hij opgevolgd door Debbie Wasserman Schultz. Daarvoor was zij één van de topfiguren in de campagne van 2008 van Hillary Clinton om presidentskandidate te worden. Debbie Wasserman Schultz werd tot aftreden gedwongen in 2016 en direct opgenomen in de campagne van Hilary Clinton. In 2016 werd het ook duidelijk voor welke prijs Tim Kaine was afgetreden als voorzitter van de DNC. Op 27 juli 2016 werd hij gekozen tot kandidaat vice-president voor Hillary Clinton.

En zo doet Hillary Clinton denken aan de serie House of Cards. U mag het passende Frank Underwood-citaat zelf kiezen: “When money is coming your way, you don’t ask questions.”, “For those of us climbing to the top of the food chain, there can be no mercy. There is but one rule: hunt or be hunted”, “Don’t let a little dirt stop you”. Of gezien de situatie is misschien Claire Underwood beter gepast: “Am I really the sort of enemy you want to make?

Posted on

Toenadering tussen kernmachten India en Pakistan terwijl alles op scherp staat

India en Pakistan verkeren sinds hun oprichting in augustus 1947 in vijandschap met elkaar. Beide staten beschikken over talrijke tactische en strategische kernwapens. Deze combinatie bergt het gevaar van een nucleair conflict in zich, maar zou ook islamitische terroristen in de hand kunnen spelen.

Terwijl de wereldpers in de afgelopen jaren vooral aandacht had voor militaire investeringen van landen als Rusland en China, heeft India in alle stilte een indrukwekkend arsenaal van de meest uiteenlopende wapens opgebouwd. Zo beschikt New-Delhi nu onder andere over 10.500 pantservoertuigen, 2600 vliegtuigen en helikopters, 2400 stukken geschut en raketwerpers en een kleine 200 oorlogsschepen – waaronder de meest moderne schepen van eigen makelij.

Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de 'Cold Start'-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo'n USD 50 miljard.
Toenmalig opperbevelhebber van de Indiase strijdkrachten Vijay Kumar Singh ontkende in 2011 het bestaan van de ‘Cold Start’-doctrine. Verscheidene sindsdien gehouden militaire manoeuvres wijzen echter wel op een dergelijke doctrine. Daarbij komt de permanente verhoging van het Indiase defensiebudget geircht op uitbouw van de aanvalscapaciteiten, dat steeg in de afgelopen tien jaar met bijna 50 procent tot zo’n USD 50 miljard.

Deze krijgsmacht kan ingezet worden in het kader van de ‘Cold Start’-doctrine, die een reactie op herhaalde terreuracties van Pakistaanse extremisten inhoudt. Deze doctrine gaat uit van een situatie waarin India niet alleen aangevallen wordt door reguliere Pakistaanse troepen, maar ook met grootschalige aanvallen van islamitische rebellen te maken krijgt, waarachter dan de Pakistaanse geheime dienst zou zitten. Een dergelijk offensief zou binnen 48 uur door tegenaanvallen van meerdere tegelijk oprukkende contingenten beantwoordt moeten worden.

Door het uitlekken van deze doctrine voelde Pakistan zich op zijn beurt bedreigd, waarop de Pakistaanse legerleiding dan ook tegenwierp dat wanneer India daadwerkelijk het islamitische buurland binnen zou vallen, men haar gevechtseenheden met inzet van tactische kernwapens zou vernietigen.

Dat is een gevaarlijke, zelfs suïcidale strategie, die twee dodelijke risico’s inhoudt. Ten eerste zou de inzet van dergelijke kleine springkoppen – in 1999 ingevoerd door generaal Pervez Musharaf, die later president zou worden –  wier explosieve kracht hoogstens een tiende van de Hiroshima-bom bedraagt, tot nucleaire besmetting van grote delen van Pakistan leiden. Naar inschatting van de Indiase deskundige Jaganath Sankaran, werkzaam voor het Amerikaanse Center for International and Security Studies, zou Pakistan om de Indiase strijdkrachten werkelijk tegen te houden ook grotere kernwapens in moeten zetten, waarbij dan onvermijdelijk ook honderdduizenden Pakistaanse burgers om zouden komen.

Ten tweede zijn er de veiligheidsproblemen, die nu al, in vredestijd, voor algemene onrust zorgen. Een groot aantal, decentraal opgeslagen kleinere kernwapens is immers moeilijker te bewaken als een paar grote – zeker aangezien er geen veiligheidscodes nodig zijn om de wapens op scherp te zetten, zoals het geval is bij de Amerikaanse en Russische kernwapens.

Het zou voor islamitische terroristen dus al interessant zijn om één nucleair wapendepot te bestormen. Dat zou verder vergemakkelijkt kunnen worden door het feit dat een deel van de Pakistaanse militairen sympathiseert met de Taliban en andere jihadistische groeperingen.

Hoe dan ook hebben de beide landen zich met hun respectievelijke plannen in een bedreigende situatie gemanoeuvreerd. En dat verklaart dan weer de toenaderingspogingen in de afgelopen maanden tussen de twee aartsvijanden. Zo vond op 25 december een buitengewoon harmonieuze ontmoeting plaats tussen de Indiase regeringsleider Narendra Modi en zijn Pakistaanse ambtsgenoot Nawaz Sharif. Die ontmoeting werd dan ook al snel gevolgd door een aanslag van de islamitische terreurmilitie Jaish-e Mohammed op de Indiase luchtmachtbasis Pathankot. De islamisten hebben immers belang bij het voortbestaan van de spanningen op het Indisch subcontinent.

De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.
De Indiase premier Narendra Modi bracht eind december een bezoek aan de Pakistaanse premier Nawaz Sharif in Lahore, de hoofdstad van de Punjab, in het noorden van Pakistan, vanouds een belangrijk brandpunt in de strijd tussen de beide landen.

Tussen 1947 en 1999  voerden India en Pakistan vier oorlogen met elkaar. Driemaal ging het daarbij om het bezit van de betwiste regio Kasjmir in de Himalaya, en eenmaal om de onafhankelijkheid van het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh. In India zetten daarnaast aanslagen van Pakistaanse terroristen kwaad bloed. Zo pleegde Jaish-e Mohammed op 13 december 2001 een aanslag op het Indiase parlement waarbij 14 mensen omkwamen en pleegde Lashkar-e Taiba in november 2008 een aanslag in Mumbai (Bombay) waarbij 174 doden en 239 gewonden vielen. Op basis van de militaire precisie waarmee vooral die laatste aanslag werd uitgevoerd en uitspraken van gevangengenomen terroristen, acht men in India de betrokkenheid van de Pakistaanse geheime dienst ISI waarschijnlijk. De ISI ontkent iedere betrokkenheid en wijst daarentegen op steun van de Indiase geheime dienst R&AW aan separatisten in de Pakistaanse zuid-westelijke provincie Beloetsjistan en betrokkenheid bij aanslagen op Pakistaans grondgebied.

Midden jaren ’60 wees de Indiase premier Lal Bahradur Shastri kernwapens nog als immoreel van de hand. Maar onder premier Indira Gandhi, dochter van Nehru, voltrok zich een koerswissel. Zo vond op 18 mei 1974 de eerste Indiase kernproef plaats. Dit bracht de Pakistaanse regeringsleider Zulfikar Ali Bhutto er toe ook naar kernwapenbezit te streven, wat in de loop van de jaren ’90 werkelijkheid werd.

Beide landen breidden in de afgelopen jaren hun kernwapenarsenaal steeds uit, zodat India nu over 110 springkoppen beschikt en Pakistan naar schatting over 150. Pakistan heeft bovendien nog dermate grote voorraden hoog verrijkt uranium en plutonium, dat het voor de hand ligt dat het land zijn arsenaal nog uit wil breiden. Ook nu beschikken de beide landen echter al over een groter kernwapenarsenaal dan het naburige China. Beide landen ontwikkelden ook diverse raketten om de kernkoppen af te leveren. Zo beschikt India over raketten die vanuit India op iedere plaats in Pakistan afgevuurd kunnen worden en vanaf onderzeeërs. Pakistan onderscheidt zich vooral door de tactische kernwapens, waartegen grondtroepen praktisch weerloos zijn.

Posted on 2 Comments

Stop het kernprogramma van Iran

In Nederland is de aandacht gericht op het bestuderen van verkiezingsprogramma’s. Maar er is een ander programma waarvoor we onze ogen ook niet mogen sluiten. Dat is het kernprogramma van Iran. Als je de president van Iran, Ahmadinejad, moet geloven, heeft het land uitsluitend vreedzame bedoelingen met het gebruik van kernenergie. Aan de geloofwaardigheid daarvan moet echter ernstig worden getwijfeld.

In de eerste plaats voldoet Iran niet aan de internationale eisen met betrekking tot het toezicht. Het land speelt geen open kaart. Het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) heeft namelijk geen onvoorwaardelijke toegang tot alle locaties, al het materiaal, alle mensen en documenten. Hierdoor kan het agentschap zijn rol als nucleaire toezichthouder niet vervullen en het Iraanse kernprogramma niet worden gecontroleerd.

Ten tweede zijn er duidelijke bewijzen dat Iran doorgaat met de opvoering van verrijkingsactiviteiten. Deze verrijking gaat veel verder dan nodig is om kernenergie te gebruiken als brandstofvoorziening voor civiele doeleinden.

In de derde plaats getuigt de houding van de Iraanse premier ten opzichte van Israël niet van de goede bedoelingen van de islamitische staat. Hij noemde onlangs opnieuw de staat Israël een kankergezwel en een belediging voor de hele mensheid. Regelmatig zinspeelt hij op de toekomstige vernietiging van het land. Uitroeiing van Israël zou de waardigheid van alle mensen ten goede komen.

Tot slot zijn er de getuigenissen van Iraanse burgers. Dit voorjaar werd de Iraanse kernfysicus Roshan vermoord. Hij werkte voor een verrijkingsinstallatie voor uranium. Zijn echtgenote verklaarde dat het werk van haar man tot doel had “het Zionistische regime” te vernietigen.

Over de werkelijke bedoelingen van Iran hoeft dus geen onduidelijkheid te bestaan. In dat licht bezien is de grote zorg van Israël begrijpelijk. Er wordt gepraat met Iran, maar ondertussen gaat het land door met de ontwikkeling van zijn kernprogramma. Van Israël mag niet worden verwacht dat het afwacht tot Iran een kernbom heeft en deze op de Joodse staat gooit. De internationale gemeenschap moet klip en klaar een ultimatum stellen. Iran moet open kaart spelen en stoppen met de onverantwoorde ontwikkeling van zijn kernprogramma.

Als alle vreedzame opties om Iran te stoppen geen effect hebben, moet militair optreden niet worden uitgesloten. Helaas is niet te verwachten dat de Verenigde Naties (VN) op cruciale momenten daadkrachtig ingrijpen. De houding van de VN ten opzichte van Syrië is daarvan een schrijnend voorbeeld. Een kernwapen in het bezit van een land dat uit is op de vernietiging van een ander land is een schrikbeeld dat moet worden voorkomen. Israël verdient steun. De Joodse staat moet in de strijd tegen het kernprogramma van Iran niet alleen kunnen rekenen op de steun van de Verenigde Staten, maar ook op die van Nederland.